Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens
- f. indien de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag de ingevolge de letters d en e verkregen opheldering onbevredigend acht, heeft hij het recht te verzoeken om een bijzondere vergadering van de Uitvoerende Raad, waaraan de betrokken Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die geen lid van de Uitvoerende Raad zijn, kunnen deelnemen. Op een zodanige bijzondere vergadering bestudeert de Uitvoerende Raad de aangelegenheid en kan hij de door hem passend geachte maatregelen aanbevelen om de situatie op te lossen.
Een Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft ook het recht de Uitvoerende Raad te verzoeken om opheldering van een situatie die dubbelzinnig wordt geacht of aanleiding heeft gegeven tot bezorgdheid omtrent zijn mogelijke niet-naleving van dit Verdrag. De Uitvoerende Raad reageert door passende bijstand te verlenen.
De Uitvoerende Raad stelt de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag in kennis van de in dit artikel genoemde verzoeken om opheldering.
Indien de twijfel of bezorgdheid van een Staat die Partij is bij dit Verdrag over een mogelijke niet-naleving niet is weggenomen binnen 60 dagen na de indiening van het verzoek om opheldering bij de Uitvoerende Raad, of indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag meent dat zijn twijfel dringend bestudering vereist, niettegenstaande zijn recht om te verzoeken om een uitdagingsinspectie, kan hij verzoeken om een bijzondere vergadering van de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, twaalfde lid, letter c. Op een zodanige bijzondere vergadering bestudeert de Conferentie de aangelegenheid en kan zij de door haar passend geachte maatregelen aanbevelen om de situatie op te lossen.
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht te verzoeken om een uitdagingsinspectie ter plaatse van inrichtingen of plaatsen op het grondgebied of op een andere plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag met als uitsluitend doel vragen betreffende mogelijke niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag op te helderen en op te lossen, en om deze inspectie onverwijld waar dan ook te laten verrichten door een inspectieteam aangewezen door de Directeur-Generaal en overeenkomstig de Verificatiebijlage.
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag is verplicht het verzoek om inspectie binnen de werkingssfeer van dit Verdrag te houden en in het verzoek om inspectie alle passende informatie te verstrekken op grond waarvan bezorgdheid is ontstaan betreffende mogelijke niet-naleving van dit Verdrag, zoals genoemd in de Verificatiebijlage. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag onthoudt zich van ongefundeerde verzoeken om inspectie, ten einde misbruik te vermijden. De uitdagingsinspectie wordt verricht met als uitsluitend doel het vaststellen van de feiten betreffende de mogelijke niet-naleving.
Voor de verificatie van de naleving van de bepalingen van dit Verdrag staat elke Staat die Partij is bij dit Verdrag het Technisch Secretariaat toe de uitdagingsinspectie ter plaatse te verrichten ingevolge het achtste lid.
Ingevolge een verzoek om een uitdagingsinspectie van een inrichting of plaats en overeenkomstig de in de Verificatiebijlage bepaalde procedures heeft de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag:
- a. het recht en de plicht naar redelijkheid alles in het werk te stellen om zijn naleving van dit Verdrag aan te tonen en hiertoe het inspectieteam in staat te stellen zijn opdracht te vervullen;
- b. de plicht toegang te verlenen tot de plaats waarop het verzoek betrekking heeft met als uitsluitend doel het vaststellen van feiten die van belang zijn voor de bezorgdheid omtrent mogelijke niet-naleving; en
- c. het recht maatregelen te nemen om gevoelige inrichtingen te beschermen en openbaarmaking te voorkomen van vertrouwelijke informatie en gegevens die geen betrekking hebben op dit Verdrag.
Met betrekking tot een waarnemer is het onderstaande van toepassing:
- a. de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag kan, mits de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag daarmee instemt, een vertegenwoordiger zenden die onderdaan is van hetzij de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, hetzij een derde Staat die Partij is bij dit Verdrag, om het verrichten van de uitdagingsinspectie gade te slaan;
- b. de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verleent de waarnemer dan toegang in overeenstemming met de Verificatiebijlage;
- c. de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag aanvaardt gewoonlijk de voorgestelde waarnemer, maar indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag gebruik maakt van zijn recht tot weigering, wordt dit feit vermeld in het eindverslag.
De verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag dient een verzoek om een uitdagingsinspectie ter plaatse in bij de Uitvoerende Raad en tegelijkertijd bij de Directeur-Generaal ter onmiddellijke behandeling.
De Directeur-Generaal vergewist zich er onmiddellijk van of het verzoek om inspectie voldoet aan de eisen neergelegd in Afdeling X, paragraaf 4, van de Verificatiebijlage en staat indien nodig de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag bij met het op de voorgeschreven wijze indienen van het verzoek. Wanneer het verzoek om inspectie aan de eisen voldoet, wordt begonnen met de voorbereiding van de uitdagingsinspectie.
De Directeur-Generaal zendt het verzoek om inspectie uiterlijk 12 uur vóór de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst toe aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.
Na ontvangst van het verzoek om inspectie neemt de Uitvoerende Raad kennis van de maatregelen van de Directeur-Generaal naar aanleiding van het verzoek en blijft hij gedurende de inspectieprocedure de zaak volgen. Zijn besprekingen mogen het inspectieproces evenwel niet vertragen.
De Uitvoerende Raad kan uiterlijk 12 uur na ontvangst van het verzoek om inspectie met een meerderheid van drievierde van alle leden besluiten de uitdagingsinspectie niet te doen verrichten, indien hij van mening is dat het verzoek om inspectie lichtvaardig is of op misbruik berust dan wel duidelijk valt buiten de werkingssfeer van dit Verdrag als beschreven in het achtste lid. De verzoekende noch de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag mogen aan een zodanig besluit deelnemen. Indien de Uitvoerende Raad zich tegen de uitdagingsinspectie uitspreekt, worden de voorbereidingen stopgezet, worden geen verdere maatregelen naar aanleiding van het verzoek om inspectie genomen en worden de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daarvan in kennis gesteld.
De Directeur-Generaal verstrekt een inspectiemandaat voor het verrichten van de uitdagingsinspectie. Het inspectiemandaat bestaat uit het in het achtste en negende lid bedoelde verzoek om inspectie, verwoord in praktische instructies, en dient overeen te komen met het verzoek om inspectie.
De uitdagingsinspectie wordt verricht overeenkomstig Afdeling X of, in geval van vermeend gebruik, overeenkomstig Afdeling XI van de Verificatie-bijlage. Het inspectieteam wordt geleid door het beginsel dat de uitdagingsinspectie moet worden verricht op de minst mogelijke hinder veroorzakende wijze, die verenigbaar is met de doeltreffende en tijdige vervulling van zijn opdracht.
