Wet van 10 december 2025, houdende regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte)
Artikel 8.6. besluit vereniging van eigenaars tot aansluiting op een collectieve warmtevoorziening of een klein collectief warmtesysteem in geval van levering van warmte aan ten hoogste 10 natuurlijke personen of rechtspersonen en in geval van doorlevering van warmte
De artikelen 8.1, eerste lid, en 8.2 zijn van overeenkomstige toepassing op het besluit van een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm, om al dan niet een aanbod van een warmtebedrijf om het gebouw aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening of klein collectief warmtesysteem als bedoeld in artikel 2.26 al dan niet stilzwijgend te aanvaarden waardoor:
- a. warmte wordt geleverd als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel a, of
- b. warmte wordt doorgeleverd als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel b.
Indien een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm besluit om een aanbod van een warmtebedrijf als bedoeld in het eerste lid al dan niet stilzwijgend te aanvaarden, zijn de artikelen 8.1, tweede tot en met vierde lid, 8.3 en 8.4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.7. besluit vereniging van eigenaars om aan zijn eigen leden warmte te leveren
In het geval een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm eigenaar is van een gebouw dat zich bevindt binnen een warmtekavel en waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in een gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen, zijn op het besluit van deze vereniging, om aan zijn leden warmte te leveren waarvoor op grond van artikel 4.1, eerste lid, een verplichting geldt dit te melden aan het college, de artikelen 8.1, eerste lid, en 8.2 van overeenkomstige toepassing.
In geval van een besluit van een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm als bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.1, tweede tot en met vierde lid, 8.3 en 8.4 van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 9. Informatieverstrekking en verwerking persoonsgegevens
Artikel 9.1. informatieverstrekking
Onze Minister en het college kunnen van eenieder gegevens of inlichtingen verlangen die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van aan hen bij of krachtens deze wet gegeven bevoegdheden.
Onze Minister en het college kunnen een termijn stellen waarbinnen de gegevens of inlichtingen worden verstrekt.
Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen te verstrekken, verstrekt de gegevens of inlichtingen binnen de gestelde termijn en verleent medewerking die:
- a. Onze Minister redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden;
- b. het college redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van hun bevoegdheden.
Onze Minister en het college gebruiken gegevens of inlichtingen welke zij hebben verkregen in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een bevoegdheid op grond van deze wet uitsluitend voor de uitoefening van die bevoegdheid.
Artikel 9.2. verwerking van persoonsgegevens
Onze Minister, de Autoriteit Consument en Markt en het college verwerken slechts persoonsgegevens voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van aan hen bij of krachtens deze wet gegeven bevoegdheden.
Een warmtebedrijf is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.13 of 3.7, en verplichtingen op grond van deze wet.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de maximale bewaartermijn van de persoonsgegevens die voor de verschillende verwerkingen van persoonsgegevens verschillend kan worden vastgesteld.
Hoofdstuk 10. Toezicht en handhaving
§ 10.1. Toezicht
Artikel 10.1. toezicht college en Autoriteit Consument en Markt
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 1.2, tweede tot en met vierde lid, 2.3, 2.11, 2.13, 2.14, 2.15, 2.17 tot en met 2.21, 2.23 tot en met 2.32, 2.34, eerste en derde lid, 2.36 tot en met 2.44, 2.46, 2.47, 2.49, 2.50, onderdeel b, 3.7 tot en met 3.10, 3.13, onderdeel b, 4.6, 5.6, 5.7 tot en met 5.18, 6.1 tot en met 6.2, 6.5, 6.7, 6.10 tot en met 6.13, 6.15, 6.16, onderdeel a, 7.1, 7.8, 7.10, tweede en derde lid, 7.12 tot en met 7.14, 7.16, 7.18, derde tot en met vijfde lid, 7.21, tweede lid, 7.22, 7.28, tweede lid, 7.31, derde tot en met vijfde lid, 7.34, 7.35, 7.36, 7.38, 10.2, eerste lid, 10.5 tot en met 10.9, 11, 13.7, 13.9, 13.10, tweede tot en met vijfde lid, 12.14, tweede lid, 13.17 en 13.19, onderdeel b, bepaalde zijn belast de daartoe bij besluit van de Autoriteit Consument en Markt aangewezen personen.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 1.2, eerste lid, 2.13, achtste lid, 2.16, 2.45, 2.50, onderdeel a, 3.1, 3.2, 3.12, 3.13, onderdeel a, 4.1, 4.3, 4.5, 4.7, 9.1, derde lid, onderdeel b, 10.2, tweede lid, 13.4, 13.8, 13.10, 13.13 en 13.19, onderdeel a, bepaalde zijn belast de daartoe bij besluit van het college aangewezen personen.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens artikel 6.14 bepaalde zijn belast de daartoe bij besluit van Onze Minister aangewezen personen.
Van een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening door de personen, bedoeld in het eerste lid en tweede lid.
§ 10.2. Handhaving
Artikel 10.2. bindende gedragslijn
De Autoriteit Consument en Markt kan ter verzekering van de naleving een bindende gedragslijn opleggen met betrekking tot de artikelen waarvoor haar het toezicht op de naleving is opgedragen.
Het college kan ter verzekering van de naleving een bindende gedragslijn opleggen met betrekking tot de artikelen waarvoor aan het college het toezicht op de naleving is opgedragen.
Artikel 10.3. last onder dwangsom
De Autoriteit Consument en Markt kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen waarvoor haar op grond van artikel 10.1, eerste lid, het toezicht op de naleving is opgedragen de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Het eerste lid is van toepassing op de eerste overschrijding van een bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde norm en niet op een overschrijding van deze norm gedurende vijf jaren na deze eerste overschrijding, tenzij de overtreder inmiddels weer voldoet aan de normen, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, en er opnieuw een overtreding plaatsvindt.
Het college kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen waarvoor hen op grond van artikel 10.1, tweede lid, het toezicht op de naleving is opgedragen de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Onze Minister kan in geval van overtreding van de artikelen 6.14, eerste en vierde lid, en 6.16, onderdeel b, de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Artikel 10.4. bestuurlijke boete
De Autoriteit Consument en Markt kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1.2, derde en vierde lid, 2.3, 2.13, eerste tot en met derde lid, en achtste lid, 2.14, eerste, tweede en vierde lid, 2.15, eerste, tweede, vierde en zesde lid, 2.16, tweede en elfde lid, 2.17, eerste, tweede, zesde tot en met elfde lid, 2.18, eerste, vijfde en zesde lid, 2.19, 2.20, eerste en derde lid, 2.23, 2.24, eerste en derde lid, 2.25, eerste, tweede en vijfde lid, 2.26, eerste, derde en vierde lid, 2.27, eerste lid, 2.29, eerste lid, 2.30, 2.31, 2.32, 2.34, eerste lid, 2.36 tot en met 2.44, 2.46, 2.47, 3.7, eerste, tweede, derde en zesde lid, 3.8, 3.9, eerste tot en met derde lid, vijfde en zevende lid, 3.9, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 4.6, 5.6, eerste lid, onderdelen b tot en met i, derde lid, 5.7, eerste, tweede en vierde lid, 5.8, eerste, tweede, vierde en zesde lid, 5.9, eerste, tweede, zesde tot en met tiende lid, 5.10, eerste, tweede, derde, zesde tot en met achtste lid, 5.11, 5.12, eerste en vierde lid, 5.13, eerste en derde lid, 5.14, eerste lid, 5.15, eerste, tweede en vierde lid, 5.16, eerste, derde en vijfde lid, 5.17, 5.18, 6.1, 6.2, eerste tot en met vierde lid, zesde lid, 6.7, 6.10, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 6.12, 6.13, 6.15, eerste lid, 7.1, eerste tot en met vierde lid, zevende lid, 7.8, eerste, tweede, zesde, tiende en elfde lid, 7.10, tweede en derde lid, 7.12, eerste lid, 7.13, eerste en tweede lid, 7.18, derde tot en met vijfde lid, 7.22, eerste tot en met vierde lid, achtste lid, 7.31, derde tot en met vijfde lid, 7.34, eerste en tweede lid, 7.36, 7.38, eerste, tweede en vijfde lid, 7.40, tweede en derde lid, 7.41, 10.5, derde lid, 10.6, vijfde lid, 10.7, vierde lid, 10.8, tweede lid, 13.5, tweede, derde en vijfde lid, en 13.9, eerste lid, vijfde lid, onderdeel a, zesde lid, onderdeel a, en 13.10, tweede tot en met vierde lid, de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de overtreder.
