Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 24 juni 2021, nr. 28318215 tot intrekking van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017 onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2021
De inspectie heeft inmiddels enkele jaren ervaring opgedaan met het onderzoekskader van 2017. Na evaluatie stellen we het toezicht bij. Dit doen we niet alleen op grond van de opgedane ervaringen, maar ook op basis van actuele ontwikkelingen, verbetersuggesties vanuit het onderwijsveld en aanpassingen in beleid en wet- en regelgeving. In het voorliggende onderzoekskader zijn deze bijstellingen verwerkt. Hierin gaan we uit van de wettelijke taken van de inspectie en de voorschriften in wet- en regelgeving zoals deze voor de desbetreffende sectoren gelden. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor het toezicht, zoals al geformuleerd in het Onderzoekskader 2017, verder verankerd in dit herziene onderzoekskader.58We baseren ons op de versie die op 22 juni 2020 is vastgesteld. Het onderzoekskader wordt namelijk elk jaar geactualiseerd vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving.
In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de wettelijke basis van het onderzoekskader en geven we de belangrijke begrippen in het toezicht weer. In hoofdstuk 2 gaan we in op de visie en de uitgangspunten voor ons toezicht. Daarna volgt in hoofdstuk 3 de invulling van het stelseltoezicht en in de hoofdstukken 4 en 5 de waarderingskaders voor het toezicht op bestuurs- en schoolniveau. Vervolgens beschrijven we hoe we tot oordelen en waarderingen komen (hoofdstuk 6), onze werkwijze (hoofdstuk 7) en communicatie (hoofdstuk 8). Tot slot geven we een overzicht van onderwijsvoorzieningen waarvoor specifieke wetgeving geldt en waar het waarderingskader en de werkwijze afwijken (hoofdstuk 9). Deze afwijkende waarderingskaders zijn te vinden in de bijlagen.
4.1. Inleiding
Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, wordt gedragen door vijf uitgangspunten (zie figuur 2.3a).
De activiteiten van de inspectie, ten aanzien van scholen en samenwerkingsverbanden, die redelijkerwijs voortvloeien uit de taken op grond van artikel 3 van de WOT.
5.1. Inleiding
Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs van hun scholen van voldoende kwaliteit is. En ook dat het financieel beheer op orde is. In het toezicht gaan wij na of besturen hier zicht op hebben en of zij hieraan sturing geven, zodat besturen waarborgen dat de leerlingen op hun scholen onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit.
In het waarderingskader op schoolniveau onderscheiden we vier kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten, en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie. Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over het onderwijs voor leerlingen: krijgen ze goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat), en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Daarnaast kijken we naar de sturing op en de verbetering van de kwaliteit (Sturen, kwaliteitszorg en ambitie). Dit zijn belangrijke aspecten voor de kwaliteit en ontwikkeling van het onderwijs aan leerlingen. We beoordelen bij de kwaliteit van het onderwijs het geheel van de prestaties van de school op deze vier gebieden. Het financieel beheer beoordeelt de inspectie op het niveau van het bestuur.
4.2. Opbouw van het kader
4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden
Ieder jaar wordt het onderzoekskader in ieder geval geactualiseerd naar aanleiding van wijzigingen in de wet- en regelgeving. Om zicht te hebben op ervaringen en ontwikkelingen raadpleegt de inspectie periodiek het onderwijsveld.
2 De verplichting van (toewerken) naar referentieniveaus verschilt tussen de uitstroomprofielen en hangt samen met het verwachte uitstroomniveau. Voor het uitstroomprofiel vervolgonderwijs geldt dezelfde (resultaats)verplichting als het regulier onderwijs. Voor leerlingen in het uitstroomprofiel arbeid gaat het om een inspanningsverplichting en voor leerlingen met het profiel dagbesteding zijn de referentieniveaus niet van toepassing als (streven naar) te behalen niveaus.
5. Waarderingskader scholen
Onderwijs vervult een belangrijke taak in de samenleving. Het onderwijs begeleidt leerlingen naar vervolgonderwijs of werk, als werknemer of ondernemer. Ook moet het onderwijs ervoor zorgen dat kinderen leren hoe zij als burger volwaardig deel kunnen uitmaken van de samenleving. Om elke leerling daadwerkelijk in staat te stellen te werken en mee te doen, geeft het onderwijs hun de benodigde kennis en vaardigheden mee. Het is immers aan het onderwijs om de talenten van álle leerlingen tot bloei te laten komen. Anders gezegd: het leren (kwalificatie), de vaardigheden aanleren om mee te doen en bij te dragen aan de samenleving (socialisatie), en de weg vrijmaken naar vervolgonderwijs en arbeidsmarkt (allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen), zijn de kernfuncties van het Nederlandse onderwijs.
6. Oordelen en waarderen
Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, wordt gedragen door vijf uitgangspunten (zie figuur 2.3a).
6.1. Inleiding
2.3.2. Verantwoordelijkheid bij besturen
Besturen hebben daarnaast een wettelijke verantwoordelijkheid voor passend onderwijs. De kern daarvan is dat voor alle leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte zo passend mogelijk onderwijs wordt gerealiseerd. Schoolbesturen hebben in dat verband een zorgplicht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Alle schoolbesturen zijn verplicht aangesloten bij een of meer (regionale) samenwerkingsverbanden passend onderwijs. We houden toezicht op de uitvoering van de afspraken binnen het samenwerkingsverband door de schoolbesturen. Daarnaast houden we toezicht op het bestuur van het samenwerkingsverband. Dit lichten we verder toe in hoofdstuk 9.
6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau
2.3.3. Waarborgen
2.3.4. Stimuleren
2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk
6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen
3. Stelseltoezicht
7.1. Inleiding
4.4. Overige wettelijke vereisten
7.2.1. Werkwijze van het stelseltoezicht
5. Waarderingskader scholen
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
5.2. Opbouw van het kader
7.2. Stelseltoezicht
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
7.2.3. Agenderen en interveniëren
7.3.1. Werkwijze toezicht op besturen en scholen
7.3.3. Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse
6.2. Stimuleren op stelselniveau
7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk
Daarnaast spreken we ook van ‘overige wettelijke vereisten’ als we in een kwaliteitsonderzoek of in een onderzoek bij een bestuur een onderdeel van een standaard hebben onderzocht en beoordeeld zonder de gehele standaard te onderzoeken en te beoordelen. Onze bevindingen over de onderzochte overige wettelijke vereisten tellen niet mee in de beslisregels over het eindoordeel, maar er kunnen uiteraard wel herstelopdrachten op gegeven worden.
Voor het beoordelen en waarderen van de kwaliteit van besturen en scholen gebruiken we de standaarden zoals beschreven in de hoofdstukken 4 en 5. Een standaard bestaat uit een beschrijving van de basiskwaliteit, gebaseerd op de deugdelijkheidseisen. Per standaard besteden we daarnaast aandacht aan de vragen naar aanvullende ambities.
7.4.2. Onderzoeken op schoolniveau
In het waarderingskader op schoolniveau onderscheiden we vier kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten, en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie. Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over het onderwijs voor leerlingen: krijgen ze goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat), en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Daarnaast kijken we naar de sturing op en de verbetering van de kwaliteit (Sturen, kwaliteitszorg en ambitie). Dit zijn belangrijke aspecten voor de kwaliteit en ontwikkeling van het onderwijs aan leerlingen. We beoordelen bij de kwaliteit van het onderwijs het geheel van de prestaties van de school op deze vier gebieden. Het financieel beheer beoordeelt de inspectie op het niveau van het bestuur.
7.4.2. Onderzoeken op schoolniveau
Het waarderingskader (voortgezet) speciaal onderwijs op schoolniveau telt per gebied een aantal standaarden, in totaal veertien69Om de zichtbaarheid van de basisvaardigheden te vergroten, is een standaard Basisvaardigheden (OP0) toegevoegd aan het waarderingskader. De standaard aanbod (OP1) heeft betrekking op het aanbod van de andere vakken/leergebieden. Dit betekent dat we nog steeds uitgaan van samenhang in het gehele curriculum.. Bij elke standaard is aangegeven wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat móet de school op orde hebben?).70We parafraseren de wettelijke vereisten. Voor de letterlijke teksten verwijzen we naar de genoemde wetsartikelen. Gezien het belang van de basisvaardigheden taal, rekenen en burgerschap, noemen we deze expliciet bij de standaarden SKA1, SKA2 en SKA3. Ter onderbouwing van de eisen voor basiskwaliteit geven we per standaard de wettelijke eisen weer die van toepassing zijn. We noemen de wettelijke eisen ook wel deugdelijkheidseisen.
