Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 november 2022, nr. WJZ/22031065, houdende de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor wat betreft de rechtstreekse betalingen en de conditionaliteiten (Uitvoeringsregeling GLB 2023)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-15
State In force
Source BWB
artikelen 65
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op Verordening (EU) nr. 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435) en Verordening (EU) nr. 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L435) en de artikelen 15, 19, 27 en 28 van de Landbouwwet;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • −. aanvraagjaar: kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan;
  • −. administratieve sanctie: verlagen van de betaling naar aanleiding van een niet-naleving;
  • −. blijvend grasland: perceel met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van meer dan 50 procent grassen of kruidachtige voedergewassen dat minimaal vijf jaar niet is opgenomen in de vruchtwisseling;
  • −. blijvende teelt: teelt van gewassen, anders dan blijvend grasland, die niet in de vruchtwisseling zijn opgenomen en die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en geregeld een oogst opleveren;
  • −. boslandbouw: vorm van landbouw waarbij bomen en struiken bewust worden geteeld tussen niet-houtige gewassen of worden gecombineerd met dierhouderij op hetzelfde perceel;
  • −. bouwland: grond die voor de teelt van gewassen, anders dan blijvend grasland en blijvende teelt, wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is maar braak ligt;
  • −. braak: bouwland waarop in het aanvraagjaar voor een periode van minimaal 6 aaneengesloten maanden, of op basis van de subsidieregelingen ANLb of de Catalogus Groenblauwe diensten, geen productie plaatsvindt en waarop natuurlijke of ingezaaide vegetatie voorkomt;
  • −. certificerende instantie: instantie die door de Raad ISO-geaccrediteerd is voor certificerings- of inspectiewerkzaamheden;
  • −. droogstaande koeien: vrouwelijke runderen die gehouden worden voor de productie van melk en die zich bevinden in de fase tussen de periode van melk geven en het moment van afkalven;
  • −. Europees Landbouwgarantiefonds: Europees Landbouwgarantiefonds als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van verordening (EU) 2021/2116;
  • –. flauw talud: een talud dat tenminste 2 meter breed is vanaf de waterlijn tot aan de insteek en met een helling die niet steiler is dan 1:3;
  • −. grootvee-eenheid: coëfficiënt voor het omrekenen van dieren zoals opgenomen in de bijlage, punt 12, onder b, van Verordening (EU) nr. 2021/2290;
  • −. hamsterverbintenis: een verbintenis aangegaan in het kader van subsidieregelingen van de provincie Limburg met als specifiek doel de bescherming van de habitat voor de hamster;
  • −. hoofdteelt: teelt op landbouwareaal van een gewas dat in de periode van 15 mei tot en met 15 juli het langst aanwezig is;
  • −. kortlopend hakhout: boomsoorten met een maximale omlooptijd van vijf jaar met een plantdichtheid van minimaal 10.000 stoven per hectare, die behoren tot het geslacht wilg, populier, els of es;
  • −. kruidachtige voedergewassen: alle kruidachtige planten die traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen met uitzondering van heide en riet;
  • −. landbouwactiviteit: productie of landbouwareaal in een staat houden die begrazing of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines;
  • −. landbouwareaal: grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of blijvende teelt;
  • −. landbouwer: natuurlijke of rechtspersoon of een groep natuurlijke of rechtspersonen die een minimumniveau aan landbouwactiviteiten uitvoert;
  • −. landschapselementen: begroeide terrein- en waterdelen en overige elementen waarop het uitoefenen van een landbouwactiviteit niet mogelijk is;
  • −. lichte grondbewerking: graslandvernieuwingstechniek waarbij de ondergrond vrijwel onberoerd blijft en waarbij een dekkende vegetatie zichtbaar blijft;
  • –. melkvee: koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die bedrijfsmatig worden gehouden voor de productie van melk voor menselijke consumptie, of verwerking daarvan;
  • −. minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
  • −. mulchsysteem: teeltsysteem waarbij de bodem in het najaar wordt geploegd, gevolgd door de inzaai van een bodembedekking, waarbij in het voorjaar uitsluitend niet-kerende grondbewerking plaatsvindt;
  • −. natte teelten: natte teelt als bedoeld in bijlage 1;
  • −. niet-productieve gronden: landschapselementen, braak, plas-dras gedurende de inundatieperiode, bufferstroken als bedoeld in artikel 32, onderdeel b, in samenhang met Bijlage 4, onder 4 en 4a die worden gebruikt voor niet-productieve doeleinden, akkerranden en andere stroken of randen van gras of kruiden die niet aangemerkt kunnen worden als landbouwproductie;
  • −. oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna, als bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet;
  • −. peildatum: 15 mei van het aanvraagjaar;
  • −. perceel landbouwgrond: aaneengesloten stuk landbouwareaal, waaronder begrepen aangrenzende landschapselementen die ter beschikking van de landbouwer staan, dat door één landbouwer is aangegeven;
  • −. productie: produceren van landbouwproducten als bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), bijlage I, met uitzondering van visserijproducten, alsmede hakhout met korte omlooptijd;
  • −. Raad: Raad voor Accreditatie te Utrecht;
  • −. RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
  • −. schema-eigenaar: de eigenaar van een certificeringsschema, dat door de Minister wordt erkend;
  • −. subsidiabele hectare: landbouwareaal van het landbouwbedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of in overwegende mate voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt en ter beschikking van de landbouwer staat, landschapselementen aanwezig op of grenzend aan landbouwareaal die ter beschikking van de landbouwer staan, areaal dat wordt ingezet voor een conditionaliteitsnorm als bedoeld in bijlage III, onder GLMC 8, van verordening (EU) 2021/2115, alsmede natte teelten op areaal als bedoeld in artikel 4, vierde lid, onderdeel c, onder ii van verordening (EU) 2021/2115;
  • −. THI: temperatuur en luchtvochtigheidsindex;
  • −. verlaging: elke vermindering op de betaling als gevolg van het toepassen van een administratieve sanctie;
  • −. verlengde teelt: teelt van een gewas dat langer dan één jaar onafgebroken aanwezig is;
  • −. verordening (EU) 2018/848: Verordening (EU) 2018/848 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L150);
  • −. verordening (EU) 2021/2115: Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435);
  • −. verordening (EU) 2021/2116: Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L435);
  • −. verordening (EU) 2021/2290: Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2290 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van regels voor de berekeningsmethoden voor de gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L458);
  • −. verordening (EU) 2022/126: Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) (PbEU 2022, L20);
  • −. verordening (EU) 2022/128: Uitvoeringsverordening (EU) 2022/128 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees parlement en de Raad wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, controles, zekerheden en transparantie (PbEU 2022, L20);
  • −. verordening (EU) 2022/1172: Gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties (PbEU 2022, L183);
  • −. weiden: het grazen op grasland met voldoende gras door al het daarvoor in het kader van een normale bedrijfsvoering van een landbouwer in aanmerking komend lacterend melkvee, zodat de dieren een natuurlijk graasgedrag kunnen laten zien;
  • −. zeldzame landbouwhuisdierrassen: met uitsterven bedreigde landbouwhuisdierrassen als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2022/126.
2.

De definities in verordening (EU) 2021/2115 en verordening (EU) 2021/2116 alsmede in de op deze verordeningen gebaseerde verordeningen zijn van overeenkomstige toepassing voor deze regeling.

