Wet van 20 december 2023 tot invoering van een minimumbelasting en wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1) (Wet minimumbelasting 2024)

Type Wet
Publication 2026-04-11
Laatst bijgewerkt 2026-04-14
State In force
Source BWB
artikelen 84
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de voorwaarden waaronder de informatieaangifte-indienende groepsentiteit ervoor kan kiezen om de nettowinst of het nettoverlies niet te corrigeren met de winsten of verliezen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 3°.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de voorwaarden waaronder de informatieaangifte-indienende groepsentiteit ervoor kan kiezen om valutaresultaten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, onder 4°, aan te merken als een uitgesloten vermogenswinst of -verlies.

5.

Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit daarvoor in overeenstemming met artikel 13.2, eerste lid, kiest, worden in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, dividenden die een groepsentiteit ontvangt uit hoofde van al haar portfoliobelangen niet aangemerkt als uitgesloten dividend.

6.

Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b en c, en het vijfde lid, wordt verstaan onder portfoliobelang: een door de multinationale groep of binnenlandse groep gehouden belang in een entiteit dat recht geeft op minder dan 10% van de winsten, het kapitaal of de reserves van, of de stemrechten in, die entiteit.

Artikel 6.3. Op aandelen gebaseerde betalingen

1.

Voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies kan de informatieaangifte-indienende groepsentiteit er overeenkomstig artikel 13.2, eerste lid, voor alle groepsentiteiten gevestigd in dezelfde staat voor kiezen om het bedrag dat in de financiële verslaggeving van die groepsentiteiten als kosten voor een op aandelen gebaseerde betaling in mindering is gebracht op de nettowinst of het nettoverlies voor die groepsentiteiten te vervangen door het bedrag dat voor die betaling als kosten in mindering mag worden gebracht bij de berekening van de belastbare winst.

2.

Indien een optie om aandelen te verkrijgen niet wordt uitgeoefend, wordt voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit het bedrag aan kosten voor een op aandelen gebaseerde betaling dat in een voorgaand verslagjaar ter zake van die optie in mindering is gebracht op de nettowinst of het nettoverlies van die groepsentiteit, in het verslagjaar waarin deze optie vervalt, opgeteld bij het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit.

3.

Indien een deel van het bedrag aan aftrekbare kosten voor op aandelen gebaseerde betalingen is opgenomen in de financiële verslaggeving van een groepsentiteit in verslagjaren voorafgaand aan het verslagjaar waarin voor de toepassing van het eerste lid is gekozen, wordt een bedrag gelijk aan het verschil tussen het volledige bedrag aan aftrekbare kosten voor op aandelen gebaseerde betalingen dat in mindering is gebracht bij het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies in die voorafgaande verslagjaren en het volledige bedrag dat in mindering zou zijn gebracht bij het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies in die voorafgaande verslagjaren indien in die jaren voor de toepassing van het eerste lid zou zijn gekozen, in aanmerking genomen bij het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit in het verslagjaar waarin de keuze is gemaakt.

4.

In het verslagjaar waarin de keuze overeenkomstig artikel 13.2, eerste lid, wordt herroepen, wordt het bedrag aan onbetaalde kosten voor op aandelen gebaseerde betalingen dat op grond van het eerste lid in mindering is gebracht op de nettowinst of het nettoverlies van een groepsentiteit, voor zover dat bedrag de kosten die voor die betalingen zijn opgenomen in de financiële verslaggeving te boven gaat, opgeteld bij het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit.

Artikel 6.4. Transacties tussen groepsentiteiten

1.

Voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit wordt elke transactie tussen groepsentiteiten die zijn gevestigd in verschillende staten die niet voor hetzelfde bedrag is opgenomen in de financiële verslaggeving van die groepsentiteiten, of die niet in overeenstemming is met het arm’s-lengthbeginsel, gecorrigeerd, zodat het bedrag bij beide groepsentiteiten hetzelfde is en in overeenstemming is met het arm’s-lengthbeginsel.

2.

Een verlies op een overdracht van een activum tussen twee groepsentiteiten die zijn gevestigd in dezelfde staat wordt gecorrigeerd op basis van het arm’s-lengthbeginsel indien dat verlies in aanmerking is genomen bij de berekening van het kwalificerende inkomen of verlies en dat verlies in de financiële verslaggeving niet is opgenomen in overeenstemming met het arm’s-lengthbeginsel.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het arm’s-lengthbeginsel verstaan: het beginsel op basis waarvan transacties tussen groepsentiteiten voor belastingdoeleinden in aanmerking worden genomen op basis van voorwaarden die door onafhankelijke ondernemingen bij vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden zouden zijn overeengekomen.

Artikel 6.5. Kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed

Voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit worden kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden aangemerkt als inkomen en worden niet-kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden en overige belastingtegoeden niet aangemerkt als inkomen.

Artikel 6.6. Waardering op reële waarde

1.

Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit daarvoor in overeenstemming met artikel 13.2, eerste lid, kiest, worden winsten en verliezen op activa en passiva die in de geconsolideerde jaarrekening voor een verslagjaar worden gewaardeerd op reële waarde bij het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit in aanmerking genomen op basis van het realisatiebeginsel.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor het bepalen van de winst of het verlies bij realisatie de boekwaarde van een activum of passivum gesteld op de boekwaarde op het laatste van de volgende tijdstippen:

3.

De keuze, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing op de activa en passiva van alle in een staat gevestigde groepsentiteiten, tenzij de informatieaangifte-indienende groepsentiteit ervoor kiest om de keuze te beperken tot de materiële activa van alle in een staat gevestigde groepsentiteiten, dan wel tot de activa en passiva van alle in een staat gevestigde beleggingsentiteiten.

4.

Indien voor enig verslagjaar de keuze overeenkomstig artikel 13.2, eerste lid, wordt herroepen, wordt voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van de groepsentiteiten waarvoor de keuze in het voorafgaande verslagjaar gold een bedrag gelijk aan het verschil tussen de reële waarde en de boekwaarde van de activa of passiva, welk verschil wordt bepaald op de eerste dag van het verslagjaar waarvoor de keuze wordt herroepen, in aanmerking genomen bij de bepaling van het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteiten.

Artikel 6.7. Vervreemding van lokale vaste activa

1.

Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit daarvoor in overeenstemming met artikel 13.2, tweede lid, kiest, wordt de winst of het verlies van die groepsentiteiten welke in een verslagjaar is behaald met de vervreemding van lokale vaste activa door die groepsentiteiten aan personen of entiteiten die geen groepsentiteiten zijn, verrekend volgens de regels van het tweede tot en met vijfde lid.