6.6. Oordeelsvorming
Als onderdeel van de beoordeling van de standaard OP0 kijken we naar de plek van basisvaardigheden in het curriculum met in het achterhoofd wat deze vaardigheden betekenen voor het functioneren in de uitstroombestemming. We verwachten dat het curriculum voor de basisvaardigheden samenhangend is, dat de school kennis heeft van de referentieniveaus en (delen van) leerlijnen hierop gebaseerd heeft en het curriculum op dit gebied kan verantwoorden aan de hand van de relevantie van de basisvaardigheden voor het uitstroomniveau.
Het leggen van het contact is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bestuur kan ervoor kiezen de contactinspecteur gedurende het jaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en hem te informeren bij urgente zaken, zoals (ernstige) signalen. Ook kan de contactinspecteur geregeld contact leggen met het bestuur om een vinger aan de pols te houden of urgente zaken te bespreken. De informatie uit deze contacten nemen we mee in de eerdergenoemde monitoring.
7.2. Stelseltoezicht
Het schoolplan is voor het schoolbeleid, vaak ook in relatie tot overige wettelijke eisen, een belangrijk verantwoordingsdocument.
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
Voor de monitoring en aansluitende analyse verzamelen we gegevens uit verschillende bronnen. We gebruiken bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht, signalen en we verzamelen zelf gegevens door thematisch onderzoek.
We richten het themaonderzoek in op basis van actuele vraagstukken of gesignaleerde stelselproblemen. Dit doen we soms bij een bestuur of een school. In dat geval combineren we het themaonderzoek eventueel met het vierjaarlijks onderzoek bij het bestuur en scholen, zoals beschreven in paragraaf 7.3. Ook is het mogelijk dat we op een andere manier onderzoek doen, bijvoorbeeld door vragenlijsten uit te zetten, mee te kijken in het onderwijsproces, gesprekken te voeren met meerdere besturen of scholen tegelijk of gesprekken te voeren met bijvoorbeeld wetenschappers en deskundigen.
7.2.3. Agenderen en interveniëren
Voor het agenderen en interveniëren in het stelseltoezicht onderscheiden we vier soorten activiteiten. Deze beschrijven we hierna. Agenderen en interveniëren liggen soms dicht bij elkaar, omdat agenderen een vorm van interveniëren is.
Bij de uitvoering van ons toezicht bij besturen en scholen bespreken we soms thema’s, specifieke knelpunten en goede voorbeelden vanuit de regionale of lokale context. Zo hebben we aanknopingspunten om met bestuur en scholen over hun ambities die de kernfuncties raken in gesprek te gaan in aansluiting op hun omgeving, of risico’s.
Onderzoeken op stelselniveau kennen de volgende rapportagevormen.
8.3.1. Stelselniveau
6.6.2. Waarderen van ambities
Daarna werken we de toezichtsactiviteiten uit die aansluiten op de omstandigheden van het bestuur. Welke onderzoekinstrumenten hebben we nodig om bij het desbetreffende bestuur de kwaliteit te beoordelen? Is er sprake van een eenpitter of vallen er meerdere scholen onder het bestuur? Bij kleine besturen en eenpitters houden we in onze benadering rekening met de gekozen samenhang van de sturing tussen het school- en bestuursniveau. Met wie voeren we gesprekken, waar en hoe kijken we mee in het onderwijs? Dit is het maatwerk in het toezicht.
8.2. Communicatie
In het rapport maken we onderscheid tussen enerzijds de beoordeling van de naleving van de deugdelijkheidseisen (voldoen het bestuur en zijn scholen aan de basiskwaliteit?) en anderzijds onze waardering van de ambities. Tot slot worden in beginsel in het rapport eventuele herstelopdrachten en -onderzoeken vastgelegd die betrekking hebben op het herstel van niet-naleving van de deugdelijkheidseisen. Dan leggen we ook de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (zie paragraaf 7.5).
8.3.1. Stelselniveau
In het stelseltoezicht zetten we een aantal stappen (zie figuur 7.2.1a):
In paragraaf 7.2.2 gaan we verder in op hoe we monitoren en analyseren. In paragraaf 7.2.3 beschrijven we hoe we agenderen en interveniëren.
Aan de hand van het raamwerk van de kwaliteitsbeschrijving van het stelsel (zie hoofdstuk 3) volgen we systematisch de ontwikkelingen in het onderwijsstelsel. We kijken naar hoe het geheel van besturen en scholen samen de drie kernfuncties vervult: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Ook kijken we naar de essentiële voorwaarden om deze te verwezenlijken: de doelmatigheid, zoals te zien aan beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, het personeelsbeleid, de kwaliteitszorg en het bestuurlijk handelen.
8.3.2. Bestuursniveau
We gebruiken gegevens uit het toezicht op besturen en scholen, waaronder gegevens die het bestuur zelf beschikbaar heeft. Daarnaast gebruiken we signalen die we over het onderwijs ontvangen. Verder maken we gebruik van gegevens van andere organisaties en van wetenschappelijk onderzoek. We analyseren het grootste gedeelte van de gegevens minimaal jaarlijks, maar het kan ook zijn dat we meerdere keren per jaar analyses maken. We analyseren ook prestaties in brede zin en kijken specifiek naar risico’s voor de kwaliteit van onderwijs.
Met ons thematisch onderzoek willen we in kaart brengen in hoeverre het onderwijsstelsel erin slaagt de eerdergenoemde kernfuncties van het onderwijs te realiseren. Daarbij zoeken we naar verklaringen voor wat niet goed gaat en willen we laten zien wat wel en niet bijdraagt aan het realiseren van de kernfuncties. Hierover gaan we actief de dialoog aan met betrokkenen.
Wat we willen onderzoeken, nemen we op in het Jaarwerkplan. Hierin beschrijven we meerjarige onderzoeksprogramma’s en eenmalige themaonderzoeken die gericht zijn op het in beeld brengen van de kernfuncties of gesignaleerde knelpunten in het stelsel. Urgente thema’s kunnen leiden tot verschuiving of uitbreiding van onze onderzoeksagenda.
7.2.3. Agenderen en interveniëren
Voor het agenderen en interveniëren in het stelseltoezicht onderscheiden we vier soorten activiteiten. Deze beschrijven we hierna. Agenderen en interveniëren liggen soms dicht bij elkaar, omdat agenderen een vorm van interveniëren is.
Jaarlijks brengen we ‘De Staat van het Onderwijs’ uit. Hierin geven we weer hoe het onderwijsstelsel in Nederland ervoor staat. Wat gaat er goed en waar zijn knelpunten, kansen en risico’s? Ook de informatie over onze verrichte (thema)onderzoeken maakt deel uit van ‘De Staat van het Onderwijs’. Deze rapportagetaak van de inspectie is vastgelegd in de Grondwet (artikel 23, achtste lid) en in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT).
7.3. Toezicht op besturen en scholen
Bij het toezicht op de besturen en scholen staat centraal hoe besturen de (financiële) kwaliteit van het onderwijs waarborgen en bevorderen. Om deze vragen te beantwoorden doen we onderzoek op het niveau van bestuur en scholen. We lichten hieronder eerst onze werkwijze toe en gaan vervolgens in op de toezichtsactiviteiten.
9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader
7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties
De monitoring van de prestaties op het niveau van het bestuur en hun scholen helpt ons om tijdig eventuele risico’s op het spoor te komen en inzicht te krijgen in het functioneren van het bestuur. We doen dit conform artikel 11 van de WOT aan de hand van een aantal indicatoren. Die indicatoren betreffen onder andere financiële gegevens, gegevens over het personeel, over de veiligheid op scholen en de resultaten en doorstroom van leerlingen. Ten minste eenmaal per jaar voeren we een analyse uit op de data die we met de monitor verkrijgen. Als er een vermoeden van risico’s is, voeren we een risicoanalyse uit.
9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
7.4. Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen
1 Jeugdhulp en eventuele andere domeinen uit artikel 2.2 van de Jeugdwet zoals beschreven in het jeugdplan van de gemeente.
