Verdrag inzake het Open Luchtruim

Type Verdrag
Publication 2002-01-01
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die dit Verdrag sluiten, hierna te noemen, gezamenlijk, de Staten-Partijen of, afzonderlijk, een Staat-Partij,

Indachtig de verplichtingen die zij op de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa op zich hebben genomen aangaande het bevorderen van grotere openheid en doorzichtigheid in hun militaire activiteiten en het vergroten van de veiligheid door middel van vertrouwen- en veiligheidbevorderende maatregelen,

Verheugd over de historische gebeurtenissen in Europa, die de veiligheidssituatie van Vancouver tot Vladiwostok hebben gewijzigd,

Geleid door de wens bij te dragen tot de verdere ontwikkeling en versterking van de vrede, stabiliteit en coöperatieve veiligheid in dat gebied door middel van het scheppen van een „open luchtruim"-regime voor observatie vanuit de lucht,

Erkennende de mogelijke bijdrage die een dergelijk regime inzake observatie vanuit de lucht tevens aan de veiligheid en stabiliteit in andere regio's kan leveren,

Vaststellende de mogelijkheid een dergelijk regime te gebruiken ter verbetering van de openheid en doorzichtigheid, ter vergemakkelijking van de controle op de naleving van bestaande en toekomstige wapenbeheersingsovereenkomsten en ter versterking van het vermogen tot conflictvermijding en crisisbeheersing in het kader van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa en andere daarvoor in aanmerking komende internationale instellingen,

Beogende de mogelijke uitbreiding van het „open luchtruim"-regime tot andere gebieden, zoals bescherming van het milieu,

Ernaar strevende overeengekomen procedures vast te leggen die voorzien in observatie vanuit de lucht van alle grondgebieden van de Staten-Partijen, met de bedoeling één bepaalde Staat-Partij of groepen Staten-Partijen te observeren op basis van billijkheid en doelmatigheid, met handhaving van de vliegveiligheid.

Erop wijzende dat de toepassing van een dergelijk „open luchtruim"-regime de Staten die daaraan niet deelnemen, niet zal schaden,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel I. Algemene bepalingen

1.

Dit Verdrag stelt het regime in voor het uitvoeren van observatievluchten door Staten-Partijen boven de grondgebieden van andere Staten-Partijen, hetgeen wordt aangeduid als het „open luchtruim"-regime, en legt de daarmee verband houdende rechten en verplichtingen van de Staten-Partijen vast.

2.

Elk der Bijlagen en de bijbehorende Aanhangsels maken een integrerend deel uit van dit Verdrag.

Artikel II. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

    1. „geobserveerde Partij": de Staat-Partij of groep Staten-Partijen boven het grondgebied waarvan een observatievlucht wordt uitgevoerd of voorgenomen, zulks vanaf het tijdstip waarop deze een kennisgeving daarvan heeft ontvangen van een observerende Partij tot aan de voltooiing van de procedures in verband met die vlucht, dan wel personeel dat handelt namens die Staat-Partij of groep Staten-Partijen.
    1. „observerende Partij": de Staat-Partij of groep Staten-Partijen die een observatievlucht boven het grondgebied van een andere Staat-Partij of groep Staten-Partijen voorneemt of uitvoert, zulks vanaf het tijdstip waarop deze kennisgeving doet van zijn voornemen een observatievlucht uit te voeren tot aan de voltooiing van de procedures in verband met die vlucht, dan wel personeel dat handelt namens die Staat-Partij of groep Staten-Partijen.
    1. „groep Staten-Partijen": twee of meer Staten-Partijen die zijn overeengekomen een groep te vormen voor de toepassing van dit Verdrag.
    1. „observatievliegtuig": een onbewapend vastvleugelig vliegtuig, bestemd voor het uitvoeren van observatievluchten, ingeschreven door de desbetreffende autoriteiten van een Staat-Partij en uitgerust met overeengekomen sensoren. Het begrip „onbewapend" betekent dat het observatievliegtuig dat voor de toepassing van dit Verdrag wordt gebruikt, niet is uitgerust voor het vervoer en het gebruik van wapens.
    1. „observatievlucht": de vlucht van het observatievliegtuig, uitgevoerd door een observerende Partij boven het grondgebied van een geobserveerde Partij in overeenstemming met het vliegplan, vanaf het punt van binnenkomst of een „open luchtruim"-vliegveld tot aan het punt van vertrek of een „open luchtruim"-vliegveld.
    1. „transitvlucht": een vlucht van een observatievliegtuig of transportvliegtuig, uitgevoerd door of namens een observerende Partij boven het grondgebied van een derde Staat-Partij op weg naar of van het grondgebied van de geobserveerde Partij.
    1. „transportvliegtuig": een vliegtuig, anders dan een observatievliegtuig, dat namens de observerende Partij vluchten uitvoert naar en van het grondgebied van de geobserveerde Partij, zulks uitsluitend voor de toepassing van dit Verdrag.
    1. „grondgebied": het land, met inbegrip van eilanden, binnenwateren en territoriale wateren, waarover een Staat-Partij soevereiniteit uitoefent.
    1. „passief quotum": het aantal observatievluchten dat elke Staat-Partij moet dulden als geobserveerde Partij.
    1. „actief quotum": het aantal observatievluchten dat elke Staat-Partij mag uitvoeren als observerende Partij.
    1. „maximale vliegafstand": de maximale afstand boven het grondgebied van de geobserveerde Partij vanaf het punt waarop de observatievlucht kan aanvangen tot het punt waarop die vlucht kan eindigen, als aangegeven in Bijlage A bij dit Verdrag.
    1. „sensor": apparatuur van een categorie als omschreven in artikel IV, eerste lid, die in een observatievliegtuig is aangebracht om te worden gebruikt tijdens het uitvoeren van observatievluchten.
    1. „grondresolutie": de kleinste afstand op de grond tussen twee dicht bij elkaar gelegen objecten, waarbij deze nog als afzonderlijke objecten kunnen worden waargenomen.
    1. „infrarood-lijnaftasttoestel": een sensor die thermische elektromagnetische straling opvangt en zichtbaar maakt die door objecten vanwege hun eigen temperatuur wordt uitgezonden in het onzichtbare infrarode thermische gedeelte van het optische spectrum, terwijl deze objecten niet kunstmatig zijn belicht.
    1. „observatieperiode": een vastgesteld tijdvak in de loop van een observatievlucht gedurende hetwelk een bepaalde in het observatievliegtuig aangebrachte sensor in werking is gesteld.
    1. „bemanning": personen uit een Staat-Partij, onder wie tolken, indien de Staat-Partij daartoe besluit, die taken verrichten in verband met het vliegen met of het onderhoud van een observatievliegtuig of een transportvliegtuig.
    1. „gezagvoerder": de piloot aan boord van het observatievliegtuig die verantwoordelijk is voor het vliegen met het observatievliegtuig, de uitvoering van het vliegplan en de veiligheid van het observatievliegtuig.
    1. „vluchtwaarnemer": een persoon die zich namens de geobserveerde Partij gedurende de observatievlucht aan boord bevindt van een door de observerende Partij ter beschikking gesteld observatievliegtuig en die taken verricht in overeenstemming met Bijlage G bij dit Verdrag.
    1. „vluchtvertegenwoordiger": een persoon die zich namens de observerende Partij gedurende de observatievlucht aan boord bevindt van een door de geobserveerde Partij ter beschikking gesteld observatievliegtuig en die taken verricht in overeenstemming met Bijlage G bij dit Verdrag.
    1. „vertegenwoordiger": een persoon die is aangewezen door de observerende Partij en die namens de observerende Partij taken verricht in overeenstemming met Bijlage G gedurende een observatievlucht aan boord van een observatievliegtuig dat is aangewezen door een andere Staat-Partij dan de observerende Partij of de geobserveerde Partij.
    1. „sensorbediener": een persoon uit een Staat-Partij die taken verricht verband houdende met de werking, de bediening en het onderhoud van de sensoren van een observatievliegtuig.
    1. „inspecteur": een persoon uit een Staat-Partij die een inspectie van de sensoren of het observatievliegtuig van een andere Staat-Partij uitvoert.
    1. „begeleider": een persoon uit een Staat-Partij die de inspecteurs van een andere Staat-Partij begeleidt.
    1. „missieplan": een door de observerende Partij ingediend document, in een door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie vast te stellen vorm, dat de route, het profiel, de volgorde van uitvoering en de ondersteuningsmaatregelen bevat die nodig zijn voor het uitvoeren van de observatievlucht, hetwelk dient te worden overeengekomen met de geobserveerde Partij en dat de basis vormt voor de opstelling van het vliegplan.
    1. „vliegplan": een document, opgesteld op basis van het overeengekomen missieplan, in de vorm en met de inhoud als aangegeven door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, hierna te noemen de ICAO, dat wordt ingediend bij de met de luchtverkeersleiding belaste autoriteiten en aan de hand waarvan de observatievlucht zal worden uitgevoerd.
    1. „missierapport": een document dat een observatievlucht beschrijft en dat, na beëindiging daarvan, wordt opgesteld door de observerende Partij, in de door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie vast te stellen vorm, en wordt ondertekend door zowel de observerende als de geobserveerde Partij.
    1. „"open luchtruim"-vliegveld": een vliegveld dat door de geobserveerde Partij is aangewezen als punt waar een observatievlucht kan aanvangen of eindigen.
    1. „punt van binnenkomst": een door de geobserveerde Partij aangewezen punt voor de aankomst van personeel van de observerende Partij op het grondgebied van de geobserveerde Partij.
    1. „punt van vertrek": een door de geobserveerde Partij aangewezen punt voor het vertrek van personeel van de observerende Partij van het grondgebied van de geobserveerde Partij.
    1. „bijtankvliegveld": een door de geobserveerde Partij aangewezen vliegveld voor het innemen van brandstof door, en het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan, observatievliegtuigen en transportvliegtuigen.
    1. „uitwijkvliegveld": een in het vliegplan vermeld vliegveld waarnaar een observatievliegtuig of een transportvliegtuig kan uitwijken wanneer het niet raadzaam is op het aanvankelijk geplande vliegveld te landen.
    1. „gevaarlijke delen van het luchtruim": verboden gebieden, beperkte gebieden en gevaarlijke gebieden, omschreven op basis van Bijlage 2 bij het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, ingesteld in overeenstemming met Bijlage 15 bij het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart in het belang van de vliegveiligheid, de openbare veiligheid en de bescherming van het milieu en waarover informatie wordt verstrekt in overeenstemming met de voorschriften van de ICAO.
    1. „verboden gebied": een deel van het luchtruim met vastgestelde afmetingen, gelegen boven het grondgebied van een Staat-Partij, waarbinnen het vliegen met luchtvaartuigen verboden is.
    1. „beperkt gebied" een deel van het luchtruim met vastgestelde afmetingen, gelegen boven het grondgebied van een Staat-Partij, waarbinnen de luchtvaart met luchtvaartuigen is beperkt volgens bepaalde voorwaarden.
    1. „gevaarlijk gebied" een deel van het luchtruim met vastgestelde afmetingen, waarbinnen op bepaalde tijdstippen activiteiten kunnen plaatsvinden die gevaarlijk zijn voor de luchtvaart met luchtvaartuigen.

