Besluit van 14 oktober 2021, houdende nadere regels over de inrichting, examinering en bekostiging van en deelname aan het voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit WVO 2020)
Af- en overschrijving op de uitgavenposten van de begroting kunnen door het bevoegd gezag geschieden overeenkomstig door het bevoegd gezag vastgestelde regels.
Het bevoegd gezag zendt Onze Minister op diens verzoek de vastgestelde begroting.
Bij ministeriële regeling kan een model voor de inrichting van de begroting worden vastgesteld.
Artikel 6.19. Jaarverslag
Het jaarverslag, bedoeld in artikel 5.46 van de wet, wordt ingericht overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels.
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks ten behoeve van de school een jaarverslag vast over het afgelopen jaar.
In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financieel beheer. Uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een rechtmatige aanwending van de rijksbekostiging. De jaarrekening omvat ook de gegevens die van belang zijn voor de verantwoording met betrekking tot de besteding van toegekende aanvullende bekostiging.
Het bevoegd gezag zendt het vastgestelde jaarverslag voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar aan Onze Minister. Het jaarverslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat aan Onze Minister op diens verzoek inzage wordt geboden in de controlerapporten en de controledossiers van de accountant.
Indien het bevoegd gezag meer dan één school in stand houdt, wordt voor deze scholen een gezamenlijke balans en een gezamenlijke exploitatierekening vastgesteld. Bij de jaarrekening is een bijlage gevoegd die inzicht biedt in het bestedingspatroon voor de afzonderlijke scholen van het bevoegd gezag.
Bij ministeriële regeling wordt een model voor de inrichting van de jaarrekening vastgesteld.
Bij ministeriële regeling kan een leidraad worden vastgesteld over de inrichting en de uitvoering van de controle door de accountant.
Artikel 6.20. Vermelding aanvullende bekostiging in jaarrekening
Indien aan het bevoegd gezag van een school een aanvullende bekostiging is verstrekt onder de voorwaarde dat deze bekostiging voor het bij de verstrekking aangegeven doel wordt besteed, blijkt uit de jaarrekening van de school in hoeverre deze bekostiging voor dat doel is besteed.
Indien verrekening plaatsvindt of zal plaatsvinden van het daadwerkelijk bestede bedrag met de vastgestelde aanvullende bekostiging, maakt het bevoegd gezag in de desbetreffende jaarrekening melding van het daadwerkelijk bestede bedrag.
Artikel 6.21. Onderzoek minister en correctie bekostiging
Onverminderd de bevoegdheid van de inspectie op grond van de WOT kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar:
- a. de jaarverslaggeving;
- b. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging;
- c. de rechtmatigheid van de bestedingen;
- d. de doelmatigheid van het financiële beheer van de school.
Onze Minister kan besluiten tot het aanbrengen van correcties op de bekostiging indien uit een onderzoek als bedoeld in het eerste lid blijkt dat de bekostiging van een school onjuist is vastgesteld. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.
Onverminderd artikel 4:49 Awb, kan Onze Minister besluiten dat een gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, indien uit het jaarverslag, bedoeld in artikel 5.46, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 5.46, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend.
Artikel 6.22. Betaling correcties
Onze Minister betaalt een correctie als bedoeld in artikel 6.21, tweede lid, die strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de bekendmaking van de mededeling, bedoeld in artikel 6.21, tweede lid.
Paragraaf 5. Informatie voor bekostiging
Artikel 6.23. Beschrijving van gegevens voor berekening bekostiging en de juistheid daarvan
De gegevens, bedoeld in de artikel 5.48, eerste lid, van de wet, waarover een bevoegd gezag of een samenwerkingsverband beschikt, worden gedefinieerd en geordend volgens de regels vermeld in bijlage 3.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gegevens die betrekking hebben op verstrekte aanvullende bekostiging en de wijze waarop deze gegevens worden gedefinieerd, geordend en beschikbaar gesteld.
In de ministeriële regeling wordt geregeld welke gevraagde gegevens van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging.
Artikel 6.24. Aanvullende vragenlijst over bekostiging
Bij ministeriële regeling kan in spoedeisende gevallen een aanvullende vragenlijst over de bekostiging worden vastgesteld ter beantwoording door het bevoegd gezag.
Artikel 6.25. Verzoek om beschikbaarstelling gegevens
Onze Minister kan bij het verzoek om beschikbaarstelling van gegevens als bedoeld in artikel 5.48, eerste lid, van de wet bij hem bekende gegevens opnemen.