Onderzoeken naar risico’s nemen we mee in het vierjaarlijks onderzoek. Maar ze kunnen ook daarbuiten plaatsvinden, naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse en signalen. We houden hiermee zicht op mogelijke risico’s, maar we verwachten dat besturen die te allen tijde zelf ook in beeld hebben, als onderdeel van de kwaliteitscyclus. Bij een bestuur dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit goed invult, verwachten we dat als wij mogelijke risico’s detecteren, het bestuur zelf de oorzaken onderzoekt, passende maatregelen neemt en zich hierover verantwoordt aan de inspectie. Bij een bestuur dat er niet in slaagt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, voeren wij (afhankelijk van de aard van de risico’s) zelf het risico-onderzoek geheel of gedeeltelijk uit. We onderzoeken en beoordelen dan een of meerdere standaarden van het waarderingskader op schoolniveau (zie hoofdstuk 5) en maken afspraken over de rapportage en verantwoording van de bevindingen.
7.4.3. Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer
Het bestuur legt verantwoording af over de verwerving en besteding van de rijksbekostiging. Deze verantwoording wordt beoordeeld door een accountant die wordt aangesteld door het interne toezicht. Deze accountant moet opereren volgens de beroepsmaatstaven van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie in overleg met belanghebbenden71Onder andere het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), onderwijskoepels, de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en accountantskantoren. is opgesteld. Elk jaar controleren wij bij een selectie van accountants of hun controle voldoet aan de regels. Aandachtspunten uit deze toezichtactiviteit worden jaarlijks besproken met de NBA en kunnen aanleiding zijn het Onderwijsaccountantsprotocol aan te passen.
7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties
Interventies kunnen variëren van een herstelopdracht om tekortkomingen op te heffen op schoolniveau tot zeer ingrijpende maatregelen op het niveau van bekostiging van scholen en op het niveau van besturen. Vanzelfsprekend wegen we in alle gevallen af wat de ernst en de langdurigheid van de risico’s zijn en of het bestuur voldoende perspectief op verbetering van de situatie biedt.
8.1. Inleiding
Meldingen over het onderwijs hebben voor ons een signaalfunctie en we nemen we deze mee bij de jaarlijkse prestatieanalyse en de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Soms is de signalering zo ernstig van aard dat deze meteen aanleiding voor onderzoek vormt.
Bijlage 4. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs
8.3.1. Stelselniveau
Inleiding
9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Over onderzoeken op bestuursniveau rapporteren we in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek. Dit rapport is gericht aan het bestuur en geeft een totaalbeeld van de bevindingen en oordelen op bestuursniveau en van de onderzoeksactiviteiten die in dit kader op scholen plaatsvonden. We rapporteren in dit rapport kort over verificatie-activiteiten en – wanneer uitgevoerd – kwaliteitsonderzoeken naar risico’s en/of onderzoeken naar financiële risico’s. Bij verificatie-activiteiten op schoolniveau geven we geen oordelen of waarderingen. De rapportage hierover is daarom beknopt.
1.2. Waar houden we toezicht op?
Toezicht op individuele opleidingen
Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3) en daarnaast kan een bestuur bezwaar maken tegen het eindoordeel Zeer zwak.
9.1. Inleiding
In dit hoofdstuk beschrijven we enkele specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader. Het betreffen samenwerkingsverbanden passend onderwijs en onderwijssoorten en -voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt, zodat aanpassingen van het waarderingskader of de werkwijze nodig zijn.
Er zijn ook onderwijssoorten en -voorzieningen waar we wel toezicht op houden, maar niet op grond van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT), bijvoorbeeld het Nederlands onderwijs in het buitenland (NOB) en niet-bekostigde instellingen (B3-scholen in primair en voortgezet onderwijs). Daarvoor zijn aparte waarderingskaders opgesteld. Hoe het toezicht op deze vormen eruitziet, is te vinden op onze website.76Zie www.onderwijsinspectie.nl.
1. Inleiding
1.4. Niveaus in het toezicht
We beschrijven hieronder het toezicht op besturen van samenwerkingsverbanden passend onderwijs en orthopedagogisch-didactische centra. In de tekst staat een overzicht van de standaarden uit het waarderingskader (hoofdstuk 4 en/of 5) die al dan niet, of met wijziging, van toepassing zijn op genoemde voorzieningen. De overige wettelijke vereisten (paragraaf 4.4 en paragraaf 5.4) zijn ook van toepassing op de bijlage. Verder zijn afwijkingen in de normering (hoofdstuk 6) en de werkwijze (hoofdstuk 7) opgenomen.
Het toezicht moet inzicht geven in de mate waarin samenwerkingsverbanden erin slagen hun taak te vervullen.
1.3. Begripsbepalingen
Het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs (RPO) richt zich op de wettelijke taken die specifiek zijn voorbehouden aan samenwerkingsverbanden passend onderwijs en die zijn gericht op de realisatie van de maatschappelijke opdracht voor passend onderwijs. Deze wettelijke taken zijn gevat in de drie standaarden in het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs.
9.2.3. Werkwijze
Voor de werkwijze voor het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op het opdc gelden de uitgangspunten zoals genoemd in hoofdstuk 7.
Bijlage 1 Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht
A. Bevordering burgerschap
De wettelijke burgerschapsopdracht bepaalt dat onderwijs actief burgerschap en sociale cohesie bevordert. Bij het toezicht hanteert de inspectie geen ‘eigen’ eisen; alleen de wet is uitgangspunt, die bevat minimumeisen. Dat betekent dat zolang scholen aan wettelijke eisen voldoen, invullingen gekozen kunnen worden die passen bij de school. De wettelijke eisen zijn in de standaarden verwerkt en deze zijn hieronder weergegeven.
2.2. Visie
De inspectie stelt vast of het onderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar is, en de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart brengt. Of het onderwijs doelgericht is, blijkt uit de formulering van geconcretiseerde leerdoelen die de school bereiken wil voor bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Of het onderwijs samenhangend is, blijkt uit de logische opbouw van de leerstof en aanpak waarmee de school de leerdoelen bereiken wil. Of het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap herkenbaar is, blijkt uit de realisering van de geplande leerstof en aanpak. Of de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke wijze in kaart brengt, blijkt uit dat de school over gegevens beschikt die een adequaat beeld van de resultaten geven, zodanig dat beoordeeld kan worden of de school haar leerdoelen realiseert.
2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit
3. Stelseltoezicht
De basiswaarden waarom het in het onderwijs gaat, zijn vastgelegd en uitgewerkt in het wettelijk kader in de gewijzigde burgerschapsopdracht in de onderwijswetten voor funderend onderwijs (Gewijzigd voorstel van wet, 17 november 2020. Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2020-2021, 35 352 nr. 2; memorie van toelichting en Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2019-2020, 35 352 nr. 3 en nr. 6). Die uitwerking vormt het (hiertoe begrensde) uitgangspunt voor het inspectietoezicht op basiswaarden. De navolgende uitwerking en formuleringen zijn aan dit wettelijk kader ontleend.
2.3.4. Stimuleren
Woord vooraf: veranderingen in het toezicht
In de uitvoering van ons toezicht op bestuursniveau leggen we een sterker accent op risico’s. Bij besturen waar we de grootste risico’s zien, voeren we een volledig onderzoek uit, dat we sinds vorig jaar een bestuursonderzoek noemen in plaats van een vierjaarlijks onderzoek. Naast het bestuursonderzoek hebben we een lichtere variant aan het bestuurstoezicht in het bekostigd onderwijs toegevoegd, het bestuursbezoek. Dit bestuursbezoek is minder uitgebreid en sluiten we niet af met een oordeel maar met een conclusie. Met deze nieuwe toezichtvorm versterken we de proportionaliteit van het toezicht. We sluiten beter aan bij de kwaliteitsborging en bevordering van kwaliteit die besturen zelf uitoefenen. Met deze risicogerichte aanpak creëren we ook ruimte voor frequenter toezicht op scholen en opleidingen. We streven ernaar jaarlijks bij een kwart van de besturen een bestuursbezoek of -onderzoek uit te voeren. Zo willen we elke vier jaar – dan wel deze termijn zo dicht mogelijk benaderend – een actueel beeld krijgen van alle besturen.
