Besluit van 27 augustus 2021 tot uitvoering van de Wet inburgering 2021 (Besluit inburgering 2021)
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht
Hoofdstuk 2. Inburgeringsplichtig
Hoofdstuk 5. De taak van het college
Hoofdstuk 6. Sociale lening
Hoofdstuk 7. Handhaving
Hoofdstuk 8. Overheidscertificering en keurmerk
Hoofdstuk 9. Informatiebepalingen
Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen
Hoofdstuk 11. Wijziging van andere algemene maatregelen van bestuur
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12.1. Intrekken Besluit inburgering
Het Besluit inburgering wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op degene op wie de Wet inburgering van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet.
Artikel 12.1a. Overgangsrecht Besluit inburgering
In afwijking van artikel 4.13, vierde lid, van het Besluit inburgering, wordt de schuld, bedoeld in dat artikel, door Onze Minister ambtshalve, geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden volgens de bij regeling, krachtens artikel 4.13, eerste lid, van dat besluit, aangewezen gevallen.
In artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit inburgering, wordt «over de maand oktober» gelezen als «over de maand september».
Bij de vaststelling van het termijnbedrag op grond van artikel 4.8 van het Besluit inburgering stelt Onze Minister de draagkracht van de debiteur ambtshalve vast overeenkomstig artikel 4.10 van het Besluit inburgering. Het termijnbedrag wordt in afwijking van artikel 4.7, tweede lid, van het Besluit inburgering lager vastgesteld indien het bedrag van de draagkracht lager is dan de hoogte van het maandelijkse termijnbedrag, bedoeld in dat artikel. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld.
Het college kan desgevraagd, of uit eigen beweging, begeleiding aanbieden aan degene die:
- a. inburgeringsplichtige is als bedoeld in artikel in artikel 4.1a, derde lid, van het Besluit inburgering, en inburgeringsplichtig is onder de Wet inburgering; en
- b. een bij ministeriële regeling te bepalen percentage van zijn lening, bedoeld in artikel 4.1a van het Besluit inburgering, heeft uitgeput.
Voor de toepassing van artikel 2.4a, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering op verzoeken ingediend op of na 1 januari 2024 luidt de formule: M * 48 * 6, waarbij M staat voor het minimumuurloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
Onze Minister verleent de inburgeringsplichtige vrijstelling van het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit inburgering, indien hij de module Arbeidsmarkt en Participatie, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de wet, succesvol heeft afgerond.
Artikel 12.2. Inwerkingtredingsbepaling
Indien het bij koninklijke boodschap van 3 juni 2020 ingediende voorstel van wet houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 2021) (Kamerstukken 35 483) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 8.1, derde lid, van dit besluit, in werking met ingang van 1 januari van het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 12.3. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit inburgering met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin het zal worden geplaatst.
Bijlage. Participatieverklaring als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 maart 2021, nr. 2021000492
Gelet op de artikelen 3, vierde en vijfde lid, 4, tweede lid, 5, vierde en vijfde lid, 6, zevende en achtste lid, 7, vierde en vijfde lid, 9, tweede lid, 10, 12, tweede lid, onderdeel a en b, 13, vierde lid, 14, vierde lid, 15, vijfde en zesde lid, 17, tweede en vierde lid, 20, eerste lid, derde tot en met vijfde lid, 21, eerste en vijfde lid, 23, tweede lid, 26, tweede lid, 32, tweede lid, 36, 38, 39, eerste lid, 40, vierde en zevende lid, 41, derde lid, 42, vierde lid, van de Wet inburgering 2021, artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, en artikel 107, negende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 juni 2021, nr. W12.21.0078/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 augustus 2021, nr. 2021-0000133440,
Hebben goedgevonden en verstaan:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- asielstatushouders: inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet;
- B1-route: de leerroute, bedoeld in artikel 7 van de wet;
- Besluit inburgering: Besluit inburgering, zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, tenzij anders is vermeld;
- cursus Nederlands als tweede taal: door een cursusinstelling aangeboden cursus die een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven, teneinde zijn leerroute te behalen;
- gezinsmigranten en overige migranten: inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, van de wet;
- inburgeringscertificaat: het certificaat, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet;
- inburgeringsdiploma: het diploma, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet;
- inburgeringsvoorzieningen: voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht;
- landelijke halfjaarlijkse huisvestingstaakstelling: het door Onze Minister van Justitie en Veiligheid in de Staatscourant bekendgemaakte totale aantal vergunninghouders in wier huisvesting in het daarbij aangegeven kalenderhalfjaar naar verwachting voorzien zal moeten worden;
- lening: lening, bedoeld in artikel 20, van de wet;
- wet: de Wet inburgering 2021.
Afdeling 1. Inburgeringsplichtig
Artikel 2.1. Voortduren inburgeringsplicht bij tijdelijke beëindiging
De inburgeringsplicht eindigt niet, indien de vreemdeling direct aansluitend op de periode waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was of op de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft verkregen.
De inburgeringsplicht wordt geacht niet te zijn geëindigd, indien de vreemdeling tussen twee tijdvakken waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was, gedurende een tijdvak van maximaal een jaar:
- a. geen ingezetene in de zin van de Wet basisregistratie personen was;
- b. in Nederland verbleef voor een tijdelijk doel; of
- c. zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft onderbroken.
