Besluit van 27 augustus 2021 tot uitvoering van de Wet inburgering 2021 (Besluit inburgering 2021)
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de boetes, bedoeld in het tweede lid.
Hoofdstuk 8. Overheidscertificering en keurmerk
Artikel 8.1. Criteria voor aanwijzing instelling voor afgifte keurmerk
De door Onze Minister aan te wijzen instelling die een keurmerk als bedoeld in artikel 32 van de wet verleent, betreft een instelling die voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a. zij heeft rechtspersoonlijkheid;
- b. zij is onafhankelijk van door haar te beoordelen personen of instellingen, en zij, haar leidinggevenden en haar medewerkers voeren geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of integriteit kunnen schaden;
- c. zij en haar medewerkers voeren de activiteiten met betrekking tot het verlenen en beheren van het keurmerk uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste vakbekwaamheid op het specifieke werkveld uit, en zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel beïnvloeden;
- d. haar medewerkers beschikken over een gedegen vakinhoudelijke opleiding, voldoende kennis van de eisen inzake het keurmerk en over voldoende kennis van de relevante nationale regelgeving;
- e. de beloning van haar personeel hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan; en
- f. zij sluit een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af.
De instelling informeert Onze Minister over:
- a. omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van of de voorwaarden voor haar aanwijzing; en
- b. op verzoek, over de binnen de werkingssfeer van haar aanwijzing verrichte activiteiten en andere activiteiten waaronder uitbesteding.
De instelling stelt jaarlijks voor 1 mei een verslag op van de door haar in verband met haar taak verrichte werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van haar werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen kalenderjaar.
De aanwijzing kan worden geschorst of worden ingetrokken:
- a. op grond van door de instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, vanwege hun aard of ernst, mits de onjuistheid van de inlichtingen aan haar bekend was of kon zijn;
- b. indien de instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid; of
- c. indien de instelling de taken waarvoor zij is aangewezen, niet of niet meer naar behoren uitvoert.
Artikel 8.2. Eisen keurmerk
In het keurmerk worden in ieder geval eisen gesteld omtrent de volgende aspecten van de cursusinstelling:
- a. de bedrijfsvoering, waarbij de eisen zien op:
- 1°. de continuïteit van de instelling;
- 2°. de integriteit van het bestuur;
- 3°. een transparante en deugdelijke financiële administratie;
- b. de onderwijskwaliteit, waarbij de eisen zien op:
- 1°. de kwalificaties van de docenten;
- 2°. een veilige onderwijsomgeving;
- 3°. een aan de docent verleende verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
- c. fraudepreventie, waarbij in ieder geval de eis wordt gesteld dat bestuurders van de cursusinstelling beschikken over een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Ten behoeve van een effectieve controle door de verlener van het keurmerk bevat het keurmerk eisen met betrekking tot de medewerking van de cursusinstelling aan controles, waaronder onaangekondigde controles en controles gedurende het onderwijs.
De verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 3, en het eerste lid, onderdeel c, is in het bezit van de cursusinstelling, en is op het moment van overlegging aan de cursusinstelling niet ouder dan zes maanden.
De keurmerkverlener stelt voorwaarden op omtrent de schorsing of intrekking van het keurmerk.
De voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, houden in dat het keurmerk wordt geschorst indien:
- a. er aanwijzingen zijn van fraude;
- b. er sprake is van onvoldoende tevredenheid onder de inburgeraars;
- c. de slagingspercentages van de cursusinstelling onvoldoende zijn; of
- d. de cursusinstelling geen medewerking verleent aan een controle door de keurmerkverlener of een door de keurmerkverlener aangewezen instantie.
De voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, houden in dat het keurmerk wordt ingetrokken indien:
- a. na een door de keurmerkverstrekker vastgestelde periode na de schorsing, bedoeld in het vierde lid, geen sprake is van verbetering;
- b. er sprake is van het herhaaldelijk geen medewerking verlenen aan controles door de keurmerkverlener of een door de keurmerkverlener aangewezen instantie; of
- c. er sprake is van fraude door de cursusinstelling.