2.

De nettovervreemdingswinst uit de vervreemding van lokale vaste activa door alle groepsentiteiten die zijn gevestigd in dezelfde staat in het verslagjaar waarvoor de keuze geldt, wordt verrekend met het nettovervreemdingsverlies uit de vervreemding van lokale vaste activa door die groepsentiteiten in de vijfjaarsperiode, bestaande uit dat verslagjaar en de vier daaraan voorafgaande verslagjaren, in de volgorde waarin die verliezen zijn ontstaan.

3.

Indien na de toepassing van het tweede lid een bedrag aan nettovervreemdingswinst resteert, wordt dit bedrag voor de berekening van het kwalificerende inkomen of verlies van iedere in de staat gevestigde groepsentiteit die een nettovervreemdingswinst heeft behaald met de vervreemding van lokale vaste activa in het verslagjaar waarvoor de keuze geldt, gelijkelijk verdeeld over de vijfjaarsperiode en toegerekend aan die entiteiten aan de hand van de verhouding van de nettovervreemdingswinst van een groepsentiteit ten opzichte van de nettovervreemdingswinst van alle groepsentiteiten in dat verslagjaar.

4.

Indien het derde lid niet kan worden toegepast omdat de met de vervreemding van lokale vaste activa behaalde nettovervreemdingswinst in een staat in het verslagjaar waarvoor de keuze geldt is behaald door één groepsentiteit, wordt het na de toepassing van het tweede lid resterende bedrag aan nettovervreemdingswinst voor de berekening van het kwalificerende inkomen of verlies van iedere in de staat gevestigde groepsentiteit toegerekend aan alle groepsentiteiten in die staat in dat verslagjaar en gelijkelijk verdeeld over de vijfjaarsperiode.

5.

Op elke aanpassing van het kwalificerende inkomen of verlies op grond van dit artikel voor de verslagjaren voorafgaand aan het verslagjaar waarvoor de keuze geldt, is artikel 8.4, eerste lid, van toepassing.

6.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder lokale vaste activa verstaan: onroerende zaken die zijn gelegen in de staat waarin de groepsentiteit die de onroerende zaken vervreemdt is gevestigd.

Artikel 6.8. Intra-groepsfinancieringsregeling tussen groepsentiteiten

Kosten die betrekking hebben op een intra-groepsfinancieringsregeling waarbij een groepsentiteit financiering verstrekt aan een of meer andere groepsentiteiten van dezelfde multinationale groep worden niet in aanmerking genomen bij het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit die de financiering ontvangt, indien:

Artikel 6.9. Geconsolideerde grondslag bij fiscale groepsregelingen

1.

Voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van groepsentiteiten die gevestigd zijn in dezelfde staat en betrokken zijn in een fiscale groepsregeling kan de informatieaangifte-indienende groepsentiteit er overeenkomstig artikel 13.2, eerste lid, voor kiezen om een geconsolideerde grondslag toe te passen ten aanzien van inkomsten, uitgaven, winsten en verliezen die voortvloeien uit transacties tussen deze groepsentiteiten.

2.

In het verslagjaar waarin de keuze wordt gemaakt of overeenkomstig artikel 13.2, eerste lid, wordt herroepen, worden passende correcties aangebracht om te voorkomen dat bestanddelen van het kwalificerende inkomen of verlies niet, of meer dan een keer, in aanmerking worden genomen als gevolg van die keuze of herroeping.

Artikel 6.10. Verzekeringsmaatschappijen

1.

Voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een verzekeringsmaatschappij blijft buiten aanmerking de bij polishouders in rekening gebrachte en door de verzekeringsmaatschappij betaalde belasting ten aanzien van uitkeringen aan polishouders.

2.

Voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een verzekeringsmaatschappij worden alle opbrengsten voor de polishouders die niet zijn opgenomen in de nettowinst of het nettoverlies in aanmerking genomen, voor zover de corresponderende toename of afname in de verplichtingen aan de polishouders is opgenomen in de nettowinst of het nettoverlies.

Artikel 6.11. Aanvullend tier 1-kapitaal

Voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit wordt:

Artikel 6.12. Uitsluiting van inkomen uit internationale scheepvaart

1.

Voor het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van een groepsentiteit blijft het inkomen uit internationale scheepvaart en het inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart van die groepsentiteit buiten aanmerking indien die groepsentiteit aannemelijk maakt dat het strategische of commerciële beheer van alle betrokken schepen feitelijk wordt verricht vanuit de staat waarin zij is gevestigd.

2.

Indien de berekening van het door een groepsentiteit behaalde inkomen uit internationale scheepvaart of inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart resulteert in een verlies, blijft dat verlies buiten aanmerking bij het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid bedraagt het inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart van alle in een staat gevestigde groepsentiteiten ten hoogste 50% van het inkomen uit internationale scheepvaart van deze groepsentiteiten.

4.

Voor het bepalen van het inkomen uit internationale scheepvaart en het inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart komen in aftrek de door een groepsentiteit gemaakte kosten die rechtstreeks toerekenbaar zijn aan haar activiteiten in de internationale scheepvaart, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, en gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b.

5.

Voor het bepalen van het inkomen uit internationale scheepvaart en het inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart komen de door een groepsentiteit gemaakte kosten die indirect voortvloeien uit haar activiteiten in de internationale scheepvaart, onderscheidenlijk haar gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart, in aftrek naar de verhouding waarin haar inkomen uit die activiteiten, onderscheidenlijk nevenactiviteiten, staat tot haar totale inkomen.

6.

Alle directe en indirecte kosten die overeenkomstig het vierde en vijfde lid worden toegerekend aan het inkomen uit internationale scheepvaart en het inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart van een groepsentiteit worden uitgesloten van de berekening van het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit.

7.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

Artikel 6.13. Toerekening van nettowinst of nettoverlies aan hoofdentiteit en vaste inrichting

1.

Indien een groepsentiteit een vaste inrichting is als bedoeld in de onderdelen a, b of c van de definitie van vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, is de nettowinst of het nettoverlies van die vaste inrichting de nettowinst of het nettoverlies volgens de afzonderlijke financiële verslaggeving van die vaste inrichting. Indien die vaste inrichting geen afzonderlijke financiële verslaggeving bijhoudt, is de nettowinst of het nettoverlies van die vaste inrichting de nettowinst of het nettoverlies zoals die winst of dat verlies uit de afzonderlijke financiële verslaggeving van die vaste inrichting zou blijken indien die vaste inrichting een dergelijke verslaggeving zou bijhouden in overeenstemming met de financiële verslaggevingsstandaarden die als uitgangspunt dienen bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit.