Artikel 2.2. Tijdelijke verblijfsdoelen
Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien die verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met:
- a. verblijf als familie- of gezinslid bij een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft;
- b. arbeid als zelfstandige;
- c. arbeid als kennismigrant;
- d. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad (PbEU 2021, L 382/1);
- e. seizoenarbeid;
- f. overplaatsing binnen een onderneming;
- g. arbeid in loondienst;
- h. grensoverschrijdende dienstverlening;
- i. onderzoek in de zin van Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PbEU 2016, L132);
- j. lerend werken;
- k. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;
- l. studie;
- m. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;
- n. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag;
- o. medische behandeling;
- p. tijdelijke humanitaire gronden;
- q. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Het doel van het verblijf van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien zulks met toepassing van artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald.
Het doel van het verblijf van de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de Vreemdelingenwet 2000 is niet tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet.
Afdeling 2. Vrijstellingen
Artikel 2.3. Vrijstelling aantoonbaar voldoende ingeburgerd
Onze Minister verleent de vrijstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, indien:
- a. de inburgeringsplichtige volgens de basisregistratie personen ten minste 10 jaar onafgebroken als ingezetene ingeschreven is geweest;
- b. de inburgeringsplichtige aantoonbaar gedurende ten minste 5 jaar betaald werk of vrijwilligerswerk heeft verricht in Nederland; en
- c. in een gesprek is vastgesteld dat de inburgeringsplichtige beheerst over spreekvaardigheid en luistervaardigheid in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen.
Artikel 2.4. Aanwijzing adviserende instelling over vrijstellende opleidingen
De advisering met betrekking tot voor de inburgeringsplicht vrijstellende buitenlandse diploma’s, certificaten of andere documenten, wordt uitgevoerd door een of meer bij ministeriële regeling aangewezen organisaties.
Artikel 2.5. Aanvraag tot vrijstelling
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de procedure voor een aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet.
Afdeling 3. Verblijf in Nederland tijdens de leer- of kwalificatieplichtige leeftijd
Artikel 2.6. Verblijf in Nederland
De duur van de periode dat een persoon leerplichtig of kwalificatieplichtig is geweest op grond van de Leerplichtwet 1969, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de wet, blijkt uit inschrijving als ingezetene in de basisregistratie personen.
Afdeling 4. Ontheffingen
Artikel 2.7. Medische ontheffing
In het kader van de aanvraagprocedure tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, verzoekt Onze Minister een door hem aangewezen arts, niet zijnde de behandelend arts van de inburgeringsplichtige, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, een deskundigenverklaring af te geven met betrekking tot de inburgeringsplichtige die de aanvraag tot ontheffing heeft ingediend.
De gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht dan wel aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan.
Een gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt uitsluitend verleend indien vanwege de belemmering of beperking niet kan worden voldaan aan:
- a. maximaal drie van de vier examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden of het examen KNM van het inburgeringsexamen;
- b. maximaal drie van de vier examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden op ten minste het niveau B1 of het examen KNM als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de wet van de onderwijsroute; of
- c. het participatiegedeelte van de zelfredzaamheidsroute, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel b, met uitzondering van de activiteiten van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie.
Indien Onze Minister op grond van de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige wel aan een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen dan wel een of meerdere examenonderdelen van de onderwijsroute als bedoeld in het derde lid, kan voldoen onder examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, geldt dat:
- a. voor het examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden op het niveau A2 en het examen kennis van de Nederlandse maatschappij in een beschikking wordt vermeld welke aangepaste examenomstandigheden het betreft; en
- b. voor het examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden op ten minste het niveau B1, de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, waarin ten aanzien van de inburgeringsplichtige een voorstel wordt gedaan met betrekking tot in aanmerking komende aangepaste examenomstandigheden voor het voornoemde examen, aan de inburgeringsplichtige wordt verstrekt.
Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlening van de ontheffing alsmede omtrent de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de omstandigheden waaronder de kosten van de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, worden vergoed aan de inburgeringsplichtige.
Artikel 2.8. Ontheffing bijzondere individuele omstandigheden
Gehele ontheffing van de inburgeringsplicht vanwege bijzondere individuele omstandigheden, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, wordt slechts verleend in zeer uitzonderlijke, onvoorziene omstandigheden, die niet aan de inburgeringsplichtige te wijten zijn en waarbij het vasthouden aan de inburgeringsplicht voor de inburgeringsplichtige tot een zeer schrijnende situatie leidt.
Bij de aanvraag tot gehele ontheffing van de inburgeringsplicht legt de inburgeringsplichtige een advies van het college over.
Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
Onze Minister kan ambtshalve besluiten tot het verlenen van de ontheffing. Indien van toepassing adviseert het college Onze Minister inzake dit besluit.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aanvraag en het verlenen van de ontheffing.
Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht
Afdeling 1. Participatieverklaringstraject
Artikel 3.1. Inhoud en vormgeving participatieverklaringstraject
Het participatieverklaringstraject wordt wat betreft het onderdeel inleiding op de Nederlandse kernwaarden afgelegd door het deelnemen aan een door of namens het college aangeboden inleiding op de Nederlandse kernwaarden en wat betreft het onderdeel ondertekenen van de participatieverklaring door het aanwezig zijn bij de ondertekeningsbijeenkomst en het aldaar ondertekenen van de participatieverklaring.