Paragraaf 6. Samenvoeging, afsplitsing en opheffing scholen en beëindiging bekostiging
Artikel 6.26. Afwijking leerlingentelling bij aanvang of beëindiging bekostiging
In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de op die afwijkende datum getelde leerlingen toerekenen aan de nieuwe scholen. Hij kan daarbij nadere voorschriften geven.
Onze Minister kan in verband met de aanvang of beëindiging van de bekostiging van een school, van een scholengemeenschap of van een profiel aan een school voor vbo afwijken van de artikelen 6.7 en 6.8.
Artikel 6.27. Dóórlopen bekostiging in geval van samenvoeging of afsplitsing per 1 augustus
Bij samenvoeging van scholen als bedoeld in artikel 4.10 van de wet, op 1 augustus van enig kalenderjaar, wordt de bekostiging op grond van artikel 5.4 van de wet, en de aanvullende bekostiging van alle bij de samenvoeging betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van dat kalenderjaar.
Bij afsplitsing van een of meer scholen van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de wet, op 1 augustus van enig kalenderjaar, wordt de bekostiging op grond van artikel 5.4 van de wet, en de aanvullende bekostiging van de bij de afsplitsing betrokken scholengemeenschap gehandhaafd tot het einde van dat kalenderjaar.
Artikel 6.28. Opheffing van een school
Het bevoegd gezag doet binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de school daarvan mededeling aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de inspectie, en indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school is gelegen.
Artikel 6.29. Verrekening exploitatie-overschot bij opheffing school
Indien een school wordt opgeheven anders dan in verband met samenvoeging met een andere school of de aanspraak op bekostiging voor een school verloren gaat, stort het bevoegd gezag het exploitatie-overschot, bedoeld in artikel 5.37 van de wet, terug in ’s Rijks kas. Het neemt daarbij het derde lid in acht.
Het exploitatie-overschot is de som van:
- a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in artikel 5.32 van de wet, verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt;
- b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten; en
- c. voor zover het gaat om een bijzondere school, de niet bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake de gemeentelijke overschrijding.
Indien het exploitatie-overschot van een bijzondere school ook is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, geldt als maatstaf voor de verdeling van dat deel van het exploitatie-overschot tussen het Rijk en de gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan overschrijdingsuitkeringen van de gemeente in een periode van vijf jaren, voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Paragraaf 6. Samenvoeging, afsplitsing en opheffing scholen en beëindiging bekostiging
Artikel 6.30. Periode bepalen meer dan gemiddelde toename door samenwerkingsverband
Het samenwerkingsverband neemt in het ondersteuningsplan een datum op wanneer wordt vastgesteld of sprake is van een meer dan gemiddelde toename van het aantal ingeschreven leerlingen, bedoeld in artikel 2.47, negende lid, onderdeel g, van de wet. Deze vaststelling vindt in ieder geval plaats in de periode tussen 1 februari en 1 juni.
Indien een meer dan gemiddelde toename, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld, draagt het samenwerkingsverband voor het aantal leerlingen dat na 1 februari toelaatbaar is verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs per leerling een bedrag over aan de school waar de leerling is ingeschreven.
Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
De overdracht, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de teldatum.
Artikel 6.31. Berekening bekostiging samenwerkingsverbanden voor regionale ondersteuning
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/4.
Artikel 6.32. Van overeenkomstige toepassing
Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
Hoofdstuk 7. Dit hoofdstuk treedt niet meer in werking. Het hoofdstuk is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Artikel 7.1. Nadere specificatie gegevens in lerarenregister en registervoorportaal
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Artikel 7.2. Nadere regels gegevens lerarenregister en registervoorportaal
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Artikel 7.3. Aanvullende gegevensverstrekking uit lerarenregister en registervoorportaal aan eenieder
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Artikel 7.4. Nadere specificatie gegevensverstrekking uit lerarenregister en registervoorportaal
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Hoofdstuk 7. Dit hoofdstuk treedt niet meer in werking. Het hoofdstuk is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Paragraaf 1. Toelating en voorwaardelijke bevordering
Artikel 8.1. Toelaatbaarheid leerling van andere school tot het eerste leerjaar
De gevallen, bedoeld in artikel 8.5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, waarin het bevoegd gezag een kandidaat-leerling mag toelaten die afkomstig is van een andere school, zijn opgenomen in het tweede tot en met vierde lid van dit artikel.
Het bevoegd gezag van een school voor vwo of voor havo kan tot het eerste leerjaar van die school toelaten:
- a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor vwo of voor havo is toegelaten; of
- b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor mavo gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven tot toelating tot vwo of havo.
Het bevoegd gezag van een school voor mavo kan tot het eerste leerjaar van die school toelaten:
- a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor mavo of tot het eerste leerjaar van een school voor vwo of voor havo is toegelaten; of
- b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor vbo gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven tot toelating tot mavo.
Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan tot het eerste leerjaar van die school toelaten de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school is toegelaten, ongeacht de schoolsoort.
Artikel 8.2. Toelatingscommissie
Het bevoegd gezag kan zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, van de wet, om te beslissen over de toelating van een leerling tot de school, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitoefenen door een door hem in te stellen toelatingscommissie.
Het bevoegd gezag stelt regels over de omvang, samenstelling en werkzaamheden van de toelatingscommissie en kan nadere regels stellen over de bevoegdheidsuitoefening van de toelatingscommissie.
Artikel 8.3. Toelating eerste leerjaar in specifieke gevallen
Indien voor een kandidaat-leerling geen definitief schooladvies als bedoeld in artikel 8.6, tweede lid, van de wet is vastgesteld, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op een doorstroomtoets als bedoeld in artikel 45b, derde lid, WPO, artikel 48c, derde lid, WEC of artikel 51b, eerste lid, WPO BES. Indien de leerling geen doorstroomtoets heeft afgelegd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing tot toelating op een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling.
Het bevoegd gezag van een school met een bijzondere inrichting waarvoor specifieke kennis of vaardigheden van de kandidaat-leerling noodzakelijk zijn, kan een onderzoek naar die specifieke kennis of vaardigheden bij de kandidaat-leerling afnemen.
Artikel 8.4. Toelatingsprocedure eerste leerjaar
Het bevoegd gezag stelt een procedure op voor de toelating van leerlingen tot het eerste leerjaar en zendt de procedure aan de inspectie.
Artikel 8.5. Verslag over toelating
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een verslag op over de middelen die het heeft toegepast voor de toelating van leerlingen tot het eerste leerjaar en over de daarmee opgedane ervaringen en zendt het verslag jaarlijks binnen zes maanden na de toelating aan de inspectie.
Artikel 8.6. Melding toelating en studieresultaten
Het bevoegd gezag stelt de directeur van de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs, de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in kennis van:
- a. de beslissing over de toelating; en
- b. indien de directeur dit verzoekt, de studieresultaten van de leerling na afloop van het eerste leerjaar.
Artikel 8.7. Toelating gelijksoortige school
Bij toelating plaatst het bevoegd gezag de leerling, die van een gelijksoortige school afkomstig is, in het leerjaar waarin die leerling op die andere school onderwijs had mogen volgen.
Artikel 8.8. Voorwaardelijke bevordering
Het bevoegd gezag vermeldt een voorwaardelijke bevordering op het eindrapport.
Het bevoegd gezag doet ook schriftelijk mededeling van de voorwaardelijke bevordering aan de ouders van de betrokken leerling, waarbij worden vermeld:
- a. de datum tussen 1 oktober en 1 januari daaropvolgend waarop definitief over de overgang zal worden beslist; en
- b. de voorwaarden voor bevordering.
Bevordering tot het hoogste leerjaar gebeurt niet voorwaardelijk.
Artikel 8.9. Doorstroom naar havo
Een leerling die in het bezit is van een diploma vmbo in de theoretische leerweg kan de toelating tot het vierde leerjaar van een school voor havo worden geweigerd, indien het eindexamen dat heeft geleid tot zijn diploma geen van de volgende vakken als extra vak omvat:
- a. de vakken, genoemd in artikel 2.16;
- b. de vakken, genoemd in artikel 2.17, onderdeel b;
- c. de vakken, genoemd in artikelen 2.6 en 2.7, met uitzondering van de vakken genoemd in artikel 2.7, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, en onderdeel d; of
- d. de vakken, genoemd in artikelen 2.11 en 2.12, met uitzondering van de vakken, genoemd in artikel 2.12, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, en onderdeel d.
Een leerling die in het bezit is van een diploma vmbo in de gemengde leerweg kan de toelating tot het vierde leerjaar van een school voor havo worden geweigerd, indien het eindexamen dat heeft geleid tot zijn diploma geen van de volgende vakken als extra vak omvat:
- a. de vakken, genoemd in artikel 2.25, tweede lid;
- b. de vakken, genoemd in artikel 2.26, onderdeel c; of
- c. de vakken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d.
Paragraaf 2. Leerlingenadministratie
Artikel 8.10. Inhoud leerlingenadministratie
Het bevoegd gezag draagt zorg voor:
- a. een overzichtelijke administratie van de inschrijving van leerlingen;
- b. de beschikbaarheid van een bewijs van de uitschrijving en van de gegevens over het verzuim van leerlingen; en
- c. de beschikbaarheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging.