De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag staat het inspectieteam gedurende de uitdagingsinspectie bij en vergemakkelijkt zijn taak. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge Afdeling X, Titel C, van de Verificatiebijlage in plaats van volledige en alomvattende toegang regelingen voorstelt om de naleving van dit Verdrag aan te tonen, dient hij door middel van overleg met het inspectieteam, naar redelijkheid alles in het werk te stellen om overeenstemming te bereiken omtrent de modaliteiten voor het vaststellen van de feiten met het oog op het aantonen van zijn naleving.
Het eindverslag dient de feitelijke bevindingen te bevatten, alsmede een beoordeling door het inspectieteam van de mate en aard van de verleende toegang en medewerking ten behoeve van de bevredigende uitvoering van de uitdagingsinspectie. De Directeur-Generaal zendt het eindverslag van het inspectieteam onverwijld toe aan de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, aan de Uitvoerende Raad en aan alle andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Voorts zendt de Directeur-Generaal de beoordelingen van de verzoekende en van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, alsmede de opvattingen van andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, die de Directeur-Generaal hiertoe ter kennis kunnen worden gebracht, onverwijld toe aan de Uitvoerende Raad, en verstrekt deze daarna aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.
Overeenkomstig zijn bevoegdheden en taken toetst de Uitvoerende Raad het eindverslag van het inspectieteam zodra het is voorgelegd en bespreekt hij de volgende punten:
- a. of er sprake is van niet-naleving;
- b. of het verzoek binnen de werkingssfeer van dit Verdrag is geweest; en
- c. of er misbruik is gemaakt van het recht te verzoeken om een uitdagingsinspectie.
Indien de Uitvoerende Raad tot de conclusie komt, overeenkomstig zijn bevoegdheden en taken, dat verdere maatregelen nodig kunnen zijn met betrekking tot lid 22, neemt hij passende maatregelen om de situatie recht te zetten en naleving van dit Verdrag te waarborgen, met inbegrip van specifieke aanbevelingen aan de Conferentie. In geval van misbruik onderzoekt de Uitvoerende Raad of de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag al dan niet financiële gevolgen van de uitdagingsinspectie moet dragen.
De verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag hebben het recht deel te nemen aan het toetsingsproces. De Uitvoerende Raad stelt de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de volgende vergadering van de Conferentie in kennis van het resultaat van de toetsing.
Indien de Uitvoerende Raad specifieke aanbevelingen aan de Conferentie heeft gedaan, overweegt de Conferentie maatregelen overeenkomstig artikel XII.
Artikel X. Bijstand en bescherming tegen chemische wapens
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „bijstand" verstaan het coördineren en aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag bieden van bescherming tegen chemische wapens, met inbegrip van onder meer het volgende: detectie-apparatuur en alarmsystemen, beschermende uitrusting, ontsmettingsapparatuur en ontsmettingsmiddelen, tegengif en medische behandeling, en advies inzake deze beschermende maatregelen.
Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat een Staat die Partij is bij dit Verdrag daardoor wordt belemmerd in de uitoefening van zijn recht onderzoek te verrichten naar middelen tot bescherming tegen chemische wapens, deze te ontwikkelen, te produceren, te verwerven, over te dragen of te gebruiken voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden.
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich ertoe de zo volledig mogelijke uitwisseling van uitrusting, materiaal en wetenschappelijke en technologische informatie betreffende middelen tot bescherming tegen chemische wapens te vergemakkelijken en heeft het recht aan die uitwisseling deel te nemen.
Ter vergroting van de doorzichtigheid van nationale programma's met betrekking tot bescherming, dient elke Staat die Partij is bij dit Verdrag jaarlijks aan het Technisch Secretariaat informatie omtrent zijn programma te verstrekken overeenkomstig procedures die zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie ingevolge artikel VIII, lid 21, letter i.
Uiterlijk 180 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag zet het Technisch Secretariaat een gegevensbestand op dat vrij beschikbare informatie bevat betreffende de verschillende middelen tot bescherming tegen chemische wapens, alsmede door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verstrekte informatie, en houdt dit bij, ten behoeve van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die dit willen raadplegen.
Het Technisch Secretariaat verstrekt tevens, binnen de grenzen van de hem ter beschikking staande middelen en op verzoek van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, deskundig advies en helpt de Staat die Partij is bij dit Verdrag na te gaan hoe zijn programma's voor de ontwikkeling en verbetering van een vermogen tot bescherming tegen chemische wapens zouden kunnen worden uitgevoerd.
Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daardoor worden belemmerd in de uitoefening van hun recht bilateraal om bijstand te verzoeken en deze te verlenen, en afzonderlijke overeenkomsten te sluiten met andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag betreffende het verkrijgen van bijstand in noodgevallen.
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich tot het verlenen van bijstand via de Organisatie en hiertoe naar keuze een of meer van de onderstaande maatregelen te nemen:
- a. het verstrekken van een bijdrage aan het vrijwillige bijstandsfonds dat tijdens haar eerste vergadering door de Conferentie zal worden ingesteld;
- b. het sluiten, indien mogelijk uiterlijk 180 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, van overeenkomsten met de Organisatie betreffende het op verzoek leveren van bijstand;
- c. het doen van een opgave, uiterlijk 180 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, van de soort bijstand die hij zou kunnen verlenen als de Organisatie daartoe een oproep doet. Indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag echter vervolgens niet in staat is de in zijn opgave beoogde bijstand te verlenen, is hij nog altijd verplicht bijstand overeenkomstig dit lid te verlenen.
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht te verzoeken om bijstand en bescherming tegen het gebruik of de dreiging met gebruik van chemische wapens en, met inachtneming van de procedures vervat in het negende, tiende en elfde lid deze te ontvangen, indien hij van oordeel is dat:
- a. ertegen hem chemische wapens zijn gebruikt;
- b. oproerbestrijdingsmiddelen tegen hem zijn gebruikt als een vorm van oorlogvoering;
- c. hij wordt bedreigd met optreden of activiteiten van een Staat die in artikel I aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag zijn verboden.
Het verzoek, gestaafd door relevante informatie, dient te worden ingediend bij de Directeur-Generaal, die het onmiddellijk doorzendt naar de Uitvoerende Raad en naar alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. De Directeur-Generaal zendt het verzoek onmiddellijk door naar de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die overeenkomstig het zevende lid, letters b en c, hebben aangeboden uiterlijk 12 uur na ontvangst van het verzoek aan de betrokken Staat die Partij is bij dit Verdrag noodhulp te zenden in geval van gebruik van chemische wapens of gebruik van oproerbestrijdingsmiddelen als een vorm van oorlogvoering, of humanitaire bijstand in geval van ernstige dreiging met het gebruik van chemische wapens of ernstige dreiging met gebruik van oproerbestrijdingsmiddelen als een vorm van oorlogvoering. De Directeur-Generaal stelt uiterlijk 24 uur na ontvangst van het verzoek een onderzoek in op grond waarvan verdere maatregelen kunnen worden genomen. Hij dient het onderzoek binnen 72 uur te voltooien en een verslag toe te zenden aan de Uitvoerende Raad. Indien er meer tijd nodig is om het onderzoek af te ronden, dient binnen de genoemde termijn een tussentijds verslag te worden ingediend. De benodigde extra tijd voor het onderzoek mag niet meer zijn dan 72 uur. Deze termijn kan evenwel worden verlengd met perioden van dezelfde duur. Aan het einde van elke periode van verlenging dient een verslag bij de Uitvoerende Raad te worden ingediend. Het onderzoek dient, indien passend en overeenkomstig het verzoek en de bij het verzoek gevoegde informatie, relevante feiten vast te stellen die betrekking hebben op het verzoek, alsmede de soort en de omvang van de vereiste aanvullende bijstand en bescherming aan te geven.