De Autoriteit Consument en Markt kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.21, eerste lid, de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, van ten hoogste 10% van de omzet van de overtreder.
Het tweede lid is van toepassing op de eerste overschrijding van een bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde norm en niet op een overschrijding van deze norm gedurende vijf jaren na deze eerste overschrijding, tenzij de overtreder inmiddels weer voldoet aan de normen, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, en er opnieuw een overtreding plaatsvindt.
Het college kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.16, eerste en zesde lid, 2.45, 3.2, negende lid, 3.12, 9.1, derde lid, onderdeel b, en 13.8, eerste lid, de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de overtreder.
Het college kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 1.2, eerste lid, de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, van ten hoogste 10% van de omzet van de overtreder.
Onze Minister kan in geval van overtreding van artikel 6.14, eerste en vierde lid, de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de overtreder.
De bestuurlijke boete die ingevolge het eerste, tweede, vierde tot en met zesde lid, ten hoogste kan worden opgelegd wordt verhoogd met 100%, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld in artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een aan die overtreder voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijk wettelijk voorschrift opgelegde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.
§ 10.3. Interventiebevoegdheden Autoriteit Consument en Markt
Artikel 10.5. opdragen maatregelen aan een derde
De Autoriteit Consument en Markt kan eenieder ander dan het warmtebedrijf opdragen maatregelen te treffen indien:
- a. de opdracht noodzakelijk is teneinde de leveringszekerheid zeker te stellen, en
- b. het niet mogelijk is de leveringszekerheid voldoende zeker te stellen door het warmtebedrijf een opdracht op grond van artikel 2.14, derde lid, op te leggen.
De Autoriteit Consument en Markt kan eenieder ander dan de warmtetransportbeheerder opdragen maatregelen te treffen indien:
- a. de opdracht noodzakelijk is teneinde de betrouwbaarheid van het warmtetransport zeker te stellen, en
- b. het niet mogelijk is de betrouwbaarheid voldoende zeker te stellen door de warmtetransportbeheerder een opdracht op grond van artikel 5.7, derde lid, op te leggen.
Eenieder volgt de opdracht op waarbij de Autoriteit Consument en Markt een redelijke vergoeding vaststelt voor de uitvoering van de opdracht. De kosten van de redelijke vergoeding komen voor rekening van:
- a. het warmtebedrijf indien het een opdracht als bedoeld in het eerste lid betreft, tenzij dit warmtebedrijf in staat van faillissement verkeert;
- b. de warmtetransportbeheerder indien het een opdracht als bedoeld in het tweede lid betreft.
De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht, bedoeld in het eerste en tweede lid, verbinden.
Indien de Autoriteit Consument en Markt een ander warmtebedrijf dan het warmtebedrijf opdraagt als noodwarmtebedrijf de levering van warmte aan verbruikers van het warmtebedrijf over te nemen, is eenieder verplicht medewerking te verlenen aan dit noodwarmtebedrijf, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.
Indien de Autoriteit Consument en Markt een andere warmtetransportbeheerder dan de warmtetransportbeheerder opdraagt als noodwarmtetransportbeheerder het warmtetransport over te nemen, is eenieder verplicht medewerking te verlenen aan deze noodwarmtetransportbeheerder, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.
De opdracht aan het noodwarmtebedrijf, bedoeld in het vijfde lid, geldt voor ten hoogste een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum dat het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in artikel 2.14, zevende lid, is gemeld aan het college overeenkomstig artikel 2.9, eerste lid, dan wel artikel 3.4, eerste lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. de redelijke vergoeding, bedoeld in het derde lid;
- b. de verplichtingen van het noodwarmtebedrijf die een opdracht op grond van het vijfde lid heeft verkregen;
- c. de verplichtingen van de noodwarmtetransportbeheerder die een opdracht op grond van het zesde lid heeft verkregen;
- d. de procedure en de vereisten die gelden in geval op grond van het vijfde lid een noodwarmtebedrijf wordt opgedragen de levering van warmte over te nemen of op grond van het zesde lid een noodwarmtetransportbeheerder wordt opgedragen het transport van warmte over te nemen.
Artikel 10.6. stille bewindvoerder
De Autoriteit Consument en Markt kan een persoon aanwijzen die voor een bepaalde termijn opdrachten kan verstrekken aan een warmtebedrijf indien door de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf de leveringszekerheid onvoldoende verzekerd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk is om de leveringszekerheid te verzekeren.
De Autoriteit Consument en Markt kan een persoon aanwijzen die voor een bepaalde termijn opdrachten kan verstrekken aan een warmtetransportbeheerder indien door de bedrijfsvoering van de warmtetransportbeheerder de betrouwbaarheid van het warmtetransport onvoldoende verzekerd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk is om de betrouwbaarheid te verzekeren.
Van het besluit tot aanwijzing van een persoon wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
In het besluit op grond van het eerste en tweede lid wordt aangegeven ter bescherming van welk belang het besluit is genomen. De aangewezen persoon verstrekt uitsluitend een opdracht ter bescherming van dit belang. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan het besluit verbinden.
Het warmtebedrijf of de warmtetransportbeheerder volgt de opdracht van de aangewezen persoon op en verstrekt deze alle daarvoor benodigde informatie. Het warmtebedrijf of de warmtetransportbeheerder is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van het nakomen van deze verplichtingen.
Tegen een opdracht van een aangewezen persoon kan administratief beroep worden ingesteld bij de Autoriteit Consument en Markt.
Rechtshandelingen in strijd met een opdracht van een aangewezen persoon zijn vernietigbaar. De vernietigingsgrond kan enkel worden ingeroepen door de aangewezen persoon of de Autoriteit Consument en Markt.
Voor schade ten gevolge van handelingen die zijn verricht in strijd met een opdracht van een aangewezen persoon is een bestuurder persoonlijk aansprakelijk tegenover het warmtebedrijf of de warmtetransportbeheerder.
