Besluit van 14 oktober 2021, houdende nadere regels over de inrichting, examinering en bekostiging van en deelname aan het voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit WVO 2020)

Type AMvB
Publication 2025-10-01
Laatst bijgewerkt 2026-07-25
State In force
Source BWB
artikelen 300
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

De examenkandidaat met het diploma havo of het diploma vmbo die in plaats van een vak voor die schoolsoort of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstige vak voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, is bij het staatsexamen vwo vrijgesteld van dat vak.

3.

De examenkandidaat met het diploma vmbo die in plaats van een vak voor die schoolsoort of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstige vak voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12, is bij het staatsexamen havo vrijgesteld van dat vak.

4.

De examenkandidaat die op grond van artikel 12 van de Beleidsregel verstrekking LOOT-licentie VO of artikel 13 van de Beleidsregel verstrekking DAMU-licentie VO ontheffing heeft verkregen voor een vak, genoemd in die artikelen, is bij het staatsexamen vrijgesteld van dat vak.

Artikel 4.8. Ontheffing staatsexamen wegens eerder gevolgd onderwijs
1.

Het college kan op aanvraag van de examenkandidaat voor het staatsexamen ontheffing verlenen voor een vak, indien de examenkandidaat op grond van eerder gevolgd onderwijs aantoonbaar in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden over dat vak.

2.

De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend op basis van een diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk, al dan niet behaald in Nederland, dat door het college wordt aanvaard als bewijs van voldoende kennis en vaardigheden. Indien het college dit nodig oordeelt, onderzoekt het college of de examenkandidaat in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden.

3.

Het tweede lid is van toepassing indien na het jaar waarin het diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.

4.

Tot het diploma, getuigschrift, certificaat en ander bewijsstuk, bedoeld in het tweede lid, behoren in elk geval die van het Internationaal Baccalaureaat, het Europees Baccalaureaat en die van het overeenkomstige onderwijs in een lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 4.9. Ontheffingsprocedure staatsexamen wegens eerder gevolgd onderwijs
1.

De aanvrager voegt bij de aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 4.8:

  • a. een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisregistratie personen; en
  • b. een gewaarmerkte fotokopie van het diploma, getuigschrift, certificaat of andere bewijsstuk waarop de aanvraag om ontheffing berust.
2.

Indien het college de gevraagde ontheffing verleent, verstrekt het college de aanvrager een bewijs van ontheffing, en zendt het college Onze Minister een afschrift daarvan.

3.

Het bewijs van ontheffing vermeldt:

  • a. de gronden van de ontheffing;
  • b. het tijdstip van het verrichten van de onderwijs- of examenprestatie waarop de ontheffing berust.
4.

Indien van toepassing gaat het bewijs van ontheffing vergezeld van een verklaring over het onderzoek, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, naar de kennis en vaardigheden van de examenkandidaat, of naar de bewijsstukken, bedoeld in dat lid.

5.

Bij ministeriële regeling wordt het model voor het bewijs van ontheffing vastgesteld.

Paragraaf 3. College-examen

Artikel 4.10. Examendossier

Het college-examen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het college-examen zoals gedocumenteerd in een door het college gekozen vorm.

Artikel 4.11. Beoordeling college-examen
1.

Het cijfer van het college-examen wordt uitgedrukt in een cijfer uit een schaal van cijfers lopende van 1 tot en met 10 gebruikt met de daartussen liggende cijfers met 1 decimaal.

2.

Indien in een vak geen centraal examen wordt afgelegd, wordt het cijfer van het college-examen uitgedrukt in een cijfer van 1 tot en met 10, zonder decimaal.

3.

In afwijking van het eerste lid wordt het profielwerkstuk in het vmbo beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».

Artikel 4.12. Twijfel over juistheid beoordeling college-examen

Indien bij het college, al dan niet naar aanleiding van mededelingen van de examenkandidaat, twijfel is gerezen over de juistheid van de beoordeling van het college-examen in enig vak of onderdeel van een vak, kan het college die beoordeling ongeldig verklaren en een nieuw examen in dat vak of onderdeel opleggen.

Paragraaf 3. College-examen

Artikel 4.13. De opgaven voor het centraal examen van het staatsexamen
1.

Onze Minister draagt er zorg voor dat de opgaven, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Wet College voor toetsen en examens, tijdig beschikbaar worden gesteld aan het college.

2.

Het college draagt er zorg voor dat de opgaven en correctieregels voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets.

Artikel 4.14. Afname centraal examen van het staatsexamen
1.

Tijdens een schriftelijke toets van het centraal examen worden aan de examenkandidaat geen mededelingen van welke aard ook over de opgaven gedaan, uitgezonderd mededeling van door het college vastgestelde errata.

2.

Het college draagt zorg voor het nodige toezicht bij het centraal examen.

3.

Zij die toezicht hebben gehouden, maken daarvan een proces-verbaal op. Zij leveren dit samen met het gemaakte examenwerk in bij het college.

4.