Artikel III. Quotums

1.

Elke Staat-Partij is gerechtigd observatievluchten uit te voeren in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

2.

Elke Staat-Partij is verplicht observatievluchten te dulden boven zijn grondgebied in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

3.

Elke Staat-Partij is gerechtigd een aantal observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van elke andere Staat-Partij dat gelijk is aan het aantal observatievluchten dat die Staat-Partij mag uitvoeren boven het grondgebied van eerstgenoemde Staat-Partij.

4.

Het totale aantal observatievluchten dat elke Staat-Partij boven zijn grondgebied moet dulden, vormt het totale passieve quotum van die Staat-Partij. De toekenning van het totale passieve quotum aan de Staten-Partijen is neergelegd in Afdeling I van Bijlage A bij dit Verdrag.

5.

Het aantal observatievluchten dat een Staat-Partij elk jaar mag uitvoeren boven het grondgebied van elk van de andere Staten-Partijen, vormt het individuele actieve quotum van die Staat-Partij ten aanzien van die andere Staat-Partij. De som van de individuele actieve quotums vormt het totale actieve quotum van die Staat-Partij. Het totale actieve quotum van een Staat-Partij mag niet groter zijn dan zijn totale passieve quotum.

6.

De eerste verdeling van de actieve quotums is neergelegd in Afdeling II van Bijlage A bij dit Verdrag.

7.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt de verdeling van de actieve quotums voor het volgende kalenderjaar onderworpen aan een jaarlijkse toetsing in het kader van de „Open Luchtruim”-Overlegcommissie. Ingeval het tijdens die jaarlijkse toetsing onmogelijk is binnen drie weken overeenstemming te bereiken over de verdeling van de actieve quotums met betrekking tot een bepaalde Staat-Partij, blijft de verdeling van de actieve quotums van het voorgaande jaar met betrekking tot die Staat-Partij ongewijzigd gehandhaafd.

8.

Behoudens het in artikel VIII bepaalde wordt elke door een Staat-Partij uitgevoerde observatievlucht in mindering gebracht op het individuele en het totale actieve quotum van die Staat-Partij.

9.

Onverminderd de bepalingen van het derde en het vijfde lid van deze Afdeling, kan een Staat-Partij waaraan een actief quotum is toegekend, na overeenstemming met de Staat-Partij boven het grondgebied waarvan zal worden gevlogen, zijn gehele totale actieve quotum, of een gedeelte daarvan, overdragen aan andere Staten-Partijen, waarvan hij onmiddellijk kennisgeving doet aan alle andere Staten-Partijen en aan de „Open Luchtruim”-Overlegcommissie. Het tiende lid van de Afdeling is van toepassing.

10.

Een Staat-Partij mag boven het grondgebied van een andere Staat-Partij niet meer observatievluchten uitvoeren dan 50 procent, naar boven afgerond op het eerstvolgende hele getal, van zijn eigen totale actieve quotum of van het totale passieve quotum van die andere Staat-Partij, naar gelang van welk aantal het kleinst is.

11.

De maximale vliegafstanden van observatievluchten boven de grondgebieden van de Staten-Partij en zijn neergelegd in Afdeling III van Bijlage A bij dit Verdrag.

  • A. Onverminderd hun rechten en verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag, kunnen twee of meer Staten-Partijen die quotums bezitten, op het tijdstip van ondertekening en daarna een groep Staten-Partijen vormen. Op een groep Staten-Partijen die na de ondertekening van dit Verdrag is gevormd, zijn de bepalingen van deze Afdeling niet eerder van toepassing dan zes maanden nadat alle andere Staten-Partijen in kennis zijn gesteld, zulks met inachtneming van de bepalingen van het zesde lid van deze Afdeling.
  • B. Een groep Staten-Partijen werkt met betrekking tot de actieve en passieve quotums samen in overeenstemming met de bepalingen van het tweede of het derde lid van deze Afdeling.
  • A. De leden van een groep Staten-Partijen hebben het recht hun actieve quotums voor het lopende jaar onderling te herverdelen, met handhaving van hun individuele passieve quotum. Alle betrokken derde Staten-Partijen worden onmiddellijk van de herverdeling in kennis gesteld.
  • B. Voor een observatievlucht worden evenveel observatievluchten op het individuele en het totale actieve quotum van de observerende Partij in mindering gebracht als er geobserveerde Partijen zijn behorende tot de groep boven het grondgebied waarvan wordt gevlogen. Op het totale passieve quotum van elke geobserveerde Partij wordt daarvoor één observatievlucht in mindering gebracht.
  • C. Elke Staat-Partij ten aanzien waarvan één of meer leden van een groep Staten-Partijen actieve quotums hebben, heeft het recht boven het grondgebied van elk lid van de groep 50 procent meer observatievluchten, naar boven afgerond op het eerstvolgende hele getal, uit te voeren dan zijn individuele actieve quotum ten aanzien van dat lid van de groep, dan wel twee vluchten, indien hij geen actief quotum bezit ten aanzien van dat lid van de groep.
  • D. Ingeval hij dit recht uitoefent, vermindert de betrokken Staat-Partij zijn actieve quotums ten aanzien van andere leden van de groep zodanig, dat de totale som van de observatievluchten die hij boven hun grondgebieden uitvoert, niet meer bedraagt dan de som van de individuele actieve quotums welke die Staat-Partij in het lopende jaar bezit ten aanzien van alle leden van de groep.
  • E. De maximale vliegafstanden van observatievluchten boven het grondgebied van elk lid van de groep zijn van toepassing. Ingeval een observatievlucht wordt uitgevoerd boven verscheidene leden, worden na het afleggen van de maximale vliegafstand boven één lid alle sensoren uitgeschakeld totdat het observatievliegtuig het punt boven het grondgebied van het volgende lid van de groep Staten-Partijen bereikt waar de observatievlucht zou aanvangen. Voor zo'n volgende observatievlucht geldt de maximale vliegafstand ten opzichte van het „open luchtruim”-vliegveld dat het dichtst bij dit punt is gelegen.
  • A. Een groep Staten-Partijen is gerechtigd zich, op zijn verzoek, een gezamenlijk totaal passief quotum te doen toekennen, waarna de gezamenlijke individuele en totale actieve quotums aan die groep worden toebedeeld.
  • B. In dit geval is het totale passieve quotum het totale aantal observatievluchten dat de groep Staten-Partijen elk jaar moet dulden. Het totale actieve quotum is de som van het aantal observatievluchten dat de groep Staten-Partijen elk jaar mag uitvoeren. Zijn totale actieve quotum mag niet groter zijn dan zijn totale passieve quotum.
  • C. Een observatievlucht uit hoofde van het totale actieve quotum van de groep Staten-Partijen wordt uitgevoerd namens de groep.
  • D. Observatievluchten die een groep Staten-Partijen moet dulden, kunnen worden uitgevoerd boven het grondgebied van één of meer van zijn leden.
  • E. De maximale vliegafstanden van elke groep Staten-Partijen worden aangegeven overeenkomstig Afdeling III van Bijlage A en „open luchtruim”-vliegvelden worden aangewezen overeenkomstig Bijlage E bij dit Verdrag.
4.

In overeenstemming met de algemene beginselen vervat in artikel X, derde lid, kan elke derde Staat-Partij die van oordeel is dat zijn rechten krachtens de bepalingen van Afdeling I, derde lid, van dit artikel op onbehoorlijke wijze zijn beperkt door het optreden van een groep Staten-Partijen, dit probleem voorleggen aan de „Open Luchtruim”-Overlegcommissie.

5.

De groep Staten-Partijen ziet erop toe dat er procedures worden ingesteld die het uitvoeren van observatievluchten boven de grondgebieden van zijn leden mogelijk maken tijdens één missie, indien nodig met inbegrip van bijtanken. In het geval van een groep Staten-Partijen die is gevormd overeenkomstig het derde lid van deze Afdeling, mogen die observatievluchten de maximale vliegafstand die geldt voor de „open luchtruim”-vliegvelden waar de observatievluchten aanvangen, niet overschrijden.

6.

Ten vroegste zes maanden nadat kennisgeving van de beslissing is gedaan aan alle andere Staten-Partijen:

  • A. kan een groep Staten-Partijen die is gevormd overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van deze Afdeling worden omgevormd in een groep Staten-Partijen overeenkomstig de bepalingen van het derde lid van deze Afdeling;
  • B. kan een groep Staten-Partijen die is gevormd overeenkomstig de bepalingen van het derde lid van deze Afdeling worden omgevormd in een groep Staten-Partijen overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van deze Afdeling;
  • C. kan een Staat-Partij zich terugtrekken uit een groep Staten-Partijen; of
  • D. kan een groep Staten-Partijen andere Staten-Partijen toelaten die een quotum bezitten.
7.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag worden wijzigingen in de toekenning of verdeling van quotums ten gevolge van de vorming van, dan wel toelating tot of terugtrekking uit, een groep Staten-Partijen overeenkomstig het derde lid van deze Afdeling, van kracht op 1 januari na de eerstvolgende jaarlijkse toetsing in het kader van de „Open Luchtruim”-Overlegcommissie die plaatsvindt na de kennisgevingstermijn van zes maanden. Wanneer nodig worden nieuwe „open luchtruim”-vliegvelden aangewezen en worden dienovereenkomstig maximale vliegafstanden vastgesteld.

Artikel IV. Sensoren

1.

Tenzij anders is bepaald in het derde lid van dit artikel, is een observatievliegtuig slechts uitgerust met sensoren van de volgende categorieën:

  • A. optische panorama- en fotocamera's;
  • B. videocamera's met directe weergave;
  • C. infrarood-lijnaftasttoestellen, en
  • D. zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur.
2.