2.

Indien een groepsentiteit een vaste inrichting is als bedoeld in de onderdelen a of b van de definitie van vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, komen in de nettowinst of het nettoverlies van die vaste inrichting enkel het inkomen en de kosten tot uitdrukking die in overeenstemming met het van toepassing zijnde belastingverdrag of de nationale fiscale wetgeving van de staat waarin die vaste inrichting is gelegen aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend, ongeacht het bedrag aan inkomen dat is onderworpen aan belastingheffing en het bedrag aan aftrekbare kosten in die staat.

3.

Indien een groepsentiteit een vaste inrichting is als bedoeld in onderdeel c van de definitie van vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, komen in de nettowinst of het nettoverlies van die vaste inrichting enkel het inkomen en de kosten tot uitdrukking die in overeenstemming met artikel 7 van het OESO-modelverdrag aan die vaste inrichting toerekenbaar zouden zijn.

4.

Indien een groepsentiteit een vaste inrichting is als bedoeld in onderdeel d van de definitie van vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, wordt de nettowinst of het nettoverlies van die vaste inrichting bepaald aan de hand van het inkomen dat van belastingheffing is vrijgesteld in de staat waarin de hoofdentiteit is gevestigd en toerekenbaar is aan buiten die staat verrichte activiteiten, en de kosten die voor belastingdoeleinden niet in aftrek komen in de staat waarin de hoofdentiteit is gevestigd en toerekenbaar zijn aan buiten die staat verrichte activiteiten.

5.

De nettowinst of het nettoverlies van een vaste inrichting wordt niet in aanmerking genomen bij het bepalen van het kwalificerende inkomen of verlies van de hoofdentiteit, behalve voor de toepassing van het zesde lid.

6.

Een nettoverlies van een vaste inrichting wordt voor de berekening van het kwalificerende inkomen of verlies van de hoofdentiteit aangemerkt als een last, voor zover het betreffende verlies van de vaste inrichting wordt aangemerkt als een last bij de berekening van de belastbare winst van de hoofdentiteit en dat verlies niet wordt verrekend met de belastbare winst van de hoofdentiteit en van de vaste inrichting. De nettowinst van de vaste inrichting die opkomt nadat de eerste zin toepassing heeft gevonden, wordt aangemerkt als kwalificerend inkomen van de hoofdentiteit tot het bedrag van het kwalificerende verlies dat in enig voorgaand jaar op grond van de vorige zin is aangemerkt als een last van de hoofdentiteit.

Artikel 6.14. Toerekening van nettowinst of nettoverlies van een doorkijkentiteit

1.

De nettowinst of het nettoverlies van een groepsentiteit die een doorkijkentiteit is, wordt verminderd met het deel van die nettowinst of dat nettoverlies dat toerekenbaar is aan de belanghouders van die entiteit die geen deel uitmaken van de groep en die hun belang in de doorkijkentiteit onmiddellijk of door middel van een fiscaal transparante structuur houden. De eerste zin is niet van toepassing:

2.

Het na de toepassing van het eerste lid resterende bedrag aan nettowinst of nettoverlies van een doorkijkentiteit die haar onderneming geheel of gedeeltelijk uitoefent door middel van een vaste inrichting, wordt in overeenstemming met artikel 6.13 toegerekend aan die vaste inrichting.

3.

Het na de toepassing van het eerste en tweede lid resterende bedrag aan nettowinst of nettoverlies van een doorkijkentiteit die een fiscaal transparante entiteit is en die niet de uiteindelijkemoederentiteit is, wordt toegerekend aan de groepsentiteit-belanghouders, niet zijnde doorkijkentiteiten die geen uiteindelijkemoederentiteit zijn, in overeenstemming met hun belang in de doorkijkentiteit.

4.

Het na de toepassing van het eerste en tweede lid resterende bedrag aan nettowinst of nettoverlies van een doorkijkentiteit die een fiscaal transparante entiteit is en die de uiteindelijkemoederentiteit is, of die een omgekeerde hybride entiteit is, wordt toegerekend aan die uiteindelijkemoederentiteit, onderscheidenlijk die omgekeerde hybride entiteit.

5.

Het tweede, derde, en vierde lid worden afzonderlijk toegepast ten aanzien van ieder belang in de doorkijkentiteit.

6.

De nettowinst of het nettoverlies van een groepsentiteit die een doorkijkentiteit is, wordt verminderd met de nettowinst die, of het nettoverlies dat, wordt toegerekend aan een andere groepsentiteit.

Hoofdstuk 7. Berekening van de gecorrigeerde betrokken belastingen

Artikel 7.1. Betrokken belastingen

1.

Deze wet verstaat onder de betrokken belastingen van een groepsentiteit:

2.

Onder de betrokken belastingen van een groepsentiteit worden niet verstaan:

3.

In het verslagjaar waarin de keuze, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, toepassing vindt, worden betrokken belastingen met betrekking tot een nettovervreemdingswinst of nettovervreemdingsverlies als gevolg van de vervreemding van lokale vaste activa als bedoeld in artikel 6.7, zesde lid niet in aanmerking genomen bij de berekening van de betrokken belastingen.

4.

Indien de activa, passiva, inkomsten, uitgaven en kasstromen van een groepsentiteit niet zijn opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening en het verslagjaar van die groepsentiteit afwijkt van het verslagjaar van de uiteindelijkemoederentiteit, worden de betrokken belastingen van die groepsentiteit bepaald aan de hand van de financiële verslaggeving van die groepsentiteit over de financiële verslaggevingsperiode die eindigt in het verslagjaar van de uiteindelijkemoederentiteit.

Artikel 7.2. Gecorrigeerde betrokken belastingen

1.

De gecorrigeerde betrokken belastingen van een groepsentiteit voor een verslagjaar worden bepaald door het bedrag van de acute belastinglast dat bij de bepaling van de nettowinst of het nettoverlies in het verslagjaar in aanmerking is genomen ter zake van betrokken belastingen te corrigeren met:

2.

De vermeerderingen van de betrokken belastingen van een groepsentiteit voor een verslagjaar zijn:

3.

De verminderingen van de betrokken belastingen van een groepsentiteit voor een verslagjaar zijn:

4.