Onverminderd de aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden, is een aangewezen persoon niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van door hem verstrekte opdrachten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over welke opdrachten een aangewezen persoon kan geven.
Artikel 10.7. vervanging van het bestuur
De Autoriteit Consument en Markt kan een of meer personen aanwijzen die het bestuur of de leiding van een warmtebedrijf, vervangt dan wel vervangen, indien:
- a. door de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf de leveringszekerheid onvoldoende verzekerd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk is om de leveringszekerheid te verzekeren, en
- b. ingrijpen anders dan op grond van artikel 10.6 om het belang van de leveringszekerheid te verzekeren, noodzakelijk is.
De Autoriteit Consument en Markt kan een of meer personen aanwijzen die het bestuur of de leiding van een warmtetransportbeheerder vervangt dan wel vervangen indien:
- a. door de bedrijfsvoering van de warmtetransportbeheerder de betrouwbaarheid van het warmtetransport onvoldoende verzekerd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk is om de betrouwbaarheid te verzekeren, en
- b. ingrijpen anders dan op grond van de artikel 10.6 om het belang van de betrouwbaarheid te verzekeren, noodzakelijk is.
Van het besluit tot aanwijzing van een of meer personen wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan het besluit verbinden.
De werkzaamheden van de aangewezen vervanger hebben tot doel te verzekeren dat:
- a. de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf gericht is op de zekerstelling van de leveringszekerheid indien de Autoriteit Consument en Markt gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van het eerste lid;
- b. de bedrijfsvoering van de warmtetransportbeheerder gericht is op de zekerstelling van de betrouwbaarheid van het warmtetransport indien de Autoriteit Consument en Markt gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van het tweede lid.
Artikel 10.6, vijfde en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder de opdracht van een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 10.6, vijfde lid, wordt verstaan: het doel van de werkzaamheden van de aangewezen vervanger, bedoeld in het vierde lid.
§ 10.4. Overige bepalingen
Artikel 10.8. metingen door de Autoriteit Consument en Markt
De Autoriteit Consument en Markt kan bij een producent, warmtebedrijf, warmtetransportbeheerder of verbruiker metingen verrichten of doen verrichten.
De producent, warmtebedrijf, warmtetransportbeheerder of verbruiker verleent medewerking aan de metingen die in zijn leidingen, installaties of hulpmiddelen worden verricht.
Artikel 10.9. verbod handelen in strijd met voorschriften en beperkingen
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in de artikelen 10.5, vierde lid, 10.6, vierde lid, en 10.7, derde lid.
Hoofdstuk 11. Geschilbeslechting
Artikel 11. geschilbeslechting
Een warmtebedrijf stelt een onafhankelijke geschillencommissie in waaraan een verbruiker of gebouweigenaar een geschil met een warmtebedrijf kan voorleggen over:
- a. een leveringsovereenkomst en de wijze waarop deze wordt uitgevoerd;
- b. de toepassing van de artikelen 2.13, eerste lid, onderdelen i en j, onder 1° en 2°, en tweede lid, onderdelen a en b, en 3.7, eerste lid, onderdelen i en j, onder 1° en 2°, en tweede lid, onderdelen a en b, van deze wet.
De procedure bij de geschillencommissie is snel, transparant, eenvoudig en goedkoop.
Het voorleggen van een geschil aan een onafhankelijke geschillencommissie laat onverlet elke mogelijkheid voor de verbruiker of gebouweigenaar een hem ter beschikking staand rechtsmiddel aan te wenden.
Hoofdstuk 12. Overige bepalingen
Artikel 12.1. verbod stellen regels
Gedeputeerde staten, provinciale staten, het college en de gemeenteraad zijn niet bevoegd regels te stellen ten aanzien van het leveren, transporteren, produceren en inkopen van warmte, het beschikbaar stellen van restwarmte en de tarieven die daarvoor in rekening kunnen worden gebracht in het belang van een betrouwbare, betaalbare en broeikasgassen-vrije warmtevoorziening.
Artikel 12.2. vergoeding kosten verlening beschikkingen
Aan het college is een door het college vast te stellen vergoeding verschuldigd voor het nemen van een besluit op grond van de artikelen 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, 2.10, eerste lid, 3.2, eerste lid, 3.3, eerste lid, 3.5, eerste lid, 4.2, eerste lid, en 4.3, vijfde lid, voor ten hoogste de kosten die gemoeid zijn met het geven van die beschikkingen.
Aan Onze Minister is een door Onze Minister vast te stellen vergoeding verschuldigd voor het nemen van een besluit op grond van de artikelen 2.11, eerste lid, 5.1, eerste lid, 5.2, eerste lid, en 5.4, eerste lid, voor ten hoogste de kosten die gemoeid zijn met het geven van die beschikkingen.
De vergoeding bedraagt ten hoogste de gemaakte kosten en wordt in rekening gebracht bij degene aan wie de beschikking is gericht.
Het verschuldigde bedrag kan worden ingevorderd bij dwangbevel.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de vaststelling van de vergoeding.
Artikel 12.3. representatieve organisatie belanghebbende
Een representatieve organisatie wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten, niet zijnde beschikkingen, genomen op grond hoofdstuk 7 van deze wet.
Artikel 12.4. inbreukprocedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven
Op verzoek van een representatieve organisatie kan het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevelen dat een warmtebedrijf een handelen of nalaten van een warmtebedrijf staakt dat:
- a. in strijd is met artikel 7.1, eerste lid, en dat nadeel toebrengt aan de collectieve belangen van kleinverbruikers;
- b. in strijd is met artikel 7.21, eerste lid, en dat nadeel toebrengt aan de collectieve belangen van grootverbruikers;
- c. in strijd is met artikel 7.22, eerste lid, en dat nadeel toebrengt aan de collectieve belangen van kleinverbruikers, huurders en leden van een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte afnemen van een klein collectief warmtesysteem;
- d. in strijd is met artikel 7.35 en dat nadeel toebrengt aan de collectieve belangen van grootverbruikers.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven kan eveneens worden verzocht het warmtebedrijf dat een inbreuk als genoemd in het eerste lid maakt te veroordelen tot het openbaar maken of openbaar laten maken van een beschikking, zulks op een door het College te bepalen wijze en op kosten van de door het College aan te geven partij of partijen.
Geschillen terzake de tenuitvoerlegging van de in het eerste en tweede lid bedoelde veroordelingen worden bij uitsluiting door het College van Beroep voor het bedrijfsleven beslist.
Artikel 12.5. rechtsbescherming
Voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep en de behandeling van en de uitspraak op bezwaar en beroep wordt:
- a. het besluit tot vaststelling van de warmtekavel en een aanwijzing als één besluit aangemerkt;
- b. het besluit tot wijziging van een warmtekavel en wijziging van een aanwijzing op grond van artikel 2.8, eerste, vijfde en zesde lid, als één besluit aangemerkt.
Artikel 12.6. bevorderen ontwikkeling warmtegemeenschappen
Onze Minister stelt na overleg met de representatieve organisaties van warmtegemeenschappen een faciliterend kader vast gericht op de bevordering van de ontwikkeling van warmtegemeenschappen.
