Wet van 10 december 2025, houdende regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte)

Type Wet
Publication 2026-02-14
State In force
Source BWB
artikelen 285
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
8.

Het aangewezen warmtebedrijf kan uitsluitend afwijken van een uitgewerkt kavelplan indien het een wijziging van het uitgewerkt kavelplan heeft opgesteld waarmee het college heeft ingestemd. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op deze wijziging van het uitgewerkt kavelplan.

9.

Het college kan voorschriften en beperkingen aan een instemming verbinden.

10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de termijn waarbinnen het college een besluit op grond van het derde lid neemt.

11.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van een uitgewerkt kavelplan.

Artikel 2.17. investeringsplan

1.

Een aangewezen warmtebedrijf stelt periodiek binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een investeringsplan op voor een warmtekavel waarvoor het een aanwijzing heeft verkregen.

2.

Een investeringsplan bevat:

  • a. een beschrijving en onderbouwing van de voorgenomen investeringen in de aanleg, uitbreiding of vervanging van de collectieve warmtevoorziening in het betreffende warmtekavel die het aangewezen warmtebedrijf noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijn taken, bedoeld in artikel 2.13;
  • b. een beschrijving van de wijze waarop de voorgenomen investeringen passen binnen een lange termijnvisie op de collectieve warmtevoorziening in het betreffende warmtekavel;
  • c. een beschrijving van de gevolgen van de in dit plan opgenomen investeringen voor het bereiken van de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde normen;
  • d. een beschrijving van de wijze waarop de leveringszekerheid zal worden verzekerd.
3.

Een aangewezen warmtebedrijf legt een ontwerp-investeringsplan voor aan de Autoriteit Consument en Markt en aan het college dat het warmtebedrijf de aanwijzing heeft verleend. Het college kan een zienswijze ten aanzien van het ontwerp-investeringsplan indienen bij de Autoriteit Consument en Markt.

4.

De Autoriteit Consument en Markt toetst of:

  • a. de in het ontwerp-investeringsplan opgenomen investeringen noodzakelijk zijn voor het aangewezen warmtebedrijf om de taken, bedoeld in artikel 2.13, op doelmatige wijze uit te voeren;
  • b. het aangewezen warmtebedrijf ook anderszins in redelijkheid tot het ontwerp-investeringsplan heeft kunnen komen.
5.

De Autoriteit Consument en Markt betrekt de zienswijze van het college, bedoeld in het derde lid, bij de toets op grond van het vierde lid en verantwoordt daarbij op welke wijze de zienswijze betrokken is bij die toets.

6.

Een aangewezen warmtebedrijf stelt het investeringsplan vast en verantwoordt daarbij op welke wijze de resultaten van de toets van de Autoriteit Consument en Markt op grond van het vierde lid en de zienswijze van het college al dan niet hebben geleid tot wijziging van het investeringsplan.

7.

Een aangewezen warmtebedrijf voert de in het investeringsplan opgenomen investeringen uit.

8.

Een aangewezen warmtebedrijf zendt een wijziging van het investeringsplan aan de Autoriteit Consument en Markt en het college dat het warmtebedrijf heeft aangewezen. Het derde tot en met zevende lid en negende tot en met elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een significante wijziging van de investeringen, bedoeld in het tweede lid.

9.

Een aangewezen warmtebedrijf gaat na of het investeringsplan leidt tot een wijziging van het uitgewerkt kavelplan.

10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de frequentie waarmee een investeringsplan wordt opgesteld;
  • b. de procedure voor totstandkoming van een investeringsplan;
  • c. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het ontwerp-investeringsplan toetst.
11.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de inhoud en het aggregatieniveau van een investeringsplan;
  • b. een wijziging van het investeringsplan;
  • c. de wijze waarop de noodzakelijkheid van de investeringen wordt aangetoond.

§ 2.5.3. Leveringszekerheid

Artikel 2.18. leveringszekerheidsrapportage

1.

Een aangewezen warmtebedrijf dient voor een warmtekavel elk jaar binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een leveringszekerheidsrapportage in bij het college waarvan het een aanwijzing heeft verkregen en de Autoriteit Consument en Markt met in ieder geval een beschrijving van:

  • a. de wijze waarop gedurende de komende drie jaar de leveringszekerheid wordt verzekerd;
  • b. welke risico’s voor de leveringszekerheid gedurende de komende drie jaar zich kunnen voordoen;
  • c. de wijze waarop deze risico’s ondervangen zullen worden;
  • d. de wijze waarop de leveringszekerheid op de lange termijn wordt verzekerd.
2.

Onder leveringszekerheid als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de zekerheid op de continuïteit van de levering van warmte aan verbruikers verstaan, met uitzondering van het ontbreken van deze zekerheid als gevolg van een tijdelijke onderbreking van de levering van warmte die naar verwachting niet langer duurt dan vijf dagen en incidenteel voorkomt, waarbij in ieder geval:

  • a. de verblijfsruimte van de verbruiker te verwarmen is tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius voor zover er warmte ten behoeve van ruimteverwarming wordt geleverd en indien is voldaan aan de warmtebehoefte van een gebouw en de kenmerken van de binneninstallatie, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onderdelen c en d, en artikel 2.31, eerste lid, onderdelen d en f;
  • b. tapwater wordt geleverd op een temperatuur of te verwarmen is tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgestelde norm, voor zover er warmte ten behoeve van tapwater wordt geleverd;
  • c. voldoende warmtebronnen of potentiële warmtebronnen beschikbaar zijn voor de korte en lange termijn.
3.

De Autoriteit Consument en Markt kan ambtshalve of op advies van het college het aangewezen warmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn opdragen de leveringszekerheidsrapportage te wijzigen.

4.

De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht op grond van het derde lid verbinden.

5.

Het aangewezen warmtebedrijf volgt de opdracht op en voert de in een leveringszekerheidsrapportage opgenomen maatregelen uit.

6.

Een aangewezen warmtebedrijf gaat na of een leveringszekerheidsrapportage of een opdracht als bedoeld in het vijfde lid leidt tot een wijziging van het uitgewerkt kavelplan.

7.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van de leveringszekerheidsrapportage.

§ 2.5.4. Onderbreking van de levering van warmte aan verbruikers

Artikel 2.19. onderbreking van de levering van warmte

1.

Het aangewezen warmtebedrijf doet al hetgeen redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om een onderbreking van de levering van warmte aan verbruikers te voorkomen en indien een onderbreking zich toch voordoet, deze zo snel mogelijk te beëindigen.

2.

Het aangewezen warmtebedrijf stelt een verbruiker tenminste drie dagen van tevoren op de hoogte van de door hem geplande werkzaamheden waarbij de levering van warmte aan verbruikers moet worden onderbroken.

3.

Een aangewezen warmtebedrijf houdt een storingsregistratie bij betreffende de levering van warmte aan verbruikers en publiceert deze op een geschikte wijze.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de inhoud van de storingsregistratie;
  • b. de wijze waarop en de frequentie waarmee de storing voor verbruikers bekend wordt gemaakt.

Artikel 2.20. storingscompensatie

1.