Bij de berekening van de gecorrigeerde betrokken belastingen van een groepsentiteit voor een verslagjaar wordt een bedrag dat is omschreven in meer dan een onderdeel van de voorgaande leden, slechts eenmaal in aanmerking genomen.

5.

Indien er in een verslagjaar in een staat geen netto kwalificerend inkomen is en het bedrag aan gecorrigeerde betrokken belastingen voor die staat negatief is en minder dan het bedrag dat gelijk is aan het netto kwalificerende verlies vermenigvuldigd met het minimumbelastingtarief (verwachte gecorrigeerde betrokken belastingen), wordt het bedrag gelijk aan het verschil tussen het bedrag aan gecorrigeerde betrokken belastingen en het bedrag aan verwachte gecorrigeerde betrokken belastingen aangemerkt als additionele bijheffing voor dat verslagjaar. Het bedrag aan additionele bijheffing ingevolge de eerste zin wordt toegerekend aan iedere groepsentiteit in de staat ingevolge artikel 8.4, vierde en vijfde lid.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld op grond waarvan in afwijking van het vijfde lid het bedrag gelijk aan het verschil tussen de gecorrigeerde betrokken belastingen en de verwachte gecorrigeerde betrokken belastingen in aanmerking kan worden genomen als een vermindering van de betrokken belastingen in een volgend verslagjaar waarin sprake is van kwalificerend inkomen.

Artikel 7.3. Het totale bedrag van de gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties

1.

Indien het belastingtarief dat wordt toegepast voor de berekening van een belastinglatentie gelijk is aan of lager is dan het minimumbelastingtarief, is het totale bedrag van de gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties dat ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onderdeel b, wordt toegevoegd aan de gecorrigeerde betrokken belastingen van een groepsentiteit voor een verslagjaar gelijk aan de mutaties in belastinglatenties die in de financiële verslaggeving worden toegerekend aan het betreffende verslagjaar met betrekking tot de betrokken belastingen, gecorrigeerd overeenkomstig de bepalingen in het derde tot en met zesde lid. Indien de boekwaarde van een activum of passivum ingevolge een bepaling in deze wet afwijkt van de boekwaarde in de financiële verslaggeving wordt voor de berekening van de belastinglatentie die betrekking heeft op dat activum of passivum uitgegaan van de eerstgenoemde boekwaarde.

2.

Indien het belastingtarief dat wordt toegepast voor de berekening van een belastinglatentie hoger is dan het minimumbelastingtarief, is het totale bedrag van de gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties dat ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onderdeel b, wordt toegevoegd aan de gecorrigeerde betrokken belastingen van een groepsentiteit voor een verslagjaar, gelijk aan de mutaties in belastinglatenties die in de financiële verslaggeving worden toegerekend aan het betreffende verslagjaar met betrekking tot de betrokken belastingen, herrekend tegen het minimumbelastingtarief, en gecorrigeerd overeenkomstig de bepalingen in het derde tot en met zesde lid. Indien de boekwaarde van een activum of passivum ingevolge een bepaling in deze wet afwijkt van de boekwaarde in de financiële verslaggeving wordt voor de berekening van de belastinglatentie die betrekking heeft op dat activum of passivum uitgegaan van de eerstgenoemde boekwaarde.

3.

Bij de bepaling van het totale bedrag van de gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties worden de mutaties in belastinglatenties die in de financiële verslaggeving worden toegerekend aan het betreffende verslagjaar verhoogd met een in het verslagjaar betaald bedrag aan:

4.

Indien in een verslagjaar in de financiële verslaggeving geen actieve belastinglatentie wordt opgenomen voor een verlies omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verantwoording in de jaarrekening, wordt het totale bedrag van de gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties voor dat verslagjaar verminderd met het bedrag waarmee dat totale bedrag zou zijn verminderd indien de actieve belastinglatentie voor het betreffende verslagjaar wel zou zijn opgenomen in de jaarrekening.

5.

Onder het totale bedrag van de gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties wordt niet begrepen:

6.

Indien een actieve belastinglatentie die voortkomt uit een kwalificerend verlies van een groepsentiteit wordt toegerekend aan een verslagjaar tegen een tarief dat lager is dan het minimumbelastingtarief, mag die belastinglatentie in dat verslagjaar worden herrekend tegen het minimumbelastingtarief indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat die actieve belastinglatentie voortkomt uit een kwalificerend verlies. Indien een actieve belastinglatentie ingevolge de eerste zin wordt verhoogd, wordt het totale bedrag van de gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties dienovereenkomstig verminderd.

7.

Een bedrag aan passieve belastinglatentie dat niet is herzien en niet is betaald binnen vijf verslagjaren volgend op het verslagjaar waarin dat bedrag is opgekomen, wordt teruggenomen in het vijfde verslagjaar volgend op het verslagjaar waarin dat bedrag is opgekomen, voor zover dat bedrag eerder in aanmerking is genomen in het totale bedrag van de gecorrigeerde mutaties in belastinglatenties van de groepsentiteit. Het bedrag van de teruggenomen passieve belastinglatentie vermindert de betrokken belastingen van het vijfde verslagjaar voorafgaand aan het verslagjaar waarin dat bedrag is teruggenomen. Het effectieve belastingtarief en de bijheffing van het vijfde verslagjaar voorafgaand aan verslagjaar waarin dat bedrag is teruggenomen worden herrekend ingevolge artikel 8.4, eerste lid.

8.

In afwijking van het zevende lid wordt een bedrag aan passieve belastinglatentie niet teruggenomen indien dat bedrag verband houdt met:

9.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld op grond waarvan een belastinglatentie wordt aangemerkt als een alternatieve verliesverrekeningslatentie.

11.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de toepassing van het zevende lid en de keuze, bedoeld in het negende lid, onderdeel b, ten aanzien van passieve belastinglatenties die zijn geaggregeerd voor financiële verslaggevingsdoeleinden.

Artikel 7.4. Keuzeregime voor kwalificerende verliezen

1.

In afwijking van artikel 7.3 kan een informatieaangifte-indienende groepsentiteit ervoor kiezen om ten aanzien van een staat een fictieve actieve belastinglatentie te bepalen die betrekking heeft op een kwalificerend verlies voor ieder verslagjaar waarin sprake is van een netto kwalificerend verlies in de betreffende staat. De fictieve actieve belastinglatentie die betrekking heeft op het kwalificerende verlies is gelijk aan het netto kwalificerende verlies voor het verslagjaar voor de staat vermenigvuldigd met het minimumbelastingtarief. Van dit keuzerecht kan geen gebruik worden gemaakt ten aanzien van een staat met een in aanmerking komend uitdelingsbelastingstelsel als bedoeld in artikel 10.3.