De Uitvoerende Raad komt uiterlijk 24 uur na ontvangst van een onderzoeksverslag bijeen om de situatie te bestuderen en besluit binnen de daaropvolgende 24 uur met eenvoudige meerderheid of het Technisch Secretariaat moet worden opgedragen de aanvullende bijstand te verlenen. Het Technisch Secretariaat zendt het onderzoeksverslag en het door de Uitvoerende Raad genomen besluit onmiddellijk toe aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de desbetreffende internationale organisaties. Wanneer de Uitvoerende Raad daartoe besluit, verleent de Directeur-Generaal onmiddellijk bijstand. Hiertoe kan de Directeur-Generaal samenwerken met de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, met andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en met de desbetreffende internationale organisaties. De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag dienen al het mogelijke in het werk te stellen om de bijstand te verlenen.
Indien de beschikbare informatie uit het lopende onderzoek of uit andere betrouwbare bronnen voldoende bewijs zou opleveren dat er slachtoffers zijn van het gebruik van chemische wapens en onmiddellijke maatregelen geboden zijn, stelt de Directeur-Generaal alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daarvan in kennis en neemt hij maatregelen voor noodhulp met gebruikmaking van de middelen die de Conferentie hem voor zulke omstandigheden ter beschikking heeft gesteld. De Directeur-Generaal houdt de Uitvoerende Raad op de hoogte van op grond van dit lid genomen maatregelen.
Artikel XI. Economische en technologische ontwikkeling
De bepalingen van dit Verdrag dienen op zodanige wijze te worden toegepast dat belemmering van de economische of technologische ontwikkeling van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en van de internationale samenwerking op het terrein van chemische activiteiten voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, met inbegrip van de internationale uitwisseling van wetenschappelijke en technische informatie en stoffen en apparatuur voor de produktie, de be-/verwerking of het gebruik van stoffen voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, wordt vermeden.
Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag en onverminderd de beginselen en toepasselijke regels van het internationale recht:
- a. hebben de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag het recht, afzonderlijk of gezamenlijk, onderzoek te verrichten naar stoffen en deze stoffen te ontwikkelen, te produceren, te verwerven, in bezit te houden, over te dragen en te gebruiken;
- b. verplichten de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag zich tot het vergemakkelijken van de zo volledig mogelijke uitwisseling van chemische stoffen, apparatuur en wetenschappelijke en technische informatie betreffende de ontwikkeling en toepassing van de chemie voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden en hebben zij het recht deel te nemen aan die uitwisseling;
- c. handhaven de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag onderling geen beperkingen, met inbegrip van die in internationale overeenkomsten, die onverenigbaar zijn met de ingevolge dit Verdrag aangegane verplichtingen, die de handel in en de ontwikkeling en bevordering van wetenschappelijke en technologische kennis op het terrein van de chemie voor onderzoeksdoeleinden, dan wel industriële, agrarische, medische, farmaceutische of andere vreedzame doeleinden zouden beperken of belemmeren;
- d. gebruiken de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag dit Verdrag niet als voorwendsel voor het toepassen van andere dan de voorziene of ingevolge dit Verdrag toegestane maatregelen en gebruiken zij evenmin andere internationale overeenkomsten voor het nastreven van een met dit Verdrag onverenigbaar doel;
- e. verplichten de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag zich tot bestudering van hun bestaande nationale voorschriften op het gebied van de handel in chemische stoffen ten einde deze in overeenstemming te brengen met voorwerp en doel van dit Verdrag.
Artikel XII. Maatregelen tot rechtzetting van een situatie en tot waarborging van de naleving van dit Verdrag, met inbegrip van sancties
De Conferentie neemt de nodige maatregelen, als vervat in het tweede, derde en vierde lid, om de naleving van dit Verdrag te waarborgen en situaties die strijdig zijn met de bepalingen van dit Verdrag recht te zetten en daaraan een einde te maken. Bij het overwegen van maatregelen op grond van dit lid houdt de Conferentie rekening met alle inzake deze kwesties door de Uitvoerende raad voorgelegde informatie en aanbevelingen.
In gevallen waarin een Staat die Partij is bij dit Verdrag door de Uitvoerende Raad is verzocht maatregelen te nemen tot rechtzetting van een situatie die aanleiding geeft tot problemen met betrekking tot de naleving van dit Verdrag door deze Staat die Partij is bij dit Verdrag, en waarin de Staat die Partij is bij dit Verdrag niet binnen de aangegeven termijn aan het verzoek voldoet, kan de Conferentie op aanbeveling van de Uitvoerende Raad onder andere de rechten en voorrechten van die Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge dit Verdrag beperken of opschorten totdat die Staat die Partij is bij dit Verdrag de nodige maatregelen neemt om zich te houden aan zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag.
In gevallen waarin voorwerp en doel van dit Verdrag ernstige schade kan worden toegebracht door ingevolge dit Verdrag, inzonderheid in artikel I, verboden activiteiten, kan de Conferentie de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag collectieve maatregelen aanbevelen in overeenstemming met het internationale recht.
De Conferentie brengt in bijzonder ernstige gevallen de kwestie, met inbegrip van de desbetreffende informatie en conclusies, onder de aandacht van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
Artikel XIII. Verhouding tot andere internationale overeenkomsten
Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat daaruit beperkingen voortvloeien voor of daardoor wordt getornd aan de verplichtingen die een Staat die Partij is bij dit Verdrag op zich heeft genomen ingevolge het Protocol nopens het verbod van het gebruik tijdens oorlogshandelingen van verstikkende, giftige of andere gassen en van vormen van bacteriologische oorlogvoering, ondertekend te Genève op 17 juni 1925, en ingevolge het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, ondertekend te Londen, Moskou en Washington op 10 april 1972.
Artikel XIV. Regeling van geschillen
Geschillen die zich kunnen voordoen betreffende de toepassing of uitlegging van dit Verdrag worden geregeld in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag en overeenkomstig de bepalingen van het Handvest der Verenigde Naties.
Wanneer zich een geschil voordoet tussen twee of meer Staten die Partij zijn bij dit Verdrag of tussen een of meer Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de Organisatie betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, plegen de betrokken partijen overleg met elkaar met het oog op de snelle regeling van het geschil door onderhandelingen of met andere vreedzame middelen naar keuze van de partijen, met inbegrip het doen van een beroep op de daarvoor in aanmerking komende organen van dit Verdrag en, in onderlinge overeenstemming, voorlegging van het geschil aan het Internationaal Gerechtshof, overeenkomstig het Statuut van het Hof. De betrokken Staten die Partij zijn bij dit Verdrag houden de Uitvoerende Raad op de hoogte van de genomen maatregelen.