De keurmerkverlener voert jaarlijks effectieve controles uit bij de cursusinstellingen.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de eisen, bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid.
Hoofdstuk 9. Informatiebepalingen
Artikel 9.1. Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen van de inburgeringsplicht
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van het vaststellen, beheren, vrijstellen en de ontheffing van de inburgeringsplicht en het daaruit volgende inburgeringstraject.
Onze Minister van Justitie en Veiligheid verstrekt Onze Minister de volgende gegevens:
- a. gegevens over het verblijfsdoel en de wijziging daarvan;
- b. identiteitsgegevens, waaronder het vreemdelingennummer, bedoeld in artikel 107, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, en het burgerservicenummer, van de betrokkene, en, indien van toepassing, van de referent, bedoeld in artikel 2a van de Vreemdelingenwet 2000.
Onze Minister verstrekt het college gegevens over:
- a. de vaststelling van de inburgeringsplicht en de wijziging daarvan;
- b. een gehele vrijstelling of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht;
- c. een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht, waaronder de datum van de verlening alsmede over aangepaste examenomstandigheden, dan wel de afwijzing van een aanvraag daarvan;
- d. de toekenning van het inburgeringscertificaat.
Onze Minister verstrekt de instelling die belast is met de voorbereiding op de inburgering, bedoeld in artikel 10 van de wet, de gegevens over de vaststelling van de inburgeringsplicht en de wijziging daarvan, en maakt daarbij gebruik van het vreemdelingennummer of het burgerservicenummer.
De aangewezen organisaties die belast zijn met internationale diplomawaardering verstrekken Onze Minister een advies over vrijstelling of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht.
Artikel 9.2. Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitvoering van de inburgeringsplicht
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de uitvoering van verschillende onderdelen van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 6 van de wet, alsmede de voorbereiding op de inburgering, bedoeld in artikel 10 van de wet.
Het college verstrekt Onze Minister gegevens over:
- a. de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute, alsmede wijzigingen daarvan, en, indien van toepassing, de intensiteit van de leerroute;
- b. de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid en geleverde inspanningen, het taalniveau, het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie.
Het college verstrekt de cursusinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute, alsmede wijzigingen daarvan.
Cursusinstellingen verstrekken het college gegevens over de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid en geleverde inspanningen, van asielstatushouders, en desgevraagd, van gezinsmigranten en overige migranten.
Onze Minister verstrekt het college gegevens over:
- a. examendeelname, examenpogingen en examenresultaten, en het afronden van de inburgeringsplicht;
- b. de datum van het inburgeringsdiploma;
- c. de toekenning van het inburgeringscertificaat.
Onze Minister verstrekt cursusinstellingen gegevens over examendeelname, examenresultaten en het afronden van de inburgeringsplicht.
Artikel 9.3. Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen en verlengen van de inburgeringstermijn
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de vaststelling en verlenging van de inburgeringstermijn.
Het college verstrekt Onze Minister de gegevens over:
- a. de datum van vaststelling van het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet;
- b. het uitblijven van het inburgeringsaanbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet, met het oog op de verlenging, bedoeld in artikel 4.3 en, indien van toepassing, of de inburgeringsplichtige een niet vrijstellende opleiding volgt als bedoeld in het tweede lid van dat artikel.
Onze Minister verstrekt het college de gegevens over:
- a. de aanvang en het einde van de termijn waarbinnen de inburgeringsplichtige aan de onderdelen van de inburgeringsplicht dient te voldoen;
- b. gegevens over de indiening van een verzoek tot verlenging van de termijn, de beoordeling van dat verzoek, de datum van verlenging en de einddatum van de nieuwe termijn.
Artikel 9.4. Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitvoering van de taken van het college
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de taken van het college op grond van de wet.
Onze Minister verstrekt het college gegevens over:
- a. de vaststelling van het recht op maatschappelijke begeleiding;
- b. de niet vrijstellende opleiding, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid.