Het faciliterend kader, bedoeld in het eerste lid, wordt driejaarlijks geactualiseerd op basis van een knelpuntenanalyse waarbij de zienswijze van representatieve organisaties van warmtegemeenschappen wordt betrokken.
Artikel 12.7. deelneming
In het belang van het stimuleren van de warmtetransitie kan Onze Minister besluiten een naamloze of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid aan te wijzen, waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de Staat der Nederlanden behoren, die tot taak heeft:
- a. het oprichten of mede-oprichten van en actief deelnemen in warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang;
- b. het adviseren van medeoverheden over de oprichting of inrichting van warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang.
Met het warmtebedrijf als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt bedoeld een regionaal warmtebedrijf dan wel een warmtebedrijf dat binnen een redelijke termijn uitgroeit naar een regionaal warmtebedrijf.
Onze Minister kan aan een besluit op grond van het eerste lid voorschriften en beperkingen verbinden.
Onze Minister kan een besluit op grond van het eerste lid intrekken of wijzigen indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het geven van dit besluit.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over:
- a. het aanwijzen van een vennootschap als bedoeld in het eerste lid;
- b. het regionaal warmtebedrijf en de termijn, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 12.8. relatieve betaalbaarheid collectieve warmte
Onze Minister verzekert bij de inwerkingtreding van de artikelen 7.3 tot en met 7.5 dat de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte voor kleinverbruikers dan wel grootverbruikers die zorgdragen voor de doorlevering van warmte, na inwerkingtreding van de artikelen 7.3 tot en met 7.5, 7.7 en 7.8 is geborgd.
Onze Minister verzekert bij de inwerkingtreding van de artikelen 7.24 tot en met 7.26 dat de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte voor kleinverbruikers dan wel grootverbruikers die zorgdragen voor de doorlevering van warmte, na inwerkingtreding van de artikelen 7.24 tot en met 7.26 is geborgd.
Artikel 12.9. parlementaire betrokkenheid
Het koninklijk besluit waarmee de in artikel 13.32, derde tot en met negende lid, genoemde artikelen in werking treden, treedt niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Tegelijk met het overleggen van het ontwerp van het koninklijk besluit waarmee de in de artikel 13.32, derde lid, genoemde artikelen in werking treden, zendt Onze Minister aan de Staten-Generaal een rapport van een onderzoek naar de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte, bedoeld in artikel 12.8, en zijn bevindingen naar aanleiding van dit rapport.
Tegelijk met het overleggen van het ontwerp van het koninklijk besluit waarmee de in de artikel 13.32, vijfde lid, genoemde artikelen in werking treden, zendt Onze Minister aan de Staten-Generaal een rapport van een onderzoek naar de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte, bedoeld in artikel 12.8, en zijn bevindingen naar aanleiding van dit rapport.
De voordracht voor een krachtens de artikelen 7.1, zesde lid en zevende lid, onderdeel c, 7.2, derde en vijfde lid, 7.3, vijfde en achtste lid, 7.6, zesde lid, 7.7, zesde lid, 7.9, zesde lid, 7.13, vijfde lid, 7.15, zesde lid, 7.18, vijfde lid, 7.19, derde lid, 7.22, achtste en negende lid, onderdeel b, 7.23, derde en zesde lid, 7.24, vijfde en achtste lid, 7.27, zesde lid, 7.29, zesde lid, 7.31, vijfde lid, 7.32, derde lid, en 7.34, vijfde lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 12.10. lex silencio positivo
Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op besluiten genomen bij of krachtens hoofdstukken 2, 3, 4, 5, 6 en 12.
Hoofdstuk 13. Slot- en overgangsbepalingen
§ 13.1. Evaluatie
Artikel 13.1. evaluatie
Onze Minister zendt binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van dit artikel aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid, de uitvoerbaarheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Hierbij wordt ten minste aandacht besteed aan de mate waarin de publieke belangen van betaalbaarheid, leveringszekerheid en duurzaamheid voldoende zijn gewaarborgd, en aan de mate waarin deze wet heeft bijgedragen aan de groei van het aantal collectieve warmtevoorzieningen, kleine collectieve warmtesystemen en leveringsaansluitingen in de gebouwde omgeving.
§ 13.2. Overgangsrecht
§ 13.2.1. Bestaande collectieve warmtevoorzieningen
Artikel 13.2. aanwijzing bestaande warmtebedrijven voor een warmtekavel
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een overeenkomst geldt waarin een gemeente een warmtebedrijf voor een gebied het recht heeft gegeven of de verplichting heeft opgelegd warmte te transporteren en te leveren aan verbruikers, een collectieve warmtevoorziening te exploiteren of verbruikers aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening, verleent het college binnen een jaar na inwerkingtreding van dit artikel een aanwijzing voor dit gebied.
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een warmtebedrijf warmte transporteert of levert in een gebied terwijl een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt, verleent het college binnen een jaar na inwerkingtreding van dit artikel het warmtebedrijf een aanwijzing voor dit gebied.
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt en een warmtebedrijf transporteert en levert op dat tijdstip nog geen warmte in een gebied maar het college heeft wel een of meer besluiten genomen op basis waarvan een warmtenet in dat gebied mag worden aangelegd, verleent het college het warmtebedrijf binnen een jaar na inwerkingtreding van dit artikel een aanwijzing voor dit gebied voor zover de besluiten betrekking hebben op één collectief warmtesysteem.
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt en een warmtebedrijf transporteert en levert op dat tijdstip nog geen warmte in een gebied maar het college heeft wel voor dat tijdstip een aankondiging van een overheidsopdracht gedaan waarin een gemeente een warmtebedrijf voor een gebied aangeeft een recht te willen geven of de verplichting op te willen leggen warmte te transporteren en te leveren aan verbruikers, een collectieve warmtevoorziening te exploiteren of verbruikers aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening, waarvan de termijn voor het indienen van inschrijvingen op het moment van inwerkingtreding van dit artikel is verstreken en op grond waarvan het college een met de gunningsbeslissing beoogde overeenkomst sluit, verleent het college dat warmtebedrijf een aanwijzing voor het gebied waarvoor de overeenkomst geldt, indien:
- a. de gunningsbeslissing is genomen binnen zes maanden na inwerkingtreding van dit artikel, en
- b. de overeenkomst binnen negen maanden na inwerkingtreding van dit artikel wordt ondertekend.
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt en een warmtebedrijf transporteert en levert op dat tijdstip nog geen warmte in een gebied maar het warmtebedrijf heeft wel een aansluitovereenkomst gesloten, verleent het college het warmtebedrijf een aanwijzing binnen een jaar na inwerkingtreding van dit artikel voor het gebied waarvoor de aansluitovereenkomst geldt of de aansluitovereenkomsten gelden voor zover deze aansluitovereenkomsten betrekking hebben op één collectief warmtesysteem.
Onder een aansluitovereenkomst als bedoeld in het vijfde lid wordt een overeenkomst verstaan die:
- a. een warmtebedrijf een recht en een plicht geeft de in de overeenkomst genoemde gebouwen of delen van gebouwen binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit artikel aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening;
- b. bindende financiële voorwaarden over de kosten van de aansluiting van deze gebouwen of delen van gebouwen op een collectieve warmtevoorziening bevat, en
- c. waarin een termijn is bepaald wanneer de levering van warmte aanvangt met enkel onvoorzienbare omstandigheden of van derden afhankelijke omstandigheden als ontbindende voorwaarde.