De Uitvoerende Raad kan aan de regeling van een geschil bijdragen met de door hem passend geachte middelen, met inbegrip van het bieden van goede diensten, het doen van een beroep op de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag bij een geschil om de door hen gekozen procedure tot regeling van het geschil te beginnen en het aanbevelen van een termijn voor een overeengekomen procedure.
De Conferentie bestudeert vraagstukken betreffende geschillen die door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag ter tafel zijn gebracht of door de Uitvoerende Raad onder haar aandacht zijn gebracht. De Conferentie stelt, wanneer zij zulks nodig acht, organen in of belast organen met taken betrekking hebbend op de regeling van deze geschillen overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter f.
De Conferentie en de Uitvoerende Raad zijn afzonderlijk bevoegd, onder voorbehoud van machtiging door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, het Internationaal Gerechtshof te verzoeken advies uit te brengen over juridische kwesties die zich voordoen binnen de reikwijdte van de activiteiten van de Organisatie. Hiertoe wordt een overeenkomst tussen de Organisatie en de Verenigde Naties gesloten in overeenstemming met artikel VIII, lid 34, letter a.
Dit artikel laat artikel IX of de bepalingen inzake maatregelen tot rechtzetting van een situatie en tot waarborging van de naleving van dit Verdrag, met inbegrip van sancties, onverlet.
Artikel XV. Wijzigingen
Iedere Staat die Partij is bij dit Verdrag kan wijzigingen op dit Verdrag voorstellen. Iedere Staat die Partij is bij dit Verdrag kan ook veranderingen, zoals aangegeven in het vierde lid, in de Bijlagen bij dit Verdrag voorstellen. Voorstellen tot wijziging zijn onderworpen aan de procedures in het tweede en derde lid. Voorstellen voor veranderingen, zoals aangegeven in het vierde lid, zijn onderworpen aan de procedures in het vijfde lid.
De tekst van een voorgestelde wijziging wordt ingediend bij de Directeur-Generaal ter toezending aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en aan de Depositaris. De voorgestelde wijziging wordt alleen bestudeerd door een Conferentie tot wijziging van het Verdrag. Een zodanige Conferentie wordt belegd indien een derde of meer van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag de Directeur-Generaal uiterlijk 30 dagen na de toezending mededelen dat zij verdere bestudering van het voorstel steunen. De Conferentie tot wijziging van het Verdrag wordt onmiddellijk na een gewone vergadering van de Conferentie gehouden, tenzij de verzoekende Staten die Partij zijn bij dit Verdrag een eerdere bijeenkomst vragen. In geen geval wordt een Conferentie tot wijziging van het Verdrag gehouden binnen 60 dagen na de toezending van de voorgestelde wijziging.
Wijzigingen worden van kracht voor alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag 30 dagen na de nederlegging van de akte van bekrachtiging of aanvaarding door alle hieronder in letter b bedoelde Staten die Partij zijn bij dit Verdrag:
- a. wanneer zij door de Conferentie tot wijziging van het Verdrag zijn aangenomen met de stemmen vóór van een meerderheid van alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag terwijl geen enkele Staat die Partij is bij dit Verdrag een stem tegen uitbrengt; en
- b. zijn bekrachtigd of aanvaard door alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die op de Conferentie tot wijziging van het Verdrag een stem vóór hebben uitgebracht.
Ten einde de uitvoerbaarheid en de doeltreffendheid van dit Verdrag te verzekeren, kunnen de bepalingen in de Bijlagen worden veranderd overeenkomstig het vijfde lid, indien de voorgestelde veranderingen slechts betrekking hebben op aangelegenheden van administratieve of technische aard. Verandering van de Bijlage inzake stoffen geschiedt overeenkomstig het vijfde lid. De Titels A en C van de Vertrouwelijkheidsbijlage, Afdeling X van de Verificatiebijlage en de begripsomschrijvingen in Afdeling I van de Verificatiebijlage die uitsluitend betrekking hebben op uitdagingsinspecties, kunnen niet worden veranderd overeenkomstig het vijfde lid.
De in het vierde lid bedoelde voorgestelde veranderingen worden behandeld overeenkomstig de onderstaande procedures:
- a. De tekst van de voorgestelde veranderingen wordt te zamen met de vereiste informatie toegezonden aan de Directeur-Generaal. Door iedere Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Directeur-Generaal kan aanvullende informatie worden verstrekt met het oog op de beoordeling van het voorstel. De Directeur-Generaal deelt deze voorstellen en informatie onverwijld mede aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, de Uitvoerende Raad en de Depositaris;
- b. Uiterlijk 60 dagen na ontvangst van het voorstel onderwerpt de Directeur-Generaal het aan een beoordeling om alle mogelijke gevolgen ervan voor de bepalingen van dit Verdrag en zijn toepassing na te gaan en deelt hij alle informatie terzake mede aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de Uitvoerende Raad;
- c. De Uitvoerende Raad bestudeert het voorstel in het licht van alle informatie waarover hij beschikt, met inbegrip van de vraag of het voorstel voldoet aan de vereisten van het vierde lid. Uiterlijk 90 dagen na ontvangst van het voorstel brengt de Uitvoerende Raad zijn aanbevelingen, met passende toelichtingen, ter kennis van alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag met het oog op de bestudering ervan. De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag bevestigen binnen 10 dagen de ontvangst;
- d. Indien de Uitvoerende Raad aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag aanbeveelt het voorstel aan te nemen, wordt het als goedgekeurd beschouwd indien geen enkele Staat die Partij is bij dit Verdrag er bezwaar tegen maakt binnen 90 dagen na ontvangst van de aanbeveling. Indien de Uitvoerende Raad aanbeveelt het voorstel te verwerpen, wordt het als verworpen beschouwd indien geen enkele Staat die Partij is bij dit Verdrag binnen 90 dagen na ontvangst van de aanbeveling bezwaar maakt tegen de verwerping;
- e. Indien een aanbeveling van de Uitvoerende Raad niet wordt aanvaard zoals vereist ingevolge letter d, wordt door de Conferentie op haar volgende bijeenkomst een besluit genomen inzake het voorstel als aangelegenheid van inhoudelijke aard, met inbegrip van de vraag of het voldoet aan de vereisten van het vierde lid;
- f. De Directeur-Generaal brengt alle beslissingen ingevolge dit lid ter kennis van alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en van de Depositaris;
- g. Ingevolge deze procedure goedgekeurde veranderingen worden voor alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag van kracht 180 dagen na de datum van kennisgeving door de Directeur-Generaal dat zij zijn goedgekeurd, tenzij een andere termijn wordt aanbevolen door de Uitvoerende Raad of bepaald door de Conferentie.
Artikel XVI. Duur en opzegging
Dit Verdrag geldt voor onbeperkte duur.