De instelling die is belast met de voorinburgering, bedoeld in artikel 10 van de wet, verstrekt het college de volgende gegevens over de inburgeringsplichtige:
- a. identiteitsgegevens, waaronder het burgerservicenummer;
- b. gegevens over diens gezinssamenstelling; en
- c. gegevens die de instantie heeft verkregen in het kader van de deelname aan de voorinburgering, waaronder gegevens over de voortgang van de deelname en de taalvaardigheid.
Artikel 9.5. Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen en beheren van de sociale lening
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van het vaststellen, beheren en de terugbetaling van de sociale lening.
De Belastingdienst verstrekt de gegevens over het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van de aanvrager en diens partner als bedoeld in artikel 3 van die wet aan Onze Minister.
De aangewezen cursusinstelling, bedoeld in artikel 20 vijfde lid, van de wet, verstrekt aan Onze Minister de volgende gegevens over de inburgeringsplichtige:
- a. contractgegevens en inschrijvingsgegevens;
- b. factuurgegevens.
Het college verstrekt Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 9.2, tweede lid, onderdeel a, mede voor het doel, bedoeld in het eerste lid.
Onze Minister van Justitie en Veiligheid verstrekt Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, mede voor het doel, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9.6. Gegevensuitwisseling ten behoeve van de handhaving van de inburgeringsplicht
De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de handhaving.
De gegevens die door de instantie, bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de wet, aan het college worden verstrekt, worden mede gebruikt voor het doel, bedoeld in het eerste lid.
De gegevens, bedoeld in artikel 9.2, vierde lid, die de cursusinstelling verstrekt aan het college, worden mede gebruikt voor het doel, bedoeld in het eerste lid.
Het college verstrekt Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 9.2, tweede lid, onderdeel b, mede voor het doel, bedoeld in het eerste lid, en verstrekt, op verzoek, gegevens over opgelegde boetes.
Onze Minister verstrekt het college gegevens over opgelegde boetes.
Cursusinstellingen verstrekken Onze Minister de inschrijvingsgegevens van de inburgeringsplichtige, en van gezinsmigranten en overige migranten gegevens over de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid en geleverde inspanningen.
Het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2 van de Wet College voor toetsen en examens, verstrekt Onze Minister gegevens over de examendeelname en examenresultaten staatsexamen Nederlands als tweede taal.
Artikel 9.7. Gegevensuitwisseling ten behoeve van het verblijfsrecht en het verkrijgen van het Nederlanderschap
Ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 33, onderdeel b, van de wet, verstrekt Onze Minister aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid gegevens over:
- a. de status van de inburgeringsplicht; en
- b. de datum waarop aan de inburgeringsplicht is voldaan.
Artikel 9.8. Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag
Ten behoeve van de uitvoering van artikel 1.6, eerste lid, onderdeel g, van de Wet kinderopvang, verstrekt Onze Minister aan de Dienst Toeslagen, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Algemene Wet inkomensafhankelijke regelingen, gegevens over:
- a. de inburgeringsplicht; en
- b. de inschrijving en gevolgde cursus bij de cursusinstelling.
Artikel 9.9. Bewaartermijnen
Het college en Onze Minister bewaren persoonsgegevens die zij in het kader van de uitvoering van deze wet hebben verkregen niet langer dan noodzakelijk en verwijderen de persoonsgegevens:
- a. na verloop van vijf jaren na beëindiging van de inburgeringsplicht; of
- b. indien de betrokkene is overleden.
In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van inburgeringsplichtigen en gewezen inburgeringsplichtigen verwijderd na verloop van ten hoogste vijftig jaar:
- a. burgerservicenummer;
- b. naamgegevens;
- c. adresgegevens;
- d. woonplaats;
- e. geboortedatum;
- f. gegevens die betrekking hebben op gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht;
- g. gegevens die betrekking hebben op een ontheffing van de inburgeringsplicht;
- h. de datum en de wijze waarop aan de inburgeringsplicht is voldaan.
- i. gegevens over een tijdelijke of definitief niet invorderbare schuld terzake van een lening.