Een aangewezen warmtebedrijf keert aan een verbruiker een compensatie uit bij een ernstige storing in de levering van warmte aan verbruikers waarvan de oorzaak gelegen is in:

  • a. de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf of het warmtetransportnet van een warmtetransportbeheerder;
  • b. de afleverset voor warmte, indien deze de eigendom is van het aangewezen warmtebedrijf;
  • c. de leveringsaansluiting;
  • d. een warmtebron;
  • e. de warmtetransportaansluiting.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de ernstige storing het gevolg is van een situatie die niet aan het aangewezen warmtebedrijf of de warmtetransportbeheerder kan worden toegerekend en zo weinig voorkomt dat daar redelijkerwijs geen rekening mee hoeft te worden gehouden.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

  • a. de hoogte van de compensatie bij een ernstige storing die voor storingen van verschillende tijdsduur verschillend kan worden vastgesteld;
  • b. het moment van aanvang en beëindiging van de verplichting tot het betalen van compensatie bij een ernstige storing.

§ 2.5.5. De uitstoot van broeikasgassen

Artikel 2.21. normen uitstoot broeikasgassen

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over:

  • a. de gemiddelde toegestane uitstoot van broeikasgassen die jaarlijks ten gevolge van de levering van warmte aan verbruikers door een aangewezen warmtebedrijf in een warmtekavel is toegestaan, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen een op het moment van inwerkingtreding van dit artikel bestaande dan wel een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening;
  • b. de wijze waarop de uitstoot van broeikasgassen wordt berekend en vastgesteld;
  • c. het moment van aanvang van het vaststellen van de gemiddelde toegestane uitstoot van broeikasgassen, bedoeld in onderdeel a.
2.

De bij of krachtens het eerste lid jaarlijks vastgestelde normen voor de gemiddelde toegestane uitstoot van broeikasgassen bestaan uit een exact getal, waarbij de uitstoot van broeikasgassen wordt uitgedrukt in kilogram kooldioxide-equivalenten.

3.

De bij of krachtens het eerste lid vastgestelde normen voor de gemiddelde uitstoot van broeikasgassen zullen eens in de vijf jaren op doeltreffendheid en effecten worden geëvalueerd.

4.

Een aangewezen warmtebedrijf stoot ten gevolge van de levering van warmte aan verbruikers niet meer broeikasgassen uit dan de norm, bepaald bij of krachtens het eerste lid. Indien de uitstoot van broeikasgassen meer is dan deze norm, meldt het aangewezen warmtebedrijf dit onmiddellijk aan de Autoriteit Consument en Markt.

5.

De Autoriteit Consument en Markt kan bij besluit vaststellen dat het aangewezen warmtebedrijf vijf jaar na de eerste overschrijding van een norm, bepaald bij of krachtens het eerste lid, nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan deze norm.

Artikel 2.22. ontheffing normen uitstoot broeikasgassen

1.

De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van een aangewezen warmtebedrijf voor een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen periode ontheffing verlenen van de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde normen indien aannemelijk is dat het aangewezen warmtebedrijf niet kan voldoen aan deze normen doordat de realisatie van een nieuwe duurzame warmtebron niet uitvoerbaar is.

2.

De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van een aangewezen warmtebedrijf ontheffing verlenen van de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde normen voor een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen periode voor een op het moment van inwerkingtreding van dit artikel bestaande collectieve warmtevoorziening indien:

  • a. deze collectieve warmtevoorziening afhankelijk is van een niet-duurzame warmtebron die de collectieve warmtevoorziening voor een groot deel in warmte voorziet, en
  • b. aannemelijk is dat het aangewezen warmtebedrijf niet kan voldoen aan de normen, bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, doordat de vervanging van de niet-duurzame warmtebron door een duurzame warmtebron niet uitvoerbaar is.
3.

De Autoriteit Consument en Markt kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden alsmede op aanvraag van een aangewezen warmtebedrijf de geldigheidsduur van een ontheffing verlengen.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden;
  • b. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit tot ontheffing neemt;
  • c. de periode, bedoeld in het eerste en tweede lid;
  • d. wanneer er sprake is van een groot deel als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a;
  • e. de voorwaarden waaronder een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een ontheffing geldt wordt ingewilligd.
5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de voorschriften en beperkingen die aan een ontheffing kunnen worden verbonden.

Artikel 2.23. informatie over de uitstoot van broeikasgassen op de factuur

1.

Een aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker informatie over de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de levering van warmte op de gespecificeerde factuur, bedoeld in artikel 2.37, eerste lid.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de informatie bedoeld in het eerste lid;
  • b. de wijze waarop een aangewezen warmtebedrijf de informatie aan verbruikers verstrekt.

Artikel 2.24. openbare informatie over de uitstoot van broeikasgassen

1.

Het aangewezen warmtebedrijf maakt elk jaar binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn betrouwbare informatie over de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de levering van warmte aan verbruikers op inzichtelijke wijze openbaar.

2.

De Autoriteit Consument en Markt kan het aangewezen warmtebedrijf verzoeken om een verklaring van een accountant waarin de informatie, bedoeld in het eerste lid, is gecontroleerd.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.

§ 2.5.6. Aansluiten op of afsluiten van een collectieve warmtevoorziening

Artikel 2.25. informatie bij aanbod aansluitovereenkomst op collectieve warmtevoorziening

1.

Bij een aanbod aan een gebouweigenaar om te worden aangesloten op een collectieve warmtevoorziening verstrekt het aangewezen warmtebedrijf de gebouweigenaar op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie:

  • a. een omschrijving van de te leveren goederen en diensten en de overeengekomen kwaliteitsniveaus daarvan, die in ieder geval betrekking hebben op:
  • 1°. de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte;
  • 2°. de soort geleverde warmte;
  • 3°. de tarieven van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte, waaronder het tarief van de aansluiting op een collectieve warmtevoorziening;
  • b. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om veilig gebruik te kunnen maken van de geleverde warmte;
  • c. de warmtebehoefte van het gebouw of de eenheden in een gebouw en kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om de verblijfsruimte te kunnen verwarmen tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius;
  • d. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om tapwater te kunnen leveren op een temperatuur of te kunnen verwarmen tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgestelde norm;
  • e. de verwachte datum dat de levering van warmte zal aanvangen.
2.

In het geval van een aanbod voor een aansluiting op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening verstrekt het aangewezen warmtebedrijf in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, de minimale en maximale tarieven van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte die het warmtebedrijf de eerste drie jaar na aanvang van de levering van warmte in rekening zal kunnen brengen. De minimale en maximale tarieven worden berekend op grond van de daadwerkelijk verwachte kosten van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte.

3.

Het aangewezen warmtebedrijf kan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Organisatiewet Kadaster verzoeken om de naam en adresgegevens van de gebouweigenaar beschikbaar te stellen. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers verstrekt deze gegevens aan het aangewezen warmtebedrijf.

4.

