Wet van 20 december 2023 tot invoering van een minimumbelasting en wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1) (Wet minimumbelasting 2024)

Type Wet
Publication 2026-04-11
Laatst bijgewerkt 2026-04-14
State In force
Source BWB
artikelen 84
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1);

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Vindt voor het eerst toepassing m.b.t. verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2023.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Minimumbelasting

Onder de naam minimumbelasting worden van in Nederland gevestigde groepsentiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, de volgende belastingen geheven:

Artikel 1.2. Definities

1.

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Een groepsentiteit die niet voldoet aan de omschrijving van doorkijkentiteit als bedoeld in het eerste lid, in geen enkele staat fiscaal inwoner is en niet onderworpen is aan een betrokken belasting of een kwalificerende binnenlandse bijheffing op basis van haar plaats van feitelijke leiding, plaats van oprichting of soortgelijke criteria, wordt aangemerkt als een doorkijkentiteit en een fiscaal transparante entiteit met betrekking tot haar inkomsten, uitgaven, winsten of verliezen, voor zover:

3.

Onder een kwalificerende imputatiebelasting als bedoeld in de definitie van niet-kwalificerende restitueerbare imputatiebelasting in het eerste lid wordt verstaan een betrokken belasting die is toegerekend aan of betaald door een groepsentiteit, waaronder een vaste inrichting, en restitueerbaar is aan of verrekenbaar is door de ontvanger van het door die groepsentiteit uitgekeerde dividend, of, in het geval van een betrokken belasting die is toegerekend aan of betaald door een vaste inrichting, een door de hoofdentiteit uitgekeerd dividend, voor zover de restitutie betaalbaar is gesteld of de verrekening wordt verleend:

4.

Voor de toepassing van het derde lid, onderdelen d en e, geldt dat:

5.

Voor de toepassing van de definitie van doorkijkentiteit in het eerste lid en voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is een entiteit fiscaal transparant indien haar inkomsten, uitgaven, winsten of verliezen bij of krachtens de wetten van een staat rechtstreeks aan haar belanghouder toekomen, of rechtstreeks bij hem opkomen, naar evenredigheid van zijn belang.

6.

Een staatsinvesteringsfonds dat een overheidsentiteit is wordt geacht geen:

7.

Indien de Europese Commissie een derde staat aanmerkt als een staat die een set maatregelen heeft geïmplementeerd in zijn nationale recht die gelijkwaardig is aan een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel, wordt die set maatregelen voor de toepassing van deze wet geacht een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel te zijn.

8.

Voor de toepassing van de definitie van doorkijkentiteit in het eerste lid, wordt een doorkijkentiteit, niet zijnde een uiteindelijkemoederentiteit, niet aangemerkt als een belanghouder.

Artikel 1.3. Locatie van een groepsentiteit

1.

Een entiteit, niet zijnde een doorkijkentiteit, is voor de toepassing van deze wet, in afwijking in zoverre van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gevestigd in de staat waarin zij op grond van haar plaats van feitelijke leiding, plaats van oprichting of andere soortgelijke criteria, wordt aangemerkt als fiscaal inwoner. Indien er op basis van de eerste zin geen staat van vestiging is, wordt de entiteit geacht te zijn gevestigd in de staat naar het recht waarvan zij is opgericht.

2.

Een doorkijkentiteit wordt als staatloos aangemerkt, tenzij wordt voldaan aan een van de volgende voorwaarden, in welk geval zij wordt geacht te zijn gevestigd in de staat naar het recht waarvan zij is opgericht:

3.

Een vaste inrichting als bedoeld in onderdeel a van de definitie van vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, is gelegen in de staat waarin zij wordt aangemerkt als een vaste inrichting en waaraan het heffingsrecht is toegewezen op grond van het van toepassing zijnde belastingverdrag.

4.

Een vaste inrichting als bedoeld in onderdeel b van de definitie van vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, is gelegen in de staat waarin zij is onderworpen aan een belasting op nettobasis op grond van haar aanwezigheid.

5.

Een vaste inrichting als bedoeld in onderdeel c van de definitie van vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, is gelegen in de staat waarin zij zich bevindt.

6.

Een vaste inrichting als bedoeld in onderdeel d van de definitie van vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, wordt als staatloos aangemerkt.