Hoofdstuk 2. Bepalingen inzake rechtstreekse betalingen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 2. Bevoegdheden minister
1.

De minister verstrekt rechtstreekse betalingen inzake:

  • a. basisinkomenssteun voor duurzaamheid;
  • b. aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid;
  • c. aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers;
  • d. de eco-regeling.
2.

De minister verstrekt voorts betalingen inzake de regeling voor zeldzame landbouwhuisdierrassen.

3.

De minister stelt elk jaar voor alle in het eerste en tweede lid genoemde betalingen het eenheidsbedrag vast binnen de marges, bedoeld in artikel 102, tweede lid, van verordening (EU) 2021/2115, waarbij eerst een voorlopig en daarna een definitief eenheidsbedrag kan worden vastgesteld.

4.

De minister kan middelen bestemd voor de in het eerste lid genoemde rechtstreekse betalingen herverdelen overeenkomstig artikel 101, derde lid, van verordening (EU) 2021/2115.

5.

De minister is bevoegd tot het uitbetalen, terugvorderen en verrekenen van betalingen en het opleggen van sancties.

Artikel 3. Landbouwactiviteit

Het criterium waaraan de landbouwer dient te voldoen om een landbouwareaal in een staat te houden die begrazing of teelt mogelijk maakt, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2021/2115, is:

  • a. het jaarlijks, vóór 1 oktober, maaien van het areaal grasland, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb en Catalogus Groenblauwe diensten niet aan dit criterium kan voldoen, in welk geval het areaal ten minste één keer per twee jaar vóór 1 oktober wordt gemaaid;
  • b. het areaal bouwland in zodanige staat houden dat regelmatig een akkerbouwgewas kan worden ingezaaid;
  • c. het areaal blijvende teelt in goede vegetatieve staat houden die productief potentieel heeft.
Artikel 4. Landbouwareaal
1.

Voor de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden baseert de minister zich voor de grenzen van de referentiepercelen op het perceelsregister van RVO dat is gebaseerd op de objectgrenzen uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie.

2.

Op de peildatum heeft de landbouwer het perceel landbouwgrond ter beschikking op grond van eigendom, pacht of onderpacht dan wel in gebruik met toestemming van de eigenaar of van de pachter die het perceel landbouwgrond met toestemming van de eigenaar heeft onderverpacht.

3.

Als landbouwareaal komt tevens in aanmerking boslandbouw op areaal dat sinds 2015 minimaal één jaar werd aangemerkt als landbouwareaal.

4.

Als bouwland komt tevens in aanmerking een perceel met maximaal 100 bomen per hectare.

5.

Als blijvende teelt komt tevens in aanmerking:

  • a. een perceel boslandbouw als voedselbos met verschillende bomen en struiken waarvan de soorten binnen afzienbare termijn voor eetbare producten zorgen, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. er mag een kruinlaag van hogere bomen staan die een ondersteunende functie voor de andere soorten heeft;
  • 2°. er zijn minimaal drie verticale vegetatielagen;
  • 3°. de kruinlaag en vegetatielagen mogen nog in ontwikkeling zijn;
  • b. arealen met jonge houtachtige planten in de open lucht, bestemd om later te worden verplant en kwekerijen van:
  • 1°. wijnstokken en moederplanten;
  • 2°. vruchtbomen en kleinfruitgewassen;
  • 3°. siergewassen;
  • 4°. voor de verkoop bestemde bosplanten, exclusief de in het bos gelegen bosboomkwekerijen voor de eigen behoefte van het bedrijf;
  • 5°. bomen en heesters ter beplanting van tuinen, parken, straten en wegbermen, alsmede onderstammen en jonge zaailingen ervan;
  • c. kortlopend hakhout.
6.

Als blijvend grasland komt tevens in aanmerking:

  • a. mengsels van gras, niet zijnde riet, met een gewas uit de gewassenlijst ‘stikstofbindende gewassen’ als bedoeld in bijlage 1, waarbij het aandeel gras meer dan 50% is; en
  • b. areaal blijvend grasland met maximaal 100 bomen per hectare.
7.

Voor controle op de toestemming, bedoeld in het tweede lid, kan schriftelijk bewijs worden opgevraagd.

Artikel 5. Actieve landbouwer
1.

Er worden geen betalingen toegekend aan landbouwers die niet uiterlijk op de peildatum zijn ingeschreven of waarvan de onderneming niet uiterlijk op de peildatum is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, onder de vermelding van de verkorte omschrijving van de landbouwactiviteit en de daarbij behorende code van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) beginnend met de cijfers 011, 012, 013, 014, 015, 016 of 1051, voor zover minimaal 50 procent van de melk die wordt verwerkt op het eigen melkveebedrijf geproduceerd wordt.

2.

Onverminderd het eerste lid worden geen betalingen toegekend aan een landbouwer indien uit de inschrijving in het handelsregister volgt dat de landbouwactiviteit geen hoofdactiviteit is.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing indien de landbouwer aantoont door middel van een accountantsverklaring dat de landbouwactiviteit een nevenactiviteit is, waaronder begrepen het in stand houden van landbouwareaal, waarmee een derde van het totale bedrag aan inkomsten in het meest recente belastingjaar wordt verdiend, dan wel een derde van een gemiddeld bedrag aan inkomsten over de drie meest recente belastingjaren.

4.

Als accountantsverklaring wordt vastgesteld een accountantsverklaring die overeenkomt met het model dat is opgenomen in bijlage5.

5.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ingeval de landbouwer over het voorgaande aanvraagjaar rechtstreekse betalingen heeft ontvangen en deze vóór het toepassen van sancties en verlagingen minder dan 5.000 euro bedroegen, of ingeval in het voorgaande aanvraagjaar geen rechtstreekse betalingen zijn toegekend, de landbouwer voor het huidige aanvraagjaar rechtstreekse betalingen zal ontvangen en deze minder dan 5.000 euro zullen bedragen, berekend op basis van het aantal in het huidige aanvraagjaar opgegeven hectaren, vermenigvuldigd met de eenheidsbedragen als bedoeld in artikel 2, derde lid, die in het voorgaande aanvraagjaar van toepassing waren.

6.

Een overnemer als bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt als actieve landbouwer aangemerkt indien de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk ten tijde van de melding van de overdracht van het bedrijf is geschied, en voor zover uit de inschrijving blijkt dat het bedrijf van de overnemer is opgericht op uiterlijk de datum van de bedrijfsoverdracht.

Artikel 6. Subsidiabele hectare
1.

Landbouwareaal dat ook wordt gebruikt voor niet-landbouwactiviteiten, wordt aangemerkt als overwegend voor landbouwactiviteiten gebruikt areaal indien geen sprake is van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van landbouwactiviteiten.

2.

Van de in het eerste lid bedoelde situatie is sprake indien:

  • a. maximaal 90 dagen in het jaar van aanvraag niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden; en
  • b. het landbouwareaal na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is.
3.

Van de in het eerste lid bedoelde situatie is tevens sprake indien op een landbouwareaal voor meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van de subsidieregelingen ANLb of de Catalogus Groenblauwe diensten en het landbouwareaal na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is overeenkomstig artikel 3.

4.