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
1.4. Niveaus in het toezicht
4. Waarderingskader besturen
4.1. Inleiding
Centraal in het toezicht op het onderwijs staan de belangen van de leerlingen en studenten. Het doel is het stelsel zo te laten functioneren dat het voorziet in de bagage die voor leerlingen en studenten nu en in hun verdere onderwijsloopbaan en leven essentieel is. Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit en moet erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs op een school of opleiding op orde is. Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen we de kwaliteit van het onderwijs en stimuleren we de verbetering ervan.
4.2. Opbouw van het kader
Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen en opleidingen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer op orde is. Door het aangepaste onderzoekskader worden besturen daarnaast nog nadrukkelijker gestimuleerd om na te denken over hun eigen ambitie. Elke vier jaar onderzoekt de inspectie in het ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en opleidingen’ de mate waarin het bestuur deze verantwoordelijkheid neemt en of de (be)sturing op de kwaliteit van de scholen op orde is.
Gezien het belang van meer zicht op schoolniveau heeft de inspectie ruimte gecreëerd voor intensiever toezicht op scholen. Daarom was het in 2024 en is het ook in 2025 niet mogelijk de bestuursgerichte vierjaarscyclus volledig uit te voeren. De inzet van de inspectie is vooralsnog om de vierjaarscyclus vanaf 2026 weer volledig uit te voeren, met risico-onderzoek bij risicobesturen en substantieel lichtere, proportionele bezoeken bij jaarlijks ongeveer een kwart van de besturen. We houden daarbij wel rekening met de vraag die er tegelijkertijd ligt om met de beschikbare capaciteit meer scholen te bezoeken en met de (mogelijke) beperkingen die daaruit voortvloeien voor onderzoeken bij besturen. Om deze redenen gebruiken we bij de uitvoering van het toezicht in de praktijk voorlopig de term ‘bestuursonderzoek’ , en niet het in dit onderzoekskader gebruikte ‘vierjaarlijks onderzoek bij besturen en scholen’.
5.2. Opbouw van het kader
2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit
Opleidingen en besturen maken onderdeel uit van het onderwijsstelsel. Het stelsel vormt ook de context waarbinnen zij hun werk doen. Onder stelselkwaliteit verstaan we de mate waarin alle besturen, scholen en opleidingen er samen met anderen in slagen om voor alle leerlingen en studenten bij te dragen aan de realisatie van de kernfuncties van het onderwijs. Zij zorgen er samen voor dat deze kernfuncties van onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht gerealiseerd worden.
Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun opleidingen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten80In dit onderzoekskader wordt de algemene term ‘student(en)’ gebruikt voor degenen die in het mbo onderwijs volgen, ook als het volgens de wettelijke definitie gaat om een ‘deelnemer’ (aan educatie) of een ‘vavo-student’..
De inspectie heeft inmiddels enkele jaren ervaring opgedaan met het onderzoekskader van 2017. Na evaluatie stellen we het toezicht bij. Dit doen we niet alleen op grond van de opgedane ervaringen, maar ook op basis van actuele ontwikkelingen, verbetersuggesties vanuit het onderwijsveld en aanpassingen in beleid en wet- en regelgeving. In het voorliggende onderzoekskader zijn deze bijstellingen verwerkt. Hierin gaan we uit van de wettelijke taken van de inspectie en de voorschriften in wet- en regelgeving zoals deze voor de desbetreffende sectoren gelden. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor het toezicht, zoals al geformuleerd in het Onderzoekskader 2017, verder verankerd in dit herziene onderzoekskader.81We baseren ons op de versie die op 22 juni 2020 is vastgesteld. Het onderzoekskader wordt namelijk elk jaar geactualiseerd vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving.
4.2. Opbouw van het kader
6. Oordelen en waarderen
6.1. Inleiding
Deugdelijkheidseisen zijn bij of krachtens de wet geregelde algemene kwaliteitsnormen, gericht aan besturen. Deugdelijkheidseisen hebben betrekking op de onderwijskwaliteit (in ruime zin) en het financieel beheer.
Bij alle handelingen die we ondernemen, spreken we van interventies. We onderscheiden:
1.4. Niveaus in het toezicht
We onderscheiden verschillende niveaus in het toezicht: onderwijsstelsel, besturen en opleidingen.
Dit onderzoekskader is van kracht met ingang van 1 augustus 2026. Het is overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de WOT bekendgemaakt in de Staatscourant en is gepubliceerd op de website van de Inspectie van het Onderwijs en op www.wetten.nl.
5.4. Overige wettelijke vereisten
Lopende afspraken en toezichtsinterventies, waaronder die op basis van het Onderzoekskader 2021 in de versie per 1 augustus 2025, blijven van kracht. (Herstel)onderzoeken die ná 1 augustus 2026 starten86Uitgegaan wordt van de eerste onderzoeksdag op locatie (niet zijnde het startgesprek met het bestuur in geval van een Bestuursonderzoek), ongeacht of deze onderzoeksdag fysiek of digitaal plaatsvindt. worden uitgevoerd op basis van Onderzoekskader 2021 in de versie per 1 augustus 2026. Wetsartikelen die op de dag van publicatie van dit kader in de Staatscourant nog niet in werking zijn getreden, zijn tussen blokhaken ([]) geplaatst.
Wij voorzien een nieuw onderzoekskader in 2027. Ervaringen met dit onderzoekskader en ontwikkelingen in de samenleving, in de verschillende sectoren of in politiek en beleid kunnen leiden tot eerdere bijstelling van (delen van) het onderzoekskader.
6.5.1. Eindoordeel zeer zwak
2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht
2.2. Visie
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
Het doel van ons toezicht wordt nog steeds aangegeven door onze missie: ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’. Centraal in onze visie staan de maatschappelijke opgaven van het onderwijs: we willen opgavegericht werken. Vanuit die opgaven richten we ons toezicht in en bepalen we waar we als toezichthouder nodig zijn. Om dat goed te doen, kijken we integraal naar het onderwijs en is ons toezicht adaptief. We willen daar zijn waar we het hardst nodig zijn, op een passende en effectieve manier. Daarbij gaan we uit van onze wettelijke taken en houden we uiteraard rekening met wat er politiek en maatschappelijk van ons gevraagd wordt.
6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen
6.5. Oordelen en waarderen op opleidingsniveau
6.6.3. Omgeving van bestuur en opleiding
7.2. Stelseltoezicht
2.3.4. Stimuleren
De samenleving verwacht dat besturen en opleidingen voldoen aan de basiskwaliteit. Voor het toezicht is het belangrijk hoe effectief het bestuur is in het zorgen voor basiskwaliteit op zijn opleidingen. Het gaat dan om de kwaliteit van het onderwijs, om de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, om de mate van naleving van wettelijke voorschriften en om de financiële situatie van de instelling. Naarmate een bestuur er beter in slaagt de kwaliteit van de opleidingen te bewaken en te bevorderen, is het toezicht minder intensief. Dan ligt het accent bijvoorbeeld meer op gesprekken over ambities over hun maatschappelijke opdracht en vragen we het bestuur vanuit zijn zicht op de kwaliteit te rapporteren over kwaliteitsontwikkeling en -verbetering. Indien dit aan de orde is, vragen we het bestuur ook over herstel van tekortkomingen te rapporteren.
5.1. Inleiding
8.3.2. Bestuursniveau
3. Stelseltoezicht
3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen
Onderzoeken naar de kwaliteit van het stelsel doen we ook in samenhang met de onderzoeken naar besturen en opleidingen. De informatie daaruit vormt een bron voor ‘De Staat van het Onderwijs’, voor afzonderlijke publicaties (bijvoorbeeld themarapporten) en voor stimulerende interventies.
7.2.3. Agenderen en interveniëren
Hoewel stelseltoezicht een grondslag heeft in de WOT, verschilt het van het toezicht op besturen en opleidingen. In het toezicht op besturen en opleidingen gaat het om toezicht op de naleving van onderwijswet- en regelgeving. Daarmee kunnen we besturen en opleidingen, waar nodig, met onze oordelen en herstelopdrachten aanzetten om het onderwijs te verbeteren. In het stelseltoezicht daarentegen kunnen we stelselproblemen signaleren, agenderen en op diverse manieren stimuleren88Voor het beschrijven van de stimulerende taak van de inspectie wordt consequent de aanduiding ‘de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs’ gehanteerd. Deze omschrijving ziet zowel op de ontwikkeling en de kwaliteit van het onderwijsstelsel als op het onderwijs aan afzonderlijke instellingen. De formulering sluit eveneens aan bij het voornemen van de regering om naast de momentopname ook de ontwikkeling in de kwaliteit van het onderwijs aan instellingen beter inzichtelijk te maken. Tweede Kamer vergaderjaar 2014-2015, 33 862, nr. 12., maar daarbij geven we geen opdrachten tot herstel. Het gaat hierbij immers niet om toezicht op naleving.