In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van personen als bedoeld in artikel 19 van de wet en artikel 6.1 van dit besluit verwijderd na verloop van vijf jaar nadat de lening is voldaan, kwijtgescholden, of teniet gegaan:
- a. burgerservicenummer;
- b. naamgegevens;
- c. adresgegevens;
- d. woonplaats;
- e. geboortedatum;
- f. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald;
- g. gegevens over de lening.
Artikel 9.10. Gebruik burgerservicenummer
Cursusinstellingen, het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2 van de Wet College voor toetsen en examens, de op grond van artikel 10 van de wet aangewezen instelling, en de aangewezen organisaties die belast zijn met internationale diplomawaardering gebruiken het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer bij het verwerken van gegevens op grond dit hoofdstuk.
Artikel 9.11. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens
Bij de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in artikel 37 van de wet, wordt de toegang tot deze gegevens beveiligd tegen ongeautoriseerd gebruik door:
- a. het toekennen van autorisaties aan alleen die personen, die voor het uitoefenen van hun taak toegang tot de opgeslagen informatie moeten hebben;
- b. het bewaren van een reservebestand op een voor niet-geautoriseerde personen ontoegankelijke plaats.
Artikel 9.12. Statistiek, monitoring en evaluatie
De instanties, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet, die aan Onze Minister gegevens en inlichtingen verstrekken ten behoeve van statistiek, monitoring en evaluatie, betreffen:
- a. het CBS, bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet op het centraal bureau voor de statistiek;
- b. de instelling die is belast met de voorinburgering, bedoeld in artikel 10 van de wet;
- c. Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
- d. de door Onze Minister aangewezen organisaties die belast zijn met internationale diplomawaardering.
Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen
Artikel 10.1. Berekening voorlopige uitkering gemeente
De voorlopige uitkering voor een gemeente in het uitvoeringsjaar t wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:
U = BGO + BA + ABO
Waarbij:
- a. U de uitkering is in jaar t;
- b. BGO het deel van de uitkering is voor gezinsmigranten en overige migranten;
- c. BA het deel van de uitkering is voor asielstatushouders; en
- d. ABO het deel van de uitkering is dat ziet op het eenmalige aanvullend budget voor de onderwijsroute voor asielstatushouders bij wie in het persoonlijke plan inburgering en participatie, bedoeld in artikel 15, derde lid, van wet, de onderwijsroute is vastgelegd.
Het deel van de uitkering voor gezinsmigranten en overige migranten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
BGO = AGO(cohort t-2) * a
Waarbij:
- a. AGO staat voor het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente;
- b. Cohort (t-2) het jaar aangeeft waarin de gezinsmigranten en overige migranten in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en
- c. a staat voor het bedrag aan uitkering per gezinsmigrant of overige migrant.
Het deel van de uitkering voor asielstatushouders, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
BA = GG / SOM GG * TBA
Waarbij:
- a. GG de gemeentelijke grondslag is voor de berekening van het deel van de uitkering voor asielstatushouders;
- b. SOM GG het landelijk totaal is van de gemeentelijke grondslagen; en
- c. TBA het totaal voorlopig beschikbare landelijke budget in jaar t voor asielstatushouders.
De gemeentelijke grondslag, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
| GG = | GPAS (cohort jaar t) | * PA (jaar t) | * [a] | |
|---|---|---|---|---|
| + | GHT (cohort jaar t-1) | * PA (jaar t-1) | * [b] | |
| + | VAA (cohort jaar t-2) | * [c] | ||
| + | AIA (jaar t-2) | * [d] |
Waarbij:
- a. GPAS staat voor gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar;
- b. PA staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders in de gemeentelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar;
- c. GHT staat voor de gemeentelijke huisvestingstaakstelling in het betreffende jaar welke wordt vastgesteld op basis van de landelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, en wordt verdeeld onder gemeenten op basis van het aantal inwoners conform de formule, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014;
- d. VAA staat voor het voorlopig aantal asielstatushouders van het betreffende cohort jaar t-2 in de gemeente;
- e. Cohort het jaar aangeeft waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest;
- f. AIA staat voor het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders in het aangegeven jaar t-2 in de gemeente; en
- g. [a t/m d] staat voor de gewichten die toegekend worden aan de afzonderlijke variabelen in de formule.