Als areaal dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt en daardoor voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, niet wordt beschouwd als subsidiabele hectare, wordt in elk geval aangemerkt:

  • a. moes- en siertuinen;
  • b. bermen tot een breedte van drie meter van de weg of breder voor zover de verkeersbestemming de landbouw hindert;
  • c. speelweides;
  • d. stroken grasland langs verharde landingsbanen voor vliegverkeer;
  • e. onverharde landingsbanen voor luchtsport en luchtvaart;
  • f. stroken langs gebouwen of kassen smaller dan één meter;
  • g. geluidswallen;
  • h. springweides;
  • i. kinderboerderijen;
  • j. erven;
  • k. areaal waarop installaties voor de benutting van zonne-energie aanwezig zijn.
5.

In afwijking van het vierde lid, onderdeel k, is er sprake van subsidiabele hectare indien verspreid over het perceel maximaal 100 zonnepanelen per hectare staan die gezamenlijk een oppervlakte van maximaal 100m² beslaan.

6.

De minimumoppervlakte van een perceel landbouwgrond waarvoor rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, kunnen worden aangevraagd bedraagt afgerond 0,01 hectare.

7.

In afwijking van het zesde lid komt:

  • a. een perceel landbouwgrond met een afgeronde oppervlakte kleiner dan 0,01 hectare voor steun in aanmerking, voor zover is voldaan aan de volgende criteria:
  • 1°. het perceel grenst direct aan een ander perceel landbouwgrond van dezelfde landbouwer waarbij de totale oppervlakte afgerond minimaal 0,01 hectare bedraagt; en
  • 2°. tussen de percelen bevindt zich geen afrastering of enige andere vorm van fysieke begrenzing.
  • b. een perceel landbouwgrond met alleen een landschapselement met een afgeronde oppervlakte kleiner dan 0,01 hectare voor steun in aanmerking.
8.

Het maximum subsidiabele areaal wordt vastgesteld per referentieperceel waarbij een marge als bedoeld in artikel 2, zevende lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2022/1172, kan worden gehanteerd van maximaal 125 cm, rekening houdend met de omtrek en conditie van het referentieperceel.

9.

Indien het verschil tussen het subsidiabele areaal en het totale areaal dat op grond van artikel 10, tweede lid, is opgegeven niet meer dan 0,1 ha bedraagt, wordt het subsidiabele areaal gelijkgesteld aan het opgegeven areaal.

Artikel 7. Landschapselementen
1.

Voor de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden baseert de minister zich voor de grenzen van landschapselementen op de referentiepercelen van het perceelsregister van RVO dat is gebaseerd op de objectgrenzen uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie.

2.

Als landschapselement, zijnde begroeide terreindelen, worden aangemerkt:

  • a. boomgroepen met een maximum oppervlakte van 1,5 hectare op maaiveldniveau;
  • b. geïsoleerde bomen;
  • c. heggen en hagen;
  • d. houtsingels of houtwallen; en
  • e. struwelen.
3.

Als landschapselementen, zijnde waterdelen, worden aangemerkt:

  • a. sloten, niet zijnde grachten, smaller dan tien meter van insteek naar insteek, waarbij geldt dat ze geheel meetellen als ten minste 90 procent van de sloot smaller is dan tien meter;
  • b. watervlakten met een oppervlakte tussen 0,001 hectare en 0,5 hectare; en
  • c. sloten die doorgaans het hele jaar droog staan, smaller dan tien meter van insteek naar insteek, waarbij geldt dat ze geheel meetellen als ten minste 90 procent van de sloot smaller is dan tien meter.
4.

Als landschapselementen, zijnde overige elementen met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare, worden aangemerkt:

  • a. natuurvriendelijke oevers;
  • b. schouwpaden;
  • c. zandwallen;
  • d. tuunwallen;
  • e. ruigtes op landbouwareaal;
  • f. stroken wild gras;
  • g. graften; en
  • h. rietland.
5.

Als aangrenzende landschapselementen worden aangemerkt:

  • a. lijnvormige landschapselementen waarvan ten minste één lange zijde is gelegen binnen vijf meter van landbouwareaal;
  • b. niet-lijnvormige landschapselementen die binnen vijf meter van landbouwareaal liggen;
  • c. landschapselementen die direct grenzen aan landschapselementen als bedoeld onder a en b, met dien verstande dat indien sprake is van een lijnvormig landschapselement, het landschapselement met ten minste één lange zijde grenst aan het onder a of b bedoelde landschapselement.
6.

Op de peildatum heeft de landbouwer de landschapselementen ter beschikking op grond van eigendom, pacht of onderpacht dan wel in gebruik met toestemming van de eigenaar of van de pachter die de landschapselementen met toestemming van de eigenaar heeft onderverpacht.

7.

Landschapselementen die volledig zijn omsloten door niet subsidiabele arealen zijn niet subsidiabel.

8.

Van lijnvormige landschapselementen waarvan de lange zijde doorloopt tot voorbij landbouwareaal of een landschapselement dat binnen vijf meter van landbouwareaal ligt, behoort enkel de oppervlakte die langs het landbouwareaal of aangrenzende landschapselement ligt, tot de subsidiabele hectares.

9.

Voor controle op de toestemming, bedoeld in het zesde lid, kan schriftelijk bewijs worden opgevraagd.

Artikel 8. Drempel rechtstreekse betalingen

Geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan de landbouwer indien het totaalbedrag van de voor een aanvraagjaar aangevraagde of toe te kennen rechtstreekse betalingen, voordat de sancties of verlagingen zijn toegepast, lager is dan 500 euro.

Artikel 9. Bepalingen hennep
1.

De landbouwer die hennep teelt stuurt de minister een kopie van de originele etiketten van het gebruikte zaaizaad toe met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld elektronisch formulier.

2.

De landbouwer bewaart de aankoopbewijzen en de originele etiketten van het gebruikte zaaizaad gedurende 5 jaar in zijn administratie.

Paragraaf 2. Aanvraagprocedure

Artikel 10. Aanvraag
1.

Een landbouwer die aanspraak maakt op betalingen als bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid, dient hiertoe in de periode van 1 maart tot en met 15 mei van het aanvraagjaar een aanvraag in. Wanneer 15 mei op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag als bedoeld in de Algemene termijnenwet eindigt, wordt deze verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

2.

De aanvraag wordt gedaan door middel van een door de minister beschikbaar gesteld elektronisch formulier en bevat in ieder geval:

  • a. een opgave van alle percelen met de daarop in het aanvraagjaar geteelde of te telen gewassen en in voorkomend geval alle landschapselementen, die op de peildatum ter beschikking van de landbouwer staan;
  • b. een opgave van de in het aanvraagjaar gerealiseerde of te realiseren eco-activiteiten, bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24, per perceel;
  • c. een opgave van de zeldzame landbouwhuisdierrassen, als bedoeld in artikel 28, die betrekking hebben op het desbetreffende aanvraagjaar;
  • d. het BTW-nummer van de landbouwer en, indien van toepassing, de naam van de moedermaatschappij of dochteronderneming met het daarbij behorende BTW-nummer;
  • e. ingeval van de teelt van hennep, het geteelde ras en een indicatie van de hoeveelheid gebruikt zaaizaad, uitgedrukt in kilogrammen per hectare; en
3.