De gegevens van de leerling die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, worden nadat de leerling is uitgeschreven ten minste vijf jaar bewaard.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.
Artikel 8.11. Inschrijving leerlingen
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Les- en cursusgeldwet, schrijft het bevoegd gezag van een school een leerling slechts in na een beslissing van het bevoegd gezag tot toelating van de leerling, of indien de leerling tijdelijk op de school wordt geplaatst op grond van artikel 8.13 van de wet.
Het bevoegd gezag schrijft de leerling in met ingang van:
- a. de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt; of
- b. 1 augustus van het schooljaar, indien de leerling de school voor het eerst op de eerste schooldag van het schooljaar bezoekt.
Artikel 8.12. Nadere regels verwijdering
Het bevoegd gezag maakt bij beslissingen tot verwijdering van leerlingen op de grond dat deze niet zijn bevorderd tot het zesde leerjaar van het vwo dan wel het vijfde leerjaar van het havo, geen onderscheid tussen leerlingen op basis van de schoolsoort of leerweg waarvoor zij eerder stonden ingeschreven.
Een leerling wordt op grond van onvoldoende vorderingen niet in de loop van een schooljaar verwijderd.
Artikel 8.13. Uitschrijving leerlingen
Het bevoegd gezag schrijft de leerling uit met ingang van:
- a. 31 juli van het schooljaar, indien de leerling de school op de laatste schooldag van dat schooljaar heeft bezocht; of
- b. de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht.
Indien het bevoegd gezag van een school waarop de leerling stond ingeschreven, binnen vier weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht uit het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers, een melding ontvangt van de inschrijving van de leerling op een andere school of een school voor ander onderwijs, wijzigt het bevoegd gezag de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de dag van inschrijving op die andere school of die school voor ander onderwijs.
Paragraaf 2. Leerlingenadministratie
Artikel 8.14. Melding en vaststelling langdurige afwezigheid in verband met WTOS
Een ziekte als bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet kan alleen worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts.
Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid zonder geldige reden van vier weken van een leerling als bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet, aan deze leerling dat van die afwezigheid in de leerlingenadministratie van de school aantekening is gemaakt en verzoekt de leerling om opgaaf van de reden van de afwezigheid. Het bevoegd gezag doet daarbij mededeling van de levering van de gegevens van de leerling, bedoeld in artikel 8.20, eerste lid, van de wet.
Het bevoegd gezag stelt uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van een periode van acht weken na de aanvang van de afwezigheid vast:
- a. of de reden die de leerling tijdens deze acht weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is; of
- b. dat de leerling tijdens deze acht weken geen reden heeft opgegeven voor die afwezigheid; en
- c. of de leerling tijdens deze acht weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
De melding, bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet, vindt plaats uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van acht weken, bedoeld in het tweede lid. Indien die leerling tijdens deze acht weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, meldt het bevoegd gezag Onze Minister ook de datum daarvan.
De periode van vijf weken, bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet, en de periode van acht weken, bedoeld in het tweede lid, worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs wordt gegeven. Vakantieweken worden niet als onderbreking van de periode gezien.
Hoofdstuk 9. Caribisch Nederland
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 9.1. Reikwijdte hoofdstuk 9
Dit hoofdstuk is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Paragraaf 3. Melding en vaststelling langdurige afwezigheid in verband met WTOS
Artikel 9.2. Afwijkingen in het talenonderwijs
In de artikelen 2.3, 2.4 en 2.33 wordt voor «Duitse taal» telkens gelezen «Spaanse taal» en wordt voor «Spaanse taal» telkens gelezen «Papiaments, Duitse taal».
In de artikelen 2.5, eerste lid, 2.6, derde lid, en 2.11, derde en vierde lid, wordt voor «Franse taal en literatuur» telkens gelezen «Papiaments, Franse taal en literatuur».
In aanvulling op de artikelen 2.17 en 2.26 kan het vrije deel van de theoretische leerweg en van de gemengde leerweg ook het vak Papiaments omvatten.
In aanvulling op artikel 2.23 kan het bevoegd gezag de leerling in een beroepsgerichte leerweg in de gelegenheid stellen om Papiaments als extra vak te volgen.
In aanvulling op de artikelen 2.7, onderdeel b, en 2.12, onderdeel b, kunnen ook Papiaments (elementair) en Duitse taal en literatuur (elementair) deel uitmaken van het vrije deel van een profiel in vwo en havo, voor zover deze taal niet al eerder is gevolgd of niet al deel uitmaakt van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt, met een normatieve studielast van 480 uur.
Artikel 9.3. Maatschappelijke stage
Artikel 2.41 is niet van toepassing.