Een examenkandidaat wordt tot uiterlijk een half uur na de aanvang tot de toets toegelaten.

5.

De aan de examenkandidaat voorgelegde opgaven blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.

6.

De examenkandidaat levert de opgaven, de door hem gemaakte aantekeningen en ook andere door hem gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. Het college bepaalt in welke gevallen kan worden afgeweken van de eerste volzin, en ook in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de examenkandidaat worden teruggegeven.

Artikel 4.15. Beoordeling centraal examen staatsexamen door correctoren
1.

Het college draagt er zorg voor dat elk afzonderlijk gemaakte werk voor het centraal examen achtereenvolgens door twee door het college aan te wijzen correctoren wordt beoordeeld.

2.

De correctoren kijken het werk onafhankelijk van elkaar na.

3.

De corrector past bij zijn beoordeling de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens toe.

4.

De corrector drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.

5.

De corrector zendt de score en het beoordeelde werk aan het college.

6.

Indien dit het college noodzakelijk voorkomt, wordt het oordeel van een derde corrector ingeroepen. Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de derde corrector.

Artikel 4.16. Vaststelling score en cijfer centraal examen staatsexamen
1.

Het college stelt op grond van scores van de correctoren de score voor het centraal examen vast.

2.

Het college stelt het cijfer voor het centraal examen vast op grond van de score voor het centraal examen en met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens voor toetsen en examen.

3.

Bij de vaststelling van het cijfer gebruikt het college een van de cijfers uit de schaal lopend van 1 tot en met 10, met de tussenliggende cijfers met 1 decimaal.

Artikel 4.17. Centraal examen bij verhindering in eerste, tweede of derde tijdvak
1.

Indien een examenkandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van het college, is verhinderd bij het centraal examen in een of meer vakken in het eerste tijdvak aanwezig te zijn, krijgt hij in het tweede tijdvak de gelegenheid het centraal examen voor ten hoogste twee vakken alsnog te voltooien.

2.

Indien een examenkandidaat ook in het tweede tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van het college, verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak het centraal examen te voltooien.

3.

Indien een examenkandidaat ook in het derde tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van het college, verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het derde tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld op een door het college vast te stellen tijdstip het staatsexamen te voltooien.

4.

Voor de aanvang van het derde tijdvak zendt Onze Minister aan de inspectie een opgave van:

  • a. de kandidaten;
  • b. de in het eerste of tweede tijdvak door hen behaalde cijfers;
  • c. voor zover van toepassing de alsnog behaalde cijfers; en
  • d. een overzicht van het vak of de vakken waarin elke kandidaat zal worden geëxamineerd.

Paragraaf 5. Uitslag en herkansing staatsexamen

Artikel 4.18. Eindcijfer vakken (deel)staatsexamen
1.

Het eindcijfer voor alle vakken van het staatsexamen en het deelstaatsexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks van 1 tot en met 10.

2.

Het college bepaalt het eindcijfer voor een vak op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het college-examen en het cijfer voor het centraal examen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

3.

Indien in een vak alleen een college-examen wordt afgenomen, is het cijfer voor het college-examen ook het eindcijfer.

4.

Indien voor een vak alleen een centraal examen wordt afgenomen, vormt het cijfer voor het centraal examen, afgerond overeenkomstig het tweede lid, het eindcijfer.

Artikel 4.19. Vaststelling uitslag staatsexamen
1.

Het college stelt voor de vaststelling van de uitslag van het staatsexamen vast of de examenkandidaat het staatsexamen heeft afgelegd in de voor het staatsexamen voorgeschreven vakken.

2.

Het college kan een examenkandidaat die deelstaatsexamen aflegt toestaan het volledige staatsexamen af te leggen, als deze examenkandidaat het college daar voorafgaand aan zijn examens om verzoekt. Het examen wordt in datgeval afgerond door voor de ontbrekende vakken, in aanvulling op de cijferlijst voor het deelstaatsexamen, aan het college bewijsstukken te over te leggen als bedoeld in het vierde lid.

3.

De uitslag van het staatsexamen wordt vastgesteld:

  • a. op grond van de eindcijfers die zijn behaald voor een volledig staatsexamen dat in dat jaar is afgelegd; of
  • b. op grond van bewijsstukken als bedoeld in vierde lid.
4.

De bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.72 van de wet, ter verkrijging van een diploma van het staatsexamen zijn:

  • a. eindcijfers van deelstaatsexamens die in dat jaar zijn afgelegd;
  • c. cijferlijsten van een school;
  • d. resultatenlijsten of cijferlijsten van instellingen voor educatie en beroepsonderwijs;
5.

Een cijferlijst wordt bij de vaststelling van de uitslag betrokken, indien na het jaar waarin deze is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken. Een bewijs van ontheffing wordt bij de vaststelling van de uitslag betrokken indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.

6.

Indien dat nodig is om de examenkandidaat te laten slagen voor het staatsexamen, betrekt het college een of meer eindcijfers van de vakken niet bij de bepaling van de definitieve uitslag. De overgebleven vakken dienen een staatsexamen te vormen.