Een Staat-Partij kan ten behoeve van het uitvoeren van observatievluchten elk van de in het eerste lid genoemde sensoren gebruiken, mits die sensoren voor alle Staten-Partijen in de handel verkrijgbaar zijn en de volgende prestatielimieten in acht worden genomen:

  • A. bij optische panorama- en fotocamera's, een grondresolutie van niet beter dan 30 centimeter op de in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D, Aanhangsel 1, vastgestelde minimumhoogte boven de grond, verkregen met ten hoogste één panorama- camera, één verticaal geïnstalleerde fotocamera en twee schuin geïnstalleerde fotocamera's, één aan weerszijden van het vliegtuig, die aan weerszijden van de vliegbaan van het vliegtuig een gronddekking tot 50 kilometer mogelijk maken, die niet continu behoeft te zijn;
  • B. bij videocamera's, een grondresolutie van niet beter dan 30 centimeter, verkregen op de laagste minimumhoogte boven de grond bij één van de in letter A van dit lid genoemde optische camera's;
  • C. bij infrarood-lijnaftasttoestellen, een grondresolutie van niet beter dan 50 centimeter op de in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D, Aanhangsel 1, vastgestelde minimumhoogte boven de grond, verkregen met één toestel; en
  • D. bij zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur, een grondresolutie van niet beter dan drie meter, berekend door middel van de impulsresponsmethode, die, met toepassing van de objectscheidingsmethode, overeenkomt met het vermogen om op een radarbeeld twee hoekreflectoren te onderscheiden, waarvan de middelpunten ten minste vijf meter uit elkaar liggen, zulks over een strookbreedte van ten hoogste 25 kilometer, verkregen met één radareenheid die aan weerszijden van het vliegtuig kan worden ingesteld, doch niet aan beide zijden tegelijk.
3.

De invoering van extra categorieën sensoren en verbeteringen van het vermogen van de bestaande categorieën sensoren als genoemd in dit artikel zal worden besproken door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie in overeenstemming met artikel X van dit Verdrag.

4.

Alle sensoren dienen te zijn voorzien van apertuurkappen of andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen, teneinde te voorkomen dat gegevens worden verzameld gedurende de transitvluchten of de vluchten naar de punten van binnenkomst of vanaf de punten van vertrek boven het grondgebied van de geobserveerde Partij. Deze kappen of andere richtingen dienen slechts van buiten het observatievliegtuig te kunnen worden verwijderd of bediend.

5.

Apparatuur die de door de sensoren verzamelde gegevens van verklarende aantekeningen kan voorzien in overeenstemming met Bijlage B, Afdeling II, is toegestaan aan boord van het observatievliegtuig. De Staat-Partij die het observatievliegtuig voor een observatievlucht ter beschikking stelt, voorziet de door de sensoren verzamelde gegevens van de verklarende aantekeningen als bedoeld in Afdeling II van Bijlage B bij dit Verdrag.

6.

Apparatuur die de door de sensoren verzamelde gegevens direct kan weergeven, is toegestaan aan boord van het observatievliegtuig om de werking en de bediening van de sensoren tijdens het uitvoeren van een observatievlucht te kunnen controleren.

7.

Behalve indien het bedienen van toegelaten sensoren of het vliegen met het observatievliegtuig zulks vereist of indien zulks is bepaald in het vijfde en zesde lid van dit artikel, is het verzamelen, verwerken, doorgeven of registreren van elektronische signalen van elektromagnetische golven aan boord van het observatievliegtuig verboden en is het niet toegestaan apparatuur hiervoor aan boord van het observatievliegtuig te hebben.

8.

Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, heeft de observerende Partij het recht een observatievliegtuig te gebruiken dat is uitgerust met sensoren van elke categorie sensoren die het in het tweede lid van dit artikel omschreven prestatievermogen niet te boven gaan.

9.

Ingeval het voor een observatievlucht gebruikte observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, is de geobserveerde Partij verplicht een observatievliegtuig ter beschikking te stellen dat is uitgerust met sensoren van elke in het eerste lid van dit artikel genoemde categorie sensoren, met het grootste vermogen en in de aantallen als genoemd in het tweede lid van dit artikel, met inachtneming van de bepalingen van artikel XVIII, Afdeling II, tenzij de observerende en geobserveerde Partij anders zijn overeengekomen. De behuizing en opstelling van die sensoren dienen zodanig te zijn, dat de in het tweede lid van dit artikel voorgeschreven gronddekking kan worden bereikt. Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, stelt laatstgenoemde Partij een zijwaarts gerichte radar met synthetische apertuur ter beschikking met een grondresolutie van niet slechter dan zes meter, bepaald aan de hand van de objectscheidingsmethode.

10.

Elke Staat-Partij stelt, wanneer een vliegtuig overeenkomstig artikel V van dit Verdrag als observatievliegtuig wordt aangewezen, alle andere Staten-Partijen in kennis van de in Bijlage B bij dit Verdrag bedoelde technische gegevens betreffende elke sensor die aan boord van dat vliegtuig is aangebracht.

11.

Elke Staat-Partij heeft het recht deel te nemen aan de certificering van aan boord van een observatievliegtuig aangebrachte sensoren in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D. Een observatievliegtuig van een bepaald type mag niet voor observatievluchten worden gebruikt voordat dit type observatievliegtuig en de sensoren daarvan zijn gecertificeerd in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D bij dit Verdrag.

12.

Een Staat-Partij die een vliegtuig als observatievliegtuig aanwijst, heeft, mits hij 90 dagen van tevoren alle andere Staten-Partijen daarvan in kennis stelt en met inachtneming van de bepalingen van Bijlage D bij dit Verdrag, het recht hetzij sensoren te verwijderen, te vervangen of toe te voegen, hetzij de in overeenstemming met de bepalingen van het tiende lid van dit artikel en Bijlage B bij dit Verdrag verstrekte technische gegevens te wijzigen. Vervangende of toegevoegde sensoren dienen te worden gecertificeerd in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D bij dit Verdrag alvorens tijdens een observatievlucht te worden gebruikt.

13.

Ingeval een Staat-Partij of groep Staten-Partij en op grond van zijn ervaring met het gebruik van een bepaald type observatievliegtuig, van oordeel is dat een aan boord van een vliegtuig aangebrachte sensor of de bijbehorende apparatuur niet overeenstemt met de overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D gecertificeerde exemplaren, stellen de betrokken Staten-Partijen alle andere Staten-Partijen in kennis van hun bedenkingen. De Staat-Partij die het vliegtuig heeft aangewezen:

  • A. onderneemt de nodige stappen om te verzekeren dat de aan boord van een observatievliegtuig aangebrachte sensor en de bijbehorende apparatuur overeenstemmen met de overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D gecertificeerde exemplaren, onder andere door, indien nodig, de bepaalde sensor of de bijbehorende apparatuur te repareren, bij te stellen of te vervangen; en
  • B. toont op verzoek van een belanghebbende Staat-Partij aan, door middel van een demonstratievlucht, in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage F, te houden bij de volgende gelegenheid dat bedoeld observatievliegtuig wordt gebruikt, dat de aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensor en de bijbehorende apparatuur overeenstemmen met de overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D gecertificeerde exemplaren. Andere Staten-Partijen die bedenkingen uiten met betrekking tot een aan boord van een observatievliegtuig aangebrachte sensor en de bijbehorende apparatuur, zijn gerechtigd personeel te zenden om aan een zodanige demonstratievlucht deel te nemen.
14.

Ingeval, nadat de in het dertiende lid van dit artikel bedoelde stappen zijn ondernomen, de Staten-Partijen blijven betwijfelen of de aan boord van een observatievliegtuig aangebrachte sensor of de bijbehorende apparatuur overeenstemt met de overeenkomstig de bepaling van Bijlage D gecertificeerde exemplaren, kan de kwestie worden voorgelegd aan de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie.

Artikel V. Aanwijzing van vliegtuigen

1.

Elke Staat-Partij heeft het recht één of meer typen of modellen vliegtuigen die bij de desbetreffende autoriteiten van een Staat-Partij zijn ingeschreven, als observatievliegtuigen aan te wijzen.

2.

Elke Staat-Partij heeft het recht typen of modellen vliegtuigen als observatievliegtuigen aan te wijzen, dan wel nieuwe typen of modellen toe te voegen aan de eerder door hem aangewezen typen of modellen vliegtuigen, mits hij 30 dagen van tevoren alle andere Staten-Partijen daarvan in kennis stelt. De kennisgeving van de aanwijzing van vliegtuigen van een bepaald type of model dient de in Bijlage C bij dit Verdrag genoemde gegevens te bevatten.

3.

Elke Staat-Partij heeft het recht eerder door hem aangewezen typen of modellen vliegtuigen te schrappen, mits hij 90 dagen van tevoren alle andere Staten-Partijen daarvan in kennis stelt.

4.

Er behoeft slechts één exemplaar van een bepaald type of model vliegtuig met een identiek stel bijbehorende sensoren te worden aangeboden ter certificering overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij dit Verdrag.

5.

Elk observatievliegtuig moet de bemanning en het personeel als genoemd in Artikel VI, Afdeling III, kunnen vervoeren.

Artikel VI. Keuze van de observatievliegtuigen, algemene bepalingen voor het uitvoeren van observatievluchten en vereisten betreffende het missieplan

1.

Observatievluchten worden uitgevoerd met observatievliegtuigen die overeenkomstig artikel V door een Staat-Partij zijn aangewezen. Tenzij de geobserveerde Partij gebruik maakt van haar recht een door haarzelf aangewezen observatievliegtuig ter beschikking te stellen, heeft de observerende Partij het recht het observatievliegtuig ter beschikking te stellen. Ingeval de observerende Partij het observatievliegtuig ter beschikking stelt, heeft deze het recht een door haarzelf aangewezen vliegtuig of een door een andere Staat-Partij aangewezen vliegtuig ter beschikking te stellen. Ingeval de geobserveerde Partij het observatievliegtuig ter beschikking stelt, heeft de observerende Partij het recht te beschikken over een vliegtuig dat in staat is met volle tanks, met inbegrip van de nodige brandstofreserves, zonder bijtanken een minimumafstand af te leggen die gelijk is aan de helft van de maximale vliegafstand die voor de geobserveerde Partij geldt, waarvan kennisgeving is gedaan overeenkomstig het vijfde lid, letter G, van deze Afdeling.