Het onderdeel inleiding op de Nederlandse kernwaarden bestaat uit minimaal een activiteit of excursie in het kader waarvan aan ten minste een Nederlandse kernwaarde een praktische uitwerking wordt gegeven.
Het participatieverklaringstraject omvat ten minste 12 uren.
Bij het participatieverklaringstraject worden door het college de aanwezigheid van de inburgeringsplichtige bij de inleiding op de Nederlandse kernwaarden en de ondertekening van de participatieverklaring geregistreerd.
Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige activiteiten zijn verricht die voldoen aan het gestelde in dit artikel, kunnen deze bestede uren, in afwijking van artikel 5.3, vijfde lid, in mindering worden gebracht op de urennorm, genoemd in het derde lid.
De tekst van de participatieverklaring, bedoeld in artikel 6, achtste lid, van de wet, is opgenomen als bijlage bij dit besluit.
Afdeling 2. Module arbeidsmarkt en participatie
Artikel 3.2. Inhoud en vormgeving module Arbeidsmarkt en Participatie
De inburgeringsplichtige neemt in het kader van de module Arbeidsmarkt en Participatie deel aan activiteiten die erop zijn gericht zijn kennis en vaardigheden te vergroten over de volgende thema’s:
- a. beroepenoriëntatie;
- b. werknemerscompetenties;
- c. realistisch beroepsbeeld;
- d. beroepskansen;
- e. beroepscompetenties verwerven;
- f. netwerk opbouwen;
- g. werk vinden; en
- h. werkcultuur.
De module Arbeidsmarkt en Participatie wordt afgesloten met een eindgesprek tussen de inburgeringsplichtige en het college.
Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige activiteiten zijn verricht die voldoen aan het gestelde in dit artikel, kunnen deze bestede uren, in afwijking van artikel 5.3, vijfde lid, in mindering worden gebracht op de voor de module Arbeidsmarkt en Participatie geldende urennorm.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, waaronder een urennorm.
Afdeling 3. Inburgeringsexamen
§ 1. Inhoud van het inburgeringsexamen
Artikel 3.3. Inhoud examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden
Het inburgeringsexamen bestaat wat betreft de examinering van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, uit de volgende examenonderdelen:
- a. leesvaardigheid;
- b. luistervaardigheid;
- c. schrijfvaardigheid; en
- d. spreekvaardigheid.
Artikel 3.4. Inhoud examen kennis van de Nederlandse maatschappij
Het inburgeringsexamen bestaat wat betreft de examinering van de kennis van de Nederlandse maatschappij, uit de volgende onderwerpen:
- a. werk en inkomen;
- b. omgangsvormen, waarden en normen;
- c. wonen;
- d. gezondheid en gezondheidszorg;
- e. geschiedenis en geografie;
- f. instanties;
- g. staatsinrichting en rechtsstaat; en
- h. onderwijs en opvoeding.
Bij ministeriële regeling worden de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, nader uitgewerkt in te behalen eindtermen.
§ 2. Vaststellen en afleggen van het inburgeringsexamen
Artikel 3.5. Vaststellen en afnemen van examen
Het examen van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, vindt plaats overeenkomstig de regels van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal.
Onze Minister stelt de volgende examens vast:
- a. het examen kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
- b. het examen van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen.
De examens, bedoeld in het tweede lid, worden afgenomen door Onze Minister.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede en derde lid, onder meer omtrent de wijze van examineren en de beoordeling van de examens.
Artikel 3.6. Aanmelding examen
Degene die wenst te worden toegelaten tot de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, meldt zich daartoe schriftelijk aan overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde regels.
Onze Minister bevestigt de aanmelding schriftelijk.
Artikel 3.7. Examengeld
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de hoogte en het betalen van het examengeld, voor de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, en op welke wijze het verschuldigde examengeld wordt voldaan, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen groepen inburgeringsplichtigen.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het kosteloos afleggen van een of meerdere examenpogingen van onderdelen van het inburgeringsexamen door groepen van inburgeringsplichtigen, in welk geval Onze Minister het examengeld voor het afleggen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal voldoet.
Artikel 3.8. Identificatie bij examen
Op verzoek van degene die de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, afneemt of daarop toezicht houdt, identificeert de kandidaat zich met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
Artikel 3.9. Aangepaste examenomstandigheden
Onze Minister kan de kandidaat met een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke beperking op diens verzoek in de gelegenheid stellen om de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
De inburgeringsplichtige kan kosteloos een deskundigenverklaring aanvragen van een door Onze Minister aangewezen arts, niet zijnde de behandeld arts van de inburgeringsplichtige, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, waarin deze arts zich uitlaat over de noodzaak tot het treffen van aangepaste examenomstandigheden bij het afleggen van een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen en welke mogelijke aangepaste examenomstandigheden dit kunnen betreffen.
Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, legt de kandidaat de deskundigenverklaring, bedoeld in het tweede lid, over, waaruit blijkt dat hij een of meerdere van de examens, bedoeld in het eerste lid, slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
Indien Onze Minister bij de toepassing van artikel 2.7 heeft geoordeeld dat de inburgeringsplichtige een of meerdere van de examens, bedoeld in het eerste lid, slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, legt de kandidaat bij de aanmelding voor het voornoemde examen, de beschikking, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, van dat artikel over.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepassing van dit artikel.
Artikel 3.10. Onregelmatigheden
Indien een kandidaat zich ten aanzien van een onderdeel van de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan Onze Minister het betreffende examen ongeldig verklaren en bepalen dat de kandidaat het examen of een onderdeel daarvan opnieuw moet afleggen.
Indien de onregelmatigheid eerst na afloop van het examen wordt ontdekt, kan Onze Minister het examenresultaat ongeldig verklaren.
Indien de onregelmatigheid eerst na het verstrekken van het inburgeringsdiploma wordt ontdekt, kan het examenresultaat van het betreffende examen ongeldig worden verklaard en kan Onze Minister het inburgeringsdiploma intrekken.
§ 3. Kwaliteit van het inburgeringsexamen
Artikel 3.11. Normen voor de kwaliteit van de examinering
Bij ministeriële regeling worden normen voor de kwaliteit van de examinering van de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, vastgesteld die in ieder geval betrekking hebben op:
- a. de afname van de examens;
- b. de voorwaarden voor toelating tot de examens;
- c. de deskundigheid van de beoordelaars;
- d. het vaststellen van de uitslag van de examens;
- e. de waarborging van de kwaliteit van de examinering;
- f. de procedures en sancties bij onregelmatigheden.
§ 4. Gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen
Artikel 3.12. Aanvraag gedeeltelijke vrijstelling van examen
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de procedure tot een aanvraag van een gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet.
Artikel 3.13. Aanwijzing adviserende instelling over vrijstellende opleidingen
De advisering met betrekking tot voor onderdelen van het inburgeringsexamen vrijstellende buitenlandse diploma’s, certificaten of andere documenten, wordt uitgevoerd door een of meer bij ministeriële regeling aangewezen organisaties.
Afdeling 4. De zelfredzaamheidsroute
Artikel 3.14. Inhoud en vormgeving zelfredzaamheidsroute
Het college biedt de inburgeringsplichtige de onderdelen van de zelfredzaamheidsroute aan, waarbij de invulling van deze onderdelen wordt afgestemd op het vermogen en de ontwikkelbehoeften van de inburgeringsplichtige.
De zelfredzaamheidsroute bestaat voor asielstatushouders uit de volgende onderdelen:
- a. in totaal 800 cursusuren gevolgd bij een cursusinstelling die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 32 van de wet, bestaande uit:
- i. cursusuren Nederlands als tweede taal, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, onder persoonlijke begeleiding van een NT2-docent; en
- ii. cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij.
- b. in totaal 800 uren besteed aan activiteiten gericht op zelfredzaamheid, activering en participatie in de Nederlandse maatschappij, waarbij de activiteiten:
- i. plaatsvinden in een Nederlandstalige omgeving; en
- ii. niet in isolement plaatsvinden; en
- c. een eindgesprek met het college.
Het tweede lid, onderdeel a en c, zijn van toepassing op gezinsmigranten en overige migranten.
Het college verleent geen mandaat of machtiging aan een derde, met uitzondering van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, met betrekking tot de taak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
De uren gemoeid met de module Arbeidsmarkt en Participatie en het participatieverklaringstraject worden in mindering gebracht op de urennorm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige cursusuren Nederlands als tweede taal of kennis van de Nederlandse maatschappij zijn gevolgd of activiteiten zijn verricht, of gedurende de brede intake activiteiten zijn verricht in het kader van de Participatiewet, of in het kader van de maatschappelijke begeleiding, bedoeld in artikel 13 van de wet, activiteiten zijn verricht, die voldoen aan het gestelde in dit artikel, kunnen de hiermee gemoeide uren, in afwijking van artikel 5.3, vijfde lid, in mindering worden gebracht op de urennorm, die geldt op grond van het tweede of achtste lid.
Indien de inburgeringsplichtige een of meerdere van de examenonderdelen, genoemd in artikel 3.3, aanhef en onderdeel a tot en met d, op het niveau A2, of het examenonderdeel, genoemd in artikel 3.4, wenst af te leggen en het college de inburgeringsplichtige daartoe in staat acht, legt het college dit vast in het persoonlijk plan inburgering en participatie.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, waarbij voor inburgeringsplichtigen met een auditieve of visuele beperking onder nader vast te stellen voorwaarden, een lagere urennorm kan worden vastgesteld dan de norm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of voor deze groep kan worden vastgesteld dat voor bepaalde vaardigheden van een cursus Nederlands als tweede taal, geen cursusuren hoeven te worden gevolgd.
Indien de inburgeringsplichtige in de periode vanaf twee jaar voorafgaand aan de vaststelling van het persoonlijk plan inburgering en participatie, onderwijs Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse maatschappij heeft gevolgd aan een opleiding als bedoeld in het tiende lid, onderdeel a, b of c, dan kunnen de gevolgde uren, al dan niet in combinatie met uren gevolgd bij een cursusinstelling met een keurmerk als bedoeld in artikel 32 van de wet, in mindering worden gebracht op de urennorm, die geldt op grond van het tweede lid, onderdeel a, en achtste lid.