Het gebied, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, wordt aangemerkt als warmtekavel met dien verstande dat het warmtekavel niet aaneengesloten hoeft te zijn.
De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze overeenkomst het warmtebedrijf een recht of verplichting als bedoeld in het eerste lid, geeft, komt te vervallen op het moment dat het college een aanwijzing op grond van het eerste lid heeft verleend.
Voor de toepassing van het tweede lid geldt in afwijking van de definitie van warmtebedrijf in artikel 1.1 dat een warmtebedrijf zich bezig houdt of voornemens is zich bezig te houden met het transport of de levering van warmte.
Het tweede lid is niet van toepassing op het transport van warmte, bedoeld in artikel 13.10, tweede lid.
Dit artikel is niet van toepassing op de levering van warmte door een warmtebedrijf met een klein collectief warmtesysteem, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid.
Artikel 13.3. verplichting samenvoegen van gebieden bij één collectief warmtesysteem
In afwijking van artikel 13.2 wijst het college maar één warmtebedrijf aan voor de gebieden, bedoeld in artikel 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, indien:
- a. zonder samenvoeging van de gebieden de collectieve warmtevoorziening in het ene gebied afhankelijk is van de toegang tot de collectieve warmtevoorziening van het andere gebied om warmte te kunnen leveren aan verbruikers, en
- b. in deze gebieden hetzelfde warmtebedrijf warmte levert. Indien niet hetzelfde warmtebedrijf warmte levert maar verschillende groepsmaatschappijen behorende tot dezelfde groep, geven deze groepsmaatschappijen binnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde termijn na inwerkingtreding van dit artikel aan welke van deze groepsmaatschappijen het aangewezen warmtebedrijf zal zijn. Artikel 13.2, zesde, achtste tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De gebieden, bedoeld in het eerste lid, aanhef, worden aangemerkt als warmtekavel met dien verstande dat de warmtekavel niet aaneengesloten hoeft te zijn.
Het eerste en tweede lid is niet van toepassing indien het college en het aangewezen warmtebedrijf overeen zijn gekomen dat de gebieden niet worden samengevoegd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de omstandigheden waarin er sprake is van afhankelijkheid van de toegang, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 13.4. voorschriften en beperkingen aanwijzing
De voorwaarden die aan een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, zijn verbonden, gaan gelden als aan de aanwijzing verbonden beperkingen en voorschriften, voor zover deze voorwaarden niet in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet met uitzondering van de in artikel 2.5, eerste lid, en 2.7, eerste lid, genoemde duur van de aanwijzing. Het college stelt bij het besluit, bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, de beperkingen en voorschriften vast.
De duur van aanwijzing als bedoeld in artikel 13.2, eerste tot en met vijfde lid, wordt als volgt berekend:
- a. allereerst wordt de datum bepaald van de minst recente aansluitovereenkomst, bedoeld in artikel 13.2, zesde lid, van de laatste 10% van de leveringsaansluitingen of voorziene leveringsaansluitingen waarvoor door het aangewezen warmtebedrijf voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een aansluitovereenkomst is gesloten in het desbetreffende warmtekavel;
- b. vervolgens wordt het verschil berekend tussen de datum van inwerkingtreding van dit artikel en de datum berekend op grond van onderdeel a;
- c. de duur van de aanwijzing, bedoeld in de aanhef, bedraagt 30 jaar verminderd met de duur berekend op grond van onderdeel b met een minimum van 14 jaar.
Indien aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 13.2, eerste tot en met vijfde lid, geheel of gedeeltelijk een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, ten grondslag ligt, is in afwijking van het tweede lid de duur van de aanwijzing:
- a. de resterende duur van de overeenkomst indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan met een minimum van 14 jaar waarbij geldt dat indien deze duur meer dan 30 jaar is de aanwijzing voor 30 jaar wordt verleend;
- b. 30 jaar indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan;
- c. 30 jaar verminderd met de duur dat in het gebied reeds warmte is geleverd met een minimum van 14 jaar indien een bepaling ten aanzien van de duur in de overeenkomst ontbreekt.
Het derde lid is alleen van toepassing indien de op grond van het derde lid, berekende duur van de aanwijzing langer is dan de duur van de aanwijzing berekend op grond van het tweede lid.
Indien aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid meerdere overeenkomsten als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, ten grondslag liggen, wordt bij de toepassing van het derde lid uitgegaan van de overeenkomst met de langstlopende duur.
Indien een leveringsaansluiting of een voorziene leveringsaansluiting als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, een centrale leveringsaansluiting is dan wordt elke zelfstandige woning als bedoeld in artikel 234 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die warmte geleverd krijgt door middel van die centrale leveringsaansluiting, aangemerkt als één leveringsaansluiting.
Op de berekening van de duur van de aanwijzing, bedoeld in artikel 13.3, eerste lid, is het tweede tot en met zesde lid en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het tweede lid en zevende lid.
Artikel 13.5. tijdelijke aanwijzing van een niet integraal warmtebedrijf
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in een warmtekavel niet een onderneming aanwezig is die zich bezig houdt met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan maar alleen een warmtenetbedrijf en een warmteleveringsbedrijf, verleent het college het warmteleveringsbedrijf de aanwijzing op grond van artikel 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3.
Het warmteleveringsbedrijf en het warmtenetbedrijf, bedoeld in het eerste lid, richten binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel een warmtebedrijf op.
Binnen 6 maanden na de aanwijzing op grond van artikel 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3 sluiten het aangewezen warmtebedrijf en het warmtenetbedrijf een overeenkomst waarin is vastgelegd dat het warmtenetbedrijf zodanig handelt dat het aangewezen warmtebedrijf de taken, bedoeld in artikel 2.13, op een doelmatige wijze kan uitvoeren en kan voldoen aan de verplichtingen die op het aangewezen warmtebedrijf op grond van deze wet rusten.
Indien het warmtenetbedrijf en warmteleveringsbedrijf het warmtebedrijf, bedoeld in het tweede lid, hebben opgericht:
- a. komt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, te vervallen en verleent het college een aanwijzing aan het warmtebedrijf, bedoeld in het tweede lid, waarbij geldt dat de duur van de aanwijzing gelijk is aan de resterende duur van de aanwijzing die komt te vervallen;
- b. is het derde lid niet meer van toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de overeenkomst, bedoeld in het derde lid.
Artikel 13.6. toezending aan de Autoriteit Consument en Markt
Het college zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de aanwijzing, bedoeld in artikel 13.2, eerste tot en met vijfde lid, 13.3, eerste lid, en 13.5, vierde lid, onderdeel a.
Artikel 13.7. taken
Op een op grond van artikel 13.2 of 13.3 aangewezen warmtebedrijf rusten vanaf het tijdstip waarop het college op grond van artikel 13.8, tweede lid, heeft ingestemd met het uitgewerkt kavelplan, de taken, bedoeld in artikel 2.13.