In hoofdstuk 2 gaven we aan dat het stelseltoezicht raakvlakken heeft met het toezicht op besturen en opleidingen, vooral waar het de ambities van besturen en opleidingen raakt. Knelpunten op stelselniveau, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een themaonderzoek, kunnen in dat geval aan de orde komen in het stimulerende toezicht op besturen en opleidingen.
7.3.1. Werkwijze toezicht op besturen en opleidingen
4.1. Inleiding
4.2. Opbouw van het kader
De kern van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) is dat het bestuur zorg draagt voor de sturing op de onderwijskwaliteit van de opleidingen en voor een goede organisatie en kwaliteitscultuur. Dat maakt dat studenten kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen in een veilige omgeving. Ook het financieel beheer, waaronder financiële continuïteit, rechtmatigheid en doelmatigheid, is hiervan integraal onderdeel. Wij beschouwen de besturing als een cyclisch proces. De drie standaarden van het waarderingskader samen geven zicht op de kwaliteitscyclus van het bestuur. Als deze cyclus op orde is, is het bestuur in staat de basiskwaliteit te realiseren en te borgen, het onderwijs te verbeteren en te zorgen voor deugdelijk financieel beheer. Hiermee draagt het bestuur bij aan de kernfuncties van het stelsel. Bovendien bestaat er dan een ontwikkelingsgerichte kwaliteitscultuur: beleid wordt opgevolgd en na evaluatie bijgesteld.
5.1. Inleiding
We gebruiken het waarderingskader voor opleidingen wanneer we onderzoek doen op opleidingsniveau.
Met het geheel aan ambities, zowel voor de basiskwaliteit als ambities die daarboven uitstijgen, dragen opleidingen met hun besturen bij aan de kwaliteit van de kernfuncties van het onderwijsstelsel.
7.2. Stelseltoezicht
7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode
Met ons thematisch onderzoek willen we in kaart brengen in hoeverre het onderwijsstelsel erin slaagt de eerdergenoemde kernfuncties van het onderwijs te realiseren. Daarbij zoeken we naar verklaringen voor wat niet goed gaat en willen we laten zien wat wel en niet bijdraagt aan het realiseren van de kernfuncties. Hierover gaan we actief de dialoog aan met betrokkenen.
7.2.3. Agenderen en interveniëren
Of een standaard als Voldoende of Onvoldoende wordt beoordeeld, is gebaseerd op de vraag of het bestuur/de opleiding voldoet aan de deugdelijkheidseisen en daarmee basiskwaliteit realiseert. Voor de waardering Goed wordt de realisatie van ambities betrokken. Onderstaande tabel geeft aan hoe het oordeel en de waardering op standaardniveau tot stand komt:
8. Communicatie en rapportage
6.5. Oordelen en waarderen op opleidingsniveau
8.3. Rapportage
6.5.1. Eindoordeel zeer zwak
7.4. Toezichtsactiviteiten bij besturen en opleidingen
6.6.3. Omgeving van bestuur en opleiding
Een bestuur kan een opleiding voordragen waarvan het de kwaliteit goed vindt. Het bestuur onderbouwt vooraf waarom de betreffende opleiding de waardering Goed verdient. Wij verifiëren en beoordelen dat aan de hand van het waarderingskader op opleidingsniveau (zie hoofdstuk 5). Op basis van de kwaliteit van de onderbouwing van de kwaliteit van de opleiding door het bestuur richten we het onderzoek op maat in.
9.1. Inleiding
We monitoren ontwikkelingen door besturen en opleidingen te onderzoeken of door samen te werken met anderen om gegevens te verzamelen. We noemen dit themaonderzoek. Verschillende doelstellingen voor een themaonderzoek zijn bijvoorbeeld:
7.2.3. Agenderen en interveniëren
9.6.1. Inleiding
9.6.1. Inleiding
7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk
We bepalen de intensiteit van het toezicht op basis van onze gegevens over de kwaliteit van het bestuur. Deze inschatting bouwen we op uit een analyse van de bij ons beschikbare gegevens en aanvullende andere bronnen:
9.7.1. Inleiding
9.3. Toezicht op vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2-scholen)
Gezien het belang van meer zicht op schoolniveau heeft de inspectie ruimte gecreëerd voor intensiever toezicht op scholen. Daarom was het in 2024 en is het ook in 2025 niet mogelijk de bestuursgerichte vierjaarscyclus volledig uit te voeren. De inzet van de inspectie is vooralsnog om de vierjaarscyclus vanaf 2026 weer volledig uit te voeren, met risico-onderzoek bij risico besturen en substantieel lichtere, proportionele bezoeken bij jaarlijks ongeveer een kwart van de besturen. We houden daarbij wel rekening met de vraag die er tegelijkertijd ligt om met de beschikbare capaciteit meer scholen te bezoeken en met de (mogelijke) beperkingen die daaruit voortvloeien voor onderzoeken bij besturen. Om deze redenen gebruiken we bij de uitvoering van het toezicht in de praktijk voorlopig de term ‘bestuursonderzoek’, en niet het in dit onderzoekskader gebruikte ‘vierjaarlijks onderzoek bij besturen en scholen’.
9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Het vierjaarlijks onderzoek bestaat doorgaans uit de onderdelen die in figuur 7.4.1a zijn beschreven. We bepalen de intensiteit van het toezicht (proportionaliteit) op basis van onze gegevens en we houden in de uitvoering van het onderzoek rekening met de specifieke inrichting en context van het bestuur en de scholen (maatwerk).
Een belangrijk onderdeel van onze werkwijze in het vierjaarlijks onderzoek is verificatie. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen, opleidingen en andere betrokkenen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt.
Meer informatie over thematische onderzoeken is te vinden in paragraaf 7.2, maar we nemen ze hier voor de volledigheid op. Vanuit het stelseltoezicht zijn er thema’s die we verder onderzoeken. Hiervoor bezoeken we opleidingen en/of besturen. Deze themaonderzoeken kunnen samenvallen met het vierjaarlijks onderzoek en ook los plaatsvinden. Bij themaonderzoeken geven we in een themarapport oordelen op het niveau van het geheel van de onderzochte instellingen (niet op instellingsniveau). Daarbij is geen sprake van een oordeel en herstelopdracht aan individuele besturen. In specifieke gevallen kunnen echter wel oordelen en herstelopdrachten worden gegeven aan individuele besturen. In die gevallen gebeurt dat dus in een rapport op instellingsniveau. Het bestuur wordt hierover bij de aankondiging van het onderzoek geïnformeerd.
7.4.3. Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer
Besturen leveren elk jaar een jaarrekening inclusief een bestuursverslag met daarin een meerjarenbegroting aan bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op basis daarvan analyseren we de actuele en toekomstgerichte financiële kengetallen jaarlijks van elk bestuur. Bij mogelijke risico’s voor de continuïteit van het onderwijs starten we een onderzoek naar de financiële continuïteit op bestuursniveau. Dit onderzoek kan ook plaatsvinden tijdens een vierjaarlijks onderzoek. Als daar vanuit de monitoring van financiële kengetallen of vanuit signalen aanleiding voor is, kunnen we op elk moment een onderzoek naar de financiële continuïteit starten.
9.4. Overige educatie
3. Entreeopleidingen
De inspectie is, naast het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek, ook belast met het toezicht op en de handhaving van de Wet normering topinkomens (WNT) binnen het onderwijs. De WNT is geen onderwijswet, maar wetgeving die van toepassing is op de gehele publieke en semipublieke sector. Het toezicht op onderwijswetgeving in een vierjaarlijks onderzoek en het toezicht op de WNT worden daarom door de inspectie gescheiden van elkaar uitgevoerd.
Vervolgtoezicht is nodig wanneer er tijdens een vierjaarlijks onderzoek tekortkomingen worden vastgesteld bij het bestuur en de opleidingen of wanneer andere onderzoeken of toezichtsactiviteiten hiertoe aanleiding geven.