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft in de uitoefening van zijn nationale soevereiniteit het recht dit Verdrag op te zeggen indien hij besluit dat uitzonderlijke gebeurtenissen die verband houden met het onderwerp van dit Verdrag de hoogste belangen van zijn land hebben geschaad. Hij geeft met inachtneming van een termijn van 90 dagen kennis van een zodanige opzegging aan alle andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, de Uitvoerende Raad, de Depositaris en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Deze kennisgeving dient een uiteenzetting te omvatten van de uitzonderlijke gebeurtenissen die naar zijn mening zijn hoogste belangen hebben geschaad.
De opzegging van een Staat die Partij is bij dit Verdrag van dit Verdrag is op generlei wijze van invloed op de plicht van Staten de ingevolge de desbetreffende regels van het internationale recht, inzonderheid het Protocol van Genève van 1925, aangegane verplichtingen te blijven nakomen.
Artikel XVII. Status van de Bijlagen
De Bijlagen vormen een integrerend deel van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag heeft tevens betrekking op de Bijlagen.
Artikel XVIII. Ondertekening
Dit Verdrag staat vóór zijn inwerkingtreding open voor ondertekening voor alle Staten.
Artikel XIX. Bekrachtiging
Dit Verdrag dient door de ondertekenende Staten te worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden constitutionele procedures.
Artikel XX. Toetreding
Iedere Staat die dit Verdrag niet vóór zijn inwerkingtreding ondertekent, kan op elk tijdstip daarna ertoe toetreden.
Artikel XXI. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking 180 dagen na de datum van nederlegging van de 65ste akte van bekrachtiging, doch in geen geval eerder dan twee jaar nadat het is opengesteld voor ondertekening.
Ten aanzien van Staten waarvan de akten van bekrachtiging of toetreding zijn nedergelegd na de inwerkingtreding van dit Verdrag, treedt het in werking op de 30ste dag volgend op de datum van nederlegging van hun akte van bekrachtiging of toetreding.
Artikel XXII. Voorbehouden
Er kunnen ten aanzien van de artikelen van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt. Ten aanzien van de Bijlagen bij dit Verdrag kunnen geen voorbehouden worden gemaakt die strijdig zijn met voorwerp en doel van het Verdrag.
Artikel XXIII. Depositaris
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt hierbij aangewezen als Depositaris van dit Verdrag. Onder meer doet hij:
- a. alle ondertekenende en toetredende Staten kennisgeving van de datum van elke ondertekening, de datum van nederlegging van elke akte van bekrachtiging of toetreding en de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en van de ontvangst van andere mededelingen;
- b. voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag toekomen aan de Regeringen van alle ondertekenende en toetredende Staten; en
- c. dit Verdrag registreren overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.
Artikel XXIV. Authentieke teksten
Dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
AFDELING I. Begripsomschrijvingen
1
Onder „goedgekeurde uitrusting" wordt verstaan de apparaten en hulpmiddelen die benodigd zijn voor de verrichting van de taken van het inspectieteam en die in orde zijn bevonden door het Technisch Secretariaat in overeenstemming met de door het Technisch Secretariaat opgestelde voorschriften krachtens Afdeling II, paragraaf 27, van deze Bijlage. Tot die uitrusting kunnen ook worden gerekend de administratieve benodigdheden en opname-apparatuur die door het inspectieteam kunnen worden gebruikt.
2
„Gebouw" als genoemd in de omschrijving van een inrichting voor de produktie van chemische wapens in artikel II omvat speciale gebouwen en standaardgebouwen.
- a. Onder „speciaal gebouw" wordt verstaan:
- i. elk gebouw, met inbegrip van ondergrondse bouwwerken, dat speciale apparatuur bevat in een produktie- of vulopstelling;
- ii. elk gebouw, met inbegrip van ondergrondse bouwwerken, dat bijzondere kenmerken heeft, waardoor het zich onderscheidt van gebouwen die normaal worden gebruikt voor chemische produktie- of vulactiviteiten die niet zijn verboden ingevolge dit Verdrag.
- b. Onder „standaardgebouw" wordt verstaan elk gebouw, met inbegrip van ondergrondse bouwwerken, gebouwd overeenkomstig in de industrie geldende normen voor inrichtingen die niet de in artikel II, achtste lid, letter a, onder i, genoemde stoffen of bijtende stoffen produceren.
3
Onder „uitdagingsinspectie" wordt verstaan de inspectie van een inrichting of plaats op het grondgebied van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, of op enige andere onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die Partij is bij dit Verdrag vallende plaats, op verzoek van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag overeenkomstig artikel IX, achtste tot en met vijfentwintigste lid.
4
Onder „onderscheiden organische chemische stoffen" worden verstaan stoffen behorende tot de klasse van chemische verbindingen bestaande uit alle koolstofverbindingen, met uitzondering van oxiden, sulfiden en metaal-carbonaten daarvan, te onderscheiden door middel van hun chemische naam, hun structuurformule, indien bekend, en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend.
5
„Apparatuur" als genoemd in de omschrijving van een inrichting voor de produktie van chemische wapens in artikel II omvat speciale apparatuur en standaardapparatuur.
- a. Onder „speciale apparatuur" wordt verstaan:
- i. de hoofdproduktielijn, met inbegrip van alle reactoren of apparatuur voor het synthetiseren, scheiden of zuiveren van produkten, alle apparatuur die rechtstreeks wordt gebruikt voor warmte-overdracht in het laatste technologische stap, zoals in reactoren of bij de scheiding van produkten, alsmede alle andere apparatuur die in aanraking is geweest van de in artikel II, achtste lid, letter a, onder i, genoemde stoffen of daarmee in aanraking zou zijn gekomen indien de inrichting zou worden gebruikt;
- ii. alle machines voor het vullen van chemische wapens;
- iii. alle andere apparatuur die speciaal is ontworpen, gebouwd of geïnstalleerd voor het gebruik van de inrichting als inrichting voor de produktie van chemische wapens, die te onderscheiden is van een inrichting die is gebouwd overeenkomstig in de commerciële industrie geldende normen voor inrichtingen die niet de in artikel II, achtste lid, letter a, onder i, genoemde stoffen of bijtende stoffen produceren, zoals apparatuur vervaardigd van legeringen met een hoog nikkelgehalte of ander speciaal corrosiebestendig materiaal, speciale apparatuur voor afvalbeheersing, afvalbehandeling, het filteren van lucht of de terugwinning van oplosmiddelen, speciale insluitsystemen en veiligheidsschermen, niet-standaard-laboratoriumapparatuur gebruikt voor het analyseren van giftige stoffen ten behoeve van chemische wapens, speciaal ontworpen procesbesturingspanelen of speciale reserve-onderdelen voor speciale apparatuur.