Het aangewezen warmtebedrijf kan een systeembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet verzoeken informatie te verstrekken ten aanzien van de grootte van de gasaansluiting van een gebouw van de gebouweigenaar, bedoeld in het eerste lid. De systeembeheerder verstrekt deze informatie aan het aangewezen warmtebedrijf.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de informatie, bedoeld in het eerste lid;
  • b. overige informatie die het aangewezen warmtebedrijf bij een aanbod om te worden aangesloten op een collectieve warmtevoorziening aan de gebouweigenaar verstrekt;
  • c. de procedure volgens welke het aangewezen warmtebedrijf de informatie, bedoeld in onderdeel b, en het eerste lid, ter beschikking stelt aan een gebouweigenaar.

Artikel 2.26. aanbod aansluitovereenkomst bij aanleg of uitbreiding collectieve warmtevoorziening in geval van verplicht beëindigen van gebruik fossiele brandstoffen

1.

Een aangewezen warmtebedrijf doet uiterlijk op een door het college vast te stellen tijdstip voor de aanleg of uitbreiding van een collectieve warmtevoorziening een gebouweigenaar een aanbod aangesloten te worden op deze collectieve warmtevoorziening indien deze gebouweigenaar eigenaar is van een gebouw dat zich bevindt binnen een warmtekavel en waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in een gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen.

2.

Bij het aanbod, bedoeld in het eerste lid, verzoekt het aangewezen warmtebedrijf de gebouweigenaar om binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn aan te geven indien deze het aanbod niet aanvaardt en niet aangesloten wil worden op de nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening.

3.

Indien een gebouweigenaar binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, niet te kennen heeft gegeven het aanbod niet te aanvaarden, heeft de gebouweigenaar het aanbod voor een overeenkomst tot aansluiting op de nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening stilzwijgend aanvaard. Het aangewezen warmtebedrijf informeert de gebouweigenaar over de stilzwijgende aanvaarding van het aanbod en geeft de gebouweigenaar de gelegenheid binnen 14 dagen de overeenkomst zonder opgave van redenen en kosteloos te ontbinden.

4.

In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, verstrekt het aangewezen warmtebedrijf een gebouweigenaar als bedoeld in het eerste lid, informatie over de gevolgen voor de gebouweigenaar indien deze niet binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, te kennen geeft het aanbod niet te aanvaarden en niet aangesloten te willen worden op de nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening.

Artikel 2.27. nieuw aanbod aansluitovereenkomst bij niet aanvaarden in geval van situatie artikel 2.26

1.

Het aangewezen warmtebedrijf doet op verzoek van een gebouweigenaar opnieuw een aanbod om aangesloten te worden als bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, indien de gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening, alsnog verzoekt om een aansluiting op een nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien zich de situatie, genoemd in artikel 2.13, eerste lid, onderdeel i of j, onder 1° of 2°, voordoet.

Artikel 2.28. algemene aansluitverplichting van drie jaar in geval van situatie artikel 2.26

1.

Een gebouweigenaar die het aanbod om aangesloten te worden als bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgend heeft aanvaard, kan de overeenkomst door middel van opzegging niet beëindigen tot drie jaar na aanvang van de levering van warmte van de collectieve warmtevoorziening.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien:

  • a. een gebouweigenaar als bedoeld in het eerste lid, binnen drie jaar na aanvang van de levering van warmte van de collectieve warmtevoorziening de eigendom van het gebouw overdraagt. Op zijn rechtsopvolger zijn de artikelen 2.26 en 2.27 van overeenkomstige toepassing;
  • b. het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft gesloopt wordt.

Artikel 2.29. oprichten nieuw gebouw in geval van situatie artikel 2.26

1.

De artikelen 2.26 tot en met 2.28 zijn van overeenkomstige toepassing op de situatie dat een natuurlijk persoon of rechtspersoon voornemens is na de termijn, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, een gebouw op te richten dat zich bevindt in het gebied binnen een warmtekavel waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in een gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien zich de situatie, genoemd in artikel 2.13, eerste lid, onderdeel i of j, onder 1° of 2°, voordoet.

Artikel 2.30. kosten van afsluiten kleinverbruikers en grootverbruikers

1.

Indien de gebouweigenaar van een gebouw met een individuele leveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt nadat het gebouw is aangesloten op de collectieve warmtevoorziening een aangewezen warmtebedrijf verzoekt om afgesloten te worden van de collectieve warmtevoorziening, kan een aangewezen warmtebedrijf voor de afsluiting een tarief in rekening brengen dat niet meer bedraagt dan het door de Autoriteit Consument en Markt vastgestelde maximale tarief voor het afsluiten van een collectieve warmtevoorziening. De tarieven voor volledige en voor tijdelijke afsluiting zijn gelijk. Indien mogelijk beperkt afsluiting zich tot het verwijderen van de afleverset voor warmte en het afsluiten van de leidingen.

2.

Indien een gebouweigenaar van een gebouw met een individuele leveringsaansluiting van meer dan 100 kilowatt nadat het gebouw is aangesloten op de collectieve warmtevoorziening een aangewezen warmtebedrijf verzoekt om afgesloten te worden van de collectieve warmtevoorziening, kan een aangewezen warmtebedrijf voor de afsluiting een tarief in rekening brengen dat niet meer bedraagt dan het door de Autoriteit Consument en Markt op grond van de artikelen 7.21, eerste lid, of 7.28, eerste lid, vastgestelde maximale tarief voor het afsluiten van een collectieve warmtevoorziening voor grootverbruikers.

3.

Het aangewezen warmtebedrijf kan in aanvulling op het maximale tarief, bedoeld in het tweede lid, een op verzoek van het warmtebedrijf door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen opslag in rekening brengen indien door de afsluiting het aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijk rendement kan behalen of de afsluiting leidt tot een significante verhoging van de tarieven voor de resterende verbruikers van de collectieve warmtevoorziening.

4.

Indien een gebouw van een gebouweigenaar met een individuele leveringsaansluiting van meer dan 100 kilowatt gesloopt wordt, kan een aangewezen warmtebedrijf voor de afsluiting van een collectieve warmtevoorziening een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen tarief dat is gebaseerd op de werkelijke kosten van de afsluiting in rekening brengen.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden vastgesteld over:

  • a. de wijze waarop de Autoriteit Consument en Markt het tarief berekent en vaststelt op grond van het tweede lid, en de opslag berekent en vaststelt op grond van het derde lid;
  • b. de wijze waarop wordt bepaald dat het aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijk rendement als bedoeld in het derde lid kan behalen.

§ 2.5.7. De levering van warmte aan verbruikers

Artikel 2.31. leveringsovereenkomst

1.