Het totaal voorlopig beschikbare landelijke budget in jaar t voor asielstatushouders, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
| TBA = | LPAS (cohort jaar t) | * PA (jaar t) | * [a] | |
|---|---|---|---|---|
| + | LHT (cohort jaar t-1) | *PA (jaar t-1) | * [b] | |
| + | LVAA (cohort jaar t-2) | * [c] |
Waarbij:
- a. LPAS staat voor landelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende cohort;
- b. PA staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders in de landelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de landelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar;
- c. LHT staat voor de landelijke huisvestingstaakstelling;
- d. LVAA staat voor het landelijk voorlopig aantal asielstatushouders van het betreffende cohort;
- e. Cohort het jaar aangeeft waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en
- f. [a t/m c] staat voor de bedragen per asielstatushouder per variabele in de formule.
Het deel van de uitkering voor asielstatushouders in de onderwijsroute, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
ABO = GPAS (cohort jaar t) * PA (jaar t) * PO (jaar t) * [a]
Waarbij:
- a. GPAS staat voor de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar;
- b. PA staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders in de gemeentelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar;
- c. PO staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders bij wie in het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet, de onderwijsroute wordt vastgelegd; en
- d. [a] staat voor het bedrag aan uitkering per asielstatushouder in de onderwijsroute.
Artikel 10.2. Berekening definitieve uitkering gemeente
Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt het deel van de uitkering voor gezinsmigranten en overige migranten, bedoeld in artikel 10.1, eerste en tweede lid, berekend aan de hand van de volgende formule:
BGO = AGO (cohort t) * a
Waarbij:
- a. AGO staat voor het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente;
- b. Cohort het jaar aangeeft waarin de gezinsmigranten en overige migranten in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en
- c. a staat voor het bedrag aan uitkering per gezinsmigrant of overige migrant in jaar t.
Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt het totaal beschikbare landelijke budget in jaar t voor asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, derde lid, onderdeel c, berekend aan de hand van de volgende formule:
| TBA = | LAA (cohort jaar t) | * [a] | |
|---|---|---|---|
| + | LAA (cohort jaar t-1) | * [b] | |
| + | LAA (cohort jaar t-2) | * [c] |
Waarbij:
- a. LAA staat voor het landelijk aantal asielstatushouders van het betreffende cohort;
- b. Cohort staat voor het jaar waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en
- c. [a t/m c] staat voor de bedragen per asielstatushouder per variabele in de formule.
Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt de gemeentelijke grondslag, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, berekend aan de hand van de volgende formule:
| GG = | AA (cohort jaar t) | * [a] | |
|---|---|---|---|
| + | AA (cohort jaar t-1) | * [b] | |
| + | AA (cohort jaar t-2) | * [c] | |
| + | AIA (jaar t-2) | * [d] |
Waarbij:
- a. AA staat voor het aantal asielstatushouders van het betreffende cohort in de gemeente;
- b. Cohort staat voor het jaar waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest;
- c. AIA staat voor het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders in het betreffende jaar t-2 in de gemeente; en
- d. [a t/m d] staat voor de gewichten die toegekend worden aan de afzonderlijke variabelen in de formule.
Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt het deel van de uitkering voor asielstatushouders in de onderwijsroute, bedoeld in artikel 10.1, eerste lid, onderdeel d, en zesde lid, berekend aan de hand van de volgende formule:
ABO = AAO (jaar t) * [a]
Waarbij:
- a. AAO staat voor het aantal gehuisveste asielstatushouders in het betreffende jaar bij wie in het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet, de onderwijsroute is vastgelegd en voor wie niet eerder een aanvullend bedrag is uitgekeerd voor de onderwijsroute; en
- b. [a] staat voor het bedrag aan uitkering per asielstatushouder in de onderwijsroute.