2.

De fictieve actieve belastinglatentie wordt in enig volgend verslagjaar waarin sprake is van netto kwalificerend inkomen voor de betreffende staat verrekend met het bedrag van het netto kwalificerende inkomen vermenigvuldigd met het minimumbelastingtarief, tot ten hoogste het bedrag van de fictieve actieve belastinglatentie dat nog niet is verrekend.

3.

De fictieve actieve belastinglatentie die betrekking heeft op het kwalificerende verlies wordt verminderd met het bedrag dat op grond van het tweede lid in een verslagjaar wordt verrekend. Het resterende bedrag van de fictieve actieve belastinglatentie wordt voortgewenteld naar volgende verslagjaren.

4.

Indien de keuze, bedoeld in het eerste lid, wordt herroepen, wordt de resterende fictieve actieve belastinglatentie die betrekking heeft op het kwalificerende verlies verminderd tot nihil met ingang van de eerste dag van het eerste verslagjaar waarin de keuze niet langer toepassing vindt.

5.

De keuze, bedoeld in het eerste lid, wordt gemaakt bij de indiening van de eerste bijheffing-informatieaangifte van de multinationale groep of binnenlandse groep, waarin de staat waarvoor de keuze geldt is opgenomen.

6.

Indien een doorkijkentiteit die de uiteindelijkemoederentiteit van een multinationale groep of een binnenlandse groep is een keuze maakt als bedoeld in het eerste lid, wordt de fictieve actieve belastinglatentie die betrekking heeft op het kwalificerende verlies berekend op basis van het kwalificerende verlies van de doorkijkentiteit na vermindering op grond van artikel 10.1, tweede lid.

Artikel 7.5. Toerekening van betrokken belastingen aan bepaalde soorten groepsentiteiten

1.

Aan een vaste inrichting wordt het bedrag aan betrokken belastingen toegerekend dat is opgenomen in de financiële verslaggeving van een groepsentiteit en verband houdt met het kwalificerende inkomen of verlies van die vaste inrichting.

2.

Aan een groepsentiteit-belanghouder wordt het bedrag aan betrokken belastingen toegerekend dat is opgenomen in de financiële verslaggeving van een fiscaal transparante entiteit en verband houdt met het kwalificerende inkomen of verlies dat is toegerekend aan die groepsentiteit-belanghouder ingevolge artikel 6.14, derde lid.

3.

Aan een groepsentiteit wordt het bedrag aan betrokken belastingen toegerekend dat is opgenomen in de financiële verslaggeving van haar onmiddellijke of middellijke groepsentiteit-belanghouders door toepassing van een belastingregeling voor buitenlandse gecontroleerde lichamen, voor zover die belastingen verband houden met het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit. Indien de groepsentiteit een doorkijkentiteit is die een fiscaal transparante entiteit is, wordt het bedrag aan betrokken belastingen, bedoeld in de eerste zin, toegerekend aan haar groepsentiteit-belanghouders naar verhouding van het bedrag aan nettowinst of nettoverlies dat op grond van artikel 6.14, derde lid, is toegerekend aan haar groepsentiteit-belanghouders.

4.

Aan een hybride entiteit of een omgekeerde hybride entiteit wordt het bedrag aan betrokken belastingen toegerekend dat is opgenomen in de financiële verslaggeving van haar groepsentiteit-belanghouder en dat verband houdt met het kwalificerende inkomen van die hybride entiteit of die omgekeerde hybride entiteit.

5.

Aan een groepsentiteit die een uitdeling heeft gedaan in een verslagjaar wordt het bedrag aan betrokken belastingen toegerekend dat is opgenomen in de financiële verslaggeving van haar onmiddellijke groepsentiteit-belanghouder voor dergelijke uitdelingen.

6.

Aan een groepsentiteit als bedoeld in het derde en vierde lid wordt, in afwijking van hetgeen in die leden is bepaald, ter zake van passief inkomen een bedrag aan betrokken belastingen toegerekend dat gelijk is aan het bijheffingspercentage voor de staat waarin die groepsentiteit is gevestigd vermenigvuldigd met het bedrag aan passief inkomen van die groepsentiteit dat in aanmerking is genomen bij haar groepsentiteit-belanghouders in het kader van een belastingregeling voor buitenlandse gecontroleerde lichamen of uit hoofde van fiscale transparantie, indien dat bedrag lager is dan het bedrag van de aan haar toegerekende betrokken belastingen ten aanzien van dat passieve inkomen op basis van het derde en vierde lid. Voor de toepassing van de vorige zin, wordt voor de bepaling van het bijheffingspercentage geen rekening gehouden met de betrokken belastingen ter zake van het passieve inkomen van de groepsentiteit bij de groepsentiteit-belanghouder. Een bedrag aan betrokken belastingen verschuldigd door de groepsentiteit-belanghouder ten aanzien van dat passieve inkomen dat resteert na de toepassing van dit lid wordt niet toegerekend op basis van het derde en vierde lid.

7.

Voor de toepassing van het zesde lid worden de volgende inkomensbestanddelen aangemerkt als passief inkomen:

8.

Indien het kwalificerende inkomen van een vaste inrichting op grond van artikel 6.13, zesde lid, wordt aangemerkt als het kwalificerende inkomen van de hoofdentiteit, wordt de betrokken belasting met betrekking tot dat inkomen die wordt geheven in de staat waarin die vaste inrichting is gelegen aangemerkt als betrokken belasting van de hoofdentiteit voor een bedrag dat niet hoger is dan dat inkomen vermenigvuldigd met het hoogste belastingtarief voor inkomen in de staat waarin die hoofdentiteit is gevestigd.

9.

Voor de berekening van het effectieve belastingtarief op de voet van artikel 8.1 voor de binnenlandse bijheffing blijft de toerekening van de betrokken belastingen van een in een andere staat gevestigde groepsentiteit aan een in Nederland gevestigde groepsentiteit op de voet van het eerste lid, derde lid in samenhang met het zesde lid, vierde lid en vijfde lid, voor zover de belasting over de uitdeling door een andere staat is geheven, achterwege.

10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de toerekening van betrokken belastingen:

Artikel 7.6. Aanpassingen na indiening van de bijheffing-informatieaangifte

1.