Een in Nederland gevestigd aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst tot levering van warmte op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie:

  • a. een omschrijving van de te leveren goederen en diensten en de overeengekomen kwaliteitsniveaus daarvan, die in ieder geval betrekking hebben op:
  • 1°. de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte, bedoeld in artikel 2.16, tweede lid, onderdeel f, onder 1°;
  • 2°. de soort geleverde warmte;
  • 3°. de tarieven van en voorwaarden waaronder deze goederen en diensten worden geleverd;
  • b. een omschrijving van de terugbetalingsregelingen als de geleverde goederen en diensten niet aan de overeengekomen kwaliteitsniveaus voldoen;
  • c. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om veilig gebruik te kunnen maken van de door het aangewezen warmtebedrijf geleverde warmte;
  • d. de warmtebehoefte van het gebouw en de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om de verblijfsruimte te kunnen verwarmen tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius, uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius, voor zover er warmte ten behoeve van ruimteverwarming wordt geleverd;
  • e. dat warmte zal worden geleverd waarmee de verblijfsruimte van de verbruiker te verwarmen is tot een binnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius indien is voldaan aan de waarden en kenmerken, bedoeld in onderdeel d, voor zover er warmte ten behoeve van ruimteverwarming wordt geleverd;
  • f. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om tapwater te kunnen leveren op een temperatuur of te kunnen verwarmen tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgestelde norm, voor zover er warmte ten behoeve van tapwater wordt geleverd;
  • g. dat tapwater wordt geleverd op een temperatuur of dat te verwarmen is tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgestelde norm indien voldaan is aan de kenmerken, bedoeld in onderdeel f, voor zover er warmte ten behoeve van tapwater wordt geleverd;
  • h. het aansluitvermogen van de aansluiting voor koude op het warmte koude systeem, waarbij het aansluitvermogen dient te worden aangeven in kilowatt met minstens één cijfer achter te komma.
2.

In het geval van een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 230m, eerste lid, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is artikel 230v van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing op de informatieverplichtingen voor een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in het eerste lid.

3.

Een aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker voorafgaand aan het sluiten van een leveringsovereenkomst een samenvatting van de belangrijkste voorwaarden uit de overeenkomst in begrijpelijke taal.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de inhoud van de leveringsovereenkomst;
  • b. de informatie die het aangewezen warmtebedrijf al dan niet voorafgaand aan het sluiten van een leveringsovereenkomst aan verbruikers verstrekt.

Artikel 2.32. wijzigen en opzeggen van een leveringsovereenkomst

1.

Een aangewezen warmtebedrijf stelt een verbruiker op toereikende wijze in kennis van een voornemen tot wijziging van de:

  • a. tarieven voor de levering van warmte;
  • b. aan de leveringsovereenkomst verbonden voorwaarden.
2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het wijzigen en opzeggen van een leveringsovereenkomst tussen een aangewezen warmtebedrijf en verbruiker.

Artikel 2.33. vernietigbaarheid leveringsovereenkomst

Een leveringsovereenkomst met een kleinverbruiker die niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.31 en 2.32 is vernietigbaar.

Artikel 2.34. gevolgen van een opzegging van een leveringsovereenkomst

1.

Een aangewezen warmtebedrijf reageert schriftelijk op een opzegging en motiveert daarin in voorkomend geval waarom de beëindiging niet kan plaatsvinden.

2.

Een aangewezen warmtebedrijf geeft geen gevolg aan de opzegging indien:

  • a. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de levering van warmte aan die verbruiker geheel te beëindigen;
  • b. beëindiging van de levering van warmte aan een verbruiker leidt tot aanzienlijk blijvend nadeel voor een andere verbruiker.
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

  • a. de situaties waarin het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de levering aan een verbruiker geheel te beëindigen;
  • b. wanneer er sprake is van een aanzienlijk blijvend nadeel.

Artikel 2.35. opzeggen leveringsovereenkomst in geval van situatie artikel 2.26

1.

Een verbruiker kan een leveringsovereenkomst met betrekking tot een gebouw waarvan de gebouweigenaar het aanbod om aangesloten te worden, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgend heeft aanvaard, door middel van opzegging niet beëindigen tot drie jaar na aanvang van de levering van warmte nadat het gebouw op een collectieve warmtevoorziening is aangesloten.

2.

Het eerste lid geldt niet in het geval:

  • a. de verbruiker binnen drie jaar na aanvang van de levering van warmte, bedoeld in het eerste lid, verhuist;
  • b. de gebouweigenaar wordt afgesloten van de collectieve warmtevoorziening.

Artikel 2.36. opzegvergoeding

1.

Een aangewezen warmtebedrijf kan een kleinverbruiker voor de opzegging van een leveringsovereenkomst alleen een opzegvergoeding in rekening brengen, indien het een tussentijdse opzegging betreft van een overeenkomst voor bepaalde duur en een vooraf of tijdens de overeenkomst vast overeengekomen prijs of vast overeengekomen kosten, en de opzegvergoeding in de overeenkomst is opgenomen.

2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de voorwaarden en de hoogte van de opzegvergoeding.

Artikel 2.37. factuur

1.

Een aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker periodiek en kosteloos facturen en factureringsinformatie, waarin de gegevens inzake de geleverde warmte op transparante en begrijpelijke wijze is weergegeven.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

  • a. de inhoud en inrichting van facturen en factureringsinformatie;
  • b. de frequentie van facturen en factureringsinformatie;
  • c. het verstrekken van gegevens aan de verbruiker over het verbruik van warmte;
  • d. het toesturen van facturen en factureringsinformatie;
  • e. de omstandigheden waarin en termijnen waarbinnen een aangewezen warmtebedrijf de facturen en factureringsinformatie verstrekt.

Artikel 2.38. betalingswijzen

1.

Een aangewezen warmtebedrijf biedt een verbruiker een ruime keuze uit betalingswijzen.

2.

Een aangewezen warmtebedrijf is goed bereikbaar voor een verbruiker.

3.

Een aangewezen warmtebedrijf handelt correspondentie van een verbruiker binnen tien werkdagen af. Indien een oplossing in deze periode niet mogelijk is, ontvangt de verbruiker binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een adequate reactie kan worden verwacht.

4.

Een aangewezen warmtebedrijf gebruikt de aan hem verstrekte gegevens over een verbruiker uitsluitend voor het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 2.13, en het nakomen van de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 2.39. klachtenprocedure

1.

Een aangewezen warmtebedrijf voorziet in een transparante, kosteloze en eenvoudige interne procedure voor de behandeling van klachten van zijn verbruikers.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld, die kunnen verschillen per type verbruiker, over:

  • a. de voorwaarden en inrichting waaraan de klachtenprocedure moet voldoen;
  • b. de termijnen die gelden voor de klachtenprocedure.

Artikel 2.40. voorkomen beëindiging levering

1.

Een aangewezen warmtebedrijf neemt preventieve maatregelen om het beëindigen van levering van warmte aan een kleinverbruiker wegens wanbetaling zoveel mogelijk te voorkomen.

2.

Een aangewezen warmtebedrijf beëindigt:

  • a. de levering van warmte aan een kleinverbruiker niet in verband met wanbetaling, behoudens in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen;
  • b. de levering van warmte ten behoeve van bij ministeriële regeling aan te wijzen kleinverbruikers niet in verband met wanbetaling indien is voldaan aan bij die regeling te bepalen voorwaarden.
3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

  • a. de maatregelen die een aangewezen warmtebedrijf neemt om betalingsachterstanden te verhelpen of te voorkomen;
  • b. het beperken, opschorten, beëindigen of hervatten van de levering van warmte aan kleinverbruikers.

§ 2.5.8. Meten van het verbruik van warmte

Artikel 2.41. kosten gebaseerd op het gemeten verbruik

1.