De inburgeringsplichtige, bedoeld in het negende lid, neemt deel of heeft deelgenomen aan:
- a. het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of het uitstroomprofiel dagbesteding, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet;
- b. het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; of
- c. de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Afdeling 5. Diploma en certificaat
Artikel 3.15. Het inburgeringsdiploma
Degene die heeft voldaan aan de inburgeringsplicht en in dat kader het inburgeringsexamen of de onderwijsroute heeft behaald, ontvangt een inburgeringsdiploma.
Degene die de examenonderdelen, bedoeld in artikel 6.2a, tweede lid, onderdelen a tot en met c, met goed gevolg heeft afgelegd, ontvangt een inburgeringsdiploma als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van het Besluit inburgering.
Onze Minister verstrekt het inburgeringsdiploma.
Het inburgeringsdiploma wordt ondertekend door Onze Minister.
Duplicaten van het inburgeringsdiploma worden tegen betaling van de kostprijs, uitsluitend door Onze Minister verstrekt.
Bij ministeriële regeling wordt de tekst van het inburgeringsdiploma vastgesteld.
Artikel 3.16. Het inburgeringscertificaat
Degene die heeft voldaan aan de inburgeringsplicht en in dat kader de zelfredzaamheidsroute heeft behaald, ontvangt een inburgeringscertificaat.
Onze Minister verstrekt het inburgeringscertificaat.
Het inburgeringscertificaat wordt ondertekend door Onze Minister.
Duplicaten van inburgeringscertificaten worden tegen betaling van de kostprijs, uitsluitend door Onze Minister verstrekt.
Bij ministeriële regeling wordt de tekst van het inburgeringscertificaat vastgesteld en kunnen regels worden gesteld over de wijze van afgifte van het inburgeringscertificaat.
Afdeling 6. Voorbereiding op de inburgering
Artikel 3.17. Aanbod tot voorbereiding op de inburgering
Aan de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 10 van de wet, wordt door Onze Minister dan wel door een op grond van artikel 10 van de wet aangewezen instelling een aanbod tot voorbereiding op de inburgering gedaan.
De voorbereiding op de inburgering bestaat uit de volgende onderdelen:
- a. een cursus Nederlands als tweede taal;
- b. een introductiemodule Arbeidsmarkt en Participatie;
- c. een introductiemodule kennis van de Nederlandse maatschappij; en
- d. een introductiemodule participatieverklaringstraject.
De deelname aan voorbereiding op de inburgering is kosteloos en deelname kan niet worden verplicht.
Deelname aan voorbereiding op de inburgering mag het inburgeringstraject in geen geval vertragen.
Artikel 3.18. Bekostiging voorbereiding op de inburgering
Onze Minister bekostigt de voorbereiding op de inburgering.
De kosten voor de uitvoering van deze taak door de aangewezen instelling, bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, komen ten laste van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Afdeling 7. Internationale diplomawaardering en indicatie onderwijsniveau
Artikel 3.19. Internationale diplomawaardering en indicatie onderwijsniveau
Op verzoek van de inburgeringsplichtige zullen de door Onze Minister aangewezen organisaties kosteloos het door de inburgeringsplichtige behaalde internationale diploma of de behaalde opleidingsjaren waarderen dan wel een indicatie geven van het door de inburgeringsplichtige behaalde onderwijsniveau.
Hoofdstuk 4. Verlenging van de inburgeringstermijnen
Artikel 4.1. Begripsbepaling
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder termijn de termijn, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, de op grond van artikel 12 van de wet verlengde termijn, of de vastgestelde nieuwe termijn, bedoeld in de artikelen 24, tweede en derde lid, en 25, tweede lid, van de wet, tenzij anders is bepaald.
Artikel 4.2. Verlenging termijn na tijdelijke beëindiging
De termijn wordt verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid.
Artikel 4.3. Verlenging bij geen verwijtbaarheid
De inburgeringsplichtige treft geen verwijt ter zake van het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht, indien hij aannemelijk maakt dat zich gedurende de periode van de termijn een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor hij niet in staat is geweest deel te nemen aan activiteiten die erop zijn gericht te voldoen aan de inburgeringsplicht en dit hem in alle redelijkheid niet te verwijten valt.
De inburgeringsplichtige treft geen verwijt ter zake van het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht, indien hij aantoont dat hij gedurende de termijn, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, een bij ministeriële regeling aan te wijzen niet vrijstellende opleiding volgt of volgde, of deze opleiding na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 11 van de wet, of de op grond van artikel 12 van de wet verlengde termijn, nog voortzet.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de duur van de verlenging en de toepassing van het eerste en het tweede lid.
Artikel 4.4. Verlenging na aanzienlijke inspanningen bij bijna afgeronde inburgeringsplicht
Onze Minister verlengt de termijn genoemd in artikel 11, eerste lid, van de wet, in het geval van artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de wet, met zes maanden.