7.

Een entiteit die op grond van het eerste lid in twee staten is gevestigd, wordt behoudens in de gevallen, bedoeld in het achtste lid, geacht te zijn gevestigd in de staat waarin zij op grond van het tussen die staten van toepassing zijnde belastingverdrag als fiscaal inwoner wordt aangemerkt.

8.

Een entiteit die op grond van het eerste lid in twee staten is gevestigd, wordt geacht te zijn gevestigd in de staat die het hoogste bedrag aan betrokken belastingen over het verslagjaar heeft geheven, indien:

9.

Indien voor een entiteit waarop het achtste lid van toepassing is geen vestigingsplaats kan worden bepaald omdat het verschuldigde bedrag aan betrokken belastingen over het verslagjaar in beide staten waarin zij is gevestigd gelijk of nihil is, wordt de entiteit geacht te zijn gevestigd in de staat waarin de som van de bedragen van de uitzondering voor werknemerslasten, bedoeld in artikel 8.3, tweede lid, en de uitzondering voor materiële activa, bedoeld in artikel 8.3, derde lid, van die entiteit in dat verslagjaar het hoogst is. Indien de som van die bedragen in beide staten gelijk of nihil is, wordt de entiteit geacht staatloos te zijn, tenzij zij een uiteindelijkemoederentiteit is, in welk geval zij geacht wordt te zijn gevestigd in de staat naar het recht waarvan zij is opgericht.

10.

Bij de bepaling van het hoogste bedrag aan betrokken belastingen, bedoeld in het achtste lid, blijft het bedrag aan belastingen dat overeenkomstig een belastingregeling voor buitenlandse gecontroleerde lichamen is geheven buiten beschouwing.

11.

Een moederentiteit die op grond van het eerste lid zowel is gevestigd in Nederland als in een andere staat waarin zij niet is onderworpen aan een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en die als gevolg van de toepassing van het zevende, achtste, of negende lid, wordt geacht te zijn gevestigd in die andere staat wordt, in afwijking in zoverre van die leden, voor de toepassing van hoofdstuk 4 geacht te zijn gevestigd in Nederland, tenzij het van toepassing zijnde belastingverdrag de toepassing van een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel verbiedt.

12.

Een entiteit waarvan de vestigingsplaats in de loop van het verslagjaar wijzigt, wordt in dat verslagjaar geacht te zijn gevestigd in de staat waarin zij op grond van dit artikel bij de aanvang van dat verslagjaar is gevestigd.

13.

Voor de toepassing van deze wet wordt onder de vestigingsplaats van een groepsentiteit mede begrepen de plaats waar een vaste inrichting is gelegen.

Hoofdstuk 2. Reikwijdte

Artikel 2.1. Reikwijdte

1.

Deze wet heeft in een verslagjaar betrekking op groepsentiteiten, niet zijnde uitgesloten entiteiten als bedoeld in artikel 2.2, die deel uitmaken van een multinationale groep of binnenlandse groep, indien die groep in ten minste twee van de vier onmiddellijk aan het verslagjaar voorafgaande verslagjaren of, indien minder dan vier verslagjaren vooraf zijn gegaan aan het verslagjaar, in ten minste twee van de onmiddellijk aan het verslagjaar voorafgaande verslagjaren, volgens de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit van de groep een omzet heeft van ten minste € 750.000.000 per verslagjaar.

2.

Het bedrag van € 750.000.000 wordt opgevat en berekend met inbegrip van de in de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit van de groep opgenomen omzet van uitgesloten entiteiten als bedoeld in artikel 2.2 en wordt voor een verslagjaar dat langer of korter is dan een periode van twaalf maanden verhoogd, onderscheidenlijk verlaagd, naar evenredigheid van het aantal maanden in dat verslagjaar.

Artikel 2.2. Uitgesloten entiteiten

1.

Onder een uitgesloten entiteit wordt verstaan:

2.