2.

Elke Staat-Partij heeft het recht, overeenkomstig het eerste lid van deze Afdeling, een observatievliegtuig te gebruiken dat door een andere Staat-Partij voor observatievluchten is aangewezen. Door de betrokken Staten-Partijen worden regelingen inzake het gebruik van bedoelde vliegtuigen opgesteld, teneinde actieve deelneming aan het „open luchtruim"-regime mogelijk te maken.

3.

Staten-Partijen die het recht hebben observatievluchten uit te voeren, kunnen hun plannen voor het uitvoeren van observatievluchten coördineren in overeenstemming met Bijlage H bij dit Verdrag. Een Staat-Partij is niet verplicht meer dan één observatievlucht te dulden op enig tijdstip gedurende het in het negende lid van deze Afdeling genoemde tijdvak van 96 uur, tenzij die Staat-Partij heeft verzocht om een demonstratievlucht overeenkomstig Bijlage F bij dit Verdrag. In dat geval is de geobserveerde Partij verplicht een overlapping van de observatievluchten tot ten hoogste 24 uur te aanvaarden. Na in kennis te zijn gesteld van de resultaten van de coördinatie van de plannen tot het uitvoeren van observatievluchten, stelt elke Staat-Partij over het grondgebied waarvan observatievluchten zullen worden uitgevoerd andere Staten-Partijen overeenkomstig de bepalingen van Bijlage H ervan in kennis of hij met betrekking tot een bepaalde observatievlucht al dan niet gebruik maakt van zijn recht zijn eigen observatievliegtuig ter beschikking te stellen.

4.

Uiterlijk 90 dagen na ondertekening van dit Verdrag stelt elke Staat-Partij alle andere Staten-Partijen in kennis van:

  • A. het nummer van de permanente diplomatieke toestemming voor „open luchtruim"-observatievluchten, vluchten van transportvliegtuigen en transitvluchten;
  • B. welke taal of talen van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie als genoemd in Afdeling I, paragraaf 7, van Bijlage L, bij dit Verdrag door het personeel zal worden gebruikt voor alle werkzaamheden in verband met het uitvoeren van observatievluchten boven zijn grondgebied en voor het opstellen van het missieplan en het missierapport, tenzij de te gebruiken taal de taal is die wordt aanbevolen in Bijlage 10 bij het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, band II, paragraaf 5.2.1.1.2.
5.

De observerende Partij stelt de geobserveerde Partij in kennis van haar voornemen een observatievlucht uit te voeren, zulks ten minste 72 uur vóór het verwachte tijdstip van aankomst van de observerende Partij op het punt van binnenkomst van de geobserveerde Partij. Staten-Partijen die bedoelde kennisgevingen doen, stellen alles in het werk om te vermijden dat de voor de kennisgeving in acht te nemen minimumtermijn in een weekeinde valt. Bedoelde kennisgeving dient te omvatten:

  • A. het gewenste punt van binnenkomst en, indien van toepassing, het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht aanvangt;
  • B. de datum en het verwachte tijdstip van aankomst van de observerende Partij op het punt van binnenkomst en de datum en het verwachte tijdstip van vertrek van de vlucht vanaf het punt van binnenkomst naar het „open luchtruim"-vliegveld, indien van toepassing onder vermelding van specifieke accommodatiebehoeften;
  • C. de plaats, genoemd in Bijlage E, Aanhangsel 1, waar de uitvoering van de aan de vlucht voorafgaande inspectie wordt verlangd en de datum en het tijdstip van aanvang van bedoelde aan de vlucht voorafgaande inspectie in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage F;
  • D. het vervoermiddel en, indien van toepassing, het type en model transportvliegtuig waarmee naar het punt van binnenkomst zal worden gereisd ingeval het observatievliegtuig dat voor de observatievlucht wordt gebruikt, door de geobserveerde Partij ter beschikking wordt gesteld;
  • E. het nummer van de diplomatieke toestemming voor de observatievlucht of voor de vlucht van het transportvliegtuig dat wordt gebruikt om personeel te vervoeren van en naar het grondgebied van de geobserveerde Partij ter uitvoering van een observatievlucht;
  • F. de kenmerken van het observatievliegtuig, als omschreven in Bijlage C;
  • G. de afstand van de observatievlucht, bij benadering; en
  • H. de namen van de leden van het personeel, hun geslacht, geboortedatum en -plaats, paspoortnummer en de Staat-Partij die het paspoort heeft afgegeven, alsmede hun functie.
6.

De geobserveerde Partij die in overeenstemming met het vijfde lid van deze Afdeling in kennis wordt gesteld, bevestigt de ontvangst van de kennisgeving binnen 24 uur. Ingeval de geobserveerde Partij gebruik maakt van haar recht het observatievliegtuig ter beschikking te stellen, omvat de ontvangstbevestiging de in het vijfde lid, letter F, van deze Afdeling bedoelde gegevens over het observatievliegtuig. Het is de observerende Partij toegestaan op het punt van binnenkomst aan te komen op het verwachte tijdstip van aankomst als bekendgemaakt in overeenstemming met het vijfde lid van deze Afdeling. Het verwachte tijdstip van vertrek van de vlucht vanaf het punt van binnenkomst naar het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht zal aanvangen, alsmede de plaats, de datum en het tijdstip van aanvang van de aan de vlucht voorafgaande inspectie dienen te worden bevestigd door de geobserveerde Partij.

7.

Het personeel van de observerende Partij mag overeenkomstig artikel XIII door andere Staten-Partijen aangewezen personeel omvatten.

8.

De observerende Partij stelt wanneer zij, in overeenstemming met het vijfde lid van de Afdeling, kennisgeving doet aan de geobserveerde Partij tegelijkertijd alle andere Staten-Partijen in kennis van haar voornemen de observatievlucht uit te voeren.

9.

Het tijdvak tussen het verwachte tijdstip van aankomst op het punt van binnenkomst en de voltooiing van de observatievlucht mag niet langer zijn dan 96 uur, tenzij anders is overeengekomen. Ingeval de geobserveerde Partij om een demonstratievlucht verzoekt overeenkomstig Bijlage F bij het Verdrag, dient zij het tijdvak van 96 uur te verlengen overeenkomstig Bijlage F, Afdeling III, paragraaf 4, indien de extra tijd door de observerende Partij wordt verlangd voor de onbelemmerde uitvoering van het missieplan.

10.

Na aankomst van het observatievliegtuig op het punt van binnenkomst inspecteert de geobserveerde Partij de kappen van de sensoraperturen of andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen, teneinde zich ervan te vergewissen dat deze op de juiste wijze zijn aangebracht overeenkomstig Bijlage E, tenzij door alle betrokken Staten-Partijen anders is overeengekomen.

11.

Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, heeft de geobserveerde Partij, na aankomst van het observatievliegtuig op het punt van binnenkomst of op het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht aanvangt, het recht de aan de vlucht voorafgaande inspectie uit te voeren overeenkomstig Bijlage F, Afdeling I. Ingeval in overeenstemming met het eerste lid van deze Afdeling een observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, heeft de observerende Partij het recht de aan de vlucht voorafgaande inspectie van de sensoren uit te voeren overeenkomstig Bijlage F, Afdeling II. Tenzij anders is overeengekomen, eindigen bedoelde inspecties ten minste vier uur vóór de geplande aanvang van de observatievlucht als genoemd in het vliegplan.

12.

De observerende Partij ziet erop toe dat haar bemanning ten minste één persoon omvat die over de nodige talenkennis beschikt om gemakkelijk te kunnen communiceren met het personeel van de geobserveerde Partij en met de autoriteiten die zijn belast met de luchtverkeersleiding in de taal of talen waarvan door de geobserveerde Partij kennisgeving is gedaan in overeenstemming met het vierde lid van deze Afdeling.

13.

De geobserveerde Partij verstrekt de bemanning na aankomst op het punt van binnenkomst of op het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht aanvangt, de meest recente informatie over de weersverwachting en de luchtnavigatie, alsmede informatie betreffende de vliegveiligheid, met inbegrip van Berichten aan Luchtvarenden (NOTAM's). Deze informatie wordt op verzoek bijgewerkt. Vlieginstructies en informatie over uitwijkvliegvelden langs de vliegroute worden verstrekt na goedkeuring van het missieplan in overeenstemming met de vereisten van Afdeling II van dit artikel.

14.

Tijdens de uitvoering van observatievluchten ingevolge dit Verdrag, worden alle observatievliegtuigen gebruikt in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en in overeenstemming met het goedgekeurde vliegplan. Onverminderd de bepalingen van Afdeling II, tweede lid, van dit artikel worden de observatievluchten tevens uitgevoerd in overeenstemming met:

  • A. bekendgemaakte normen en aanbevelingen van de ICAO; en
  • B. bekendgemaakte nationale regels inzake de luchtverkeersleiding, voorschriften en richtlijnen inzake de vliegveiligheid van de Staat-Partij boven het grondgebied waarvan wordt gevlogen.
15.

Observatievluchten hebben voorrang boven het gewone luchtverkeer. De geobserveerde Partij ziet erop toe dat haar met de luchtverkeersleiding belaste autoriteiten de uitvoering van observatievluchten in overeenstemming met dit Verdrag vergemakkelijken.

16.

Aan boord van het vliegtuig is de gezagvoerder de enige die is bekleed met het gezag ter zake van de veilige uitvoering van de vlucht en verantwoordelijk is voor de uitvoering van het vliegplan.

17.

De geobserveerde Partij stelt ter beschikking:

  • A. een ijkdoel dat geschikt is om het vermogen van de sensoren te bevestigen in overeenstemming met de in Afdeling III van Bijlage D bij dit Verdrag uiteengezette procedures, waarboven op verzoek van één van beide Partijen dient te worden gevlogen tijdens de demonstratievlucht of de observatievlucht, zulks voor iedere sensor die tijdens de observatievlucht wordt gebruikt. Het ijkdoel dient te zijn gelegen in de nabijheid van het vliegveld waar de aan de vlucht voorafgaande inspectie wordt uitgevoerd overeenkomstig Bijlage F bij dit Verdrag;
  • B. de gebruikelijke aan commerciële vliegtuigen ter beschikking gestelde brandstoffen en onderhoudsdiensten voor het observatievliegtuig of transportvliegtuig op het punt van binnenkomst, op het „open luchtruim"-vliegveld, op een bijtankvliegveld en het punt van vertrek als vermeld in het vliegplan, overeenkomstig de gegevens die over het aangewezen vliegveld zijn bekendgemaakt;
  • C. maaltijden en onderdak voor het personeel van de observerende Partij; en
  • D. op verzoek van de observerende Partij, andere diensten, als overeen te komen tussen de observerende en de geobserveerde Partij, teneinde het uitvoeren van de observatievlucht te vergemakkelijken.
18.