Artikel 4.20. Uitslag staatsexamen vwo en havo
1.

De examenkandidaat die staatsexamen vwo of havo heeft afgelegd, is geslaagd indien:

  • a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;
  • b. hij voor een van de vakken Nederlandse taal en literatuur, Engelse taal en literatuur en voor zover van toepassing wiskunde A, wiskunde B of wiskunde C als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald en hij voor het andere vak of andere hier genoemde vakken als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;
  • c. hij onverminderd onderdeel b:
  • 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;
  • 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
  • 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of
  • 4°. voor een van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor een van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; en
  • d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het tweede lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald.
2.

Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, wordt het gemiddelde van de eindcijfers van ten minste de volgende onderdelen aangemerkt als het eindcijfer van één vak, voor zover voor deze onderdelen een eindcijfer is bepaald: maatschappijleer en het profielwerkstuk. Het college kan daaraan toevoegen:

  • a. literatuur, als onderdeel van alle afzonderlijke moderne talen, met dien verstande dat indien het college daartoe niet besluit, literatuur voor de bepaling van de eindcijfers een onderdeel is van het college-examen van deze taal en literatuur;
  • b. algemene natuurwetenschappen in vwo en havo.
3.

Het eindcijfer, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

4.

De examenkandidaat wiens staatsexamen niet voldoet aan dit artikel is afgewezen voor het staatsexamen.

5.

Zodra de uitslag van het staatsexamen is vastgesteld, maakt het college deze samen met de eindcijfers schriftelijk aan de examenkandidaat bekend. Indien de examenkandidaat is afgewezen voor het staatsexamen, wordt bij de bekendmaking mededeling gedaan van het recht op herkansing als bedoeld in artikel 4.22. De uitslag is de definitieve uitslag indien de examenkandidaat geen gebruik maakt van het recht op herkansing.

Artikel 4.21. Uitslag staatsexamen vmbo
1.

De examenkandidaat die het staatsexamen vmbo heeft afgelegd, is geslaagd indien:

  • a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;
  • b. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald;
  • c. hij onverminderd onderdeel b:
  • 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;
  • 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; of
  • 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald;
  • d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het derde of vierde lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald; en
  • e. als het gaat om een staatsexamen gemengde of theoretische leerweg: hij voor het profielwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.
2.

Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt in de theoretische leerweg het eindcijfer van een profielvak of beroepsgericht keuzevak behorende tot het eindexamen van de gemengde leerweg niet betrokken, tenzij deze vakken samen ten minste een volledig beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, dan wel het praktijkgerichte programma, als bedoeld in artikel 3.7, lid 1a, vormen. In dat geval is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt in de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van één vak.

4.

Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt in de gemengde leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van het profielvak, dan wel het praktijkgerichte vak, en alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van een vak, met dien verstande dat het eindcijfer voor het profielvak, dan wel het praktijkgerichte vak, daarbij net zo vaak meetelt als het aantal eindcijfers van beroepsgerichte keuzevakken dat in de berekening wordt betrokken.

5.

Het eindcijfer, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt bepaald als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.

6.

De examenkandidaat wiens staatsexamen niet voldoet aan dit artikel, is afgewezen voor het staatsexamen.

7.

Zodra de uitslag van het staatsexamen is vastgesteld, maakt het college deze samen met de eindcijfers schriftelijk aan de examenkandidaat bekend. Indien de examenkandidaat is afgewezen voor het staatsexamen, wordt bij de bekendmaking mededeling gedaan van het recht op herkansing als bedoeld in artikel 4.22. De uitslag is de definitieve uitslag indien de examenkandidaat geen gebruik maakt van het recht op herkansing.

Artikel 4.22. Herkansing staatsexamen
1.

De examenkandidaat die in enig jaar is afgewezen voor het staatsexamen, heeft recht op herkansing in het derde tijdvak van dat jaar, mits de examenkandidaat daardoor alsnog kan slagen voor het staatsexamen.

2.

Indien de examenkandidaat op grond van artikel 4.17, tweede lid, in de gelegenheid wordt gesteld in het derde tijdvak het centraal examen te voltooien, wordt het recht op herkansing uitgeoefend op een door het college te bepalen tijdstip.

3.

Het recht op herkansing houdt in om voor twee door de examenkandidaat te kiezen vakken waarin hij dat jaar door het college is geëxamineerd, opnieuw deel te nemen aan:

  • a. het college-examen of onderdelen daarvan, in door het college vast te stellen onderdelen van het examenprogramma; en
  • b. het centraal examen.
Artikel 4.23. Termijn aanmelding herkansing staatsexamen
1.

De examenkandidaat die van zijn recht op herkansing als bedoeld in artikel 4.22 gebruik wil maken, stelt het college binnen acht dagen na de bekendmaking, bedoeld in artikel 4.20, vijfde lid, of artikel 4.21, zevende lid, schriftelijk hiervan in kennis, onder vermelding van de vakken waarin hij opnieuw wil deelnemen aan het college-examen en de vakken waarin hij opnieuw wil deelnemen aan het centraal examen.