Een aangewezen warmtebedrijf baseert de aan de verbruiker in rekening te brengen kosten voor de levering van warmte op het gemeten verbruik met:

  • a. een warmtemeter;
  • b. een warmtekostenverdeler, of
  • c. een voor een verbruiker inzichtelijke verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek.
2.

Indien een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek wordt gebruikt kan aan een afzonderlijke verbruiker tevens worden toegerekend:

  • a. de kosten van verbruik van warmte in het gemeenschappelijk belang;
  • b. de redelijke kosten voor de uitvoering van de verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek indien dit door een ander dan het aangewezen warmtebedrijf geschiedt.

Artikel 2.42. warmtemeter, warmtekostenverdeler en verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek

1.

Een aangewezen warmtebedrijf installeert een warmtemeter bij een leveringsaansluiting waar dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is.

2.

De installatie van een warmtemeter is in ieder geval technisch haalbaar en kostenefficiënt indien:

  • a. een bestaande warmtemeter wordt vervangen;
  • b. een nieuwe leveringsaansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw;
  • c. een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd.
3.

Indien de installatie van een warmtemeter technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is, installeert een aangewezen warmtebedrijf een warmtekostenverdeler waar dat kostenefficiënt is.

4.

Een aangewezen warmtebedrijf hanteert een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek indien de installatie van een warmtekostenverdeler niet kostenefficiënt is.

5.

De verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek gaat uit van een binnen de technische en financiële mogelijkheden zo nauwkeurig mogelijke benadering van het werkelijke aandeel in het totaal gemeten verbruik van een afzonderlijke verbruiker.

6.

De warmtekostenverdeler, de verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek en andere technische voorzieningen voor benadering, meting of registratie van het aandeel van een afzonderlijke verbruiker in het totale verbruik, worden aan de hand van daarvoor gangbare technische normen geïnstalleerd en toegepast.

7.

Indien een onroerende zaak, die is gebouwd voor 1 juli 2019, bestaat uit meerdere verblijfsruimten kan een aangewezen warmtebedrijf het individueel gemeten warmtegebruik van de verbruiker door middel van een warmtemeter, warmtekostenverdeler of een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek corrigeren aan de hand van correctiefactoren die door het aangewezen warmtebedrijf zijn vastgesteld met in acht name van de daarvoor gangbare technische normen voor:

  • a. de ligging van verblijfswoonruimten;
  • b. leidingverliezen voor transportleidingen.
8.

Het eerste tot en met zevende lid zijn niet van toepassing op warmte die door apparatuur van de verbruiker wordt opgewaardeerd tot een temperatuur die geschikt is voor ruimteverwarming en verwarming van tapwater en waarbij in de leveringsovereenkomst is bepaald dat deze apparatuur bij de binneninstallatie hoort. Het warmtebedrijf plaatst een meter voor het punt waar de warmte wordt overgedragen op de apparatuur van de verbruiker waarmee kan worden vastgesteld of is voldaan aan artikel 2.18, tweede lid, onderdelen a en b.

9.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop wordt bepaald:

  • a. in welke andere situaties de installatie van een warmtemeter technisch haalbaar of kostenefficiënt is;
  • b. in welke situaties de installatie van een warmtekostenverdeler kostenefficiënt is;
  • c. de technische eisen waaraan een meter als bedoeld in achtste lid moet voldoen.
10.

Een aangewezen warmtebedrijf geeft een afzonderlijke verbruiker of diens gemachtigde inzicht in de meetgegevens, de correctiefactor en de berekening van het aandeel van de afzonderlijke verbruiker in het totale verbruik, zoals vastgesteld op grond van het vijfde tot en met zevende lid en van de toerekening van de kosten op grond van artikel 2.41, tweede lid.

Artikel 2.43. eisen aan een warmtemeter, warmtekostenverdeler en verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek

1.

Indien een aangewezen warmtebedrijf een warmtemeter of een warmtekostenverdeler installeert, is deze op afstand uitleesbaar.

2.

Een aangewezen warmtebedrijf leest meetgegevens van een verbruiker, die beschikt over een warmtemeter of een warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar is, niet op afstand uit indien de kleinverbruiker hierom verzoekt.

3.

De meetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar zijn kunnen ten hoogste eenmaal per 15 minuten worden gecollecteerd, gevalideerd of vastgesteld.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels, die kunnen verschillen voor de meting van het verbruik van warmte door een kleinverbruiker en grootverbruiker, worden gesteld over:

  • a. de eisen en functionaliteiten waar een warmtemeter, een warmtekostenverdeler en een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek tenminste aan moeten voldoen;
  • b. het installeren, beheren en uitlezen van een warmtemeter en warmtekostenverdeler;
  • c. het onderzoek naar de betrouwbaarheid van een warmtemeter, warmtekostenverdeler en verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek;
  • d. een controlesystematiek voor warmtemeters;
  • e. de administratie in verband met het installeren, vervangen, of verwijderen van een warmtemeter en warmtekostenverdeler;
  • f. het collecteren, valideren en vaststellen van meetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar zijn;
  • g. de frequentie waarmee meetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar zijn worden gecollecteerd, gevalideerd of vastgesteld.
5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de beveiliging van meetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar is.

6.

Dit artikel is niet van toepassing op warmte die door apparatuur van de verbruiker wordt opgewaardeerd als bedoeld in artikel 2.42, achtste lid.

§ 2.5.9. Toegang van warmtebronnen

Artikel 2.44. toegang van warmtebronnen

1.

Een aangewezen warmtebedrijf treedt op verzoek van een producent of producent van restwarmte in overleg over het gebruik door het warmtebedrijf van de warmtebron van de producent of producent van restwarmte.

2.

Na ontvangst van een verzoek geeft het aangewezen warmtebedrijf de producent of producent van restwarmte informatie, voor zover daarom is verzocht, over:

  • a. de vraag van het aangewezen warmtebedrijf naar productiecapaciteit nu en de verwachte productiecapaciteit in de toekomst;
  • b. indien er vraag naar productiecapaciteit is, de kenmerken van deze productiecapaciteit;
  • c. de technische kenmerken van de collectieve warmtevoorziening, waaronder de druk, de temperatuur, de mate waarin de uitstoot van broeikasgassen wordt verminderd en het debiet;
  • d. het afnameprofiel en de jaarlijkse afname van de betreffende collectieve warmtevoorziening.
3.

Een aangewezen warmtebedrijf doet de producent of producent van restwarmte een deugdelijk gemotiveerde schriftelijke beslissing toekomen over het gebruik van de warmtebron.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  • a. de eisen waaraan een verzoek als bedoeld in het eerste lid ten minste moet voldoen;
  • b. de termijn waarbinnen de informatie wordt verschaft;
  • c. de termijn waarbinnen het overleg tussen het aangewezen warmtebedrijf en de producent of producent van restwarmte wordt gestart.

§ 2.5.10. Overige verplichtingen

Artikel 2.45. eigendom warmtenet

1.