Alle kosten verbonden aan de uitvoering van de observatievlucht, met inbegrip van de kosten van de gegevensdragers en de verwerking van de door de sensoren verzamelde gegevens, worden vergoed in overeenstemming met Afdeling I, paragraaf 9, van Bijlage L bij dit Verdrag.

19.

Vóór het vertrek van het observatievliegtuig van het punt van vertrek vergewist de geobserveerde Partij zich ervan dat de kappen van sensoraperturen of andere inrichtingen die het gebruik van sensoren verhinderen op de juiste wijze zijn aangebracht overeenkomstig Bijlage E bij dit Verdrag.

20.

Voorzover niet anders is overeengekomen, vertrekt de observerende Partij ten hoogste 24 uur na voltooiing van de observatievlucht van het punt van vertrek, tenzij de weersomstandigheden of de luchtwaardigheid van het observatievliegtuig of het transportvliegtuig zulks niet toelaten, in welk geval de vlucht aanvangt zodra zulks mogelijk is.

21.

De observerende Partij stelt een missierapport van de observatievlucht in de desbetreffende door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie vast te stellen vorm. Het missierapport bevat relevante gegevens over de datum en het tijdstip van de observatievlucht, de route en het profiel ervan, de weersomstandigheden, de tijd- en plaatsaanduiding van elke observatieperiode van elke sensor, bij benadering de door de sensoren verzamelde hoeveelheid gegevens, en de resultaten van de inspectie van de kappen voor sensoraperturen of andere inrichtingen die het gebruik van sensoren verhinderen in overeenstemming met artikel VII en Bijlage E. Het missierapport wordt ondertekend door de observerende en de geobserveerde Partij op het punt van vertrek en wordt door de observerende Partij aan alle andere Staten-Partijen verstrekt binnen zeven dagen na het vertrek van de observerende Partij van het punt van vertrek.

1.

Tenzij anders is overeengekomen, overhandigt de observerende Partij na aankomst op het „open luchtruim"-vliegveld aan de geobserveerde Partij een missieplan voor de voorgestelde observatievlucht dat voldoet aan de vereisten van het tweede en vierde lid van deze Afdeling.

2.

Het missieplan kan voorzien in een observatievlucht die observatie mogelijk maakt van elk punt op het gehele grondgebied van de geobserveerde Partij, met inbegrip van gebieden die door de geobserveerde Partij zijn aangewezen als gevaarlijke delen van het luchtruim, vermeld in de in Bijlage I genoemde bron. De vliegbaan van een observatievliegtuig mag de grens met een aangrenzende Staat die geen Staat-Partij is naderen, doch niet dichter dan 10 kilometer.

3.

Het missieplan kan bepalen dat het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht eindigt, alsmede het punt van vertrek, niet dezelfde zijn als het „open luchtruim"-vliegveld waar de vlucht aanvangt, dan wel het punt van binnenkomst. Het missieplan vermeldt, indien van toepassing, de aanvangstijd van de observatievlucht, de gewenste tijd en plaats van geplande tussenlandingen om bij te tanken of ten behoeve van rustperioden, en het tijdstip van voortzetting van de observatievlucht na een tussenlanding of rustperiode binnen het in Afdeling I, negende lid, van dit artikel genoemde tijdvak van 96 uur.

4.

Het missieplan bevat alle benodigde informatie voor het indienen van het vliegplan en bepaalt dat:

  • A. de observatievlucht de desbetreffende maximale vliegafstand als genoemd in Bijlage A, Afdeling I, niet overschrijdt;
  • B. de route en het profiel van de observatievlucht voldoen aan de bepalingen inzake de veiligheid van de observatievluchten overeenkomstig de normen en aanbevelingen van de ICAO, rekening houdend met bestaande verschillen in nationale regels ter zake van vluchten, zulks onverminderd de bepalingen van het tweede lid van deze Afdeling;
  • C. in het missieplan rekening wordt gehouden met informatie over gevaarlijke delen van het luchtruim, verstrekt in overeenstemming met Bijlage I;
  • D. de hoogte boven de grond van het observatievliegtuig de observerende Partij niet toestaat de voor elke sensor geldende limiet voor de grondresolutie, als genoemd in artikel IV, tweede lid, te overschrijden;
  • E. de verwachte aanvangstijd van de observatievlucht ten vroegste 24 uur na de indiening van het missieplan valt, tenzij anders is overeengekomen;
  • F. het observatievliegtuig een rechtstreekse route aflegt tussen de in het missieplan aangewezen coördinaten of navigatiepunten in de opgegeven volgorde; en
  • G. de vliegbaan hetzelfde punt niet vaker dan eenmaal kruist, tenzij anders is overeengekomen, en het observatievliegtuig niet om één enkel punt cirkelt, tenzij anders is overeengekomen. De bepalingen van deze letter zijn niet van toepassing op het opstijgen, het vliegen boven ijkdoelen en het landen van het observatievliegtuig.
5.

Ingeval het door de observerende Partij ingediende missieplan voorziet in vluchten door gevaarlijke delen van het luchtruim, dient de geobserveerde Partij:

  • A. het gevaar voor het observatievliegtuig aan te geven;
  • B. het uitvoeren van de observatievlucht te vergemakkelijken door de ingevolge letter A van dit lid aangegeven activiteit te coördineren of op te schorten; of
  • C. een andere vlieghoogte, route of tijd voor te stellen.
6.

Uiterlijk vier uur na de indiening van het missieplan aanvaardt de geobserveerde Partij het missieplan of stelt zij wijzigingen daarvan voor in overeenstemming met artikel VIII, Afdeling I, vierde lid, en het vijfde lid van deze Afdeling. Deze wijzigingen mogen niet de observatie onmogelijk maken van enig punt op het gehele grondgebied van de geobserveerde Partij, met inbegrip van gebieden die door de geobserveerde Partij zijn aangewezen als gevaarlijke delen van het luchtruim, vermeld in de in Bijlage I bij dit Verdrag genoemde bron. Na het bereiken van overeenstemming wordt het missieplan ondertekend door de observerende en de geobserveerde Partij. Ingeval de Partijen binnen acht uur na indiening van het oorspronkelijke missieplan geen overeenstemming bereiken over het missieplan, heeft de observerende Partij het recht af te zien van de uitvoering van de observatievlucht in overeenstemming met de bepalingen van artikel VIII van dit Verdrag.

7.

Indien de geplande route van de observatievlucht in de nabijheid ligt van de grens van andere Staten-Partijen of andere Staten, stelt de geobserveerde Partij die Staat of Staten in kennis van de verwachte route, datum en tijd van de observatievlucht.

8.

Op basis van het overeengekomen missieplan dient de Staat-Partij die het observatievliegtuig ter beschikking stelt, in overleg met de andere Staat-Partij, onmiddellijk het vliegplan in, waarvan de inhoud overeenstemt met Bijlage 2 bij het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart en waarvan de vorm overeenstemt met ICAO-document nr. 4444-RAC/501, „Rules of the Air and Air Traffic Services", zoals herzien of gewijzigd.

1.

Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, heeft de geobserveerde Partij het recht twee vluchtwaarnemers en een tolk aan boord van het observatievliegtuig te hebben, naast een vluchtwaarnemer voor elke bedieningspost voor sensoren aan boord van het observatievliegtuig, tenzij anders is overeengekomen. Vluchtwaarnemers en tolken hebben de in Bijlage G bij dit Verdrag omschreven rechten en plichten.

2.

Niettegenstaande het eerste lid van deze Afdeling is de observerende Partij, ingeval deze een observatievliegtuig gebruikt dat bij het opstijgen een maximum-brutogewicht van ten hoogste 35.000 kilogram heeft bij een observatievlucht over een afstand van ten hoogste 1.500 kilometer, als bekendgemaakt in overeenstemming met Afdeling I, vijfde lid, letter F, van dit artikel, slechts verplicht twee vluchtwaarnemers en een tolk toe te laten aan boord van het observatievliegtuig, tenzij anders is overeengekomen.

3.

Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, staat deze het personeel van de observerende Partij toe op de snelste manier naar het punt van binnenkomst van de geobserveerde Partij te reizen. Het personeel van de observerende Partij heeft de keuze over land, over zee of door de lucht, onder meer per vliegtuig van ongeacht welke Staat-Partij, naar het punt van binnenkomst te reizen. Procedures betreffende deze reis zijn uiteengezet in Bijlage E bij dit Verdrag.

4.

Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, heeft de observerende Partij het recht twee vluchtvertegenwoordigers en een tolk aan boord van het observatievliegtuig te hebben, naast een vluchtvertegenwoordiger voor elke bedieningspost voor sensoren aan boord van het vliegtuig, tenzij anders is overeengekomen. Vluchtvertegenwoordigers en tolken hebben de in Bijlage G bij dit Verdrag omschreven rechten en plichten.

5.

Ingeval de observerende Partij een observatievliegtuig ter beschikking stelt dat is aangewezen door een andere Staat-Partij dan de observerende en de geobserveerde Partij, heeft de observerende Partij het recht twee vertegenwoordigers en een tolk aan boord van het observatievliegtuig te hebben, naast een vertegenwoordiger voor elke bedieningspost voor sensoren aan boord van het vliegtuig, tenzij anders is overeengekomen. In dat geval zijn de in het eerste lid van deze Afdeling uiteengezette bepalingen inzake vluchtwaarnemers eveneens van toepassing. Vertegenwoordigers en tolken hebben de in Bijlage G bij dit Verdrag omschreven rechten en plichten.

Artikel VII. Transitvluchten

1.

Transitvluchten, ter toepassing van dit Verdrag uitgevoerd door een observerende Partij naar en van het grondgebied van een geobserveerde Partij, beginnen op het grondgebied van de observerende Partij of een andere Staat-Partij.

2.