2.

Indien de examenkandidaat het college niet overeenkomstig het eerste lid in kennis stelt, is hij alsnog afgewezen voor het staatsexamen.

3.

Het college bevestigt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de examenkandidaat de ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.24. Cijfer en uitslag na herkansing staatsexamen
1.

Het college stelt vast op welke wijze het cijfer van de herkansing voor het college-examen wordt bepaald. In zijn overwegingen betrekt het college de cijfers voor die toetsen van het eerder afgelegde college-examen die betrekking hebben op niet tot de herkansing behorende onderdelen van het examenprogramma.

2.

Het hoogste cijfer van de cijfers behaald bij de herkansing en bij het eerder afgelegde college-examen of centraal examen geldt als definitief cijfer voor het college-examen of het centraal examen.

3.

Na afloop van de herkansing stelt het college de uitslag definitief vast met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4.18 tot en met 4.21 en maakt de uitslag schriftelijk aan de examenkandidaat bekend.

Paragraaf 6. Cijferlijsten, diploma’s en certificaten

Artikel 4.25. Cijferlijst staatsexamen
1.

Op de cijferlijst van de examenkandidaat die is afgewezen voor het staatsexamen worden over de vakken waarin hij in dat jaar door het college is geëxamineerd, vermeld:

  • a. de cijfers voor het college-examen en het centraal examen;
  • b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo;
  • c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo;
  • d. de eindcijfers voor de examenvakken;
  • e. de uitslag van het staatsexamen.
2.

Op de cijferlijst van de examenkandidaat die is geslaagd voor het staatsexamen worden over elk examenvak dat bij de bepaling van de uitslag is betrokken vermeld:

  • a. de cijfers voor het college-examen, het centraal examen, en in voorkomend geval het schoolexamen;
  • b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo;
  • c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo;
  • d. de vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, met voor zover van toepassing de cijfers voor deze vakken;
  • e. de eindcijfers voor de examenvakken; en
  • f. de uitslag van het staatsexamen.
3.

Indien een examenkandidaat in meer vakken examen heeft afgelegd dan in de vakken die ten minste nodig zijn voor het behalen van het staatsexamen, worden de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken, op de cijferlijst vermeld, tenzij de examenkandidaat daartegen bezwaar heeft.

4.

Het college ondertekent de cijferlijst.

Artikel 4.26. Cijferlijst deelstaatsexamen
1.

Het college reikt aan de kandidaat die deelstaatsexamen heeft afgelegd een cijferlijst uit waarop zijn vermeld:

  • a. de cijfers voor het college-examen en het centraal examen;
  • b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo;
  • c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo; en
  • d. de eindcijfers voor de examenvakken.
2.

Het college ondertekent de cijferlijst voor het deelstaatsexamen.

Artikel 4.27. Vermelding van vakken met vrijstelling of ontheffing op cijferlijst vwo en havo

Bij het staatsexamen vwo en het staatsexamen havo worden op de cijferlijst vermeld:

  • a. vakken waarvoor de examenkandidaat is vrijgesteld op grond van de artikelen 3.64 of 4.5, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
  • b. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het staatsexamen vwo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd examen havo of vmbo waarvan deze vwo-vakken deel uitmaakten, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
  • c. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het staatsexamen havo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd examen vmbo waarvan deze vakken of de overeenkomstige vakken, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, deel uitmaakten, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
  • d. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, zonder vermelding van een cijfer.
Artikel 4.28. Vermelding van vakken met vrijstelling of ontheffing op cijferlijst vmbo

Bij het staatsexamen vmbo worden op de cijferlijst vermeld:

  • a. vakken waarvoor de examenkandidaat is vrijgesteld op grond van de artikelen 3.64 of 4.5, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
  • b. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het staatsexamen vmbo theoretische leerweg of staatsexamen vmbo gemengde leerweg is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen of staatsexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg of eindexamen of staatsexamen basisberoepsgerichte leerweg waarvan deze vakken of de overeenkomstige vakken, bedoeld in de artikelen 2.18 of 2.27, deel uitmaakten, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
  • c. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, zonder vermelding van een cijfer.
Artikel 4.29. Diploma staatsexamen
1.

Op elk diploma voor het staatsexamen wordt het profiel of de profielen vermeld die bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken.

2.

Het college ondertekent het diploma.

Artikel 4.30. Judicium cum laude staatsexamen vwo en havo
1.

Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vwo met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
  • 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en
  • 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld;
  • b. ten minste het eindcijfer 7 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.20; en
  • c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.
2.

Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen havo met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
  • 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en
  • 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld;
  • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.20; en
  • c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.
Artikel 4.31. Judicium cum laude staatsexamen vmbo
1.

Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vmbo theoretische leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
  • 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel, en
  • 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld,
  • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.21, en
  • c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.
2.

Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg of kaderberoepsgerichte leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van:
  • 1°. de eindcijfers voor het profielvak en de twee algemene vakken van het profieldeel, en
  • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.21, en
  • c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.
3.

Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vmbo gemengde leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
  • 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel;
  • b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.21.
Artikel 4.32. Certificaat indien geen diploma wordt uitgereikt
1.

Op het certificaat, bedoeld in artikel 2.80, tweede lid, onderdeel b, van de wet worden vermeld:

  • a. het vak of de vakken waarvoor de kandidaat een eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;
  • b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo;
  • c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo, voor zover beoordeeld met «goed» of «voldoende».
2.

Het college ondertekent het certificaat.

Artikel 4.33. Duplicaten, afgifte verklaringen en vervangende opleidingsdocumenten
1.

Van een afgegeven diploma, certificaat, bewijs van ontheffing of cijferlijst worden geen duplicaat verstrekt.

2.

Onze Minister kan een schriftelijke verklaring verstrekken dat een document als bedoeld in het eerste lid is afgegeven. Deze verklaring heeft dezelfde waarde als dat document zelf.

3.

Onze Minister kan een document ter vervanging van een diploma, certificaat of cijferlijst verstrekken indien op grond van artikel 4, vierde lid, artikel 7, eerste lid, of artikel 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of ten gevolge van het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, de voornaam respectievelijk de geslachtsnaam van de examenkandidaat is gewijzigd.

Paragraaf 7. Specifieke voorzieningen staatsexamen

Artikel 4.34. Afwijkende wijze van examineren bij handicap of ziekte
1.

Het college kan toestaan dat een examenkandidaat op grond van zijn handicap of ziekte het staatsexamen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die examenkandidaat.

2.

Het college bepaalt de wijze waarop het staatsexamen door de examenkandidaat wordt afgelegd, met dien verstande dat aan de overige bepalingen in dit besluit wordt voldaan.

3.

Tenzij sprake is van een objectief waarneembare lichamelijke handicap, geldt voor de aangepaste wijze van examineren, bedoeld in het eerste lid, dat:

  • a. een deskundigenverklaring voorligt die door een ter zake kundige psycholoog, orthopedagoog, neuroloog of psychiater is opgesteld;
  • b. de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in elk geval kan bestaan uit een verlenging van de duur van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten; en
  • c. een andere aanpassing slechts kan worden toegestaan voor zover daartoe in de onder a genoemde deskundigenverklaring over betrokkene een voorstel wordt gedaan of indien de aanpassing aantoonbaar aansluit bij de begeleidingsadviezen, vermeld in die deskundigenverklaring.
4.

Het college doet van elke afwijking op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.

Artikel 4.35. Afwijkende wijze van examineren bij onvoldoende beheersing Nederlandse taal
1.

Het college kan toestaan dat voor examenkandidaat op grond van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal wordt afgeweken van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, indien de examenkandidaat met inbegrip van het jaar waarin hij staatsexamen of deelstaatsexamen aflegt, ten hoogste zes jaar onderwijs in Nederland heeft gevolgd en niet het Nederlands als moedertaal heeft.

2.

De afwijking, bedoeld in het eerste lid, kan betrekking hebben op:

  • a. het vak Nederlandse taal en literatuur;
  • b. enig ander vak waarbij het gebruik van de Nederlandse taal van overwegende betekenis is.
3.

De afwijking, bedoeld in het eerste lid, bestaat voor het centraal examen uit een verlenging van de duur van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten, en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek van de Nederlandse taal.

4.

Het college doet van elke afwijking op grond van dit artikel mededeling aan de inspectie.

Paragraaf 8. Maatregelen in geval van onregelmatigheden

Artikel 4.36. Maatregelen in geval van onregelmatigheden
1.

De maatregelen, bedoeld in artikel 2.82, eerste lid, van de wet, die het college jegens een examenkandidaat kan nemen, zijn:

  • a. het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het college-examen of het centraal examen;
  • b. het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het college-examen of het centraal examen van dat vak;
  • c. het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het al afgelegde deel van het college-examen of het centraal examen;
  • d. minder vergaande maatregelen dan die, bedoeld onderdelen a tot en met c.
2.

De maatregelen kunnen afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid afzonderlijk of in combinatie met elkaar genomen worden.

3.

De ontzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten aanzien van een examenkandidaat die in meer dan een vak eindexamen aflegt, kan betrekking hebben op alle toetsen.

4.

Indien de onregelmatigheid pas wordt ontdekt na afloop van het examen, kan het college de examenkandidaat het diploma, bedoeld in artikel 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de wet, het certificaat, bedoeld in artikel 2.80, tweede lid, onderdeel b, van de wet, of de cijferlijst onthouden, of kan bepalen dat aan de betrokken examenkandidaat dat diploma of certificaat, of die cijferlijst, alleen kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in de door het college aan te wijzen onderdelen en op de door deze te bepalen wijze.

5.