Artikel 13.8. uitgewerkt kavelplan
Een op grond van artikel 13.2 of 13.3 aangewezen warmtebedrijf stelt binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een uitgewerkt kavelplan op voor de warmtekavel waarvoor het is aangewezen met dien verstande dat in het uitgewerkt kavelplan de kenmerken van de collectieve warmtevoorziening waarop de aanwijzing betrekking heeft zijn weergegeven.
Het uitgewerkt kavelplan behoeft instemming van het college. Het college kan uitsluitend instemming aan het uitgewerkt kavelplan onthouden als het uitgewerkt kavelplan de kenmerken van de collectieve warmtevoorziening niet op een juiste wijze weergeeft.
Artikel 2.16, tweede lid, onderdelen a tot en met d, f, en j tot en met l, vijfde, zesde, tiende en elfde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
- a. in het tweede lid, onderdeel f, voor:
- 1°. «voorstel voor een netontwerp» wordt gelezen «beschrijving van de collectieve warmtevoorziening»;
- 2°. «de in te zetten warmtebronnen» wordt gelezen «de warmtebronnen»;
- 3°. «een indicatie van het tracé» wordt gelezen «het tracé»;
- b. in het tweede lid, onderdeel j, voor «een indicatie van de tarieven» wordt gelezen «de tarieven».
Het college kan voorschriften en beperkingen aan een instemming verbinden.
Artikel 13.9. derdentoegang tot een bestaande collectieve warmtevoorziening
Een op grond van artikel 13.2 of 13.3 aangewezen warmtebedrijf verleent een ander warmtebedrijf dat aangewezen wil worden voor een warmtekavel toegang tot zijn collectieve warmtevoorziening tegen redelijke voorwaarden en tarieven.
De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van het aangewezen warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid, ontheffing verlenen van het eerste lid, voor de resterende duur van de aanwijzing van dit warmtebedrijf.
De Autoriteit Consument en Markt verleent uitsluitend de ontheffing indien het aangewezen warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid, door de toegang tot zijn collectieve warmtevoorziening de taken, bedoeld in artikel 2.13, niet kan uitvoeren.
De Autoriteit Consument en Markt kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden;
- b. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit tot ontheffing neemt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de redelijke voorwaarden en tarieven, bedoeld in het eerste lid;
- b. de grond, genoemd in het derde lid;
- c. de voorschriften en beperkingen die aan een ontheffing kunnen worden verbonden.
Artikel 13.10. economische en juridische eigendom van een bestaand warmtenet
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een openbaar lichaam beschikt over de juridische eigendom van een warmtenet van een aangewezen warmtebedrijf kan in afwijking van artikel 2.45, eerste lid, dit openbaar lichaam juridisch eigenaar blijven van dit warmtenet met dien verstande dat het aangewezen warmtebedrijf beschikt over de economische eigendom van dit warmtenet.
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel het warmtebedrijf niet beschikt over de eigendom van een warmtenet of een deel daarvan, maar een onderneming die overeenkomstig een overeenkomst warmte transporteert van een warmtebron naar een collectieve warmtevoorziening of een klein collectief warmtesysteem, zijn de artikelen 2.45, eerste lid, en 3.12, eerste lid, niet van toepassing en sluiten het warmtebedrijf en de onderneming een transportovereenkomst waarin is vastgelegd dat de onderneming zodanig handelt dat het warmtebedrijf de taken, bedoeld in artikel 2.13 of 3.7 op een doelmatige wijze kan uitvoeren en kan voldoen aan de verplichtingen die op het warmtebedrijf op grond van deze wet rusten.
De onderneming, bedoeld in het tweede lid, kan een transportovereenkomst sluiten met een ander aangewezen warmtebedrijf van een ander warmtekavel of een ander warmtebedrijf van een ander klein collectief warmtesysteem ten behoeve van het transport van warmte van de warmtebron, bedoeld in het eerste lid, naar de collectieve warmtevoorziening of het klein collectief warmtesysteem van dit warmtebedrijf. In afwijking van artikel 2.45, eerste lid, en 3.12, eerste lid, kan de onderneming over de eigendom van het warmtenet beschikken waarmee de warmte wordt getransporteerd naar deze collectieve warmtevoorziening indien het warmtebedrijf en de onderneming een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid hebben gesloten.
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel het aangewezen warmtebedrijf niet beschikt over de eigendom van een warmtenet of een deel daarvan maar een groepsmaatschappij in de groep waartoe het aangewezen warmtebedrijf behoort, zijn de artikelen 2.45, eerste lid, en 3.12, eerste lid, niet van toepassing. De groepsmaatschappij beschikt over de eigendom van het warmtenet. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de overeenkomst, bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 13.11. overgangsrecht overeenkomsten uitbesteden taken artikel 2.13
Artikel 2.13, vijfde lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing op warmtebedrijven die op grond van artikel 13.2 of 13.3 zijn aangewezen.
Artikel 2.13, zesde lid, is niet van toepassing op een overeenkomst als bedoeld in 2.13, zesde lid, die geldt op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel.
§ 13.2.2. Bestaande kleine collectieve warmtesystemen
Artikel 13.12. ontheffing bestaande klein collectief warmtesysteem
Het college kan op aanvraag van een warmtebedrijf dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel warmte levert en transporteert met een klein collectief warmtesysteem een ontheffing verlenen van artikel 1.2, eerste lid. Het warmtebedrijf dient binnen een half jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een aanvraag in. De ontheffing geldt voor de gebieden, bedoeld in artikel 13.2, eerste tot en met vijfde lid, voor zover deze betrekking hebben op het klein collectief warmtesysteem. Artikel 13.2, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. In de ontheffing wordt het gebied aangegeven waarvoor de ontheffing geldt.
Het college beslist alleen afwijzend op een aanvraag om een ontheffing indien het geen klein collectief warmtesysteem betreft.
Het college kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden met dien verstande dat op het bepalen van de duur van ontheffing artikel 13.4, tweede tot en met zesde lid, en het achtste lid, van overeenkomstige toepassing is.
De ontheffing wordt geacht een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, te zijn.
Het college zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de ontheffing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing op grond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een ontheffing te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen het college een besluit neemt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het derde lid;
- b. de afwijzingsgrond, genoemd in het tweede lid.
§ 13.2.3. Bestaande verhuurders en verenigingen van eigenaars
Artikel 13.13. ontheffing bestaande verhuurders en verenigingen van eigenaars
Een verhuurder of een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm meldt binnen een half jaar na inwerkingtreding van dit artikel aan het college de levering en transport van warmte op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in een bepaald gebied aan zijn huurder of de leden van de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm tenzij:
- a. het de levering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel d, betreft;
- b. het de doorlevering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e of f, betreft.
De verhuurder, vereniging van eigenaars of daarmee vergelijkbare rechtsvorm, bedoeld in het eerste lid, wordt met de melding geacht een ontheffing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, verkregen te hebben voor 30 jaar.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop melding wordt gedaan en de bij de melding te verstrekken gegeven en bescheiden.