Het eerste lid, onderdeel c, is slechts van toepassing op een entiteit indien nagenoeg al het inkomen van die entiteit bestaat uit dividenden of vermogenswinsten of -verliezen die op basis van artikel 6.2, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, of een soortgelijke regeling in een andere staat, zijn uitgesloten van het kwalificerende inkomen of verlies.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, wordt een entiteit waarvan de gehele waarde onmiddellijk of middellijk wordt gehouden door een of meer non-profitorganisaties geacht uitsluitend activiteiten te verrichten die ondergeschikt zijn aan de activiteiten van die non-profitorganisaties, indien de omzet van de multinationale groep of binnenlandse groep zonder de omzet van die non-profitorganisaties en de entiteiten die op de voet van het eerste lid, onderdelen b of c, uitgesloten entiteiten zijn voor een verslagjaar lager is dan:

4.

De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan ervoor kiezen om, in afwijking van het eerste lid, de entiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, niet te behandelen als uitgesloten entiteiten.

Hoofdstuk 3. Binnenlandse bijheffing

Artikel 3.1. Belastingplicht binnenlandse bijheffing

1.

Belastingplichtig voor de binnenlandse bijheffing is een in Nederland gevestigde groepsentiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, die een laagbelaste groepsentiteit is.

2.

Indien meerdere groepsentiteiten als bedoeld in het eerste lid behoren tot dezelfde multinationale groep of binnenlandse groep, wordt de binnenlandse bijheffing van hen geheven alsof er één belastingplichtige is, in die zin dat het kwalificerende inkomen van die entiteiten voor de toepassing van artikel 8.2, vijfde lid, kwalificerend inkomen is van de entiteit bij wie de binnenlandse bijheffing wordt geheven. De binnenlandse bijheffing, bedoeld in de eerste zin, wordt geheven bij:

3.

Indien het tweede lid, onderdelen b of c, van toepassing is, wordt, al dan niet op verzoek van een in Nederland gevestigde groepsentiteit, bij voor bezwaar vatbare beschikking door de inspecteur vastgesteld bij welke groepsentiteit de binnenlandse bijheffing wordt geheven.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld waaraan het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet voldoen.

5.

Onder een groepsentiteit als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een joint venture en de met de joint venture verbonden partijen.

Artikel 3.2. Bedrag aan binnenlandse bijheffing

1.

De over een verslagjaar verschuldigde binnenlandse bijheffing is gelijk aan de over het verslagjaar berekende bijheffing van de groep voor Nederland, met dien verstande dat bij die berekening niet in aanmerking wordt genomen:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid vinden de artikelen 8.2, vijfde en zesde lid, en 8.4, vierde tot en met zesde lid, geen toepassing.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de overwinst, bedoeld in artikel 8.2, vierde lid, berekend in overeenstemming met de lokale financiële verslaggevingsstandaard, bedoeld in artikel 8.13, tweede lid, onderdeel c, mits wordt voldaan aan de vereisten van artikel 8.13, derde lid, en onder toepassing van artikel 8.13, vierde en vijfde lid. Ingeval de financiële verslaggeving van alle in Nederland gevestigde groepsentiteiten is opgesteld op basis van verschillende lokale financiële verslaggevingsstandaarden, wordt de overwinst berekend op basis van de financiële verslaggeving die niet is opgesteld volgens IFRS of IFRS zoals goedgekeurd door de EU overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG 2002, L 243).

4.

Indien de overwinst ingevolge het derde lid wordt berekend in overeenstemming met de lokale verslaggevingsstandaard, wordt de over een verslagjaar verschuldigde binnenlandse bijheffing berekend in euro’s. Indien een of meer in Nederland gevestigde groepsentiteiten een andere munteenheid hanteren bij het opstellen van de jaarrekening, wordt in afwijking van de vorige zin naar keuze van de informatieaangifte-indienende groepsentiteit voor een periode van vijf verslagjaren de verschuldigde binnenlandse bijheffing berekend in euro’s dan wel in de munteenheid die wordt gehanteerd bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de groep.

Hoofdstuk 4. Inkomen-inclusiebijheffing

Artikel 4.1. Belastingplicht inkomen-inclusiebijheffing

1.

Belastingplichtig voor de inkomen-inclusiebijheffing is een in Nederland gevestigde groepsentiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, zijnde een uiteindelijkemoederentiteit, een tussenliggende moederentiteit die wordt gehouden door een in een derde staat gevestigde uiteindelijkemoederentiteit of door een in een lidstaat gevestigde uiteindelijkemoederentiteit die een uitgesloten entiteit is, of een partieel gehouden moederentiteit, die:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een in Nederland gevestigde tussenliggende moederentiteit indien:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een in Nederland gevestigde partieel gehouden moederentiteit indien het volledige belang in die entiteit, onmiddellijk of middellijk, wordt gehouden door een andere partieel gehouden moederentiteit die verplicht is over het verslagjaar een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toe te passen.