Het college zendt het besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt genomen aan de examenkandidaat en zijn wettelijke vertegenwoordigers, en in afschrift aan de inspectie.

Artikel 4.37. Beslissing op bezwaar bij onregelmatigheden
1.

Het college stelt bij zijn beslissing op een bezwaarschrift tegen een maatregel als bedoeld in artikel 4.36 zo nodig vast op welke wijze de examenkandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het staatsexamen geheel of gedeeltelijk af te leggen of opnieuw af te leggen.

2.

Het college zendt zijn beslissing op het bezwaar in afschrift aan de wettelijke vertegenwoordigers indien de examenkandidaat minderjarig is en aan de inspectie.

Paragraaf 9. Gegevensverstrekking en bewaren examenwerk

Artikel 4.38. Gegevensverstrekking
1.

Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de definitieve uitslag zendt het college aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor een examenkandidaat die niet is geslaagd voor het staatsexamen, voor zover van toepassing, vermeldt:

  • a. de vakken waarin examen is afgelegd;
  • b. de cijfers van het college-examen;
  • c. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk vwo of havo betrekking heeft;
  • d. de beoordeling en het thema van het profielwerkstuk vmbo;
  • e. de cijfers van het centraal examen;
  • f. de eindcijfers;
  • g. de uitslag van het staatsexamen.
2.

Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de definitieve uitslag zendt het college aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor een examenkandidaat die is geslaagd voor het staatsexamen, voor zover van toepassing, vermeldt:

  • a. het profiel of de profielen waarop het examen betrekking heeft;
  • b. de vakken die zijn vermeld op de cijferlijst;
  • c. de cijfers van het college-examen of het schoolexamen;
  • d. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk vwo of havo betrekking heeft;
  • e. de beoordeling en het thema van het profielwerkstuk vmbo;
  • f. de cijfers van het centraal examen;
  • g. de eindcijfers;
  • h. de vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, met voor zover van toepassing de cijfers voor die vakken;
  • i. de uitslag van het staatsexamen.
3.

Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de eindcijfers van de examenkandidaten die deelstaatsexamen hebben afgelegd, zendt het college aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor een examenkandidaat vermeldt:

  • a. de vakken die zijn vermeld op de cijferlijst;
  • b. de cijfers van het college-examen;
  • c. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk vwo of havo betrekking heeft;
  • d. de beoordeling en het thema van het profielwerkstuk vmbo;
  • e. de cijfers van het centraal examen;
  • f. de eindcijfers.
Artikel 4.39. Bewaren examenwerk
1.

Het schriftelijke werk van de examenkandidaat wordt gedurende ten minste zes maanden na afloop van het examen bewaard op een door het college te bepalen wijze. Een examenkandidaat die voor een vak centraal examen aflegt met geheime opgaven kan over zijn werk gedurende genoemde periode van zes maanden inlichtingen inwinnen bij het college. De andere examenkandidaten kunnen gedurende die periode hun schriftelijk werk inzien.

2.

Een door het college ondertekend exemplaar van de lijst, bedoeld in artikel 4.38, eerste, tweede en derde lid, en de door de examenkandidaat overgelegde documenten, worden gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag in het archief van het college bewaard.

3.

Het college draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de centrale examens gebruikte opgaven gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in het archief van het college.

Hoofdstuk 5. Specifieke bepalingen voorzieningenplanning vmbo

Artikel 5.1. Bekostiging gemengde leerweg
1.

Onderwijs in de gemengde leerweg aan een hoofdvestiging of een nevenvestiging van een school voor vbo wordt op grond van artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de wet, voor bekostiging in aanmerking gebracht, indien het bevoegd gezag van dat onderwijs met het bevoegd gezag van een school voor mavo een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten voor de uitwisseling van expertise, de leerlingbegeleiding en de examinering.

2.

Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op onderwijs in de gemengde leerweg aan een hoofdvestiging of een nevenvestiging van een school voor mavo.

Hoofdstuk 6. Bekostiging en verantwoording

Paragraaf 1. Vaststelling omvang bekostiging

Artikel 6.1. Bekostiging school of scholengemeenschap
1.

Een vestiging van een school of scholengemeenschap komt in aanmerking voor het bedrag, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a, van de wet indien:

  • b. bij die vestiging op de teldatum ten minste 130 leerlingen of, indien sprake is van een vestiging waaraan uitsluitend praktijkonderwijs wordt verzorgd, 60 leerlingen, staan ingeschreven.
2.

Bij het bepalen van het bedrag per vestiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt onderscheid gemaakt tussen een bedrag voor de hoofdvestiging van een school of scholengemeenschap en een bedrag voor een nevenvestiging.

3.

Bij het bepalen van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • a. leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo; en
  • b. leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo.
4.

Een hoofd- of nevenvestiging van een scholengemeenschap komt in aanmerking voor aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 5.9, derde lid, van de wet, indien aan die vestiging onderwijs wordt verzorgd in alle leerjaren van het vwo, havo, mavo en vbo. De hoogte van deze aanvullende bekostiging wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

Artikel 6.2. Vaststellen van de bekostiging
1.