Artikel 10.3. Nadere bepalingen voor de berekening van de uitkering
Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt voor de bepaling van de voorlopige uitkering, bedoeld in artikel 10.1, uitgegaan van een redelijke inschatting van de situatie zoals die zou zijn geweest als de instelling, splitsing of opheffing van gemeenten in de van belang zijnde jaren al was ingegaan.
Bij ministeriële regeling wordt het te verwachten percentage asielstatushouders in de gemeentelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, onderdeel b, het te verwachten percentage asielstatushouders in de onderwijsroute, bedoeld in artikel 10.1, zesde lid, onderdeel c, en het te verwachten percentage asielstatushouders in de landelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de landelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel b, vastgesteld.
Bij ministeriële regeling wordt het bedrag per gezinsmigrant of overige migrant, bedoeld in de artikelen 10.1, tweede lid, onderdeel c, en 10.2, eerste lid, onderdeel c, het aanvullend bedrag per asielstatushouder in de onderwijsroute, bedoeld in artikel 10.1, zesde lid, onderdeel d, en artikel 10.2, vierde lid, onderdeel b, en worden de bedragen per asielstatushouder per variabele a tot en met c, bedoeld in de artikelen 10.1, vijfde lid, onderdeel f en 10.2, tweede lid, onderdeel c, vastgesteld.
Bij ministeriële regeling worden de gewichten a tot en met d, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, onderdeel g, en 10.2, derde lid, onderdeel d, vastgesteld.
Bij de berekening van de voorlopige uitkering, bedoeld in artikel 10.1, en de definitieve uitkering, bedoeld in artikel 10.2, zal in het eerste jaar nadat bij ministeriële regeling aan het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten in jaar t-2, bedoeld in artikelen 10.1, vierde lid, onderdeel e en 10.2, derde lid, onderdeel c, een gewicht wordt toegekend dat groter is dan 0, alle vanaf de inwerkingtreding van de wet aangevangen en inmiddels met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders tot en met jaar t-2 worden meegeteld.
Voor de berekening van de voorlopige uitkering, bedoeld in artikel 10.1, en de definitieve uitkering, bedoeld in artikel 10.2, worden onder asielstatushouders en gezinsmigranten en overige migranten, mede verstaan de personen die in het jaar waarin ze in een Nederlandse gemeente waren gehuisvest onder de definitie vielen van een asielstatushouder of gezinsmigrant of overige migrant, maar die op een peilmoment, bedoeld in artikel 10.4, op basis waarvan de uitkering wordt bepaald, reeds aan hun inburgeringsplicht hebben voldaan.
Artikel 10.4. Bronnen en peildata gehanteerde gegevens voor de berekening van de uitkering
Voor de variabelen in de formules, bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2, geldt dat:
- a. het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente, bedoeld in artikel 10.1, tweede lid, onderdeel a, wordt bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente ultimo jaar t-2;
- b. het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, onderdeel a, wordt bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente ultimo jaar t;
- c. de landelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel c, bepaald wordt aan de hand van de op die jaren betrekking hebbende landelijke halfjaarlijkse huisvestingstaakstellingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid;
- d. de landelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel a, wordt afgeleid van het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat voor het jaar t van onze Minister zoals bekend op de derde dinsdag van september voorafgaand aan het betreffende jaar;
- e. de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, onderdeel a, en artikel 10.1, zesde lid, onderdeel a, wordt vastgesteld op basis van de landelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel a, en wordt verdeeld onder gemeenten op basis van het aantal inwoners conform de formule, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014, met dien verstande dat voor de toepassing van deze formule in plaats van «vg» moet worden gelezen «landelijke prognose aantal asielstatushouders»;
- f. het landelijk voorlopig aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel c, en het voorlopig aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, onderdeel c, worden bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente jaar t-2;
- g. het landelijk aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, onderdeel a, en het aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.2, derde lid, onderdeel a, worden bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente jaar t;
- h. het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders, bedoeld in de artikelen 10.1, vierde lid, onderdeel e, en 10.2, derde lid, onderdeel c, wordt bepaald aan de hand van cijfers van DUO over het gehele jaar t-2;
- i. Het landelijk aantal asielstatushouders in de onderwijsroute, bedoeld in artikel 10.2, vierde lid, onderdeel a, wordt bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente ultimo jaar t.