Elke Staat-Partij laat transitvluchten toe. Deze transitvluchten worden uitgevoerd langs internationaal erkende routes voor luchtverkeersdiensten, tenzij anders is overeengekomen door de betrokken Staten-Partijen, en in overeenstemming met de aanwijzingen van de nationale met de luchtverkeersleiding belaste autoriteiten van elke Staat-Partij door wiens luchtruim wordt gevlogen. De observerende Partij stelt elke Staat-Partij door wiens luchtruim wordt gevlogen in kennis op het zelfde tijdstip als de geobserveerde Partij in overeenstemming met artikel VI.

3.

Het gebruik van sensoren aan boord van een observatievliegtuig gedurende transitvluchten is verboden. Ingeval het observatievliegtuig gedurende een transitvlucht op het grondgebied van een Staat-Partij landt, inspecteert die Staat-Partij na de landing en vóór het vertrek de kappen van de sensoraperturen of andere inrichtingen die het gebruik van sensoren verhinderen, teneinde zich ervan te vergewissen dat deze op de juiste wijze zijn aangebracht.

Artikel VIII. Verboden, afwijkingen van het vliegplan en noodsituaties

1.

De geobserveerde Partij heeft het recht een observatievlucht die niet in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag is, te verbieden.

2.

De geobserveerde Partij heeft het recht een observatievlucht vóór de aanvang daarvan te verbieden ingeval de observerende Partij niet aankomt op het punt van binnenkomst binnen 24 uur na de verwachte tijd van aankomst als vermeld in de in overeenstemming met artikel VI, Afdeling I, vijfde lid, verstrekte kennisgeving, tenzij anders is overeengekomen tussen de betrokken Staten-Partijen.

3.

Ingeval een geobserveerde Partij een observatievlucht verbiedt ingevolge dit artikel of Bijlage F, vermeldt zij de feiten die aan het verbod ten grondslag liggen onmiddellijk in het missieplan. Binnen zeven dagen doet de geobserveerde Partij alle Staten-Partijen, langs diplomatieke weg, een schriftelijke toelichting bij dit verbod toekomen in het missierapport, overgelegd ingevolge artikel VI, Afdeling I, lid 21. Een observatievlucht die is verboden, wordt niet in mindering gebracht op de quotums van beide Staten-Partijen.

4.

De geobserveerde Partij heeft het recht in de volgende omstandigheden wijzigingen in het missieplan voor te stellen:

  • A. de weersomstandigheden beïnvloeden de vliegveiligheid;
  • B. de toestand van het te gebruiken „open luchtruim"-vliegveld, de uitwijkvliegvelden of de bijtankvliegvelden belet het gebruik daarvan; of
  • C. het missieplan is onverenigbaar met artikel VI, Afdeling II, tweede en vierde lid.
5.

Ingeval de observerende Partij niet instemt met de voorgestelde wijzigingen in het missieplan, heeft zij het recht alternatieve wijzigingsvoorstellen te doen. Ingeval geen overeenstemming over het missieplan wordt bereikt binnen acht uur na de indiening van het oorspronkelijke missieplan, en indien de observerende Partij de wijzigingen in het missieplan beschouwt als een aantasting van haar rechten uit hoofde van dit Verdrag met betrekking tot de uitvoering van een observatievlucht, heeft de observerende Partij het recht af te zien van de uitvoering van de observatievlucht, welke dan niet in mindering zal worden gebracht op de quotums van beide Staten-Partijen.

6.

Ingeval een observerende Partij afziet van de uitvoering van een observatievlucht ingevolge dit artikel of Bijlage F, geeft zij onmiddellijk een toelichting bij haar besluit in het missieplan vóór haar vertrek. Binnen zeven dagen na het vertrek van de observerende Partij doet de observerende Partij alle andere Staten-Partijen, langs diplomatieke weg, een schriftelijke toelichting bij haar besluit toekomen in het missierapport, overgelegd overeenkomstig artikel VI, Afdeling I, lid 21.

1.

Afwijkingen van het vliegplan zijn gedurende de observatievlucht toegestaan indien daartoe de noodzaak bestaat op grond van:

  • A. weersomstandigheden die de vliegveiligheid beïnvloeden;
  • B. technische problemen met betrekking tot het observatievliegtuig;
  • C. een medisch spoedgeval betreffende een persoon aan boord; of
  • D. aanwijzingen van de luchtverkeersleiding verband houdende met omstandigheden die het gevolg zijn van overmacht.
2.

Bovendien zijn afwijkingen toegestaan indien de weersomstandigheden een doelmatig gebruik van optische sensoren en infraroodlijnaftasttoestellen beletten, mits:

  • A. wordt voldaan aan de vereisten ter zake van de vliegveiligheid;
  • B. ingeval de nationale regels zulks vereisen, toestemming wordt verleend door de met de luchtverkeersleiding belaste autoriteiten; en
  • C. de prestatie van de sensoren het in artikel IV, tweede lid, omschreven vermogen niet te boven gaat, tenzij anders is overeengekomen.
3.

De geobserveerde Partij heeft het recht het gebruik van een bepaalde sensor te verbieden gedurende een afwijking die ertoe leidt dat het observatievliegtuig onder de voor de bediening van die bepaalde sensor geldende minimumhoogte boven de grond komt, in overeenstemming met de in artikel IV, tweede lid, bedoelde limiet voor de grondresolutie. Ingeval de afwijking vereist dat het observatievliegtuig zijn vliegbaan verlegt met meer dan 50 kilometer ten opzichte van de in het vliegplan omschreven vliegbaan, heeft de geobserveerde Partij het recht het gebruik van alle aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensoren voorbij die 50 kilometer te verbieden.

4.

De observerende Partij heeft het recht een observatievlucht tijdens de uitvoering daarvan te bekorten in geval van een defecte sensor. De gezagvoerder heeft het recht een observatievlucht te bekorten in geval van technische problemen die de veiligheid van het observatievliegtuig beïnvloeden.

5.

Ingeval een op grond van het eerste lid van deze Afdeling toegestane afwijking van het vliegplan leidt tot bekorting van de observatievlucht, of indien er een bekorting plaatsvindt in overeenstemming met het vierde lid van deze Afdeling, wordt de observatievlucht in mindering gebracht op de quotums van beide Staten-Partijen, tenzij de bekorting het gevolg is van:

  • A. een defecte sensor aan boord van een door de geobserveerde Partij ter beschikking gesteld observatievliegtuig;
  • B. technische problemen met betrekking tot het door de geobserveerde Partij ter beschikking gestelde observatievliegtuig;
  • C. een medisch spoedgeval betreffende een lid van de bemanning van de geobserveerde Partij of de vluchtwaarnemers; of
  • D. aanwijzingen van de luchtverkeersleiding verband houdende met omstandigheden die het gevolg zijn van overmacht.

In dergelijke gevallen heeft de observerende Partij het recht te beslissen of de vlucht in mindering wordt gebracht op de quotums van beide Staten-Partijen.

6.

De door de sensoren verzamelde gegevens worden slechts door de observerende Partij bewaard indien de observatievlucht in mindering wordt gebracht op de quotums van beide Staten-Partijen.

7.

Ingeval van het vliegplan wordt afgeweken, handelt de gezagvoerder in overeenstemming met de bekendgemaakte nationale vliegvoorschriften van de geobserveerde Partij. Zodra de factoren die aanleiding gaven tot de afwijking niet langer bestaan, kan het observatievliegtuig, met toestemming van de met de luchtverkeersleiding belaste autoriteiten, de observatievlucht voortzetten in overeenstemming met het vliegplan. De extra vliegafstand van het observatievliegtuig ten gevolge van de afwijking wordt niet verrekend met de maximale vliegafstand.

8.

Het personeel van beide Staten-Partijen aan boord van het observatievliegtuig wordt onmiddellijk in kennis gesteld van alle afwijkingen van het vliegplan.

9.

Extra kosten voortvloeiende uit de bepalingen van dit artikel worden vergoed in overeenstemming met Afdeling I, paragraaf 9, van Bijlage L bij dit Verdrag.

1.

Ingeval zich een noodsituatie voordoet, neemt de gezagvoerder de „Procedures for Air Navigation Services - Rules of the Air and Air Traffic Services, ICAO-document nr. 4444-RAC/501/12, zoals herzien of gewijzigd, de nationale vliegvoorschriften van de geobserveerde Partij en de vlieghandleiding van het observatievliegtuig in acht.

2.

De geobserveerde Partij stelt een observatievliegtuig dat een noodsituatie meldt alle hulpverlenings- en navigatievoorzieningen ter beschikking teneinde zorg te dragen voor de snelst mogelijke landing van het vliegtuig op het dichtstbijzijnde daarvoor in aanmerking komende vliegveld.

3.

Ingeval het observatievliegtuig op het grondgebied van de geobserveerde Partij betrokken raakt bij een vliegtuigongeval, voert de geobserveerde Partij zoekacties en reddingsoperaties uit in overeenstemming met haar eigen voorschriften en procedures ter zake.

4.

Het onderzoek betreffende een ongeval of voorval waarbij een observatievliegtuig betrokken is, wordt door de geobserveerde Partij, met medewerking van de observerende Partij, verricht in overeenstemming met de aanbevelingen van de ICAO als uiteengezet in Bijlage 13 bij het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart („Investigation of Aviation Accidents"), zoals herzien of gewijzigd, en in overeenstemming met de nationale voorschriften van de geobserveerde Partij.

5.

Ingeval een observatievliegtuig niet bij de geobserveerde Partij is ingeschreven, worden na afronding van het onderzoek alle wrakken en wrakstukken van het observatievliegtuig en de sensoren, indien gevonden en geborgen, teruggegeven aan de observerende Partij of aan de Partij waaraan het vliegtuig toebehoort, indien daarom wordt verzocht.

Artikel IX. Tijdens observatievluchten door sensoren verzamelde gegevens

1.

Voor het registreren van de tijdens observatievluchten door sensoren verzamelde gegevens worden de volgende gegevensdragers gebruikt:

  • A. bij optische panorama- en fotocamera's: zwart/wit-fotofilm;
  • B. bij videocamera's: magneetband;
  • C. bij infrarood-lijnaftasttoestellen: zwart/wit-fotofilm of magneetband; en
  • D. bij zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur: magneetband.

Het overeengekomen formaat waarin deze gegevens worden geregistreerd en uitgewisseld op andere gegevensdragers wordt vastgesteld binnen de „Open Luchtruim”-Overlegcommissie gedurende het tijdvak van voorlopige toepassing van dit Verdrag.

2.