Artikel 9.4. Toepassing hoofdstuk 2, paragraaf 8
In artikel 2.42, eerste lid, onderdeel d, wordt voor «Bevrijdingsdag» gelezen «Koninkrijksdag».
Artikel 2.45 is niet van toepassing.
Artikel 9.5. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Hoofdstuk 2, paragraaf 9, is niet van toepassing.
Artikel 9.6. Indicatoren beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs
Hoofdstuk 2, paragraaf 10, is niet van toepassing.
Artikel 9.7. Samenwerking
Het bevoegd gezag kan bij een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.56 afwijken van artikel 2.57, tweede lid, als het gaat om het geven van vakken of onderdelen van het profieldeel of het vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen.
De artikelen 2.59 en 2.60 zijn niet van toepassing.
Artikel 9.8. Gebruik burgerservicenummer door bevoegd gezag
Artikel 2.70 is niet van toepassing.
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 9.9. Afwijkingen vakken eindexamen
De artikelen 3.4, tweede lid, 3.5, derde lid, onderdeel b, en 3.6, derde lid, onderdeel b, zijn niet van toepassing.
In artikel 3.8, derde lid, wordt voor «Duitse taal» gelezen «Spaanse taal» en wordt voor «het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel» gelezen «Arabische taal, Turkse taal, Duitse taal, Papiaments, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde».
Artikel 9.10. Maatschappelijke stage als onderdeel eindexamen
Artikel 3.10 is niet van toepassing.
Artikel 9.11. Aanwijzing gecommitteerden door Minister
In afwijking van de artikelen 3.22 en 3.23 wijst Onze Minister voor elke school de gecommitteerden aan en maakt deze aanwijzing bekend aan de scholen waarvoor zij de tweede correctie verrichten.
In afwijking van het eerste lid wijst Onze Minister geen gecommitteerden aan voor het praktische gedeelte van het cspe.
Artikel 9.12. Vervangende opleidingsdocumenten
Artikel 3.51, derde lid, is niet van toepassing.
Artikel 9.13. Uitbesteding vso-leerling aan vbo
Artikel 3.52 is niet van toepassing.
Artikel 9.14. Financiële bijdrage eindexamen extraneus
In afwijking van artikel 3.53, eerste lid, is een extraneus een financiële bijdrage van USD 45 verschuldigd voor het afleggen van het eindexamen.
Artikel 9.15. Afwijkende wijze van examineren bij onvoldoende beheersing Nederlandse taal
In artikel 3.55 wordt voor «ten hoogste zes jaar onderwijs in Nederland heeft gevolgd» gelezen «ten hoogste zes jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd».
Artikel 9.16. Afwijkingen eindexamen vavo
Artikel 3.63, tweede lid, onderdeel c, is niet van toepassing.
Bij de toepassing van artikel 3.64 wordt ten hoogte een cijferlijst van een examenkandidaat, die is uitgereikt aan een school, betrokken.
Artikel 3.65, derde lid, is niet van toepassing.
In artikel 3.69, eerste lid, wordt voor «Franse taal of Duitse taal» gelezen «Franse taal of Spaanse taal».
Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4 (Staatsexamen)
Artikel 9.17. Toelating tot staatsexamen vmbo beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg
Artikel 4.2, eerste lid, onderdeel a, onder 2, en tweede lid, is niet van toepassing.
In afwijking van artikel 4.2, eerste lid onderdeel c, overlegt de examenkandidaat voor de toelating tot het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg een cijferlijst waaruit blijkt dat bij het eindexamen voor het beroepsgerichte programma, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, onderdeel c, artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, of artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, dan wel het praktijkgerichte programma, als bedoeld in artikel 3.7, lid 1a, het eindcijfer 6 of hoger is behaald.
Artikel 9.18. Financiële bijdrage voor toelating (deel)staatsexamen
In afwijking van artikel 4.3, eerste lid, bedraagt de financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van het staatsexamen USD 45.
In afwijking van artikel 4.3, tweede lid, bedraagt de financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van een deelstaatsexamen voor een vak waarin zowel het college-examen als het centraal examen wordt afgelegd USD 20.
In afwijking van artikel 4.3, derde lid, bedraagt de financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van deelstaatsexamen voor een vak waarin alleen het centraal examen of alleen het college-examen wordt afgelegd USD 17.
Voor de toelating tot deelstaatsexamens bedraagt de financiële bijdrage per kalenderjaar in totaal niet meer dan USD 45.
Artikel 9.19. Uitslag staatsexamen vmbo
Artikel 4.21, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
Artikel 9.20. Vervangende opleidingsdocumenten
Artikel 4.33, derde lid, is niet van toepassing.