Als uit een onderzoek blijkt dat het bestuur voor basiskwaliteit heeft gezorgd en dat het daarmee aan de deugdelijkheidseisen en financiële voorwaarden voor bestuur en opleiding voldoet, is er geen vervolgtoezicht. Het bestuur en de opleidingen vallen dan onder het reguliere toezicht, waarbij we prestaties en risico’s jaarlijks monitoren en elke vier jaar het bestuur beoordelen. Wanneer nodig of gewenst, is er tussentijds contact.
9.4.3. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
7. Vavo en B2-scholen
9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Een deel van de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op overige educatie zijn anders dan voor beroepsopleidingen, omdat de inhoud van de opleidingen anders is. Het betreft bepalingen over de inrichting en examinering voor andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen. Die wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage waarderingskader overige educatie.
Escaleren heeft betrekking op interventies om besturen aan te sporen de door ons noodzakelijk geachte verbeteringen door te voeren. Escalatie gaat stapsgewijs, waarbij steeds wordt gekeken welk middel nodig is. Dit zodat de verbeteringen plaatsvinden. Naarmate een bestuur of een opleiding daar minder goed in slaagt, intensiveren we het toezicht. Dit kan verder en verdiepend onderzoek inhouden, bijvoorbeeld een specifiek onderzoek naar het bestuurlijk handelen. In het uiterste geval, wanneer we zien dat verbetering uitblijft, kunnen we verschillende sancties inzetten of maatregelen nemen.
9.5.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
De volgende wettelijke bepalingen uit de verantwoording van de standaarden zijn niet van toepassing op niet-bekostigde instellingen.
Binnen het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten is de standaard Studiesucces voor niet-bekostigde mbo-instellingen dezelfde als die voor bekostigde mbo-instellingen, maar wordt deze beoordeeld aan de hand van een andere indicator, namelijk Cohortrendement. Cohortrendement wordt op basis van een norm beoordeeld. Zie voor de uitwerking bijlage 1. De standaard Vervolgsucces (OR3) is niet van toepassing voor niet-bekostigd mbo en is om die reden geschrapt. Het volledige waarderingskader niet-bekostigd mbo is opgenomen in bijlage 2.
We communiceren over de uitkomsten van onze onderzoeken, maar hebben daarnaast ook een informatiefunctie. Via het informatie- en meldpunt van de inspectie kunnen ouders, besturen en opleidingen bijvoorbeeld vragen stellen over het onderwijs, ons toezicht in het algemeen of specifieke opleidingen. Ook kunnen hier zorgen over het onderwijs worden gemeld. Vertrouwenskwesties kunnen worden gemeld bij vertrouwensinspecteurs.
9.5.3. Werkwijze
Bijlage 4. Waarderingskader overige educatie
9.6.2. Aanpassing waarderingskader en normering
8.3.3. Opleidingsniveau
9.5.3. Werkwijze
9.7.1. Inleiding
Bijlage 6. Waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs Caribisch Nederland
9.7.3. Werkwijze
9.8. Zelfstandige exameninstellingen
9.1. Inleiding
In dit hoofdstuk beschrijven we enkele specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader. Het betreft onderwijssoorten en -voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt, zodat aanpassingen van het waarderingskader of de werkwijze nodig zijn.
Er zijn ook onderwijssoorten en -voorzieningen waar we wel toezicht op houden, maar niet op grond van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT),bijvoorbeeld het Nederlands onderwijs in het buitenland (NOB) en niet-bekostigde instellingen (B3-scholen in primair en voortgezet onderwijs). Daarvoor zijn aparte waarderingskaders opgesteld. Hoe het toezicht op deze vormen eruitziet, is te vinden op onze website.99Zie www.onderwijsinspectie.nl.
9.8.2. Werkwijze
9.3.4. Werkwijze start kwaliteitsonderzoek
Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden: het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en schoolklimaat en, indien de instelling reeds deelnemers heeft gediplomeerd, het gebied Borging en afsluiting. Tevens onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt de planning van het vierjaarlijks onderzoek.
9.2.1. Inleiding
Het waarderingskader overige educatie sluit aan bij de waarderingskaders voor de sector. Alle vormen van overige educatie richten zich op de doelgroep van laaggeletterde volwassenen en anderstaligen met of zonder inburgeringsplicht. De inhoud van het onderwijs richt zich op taal (Nederlands), rekenen, digitale vaardigheden en aanbod op andere gebieden met als doel instroom in een mbo-, hbo-opleiding of wo-opleiding. Voor alle opleidingen zijn eindtermen vastgesteld. Het doel is divers, het kan deelnemers (beter) in staat stellen deel te nemen aan onderwijs, werk en samenleving.
1 Het recht op examinering kan (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 11.1.19, eerste lid, WEB.
3. Entreeopleidingen
De volgende wettelijke bepalingen uit de verantwoording van de standaarden zijn niet van toepassing op overige educatie.
5. Beschrijving resultaten niet-genormeerde indicatoren
9.5.1. Inleiding
Vavo-opleidingen op roc’s voldoen aan de eisen van de WEB voor zover die betrekking hebben op vavo. Niet bekostigde VO-scholen voldoen aan de WVO 2020 (op grond van artikel 2.66). Niet-bekostigd vavo voldoet aan de WEB (op grond van artikel 1.4a.1.).
Vavo-opleidingen op roc’s moeten voldoen aan de eisen van de WEB, voor zover die betrekking hebben op vavo, en niet bekostigde (particuliere) opleidingen moeten voldoen aan de WVO 2020 en de WEB.
Bijlage 2. Waarderingskader niet-bekostigd mbo
Ook zijn met deze scholen andere afspraken gemaakt over de leerresultaten. Voor de Resultaten (standaard OR1) zijn twee indicatoren vastgesteld, over de vakken die met een voldoende zijn afgesloten en het verschil tussen de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen. Bijlage 3 bevat het volledige waarderingskader.
= de standaarden op opleidingsniveau gelden voor (alle) vavo en B2. Een aantal wettelijke bepalingen dat van toepassing is op bekostigde vavo-opleidingen op roc’s is echter niet van toepassing op niet bekostigde vavo-opleidingen. Deze artikelen staan in onderstaande tabel.
De samenwerkingsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de doorlopende leerroute en de gecombineerde PTA/OER vormen de basis voor ons toezicht. Hierin zijn de onderlinge afspraken en de verantwoordelijkheidsverdeling vastgelegd. We agenderen eventuele tekortkomingen in de doorlopende leerroute bij beide partijen. Bij concreet aantoonbare tekortkomingen die enkel en alleen onder verantwoordelijkheid van een van de twee partijen voorkomen, behouden we ons het recht voor om met het sectorspecifieke waarderingskader nader onderzoek bij het betreffende deel van de doorlopende leerroute vmbo-mbo uit te voeren.
Daarnaast geldt ten aanzien van niet-bekostigd vavo dat de diploma-erkenning kan worden ingetrokken bij onderwijs en/of examinering van onvoldoende kwaliteit op basis van artikel 6a.1.2 jo 1.4a.1, eerste lid, WEB.
9.6.2. Aanpassing waarderingskader en normering
Het onderwijs in Caribisch Nederland beoordelen wij zoveel mogelijk aan de hand van dezelfde onderzoekskaders als in Europees Nederland (zie hoofdstuk 1 tot en met 8). Er zijn echter enkele verschillen in het waarderingskader, de normering en de werkwijze. Dat is noodzakelijk, omdat voor Caribisch Nederland specifieke wet- en regelgeving geldt. Ook kunnen wij met een enigszins aangepaste werkwijze beter aansluiten op de onderwijskundige context in Caribisch Nederland. Zo is voor het overgrote deel van de leerlingen en studenten in Caribisch Nederland het Nederlands een vreemde taal.
Wij willen zodra dat mogelijk is voor Caribisch Nederland dezelfde normen hanteren in het waarderingskader als in Europees Nederland. Voor de standaard Onderwijsresultaten kunnen wij echter nog geen oordeel uitspreken, omdat de basis voor deze standaard in de wet- en regelgeving voor Caribisch Nederland nog niet is geregeld: er zijn geen normen vastgesteld. Wij streven ernaar om de onderwijsresultaten in Caribisch Nederland op termijn wél te beoordelen. Dit zal gebeuren zodra de aangepaste wet- en regelgeving op dit punt van kracht is en er in overleg met alle betrokkenen wel eilandelijke normen voor de resultaten zijn afgesproken en in de wet- en regelgeving zijn vastgelegd.