- b. Onder „standaardapparatuur" wordt verstaan:
- i. produktie-apparatuur die algemeen in de chemische industrie wordt gebruikt en die niet behoort tot de typen speciale apparatuur;
- ii. overige apparatuur die gewoonlijk in de chemische industrie wordt gebruikt, zoals brandbestrijdingsapparatuur; controle- en beveiligings-/veiligheidsapparatuur; medische voorzieningen, laboratoriumfaciliteiten of communicatie-apparatuur.
6
Onder „inrichting" in de context van artikel VI wordt verstaan één van de hieronder omschreven industriële vestigingen („fabriekscomplex", „fabriek" en „eenheid").
- a. Onder „fabriekscomplex" wordt verstaan een op één plaats gevestigd geheel van één of meer fabrieken, met alle administratieve niveaus daartussen, die onder één bedrijfsleiding vallen, en dat gemeenschappelijke infrastructuur omvat, zoals:
- i. een administratie en andere kantoren;
- ii. reparatie- en onderhoudswerkplaatsen;
- iii. een medisch centrum;
- iv. algemene voorzieningen;
- v. een centraal analytisch laboratorium;
- vi. onderzoeks- en ontwikkelingslaboratoria;
- vii. een centrale ruimte voor de zuivering van afvalwater en de behandeling van afval; en
- viii. magazijnen.
- b. Onder „fabriek" wordt verstaan een relatief op zichzelf staand terrein, bouwwerk of gebouw dat één of meer eenheden met bijbehorende infrastructuur omvat, zoals:
- i. een kleine administratieve afdeling;
- ii. ruimten voor de opslag/behandeling van grondstoffen en produkten;
- iii. een ruimte voor de zuivering van afvalwater en de behandeling van afval;
- iv. een controlelaboratorium/analytisch laboratorium;
- v. een afdeling voor E.H.B.O. en aanverwante medische diensten;
- vi. Registers met betrekking tot het vervoer naar, over en van het terrein van opgegeven chemische stoffen en de grondstoffen daarvoor of de daaruit gevormde chemische produkten, indien van toepassing.
- c. Onder „eenheid" (produktie-eenheid) wordt verstaan de combinatie van de bestanddelen van de apparatuur, met inbegrip van vaten en vatopstelling, die nodig zijn voor de produktie, de be-/verwerking of het verbruik van chemische stoffen.
7
Onder „inrichtingsakkoord" wordt verstaan een akkoord of regeling tussen een Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Organisatie met betrekking tot een bepaalde inrichting die is onderworpen aan verificatie ter plaatse overeenkomstig de artikelen IV, V en VI.
8
Onder „Gaststaat" wordt verstaan de Staat op het grondgebied waarvan inrichtingen of terreinen liggen van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag die zijn onderworpen aan inspectie ingevolge dit Verdrag.
9
Onder „begeleidingsteam” wordt verstaan personen, opgegeven door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en, indien van toepassing, door de Gaststaat, indien zij zulks wensen, om het inspectieteam gedurende de verblijfsperiode te vergezellen en bij te staan.
10
Onder „verblijfsperiode" wordt verstaan het tijdvak vanaf de aankomst van het inspectieteam op een punt van binnenkomst tot zijn vertrek uit de Staat op een punt van binnenkomst.
11
Onder „eerste inspectie" wordt verstaan de eerste inspectie ter plaatse van inrichtingen ter verificatie van de overeenkomstig de artikelen III, IV, V en VI en deze Bijlage ingediende opgaven.
12
Onder „geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag" wordt verstaan de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied, of op enige andere plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, een inspectie ingevolge dit Verdrag plaatsvindt, of de Staat die Partij is bij dit Verdrag wiens inrichting of terrein op het grondgebied van een Gaststaat is onderworpen aan zo'n inspectie; onder deze term is echter niet begrepen de Staat die Partij is bij dit Verdrag genoemd in Afdeling II, paragraaf 21, van deze Bijlage.
13
Onder „inspectie-assistent" wordt verstaan een persoon, aangewezen door het Technisch Secretariaat als bedoeld in Afdeling II, Titel A, van deze Bijlage, om inspecteurs bij te staan bij een inspectie of bezoek, zoals medisch personeel, beveiligingspersoneel, administratief personeel en tolken.
14
Onder „inspectiemandaat" wordt verstaan de instructies van de Directeur-Generaal voor het inspectieteam betreffende het verrichten van een bepaalde inspectie.
15
Onder „inspectiehandboek" wordt verstaan de door het Technisch Secretariaat samengestelde verzameling aanvullende procedures voor het verrichten van inspecties.
16
Onder „inspectieplaats" wordt verstaan een inrichting of terrein waar een inspectie wordt uitgevoerd en die specifiek is omschreven in het desbetreffende inrichtingsakkoord of het desbetreffende inspectieverzoek of -mandaat, dan wel het verzoek om inspectie zoals uitgebreid met de alternatieve of definitieve omtrek.
17
Onder „inspectieteam" wordt verstaan de groep inspecteurs en inspectie-assistenten, door de Directeur-Generaal belast met het verrichten van een bepaalde inspectie.
18
Onder „inspecteur" wordt verstaan een persoon, aangewezen door het Technisch Secretariaat overeenkomstig de procedures als uiteengezet in Afdeling II, Titel A, van deze Bijlage, voor het uitvoeren van een inspectie of het afleggen van een bezoek in overeenstemming met dit Verdrag.
19
Onder „modelovereenkomst" wordt verstaan een document waarin de algemene vorm en inhoud is aangegeven van een tussen een Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Organisatie gesloten akkoord ter uitvoering van de in deze Bijlage vervatte verificatiebepalingen.
20
Onder „waarnemer" wordt verstaan een vertegenwoordiger van een verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag of een derde Staat die Partij is bij dit Verdrag die een uitdagingsinspectie gadeslaat.
21
Onder „omtrek" wordt in geval van een uitdagingsinspectie verstaan de buitengrens van een inspectieplaats, bepaald hetzij aan de hand van geografische coördinaten, hetzij aan de hand van een beschrijving op een kaart.
- a. Onder „verlangde omtrek" wordt verstaan de omtrek van de inspectieplaats als aangegeven in overeenstemming met Afdeling X, paragraaf 8, van deze Bijlage;
- b,. Onder „alternatieve omtrek" wordt verstaan de omtrek van de inspectieplaats zoals deze als alternatief voor de verlangde omtrek is aangegeven door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag; deze dient in overeenstemming te zijn met de vereisten als vermeld in Afdeling X, paragraaf 17, van deze Bijlage;
- c. Onder „definitieve omtrek" wordt verstaan de definitieve omtrek van de inspectieplaats zoals overeengekomen tijdens onderhandelingen tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag in overeenstemming met Afdeling X, paragrafen 16 t/m 21, van deze Bijlage;
- d. Onder „opgegeven omtrek" wordt verstaan de buitengrens van de overeenkomstig de artikelen III, IV, V en VI opgegeven inrichting.
22
Voor de toepassing van artikel IX wordt onder „inspectieperiode" verstaan het tijdvak vanaf de toegang van het inspectieteam tot de inspectieplaats tot aan zijn vertrek van de inspectieplaats, exclusief de tijd besteed aan briefings vóór en na de verificatie-activiteiten.