Artikel 9.21. Afwijkende wijze van examineren bij onvoldoende beheersing Nederlandse taal
In afwijking van artikel 4.35, derde lid, kan de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in elk geval bestaan uit een verlenging van de duur van een toets met een door het college noodzakelijk geoordeelde periode, en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek der Nederlandse taal.
Paragraaf 5. Wijze van toepassing hoofdstuk 5 (Specifieke bepalingen voorzieningenplanning vmbo)
Artikel 9.22. Toepassing hoofdstuk 5
Hoofdstuk 5 is niet van toepassing.
Paragraaf 6. Wijze van toepassing hoofdstuk 6 (Bekostiging en verantwoording)
Artikel 9.23. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- CAPE: Caribbean Advanced Proficiency Examination als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;
- CCSLC: Caribbean Certificate of Secondary Level Competence als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;
- CSEC: Caribbean Secondary Education Certificate als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;
- CVQ: Caribbean Vocational Qualification als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;
- ISK-leerlingen: leerlingen in een internationale schakelklas op scholen op Bonaire;
- lower forms: de eerste drie leerjaren van het voortgezet onderwijs aan scholen op Sint Eustatius en Saba, dat wordt ingevuld met CCSLC, eventueel aangevuld met vakken van CSEC en CVQ.
Artikel 9.24. Bekostiging school
In plaats van artikel 6.1 is artikel 9.25 van toepassing.
Artikel 9.25. Bekostiging school
De bekostiging, bedoeld in artikel 11.56 van de wet, voor scholen op Bonaire bestaat uit:
- a. een bedrag per school dat afhangt van het aantal leerlingen op de school;
- b. een bedrag per leerling, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
- 1°. leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo, alsmede ISK-leerlingen en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte; en
- 2°. leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo, ISK-leerlingen en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte;
- c. een bij ministeriële regeling te bepalen procentuele opslag over de optelsom van de bedragen bedoeld in de onderdelen a en b, in verband met de zorg aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, bedoeld in artikel 11.23, eerste lid, van de wet; en
- d. een aanvullend bedrag per school voor het opzetten en in stand houden van kleine arbeidsmarktgerelateerde mbo-opleidingen.
De bekostiging, bedoeld in artikel 11.56 van de wet, voor scholen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES, bestaat uit:
- a. een bedrag per school, dat afhangt van het aantal leerlingen op de school;
- b. een bedrag per leerling, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
- 1°. leerlingen in de lower forms of leerlingen die CSEC en CAPE volgen; en
- 2°. leerlingen in het praktijkonderwijs of leerlingen die CVQ volgen.
- c. een bij ministeriële regeling nader te bepalen procentuele opslag over de optelsom van de bedragen, bedoeld in de onderdelen a en b, in verband met de zorg aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, bedoeld in artikel 11.23, eerste lid, van de wet;
- d. een bij ministeriële regeling te bepalen procentuele opslag over de optelsom van de onderdelen a tot en met c in verband met het loon- en prijspeil en de examenkosten op Sint-Eustatius en Saba;
- e. een aanvullend bedrag per school in verband met de geïsoleerde ligging en de kleinschaligheid op Sint Eustatius en Saba, dat afhangt van het aantal leerlingen op de school; en
- f. een aanvullend bedrag per school voor het opzetten en in stand houden van kleine arbeidsmarktgerelateerde CVQ-opleidingen.
De bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt vastgesteld in US dollars, en wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.
Artikel 9.26. Vaststellen van de bekostiging
In artikel 6.2, eerste lid, wordt voor «artikel 5.6» gelezen «artikel 11.56».
Artikel 6.2, derde lid, is niet van toepassing.
Artikel 9.27. Aanvang bekostiging; startbekostiging
In artikel 6.3 wordt telkens voor «de artikelen 5.4 en 5.5» gelezen «de artikelen 5.4 en 11.56» en wordt voor «hoofdstuk 4 van de wet» gelezen «hoofdstukken 4 en 11, paragraaf 4, van de wet».
Artikel 9.28. Vermindering bekostiging in verband met verrekening kosten werkloosheidsuitkeringen en suppleties arbeidsongeschiktheid
Artikel 6.4 is niet van toepassing.
Artikel 9.29. Bekostiging scholen voortgezet onderwijs in verticale scholengemeenschappen
Artikel 6.5 is niet van toepassing.
Artikel 9.30. Toepassing op cursussen
Artikel 6.6 is niet van toepassing.
Artikel 9.31. Leerlingen die niet worden meegeteld
In plaats van artikel 6.8 is artikel 9.32 van toepassing.