Behalve op standaardniveau geeft de inspectie ook een eindoordeel op school- of opleidingsniveau. We beperken ons vooralsnog tot het eindoordeel Voldoende of Onvoldoende. Dit oordeel komt tot stand op basis van de bestaande beslisregels die wij hanteren wanneer wij de onderwijsresultaten niet kunnen beoordelen. Tekortkomingen op de wettelijke eisen kunnen leiden tot een oordeel Onvoldoende op standaarden en eventueel ook op het eindoordeel over de school/opleiding. Een Onvoldoende op een standaard leidt tot een herstelopdracht, conform het toezicht in Europees Nederland (paragraaf 7.5). Het recht op examinering kan bij Onvoldoende Examenkwaliteit (bij onvoldoende verbetering na een waarschuwing) worden ontnomen op grond van artikel 6.2.2a. WEB BES.
Binnen Overige educatie ziet de inspectie toe op onderwijs voor niet-inburgeringsplichtigen. Deze doelgroep valt vrijwel samen met de groep laaggeletterden en leidt deelnemers via een NT1 of NT2-programma op tot aan het instroomniveau voor mbo of hbo. Daarbij verzorgen onderwijsinstellingen lessen Nederlands, Rekenen en Digitale vaardigheden.
Bijlage 5. Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo
De taalschakeltrajecten vallen onder de Regeling standaarden examenkwaliteit WEB. Voor de overige doelgroepen van Overige educatie geldt dit niet.
Binnen Overige educatie kunnen enkel voor Staatsexamens NT2 certificaten worden afgegeven. Voor de andere vormen van Overige educatie, inclusief de taalschakeltrajecten, geldt dit niet. Wel kan er een mbo-verklaring worden afgegeven door de instelling.
Sinds 1 augustus 2018 kunnen instellingen onder gezamenlijke verantwoordelijkheid één of meer opleidingen verzorgen binnen een samenwerkingscollege. De eisen waaraan zo’n samenwerking moet voldoen, zijn opgenomen in de WEB. Zo moeten de deelnemende instellingen een samenwerkingsovereenkomst sluiten en daarin onder andere afspraken maken over de leiding van het samenwerkingscollege (artikel 8.6.1, WEB). Verder moet in BRON geregistreerd worden welke studenten van de deelnemende instellingen onderwijs volgen aan het samenwerkingscollege (artikel 2.3.6a, tweede lid, onder n, en 2.5.5a, tweede lid, onder t, WEB).103Op dit moment is registratie op het niveau van het samenwerkingscollege in BRON nog niet mogelijk. Dit zal op korte termijn mogelijk worden gemaakt door DUO. Ook moet de onderwijs- en examenregeling aangeven waar de opleiding wordt verzorgd als er sprake is van een samenwerkingscollege (art. 7.4.8 lid 2a onderdeel e WEB).
Een deel van de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op overige educatie zijn anders dan voor beroepsopleidingen, omdat de inhoud van de opleidingen anders is. Het betreft bepalingen over de inrichting en examinering voor andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen. Die wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage waarderingskader overige educatie.
Bijlage 7. Uitwerking basiswaarden
9.8.1. Aanpassing waarderingskader en normering
Het waarderingskader voor de exameninstellingen omvat de twee standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Dit betreft de standaarden BKA1, Visie ambities en doelen en BKA3, Evaluatie, verantwoording en dialoog. Onderstaande wettelijke bepalingen zijn niet van toepassing op exameninstellingen.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
1. Inleiding
1.1. Inleiding
Net zoals bij besturen is ook op scholen vervolgtoezicht mogelijk bij tekortkomingen en bij het oordeel Onvoldoende of Zeer zwak. Ook bij scholen is het, zoals hierboven aangegeven, mogelijk dat we tussentijds een risico-kwaliteitsonderzoek uitvoeren, bijvoorbeeld bij ernstige signalen. De intensiteit van het vervolgtoezicht hangt net als bij besturen af van de kwaliteit van het bestuur. We gaan er namelijk van uit dat het bestuur er in eerste instantie zelf voor zorgt dat er effectieve maatregelen worden getroffen.
1.3. Begripsbepalingen
De activiteiten van de inspectie, ten aanzien van scholen en samenwerkingsverbanden, die redelijkerwijs voortvloeien uit de taken op grond van artikel 3 van de WOT.
In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de wettelijke basis van het onderzoekskader en geven we de belangrijke begrippen in het toezicht weer. In hoofdstuk 2 gaan we in op de visie en de uitgangspunten voor ons toezicht. Daarna volgt in hoofdstuk 3 de invulling van het stelseltoezicht en in de hoofdstukken 4 en 5 de waarderingskaders voor het toezicht op bestuurs- en schoolniveau. Vervolgens beschrijven we hoe we tot oordelen en waarderingen komen (hoofdstuk 6), onze werkwijze (hoofdstuk 7) en communicatie (hoofdstuk 8). Tot slot geven we een overzicht van onderwijsvoorzieningen waarvoor specifieke wetgeving geldt en waar het waarderingskader en de werkwijze afwijken (hoofdstuk 9). Deze afwijkende waarderingskaders zijn te vinden in de bijlagen.
1.4. Niveaus in het toezicht
2.1. Inleiding
Wij zien erop toe dat besturen hun taken (het bewaken en bevorderen van de basiskwaliteit en de continuïteit) voldoende uitvoeren. Gebeurt dat niet of in onvoldoende mate, dan houden we verscherpt toezicht op het bestuur en de scholen. Dat maakt onderdeel uit van onze waarborgfunctie. In aanvulling op dit bestuursgerichte toezicht, onderzoeken en beoordelen we ook scholen als het besturen niet lukt de basiskwaliteit te realiseren. Verder geeft het bestuur met het onderwijs ook invulling aan eigen ambities, waaronder vaak ook ambities die de kernfuncties van het onderwijsstelsel raken. Daarop sluiten we aan vanuit onze stimulerende rol.
2.3.3. Waarborgen
Onder ‘bestuur’ verstaan we het bestuur van een of meer scholen. Dit omvat ook het interne toezicht. Omdat we besturen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs op hun scholen, noemen we het toezicht bestuursgericht. Besturen waarborgen de kwaliteit van hun scholen en het onderwijs aan de leerlingen. In de uitoefening van hun taken zijn zij ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer deugdelijk is.
3.1. Inleiding
3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit
3.2.2. Stelseltoezicht
4.2. Opbouw van het kader
4.2. Opbouw van het kader
In de eerste standaard (BKA1) beoordelen we de manier waarop het bestuur de besturing en de randvoorwaarden inricht aan de hand van een visie op onderwijs, uitgewerkt in ambities en doelen. Dit raakt ook de kernfuncties van het stelsel, zoals verwoord in hoofdstuk 3. In de tweede standaard (BKA2) staat de uitvoering centraal: hoe stuurt het bestuur op het realiseren van de visie, ambities en doelen en wat voor kwaliteitscultuur is er? In de derde standaard (BKA3), ten slotte, onderzoeken we hoe het bestuur evalueert en analyseert, verantwoording aflegt aan anderen en de samenleving, reflecteert op de resultaten en erover in gesprek gaat. Dit leidt tot bijstelling en verdere ontwikkeling van de visie, ambities en doelen, zoals bedoeld in de eerste standaard, en maakt de cyclus van (in)richten, uitvoeren en evalueren compleet. De kwaliteitscultuur is van belang voor een effectieve sturing op deze cyclus (de standaarden samen). Daardoor wordt de kwaliteit van het onderwijs gewaarborgd.
5.1. Inleiding
5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
5.1. Inleiding
6. Oordelen en waarderen
5.2. Opbouw van het kader
6.2. Stimuleren op stelselniveau
6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school
6.1. Inleiding
6.2. Stimuleren op stelselniveau
6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school
6.5.3. Extra normering voor het sluiten van nieuwe scholen17Onder een nieuwe school verstaan we hier een school die sinds de inwerkingtreding van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen een aanvraag heeft ingediend bij de minister waarna de minister vervolgens heeft besloten om de school te bekostigen.