De landbouwer houdt gedurende de periode tussen 15 mei en 15 oktober van het aanvraagjaar de bij de aanvraag ingediende gegevens actueel met dien verstande dat nadat zich een wijziging heeft voorgedaan, onverwijld door middel van een door de minister beschikbaar gesteld formulier een wijziging van de gegevens wordt ingediend, voor zover die wijziging betrekking heeft op:

  • a. de gewassen die per perceel worden geteeld;
  • b. de in de aanvraag per perceel opgenomen eco-activiteiten als bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24 die niet, gedeeltelijk niet, of niet volgens de voorwaarden, worden uitgevoerd; of
  • c. het aanwezig zijn van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van landbouwactiviteiten op een perceel.
4.

Na de in het eerste lid bedoelde uiterste datum kunnen geen wijzigingen meer worden aangebracht in de aanvraag, behoudens gevallen als bedoeld in het derde lid en artikel 59, zesde lid, van verordening (EU) 2021/2116, die tot en met 15 oktober kunnen worden ingediend, en gevallen als bedoeld in artikel 46.

5.

De landbouwer die aanspraak maakt op betalingen verklaart voorts:

  • b. toestemming te verlenen aan de minister om persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling;
  • c. toestemming te verlenen voor het gebruik van areaalmonitoring; en
  • d. toestemming te verlenen aan de minister om (persoons)gegevens aan de certificerende instantie door te geven ten behoeve van controle door de certificerende instantie op deelname en voldoen aan de eco-activiteit weiden, bedoeld in artikel 22.
6.

In geval het indienen van de aanvraag op of kort voor de uiterste datum, bedoeld in het eerste lid, langere tijd niet mogelijk is door een calamiteit aan de kant van het elektronisch loket kan de minister met inachtneming van een redelijke termijn een nieuw tijdstip voor uiterste indiening van de aanvraag bepalen.

7.

De minister beslist op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het aanvraagjaar.

Artikel 11. Aanvraag

Vervallen

Artikel 12. Belastingdienst

De belastingdienst maakt voor de uitvoering van deze regeling het BTW-nummer van de aanvrager bekend aan de minister.

Artikel 13. Ontheffing elektronische weg
1.

De minister kan een ontheffing verlenen van de verplichting langs elektronische weg de aanvraag, bedoeld in artikel 10, eerste lid, in te dienen, in geval de landbouwer aantoont:

  • a. te behoren tot een geloofsgemeenschap die het gebruik van de elektronische weg in zijn geheel afwijst; of
  • b. niet te beschikken over een computer met internetverbinding en niet eerder langs elektronische weg contact te hebben gelegd met RVO of de rijksoverheid.
2.

Een ontheffing wordt uiterlijk op 1 maart van het aanvraagjaar aangevraagd.

Paragraaf 3. Aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid

Artikel 14. Aanvullende betaling
1.

Een landbouwer die aanspraak maakt op de betaling van basisinkomenssteun voor duurzaamheid, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, krijgt aanvullend hierop een betaling van herverdelende inkomenssteun voor maximaal 40 hectaren.

2.

De minister stelt elk jaar een bedrag- en hectaregrens als bedoeld in artikel 29, derde lid, van verordening (EU) 2021/2115 vast.

Paragraaf 4. Aanvullende inkomenssteun voor de jonge landbouwer

Artikel 15. Voorwaarden
1.

Een landbouwer kan aanspraak maken op de betaling voor aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, voor de resterende periode, bedoeld in artikel 30, tweede lid, tweede alinea, van verordening (EU) 2021/2115, indien de jonge landbouwer daadwerkelijke langdurige zeggenschap heeft over het bedrijf op de peildatum van het aanvraagjaar.

2.

Bij een aanspraak als bedoeld in het eerste lid, verleent de landbouwer toestemming aan de minister om persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling.

Artikel 16. Zeggenschap
1.

Van daadwerkelijke langdurige zeggenschap is sprake indien de jonge landbouwer:

  • a. ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan 25.000 euro; en
  • b. ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering.
2.

De blokkerende zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, onderdeel, a, is uiterlijk op 15 mei 2022 verkregen en kan worden aangetoond met:

  • a. de statuten van de rechtspersoon, ingeval van een besloten vennootschap, naamloze vennootschap, een stichting en een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid;
  • b. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met alle maten, ingeval van een maatschap;
  • c. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met alle vennoten, ingeval van een vennootschap onder firma;
  • d. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst tussen alle leden, ingeval van een vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid; of
  • e. de registratie van de blokkerende zeggenschap in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, waarvan de juistheid desgevraagd kan worden aangetoond met de onder a tot en met d genoemde bescheiden.
3.

De jonge landbouwer wordt geacht niet te voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, indien in een samenwerkingsovereenkomst voor bepaalde tijd is bepaald dat de maatschap onderscheidenlijk de vennootschap onder firma eenzijdig door de andere maten onderscheidenlijk vennoten kan worden opgezegd of bij bedrijfsbeëindiging de jonge landbouwer geen recht op voortzetting heeft.

4.

Een commanditaire vennoot wordt geacht niet te voldoen aan het eerste lid.

5.

De overeenkomst, bedoeld in het tweede en derde lid, is uiterlijk op de peildatum opgesteld, ondertekend en voorzien van de datum waarop de overeenkomst is ondertekend.

Artikel 17. Betaling vast bedrag

De minister stelt elk jaar een vast bedrag per jonge landbouwer als bedoeld in artikel 30, derde lid, tweede alinea, van verordening (EU) 2021/2115 vast.

Paragraaf 5. Eco-regeling voor Klimaat en Leefomgeving

Artikel 18. Eco-activiteiten categorie hoofdteelt

De Eco-activiteiten in de categorie hoofdteelt zijn:

  • a. een rustgewas, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt uitsluitend een of meerdere gewassen uit de gewassenlijst ‘rustgewassen eco-regeling’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking; en
  • 2°. op het betreffende perceel is in de voorgaande drie kalenderjaren tenminste één keer een rustgewas als bedoeld in bijlage VIb van de Omgevingsregeling of een rustgewas uit de gewassenlijst ‘rustgewassen eco-regeling’ als bedoeld in bijlage 1, als hoofdteelt geteeld.
  • b. een vezelgewas, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘vezelgewassen’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking; en
  • 2°. artikel 9 is van overeenkomstige toepassing op de teelt van hennep.
  • c. een stikstofbindend gewas, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt uitsluitend één of meerdere gewassen uit de gewassenlijst ‘stikstofbindende gewassen’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking of teelt een gewas uit de gewassenlijst 'stikstofbindende gewassen’ als bedoeld in bijlage 1 in combinatie met graan, waarbij de oppervlakte van het betreffende perceel volledig zichtbaar bedekt is waarvan minimaal 50% met stikstofbindende gewassen; en
  • 2°. de landbouwer past deze eco-activiteit niet toe op een perceel dat het voorgaande jaar blijvend grasland was.
  • d. een verlengde teelt, vanaf het tweede jaar, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘verlengde teelten’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking; en
  • 2°. het gewas is in het voorgaande jaar als hoofdteelt geteeld en staat aaneengesloten op het perceel.
  • e. langjarig grasland, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer houdt blijvend grasland in stand op het perceel in de periode van 1 januari tot en met 31 december;
  • 2°. op het perceel is vanaf 1 januari 2023 uitsluitend lichte grondbewerking toegepast; en
  • 3°. uitsluitend pleksgewijze toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en biociden is toegestaan, op maximaal 10 procent van de oppervlakte van het betreffende perceel blijvend grasland.
  • f. kruidenrijk grasland, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt:
  • a. gras, kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen uit de gewassenlijst ‘stikstofbindend gewas’ als bedoeld in bijlage 1, op het perceel, waarbij van 1 juni tot 1 oktober en voor het jaar 2024 van 15 juli tot 1 oktober de oppervlakte van het betreffende perceel volledig zichtbaar bedekt is waarvan minimaal 25% met kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen en minimaal 25% met gras, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb beheerspakket 3 ‘plasdras voor weidevogels’ uitvoert waardoor hij tijdelijk niet kan voldoen aan de zichtbare bedekking; of
  • b. gras, kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen uit de gewassenlijst ‘stikstofbindend gewas’ als bedoeld in bijlage 1, waarbij van 1 juni tot 1 oktober en voor het jaar 2024 van 15 juli tot 1 oktober minimaal 25 procent uit duidelijk zichtbare kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen en minimaal 25 procent uit gras bestaat, op de grasstroken tussen de fruitbomen of -struiken of de boomkwekerijgewassen, op minimaal 30 procent van de oppervlakte van de grasstroken; en
  • 2°. gras, kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen zijn gelijkmatig verdeeld over het perceel.
  • g. een natte teelt, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘natte teelten’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdgewas met een zichtbare bedekking;
  • 2°. de teelt vindt plaats op areaal dat sinds 2015 minimaal één jaar werd aangemerkt als landbouwareaal; en
  • 3°. de landbouwer oogst het gewas ten minste eenmaal per kalenderjaar.
  • h. een vroeg ras rooigewas 1 september, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘vroeg ras rooigewas 1 september’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking;
  • 2°. de landbouwer oogst het aangegeven vroeg ras rooigewas vóór 1 september van het aanvraagjaar; en
  • 3°. de landbouwer voert het gewas en de gewasresten af van het perceel of werkt de gewasresten onder vóór 1 september van het aanvraagjaar.
  • i. voedselbos onder de volgende voorwaarden:
  • 2°. het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden en bemesting is niet toegestaan;
  • 3°. het keren, ploegen, spitten of woelen van de grond is niet toegestaan;
  • 4°. het perceel voedselbos heeft een aaneengesloten oppervlak van minimaal 0,5 hectare;
  • 5°. per hectare staan er minimaal 15 verschillende soorten voedselproducerende bomen en struiken, van de soorten, bedoeld in de Soortenlijst behorende bij de gewascode voedselbossen van de Stichting Voedselbosbouw; en
  • 6°. er is een teeltplan voor het voedselbos dat tenminste bestaat uit te volgende elementen:
  • a. een lijst met aangeplante of aan te planten soorten;
  • b. het ontwerp van het voedselbos; en
  • c. wanneer en wat voor voedsel de eetbare soorten zullen opleveren.
  • j. grasklaver, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. van 1 juni tot 1 augustus wordt de oppervlakte van het betreffende perceel volledig zichtbaar bedekt waarvan minimaal 25% met gras en minimaal 25% met klaver; en
  • 2°. gras en klaver zijn gelijkmatig verdeeld over het perceel.
  • k. strokenteelt, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. het perceel landbouwgrond bestaat uit minimaal vijf stroken;
  • 2°. de stroken zijn minimaal drie en maximaal 27 meter breed;
  • 3°. de landbouwer teelt een combinatie van minimaal vier gewassen (waarbij twee dezelfde gewassen niet naast elkaar mogen liggen), met uitzondering van blijvend grasland, als hoofdteelt met een zichtbare bedekking, waarvan tenminste twee productieve gewassen en één rustgewas uit de gewassenlijst ‘rustgewassen eco-regeling’ als bedoeld in bijlage 1; en
  • 4°. een strook met struiken en bomen waaronder boslandbouw is toegestaan.
Artikel 19. Eco-activiteiten categorie bodemgewas

De Eco-activiteiten in de categorie bodemgewas zijn:

  • a. onderzaai vanggewas, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt een vanggewas uit de gewassenlijst ‘groenbemesters / vanggewassen’ als bedoeld in bijlage 1 als onderzaai in combinatie met de hoofdteelt, zodat dit leidt tot zichtbare bodembedekking direct na de oogst van de hoofdteelt;
  • 2°. tot ten minste 1 december is de oppervlakte van het betreffende perceel voor minimaal 80% zichtbaar bedekt met het aangegeven vanggewas;
  • 3°. de hoofdteelt en de onderzaai zijn verschillende gewassen; en
  • 4°. het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden op het perceel is na de oogst van de hoofdteelt niet toegestaan.
  • b. groenbedekking, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘groenbemesters / vanggewassen’ als bedoeld in bijlage 1, waarbij gedurende de gehele periode van 1 januari tot 1 maart de oppervlakte van het betreffende perceel voor minimaal 80% zichtbaar bedekt is met het aangegeven gewas;
  • 2°. uitsluitend pleksgewijze toepassing van gewasbeschermingsmiddelen of biociden is toegestaan, op maximaal 10 procent van de oppervlakte van het betreffende landbouwareaal;
  • 3°. de groenbedekking wordt mechanisch ondergewerkt voorafgaand aan de hoofdteelt in het betreffende aanvraagjaar, zonder doodspuiten of branden van het gewas; en
  • 4°. het gewas mag doodvriezen.
Artikel 20. Eco-activiteiten categorie teeltmaatregel

De Eco-activiteiten in de categorie teeltmaatregel zijn:

  • a. biologische bestrijding, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘biologische bestrijding’ als bedoeld in bijlage 1;
  • 2°. op het perceel met biologische bestrijding wordt een of een combinatie van de volgende technieken toegepast:
  • i. de steriele insectentechniek (SIT) ter beheersing van de uienvlieg;
  • ii. feromoonverwarring ter beheersing van de fruitmot, pruimenmot, bessenglasvlinder, vruchtbladroller, leverkleurige bladroller, grote appelbladroller, of heggebladroller;
  • iii. nematoden;
  • iv. bacteriepreparaten;
  • 3°. de landbouwer bewaart het aankoopbewijs van de toepassing van de biologische bestrijding en het betaalbewijs gedurende 5 jaar in zijn administratie. Het aankoopbewijs vermeldt tenminste de naam van de teler van het gewas, de eenduidige locatiegegevens zoals de X- en Y-coördinaten of het perceelnummer uit de Gecombineerde Opgave, bedoeld in artikel 2 van de voor het desbetreffende jaar geldende Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave, een indicatie van de oppervlakte van het perceel waarop de biologische bestrijding is toegepast, de leverancier en de prijs en hoeveelheid van de geleverde biologische bestrijding.
  • b. precisiegewasbescherming, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer past op het perceel, gedurende de hoofdteelt in het aanvraagjaar, doch uiterlijk 15 oktober van dat jaar, plaatsspecifieke dosering van gewasbeschermingsmiddelen toe door middel van een taakkaart die een GPS-gestuurde spuit aanstuurt dan wel een sensorgestuurde on-the-go aangestuurde spuit;
  • 2°. de spuitboom beschikt minimaal over de mogelijkheid om variabel per sectie de spuitdoppen aan te sturen;
  • 3°. de landbouwer:
  • a. heeft machines en werktuigen die precisiegewasbescherming kunnen uitvoeren ter beschikking op grond van eigendom of huur dan wel in gebruik met toestemming van de eigenaar of de verhuurder; of
  • b. beschikt over een factuur van een loonwerker met vermelding van de uitgevoerde handeling(en), de datum van de handeling, en de eenduidige locatiegegevens zoals de X- en Y-coördinaten of het perceelnummer uit de Gecombineerde Opgave, bedoeld in artikel 2 van de voor het desbetreffende jaar geldende Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave, en bewaart deze gedurende 5 jaar in zijn administratie;
  • 4°. de landbouwer beschikt voor iedere toepassing van precisiegewasbescherming over:
  • a. een taakkaart bij een GPS-gestuurde spuit, waarop de geplande handeling(en), en de eenduidige locatiegegevens zoals de X- en Y-coördinaten staan aangegeven,en bewaart deze gedurende 5 jaar in zijn administratie; of
  • b. een resultaatkaart bij een sensorgestuurde on-the-go aangestuurde spuit waarop de uitgevoerde handelingen en de eenduidige locatiegegevens zoals de X- en Y-coördinaten staan aangegeven, en bewaart deze gedurende 5 jaar in zijn administratie;
  • 5°. de landbouwer houdt een register bij als bedoeld in artikel 67 van verordening (EG) Nr 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L309);
  • 6°. landbouwareaal dat braak ligt, inclusief landschapselementen, is uitgesloten van deze Eco-activiteit; en
  • c. precisiebemesting, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer past op het perceel, gedurende de hoofdteelt in het aanvraagjaar, doch uiterlijk 15 oktober van dat jaar, plaatsspecifieke dosering van bemesting toe door middel van een taakkaart die een GPS-gestuurde strooier (bij korrel- of vaste meststoffen) of – spuit (vloeibare meststoffen) of – zodebemester of – sleepvoetbemester (drijfmest) aanstuurt dan wel een sensorgestuurde on-the-go aangestuurde machine;
  • 2°. de strooier dient ingericht te zijn om meststoffen over de strooibreedte plaatsspecifiek te kunnen doseren;
  • 3°. de spuitboom beschikt minimaal over de mogelijkheid om variabel per sectie de spuitdoppen aan te sturen;
  • 4°. de zodebemester en sleepvoetbemesters dienen ingericht te zijn om de drijfmest over de inbrengbreedte plaatsspecifiek te kunnen doseren;
  • 5°. de landbouwer:
  • a. heeft machines en werktuigen die precisiebemesting kunnen uitvoeren ter beschikking op grond van eigendom of huur dan wel in gebruik met toestemming van de eigenaar of de verhuurder; of
  • b. beschikt over een factuur van een loonwerker met vermelding van de uitgevoerde handeling(en), de datum van de handeling en de eenduidige locatiegegevens zoals de X- en Y-coördinaten of de naam en het perceelnummer uit de Gecombineerde Opgave, bedoeld in artikel 2 van de voor het desbetreffende jaar geldende Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave, en bewaart deze gedurende 5 jaar in zijn administratie;
  • 6°. de landbouwer beschikt voor iedere toepassing van precisiebemesting over:
  • a. een taakkaart bij een GPS-gestuurde machine, waarop de geplande handeling(en) en de eenduidige locatiegegevens zoals de X- en Y-coördinaten staan aangegeven, en bewaart deze gedurende 5 jaar in zijn administratie; of
  • b. een resultaatkaart bij een sensorgestuurde on-the-go aangestuurde machine waarop de uitgevoerde handelingen, en de eenduidige locatiegegevens zoals de X- en Y-coördinaten staan aangegeven, en bewaart deze gedurende 5 jaar in zijn administratie;
  • 7°. landbouwareaal dat braak ligt, inclusief landschapselementen, is uitgesloten van deze eco-activiteit; en
  • 8°. de landbouwer voldoet aan de beheerseisen RBE 2.2 tot en met 2.5, 2.7 tot en met 2.9, 2.11, 2.13 en 2.15, bedoeld in artikel 32, onderdeel a, in samenhang met bijlage 3.
  • d. fertigatie, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer beschikt op het perceel, tijdens de hoofdteelt, over een functioneel werkende druppelirrigatie met doseersysteem;
  • 2°. het doseersysteem kan via leidingen of slangen een mengsel van water en vloeibare meststoffen beschikbaar stellen;
  • 3°. De landbouwer beschikt over een boekhouding waar de registratie van meststoffen die via het doseersysteem worden toegediend wordt vastgelegd, en bewaart deze gedurende 5 jaar in zijn administratie.
  • 4°. nutriënten worden gedoseerd toegevoegd aan het water;
  • 5°. landbouwareaal dat braak ligt, inclusief landschapselementen, is uitgesloten van deze eco-activiteit; en
  • e. Tagetes als aaltjesbestrijding, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt uitsluitend Tagetes patula als hoofdteelt met een zichtbare bedekking;
  • 2°. de teelt vindt minimaal drie aansluitende maanden plaats;
  • 3°. de landbouwer gebruikt minimaal de in de Aanbevelende Rassenlijst voor landbouwgewassen CSAR aanbevolen hoeveelheid zaaizaad;
  • 4°. de landbouwer bewaart de etiketten van het zaaizaad van de Tagetes patula gedurende 5 jaar in zijn administratie;
  • 5°. het areaal was in het voorgaand aanvraagjaar geen blijvend grasland.
Artikel 21. Niet-toegestane Eco-activiteiten

De eco-activiteiten, bedoeld in artikel 20, onderdelen b, c en d, en artikel 23, onderdeel c, zijn niet toegestaan op een bufferstrook als bedoeld in artikel 32, onderdeel b, in samenhang met Bijlage 4 § 2. Water.

Artikel 22. Eco-activiteiten categorie veemaatregelen
1.

De eco-activiteiten in de categorie veemaatregel zijn:

weiden categorie 1 of weiden categorie 2 onder de volgende voorwaarden:

  • 2°. de landbouwer neemt deel aan een erkend certificeringsschema als bedoeld in artikel 22b en voldoet volgens vaststelling door de certificerende instantie aan de eisen van dit certificeringsschema.
Artikel 23. Eco-activiteiten categorie niet-productieve grond

De Eco-activiteiten in de categorie niet-productieve grond zijn:

  • a. heg, haag, struweel, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer houdt een heg, haag, of struweel gelegen op of grenzend aan landbouwgrond in stand van 1 januari tot en met 31 december;
  • 2°. een heg, haag of struweel bestaat uit een lijnvormig element met aaneengesloten opgaande begroeiing van voornamelijk inheemse struiken, waarbij uitheemse soorten en bomen worden verwijderd en waarbij voor een nieuw aangeplante heg, haag of struweel geldt dat aan deze voorwaarde wordt voldaan als de plantdichtheid bij aanplant zodanig is dat binnen drie jaar na die aanplant een aaneengesloten opgaande begroeiing aanwezig is;
  • 3°. een heg, haag of struweel wordt in stand gehouden door periodiek te snoeien of te knippen, zodat de begroeiing bestaat uit alleen opgaande begroeiing; en
  • 4°. het knippen of snoeien van landschapselementen is niet toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 15 juli en in het geval buiten die periode in landschapselementen door vogels wordt gebroed.
  • b. landschapselement hout, onder de volgende voorwaarde:
  • 1°. de landbouwer houdt een landschapselement als bedoeld in artikel 7, tweede lid, in stand gelegen op of grenzend aan landbouwgrond van 1 januari tot en met 31 december; en
  • 2°. het knippen of snoeien van landschapselementen is niet toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 15 juli en in het geval buiten die periode in landschapselementen door vogels wordt gebroed.
  • c. groene braak, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer teelt voor een periode van minimaal 9 aaneengesloten maanden in het aanvraagjaar een gewas uit de gewassenlijst ‘groene braak’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt op bouwland;
  • 2°. het perceel is minimaal drie meter breed;
  • 3°. in de periode van 31 mei tot 31 augustus is de oppervlakte van het betreffende perceel voor minimaal 80% zichtbaar bedekt met het aangegeven gewas;
  • 4°. het is niet toegestaan om tijdens en na de braakperiode het aanwezige gewas in het betreffende aanvraagjaar alsnog te oogsten, te bemesten of er chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden op toe te passen;
  • 5°. beweiden of oogsten van het aangegeven gewas is het gehele aanvraagjaar niet toegestaan; en
  • 6°. het areaal was in het voorgaand aanvraagjaar geen blijvend grasland.
  • d. een kruidenrijke bufferstrook langs bouwland of blijvende teelt, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer beheert een kruidenrijke beheerde bufferstrook die minimaal drie meter en maximaal 12 meter breed is en geheel of gedeeltelijk samenvalt met de bufferstrook, bedoeld in artikel 32, onderdeel b, in samenhang met Bijlage 4, onder 4 en 4a;
  • 2°. de bufferstrook ligt direct langs bouwland, met uitzondering van tijdelijk grasland, of direct langs een perceel blijvende teelt;
  • 3°. er wordt op de bufferstrook geen gebruik gemaakt van bemesting en chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
  • 4°. beweiden of oogsten is niet toegestaan;
  • 5°. van 1 juni tot 1 oktober en voor het jaar 2024 van 15 juli tot 1 oktober heeft de kruidenrijke bufferstrook een zichtbare bedekking bestaande uit tenminste 25 procent duidelijk zichtbare kruiden en vlinderbloemigen, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb beheerspakket 3 ‘plasdras voor weidevogels’ uitvoert waardoor hij tijdelijk niet kan voldoen aan de zichtbare bedekking; en
  • 6°. kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen zijn gelijkmatig verspreid over de bufferstrook aanwezig.
  • e. een kruidenrijke bufferstrook langs grasland, onder de volgende voorwaarden:
  • 1°. de landbouwer beheert een kruidenrijke beheerde bufferstrook die minimaal drie meter en maximaal 12 meter breed is en geheel of gedeeltelijk samenvalt met de bufferstrook, bedoeld in artikel 32, onderdeel b, in samenhang met Bijlage 4, onder 4 en 4a;
  • 2°. de kruidenrijke bufferstrook ligt direct langs een perceel met grasland;
  • 3°. er wordt op de bufferstrook geen gebruik gemaakt van bemesting en chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
  • 4°. beweiden of oogsten is niet toegestaan;
  • 5°. van 1 juni tot 1 oktober en voor het jaar 2024 van 15 juli tot 1 oktober heeft de kruidenrijke bufferstrook een zichtbare bedekking bestaande uit tenminste 25 procent duidelijk zichtbare kruiden en vlinderbloemigen, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb beheerspakket 3 ‘plasdras voor weidevogels’ uitvoert waardoor hij tijdelijk niet kan voldoen aan de zichtbare bedekking; en
  • 6°. gras, kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen zijn gelijkmatig verspreid over de bufferstrook aanwezig.
Artikel 24. Eco-activiteiten categorie biologische productie

De Eco-activiteit in de categorie biologische productie is:

biologische landbouw, onder de volgende voorwaarden:

  • 1°. Het bedrijf van de landbouwer is gecertificeerd overeenkomstig verordening (EU) 2018/848 voor het betreffende perceel of het betreffende perceel is in omschakeling naar biologisch; en
  • 2°. Het bedrijf voldoet uiterlijk op de peildatum aan de voorwaarden gesteld onder 1°.
Artikel 25. Voorwaarden eco-regeling
1.

De landbouwer die aanspraak maakt op de betaling voor de eco-regeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d:

  • b. heeft voor de subsidiabele hectares per regio een minimaal aantal punten volgens de verdeelsleutel, bedoeld in bijlage 2, onderdeel C, behaald voor de verbetering van klimaat, bodem en lucht, water, landschap en biodiversiteit gedifferentieerd naar regio als bedoeld in bijlage 2, onderdeel B;
  • c. heeft voor de uit te betalen subsidiabele hectares minimaal een waarde op het niveau van het tarief brons behaald, als bedoeld in artikel 27, vierde lid; en
  • d. is verantwoordelijk voor de uitvoering van de eco-activiteiten op de subsidiabele hectares die op de peildatum bij hem in gebruik zijn.
2.

Onverminderd artikel 10, tweede lid, onderdeel b en derde lid, onderdeel b, geeft de landbouwer, uiterlijk op de in bijlage 2 genoemde datum, aan welke eco-activiteiten op welke percelen zullen worden uitgevoerd. Wanneer deze uiterste datum op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag als bedoeld in de Algemene termijnenwet eindigt, wordt deze verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

Artikel 26. Combinatie van activiteiten
1.

Uitbetaling kan worden gevraagd voor de uitvoering van verschillende, elkaar niet uitsluitende eco-activiteiten op hetzelfde perceel, als bedoeld in bijlage 2, onderdeel D, waarbij zowel de punten als de waardes van die eco-activiteit bij elkaar mogen worden opgeteld.

2.

Bij de uitvoering van verschillende eco-activiteiten op hetzelfde perceel die dezelfde handeling omvatten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel D:

  • a. worden de punten toegekend van de activiteit die het hoogste aantal te behalen punten oplevert; en
  • b. wordt de waarde toegekend van de activiteit die de hoogste waarde oplevert.
3.

Indien naast een aanvraag om uitbetaling voor het uitvoeren van een eco-activiteit voor dezelfde handeling op hetzelfde perceel of deel van het perceel tevens een aanvraag wordt gedaan om uitbetaling in het kader van de subsidieregelingen ANLb, wordt voor het overlappende deel van het perceel voor de eco-activiteit geen waarde toegekend.

Artikel 27. Berekening en betaling
1.

Het totaal aantal punten, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, wordt berekend door de subsidiabele hectares waarop de eco-activiteit is gerealiseerd en die op de peildatum bij de landbouwer in gebruik zijn, te vermenigvuldigen met het aantal te behalen punten voor de verbetering van klimaat, bodem en lucht, water, landschap en biodiversiteit gedifferentieerd naar regio, zoals vastgesteld in bijlage 2.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt het totaal aantal punten voor de eco-activiteiten, bedoeld in artikel 22, berekend door de oppervlakte tijdelijk en blijvend grasland, met uitzondering van het grasland dat wordt ingezet als kruidenrijke beheerde bufferstrook als bedoeld in artikel 23 onderdelen d en e, waarop de eco-activiteit wordt uitgevoerd en die op de peildatum bij de landbouwer in gebruik zijn, te vermenigvuldigen met het aantal te behalen punten voor de verbetering van klimaat, bodem en lucht, water, landschap en biodiversiteit, zoals vastgesteld in bijlage 2.

3.

Per uitgevoerde eco-activiteit wordt de waarde berekend door het aantal subsidiabele hectares waarop de eco-activiteit wordt uitgevoerd, te vermenigvuldigen met de in bijlage 2 vastgestelde waarde, gedifferentieerd naar regio.