Onze Minister stelt jaarlijks voor elke school of scholengemeenschap de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 5.6 van de wet vast.

2.

Onze Minister stelt voor elke school of scholengemeenschap die daarvoor in aanmerking komt het bedrag van de aanvullende bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.10 vast.

3.

De bekostiging bedoeld in het eerste lid komt tot stand door het aantal vestigingen, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, en het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 8, te vermenigvuldigen met de bedragen per vestiging en per leerling, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de wet, waarbij de uitkomst van deze vermenigvuldigingen bij elkaar wordt opgeteld.

Artikel 6.3. Aanvang bekostiging; startbekostiging
1.

Het Rijk verstrekt de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet, met ingang van de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond hoofdstuk 4 van de wet een aanvang neemt.

2.

Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag een door hem te bepalen deel van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet, verstrekken gedurende een periode van ten hoogste vier maanden voorafgaand aan de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van hoofdstuk 4 van de wet een aanvang neemt.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld en verstrekt.

Artikel 6.4. Vermindering bekostiging in verband met verrekening kosten werkloosheidsuitkeringen en suppleties arbeidsongeschiktheid
1.

Onze Minister brengt op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.32 van de wetvoor een school voor een kalenderjaar een bedrag in mindering volgens de volgende formule:

(PI/PL) x (A + B + C + D)

In deze formule wordt verstaan onder:

PI: de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4 van de wet van de desbetreffende school voor het desbetreffende kalenderjaar;

PL: de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4 van de wet, van alle scholen voor het desbetreffende kalenderjaar;

A: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;

B: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, heeft ingestemd op grond van artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen;

C: een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij ten aanzien van de verschillende soorten uitkeringen verschillende percentages kunnen worden vastgesteld;

D: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een school die de taken beëindigt, anders dan op grond van een samenvoeging, een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 3.33 van de wet, of een splitsing, indien het bevoegd gezag van deze school niet tevens een andere school onder zijn bestuur heeft.

2.

Onze Minister brengt tevens op de bekostiging van een school of samenwerkingsverband voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:

  • b. een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school of samenwerkingsverband voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij het percentage bedoeld in het eerste lid, onder c, en het in dit onderdeel bedoelde percentage samen 100 bedraagt.
3.

De uitkomsten van de in het eerste en tweede lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op hele eurocenten.

4.

Indien een school is opgeheven, wordt het desbetreffende bevoegd gezag belast indien deze nog ten minste één andere school onder zijn bestuur heeft.

5.

Over het moment en de wijze van in mindering brengen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven.

6.

Het tweede lid is niet van toepassing op een school binnen een verticale scholengemeenschap.

Artikel 6.5. Bekostiging scholen voortgezet onderwijs in verticale scholengemeenschappen

In afwijking van artikel 6.1, tweede lid, wordt er voor een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap in het bedrag per vestiging geen onderscheid gemaakt tussen de hoofdvestiging en een nevenvestiging. De hoofdvestiging van de school of scholengemeenschap die voldoet aan artikel 6.1, eerste lid, komt in aanmerking voor het op grond van artikel 6.1, tweede lid, vastgestelde bedrag voor een nevenvestiging.

Artikel 6.6. Toepassing op cursussen

Onze Minister bepaalt de wijze waarop de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet en de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van toepassing zijn op een cursus als bedoeld in artikel 4.28 van de wet, verbonden aan een school of scholengemeenschap, in verband met de aard, inhoud, omvang of duur van de cursus.

Paragraaf 2. Leerlingentelling

Artikel 6.7. Leerlingentelling
1.

Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de wet worden, onverminderd de artikelen 2.45, 6.8, 6.9, 6.10 en 8.13, de leerlingen meegeteld die op de teldatum:

  • a. op die school als werkelijk schoolgaand staan ingeschreven, of
  • b. in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen tijdelijk buiten de school waar zij staan ingeschreven zijn geplaatst.
2.

Een leerling telt voor één school mee voor de bekostiging.

Artikel 6.8. Leerlingen die niet worden meegeteld
1.

Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging van een school of scholengemeenschap worden niet meegeteld de leerlingen die:

  • a. vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd;
  • b. al met goed gevolg eindexamen aan een school voor vwo, havo, mavo of vbo hebben afgelegd en zich voorbereiden op het opnieuw afleggen van het eindexamen aan een gelijksoortige school, met dien verstande dat het afleggen van het eindexamen in een bepaalde leerweg van het vmbo door een leerling die al met goed gevolg het eindexamen heeft afgelegd van een andere leerweg van het vmbo niet wordt aangemerkt als het opnieuw afleggen van het eindexamen aan een gelijksoortige school;
2.