6.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs
6.6. Oordeelsvorming
6.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs
7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen
7.2. Stelseltoezicht
Aan de hand van het raamwerk van de kwaliteitsbeschrijving van het stelsel (zie hoofdstuk 3) volgen we systematisch de ontwikkelingen in het onderwijsstelsel. We kijken naar hoe het geheel van besturen en scholen samen de drie kernfuncties vervult: kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen. Ook kijken we naar de essentiële voorwaarden om deze te verwezenlijken: de doelmatigheid, zoals te zien aan beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, het personeelsbeleid, de kwaliteitszorg en het bestuurlijk handelen.
7.3.1. Werkwijze toezicht op besturen en scholen
7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk
Wat we willen onderzoeken, nemen we op in het Jaarwerkplan. Hierin beschrijven we meerjarige onderzoeksprogramma’s en eenmalige themaonderzoeken die gericht zijn op het in beeld brengen van de kernfuncties of gesignaleerde knelpunten in het stelsel. Urgente thema’s kunnen leiden tot verschuiving of uitbreiding van onze onderzoeksagenda.
7.4.2. Onderzoeken op schoolniveau
Gezien het belang van meer zicht op schoolniveau heeft de inspectie ruimte gecreëerd voor intensiever toezicht op scholen. Daarom was het in 2024 en is het ook in 2025 niet mogelijk de bestuursgerichte vierjaarscyclus volledig uit te voeren. De inzet van de inspectie is vooralsnog om de vierjaarscyclus vanaf 2026 weer volledig uit te voeren, met risico-onderzoeken bij risicobesturen en substantieel lichtere, proportionele bezoeken bij jaarlijks ongeveer een kwart van de besturen. We houden daarbij wel rekening met de vraag die er tegelijkertijd ligt om met de beschikbare capaciteit meer scholen te bezoeken en met de (mogelijke) beperkingen die daaruit voortvloeien voor onderzoeken bij scholen. Om deze redenen gebruiken we bij de uitvoering van het toezicht in de praktijk voorlopig de term ‘bestuursonderzoek’ en niet het in dit onderzoekskader gebruikte ‘vierjaarlijks onderzoek bij besturen en scholen’.
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
Het vierjaarlijks onderzoek bestaat doorgaans uit de onderdelen die in figuur 7.4.1a zijn beschreven. We bepalen de intensiteit van het toezicht (proportionaliteit) op basis van onze gegevens en we houden in de uitvoering van het onderzoek rekening met de specifieke inrichting en context van het bestuur en de scholen (maatwerk).
7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten
7.5.2. Escaleren
8.2. Communicatie
Besturen en inspectie hebben de mogelijkheid om periodiek een gesprek met elkaar te voeren. Aan elk bestuur is een contactinspecteur gekoppeld die het contact onderhoudt. Dit gaat in ieder geval over onderzoeken en vervolgtoezicht (inclusief herstelopdrachten, zie paragraaf 7.5). Ook heeft de contactinspecteur gesprekken met het bestuur over risico’s, signalen en incidenten. Het bestuur kan de contactinspecteur hierover informeren. Het kan ook zijn dat de contactinspecteur het bestuur bevraagt of (afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur) verzoekt om zelf nader onderzoek te doen bij mogelijke risico’s. Daarnaast kan het gesprek gaan over relevante ontwikkelingen binnen of buiten de onderwijsinstelling. We betrekken daarbij ook vraagstukken op het niveau van het onderwijsstelsel als geheel.
7.5.2. Escaleren
8. Communicatie en rapportage
8.3.1. Stelselniveau
8.2. Communicatie
Jaarlijks rapporteren we ook over de financiële toestand van de instellingen en het onderwijsstelsel. Wij baseren ons daarbij op financiële gegevens van de instellingen zelf en verder op toezichtactiviteiten en onderzoeken die wij uitvoeren rond het financieel beheer van instellingen. Daarbij geven we aan wat goed gaat en wijzen we op risico’s.
8.3.2. Bestuursniveau
9.1. Inleiding
9.2.1. Inleiding
9.2.3. Werkwijze
De wet laat veel ruimte voor samenwerkingsverbanden en schoolbesturen om passend onderwijs naar regionale kenmerken en eigen visie te organiseren. Die vrijheid is ook bedoeld om ruimte te creëren voor meer maatwerk en om keuzes te maken die passen bij de extra onderwijsbehoeften van leerlingen in de regio. Dit vraagt om een goede afstemming met gemeentelijke partners en is gericht op de aansluiting van het onderwijs op het jeugdbeleid van de gemeente(n), waaronder de jeugdhulp. Ook hierover legt het samenwerkingsverband afspraken vast in het ondersteuningsplan en voert hierover overleg met de gemeente(n) en andere samenwerkingsverbanden in de regio.
9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.4.1. Inleiding
9.4.1. Inleiding
9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
9.3.1. Inleiding
Het speciaal basisonderwijs (sbo) valt onder de WPO. De doelgroep leerlingen is echter een andere dan die van een reguliere basisschool. In het sbo hebben alle leerlingen extra ondersteuningsbehoeften en een toelaatbaarheidsverklaring voor het sbo (verkregen via het samenwerkingsverband passend onderwijs). In het ontwikkelingsperspectief staat per leerling beschreven welk (eind)perspectief wordt nagestreefd en op welke wijze het onderwijs wordt aangepast om dit doel te bereiken. Om tegemoet te kunnen komen aan de specifieke onderwijsbehoeften van de leerlingen werken de leraren vanuit specifieke (ortho)didactische en (ortho)pedagogische principes. Voor de leraren en leerlingen is daarnaast meer ondersteuning beschikbaar dan in het basisonderwijs.
9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering
Bijlage 2 bevat het volledige waarderingskader speciaal basisonderwijs.
9.3.3. Werkwijze
9.5.1. Inleiding
9.5.3. Werkwijze
Bijlage 1. Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs
Bijlage 2. Waarderingskader speciaal basisonderwijs
Bijlage 3. Waarderingskader nieuwkomersvoorzieningen type 1 en 2
2 Met het amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 102, nr. 11) is geregeld dat een bekostigingssanctie alleen kan worden opgelegd aan het bestuur nadat bij AMvB een nadere invulling wordt gegeven aan het begrip ‘evident ondoelmatige besteding’. Zonder deze algemene maatregel van bestuur is handhaving op ‘evident ondoelmatige besteding’ niet mogelijk. Tot de datum van inwerkingtreding van de AMvB richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment bij de basiskwaliteit opgenomen elementen.
Bijlage 2. Waarderingskader speciaal basisonderwijs
Bijlage 6. Uitwerking burgerschap en basiswaarden
A. Bevordering burgerschap
In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op nieuwkomersvoorzieningen type 1 en 2 opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.4.
In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor de voorschoolse educatie opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en de normering is te vinden in paragraaf 9.6.
Bijlage 2. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs
A. Bevordering burgerschap
Ad 1) Standaarden Basisvaardigheden, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Sociale en maatschappelijke competenties (OP0, OP2, OR2):
1.1. Inleiding
1.1. Inleiding
1.2. Waar houden we toezicht op?
1.3. Begripsbepalingen
Met deze nieuwe toezichtvormen, die een aanvulling zijn op de in paragraaf 7.4 genoemde vormen, kunnen we breed zicht houden op de kwaliteit van besturen en scholen, zonder direct een zwaar en belastend onderzoek in te zetten. Ze passen bij situaties waarin we geen acute risico’s zien en waarin scholen/opleidingen en besturen laten zien dat zij zelf zicht hebben op de onderwijskwaliteit en hier actief op sturen.
1.4. Niveaus in het toezicht
Een laatste type onderzoek waarbij we scholen bezoeken, is het themaonderzoek. De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving.
1.5. Werking en evaluatie
2.1. Inleiding
2.1. Inleiding
2.3. Uitgangspunten voor het toezicht
Het door de minister vastgestelde Onderzoekskader 2021 (hierna: onderzoekskader) van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beschrijft hoe het toezicht op het voortgezet onderwijs is ingericht. Het onderzoekskader omvat het kader, op grond waarvan we oordelen en waarderen, en de werkwijze. Het onderzoekskader is bedoeld om de werkwijze van de inspectie voor anderen inzichtelijk te maken en het toezicht transparant uit te voeren.
1.2. Waar houden we toezicht op?
2.3.4. Stimuleren
Hieronder definiëren we een aantal begrippen die belangrijk zijn voor het toezicht.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)