Van aanzienlijke inspanningen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake indien de inburgeringsplichtige:
- a. de B1-route volgt en de spreekvaardigheid, luistervaardigheid, leesvaardigheid en schrijfvaardigheid worden geëxamineerd op het niveau dat is vastgelegd in het persoonlijk plan inburgering en participatie, maar ten minste op het niveau A2;
- b. alle taallessen en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij heeft gevolgd, met uitzondering van afwezigheid vanwege geoorloofd verzuim;
- c. minimaal twee van de vier examenonderdelen als bedoeld in onderdeel a, van het inburgeringsexamen heeft behaald, alsmede het onderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij; en
- d. het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie heeft afgerond.
Voor gezinsmigranten en overige migranten geldt in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, dat zij ten minste 450 uren aan taallessen of cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij hebben gevolgd.
Artikel 4.5. Procedure verlenging
Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn. De beschikking wordt niet eerder gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn.
In bijzondere gevallen die alle inburgeringsplichtigen of categorieën van inburgeringsplichtigen betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn voor een bij ministeriële regeling te bepalen duur.
In de beschikking wordt de duur van de verlenging vermeld.
Hoofdstuk 5. De taak van het college
Afdeling 1. Maatschappelijke begeleiding
Artikel 5.1. Inhoud en vormgeving maatschappelijke begeleiding
De maatschappelijke begeleiding, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de wet, bevat in ieder geval de volgende componenten:
- a. praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen: ondersteuning en begeleiding bij het regelen van praktische zaken ten aanzien van voorzieningen zoals wonen, zorg, werk, inkomen, verzekeringen, onderwijs en kennismaking met de lokale woonomgeving;
- b. voorlichting over basisvoorzieningen in de Nederlandse samenleving: voorlichting over basisvoorzieningen en thema’s zoals wonen, inkomen, werk, zorg, onderwijs, opvoeding en kennismaking met maatschappelijke organisaties.
Afdeling 2. De brede intake
Artikel 5.2. Inhoud en verslaglegging brede intake
Het college brengt, in aanvulling op de onderdelen, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet, in het kader van de brede intake met betrekking tot de inburgeringsplichtige in ieder geval het volgende in kaart:
- a. het taalniveau;
- b. de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; en
- c. de mate van zelfredzaamheid.
Het college wijst de inburgeringsplichtige op het recht om de gesprekken in het kader van de brede intake enkel met hem persoonlijk te voeren, derhalve zonder de aanwezigheid van enig ander persoon, niet zijnde degene die in de hoedanigheid van zijn professie bij de gesprekken aanwezig is.
Het college legt de relevante informatie die wordt verkregen in verband met de afname van de brede intake schriftelijk vast.
Afdeling 3. Het persoonlijk plan inburgering en participatie
Artikel 5.3. Persoonlijk plan inburgering en participatie
Het college stelt het persoonlijk plan inburgering en participatie vast uiterlijk 10 weken na de dag waarop Onze Minister de inburgeringsplichtige schriftelijk in kennis heeft gesteld van de inburgeringsplicht. Indien de inburgeringsplichtige op de datum van deze kennisgeving nog niet is ingeschreven in de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 wordt gehuisvest, stelt het college het plan vast uiterlijk 10 weken na de dag waarop de inburgeringsplichtige in de basisregistratie personen is ingeschreven in de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 is gehuisvest.
Het college kan afwijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om het persoonlijk plan inburgering en participatie binnen deze termijn vast te stellen zonder informatie van een derde, van welke informatie het college in afwachting is. Uiterlijk twee weken na ontvangst van deze informatie stelt het college het plan alsnog vast.
Als de inburgeringsplichtige, voor wie het persoonlijk plan inburgering en participatie is opgesteld, zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente, stelt het college van de andere gemeente het voornoemde plan vast binnen uiterlijk 10 weken na de datum van inschrijving van de inburgeringsplichtige in deze gemeente.
Het college legt het aantal te voeren voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtige vast in het persoonlijk plan inburgering en participatie.
Inspanningen die een inburgeringsplichtige heeft verricht voorafgaand aan het vaststellen van het persoonlijk plan inburgering en participatie, wegen niet mee voor het voldoen aan de inburgeringsplicht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Indien het college de leerroute van de inburgeringsplichtige ingevolge artikel 17, tweede lid, van de wet, opnieuw vaststelt, of ingevolge artikel 17, derde lid, van de wet besluit dat de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, in afwijking van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet geheel of gedeeltelijk op het niveau A2 worden geëxamineerd, past het college het persoonlijk plan inburgering en participatie conform deze wijziging aan.
Afdeling 4. Ondersteuning en begeleiding
Artikel 5.4. Termijn en gevolgen van wijzigen van leerroute
De termijn, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet, bedraagt maximaal anderhalf jaar vanaf de aanvang van de termijn, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat gedurende het gehele inburgeringstraject de onderwijsroute kan worden gewijzigd in de B1-route.
Indien de inburgeringsplichtige een niet vrijstellende opleiding als bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, heeft afgerond of voortijdig heeft beëindigd na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, kan het college, in afwijking van de termijn, bedoeld in het eerste lid, na het afronden van deze opleiding de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute wijzigen.
In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan het college afwijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid.