Als geldige reden voor verzuim als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt:

  • a. ten aanzien van een leerplichtige leerling: een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de LPW of de LPW BES;
  • b. ten aanzien van een niet-leerplichtige leerling: dezelfde gronden als die welke leiden tot vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in onderdeel a.
Artikel 6.9. Telling leerlingen in leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs
1.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6.7, 6.8 en 6.10, wordt een leerling meegeteld voor de aanvullende bekostiging voor leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van de wet, indien:

  • a. het samenwerkingsverband voor de teldatum heeft bepaald dat:
  • 1°. de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs; of
  • 2°. de leerling is toelaatbaar tot het praktijkonderwijs; of
2.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6.7, 6.8 en 6.10 wordt een leerling in het praktijkonderwijs meegeteld voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, van de wet, indien:

  • a. het samenwerkingsverband voor de teldatum heeft bepaald dat de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs; of
Artikel 6.10. Telling leerlingen binnen samenwerkingsovereenkomst VO-BVE
1.

Leerlingen als bedoeld in de artikelen 2.57 en 2.59 worden aangemerkt als leerlingen die op de teldatum als werkelijk schoolgaand op de school zijn ingeschreven, als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid. Artikel 6.8, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, is op deze leerlingen van overeenkomstige toepassing.

2.

In afwijking van het eerste lid, tellen leerlingen die zijn afgewezen voor een eindexamen als bedoeld in artikel 2.51 van de wet en aansluitend op grond van artikel 2.58 voor een of meer vakken vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, op de teldatum voor 50% mee.

3.

In afwijking van het eerste lid en van artikel 6.8, eerste lid, onderdeel b, tellen leerlingen die op grond van artikel 2.58, derde lid, voor een of meer vakken vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, op de teldatum voor 50% mee.

Paragraaf 2. Leerlingentelling

Artikel 6.11. Betaalritme en in mindering brengen bedragen
1.

Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van de bekostiging, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, waarop het over dat jaar recht heeft.

2.

Onze Minister kan op de in artikel 6.2, eerste lid, bedoelde bekostiging de verwachte bedragen als bedoeld in artikel 5.34, vijfde lid, van de wet in mindering brengen.

3.

De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, wordt in een keer betaald dan wel wordt betaald volgens een bij ministeriële regeling te bepalen betaalritme.

Artikel 6.12. Terugmelding gegevens aantal leerlingen op de teldatum; accountantscontrole
1.

Voor de vaststelling van de bekostiging zendt Onze Minister jaarlijks voor 15 januari volgend op de teldatum aan het bevoegd gezag overzichten van de gegevens, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, derde lid, en 8, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging voor het daarop volgende kalenderjaar in aanmerking wordt genomen.

2.

Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister voor het daaropvolgende schooljaar:

  • b. indien de in onderdeel a bedoelde gegevens naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens; en
  • c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b.
3.

Bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld:

  • a. een model voor de verklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en c; en
  • b. een leidraad voor de controle door de accountant, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
4.

Indien Onze Minister voor 1 juli in enig jaar aanvullende bekostiging heeft vastgesteld, dient het bevoegd gezag voor die datum bij Onze Minister een verklaring in over de juistheid van de respectievelijk voor de vaststelling van de aanvullende bekostiging aan Onze Minister gemelde gegevens. Het tweede lid, onderdelen b en c, en het derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.13. Bekendmaking en latere wijziging bekostiging
1.

Onze Minister maakt het bedrag voor de bekostiging, bedoeld in artikel 5.6 en 5.9 van de wet, bekend voorafgaand aan het kalenderjaar waarop dit betrekking heeft.

2.

Indien de verklaring, bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onderdeel c, van de accountant daartoe aanleiding geeft, wijzigt Onze Minister de bekostiging of aanvullende bekostiging.

3.

Onze Minister kan de bekostiging wijzigen wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Artikel 6.14. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling verminderingen
1.

Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen op de bekostiging, bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de bekostiging.

2.

De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt zo snel mogelijk na afloop van het desbetreffende kalenderjaar plaats.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het in mindering brengen van bekostiging.

Artikel 6.15. Afwijking wegens bijzondere inrichting onderwijs

Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap met een bijzondere inrichting van het onderwijs besluiten dat wordt afgeweken van de artikelen 6.1 tot en met 6.14.

Paragraaf 4. Boekhouding, financieel beheer en financiële controle

Artikel 6.16. Boekhouding
1.

De boekhouding van een niet door een gemeente in stand gehouden school is zodanig ingericht dat op doelmatige wijze informatie kan worden verkregen over het gevoerde financiële beheer.

2.

Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6.17. Verstrekking nadere financiële informatie aan minister
1.

Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van Onze Minister nadere financiële informatie met betrekking tot de school.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de financiële informatie wordt verstrekt.

Artikel 6.18. Vaststelling begroting
1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks tijdig voor het komende begrotingsjaar een begroting vast voor de school.

2.

De begroting bevat een raming van de baten en lasten van de school en is sluitend. De in de begroting voorziene baten uit de van het Rijk te ontvangen bekostiging komen overeen met de voor het desbetreffende jaar door Onze Minister vastgestelde bekostiging.

3.

Het bevoegd gezag doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de begroting.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)