Indien een groepsentiteit haar betrokken belastingen voor een voorgaand verslagjaar aanpast in de financiële verslaggeving, wordt die aanpassing aangemerkt als een aanpassing van de betrokken belastingen in het verslagjaar waarin de aanpassing is gemaakt, tenzij de aanpassing verband houdt met een afname van de betrokken belastingen in een staat in een voorgaand verslagjaar.

2.

Indien sprake is van een afname van de betrokken belastingen die in een voorgaand verslagjaar zijn opgenomen in de gecorrigeerde betrokken belastingen, worden het effectieve belastingtarief en de bijheffing voor dat verslagjaar herrekend in overeenstemming met artikel 8.4, eerste lid, door de gecorrigeerde betrokken belastingen te verminderen met het bedrag van de afname van de betrokken belastingen. Het kwalificerende inkomen voor dat verslagjaar en andere voorgaande verslagjaren wordt dienovereenkomstig aangepast.

3.

De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan er jaarlijks, in afwijking van het eerste lid en in overeenstemming met artikel 13.2, tweede lid, voor kiezen om een afname van de betrokken belastingen in een voorgaand verslagjaar die niet van materieel belang is aan te merken als een aanpassing van de betrokken belastingen in het verslagjaar waarin de aanpassing is gemaakt. Een afname van de betrokken belastingen is niet van materieel belang indien deze leidt tot een vermindering van de gecorrigeerde betrokken belastingen van minder dan € 1.000.000 vastgesteld voor een staat voor het verslagjaar.

Artikel 7.7. Belastingtariefwijzigingen

1.

Indien het van toepassing zijnde belastingtarief in een staat wordt verlaagd tot een tarief dat lager is dan het minimumbelastingtarief en die verlaging resulteert in een afname van een passieve belastinglatentie, wordt de afname van die belastinglatentie aangemerkt als een aanpassing van de betrokken belastingen van een groepsentiteit in het voorgaande verslagjaar waarin de passieve latentie overeenkomstig artikel 7.2 is gevormd.

2.

Indien in een verslagjaar een passieve belastinglatentie in aanmerking is genomen tegen een lager tarief dan het minimumbelastingtarief en het van toepassing zijnde belastingtarief in een staat in een volgend verslagjaar wordt verhoogd tot een tarief dat hoger is dan het minimumbelastingtarief, wordt de toename van de passieve belastinglatentie als gevolg van deze verhoging bij betaling ervan aangemerkt als een aanpassing van de betrokken belastingen in het verslagjaar waarin de passieve belastinglatentie in aanmerking is genomen. De aanpassing op grond van de eerste zin bedraagt ten hoogste de passieve belastinglatentie herrekend tegen het minimumbelastingtarief.

Artikel 7.8. Herrekening

Indien meer dan € 1.000.000 van het bedrag dat door een groepsentiteit in een verslagjaar in aanmerking is genomen als gecorrigeerde betrokken belasting niet is betaald binnen drie jaar na afloop van dat verslagjaar, worden het effectieve belastingtarief en de bijheffing voor het verslagjaar waarin het onbetaalde bedrag als een gecorrigeerde betrokken belasting in aanmerking is genomen, herrekend in overeenstemming met artikel 8.4, eerste lid, waarbij het onbetaalde bedrag aan betrokken belasting niet in aanmerking wordt genomen als een betrokken belasting.

Hoofdstuk 8. Berekening van het effectieve belastingtarief en de bijheffing

Artikel 8.1. Berekening van het effectieve belastingtarief

1.

Het effectieve belastingtarief van een multinationale groep voor een verslagjaar wordt voor iedere staat waarin groepsentiteiten van die groep zijn gevestigd, mits er in die staat netto kwalificerend inkomen is, berekend volgens de formule:

E = (B / I) x 100%

waarbij wordt verstaan onder:

E: het effectieve belastingtarief voor een verslagjaar voor een staat, uitgedrukt in een percentage dat rekenkundig wordt afgerond op vier decimalen;

B: de som van de gecorrigeerde betrokken belastingen over het verslagjaar van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten, berekend op de voet van hoofdstuk 7;

I: het netto kwalificerende inkomen over het verslagjaar van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten, berekend op de voet van het tweede lid.

2.

Het netto kwalificerende inkomen of verlies over een verslagjaar van alle in een staat gevestigde groepsentiteiten wordt berekend volgens de formule:

I = W – V

waarbij wordt verstaan onder:

I: het netto kwalificerende inkomen of verlies over een verslagjaar van alle in een staat gevestigde groepsentiteiten;

W: de som van het kwalificerende inkomen over het verslagjaar van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten, berekend op de voet van hoofdstuk 6;

V: de som van de kwalificerende verliezen over het verslagjaar van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten, berekend op de voet van hoofdstuk 6.

3.

Bij de toepassing van het eerste en tweede lid worden niet in aanmerking genomen de gecorrigeerde betrokken belastingen en het kwalificerende inkomen of verlies van groepsentiteiten die een beleggingsentiteit zijn.

4.

Het effectieve belastingtarief van een staatloze groepsentiteit voor een verslagjaar wordt afzonderlijk van het effectieve belastingtarief van alle andere groepsentiteiten berekend. Deze berekening geschiedt overeenkomstig dit artikel.

5.

Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de berekening van het effectieve belastingtarief voor Nederland van een binnenlandse groep.

Artikel 8.2. Berekening van de bijheffing

1.

Indien in een verslagjaar het effectieve belastingtarief van een multinationale groep in een staat waarin groepsentiteiten van die groep zijn gevestigd lager is dan het minimumbelastingtarief, of indien in een verslagjaar een additionele bijheffing is verschuldigd op de voet van artikel 8.4, berekent de multinationale groep de bijheffing:

2.

De bijheffing voor een staat over een verslagjaar is het positieve bedrag berekend volgens de formule:

S = (P x O) + A – N

waarbij wordt verstaan onder:

S: de bijheffing over een verslagjaar voor een staat;

P: het bijheffingspercentage voor het verslagjaar voor die staat, berekend op de voet van het derde lid;

O: het bedrag van de overwinst over het verslagjaar in die staat, berekend op de voet van het vierde lid;

A: het bedrag van de additionele bijheffing over het verslagjaar voor die staat, berekend op de voet van artikel 8.4;

N: het bedrag van de kwalificerende binnenlandse bijheffing over het verslagjaar voor die staat.

3.