Bij het wijzigen van leerroute geldt dat bij het wijzigen van:
- a. de onderwijsroute of de zelfredzaamheidsroute naar de B1-route:
- i. bij het bepalen van de intensiteit van de leerroute rekening wordt gehouden met de reeds gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij bij een instelling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet of met de gevolgde cursusuren, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel a;
- ii. de in de onderwijsroute reeds gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 of kennis van de Nederlandse maatschappij, gelden als gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van het inburgeringsexamen.
- b. de B1-route naar de onderwijsroute: de reeds gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van het inburgeringsexamen gelden als gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 of kennis van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de wet.
- c. de B1-route of de onderwijsroute naar de zelfredzaamheidsroute: de reeds gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij bij een cursusinstelling die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 32 van de wet of bij een instelling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet, in mindering worden gebracht op de urennorm, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel a.
Artikel 5.5. Afschalen naar niveau A2
Van aanzienlijke inspanningen, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de wet, is sprake indien de inburgeringsplichtige in totaal 600 cursusuren Nederlands als tweede taal, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, heeft gevolgd bij een instelling die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 32 van de wet of bij een instelling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet en voorts uit de relevante feiten en omstandigheden blijkt dat hij zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen.
Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige cursusuren Nederlands als tweede taal, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, zijn gevolgd die voldoen aan het gestelde in het eerste lid, kunnen deze uren, in afwijking van artikel 5.3, vijfde lid, in mindering worden gebracht de urennorm, genoemd in het eerste lid.
Hoofdstuk 6. Sociale lening
Afdeling 1. Vaststelling van de lening
Artikel 6.1. Voorwaarden recht op lening
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de bepalingen in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet, die rechtmatig verblijf verkrijgt als bedoeld in artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 en die:
- a. 16 jaar of ouder is en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt;
- b. minder dan acht jaren leerplichtig of kwalificatieplichtig is geweest op grond van de Leerplichtwet 1969;
- c. niet beschikt over een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet en geen opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van voornoemd diploma, certificaat of ander document;
- d. niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is op grond van de Leerplichtwet 1969; of
- e. niet heeft aangetoond al voldoende te zijn ingeburgerd.
Artikel 6.2. Hoogte en aanwending van de lening
Aan de inburgeringsplichtige kan, behoudens het bepaalde in artikel 20, tweede lid, van de wet op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000 worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor:
- a. het volgen van een cursus ten behoeve van de in het persoonlijk plan inburgering en participatie vastgestelde leerroute;
- b. het volgen van een taalschakeltraject ten behoeve van de in het persoonlijk plan inburgering en participatie vastgestelde leerroute;
- c. het volgen van alfabetiseringsonderwijs, mits de verplichting hiertoe is opgenomen in het persoonlijk plan inburgering en participatie; of
- d. het afleggen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.
De hoogte van de lening wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het overeenkomstig artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen te berekenen toetsingsinkomen van de inburgeringsplichtige en diens partner als bedoeld in artikel 3 van die wet.
De lening ten behoeve van het volgen van een cursus of alfabetiseringsonderwijs wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus of alfabetiseringsonderwijs volgt bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet of een keurmerk als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet.
De lening ten behoeve van het volgen van een taalschakeltraject wordt slechts verstrekt indien deze in het kader van de onderwijsroute wordt gevolgd, waarbij sprake moet zijn van een erkend taalschakeltraject als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet.
De lening wordt niet verstrekt, indien de inburgeringsplichtige op grond van artikel 4.1 van het Besluit inburgering zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432) een lening is verstrekt en deze nog niet geheel is terugbetaald of kwijtgescholden.
De lening wordt niet verstrekt, indien de inburgeringsplichtige op grond van artikel 4.1 van het Besluit inburgering een lening is verstrekt en deze nog niet geheel is terugbetaald of kwijtgescholden.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste tot en met vierde lid.
Artikel 6.3. Duur en betaling van de lening
De inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 19, van de wet heeft, behoudens het bepaalde in artikel 20, tweede lid, van de wet, aanspraak op de lening gedurende de termijn, bedoeld in artikel 11 van de wet, gedurende de verlengde termijn bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet en gedurende de termijn, genoemd in de boetebeschikking, bedoeld in de artikelen 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van de wet. Een persoon als bedoeld in artikel 6.1 heeft aanspraak op de lening gedurende drie jaar nadat hij rechtmatig verblijf verkrijgt.
Het geleende bedrag wordt niet uitbetaald, indien de inburgeringsplichtige:
- a. niet langer ingezetene is in de zin van de Wet basisregistratie personen;
- b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a, c, e van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover dit ziet op de artikelen 14, 20 en 45 van de Vreemdelingenwet; of
- c. overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de wet geen of niet langer aanspraak heeft op een lening.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de betaling van de lening.
Artikel 6.4. Aanvraag van de lening
In de aanvraag vermeldt de aanvrager zijn: naam- en adresgegevens, burgerservicenummer en rekeningnummer.
Bij de aanvraag overlegt de aanvrager een door hem ondertekende verklaring waarin hij Onze Minister machtigt het bedrag van de maandelijkse termijnen die hij op grond van artikel 6.9 of 6.12 moet terugbetalen, automatisch van zijn bankrekening af te schrijven.
Artikel 6.5. Vaststelling van de lening
Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
Afdeling 2. Terugbetaling van de lening
Artikel 6.6. Rente
Onze Minister stelt jaarlijks voor 31 december ten behoeve van het daaropvolgende jaar een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand september van dat jaar van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een resterende looptijd van drie tot vijf jaren.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop de rente wordt berekend over de aangegane lening.