Een aangewezen warmtebedrijf beschikt over de eigendom van het warmtenet van de collectieve warmtevoorziening waarop de taken, bedoeld in artikel 2.13, van het warmtebedrijf betrekking hebben. Het is verboden de economische eigendom van het warmtenet geheel of deels over te dragen aan een derde of het warmtenet geheel of deels te bezwaren met een zekerheidsrecht ten gunste van een directe of indirecte aandeelhouder of certificaathouder van het warmtebedrijf waardoor de feitelijke zeggenschap over het warmtenet direct of op termijn niet langer bij het warmtebedrijf rust.

2.

Het aangewezen warmtebedrijf draagt de eigendom van het warmtenet over aan het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf, indien de aanwijzing:

  • a. is gewijzigd op grond van artikel 2.8, vijfde lid;
  • b. is ingetrokken op grond van artikel 2.9, tweede of derde lid;
  • c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van de aanwijzing;
  • d. is overgedragen op grond van artikel 2.10, eerste lid.
3.

Indien in afwijking van het eerste lid het aangewezen warmtebedrijf op grond van artikel 13.10 alleen beschikt over de economische eigendom van het warmtenet van een collectieve warmtevoorziening en een openbaar lichaam over de juridische eigendom van het warmtenet, dan draagt het aangewezen warmtebedrijf de economische eigendom van het warmtenet over aan het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf, indien de aanwijzing:

  • a. is gewijzigd op grond van artikel 2.8, vijfde lid;
  • b. is ingetrokken op grond van artikel 2.9, tweede of derde lid;
  • c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van de aanwijzing;
  • d. is overgedragen op grond van artikel 2.10, eerste lid.
4.

Het aangewezen warmtebedrijf waarvan de aanwijzing is gewijzigd, ingetrokken, komen te vervallen of overgedragen heeft recht op een tegenprestatie van het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf die de marktwaarde van de verschafte rechten op het warmtenet vertegenwoordigt.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de overdracht van de eigendom van het warmtenet en de tegenprestatie.

6.

Het vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de doorslaggevende zeggenschap in een aangewezen warmtebedrijf wordt gewijzigd op grond van artikel 2.11, eerste lid.

Artikel 2.46. levering na overdracht van een aanwijzing

Indien een aanwijzing na instemming van het college op grond van artikel 2.10, eerste lid, wordt overgedragen aan een ander warmtebedrijf neemt dit warmtebedrijf alle leveringsovereenkomsten over die het aangewezen warmtebedrijf dat de aanwijzing overdraagt met verbruikers heeft gesloten. In afwijking van het eerste lid van artikel 159 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is medewerking van de verbruiker niet vereist.

Artikel 2.47. publicatie jaarrekening en bestuursverslag

1.

Het aangewezen warmtebedrijf publiceert een jaarrekening en een bestuursverslag overeenkomstig titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek met uitzondering van de artikelen 395a, 396, 397 en 403 van deze titel.

2.

Het bestuursverslag bevat informatie over:

  • a. de door het aangewezen warmtebedrijf bij verbruikers in rekening gebrachte tarieven;
  • b. de integrale kosten en opbrengsten die verband houden met de levering van warmte.
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.

§ 2.6. Verplichtingen gebouweigenaar

Artikel 2.48. verplichting gebouweigenaar

Voor zover een warmtenet is gelegen in een gebouw verleent een gebouweigenaar medewerking aan het verzoek van een aangewezen warmtebedrijf:

  • a. om toegang te krijgen tot het gebouw voor het uitvoeren van onderhoud aan het warmtenet en de in het gebouw aanwezige afleversets voor warmte;
  • b. om een verbruiker af te sluiten van het warmtenet door:
  • 1°. zorg te dragen voor de afsluiting van de verbruiker van het warmtenet, of
  • 2°. het aangewezen warmtebedrijf toestemming te geven zorg te dragen voor de afsluiting van de verbruiker van de warmtenet.

§ 2.7. Overige bepalingen

Artikel 2.49. exclusieve taak aangewezen warmtebedrijven warmtemeters en afleversets

Het is ieder ander dan het aangewezen warmtebedrijf verboden de taken, bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onderdelen m en o, voor zover het betreft het ter beschikking stellen van een warmtemeter door middel van verhuur, uit te voeren, tenzij het werkzaamheden betreft verricht door een derde als bedoeld in artikel 2.13, vijfde lid.

Artikel 2.50. verbod handelen in strijd met voorschriften en beperkingen

Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking:

  • a. als bedoeld in de artikelen 2.5, elfde lid, 2.7, elfde lid, 2.8, elfde lid, en 2.16, negende lid;
  • b. als bedoeld in de artikelen 2.5, vierde lid, 2.7, vierde lid, 2.8, vierde lid, 2.10, vijfde lid, 2.11, vijfde lid, 2.14, vijfde lid, 2.15, vijfde lid, 2.18, vierde lid, en 2.22, derde lid.

Hoofdstuk 3. Kleine collectieve warmtesystemen

§ 3.1. Vrijstelling

Artikel 3.1. meldplicht en vrijstelling

1.

Het warmtebedrijf meldt het college en de Autoriteit Consument en Markt het voornemen om warmte te leveren door middel van een klein collectief warmtesysteem in een gebied dat buiten een warmtekavel ligt.

2.

De Autoriteit Consument en Markt deelt het warmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de melding mede of het warmtebedrijf een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt moet indienen waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf:

  • a. voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de melding betrekking heeft;
  • b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de melding betrekking heeft, uit te voeren.
3.

Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van het tweede lid het warmtebedrijf heeft gemeld dat een aanvraag om een besluit moet worden ingediend, kan de Autoriteit Consument en Markt aan dit besluit voorschriften en beperkingen verbinden.

4.

Het warmtebedrijf dat warmte levert met een klein collectief warmtesysteem als bedoeld in het eerste lid, is voor 30 jaar vrijgesteld van het verbod, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, indien:

  • a. het warmtebedrijf beschikt over een aansluitovereenkomst met de gebouweigenaar of toekomstige gebouweigenaar als bedoeld in artikel 2.8, achtste lid;
  • b. de Autoriteit Consument en Markt:
  • 1°. binnen de termijn, bedoeld in tweede lid, niet heeft aangegeven dat een besluit aangevraagd dient te worden, of
  • 2°. bij besluit heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b.
5.

De vrijstelling op grond van het vierde lid geldt voor het gebied waarvoor de aansluitovereenkomst of aansluitovereenkomsten, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, gelden.

6.

Het warmtebedrijf zendt binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn het college:

  • a. de aansluitovereenkomst, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a;
  • b. de mededeling van de Autoriteit Consument en Markt op grond van het tweede lid, en
  • c. het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in het tweede lid, waarin is vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het derde lid, onderdelen a en b, indien de Autoriteit Consument en Markt in de mededeling op grond van het tweede lid heeft aangegeven dat het warmtebedrijf een aanvraag om een besluit als bedoeld in het tweede lid moet indienen.
7.

Het college zendt een afschrift van de informatie, genoemd in het zesde lid, aan de Autoriteit Consument en Markt en meldt voor welk gebied de vrijstelling op het grond van het vierde lid geldt.

8.