Het bijheffingspercentage voor een staat voor een verslagjaar is het verschil in procentpunten, indien positief, berekend volgens de formule:

P = M – E

waarbij wordt verstaan onder:

P: het bijheffingspercentage voor een verslagjaar voor een staat;

M: het minimumbelastingtarief;

E: het effectieve belastingtarief voor het verslagjaar voor die staat, berekend op de voet van artikel 8.1, eerste lid.

4.

De overwinst over een verslagjaar in een staat is het positieve bedrag berekend volgens de formule:

O = I – R

waarbij wordt verstaan onder:

O: het bedrag van de overwinst over een verslagjaar in een staat;

I: het netto kwalificerende inkomen over het verslagjaar van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten, berekend op de voet van artikel 8.1, tweede lid;

R: het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid over het verslagjaar van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten, berekend op de voet van artikel 8.3.

De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan er overeenkomstig artikel 13.2, tweede lid, voor kiezen de vermindering met het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid niet toe te passen.

5.

De bijheffing voor een groepsentiteit over een verslagjaar is het bedrag berekend volgens de formule:

H = S x (G / W)

waarbij wordt verstaan onder:

H: de bijheffing over een verslagjaar voor een groepsentiteit;

S: de bijheffing over het verslagjaar voor de staat waarin die groepsentiteit is gevestigd, berekend op de voet van het tweede lid;

G: het kwalificerende inkomen van die groepsentiteit over het verslagjaar, berekend op de voet van hoofdstuk 6;

W: de som van het kwalificerende inkomen over het verslagjaar van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten, bedoeld in artikel 8.1, tweede lid.

6.

Indien de bijheffing voor een staat voortvloeit uit een herrekening op de voet van artikel 8.4, eerste lid, en er geen netto kwalificerend inkomen in die staat over het verslagjaar is, wordt de bijheffing toegerekend aan iedere groepsentiteit in die staat op de voet van de formule in het vijfde lid op basis van het kwalificerende inkomen van de groepsentiteiten over de verslagjaren waarvoor de herrekeningen op de voet van artikel 8.4, eerste lid, zijn verricht.

7.

De berekening van de bijheffing voor een in een staat gevestigde groepsentiteit ingevolge het eerste lid, onderdeel b, blijft achterwege indien de uiteindelijkemoederentiteit onmiddellijk of middellijk het volledige belang heeft in iedere in die staat gevestigde groepsentiteit en de inkomen-inclusiemaatregel van toepassing is op het belang van die uiteindelijkemoederentiteit in die groepsentiteiten.

8.

De bijheffing voor iedere staatloze groepsentiteit over een verslagjaar wordt afzonderlijk van de bijheffing van alle andere groepsentiteiten berekend. Deze berekening geschiedt overeenkomstig dit artikel.

9.

Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op de berekening van de bijheffing voor Nederland van een binnenlandse groep en de tot die groep behorende groepsentiteiten.

Artikel 8.3. Uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid

1.

Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid over een verslagjaar van alle in een staat gevestigde groepsentiteiten van een multinationale groep of binnenlandse groep bedraagt de som van de uitzondering voor werknemerslasten van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten in het verslagjaar en de uitzondering voor materiële activa van alle in die staat gevestigde groepsentiteiten in het verslagjaar. De multinationale groep of binnenlandse groep is niet gehouden de som voor het volle bedrag in aanmerking te nemen.

2.

De uitzondering voor werknemerslasten van een in een staat gevestigde groepsentiteit in een verslagjaar bedraagt 9,4% van de in het verslagjaar in aanmerking komende loonkosten ter zake van de in het verslagjaar in aanmerking komende werknemers die in die staat activiteiten verrichten voor de multinationale groep of binnenlandse groep, met uitzondering van de in aanmerking komende loonkosten die:

3.

De uitzondering voor materiële activa van een in een staat gevestigde groepsentiteit in een verslagjaar bedraagt 7,4% van de boekwaarde van de in het verslagjaar in aanmerking komende materiële activa die in de staat zijn gelegen, met uitzondering van:

4.

De boekwaarde van de in een verslagjaar in aanmerking komende materiële activa is het gemiddelde van de boekwaarde – verminderd met de geaccumuleerde afwaardering, afschrijvingen en waardeverminderingen en vermeerderd met het bedrag dat toerekenbaar is aan de gekapitaliseerde werknemerslasten – van de in aanmerking komende materiële activa aan het begin en het einde van het verslagjaar, zoals opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit.

5.

Niettegenstaande het derde lid, onderdeel a, wordt bij een operationele lease onder de in aanmerking komende materiële activa van een groepsentiteit die lessor is van de materiële activa die in dezelfde staat zijn gelegen als waarin de lessor is gevestigd, verstaan: het positieve bedrag waarmee de gemiddelde boekwaarde van de materiële activa bij de lessor dat aan het begin en het einde van het boekjaar is vastgesteld het gemiddelde bedrag van de gebruiksrechten van de lessee aan het begin en het einde van het boekjaar overschrijdt.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepalen van de waarde van gebruiksrechten van de lessee, bedoeld in het vijfde lid.

7.

Voor de toepassing van het tweede en derde lid zijn de in aanmerking komende loonkosten en de in aanmerking komende materiële activa van een groepsentiteit die een vaste inrichting is, de in aanmerking komende loonkosten en de in aanmerking komende materiële activa die op de voet van artikel 6.13, eerste, tweede en derde lid, zijn opgenomen in de afzonderlijke financiële verslaggeving van die vaste inrichting, voor zover deze kosten en activa worden gealloceerd aan de staat waarin de vaste inrichting is gelegen. De in aanmerking komende loonkosten en de in aanmerking komende materiële activa van een vaste inrichting worden niet in aanmerking genomen door de hoofdentiteit van de vaste inrichting.

8.

Indien het inkomen van een vaste inrichting op de voet van artikel 6.14, eerste lid, of artikel 10.1, vierde lid, is verminderd, worden de in aanmerking komende loonkosten en de in aanmerking komende materiële activa van die vaste inrichting in dezelfde mate uitgesloten voor de berekening van het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid voor de multinationale groep of binnenlandse groep op de voet van dit artikel.

9.

In aanmerking komende loonkosten ter zake van in aanmerking komende werknemers en in aanmerking komende materiële activa die zijn betaald door, onderscheidenlijk die eigendom zijn van, een doorkijkentiteit worden, mits ze niet zijn toegerekend op grond van het zevende en achtste lid, toegerekend aan:

10.