Tijdens observatievluchten door sensoren verzamelde gegevens blijven aan boord van het observatievliegtuig totdat de observatievlucht is voltooid. De doorgifte van door sensoren verzamelde gegevens vanuit het observatievliegtuig is tijdens de observatievlucht verboden.

3.

Elke filmrol en elke cassette of spoel met magneetband die is gebruikt voor het verzamelen van gegevens door een sensor tijdens een observatievlucht wordt zo spoedig mogelijk na verwijdering ervan uit de sensor in aanwezigheid van de Staten-Partijen in een houder geplaatst en verzegeld.

4.

Tijdens observatievluchten door sensoren verzamelde gegevens worden aan Staten-Partijen ter beschikking gesteld in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel en worden uitsluitend gebruikt ter verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag.

5.

Ingeval op grond van ingevolge Afdeling I van Bijlage B bij dit Verdrag verstrekte gegevens een door een Staat-Partij tijdens een observatievlucht te gebruiken gegevensdrager incompatibel blijkt te zijn met de apparatuur van een andere Staat-Partij voor de gebruikmaking van die gegevensdrager, stellen de betrokken Staten-Partijen procedures vast om te verzekeren dat alle tijdens observatievluchten verzamelde gegevens door hen kunnen worden verwerkt, verveelvoudigd en opgeslagen.

1.

Ingeval de gegevens die zijn verzameld door twee tegelijk werkende optische camera's dienen te worden uitgewisseld, moeten de camera's, de films en de ontwikkelingswijze van de films van een identiek type zijn.

2.

Ervan uitgaande dat de door één optische camera verzamelde gegevens moeten kunnen worden uitgewisseld, buigen de Staten-Partijen zich gedurende het tijdvak van voorlopige toepassing van dit Verdrag in het kader van de „Open Luchtruim”-Overlegcommissie over de vraag of de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen van het oorspronkelijke negatief berust bij de observerende Partij dan wel bij de Staat-Partij die het observatievliegtuig ter beschikking stelt. De Staat-Partij die het oorspronkelijke negatief ontwikkelt, is verantwoordelijk voor de kwaliteit met betrekking tot het ontwikkelen van het oorspronkelijke negatief en het vervaardigen van duplicaatpositieven of -negatieven. Ingeval de Staten-Partijen overeenkomen dat de film die is gebruikt tijdens een observatievlucht die is uitgevoerd met een observatievliegtuig dat ter beschikking is gesteld door de geobserveerde Partij, zal worden ontwikkeld door de observerende Partij, draagt de geobserveerde Partij geen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit met betrekking tot het ontwikkelen van het oorspronkelijke negatief.

3.

Alle tijdens de observatievlucht gebruikte films dienen te worden ontwikkeld:

  • A. ingeval het oorspronkelijke negatief wordt ontwikkeld in een door de geobserveerde Partij ter beschikking gestelde ontwikkelinrichting, uiterlijk drie dagen na de aankomst van het observatievliegtuig op het punt van vertrek, tenzij anders is overeengekomen; of
  • B. ingeval het oorspronkelijke negatief wordt ontwikkeld in een door de observerende Partij ter beschikking gestelde ontwikkelinrichting, uiterlijk tien dagen na het vertrek van het observatievliegtuig van het grondgebied van de geobserveerde Partij.
4.

De Staat-Partij die het oorspronkelijke negatief ontwikkelt, is verplicht ten hoogste twee functionarissen van de andere Staat-Partij toe te laten tot de ontwikkelinrichting, teneinde het openen van de filmcassette of houder en elke etappe van de opslag, ontwikkeling, verveelvoudiging of gebruikmaking van het oorspronkelijke negatief te controleren in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling II van Bijlage K bij dit Verdrag. De Staat-Partij die het ontwikkelen en verveelvoudigen van de film controleert, heeft het recht deze functionarissen aan te wijzen te midden van haar onderdanen die zich bevinden op het grondgebied waarop de door de andere Staat-Partij ter beschikking gestelde ontwikkelinrichting is gelegen, mits deze personen zijn vermeld op de lijst van aangewezen personeel in overeenstemming met artikel XIII, Afdeling I, van dit Verdrag. De Staat-Partij die de film ontwikkelt, assisteert de functionarissen van de andere Staat-Partij in de grootst mogelijke mate bij de verrichting van de in dit lid bedoelde taken.

5.

Na afloop van een observatievlucht wordt door de Staat-Partij die het oorspronkelijke negatief zal ontwikkelen op de aan- of uitloopstrook van elke rol van het oorspronkelijke negatief dat tijdens de observatievlucht is gebruikt hetzij een sensitometrische proefstrook van 21 trappen - van hetzelfde filmtype als dat wat tijdens de observatievlucht is gebruikt - bevestigd, hetzij een 21-trappenwig belicht. Nadat het oorspronkelijke negatief is ontwikkeld en duplicaatnegatieven of-positieven zijn vervaardigd, beoordelen de Staten-Partijen de beeldkwaliteit van de sensitometrische proefstroken van 21 trappen of de beelden van de 21-trappenwig aan de hand van de overeenkomstig Afdeling I van Bijlage K bij dit Verdrag verstrekte sensitometrische eigenschappen van dat type oorspronkelijke negatief, dan wel duplicaatnegatief of -positief.

6.

Ingeval slechts één oorspronkelijk negatief wordt ontwikkeld:

  • A. heeft de observerende Partij het recht het oorspronkelijke negatief te behouden of te ontvangen; en
  • B. heeft de geobserveerde Partij het recht een volledig duplicaat van de eerste generatie, of een gedeelte daarvan, positief dan wel negatief, van het oorspronkelijke negatief uit te kiezen en te ontvangen. Tenzij anders is overeengekomen, dient dit duplicaat:
    1. hetzelfde formaat en dezelfde afmetingen te hebben als het oorspronkelijke negatief;
    1. onmiddellijk na het ontwikkelen van het oorspronkelijke negatief te zijn vervaardigd; en
    1. onmiddellijk na de vervaardiging van het duplicaat aan de functionarissen van de geobserveerde Partij te worden overhandigd.
7.

Ingeval twee oorspronkelijke negatieven worden ontwikkeld:

  • A. heeft de geobserveerde Partij, indien het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, het recht, na afloop van de observatievlucht, één van de twee oorspronkelijke negatieven uit te kiezen, waarna de observerende Partij het niet gekozen oorspronkelijke negatief behoudt; of
  • B. heeft de observerende Partij, indien het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, het recht één van de twee oorspronkelijke negatieven uit te kiezen, waarna de geobserveerde Partij het niet gekozen oorspronkelijke negatief behoudt.
1.

De Staat-Partij die het observatievliegtuig ter beschikking stelt, registreert ten minste één oorspronkelijke versie van de gegevens die worden verzameld door sensoren die werken met andere gegevensdragers.

2.

Ingeval slechts één oorspronkelijke versie wordt vervaardigd:

  • A. heeft de observerende Partij, indien het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, het recht de oorspronkelijke versie te behouden, terwijl de geobserveerde Partij het recht heeft een duplicaat van de eerste generatie te ontvangen; of
  • B. heeft de observerende Partij, indien het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, het recht de oorspronkelijke versie te ontvangen, terwijl de geobserveerde Partij het recht heeft een duplicaat van de eerste generatie te ontvangen.
3.

Ingeval twee oorspronkelijke versies worden vervaardigd:

  • A. heeft de geobserveerde Partij, indien het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, het recht, na afloop van de observatievlucht, één van de twee gegevensdragers uit te kiezen, waarna de observerende Partij de andere behoudt; of
  • B. heeft de observerende Partij, indien het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, het recht één van de twee gegevensdragers uit te kiezen, waarna de geobserveerde Partij de andere behoudt.
4.

Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij, heeft de geobserveerde Partij het recht de door een zijwaarts gerichte radar met synthetisch apertuur verzamelde gegevens te ontvangen in de vorm van hetzij onverwerkte gegevens, hetzij een radarbeeld, naar keuze.

5.

Ingeval het observatievliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij, heeft de observerende Partij het recht de door een zijwaarts gerichte radar met synthetische apertuur verzamelde gegevens te ontvangen in de vorm van hetzij onverwerkte gegevens, hetzij een radarbeeld, naar keuze.

1.

Elke Staat-Partij heeft het recht de observerende Partij te verzoeken om kopieën van de tijdens een observatievlucht door sensoren verzamelde gegevens, en deze te ontvangen. Deze kopieën dienen duplicaten van de eerste generatie te zijn die zijn vervaardigd van de oorspronkelijke gegevens die tijdens een observatievlucht door sensoren zijn verzameld. De Staat-Partij die om kopieën verzoekt, stelt de geobserveerde Partij daarvan in kennis. Een verzoek om duplicaten dient de volgende informatie te bevatten:

  • A. de observerende Partij;
  • B. de geobserveerde Partij;
  • C. de datum van de observatievlucht;
  • D. de sensor waardoor de gegevens werden verzameld;
  • E. het gedeelte of de gedeelten van de observatieperiode in de loop waarvan de gegevens werden verzameld; en
  • F. het type en het formaat van de duplicaat-gegevensdrager, hetzij een negatieve of een positieve film, hetzij een magneetband.

Artikel X. „Open luchtruim"-overlegcommissie

1.

Ter bevordering van de doelstellingen van dit Verdrag en ter vergemakkelijking van de toepassing van de bepalingen daarvan, stellen de Staten-Partijen hierbij een „Open Luchtruim"-Overlegcommissie in.

2.

De „Open Luchtruim"-Overlegcommissie neemt besluiten en doet aanbevelingen bij consensus. Onder consensus wordt verstaan het ontbreken van enig bezwaar van een Staat-Partij tegen het nemen van een besluit of het doen van een aanbeveling.

3.

Elke Staat-Partij heeft het recht een vraagstuk met betrekking tot dit Verdrag, met inbegrip van een vraagstuk in verband met gevallen waarin de geobserveerde Partij het observatievliegtuig ter beschikking stelt, aan de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie voor te leggen en op haar agenda te plaatsen.

4.

In het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie zullen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag:

  • A. vraagstukken met betrekking tot de inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag bestuderen;
  • B. trachten onduidelijkheden en verschillen in interpretatie op te lossen die aan het licht kunnen treden bij de wijze waarop het Verdrag wordt toegepast;
  • C. verzoeken om toetreding tot dit Verdrag bestuderen en besluiten nemen ter zake; en
  • D. de technische en bestuurlijke maatregelen overeenkomen, ingevolge de bepalingen van dit Verdrag, die noodzakelijk worden geacht ten gevolge van de toetreding van andere Staten tot dit Verdrag.
5.