Artikel 4.2. Bedrag aan inkomen-inclusiebijheffing

1.

De over een verslagjaar verschuldigde inkomen-inclusiebijheffing die wordt geheven van een moederentiteit als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdelen a en b, is gelijk aan de som van de berekende bedragen aan bijheffing over het verslagjaar voor iedere laagbelaste groepsentiteit waarin zij een onmiddellijk of middellijk belang heeft, nadat die bijheffing per groepsentiteit is vermenigvuldigd met het aan de moederentiteit toerekenbare deel van die bijheffing over het verslagjaar.

2.

Het aan een moederentiteit toerekenbare deel van de bijheffing voor een laagbelaste groepsentiteit over het verslagjaar is gelijk aan het kwalificerende inkomen van die laagbelaste groepsentiteit over het verslagjaar verminderd met het bedrag van dat kwalificerende inkomen dat toerekenbaar is aan andere belanghouders in die entiteit en gedeeld door het kwalificerende inkomen van die groepsentiteit over het verslagjaar.

3.

Het bedrag aan kwalificerend inkomen van een laagbelaste groepsentiteit dat toerekenbaar is aan andere belanghouders in die entiteit is het bedrag dat op basis van de principes van de geaccepteerde financiële verslaggevingsstandaard die gebruikt zijn bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit behandeld zou zijn als toerekenbaar aan die andere belanghouders als de nettowinst van de laagbelaste groepsentiteit gelijk zou zijn aan haar kwalificerende inkomen en:

4.

De over een verslagjaar verschuldigde inkomen-inclusiebijheffing die, al dan niet in aanvulling op het eerste lid, wordt geheven van een moederentiteit als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel c, is gelijk aan de berekende bijheffing voor die moederentiteit over het verslagjaar.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder andere belanghouders: belanghouders die niet tot dezelfde groep behoren als de moederentiteit en de laagbelaste groepsentiteiten.

Artikel 4.3. Verrekeningsmechanisme

1.

Indien een moederentiteit als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, een belang heeft in een laagbelaste groepsentiteit door middel van een tussenliggende moederentiteit of partieel gehouden moederentiteit die over het verslagjaar bijheffing op grond van een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel is verschuldigd, wordt het over het verslagjaar door de moederentiteit, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, verschuldigde bedrag aan inkomen-inclusiebijheffing verminderd met het aan haar toerekenbare bedrag van die bijheffing dat door die tussenliggende moederentiteit of partieel gehouden moederentiteit is verschuldigd.

2.

Indien artikel 8.13 niet van toepassing is en een moederentiteit als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onmiddellijk of middellijk een belang heeft in een of meer laagbelaste groepsentiteiten ter zake waarvan in hun staat van vestiging over het verslagjaar een kwalificerende binnenlandse bijheffing is verschuldigd, wordt het over het verslagjaar door de moederentiteit, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, ter zake van die laagbelaste groepsentiteiten verschuldigde bedrag aan inkomen-inclusiebijheffing verminderd met die kwalificerende binnenlandse bijheffing, maar niet verder dan tot nihil.

Hoofdstuk 5. Onderbelastewinstbijheffing

Artikel 5.1. Onderbelastewinstbijheffing

1.

Belastingplichtig voor de onderbelastewinstbijheffing is een in Nederland gevestigde groepsentiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, niet zijnde een beleggingsentiteit, die behoort tot een multinationale groep waarvan een of meer laagbelaste groepsentiteiten deel uitmaken en waarvan de uiteindelijkemoederentiteit:

2.

Indien meerdere in Nederland gevestigde groepsentiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, niet zijnde beleggingsentiteiten, behoren tot een multinationale groep als bedoeld in het eerste lid, is belastingplichtig voor de onderbelastewinstbijheffing:

3.

Indien het tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, wordt, al dan niet op verzoek van een in Nederland gevestigde groepsentiteit, bij voor bezwaar vatbare beschikking door de inspecteur vastgesteld welke groepsentiteit belastingplichtig is voor de onderbelastewinstbijheffing.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld waaraan het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet voldoen.