Artikel 6.7. Terugbetalingsperiode lening
De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste tien jaren.
De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het in artikel 21, derde lid, onderdeel a of b, van de wet bedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt.
Gedurende de in artikel 21, derde lid, aanhef, van de wet bedoelde aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de lening.
In afwijking van het tweede lid, vangt de terugbetalingsperiode voor een persoon als bedoeld in artikel 6.1 aan zes maanden nadat drie jaar zijn verstreken sedert de verstrekking van de lening of, indien dat eerder is, zes maanden nadat het inburgeringsexamen is behaald.
Artikel 6.8. Maandelijks termijnbedrag
De terugbetaling van de lening geschiedt in maandelijkse termijnbedragen, behoudens in de bij ministeriële regeling genoemde gevallen.
De hoogte van het maandelijkse termijnbedrag wordt op basis van het aantal maanden van de terugbetalingsperiode tot een gelijk bedrag vastgesteld bij de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, dan wel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in 6.7, tweede lid, tweede volzin.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de hoogte van het termijnbedrag alsmede de wijze waarop dit wordt berekend.
Artikel 6.9. Beschikking tot terugbetaling
Binnen acht weken na de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, dan wel de ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, tweede volzin, stelt Onze Minister het termijnbedrag vast dat de debiteur overeenkomstig de artikelen 6.6 tot en met 6.8 maandelijks moet terugbetalen alsmede de periode waarbinnen dit moet gebeuren.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het geval de debiteur meer betaalt dan het termijnbedrag.
Artikel 6.10. Aanvraag vaststelling draagkracht debiteur
Indien de debiteur niet in staat is het overeenkomstig artikel 6.9 vastgestelde termijnbedrag te voldoen, kan hij bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende terugbetalingsperiode.
Artikel 6.11. Berekening draagkracht debiteur
Ter bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt het toetsingsinkomen van de debiteur en dat van zijn partner als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in aanmerking genomen.
Het toetsingsinkomen wordt berekend overeenkomstig artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld.
Artikel 6.12. Beschikking aanpassing draagkracht
Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 6.10, een beschikking.
Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het overeenkomstig artikel 6.9 vastgestelde termijnbedrag, wordt het termijnbedrag opnieuw vastgesteld met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin Onze Minister het nieuwe termijnbedrag aan de debiteur bekend heeft gemaakt.
Artikel 6.13. Verzuim, aanmaning en invordering
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent verzuim, aanmaning en de invordering van de schuld.
Artikel 6.14. Van rechtswege tenietgaan schuld
De schuld die bij het einde van de terugbetalingsperiode resteert omdat overeenkomstig artikel 6.12, tweede lid, het termijnbedrag opnieuw is vastgesteld, gaat op dat ogenblik teniet, met uitzondering van achterstallige termijnbedragen.
De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur gaat op dat ogenblik teniet.
Artikel 6.15. Termijnverlenging
De termijnen, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, worden verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid.
§ 3. Slotbepaling
Artikel 6.16. Toepasselijkheid Awir
De artikelen 3, 4 en 6, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 7. Handhaving
Artikel 7.1. Hoogte boete bij niet meewerken tijdens inburgeringstraject
De bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 22 van de wet, bedraagt € 250.
De bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 23 van de wet, bedraagt € 50.
De boete, bedoeld in het tweede lid, wordt steeds met 100 procent van het boetebedrag verhoogd tot een bedrag van ten hoogste € 800, indien binnen een tijdvak van twaalf maanden voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van het bepaalde in artikel 23 van de wet is geconstateerd, en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.
Bij het opleggen van de boete, bedoeld in het tweede lid, worden de volgende uitgangspunten in acht genomen:
- a. indien er sprake is van opzet, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent;
- b. indien er sprake is van grove schuld, wordt de boete vastgesteld op 75 procent;
- c. indien er geen sprake is van opzet of grove schuld wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent;
- d. indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent.
Het totaal aan opgelegde boetes, bedoeld in het eerste en tweede lid, beloopt gedurende de termijn, genoemd in artikel 11, eerste lid, van de wet, of de op grond van artikel 12 van de wet verlengde termijn, ten hoogste € 2.400 en beloopt gedurende de op grond van de artikelen 24, tweede en derde lid, en 25, tweede lid, van de wet vastgestelde nieuwe termijn ten hoogste:
- a. € 400 bij een nieuwe termijn van zes maanden;
- b. € 800 bij een nieuwe termijn van een jaar;
- c. € 1.200 bij een nieuwe termijn van anderhalf jaar;
- d. € 1.600 bij een nieuwe termijn van twee jaar.
De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, rust op betrokkene. Indien het college op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
Artikel 7.2. Hoogte boete bij niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht
De bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 24 van de wet, bedraagt € 340.
De bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 25 van de wet, wordt vastgesteld op basis van het aantal geregistreerde uren dat de inburgeringsplichtige heeft besteed aan de leerroute, het aantal afgelegde examenpogingen en het aantal behaalde examens.
De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, rust op betrokkene. Indien Onze Minister op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)