Artikel 9.32. Leerlingen die niet worden meegeteld
Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging van een school of scholengemeenschap worden niet meegeteld de leerlingen die :
- a. vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd; en
- b. deelnemen aan het onderwijs in het kader van contractactiviteiten als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de wet.
Als geldige reden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor verzuim wordt aangemerkt:
- a. ten aanzien van een leerplichtige leerling: een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de LPW BES; of
- b. ten aanzien van een niet-leerplichtige leerling: dezelfde gronden als die welke leiden tot vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in onderdeel a.
Bij het bepalen van het aantal leerlingen op de school, bedoeld in artikel 9.25, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, worden tevens ingeschreven studenten als bedoeld in de WEB BES meegeteld.
Artikel 9.33. Overige telling leerlingen
Artikel 6.9 is niet van toepassing.
Artikel 9.34. Betaalritme en in mindering brengen bedragen
In plaats van artikel 6.11 is artikel 9.35 van toepassing.
Artikel 9.35. Betaalritme
Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van de bekostiging, bedoeld in artikel 9.25, waarop het over dat jaar recht heeft.
De aanvullende bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.10 van de wet, wordt in een keer betaald, dan wel wordt betaald volgens een bij ministeriële regeling te bepalen betaalritme.
Artikel 9.36. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling verminderingen
Artikel 6.14 is niet van toepassing.
Artikel 9.37. Samenwerkingsverband
Hoofdstuk 6, paragraaf 7, is niet van toepassing.
Paragraaf 7. Wijze van toepassing hoofdstuk 7 (Lerarenregister en registervoorportaal)
Artikel 9.38. Toepassing hoofdstuk 7
Vervallen
Paragraaf 8. Wijze van toepassing hoofdstuk 8 (Deelname)
Artikel 9.39. Toelating eerste leerjaar in specifieke gevallen
Vervallen
Artikel 9.40. Onderzoek naar de geschiktheid leerling eerste leerjaar
Vervallen
Artikel 9.41. Toelating praktijkonderwijs
Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan als leerling toelaten degene die ten minste de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.
Artikel 9.42. Uitschrijving leerlingen
In afwijking van artikel 8.13, eerste lid, schrijft het bevoegd gezag de leerling uit met ingang van de dag volgende op de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de ouders of de leerling indien deze handelingsbekwaam is een bewijs van uitschrijving.
Hoofdstuk 10. Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1. Invoeringsrecht
Artikel 10.1. Tijdelijke landelijke geschillencommissie toelating en verwijdering
De landelijke commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 12.34 van de wet, bestaat uit ten minste zeven leden. De leden worden benoemd op gezamenlijke bindende voordracht van de landelijke ouderorganisaties, de landelijke patiënten- en gehandicaptenorganisaties en de sectororganisaties.
Onze Minister benoemt en ontslaat de leden.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar en kunnen ten hoogste twee maal worden herbenoemd.
De commissie is zo samengesteld dat zij beschikt over (ortho)pedagogische, psychologische, onderwijskundige, maatschappelijke, bestuurlijke, juridische en medische deskundigheid. Voor de behandeling van elk ingediend geschil kiest de commissie uit haar leden een voorzitter en twee leden. De commissie bepaalt welke samenstelling bij de behandeling van het geschil het meest geschikt is.
De leden worden op hun verzoek door Onze Minister ontslagen.
De leden mogen geen deel uitmaken van het bevoegd gezag van een van de scholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband dat betrokken is in het geschil of het bevoegd gezag van dat samenwerkingsverband.
De leden functioneren zonder last of ruggenspraak.
Artikel 10.2. Geschillenbehandeling
De landelijke commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 12.34 van de wet, zendt haar oordeel over een geschil aan het bevoegd gezag en een afschrift van haar oordeel aan de ouders.
Het bevoegd gezag van de school die het oordeel van de commissie heeft ontvangen, deelt schriftelijk aan de ouders en aan de commissie mee wat met het oordeel wordt gedaan.
Indien de beslissing van het bevoegd gezag van de school afwijkt van het oordeel van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.
Paragraaf 2. Overgangsrecht
Artikel 10.3. Overgangsrecht schoolexamen rekenen
Het eindexamen vmbo en havo omvat voor leerlingen die geen eindexamen afleggen in het vak wiskunde een schoolexamen rekenen als bedoeld in artikel 12.45 van de wet.