Het warmtebedrijf meldt het college onmiddellijk indien redelijkerwijs te voorzien is dat het collectief warmtesysteem waarvoor de vrijstelling op grond van het vierde lid geldt geen klein collectief warmtesysteem meer is als bedoeld in het eerste lid.

9.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de wijze waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan en de bij de melding te verstrekken gegevens en bescheiden;
  • b. de gronden, genoemd in het tweede lid;
  • c. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt.
10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het derde lid;
  • b. de wijze waarop het gebied, bedoeld in het vijfde lid, wordt bepaald.

§ 3.2. Ontheffing

Artikel 3.2. ontheffing

1.

Het college kan op aanvraag van een warmtebedrijf voor een klein collectief warmtesysteem buiten een warmtekavel voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een ontheffing verlenen van artikel 1.2, eerste lid. In de ontheffing wordt het gebied aangegeven waarvoor de ontheffing geldt.

2.

Alvorens een warmtebedrijf een aanvraag om een ontheffing indient, meldt het warmtebedrijf aan de Autoriteit Consument en Markt het voornemen een aanvraag in te dienen.

3.

De Autoriteit Consument en Markt deelt het warmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de melding mede of het een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt moet indienen waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf:

  • a. voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft, uit te voeren.
4.

Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van het derde lid het warmtebedrijf heeft gemeld dat een aanvraag om een besluit moet worden ingediend, kan de Autoriteit Consument en Markt aan het besluit, bedoeld in het derde lid, voorschriften en beperkingen verbinden.

5.

Het warmtebedrijf overlegt bij een aanvraag om een ontheffing in ieder geval:

  • a. de mededeling van de Autoriteit Consument en Markt op grond van het derde lid naar aanleiding van de melding van het warmtebedrijf, en,
  • b. het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in het derde lid, waarin is vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het derde lid, onderdelen a en b, indien de Autoriteit Consument en Markt in de mededeling op grond van het derde lid heeft aangegeven dat het warmtebedrijf een aanvraag om een besluit als bedoeld in het derde lid moet indienen;
  • c. een indicatie van de tarieven van de te leveren goederen en diensten in verband met de levering van warmte aan kleinverbruikers.
6.

Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om een ontheffing die betrekking heeft op een gebied binnen een warmtekavel indien:

  • a. het warmtebedrijf onvoldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • b. het warmtebedrijf onvoldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied op de aanvraag betrekking heeft, uit te voeren;
  • c. het klein collectief warmtesysteem onlosmakelijk verbonden is met een ander klein collectief warmtesysteem en deze systemen gezamenlijk geen klein collectief warmtesysteem zijn;
  • d. aannemelijk is dat op termijn het klein collectief warmtesysteem waarvoor ontheffing wordt aangevraagd geen klein collectief warmtesysteem meer zal zijn;
  • e. het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat door de ontheffing het aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijk rendement meer kan behalen;
  • f. het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat door de ontheffing de tarieven voor de resterende verbruikers van de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf significant verhoogd zullen moeten worden;
  • g. het aannemelijk is dat de in de aanvraag beschreven gevolgen voor verbruikers redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn;
  • h. een aansluitovereenkomst als bedoeld in artikel 2.8, achtste lid, met de gebouweigenaar of toekomstige gebouweigenaar ontbreekt.
7.

Het zesde lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing indien de Autoriteit Consument en Markt een besluit als bedoeld in het derde lid, heeft genomen waarin is vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden genoemd in het derde lid, onderdelen a en b.

8.

Het college kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden.

9.

Het warmtebedrijf meldt het college onmiddellijk indien redelijkerwijs te voorzien is dat het collectief warmtesysteem waarvoor een ontheffing is verleend geen klein collectief warmtesysteem meer is.

10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing op grond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een ontheffing te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen het college een besluit neemt;
  • b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derde lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt;
  • c. de gronden, genoemd in het derde lid.
11.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en achtste lid.
  • b. de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde lid.

§ 3.3. Wijziging, intrekking en overdragen van een vrijstelling en ontheffing

Artikel 3.3. wijziging vrijstelling en ontheffing

1.

Het college kan een ontheffing, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, wijzigen.

2.

Artikel 3.2, eerste tot en met zesde lid, en zevende, achtste, tiende en elfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de wijziging van de ontheffing.

3.

Een vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, kan gewijzigd worden. Artikel 3.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.4. intrekken vrijstelling en ontheffing

1.

De Autoriteit Consument en Markt kan aan het college melden dat een besluit als bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, of 2.21, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, is genomen waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat er grond is de vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, niet langer geldig te laten zijn, of een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, in te trekken omdat het warmtebedrijf:

  • a. niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 3.7 uit te voeren, met uitzondering van de taak, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel g;
  • b. in strijd handelt met artikel 2.14, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8;
  • c. vijf jaar na de eerste overschrijding van een norm bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan deze norm.
2.

De vrijstelling geldt niet langer of het college trekt de ontheffing in indien:

  • a. het college een melding als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen;
  • b. de vrijstelling of ontheffing geen betrekking meer heeft op een klein collectief warmtesysteem.
3.

De vrijstelling geldt niet langer, of het college kan de ontheffing intrekken indien het warmtebedrijf:

  • a. de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt;
  • b. in de aanvraag om een ontheffing of in de melding op grond van artikel 3.1, eerste of zesde lid, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;
  • c. hierom verzoekt.
4.

De vrijstelling geldt nog of de ontheffing wordt op grond van het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, niet ingetrokken voordat voor een ander warmtebedrijf een vrijstelling geldt of aan een ander warmtebedrijf op grond van artikel 3.2, eerste lid, een ontheffing is verleend voor het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft, of aan een ander warmtebedrijf een aanwijzing is verleend voor het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft:

  • a. tenzij het college op basis van het plan, bedoeld in het vijfde lid, heeft vastgesteld dat een doelmatige en kosteneffectieve exploitatie binnen het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing geldt niet meer kan worden geborgd en de verbruikers binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na publicatie van dat plan de gelegenheid hebben gehad over te gaan naar een alternatieve warmtevoorziening;
  • b. met dien verstande dat de vrijstelling in alle gevallen niet meer geldt of de ontheffing in alle gevallen wordt ingetrokken uiterlijk drie jaar te rekenen vanaf de datum dat het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, is gemeld aan het college overeenkomstig het eerste lid.
5.

Indien binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn voor een ander warmtebedrijf geen vrijstelling geldt, aan een ander warmtebedrijf geen ontheffing is verleend dan wel geen ander warmtebedrijf een aanwijzing heeft verkregen, stelt het college een plan op waarin is beschreven hoe de levering van warmte aan verbruikers van het warmtebedrijf kan worden verzekerd.

6.

Indien de ontheffing op grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt ingetrokken wordt het warmtebedrijf alleen een aangewezen warmtebedrijf voor het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing gold als het aangewezen warmtebedrijf een warmtebedrijf of warmtegemeenschap als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, is. Het gebied wordt geacht een warmtekavel te zijn. De beperkingen en voorschriften verbonden aan de ontheffing gaan gelden als aan de aanwijzing verbonden beperkingen en voorschriften.

7.