5.

De in Nederland gevestigde groepsentiteit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, in samenhang met het tweede lid, is slechts belastingplichtig voor de onderbelastewinstbijheffing met betrekking tot verslagjaren die aanvangen voor 31 december 2029.

Artikel 5.2. Berekening en toerekening onderbelastewinstbijheffing

1.

De over een verslagjaar verschuldigde onderbelastewinstbijheffing is gelijk aan het bedrag van de totale onderbelastewinstbijheffing over het verslagjaar, bedoeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met het onderbelastewinstbijheffingspercentage voor het verslagjaar, bedoeld in het vijfde lid.

2.

Het bedrag van de totale onderbelastewinstbijheffing over een verslagjaar is gelijk aan de som van de op basis van artikel 8.2 berekende bedragen aan bijheffing over het verslagjaar voor iedere laagbelaste groepsentiteit van de multinationale groep waartoe de belastingplichtige behoort, na toepassing van de correcties, bedoeld in het derde en vierde lid.

3.

Indien het volledige belang van de uiteindelijkemoederentiteit in een laagbelaste groepsentiteit, onmiddellijk of middellijk, wordt gehouden via een of meer moederentiteiten die verplicht zijn om in het verslagjaar een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toe te passen ter zake van die laagbelaste groepsentiteit, wordt voor de berekening van de totale onderbelastewinstbijheffing de bijheffing voor die laagbelaste groepsentiteit gesteld op nihil.

4.

Indien een deel van het belang van de uiteindelijkemoederentiteit in een laagbelaste groepsentiteit, onmiddellijk of middellijk, wordt gehouden via een of meer moederentiteiten die verplicht zijn om in het verslagjaar een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel toe te passen ter zake van die laagbelaste groepsentiteit, wordt voor de berekening van de totale onderbelastewinstbijheffing de bijheffing voor die laagbelaste groepsentiteit verminderd met het aan die moederentiteit, onderscheidenlijk die moederentiteiten, toerekenbare deel van de bijheffing die op grond van een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel is geheven ter zake van die laagbelaste groepsentiteit.

5.

Het onderbelastewinstbijheffingspercentage voor een verslagjaar bedraagt de som van 50% van de ratio M/N en 50% van de ratio A/B, waarbij wordt verstaan onder:

M: het totale aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdsequivalenten, van alle in Nederland gevestigde groepsentiteiten, niet zijnde beleggingsentiteiten, die deel uitmaken van de multinationale groep waartoe de belastingplichtige behoort;

N: het totale aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdsequivalenten, van alle groepsentiteiten, niet zijnde beleggingsentiteiten, die deel uitmaken van de multinationale groep waartoe de belastingplichtige behoort en die gevestigd zijn in een staat waar een kwalificerende onderbelastewinstmaatregel van toepassing is in het verslagjaar;

A: de som van de nettoboekwaarde van de materiële activa van alle in Nederland gevestigde groepsentiteiten, niet zijnde beleggingsentiteiten, die deel uitmaken van de multinationale groep;

B: de som van de nettoboekwaarde van de materiële activa van alle groepsentiteiten, niet zijnde beleggingsentiteiten, die deel uitmaken van de multinationale groep waartoe de belastingplichtige behoort en die gevestigd zijn in een staat waar een kwalificerende onderbelastewinstmaatregel van toepassing is in het verslagjaar.

6.

Onder werknemers als bedoeld in het vijfde lid worden mede verstaan zelfstandige contractanten, mits zij participeren in de reguliere bedrijfsactiviteiten van de groepsentiteit.

7.

De materiële activa, bedoeld in het vijfde lid, omvatten de materiële activa van alle in de betreffende staat gevestigde groepsentiteiten.

8.

Voor de toepassing van het vijfde lid worden werknemers en materiële activa toegerekend aan een vaste inrichting voor zover de loonkosten van de werknemers en voor zover de materiële activa zijn opgenomen in de afzonderlijke financiële gegevens van die vaste inrichting als bedoeld in artikel 6.13, eerste tot en met derde lid. De werknemers en materiële activa die zijn toegerekend aan de vaste inrichting worden niet in aanmerking genomen bij de hoofdentiteit van de vaste inrichting.