De „Open Luchtruim"-Overlegcommissie kan wijzigingen op dit Verdrag voorstellen ter overweging en goedkeuring in overeenstemming met artikel XVI. De „Open Luchtruim"-Overlegcommissie kan tevens verbeteringen overeenkomen met betrekking tot de uitvoerbaarheid en de doelmatigheid van dit Verdrag, welke verenigbaar zijn met de bepalingen daarvan. Verbeteringen die slechts betrekking hebben op wijziging van de jaarlijkse verdeling van actieve quotums ingevolge Artikel III en Bijlage A, het bijwerken of aanvullen van de categorieën sensoren, of het vermogen daarvan, ingevolge artikel IV, herziening van het aandeel in de kosten ingevolge Bijlage L, Afdeling I, paragraaf 9, regelingen betreffende de doorgifte en beschikbaarheid van gegevens ingevolge artikel IX, Afdelingen III en IV, en het hanteren van missierapporten ingevolge artikel VI, Afdeling I, lid 21, alsmede ondergeschikte aangelegenheden van bestuurlijke of technische aard worden overeengekomen binnen de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie en worden niet beschouwd als wijzigingen op dit Verdrag.

6.

De „Open Luchtruim"-Overlegcommissie verzoekt om gebruikmaking van de faciliteiten en administratieve ondersteuning van het Conflict Preventie Centrum van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa, of andere bestaande faciliteiten te Wenen, tenzij zij anders besluit.

7.

Bepalingen betreffende de werkwijze van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie zijn uiteengezet in Bijlage L bij dit Verdrag.

Artikel XI. Kennisgevingen en rapporten

De Staten-Partijen doen de op grond van dit Verdrag vereiste kennisgevingen en rapporten toekomen in schriftelijke vorm. De Staten-Partijen verzenden bedoelde kennisgevingen en rapporten langs diplomatieke weg of, naar keuze, langs andere officiële kanalen, zoals het communicatienetwerk van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa.

Artikel XII. Aansprakelijkheid

Een Staat-Partij is, in overeenstemming met het internationale recht en de internationale gebruiken, verplicht schadevergoeding te betalen voor schade die hij heeft toegebracht aan andere Staten-Partijen, of aan hun natuurlijke personen of rechtspersonen of hun eigendommen, bij de toepassing van dit Verdrag.

Artikel XIII. Aanwijzing van personeel en voorrechten en immuniteiten

1.

Elke Staat-Partij verstrekt op het tijdstip van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging bij één van beide Depositarissen aan alle andere Staten-Partijen, ter beoordeling, een lijst van het aangewezen personeel dat alle met het uitvoeren van observatievluchten verband houdende taken zal verrichten voor die Staat-Partij, met inbegrip van de controle op de verwerking van de door sensoren verzamelde gegevens. Bedoelde lijst van aangewezen personeel mag nimmer meer dan 400 personen omvatten. In de lijst dient voor iedere daarin opgenomen persoon te zijn vermeld de naam, het geslacht, de geboortedatum en -plaats, het paspoortnummer en de functie. Elke Staat-Partij heeft het recht zijn lijst van aangewezen personeel te wijzigen tot 30 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag en daarna eenmaal per zes maanden.

2.

Ingeval een in de oorspronkelijke of gewijzigde lijst opgenomen persoon onaanvaardbaar is voor een Staat-Partij die de lijst beoordeelt, stelt die Staat-Partij uiterlijk 30 dagen na de ontvangst van elke lijst de Staat-Partij die de lijst heeft verstrekt ervan in kennis dat de betrokken persoon niet wordt aanvaard wat de bezwaar makende Staat-Partij betreft. Personen die niet binnen die termijn van 30 dagen onaanvaardbaar zijn verklaard, worden geacht te zijn aanvaard. Ingeval een Staat-Partij later bepaalt dat een persoon onaanvaardbaar is, stelt hij de Staat-Partij die de betrokken persoon heeft aangewezen daarvan in kennis. Personen die onaanvaardbaar zijn verklaard, worden verwijderd van de lijst die eerder was voorgelegd aan de bezwaar makende Staat-Partij.

3.

De geobserveerde Partij verstrekt de visa en andere documenten die vereist zijn om te verzekeren dat elke aanvaarde persoon kan worden toegelaten tot het grondgebied van die Staat-Partij en aldaar kan verblijven met het oog op de verrichting van taken verband houdende met het uitvoeren van observatievluchten, met inbegrip van het controleren van het verwerken van de door sensoren verzamelde gegevens. Deze visa en andere documenten worden verstrekt:

  • A. hetzij uiterlijk 30 dagen nadat de persoon wordt geacht te zijn aanvaard, in welk geval het visum geldig is voor een tijdvak van ten minste 24 maanden; of
  • B. hetzij uiterlijk één uur na aankomst van de persoon op het punt van binnenkomst, in welk geval het visum geldig is voor de duur van de taken van die persoon; of
  • C. hetzij op enig ander tijdstip, met wederzijdse instemming van de betrokken Staten-Partijen.
1.

Teneinde hun functies doeltreffend te kunnen uitoefenen, worden aan de leden van het in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling I, eerste lid, van dit artikel aangewezen personeel, ten behoeve van de toepassing van dit Verdrag en niet in hun persoonlijk voordeel, de voorrechten en immuniteiten verleend die diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 29, artikel 30, tweede lid, artikel 31, eerste, tweede en derde lid, en de artikelen 34 en 35 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961, hierna te noemen het Verdrag van Wenen. Bovendien worden aan het aangewezen personeel de voorrechten verleend die diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 36, eerste lid, letter b, van het Verdrag van Wenen, behalve met betrekking tot goederen waarvan de invoer of uitvoer is verboden door de wet of is onderworpen aan quarantainebepalingen.

2.

Bedoelde voorrechten en immuniteiten worden aan de leden van het aangewezen personeel verleend voor het gehele tijdvak vanaf de binnenkomst op tot het vertrek van het grondgebied van de geobserveerde Partij, en daarna ten aanzien van handelingen die eerder zijn verricht in de uitoefening van hun officiële functies. Bedoeld personeel geniet ook tijdens de doorreis over het grondgebied van andere Staten-Partijen de voorrechten en immuniteiten die aan diplomatieke ambtenaren worden verleend op grond van artikel 40, eerste lid, van het Verdrag van Wenen.

3.

Van de immuniteit van rechtsmacht kan afstand worden gedaan door de observerende Partij ingeval deze de rechtsgang zou belemmeren en daarvan afstand kan worden gedaan zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van dit Verdrag. Van de immuniteit van leden van het personeel die geen onderdaan zijn van de observerende Partij kan slechts afstand worden gedaan door Staten-Partijen waarvan zij onderdaan zijn. Het doen van afstand van immuniteit dient uitdrukkelijk te geschieden.

4.

Onverminderd hun voorrechten en immuniteiten of de in dit Verdrag vervatte rechten van de observerende Partij, is het aangewezen personeel verplicht de wetten en voorschriften van de geobserveerde Partij te eerbiedigen.

5.

De vervoermiddelen van het personeel genieten dezelfde immuniteiten van onderzoek, vordering, beslaglegging of executoriale maatregelen als die van een diplomatieke zending op grond van artikel 22, derde lid, van het Verdrag van Wenen, tenzij in dit Verdrag anders is bepaald.

Artikel XIV. Benelux

1.

Uitsluitend voor de toepassing van de artikelen II tot en met IX en artikel XI, alsmede de Bijlagen A tot en met I en Bijlage K bij dit Verdrag, worden het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden beschouwd als één StaatPartij, hierna te noemen de Benelux.

2.

Onverminderd de bepalingen van artikel XV, kunnen de bovengenoemde Staten-Partijen deze regeling beëindigen door middel van een kennisgeving aan alle andere Staten-Partijen. Deze regeling wordt dan geacht te eindigen op de eerstvolgende 31ste december na de termijn van 60 dagen te rekenen vanaf die kennisgeving.

Artikel XV. Duur en terugtrekking

1.

Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

2.

Een Staat-Partij heeft het recht zich uit dit Verdrag terug te trekken. Een Staat-Partij die voornemens is zich terug te trekken, doet ten minste zes maanden vóór de datum van zijn voorgenomen terugtrekking kennisgeving van zijn besluit zich terug te trekken aan één van beide Depositarissen, alsmede aan alle andere Staten-Partijen. De Depositarissen stellen alle andere Staten-Partijen op de hoogte van deze kennisgeving.

3.

Ingeval een Staat-Partij in overeenstemming met het tweede lid van dit artikel kennisgeving doet van zijn besluit zich uit dit Verdrag terug te trekken, beleggen de Depositarissen ten minste 30 dagen en ten hoogste 60 dagen na de ontvangst van die kennisgeving een conferentie van de Staten-Partijen, teneinde de gevolgen van die terugtrekking voor het Verdrag te bestuderen.

Artikel XVI. Wijzigingen en periodieke toetsing

1.

Elke Staat-Partij heeft het recht wijzigingen op dit Verdrag voor te stellen. De tekst van elk wijzigingsvoorstel wordt ingediend bij één van beide Depositarissen, die het ter bestudering toezendt aan alle Staten-Partijen. Indien daarom door ten minste drie Staten-Partijen wordt verzocht binnen een termijn van 90 dagen na de toezending van het wijzigingsvoorstel, beleggen de Depositarissen een conferentie van de Staten-Partijen teneinde het wijzigingsvoorstel te bestuderen. Deze conferentie begint ten vroegste 30 dagen en uiterlijk 60 dagen na de ontvangst van het derde daartoe strekkende verzoek.

2.

Een wijziging op dit Verdrag dient te worden goedgekeurd door alle Staten-Partijen, hetzij door middel van een schriftelijke kennisgeving van hun goedkeuring, gericht aan een Depositaris binnen een termijn van 90 dagen na de toezending van het wijzigingsvoorstel, hetzij door middel van de uitdrukking van hun goedkeuring tijdens een in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel belegde conferentie. Een aldus goedgekeurde wijziging dient te worden bekrachtigd in overeenstemming met de bepalingen van artikel XVII, eerste lid, en wordt van kracht 60 dagen na de nederlegging van de akten van bekrachtiging door de Staten-Partijen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)