In afwijking van het eerste lid is een kandidaat die in het bezit is van het diploma van een leerweg in het vmbo en die het schoolexamen rekenen heeft afgelegd zoals dit op grond van artikel 2, tweede lid, en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is vastgesteld voor het eindexamen vmbo, bij het afleggen van het eindexamen in een andere leerweg van het vmbo, vrijgesteld van het schoolexamen rekenen.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen vmbo aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs vrijgesteld van het schoolexamen rekenen, indien hij reeds eerder een schoolexamen rekenen vmbo of een schoolexamen rekenen havo heeft gemaakt. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat die het eindexamen havo aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs en reeds eerder een schoolexamen rekenen havo heeft gemaakt.
Het cijfer voor het schoolexamen rekenen weegt niet mee in de uitslagbepaling voor het eindexamen vmbo en havo, bedoeld in de artikelen 3.34 en 3.35.
In afwijking van de artikelen 3.40, eerste lid, onderdeel a, 3.49, tweede lid, 3.72, onderdeel a, en 3.41, onderdeel b, wordt het cijfer voor het schoolexamen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst.
Indien de kandidaat is vrijgesteld van het schoolexamen rekenen op grond van het vierde lid, wordt het schoolexamen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.
Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op het eindcijfer van het vak wiskunde, indien de kandidaat het eindexamen wiskunde heeft afgelegd, het eindcijfer voor wiskunde niet is betrokken in de uitslagbepaling, bedoeld in artikel 3.34 of artikel 3.35, en de kandidaat bedenkingen heeft geuit tegen het opnemen van het eindcijfer van het vak wiskunde op de cijferlijst op grond van artikel 3.40, tweede lid.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat die het eindexamen vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg aflegt ter afsluiting van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet.
Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 10.4. Overgangsrecht college-examen rekenen
Het staatsexamen vmbo en havo omvat voor kandidaten die geen schoolexamen rekenen als bedoeld in artikel 12.45 van de wet, of eindexamen in het vak wiskunde hebben afgelegd, of voor kandidaten die geen staatsexamen afleggen of hebben afgelegd in het vak wiskunde, een college-examen rekenen als bedoeld in artikel 12.46 van de wet.
In afwijking van het eerste lid is een kandidaat die in het bezit is van het diploma van een leerweg in het vmbo en die een schoolexamen rekenen als bedoeld in artikel 12.45 van de wet, of een college-examen rekenen als bedoeld in het eerste lid, heeft afgelegd zoals dit op grond van artikel 2, tweede lid, en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is vastgesteld voor het eindexamen vmbo, bij het afleggen van het staatsexamen in een andere leerweg van het vmbo, vrijgesteld van het college-examen rekenen.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die de rekentoets, bedoeld in artikel 60, zesde lid, van de wet, zoals dat artikel luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van de Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233), heeft afgelegd, vrijgesteld van het college-examen rekenen.
Het cijfer voor het college-examen rekenen weegt niet mee in de uitslagbepaling voor het staatsexamen vmbo en havo, bedoeld in de artikelen 4.20 en 4.21.
In afwijking van de artikelen 4.25, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, en 4.26, eerste lid, onderdeel a, wordt het cijfer voor het college-examen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst.
Indien de kandidaat is vrijgesteld van het college-examen rekenen op grond van het tweede of het derde lid, wordt het college-examen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.
Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op het eindcijfer van het vak wiskunde, indien de kandidaat het eindexamen of staatsexamen in het vak wiskunde heeft afgelegd, het eindcijfer voor wiskunde niet is betrokken in de uitslagbepaling, bedoeld in artikel 4.20 of artikel 4.21, en de kandidaat bezwaar heeft tegen het opnemen van het eindcijfer van het vak wiskunde op de cijferlijst op grond van artikel 4.25, derde lid.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat die het staatsexamen vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg aflegt ter afsluiting van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet.
Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 10.5. Overgangsrecht cijfer profielvak beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg vmbo behaald in het schooljaar 2020–2021 of 2021–2022
Het eindcijfer van het profielvak, behaald in het schooljaar 2020–2021 of 2021–2022, wordt betrokken bij de berekening van het rekenkundig gemiddelde, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, of artikel 4.21, eerste lid, onderdeel a.
De kandidaat, bedoeld in artikel 2.56, vierde lid, van de wet, of artikel 3.56, die in het schooljaar 2020–2021 of 2021–2022 het eindexamen in het profielvak heeft afgerond, behoudt het recht op herkansing van het cspe, bedoeld in artikel 3.38, eerste lid.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing indien na het jaar waarin het eindcijfer is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken.
Deze bepaling vervalt met ingang van 1 januari 2033.
Artikel 10.6. Overgangsrecht staatsexamens examenjaar 2022
Vervallen
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1. Intrekking besluiten
De volgende besluiten worden ingetrokken:
- a. het Bekostigingsbesluit WVO BES;
- b. het Besluit bekostiging WVO 2021;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)