23
Voor de toepassing van de artikelen IV, V en VI wordt onder „inspectie-periode" verstaan het tijdvak vanaf de aankomst van het inspectieteam op de inspectieplaats tot aan zijn vertrek van de inspectieplaats, exclusief de tijd besteed aan briefings vóór en na de verificatie-activiteiten.
24
Onder „punt van binnenkomst"/„punt van vertrek" wordt verstaan een plaats aangewezen voor de aankomst van inspectieteams voor inspecties ingevolge dit Verdrag of voor hun vertrek na voltooiing van hun opdracht.
25
Onder „verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag" wordt verstaan een Staat die Partij is bij dit Verdrag die heeft verzocht om een uitdagingsinspectie ingevolge artikel IX.
26
Onder „ton" wordt verstaan een metrieke ton, d.w.z. 1000 kg.
AFDELING II. Algemene verificatieregels
A. AANWIJZING VAN INSPECTEURS EN INSPECIE-ASSISTENTEN
1
Uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag maakt het Technisch Secretariaat aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag schriftelijk de naam, de nationaliteit en de rang bekend van de inspecteurs en inspectie-assistenten die voor aanwijzing zijn voorgedragen, alsmede een beschrijving van hun kwalificaties en beroepservaring.
2
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient onmiddellijk de ontvangst te bevestigen van de lijst van inspecteurs en inspectie-assistenten die zijn voorgedragen voor aanwijzing. De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het Technisch Secretariaat schriftelijk in kennis te stellen van zijn aanvaarding van elke inspecteur en inspectie-assistent, zulks uiterlijk 30 dagen na de bevestiging van de ontvangst van de lijst. Alle in deze lijst opgenomen inspecteurs en inspectie-assistenten worden geacht te zijn aangewezen, tenzij een Staat die Partij is bij dit Verdrag, uiterlijk 30 dagen na de bevestiging van de ontvangst van de lijst, schriftelijk haar niet-aanvaarding kenbaar maakt. De Staat die Partij is bij dit Verdrag kan daarbij de redenen voor het bezwaar vermelden.
In geval van niet-aanvaarding mag de voorgedragen inspecteur of inspectie-assistent niet overgaan tot of deelnemen aan verificatie-activiteiten op het grondgebied, of op enige andere plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van de Staat die Partij is bij dit Verdrag die zijn niet-aanvaarding kenbaar heeft gemaakt. Het Technisch Secretariaat doet, indien noodzakelijk, verdere voorstellen in aanvulling op de oorspronkelijke lijst.
3
Verificatie-activiteiten ingevolge dit Verdrag mogen slechts worden verricht door aangewezen inspecteurs en inspectie-assistenten.
4
Behoudens de bepalingen van paragraaf 5 heeft een Staat die Partij is bij dit Verdrag het recht te allen tijde bezwaar te maken tegen een inspecteur of inspectie-assistent die reeds is aangewezen. Hij dient het Technisch Secretariaat schriftelijk van zijn bezwaar in kennis te stellen en kan daarbij de reden voor het bezwaar vermelden. Dit bezwaar wordt 30 dagen na ontvangst door het Technisch Secretariaat van kracht. Het Technisch Secretariaat licht de betrokken Staat die Partij is bij dit Verdrag onmiddellijk in over de herroeping van de aanwijzing van de inspecteur of inspectie-assistent.
5
Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die van een inspectie in kennis is gesteld, mag niet trachten één van de aangewezen inspecteurs of inspectie-assistenten die zijn genoemd in de lijst van het inspectieteam te doen verwijderen uit het inspectieteam voor die inspectie.
6
Het aantal inspecteurs en inspectie-assistenten dat is aanvaard door en aangewezen ten opzichte van een Staat die Partij is bij dit Verdrag moet groot genoeg zijn om ervoor te kunnen zorgen dat er voldoende inspecteurs en inspectie-assistenten beschikbaar zijn en dat zij kunnen rouleren.
7
Indien, naar het oordeel van de Directeur-Generaal, de niet-aanvaarding van de voorgedragen inspecteurs of inspectie-assistenten een beletsel vormt voor de aanwijzing van een voldoende aantal inspecteurs of inspectie-assistenten, of anderszins de doelmatige taakverrichting van het Technisch Secretariaat belemmert, legt de Directeur-Generaal het vraagstuk voor aan de Uitvoerende Raad.
8
Wanneer wijzigingen op de bovengenoemde lijsten van inspecteurs en inspectie-assistenten noodzakelijk zijn, of hierom wordt verzocht, worden de vervangende inspecteurs en inspectie-assistenten aangewezen op dezelfde wijze als uiteengezet ten aanzien van de oorspronkelijke lijst.
9
De leden van het inspectieteam die een inspectie uitvoeren van een inrichting van een Staat die Partij is bij dit Verdrag die is gelegen op het grondgebied van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag worden aangewezen in overeenstemming met de procedures vervat in deze Bijlage, die gelden voor zowel de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag als de Partij die Gaststaat is.
B. VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN
10
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient uiterlijk 30 dagen na de bevestiging van de ontvangst van de lijst van inspecteurs en inspectie-assistenten, of van wijzigingen daarop, inreis-/uitreis- en/ of transitvisa voor verscheidene reizen en andere soortgelijke documenten te verstrekken ten einde elke inspecteur en inspectie-assistent in staat te stellen binnen te komen op het grondgebied van die Staat die Partij is bij dit Verdrag en aldaar te verblijven ten behoeve van de verrichting van inspectie-activiteiten. Deze documenten dienen ten minste twee jaar geldig te zijn na de verstrekking daarvan aan het Technisch Secretariaat.
11
Om hun taken doeltreffend te kunnen uitoefenen worden aan inspecteurs en inspectie-assistenten de in de letter a tot en met i genoemde voorrechten en immuniteiten verleend. De voorrechten en immuniteiten worden aan de leden van het inspectieteam verleend met het oog op dit Verdrag en niet in het persoonlijk belang van de betrokkenen zelf. Deze voorrechten en immuniteiten worden aan hen verleend voor het gehele tijdvak tussen de aankomst op en het vertrek van het grondgebied van de geïnspecteerde Partij of Gaststaat, en daarna ten aanzien van handelingen die eerder zijn verricht in de uitoefening van hun officiële taken.
- a. Aan leden van het inspectieteam wordt de onschendbaarheid verleend die diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 29 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961.
- b. De woonruimten en kantoren die worden betrokken door het inspectieteam dat inspectie-activiteiten verricht ingevolge dit Verdrag genieten de onschendbaarheid en bescherming die de gebouwen van diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 30, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
- c. De papieren en briefwisseling, met inbegrip van dossiers, van het inspectieteam genieten de onschendbaarheid die alle papieren en briefwisseling van diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 30, tweede lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Het inspectieteam heeft het recht codes te gebruiken voor het berichtenverkeer met het Technisch Secretariaat.