Artikel 10.5. Reserveringsregeling
Indien in een kalenderjaar de uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet, niet volledig is besteed, kan het college het niet bestede bedrag reserveren tot een maximum van de reserveringsruimte voor besteding aan inburgeringsvoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar.
De bepaling van de maximale reserveringsruimte, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
Waarbij:
- a. U staat voor het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet;
- b. Jaar t staat voor het uitvoeringsjaar waarop de uitkering betrekking heeft; en
- c. [a en b] staan voor de percentages die toegekend worden aan de afzonderlijke variabelen in de formule.
Bij ministeriële regeling worden de percentages, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vastgesteld.
Artikel 10.6. Doorschuiven van uitkering overstijgende lasten
Indien in een kalenderjaar de netto lasten van gemeenten ten behoeve van inburgeringsvoorzieningen, de uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet overstijgt, dan worden de lasten administratief door Onze Minister toegerekend aan het volgende kalenderjaar.
Artikel 10.7. Bepalingen omtrent de verantwoordingsinformatie
Voor de terugvordering, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de wet, wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
Indien artikel 18 van de wet van toepassing is, kan voor de terugvordering, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de wet, de informatie in aanmerking worden genomen die het openbaar lichaam heeft verantwoord over het jaar waarop de terugvordering betrekking heeft. De eerste zin is slechts van toepassing indien de bedoelde informatie is vastgesteld overeenkomstig artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 10.8. Betaalbaarstelling van de uitkering
Iedere maand wordt op of omstreeks de vijftiende dag van die maand een twaalfde deel van het voor dat kalenderjaar vastgestelde uitkering bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet, betaald
Na de definitieve vaststelling van de uitkering wordt deze, indien hoger is vastgesteld in één keer nabetaald en indien lager is vastgesteld in één keer teruggevorderd.
Hoofdstuk 11. Wijziging van andere algemene maatregelen van bestuur
Artikel 11.1. Wijziging van het Besluit inburgering
Wijzigt het Besluit inburgering.
Artikel 11.2. Wijziging van het Besluit SUWI
Wijzigt het Besluit SUWI.
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage. Participatieverklaring als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Bijlage. Participatieverklaring als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 6.2a. Verstrekken van een lening aan anderen dan inburgeringsplichtigen
Artikel 6.2, eerste lid, is niet van toepassing op de persoon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet, die rechtmatig verblijf verkrijgt als bedoeld in artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000.
Aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, kan op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000 worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor:
- a. Het afleggen van de examenonderdelen mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, op ten minste het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen;
- b. Het afleggen van het examenonderdeel Kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
- c. Het afleggen van het examenonderdeel Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering; of
- d. Het volgen van een alfabetiseringscursus, een inburgeringscursus, of een cursus Nederlands als tweede taal, ter voorbereiding van de examenonderdelen, genoemd in de onderdelen a tot en met c, bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet of een keurmerk als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet;
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Afdeling 2. Terugbetaling van de lening
§ 3. Slotbepaling
Hoofdstuk 7. Handhaving
Hoofdstuk 8. Overheidscertificering en keurmerk
Hoofdstuk 9. Informatiebepalingen
Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen
Hoofdstuk 11. Wijziging van andere algemene maatregelen van bestuur
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage. Participatieverklaring als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 8.3. Vergoeding voor het keurmerk
De keurmerkhouder is een vergoeding verschuldigd aan de door de minister aangewezen instelling voor kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel d, van de wet.
De vergoeding wordt jaarlijks vastgesteld en behoeft goedkeuring van Onze Minister. De goedgekeurde vergoeding wordt door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
Indien uit de eisen van het keurmerk volgt dat diensten van derden worden benut, komen deze ten laste van de aanvrager of houder van het keurmerk.
Hoofdstuk 9. Informatiebepalingen
Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen
Hoofdstuk 11. Wijziging van andere algemene maatregelen van bestuur
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage. Participatieverklaring als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)