De na de toepassing van het negende lid, onderdelen a en b, resterende in aanmerking komende loonkosten en de resterende in aanmerking komende materiële activa van de doorkijkentiteit worden niet meegenomen in de berekening van het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid van een multinationale groep of binnenlandse groep.

11.

In aanmerking komende werknemers en in aanmerking komende materiële activa die zijn betaald door, onderscheidenlijk die eigendom zijn van of het recht tot gebruik hebben liggen bij, een uiteindelijkemoederentiteit die onderworpen is aan een aftrekbaardividendstelsel op de voet van artikel 10.2 worden naar evenredigheid van het inkomen dat niet is meegenomen in de berekening van het kwalificerende inkomen van de uiteindelijkemoederentiteit, niet in aanmerking genomen bij het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid van de uiteindelijkemoederentiteit.

12.

Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid van een staatloze groepsentiteit wordt over een verslagjaar afzonderlijk van het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid van alle andere groepsentiteiten berekend. Deze berekening geschiedt overeenkomstig dit artikel.

13.

Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid berekend op de voet van dit artikel bevat niet de uitzondering voor werknemerslasten en de uitzondering voor materiële activa van in een staat gevestigde beleggingsentiteiten.

14.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

15.

Voor toepassing van het tweede en veertiende lid en na toepassing van het zevende lid wordt onder in aanmerking komende loonkosten van een groepsentiteit mede begrepen: de volledige loonkosten van een werknemer indien die werknemer gedurende het verslagjaar meer dan 50% van de activiteiten voor de multinationale groep of binnenlandse groep heeft verricht in de staat waarin de groepsentiteit die de werkgever is, is gevestigd. Wanneer de werknemer gedurende het verslagjaar 50% of minder van zijn activiteiten heeft verricht in de staat waar de groepsentiteit die de werkgever is, is gevestigd, kan aan die groepsentiteit ten hoogste het deel van de loonkosten worden toegerekend dat betrekking heeft op de activiteiten die de werknemer in de staat van die groepsentiteit heeft verricht.

16.

Voor toepassing van het derde en veertiende lid en na toepassing van het zevende lid wordt onder de in aanmerking komende materiële activa van een groepsentiteit mede begrepen: de volledige boekwaarde van het materiële activum indien het materiële activum gedurende het verslagjaar zich meer dan 50% van de tijd bevindt in de staat waar de groepsentiteit die eigenaar is of het recht tot gebruik heeft, is gevestigd. Wanneer het materiële activum gedurende het verslagjaar zich 50% of minder van de tijd bevindt in de staat waar de groepsentiteit die eigenaar is of het recht tot gebruik heeft, is gevestigd, kan aan die groepsentiteit ten hoogste het deel van de boekwaarde worden toegerekend dat betrekking heeft op de tijd dat het materiële activum zich in de staat van die groepsentiteit bevindt.

Artikel 8.4. Additionele bijheffing door herrekening

1.

Indien de betrokken belastingen of het kwalificerende inkomen of verlies in een staat op de voet van het zevende lid of de artikelen 6.7, 7.3, zevende lid, 7.6, 7.8 of 10.3, zesde of negende lid, worden aangepast en dit leidt tot een wijziging van het effectieve belastingtarief en de bijheffing van een multinationale groep of binnenlandse groep voor die staat over een voorgaand verslagjaar, worden het effectieve belastingtarief en de bijheffing over dat verslagjaar voor die staat herrekend op de voet van de artikelen 8.1 tot en met 8.3.

2.

Indien de herrekening, bedoeld in het eerste lid, leidt tot een hoger bedrag aan bijheffing over een voorgaand verslagjaar, wordt het meerdere aangemerkt als een additionele bijheffing voor de toepassing van artikel 8.2, tweede lid, over het verslagjaar waarin de herrekening is gemaakt.

3.

Indien voor een staat een additionele bijheffing op grond van het tweede lid is verschuldigd en er in die staat geen netto kwalificerend inkomen over het verslagjaar is, is het kwalificerende inkomen van een in die staat gevestigde groepsentiteit voor de toepassing van artikel 4.2, tweede lid, gelijk aan de aan die groepsentiteit overeenkomstig artikel 8.2, zesde lid, toegerekende bijheffing gedeeld door het minimumbelastingtarief.

4.

Indien voor een staat een additionele bijheffing op grond van artikel 7.2, vijfde lid, is verschuldigd, is het kwalificerende inkomen van iedere in die staat gevestigde groepsentiteit voor de toepassing van artikel 4.2, tweede lid, gelijk aan de aan die groepsentiteit toegerekende additionele bijheffing gedeeld door het minimumbelastingtarief. De additionele bijheffing wordt toegerekend aan iedere in die staat gevestigde groepsentiteit volgens de formule:

A = B – (G x M)

waarbij wordt verstaan onder:

A: het bedrag aan additionele bijheffing, bedoeld in artikel 7.2, vijfde lid, dat wordt toegerekend aan een in de staat gevestigde groepsentiteit;

B: de gecorrigeerde betrokken belastingen van die groepsentiteit, berekend op de voet vanhoofdstuk 7;

G: het kwalificerende inkomen of verlies van die groepsentiteit over het verslagjaar, berekend op de voet van hoofdstuk 6;

M: het minimumbelastingtarief.

5.

Voor de toepassing van het vierde lid wordt de additionele bijheffing uitsluitend toegerekend aan groepsentiteiten waarvan het bedrag aan gecorrigeerde betrokken belastingen lager is dan nul en tevens lager is dan het kwalificerende inkomen of verlies van de desbetreffende groepsentiteit vermenigvuldigd met het minimumbelastingtarief.

6.

Indien aan een groepsentiteit in een verslagjaar een additionele bijheffing wordt toegerekend overeenkomstig dit artikel of artikel 8.2, zesde lid, wordt die entiteit voor de toepassing van de hoofdstukken 3 tot en met 5 in dat verslagjaar aangemerkt als een laagbelaste groepsentiteit.

7.

Voor zover een bedrag aan kwalificerende binnenlandse bijheffing dat over een verslagjaar is verschuldigd niet is betaald binnen vier verslagjaren na het verslagjaar waarover die bijheffing was verschuldigd, wordt het niet-betaalde bedrag aan kwalificerende binnenlandse bijheffing aangemerkt als een additionele bijheffing als bedoeld in artikel 8.2, tweede lid, over het vijfde verslagjaar na het verslagjaar waarover die kwalificerende binnenlandse bijheffing was verschuldigd.

Artikel 8.5. Berekening van de additionele bijheffing in bijzondere gevallen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)