9.

Voor de toepassing van het vijfde lid worden de werknemers en de materiële activa van een doorkijkentiteit slechts in aanmerking genomen voor zover deze zijn toegerekend aan een vaste inrichting of, bij afwezigheid van een vaste inrichting, aan de groepsentiteiten die zijn gevestigd in de staat waarin de doorkijkentiteit is opgericht.

10.

Voor de toepassing van het vijfde lid worden de werknemers en de materiële activa van de in een staat gevestigde groepsentiteiten van een multinationale groep in een verslagjaar niet in aanmerking genomen, indien het aan die staat toegerekende bedrag aan onderbelastewinstbijheffing van een voorafgaand verslagjaar niet heeft geleid tot een additionele contante belastinglast voor die groepsentiteiten die gelijk is aan het bedrag aan onderbelastewinstbijheffing dat in dat voorafgaande verslagjaar is toegerekend aan die staat. De eerste zin is in een verslagjaar niet van toepassing indien de werknemers en de materiële activa van de groepsentiteiten van een multinationale groep voor alle staten met een in dat verslagjaar van toepassing zijnde kwalificerende onderbelastewinstmaatregel op basis van die zin in dat verslagjaar buiten aanmerking zouden blijven.

Hoofdstuk 6. Bepaling van het kwalificerende inkomen of verlies

Artikel 6.1. Het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit

1.

Het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit over een verslagjaar wordt bepaald door de correcties, bedoeld in de artikelen 6.2 tot en met 6.14, toe te passen op de nettowinst of het nettoverlies van de groepsentiteit over het verslagjaar vóór de consolidatiecorrecties ter eliminatie van intra-groepstransacties, zoals deze nettowinst of dit nettoverlies is vastgesteld volgens de financiële verslaggevingsstandaard die is gebruikt bij de totstandkoming van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit.

2.

Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om de nettowinst of het nettoverlies van een groepsentiteit over een verslagjaar te bepalen volgens de financiële verslaggevingsstandaard die wordt gebruikt bij de totstandkoming van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit, mag voor de toepassing van het eerste lid de nettowinst of het nettoverlies van de groepsentiteit over dat verslagjaar ook worden vastgesteld aan de hand van een andere geaccepteerde of geautoriseerde financiële verslaggevingsstandaard, mits:

3.

Indien een groepsentiteit is gevestigd in een staat die een kwalificerende binnenlandse bijheffing toepast, mag de nettowinst of het nettoverlies van die groepsentiteit, in afwijking van het eerste en tweede lid, worden bepaald in overeenstemming met een geaccepteerde of geautoriseerde financiële verslaggevingsstandaard die afwijkt van de financiële verslaggevingsstandaard die wordt gebruikt bij de totstandkoming van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit, mits de gegevens in de financiële verslaggeving ter bepaling van deze nettowinst of dit nettoverlies zijn gecorrigeerd om elke vorm van materiële concurrentieverstoring te voorkomen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter bepaling van hetgeen voor de toepassing van dit lid wordt verstaan onder een materiële concurrentieverstoring.

4.

Indien de toepassing van een bepaalde grondslag of procedure volgens een set aan algemeen aanvaarde verslaggevingsbeginselen leidt tot materiële concurrentieverstoring, wordt voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit de toepassing van die grondslag of procedure aangepast overeenkomstig de vereiste behandeling volgens de internationale standaarden voor financiële verslaglegging IFRS of IFRS zoals goedgekeurd door de EU overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG 2002, L 243).

5.

Indien de activa, passiva, inkomsten, uitgaven en kasstromen van een groepsentiteit niet zijn opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening en het verslagjaar van die groepsentiteit afwijkt van het verslagjaar van de uiteindelijkemoederentiteit, wordt het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit bepaald aan de hand van de financiële verslaggeving van die groepsentiteit over de financiële verslaggevingsperiode die eindigt in het verslagjaar van de uiteindelijkemoederentiteit.

Artikel 6.2. Correcties voor de bepaling van het kwalificerende inkomen of verlies

1.

Voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit wordt de nettowinst of het nettoverlies van die entiteit gecorrigeerd met het bedrag van de volgende bestanddelen:

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)