In afwijking van het zesde lid kan tot tien jaar na inwerkingtreding van dit artikel het aangewezen warmtebedrijf ook een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap zijn, als er geen warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of geen warmtegemeenschap binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn bij het college kenbaar heeft gemaakt de aanwijzing over te willen nemen.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de gronden, genoemd in het tweede en derde lid;
  • b. de procedure en voorwaarden die gelden als een vrijstelling niet langer geldt of een ontheffing wordt ingetrokken.
9.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot:

  • a. de procedure waarbinnen het college een ander warmtebedrijf een ontheffing verleent of een ander warmtebedrijf aanwijst;
  • b. de inhoud van het plan, bedoeld in het vijfde lid, en de termijn waarbinnen een ander warmtebedrijf een vrijstelling verkrijgt en het college het plan moet hebben opgesteld.

Artikel 3.5. overdragen vrijstelling en ontheffing

1.

Het college kan op aanvraag van een warmtebedrijf instemmen met de overdracht van een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, aan een ander warmtebedrijf.

2.

Alvorens een warmtebedrijf een aanvraag om instemming met de overdracht van een vrijstelling of een ontheffing indient, meldt het warmtebedrijf aan de Autoriteit Consument en Markt het voornemen een dergelijke aanvraag in te dienen.

3.

De Autoriteit Consument en Markt deelt het warmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de melding mede of het een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt moet indienen waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het andere warmtebedrijf:

  • a. voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft, uit te voeren.
4.

Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van het derde lid het warmtebedrijf heeft gemeld dat een aanvraag om een besluit moet worden ingediend, kan de Autoriteit Consument en Markt aan het besluit, bedoeld in het derde lid, voorschriften en beperkingen verbinden.

5.

Het warmtebedrijf overlegt bij een aanvraag om een instemming in ieder geval:

  • a. de reactie van de Autoriteit Consument en Markt op grond van het derde lid op de melding van het warmtebedrijf, en
  • b. het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in het derde lid, waarin is vastgesteld dat het andere warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het derde lid, onderdelen a en b, indien de Autoriteit Consument en Markt in de reactie op grond van het derde lid heeft aangegeven dat het warmtebedrijf een aanvraag om een besluit als bedoeld in het derde lid moet indienen.
6.

Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om instemming indien het andere warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid:

  • a. onvoldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.7, voor het gebied, bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, of 3.2, eerste lid;
  • b. onvoldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.7, in het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing geldt uit te voeren;
  • c. niet heeft ingestemd met de overdracht.
7.

Het zesde lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing indien de Autoriteit Consument en Markt een besluit als bedoeld in het derde lid, heeft genomen waarin is vastgesteld dat het andere warmtebedrijf voldoet aan de gronden, genoemd in het derde lid, onderdelen a en b.

8.

Het college kan voorschriften en beperkingen aan de instemming verbinden.

9.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de wijze waarop de aanvraag om instemming op grond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om instemming te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen het college een besluit neemt;
  • b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derde lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit neemt;
  • c. de gronden, genoemd in het derde lid.
10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en achtste lid;
  • b. de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde lid.

Artikel 3.6. toezending aan de Autoriteit Consument en Markt

Het college zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de ontheffing, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, de wijziging van de ontheffing, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, de intrekking van de ontheffing, bedoeld in artikel 3.4, tweede en derde lid, het plan, bedoeld in artikel 3.4, vijfde lid, en de instemming met de overdracht van een ontheffing, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid.

§ 3.4. Taken van een warmtebedrijf

Artikel 3.7. taken

1.

Het warmtebedrijf waarvoor een vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt, of waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, is verleend heeft uitsluitend tot taak om in het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing geldt:

  • a. een klein collectief warmtesysteem op een doelmatige wijze aan te leggen, te beheren en te onderhouden;
  • b. warmte op een doelmatige wijze te transporteren en te leveren aan degene die een leveringsaansluiting heeft op een binnen het gebied aangelegd klein collectief warmtesysteem, waarbij warmteverliezen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, voorkomen worden;
  • c. zorg te dragen voor een betrouwbare levering van warmte met inachtneming van een goede kwaliteit van dienstverlening;
  • d. warmte te leveren tegen transparante tarieven en onder transparante en redelijke voorwaarden;
  • e. de leveringszekerheid op een doelmatige wijze zeker te stellen;
  • f. de veiligheid van het klein collectief warmtesysteem op een doelmatige wijze te waarborgen;
  • g. de duurzaamheid van het klein collectief warmtesysteem op een doelmatige wijze te waarborgen;
  • h. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, tenzij deze gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden klein collectief warmtesysteem;
  • i. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaar naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, heeft aangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden klein collectief warmtesysteem maar alsnog heeft verzocht om een leveringsaansluiting, tenzij:
  • 1°. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen;
  • 2°. door de leveringsaansluiting de overige aan het warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden;
  • j. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien het gebouw zich bevindt in het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaar na de aanleg of uitbreiding van het klein collectief warmtesysteem heeft verzocht om een leveringsaansluiting, tenzij:
  • 1°. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen;
  • 2°. door de leveringsaansluiting de overige aan het warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden;
  • k. een gebouweigenaar op verzoek op een doelmatige wijze en binnen een redelijke termijn af te sluiten van het klein collectief warmtesysteem;
  • l. het verbruik van warmte van een op het klein collectief warmtesysteem aangesloten verbruiker te meten;
  • m. ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijn beschikt over een warmtemeter door middel van verhuur of een warmtekostenverdeler, of dat binnen een redelijke termijn een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek wordt toegepast;
  • n. een verbruiker de gegevens te verstrekken die deze voor een efficiënt gebruik van de geleverde warmte op grond van de leveringsovereenkomst nodig heeft;
  • o. ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijn beschikt over een afleverset voor warmte indien: tenzij dit voor de levering van warmte niet noodzakelijk is;
  • 1°. een bestaande afleverset voor warmte dient te worden vervangen;
  • 2°. een nieuwe afleverset voor warmte dient te worden geïnstalleerd in een nieuw of bestaand gebouw,
  • p. zorg te dragen voor het beheer en onderhoud van de bij een verbruiker geïnstalleerde warmtemeter, warmtekostenverdeler en afleverset voor warmte;
  • q. het warmtenet als geheel in balans te houden en te waarborgen dat onbalans tussen warmte of koude, indien de levering van koude noodzakelijk is voor een efficiënte werking van het klein collectief warmtesysteem, op een efficiënte wijze wordt gecorrigeerd of voorkomen.
2.

Indien een gebouw zich bevindt in het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft en in een gebied waarvoor in een omgevingsplan geen regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem niet is aangewezen, heeft het warmtebedrijf in plaats van de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen h tot en met j, tot taak de gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indien deze hierom heeft verzocht, tenzij:

  • a. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluiting aan te brengen;
  • b. door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezen warmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden.
3.

Het warmtebedrijf heeft tevens tot taak het warmtenet waarmee warmte getransporteerd wordt van een warmtebron naar het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing geldt op een doelmatige wijze aan te leggen, te beheren en te onderhouden. Het eerste lid, onderdelen a en f, is van overeenkomstige toepassing.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)