§ 13.2.4. Bestaande warmtetransportnetten
Artikel 13.14. aanwijzing warmtetransportbeheerder
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een warmtetransportonderneming een warmtetransportnet in een gebied in ontwikkeling en aangelegd heeft, verleent Onze Minister binnen een half jaar na inwerkingtreding van dit artikel de onderneming een aanwijzing voor dit gebied voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar indien de onderneming voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5.11, 5.12 en 5.14. Op de beoordeling van de aanvraag is artikel 5.1, zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister kan aan een aanwijzing voorschriften en beperkingen verbinden.
De aanwijzing wordt geacht een aanwijzing als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, te zijn.
Onze Minister zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de aanwijzing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de aanvraag om een aanwijzing op grond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een aanwijzing te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen Onze Minister een besluit neemt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het tweede lid;
- b. de voorwaarden, genoemd in het eerste lid.
§ 13.2.5. Bestaande warmteproductie
Artikel 13.15. restwarmte
Artikel 6.2 is niet van toepassing op het ter beschikking stellen van restwarmte die deze warmte ongebruikt terecht laat komen in lucht en water op basis van een overeenkomst tussen een producent van restwarmte en een warmtebedrijf die geldt op het moment van inwerkingtreding van dit artikel, met uitzondering van een wijziging van deze overeenkomst.
Artikel 13.16. garanties van oorsprong
Een rekening die is geopend op grond van artikel 25, eerste lid, van de Warmtewet zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.4, tweede lid, wordt aangemerkt als rekening geopend op grond van artikel 6.4, tweede lid.
Een garantie van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen die is uitgegeven op grond van artikel 25 van de Warmtewet zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.4, eerste lid, wordt aangemerkt als garantie van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid.
Artikel 13.17. erkenning meetverantwoordelijk partij
Een onderneming die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel activiteiten verricht als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, vraagt binnen twee jaar na dit tijdstip een erkenning als bedoeld in artikel 6.10, derde lid, aan bij de Autoriteit Consument en Markt.
Artikel 13.18. hernieuwbare bron
Ten aanzien van een warmtebedrijf dat op grond van artikel 13.2 of 13.3 is aangewezen of dat op grond van artikel 13.12, eerste lid, een ontheffing heeft verkregen, geldt in afwijking van de definitie van hernieuwbare bron in artikel 1.1, en de definitie van hernieuwbare bronnen in artikel 6.3, niet de eis dat houtige biomassa niet is toegestaan als hernieuwbare bron.
§ 13.3. Overige bepalingen
Artikel 13.19. verbod handelen in strijd met voorschriften en beperkingen
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking:
- a. als bedoeld in de artikelen 13.4, eerste lid, 13.8, vierde lid, en 13.12, derde lid;
- b. als bedoeld in de artikelen 13.9, vierde lid, en 13.14, tweede lid.
Artikel 13.20. kenmerken binneninstallatie en warmtebehoefte in een leveringsovereenkomst
De kenmerken van de binneninstallatie en de warmtebehoefte van het gebouw zoals die op het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 2.16 en 2.31 in een leveringsovereenkomst tussen een op grond van artikel 13.2 of 13.3 aangewezen warmtebedrijf of een warmtebedrijf waaraan op grond van artikel 13.12, eerste lid, een ontheffing is verleend dan wel een warmtebedrijf waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, is verleend, en een verbruiker staan, worden beschouwd als te voldoen aan de vereisten van de kenmerken van de binneninstallatie en de warmtebehoefte van het gebouw als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onderdelen d en f, en de kenmerken van de binneninstallatie en de warmtebehoefte van het gebouw als bedoeld in artikel 2.16, tweede lid, onderdelen c en d.
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 2.16 en 2.31 de kenmerken van de binneninstallatie en de warmtebehoefte van het gebouw niet in de leveringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, zijn omschreven, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de op dat tijdstip aanwezige binneninstallatie en geldende warmtebehoefte van het gebouw, tenzij er sprake is van gebrekkig onderhoud of het verkeerd ingeregeld zijn van de binneninstallatie.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over wanneer sprake is van gebrekkig onderhoud of het verkeerd ingeregeld zijn van de binneninstallatie als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 13.21. overgangsrecht aanhangige procedures op grond van de Warmtewet
De op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanhangige aanvragen tot en verzoeken om het nemen van besluiten op grond van de Warmtewet en bezwaren tegen besluiten op grond van de Warmtewet worden afgehandeld overeenkomstig de Warmtewet, zoals de Warmtewet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel.
Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens de Warmtewet worden afgehandeld overeenkomstig de Warmtewet zoals de Warmtewet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 10.2.
Artikel 13.22. overgangsrecht vergunningen Warmtewet
Verleende vergunningen op grond van artikel 9, eerste lid, van de Warmtewet vervallen uiterlijk binnen een jaar na inwerkingtreding van artikel 13.2, 13.3 en 13.12 van deze wet, of zo eerder, indien het college:
- a. op grond van artikel 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3, eerste lid, een warmtebedrijf een aanwijzing heeft verleend, of
- b. op grond van artikel 13.12, eerste lid, een warmtebedrijf een ontheffing heeft verleend.
Artikel 13.23. Warmtewet tijdelijk van toepassing op bestaande warmtebedrijven en nieuw aangewezen warmtebedrijven die warmte leveren aan meer dan 1500 verbruikers
Tot het tijdstip waarop het college op grond van artikel 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3, eerste lid, een warmtebedrijf heeft aangewezen voor een warmtekavel en tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van dit artikel, blijven op een leverancier als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet die warmte levert aan meer dan 1500 verbruikers, de artikelen 1, 2, eerste, derde en achtste lid, 4a, eerste, tweede en vierde lid, 5, 5a, 6, 7, artikel 8, eerste lid, vijfde lid, zesde lid, onderdelen b en c, zevende lid, achtste lid, 9, 10, 11, 12a, 12b, 12c, 12d, 13, 15, 17, 18, 20, 23 en 24 van de Warmtewet en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit artikel van toepassing.
Tot het tijdstip waarop het college op grond van artikel 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3, eerste lid, een warmtebedrijf heeft aangewezen voor een warmtekavel, en tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van dit artikel:
- a. zijn de artikelen 1.1, 2.19, 2.20, 2.31 tot en met 2.34, 2.36 tot en met 2.44, 2.48, 6.1, 6.2, 7.10, 7.11, 10.8, en 11, eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing op de leverancier, bedoeld in het eerste lid;
- b. zijn op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens de artikelen, bedoeld in het eerste lid, bepaalde, de artikelen 10.1, eerste lid, 10.2, eerste lid, 10.3, eerste lid, en 10.4, eerste en zevende lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing;
- c. is artikel 1.2, eerste lid, niet van toepassing op de levering of het transport van warmte door de leverancier, bedoeld in het eerste lid.
Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 7.1, 7.2, 7.13, derde tot en met vijfde lid, 7.15, 7.16 en 7.35 van deze wet, zijn, in afwijking van het eerste lid, de artikelen 2, derde lid, 4a, eerste, tweede en vierde lid, 5, 5a, 6, 8, eerste lid, aanhef, zinssnede «tegen ten hoogste een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen tarief» en laatste volzin, vijfde lid, zesde lid, onderdelen b en c, en achtste lid, 23 en 24 van de Warmtewet en de daarop berustende bepalingen niet langer van toepassing op de levering van warmte door een leverancier als bedoeld in het eerste lid.