4.

Indien op bedrijfsniveau gemiddeld per hectare een waarde is behaald van:

  • a. ten minste 60 euro, maar minder dan 100 euro, vindt uitbetaling plaats op niveau van het tarief brons;
  • b. ten minste 100 euro, maar minder dan 200 euro, vindt uitbetaling plaats op het niveau van het tarief zilver;
  • c. 200 euro of meer, vindt uitbetaling plaats op het niveau van het tarief goud.
5.

De minister stelt de tarieven voor het niveau brons, zilver en goud jaarlijks vast.

6.

In afwijking van het vierde lid vindt uitbetaling plaats op het niveau van het tarief goud indien het bedrijf van de landbouwer voor het gehele landbouwareaal dat bij de landbouwer in gebruik is SKAL gecertificeerd is overeenkomstig verordening (EU) 2018/848 of in omschakeling is.

7.

De hoogte van de uitbetaling wordt berekend door het tarief, bedoeld in het vijfde lid, te vermenigvuldigen met het aantal subsidiabele hectares.

8.

Indien een solitaire boom wordt ingezet als landschapselement hout als bedoeld in artikel 23, onderdeel b, wordt in afwijking van het eerste lid het aantal te behalen punten voor de verbetering van klimaat, bodem en lucht, water, landschap en biodiversiteit voor de eco-activiteit landschapselement hout zoals vastgesteld in bijlage 2 berekend door de oppervlakte van de boom te vermenigvuldigen met conversiefactor 20.

9.

Op ecologisch kwetsbaar blijvend grasland als bedoeld in artikel 32, onderdeel b, in samenhang met Bijlage 4, onder 9, wordt voor de eco-activiteit langjarig grasland geen waarde toegekend.

Paragraaf 6. Regeling voor zeldzame landbouwhuisdierrassen

Artikel 28. Zeldzame landbouwhuisdierrassen
1.

Een actieve landbouwer als bedoeld in artikel 5, kan aanspraak maken op de betaling voor het houden van raszuivere vrouwelijke en mannelijke dieren, als bedoeld en als zodanig geregistreerd in het I&R register, van de volgende zeldzame Nederlandse landbouwhuisdierrassen:

  • a. rund: Brandrood rund, Fries-Hollands vee, Groninger blaarkop, Lakenvelder, Verbeterd Roodbont;
  • b. schaap: Drents heideschaap, Flevolander, Groot heideschaap, Fries melkschaap, Mergelland schaap, Nederlands bonte schaap, Noordhollander, Schoonebeeker heideschaap, Swifter, Veluws heideschaap, Zwartbles; en
  • c. geit: Nederlandse Bonte geit, Nederlandse Landgeit, Nederlandse Toggenburger geit, Nederlandse Witte geit.
2.

Dieren van de in het eerste lid bedoelde landbouwhuisdierrassen worden als raszuiver beschouwd indien:

  • a. het dier staat ingeschreven in de hoofdsectie van het stamboek;
  • b. het dier staat ingeschreven in de aanvullende sectie van het stamboek, met tenminste 87.5% bloedvoering van het desbetreffende ras.
3.

Om in aanmerking te komen voor betalingen worden:

  • a. in geval van mannelijke en vrouwelijke runderen, tenminste 2,5 grootvee-eenheden gehouden;
  • b. in geval van mannelijke en vrouwelijke geiten en schapen, tenminste 0,5 grootvee-eenheden gehouden.
Artikel 29. Voorwaarden
1.

Betalingen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, worden enkel verstrekt voor zover de aanvrager voldoet aan de beheerseisen van RBE 11, bedoeld in artikel 32, onderdeel a, in samenhang met bijlage 3, met dien verstande dat voor zover sprake is van een niet-naleving die een deel van de aangevraagde dieren raakt, enkel het aantal dieren waarop de niet-naleving betrekking heeft niet voor betaling in aanmerking komt.

2.

Onverminderd artikel 10 bevat de aanvraag in ieder geval:

  • a. de reeds automatisch ingevulde, actuele en voor de betaling relevante, juiste informatie uit het I&R register;
  • b. het aantal zeldzame landbouwhuisdierrassen, bedoeld in artikel 28 eerste lid, uitgedrukt in grootvee-eenheden als bedoeld in artikel 30.
  • c. de locatie van de dieren; en
  • d. de leeftijd van de dieren.
Artikel 30. Berekening grootvee-eenheid en drempel betaling
1.

Het aantal grootvee-eenheden van de zeldzame landbouwhuisdierrassen wordt met inachtneming van punt 12, onderdeel b, van de bijlage bij verordening (EU) 2021/2290, berekend door:

  • a. de som van het aantal op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van het aanvraagjaar, op het unieke bedrijfsregistratienummer van de aanvrager, vastgestelde aantal grootvee-eenheden te delen door 4;
  • b. het aantal runderen van 2 jaar en ouder, te vermenigvuldigen met 1;
  • c. het aantal runderen van 6 maanden tot 2 jaar oud, te vermenigvuldigen met 0,6;
  • d. het aantal schapen of geiten van 6 maanden en ouder te vermenigvuldigen met 0,15.
2.

Indien een dier op een peildatum als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bij meer dan één houder geregistreerd staat, wordt het dier voor die peildatum toegerekend aan de laatst aanvoerende houder.

Artikel 31. Betaling
1.

De betaling wordt eenmaal per jaar verstrekt voor maximaal 100 grootvee-eenheden zeldzame landbouwhuisdierrassen, gehouden in het aanvraagjaar.

2.

De beschikking tot betaling vermeldt per ras het aantal dieren, omgerekend in grootvee-eenheid.

3.

De betaling bedraagt maximaal 200 euro per jaar per grootvee-eenheid.

4.

Indien betaling van het goedgekeurde aantal aanvragen het beschikbare budget overschrijdt, wordt het maximaal per jaar per grootvee-eenheid te betalen bedrag naar rato verdeeld over het aantal grootvee-eenheden waarvoor betaling is gevraagd.

Hoofdstuk 3. Bepalingen inzake de conditionaliteiten en het bedrijfsadviseringssyteem

Paragraaf 1. Conditionaliteiten

Artikel 32. Conditionaliteiten
1.

Een landbouwer die deelneemt aan één of meer van de onder artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde regelingen, neemt de volgende bepalingen in acht:

2.

Percelen die zijn gecertificeerd overeenkomstig verordening (EU) 2018/848 of in omschakeling zijn naar biologisch worden geacht te voldoen aan de in het eerste lid, onderdeel b, en Bijlage IV bedoelde GLMC-normen 1, 3, 4, 5, 6 en 7 voor het in goede landbouw- en milieuconditie houden van landbouwareaal.

Artikel 33. Bewustmakingsmechanisme
1.

Het bewustmakingsmechanisme, bedoeld in artikel 85, derde lid, tweede alinea, van verordening (EU) 2021/2116, houdt in dat de minister, op grond van de beoordeling van de niet-naleving van een conditionaliteit die, gelet op haar geringe ernst, omvang en duur, in naar behoren gemotiveerde gevallen geen aanleiding geeft tot een verlaging of uitsluiting, aan de landbouwer eerst een waarschuwing geeft voor zover geen sprake is van een herhaling.

2.

De in het eerste lid bedoelde niet-naleving van een conditionaliteit betreft in ieder geval:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)