Vanaf het tijdstip, bedoeld in het derde lid, tot het tijdstip waarop het college op grond van artikel 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3, eerste lid, een warmtebedrijf heeft aangewezen voor een warmtekavel, zijn:
- a. de artikelen 7.1, 7.2, 7.13, derde tot en met vijfde lid, 7.15, 7.16, 7.35 en 12.4, eerste lid, onderdelen a en d, tweede en derde lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing op de levering van warmte door een leverancier als bedoeld in het eerste lid;
- b. op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens de artikelen, bedoeld in onderdeel a, bepaalde, de artikelen 10.1, eerste lid, 10.2, eerste lid, 10.3, eerste lid, en 10.4, eerste en zevende lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing.
Indien de artikelen 7.1, 7.2, 7.13, derde tot en met vijfde lid, 7.15, 7.16 en 7.35 van deze wet nog niet in werking zijn getreden, zijn tot inwerkingtreding van deze artikelen, op een warmtebedrijf dat is aangewezen op grond van artikel 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3, eerste lid:
- a. de artikelen 2, derde lid, 4a, eerste, tweede en vierde lid, 5, 5a, 6, 8, eerste lid, vijfde lid, zesde lid, onderdelen b en c, en achtste lid, 23 en 24 van de Warmtewet en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing;
- b. op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens de artikelen, bedoeld in onderdeel a, bepaalde, de artikelen 13, 15, 17 en 18 van de Warmtewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13.24. Warmtewet tijdelijk van toepassing op bestaande en nieuwe warmtebedrijven die warmte leveren met een klein collectief warmtesysteem
Tot het tijdstip waarop het college een ontheffing heeft verleend op grond van artikel 13.12, eerste lid, en tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van dit artikel blijven op een leverancier als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet die warmte levert aan maximaal 1500 verbruikers, huurders of leden van een vereniging van eigenaars of een vergelijkbare rechtsvorm, de artikelen 1, 2, eerste, derde en achtste lid, 4a, eerste, tweede en vierde lid, 5, 5a, 6, 7, artikel 8, eerste lid, vijfde lid, zesde lid, onderdelen b en c, zevende lid, achtste lid, 9, 10, 11, 12a, 12b, 12c, 12d, 13, 15, 17, 18, 20, 23 en 24 van de Warmtewet en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit artikel van toepassing.
Tot het tijdstip waarop het college een ontheffing heeft verleend op grond van artikel 13.12, eerste lid, en tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van dit artikel:
- a. zijn de artikelen 1.1, 2.19, 2.20, 2.31 tot en met 2.34, 2.36 tot en met 2.43, 2.48, 6.1, 6.2, 7.10, 10.8, en 11, eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing op de leverancier, bedoeld in het eerste lid;
- b. zijn op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens de artikelen, bedoeld in het eerste lid, bepaalde, de artikelen 10.1, eerste lid, 10.2, eerste lid, 10.3, eerste lid, en 10.4, eerste en zevende lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing;
- c. is artikel 1.2, eerste lid, niet van toepassing op de levering of het transport van warmte door een leverancier bedoeld in het eerste lid.
Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 7.22, 7.23, 7.28, 7.29 en 7.35 van deze wet, zijn, in afwijking van het eerste lid, de artikelen 2, derde lid, 4a, eerste, tweede en vierde lid, 5, 5a, 6, 8, eerste lid, aanhef, zinssnede «tegen ten hoogste een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen tarief» en laatste volzin, vijfde lid, zesde lid, onderdelen b en c, en achtste lid, 23 en 24 van de Warmtewet en de daarop berustende bepalingen niet langer van toepassing op de levering van warmte door een leverancier als bedoeld in het eerste lid.
Vanaf het tijdstip, bedoeld in het derde lid, tot het tijdstip waarop het college op grond van artikel 13.12, eerste lid, een ontheffing heeft verleend, zijn:
- a. de artikelen 7.22, 7.23, 7.28, 7.29 en 7.35 en 12.4, eerste lid, onderdelen c en d, tweede en derde lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing op de levering van warmte door een leverancier als bedoeld in het eerste lid;
- b. op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens de artikelen, bedoeld in onderdeel a, bepaalde, de artikelen 10.1, eerste lid, 10.2, eerste lid, 10.3, eerste lid, en 10.4, eerste en zevende lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing.
Indien de artikelen 7.22, 7.23, 7.28, 7.29 en 7.35 van deze wet nog niet in werking zijn getreden, zijn tot inwerkingtreding van deze artikelen, op een warmtebedrijf waarvoor een vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt, of waaraan een ontheffing is verleend op grond van artikel 3.2, eerste lid, of 13.12, eerste lid:
- a. de artikelen 2, derde lid, 4a, eerste, tweede en vierde lid, 5, 5a, 6, 8, eerste lid, vijfde lid, zesde lid, onderdelen b en c, en achtste lid, 23 en 24 van de Warmtewet en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing;
- b. op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens de artikelen, bedoeld in onderdeel a, bepaalde, de artikelen 13, 15, 17 en 18 van de Warmtewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13.25. Warmtewet tijdelijk van toepassing op bestaande verhuurders en verenigingen van eigenaars
Tot het tijdstip waarop een verhuurder, vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm een melding heeft gedaan op grond van artikel 13.13, eerste lid, en tot ten hoogste een half jaar na inwerkingtreding van dit artikel:
- a. zijn de artikelen 1.1, 2.37 en 2.41 tot en met 2.43 van deze wet van overeenkomstige toepassing op de levering van warmte door een leverancier als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Warmtewet, voor zover het de levering en transport van warmte, bedoeld in artikel 13.13, eerste lid, betreft;
- b. zijn op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens de artikelen, bedoeld in onderdeel a, bepaalde, de artikelen 10.1, eerste lid, 10.2, eerste lid, 10.3, eerste lid, en 10.4, eerste en zevende lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing;
- c. is artikel 1.2, eerste lid, niet van toepassing op de levering of het transport van warmte door een leverancier als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Warmtewet, voor zover het de levering of transport van warmte, bedoeld in artikel 13.13, eerste lid, betreft.
§ 13.4. Wijziging andere wetten
Artikel 13.26. Wijziging Gemeentewet, Provinciewet en Waterschapswet
Wijzigt de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet.
Artikel 13.27. Wijziging Omgevingswet
Wijzigt de Omgevingswet.
Artikel 13.28. Wijziging Algemene wet bestuursrecht
Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 13.29. Wijziging Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie
Wijzigt de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie.
Artikel 13.30. Wijziging Energiewet
Wijzigt de Energiewet.
§ 13.5. Slotbepalingen
Artikel 13.31. intrekken Warmtewet
De Warmtewet wordt ingetrokken.
Artikel 13.32. inwerkingtreding
-
- De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
-
- Wijzigt deze wet.
-
- Wijzigt deze wet.
-
- Wijzigt deze wet.
-
- Wijzigt deze wet.
-
- Wijzigt deze wet.
-
- Wijzigt deze wet.
-
- Wijzigt deze wet.
-
- Wijzigt deze wet.
Artikel 13.33. citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet collectieve warmte.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)