- d. Monsters en goedgekeurde uitrusting die leden van het inspectieteam bij zich hebben zijn onschendbaar, met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag, en zijn vrijgesteld van alle douanerechten. Gevaarlijke monsters dienen te worden vervoerd in overeenstemming met de desbetreffende voorschriften.
- e. Aan de leden van het inspectieteam worden de immuniteiten verleend die aan diplomatieke ambtenaren worden verleend op grond van artikel 31, eerste, tweede en derde lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
- f,. Aan de leden van het inspectieteam die voorgeschreven activiteiten verrichten ingevolge dit Verdrag wordt de vrijstelling van belastingen en rechten verleend die aan diplomatieke ambtenaren wordt verleend op grond van artikel 34 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
- g. Het is de leden van het inspectieteam toegestaan, zonder betaling van douanerechten of daarmee verband houdende heffingen, goederen voor persoonlijk gebruik mede te brengen op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Partij die Gaststaat is, met uitzondering van goederen waarvan de in- of uitvoer bij wet is verboden of is onderworpen aan quarantainebepalingen.
- h. Aan de leden van het inspectieteam worden dezelfde valuta- en wisselfaciliteiten verleend als aan vertegenwoordigers van vreemde Regeringen met tijdelijke officiële opdrachten.
- i. De leden van het inspectieteam mogen zich op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat niet bezighouden met enige beroepsactiviteit of commerciële activiteit in hun persoonlijk voordeel.
12
Tijdens de doorreis over het grondgebied van niet-geïnspecteerde Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden aan de leden van het inspectieteam de voorrechten en immuniteiten verleend die diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 40, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. De papieren en briefwisseling, met inbegrip van dossiers, en monsters en goedgekeurde uitrusting die zij bij zich hebben, genieten de in paragraaf 11, letters c en d, genoemde voorrechten en immuniteiten.
13
Onverminderd hun voorrechten en immuniteiten zijn de leden van het inspectieteam verplicht de wetten en voorschriften van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat te eerbiedigen en zijn zij verplicht, voor zover verenigbaar met het inspectiemandaat, zich niet te mengen in de interne aangelegenheden van die Staat. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Partij die Gaststaat is van oordeel is dat er sprake is van misbruik van de in deze Bijlage genoemde voorrechten en immuniteiten, wordt overleg gevoerd tussen de Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Directeur-Generaal om vast te stellen of bedoeld misbruik heeft plaatsgevonden en, zo ja, om herhaling daarvan te voorkomen.
14
Van de immuniteit van rechtsmacht van leden van het inspectieteam kan door de Directeur-Generaal afstand worden gedaan in de gevallen waarin de Directeur-Generaal van oordeel is dat de immuniteit de rechtsgang belemmert en dat hiervan afstand kan worden gedaan zonder afbreuk te doen aan de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag. Het afstand doen van immuniteit dient altijd uitdrukkelijk te geschieden.
15
Aan waarnemers worden dezelfde voorrechten en immuniteiten verleend als aan inspecteurs ingevolge deze Titel, met uitzondering van de ingevolge paragraaf 11, letter d, verleende voorrechten en immuniteiten.
C. PERMANENTE REGELINGEN
Punten van binnenkomst
16
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de punten van binnenkomst aan te wijzen en de vereiste informatie aan het Technisch Secretariaat te verstrekken uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden. Deze punten van binnenkomst dienen zodanig te zijn, dat het inspectieteam elke inspectieplaats binnen twaalf uur kan bereiken vanaf ten minste één punt van binnenkomst. De ligging van de punten van binnenkomst wordt door het Technisch Secretariaat aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verstrekt.
17
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag kan de punten van binnenkomst wijzigen door daarvan kennisgeving te doen aan het Technisch Secretariaat. Wijzigingen worden 30 dagen nadat het Technisch Secretariaat die kennisgeving heeft ontvangen van kracht, zulks om alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daarvan in kennis te kunnen stellen.
18
Indien het Technisch Secretariaat van oordeel is dat er onvoldoende punten van binnenkomst zijn voor de tijdige verrichting van de inspecties, of dat de door een Staat die Partij is bij dit Verdrag voorgestelde wijzigingen van de punten van binnenkomst de tijdige verrichting van inspecties zouden belemmeren, pleegt het overleg met de betrokken Staat die Partij is bij dit Verdrag om het probleem op te lossen.
19
Ingeval inrichtingen of terreinen van een geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn gelegen op het grondgebied van een Partij die Gaststaat is of indien voor de toegang tot de aan inspectie onderworpen inrichtingen of terreinen vanaf het punt van binnenkomst de doorreis over het grondgebied van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag nodig is, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag de rechten en verplichtingen betreffende die inspecties uit te oefenen c.q. na te komen in overeenstemming met deze Bijlage. De Partij die Gaststaat is dient de inspectie van die inrichtingen of terreinen te vergemakkelijken en de nodige steun te bieden om het inspectieteam in staat te stellen om zijn taken tijdig en doeltreffend te verrichten. Staten die Partij zijn bij dit Verdrag over wier grondgebied de doorreis nodig is om inrichtingen of terreinen van een geïnspecteerde Partij te inspecteren, dienen die doorreis te vergemakkelijken.
20
Ingeval inrichtingen of terreinen van een geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn gelegen op het grondgebied van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat inspecties van die inrichtingen of terreinen kunnen worden verricht in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage. Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die één of meer inrichtingen of terreinen heeft op het grondgebied van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag, dient alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de ten aanzien van die Staat die Partij is bij dit Verdrag aangewezen inspecteurs en inspectie-assistenten worden aanvaard door de Gaststaat. Indien een geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag niet in staat is de toegang te waarborgen, dient die Staat die Partij is bij dit Verdrag aan te tonen dat hij alle nodige maatregelen heeft genomen om toegang te verlenen.
21
Ingeval de te inspecteren inrichtingen of terreinen zijn gelegen op het grondgebied van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, maar op een plaats die valt onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag, dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag alle nodige maatregelen te nemen die van een geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of een Partij die Gaststaat is worden verlangd om ervoor te zorgen dat inspecties van die inrichtingen of terreinen kunnen worden verricht in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage. Indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag niet in staat is de toegang tot die inrichtingen of terreinen te waarborgen, dient die Staat die Partij is bij dit Verdrag aan te tonen dat hij alle nodige maatregelen heeft genomen om toegang te verlenen. Deze paragraaf is niet van toepassing indien de te inspecteren inrichtingen of terreinen de Staat die Partij is bij dit Verdrag toebehoren.
Regelingen voor het gebruik van andere vliegtuigen dan lijntoestellen
22
Wanneer bij inspecties ingevolge artikel IX en bij andere inspecties het inspectieteam niet tijdig op de plaats van bestemming kan aankomen met gebruikmaking van lijnvervoer, kan het nodig zijn dat het inspectieteam gebruik maakt van vliegtuigen die toebehoren aan of zijn gecharterd door het Technisch Secretariaat. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden het Technisch Secretariaat in kennis te stellen van het nummer van de permanente diplomatieke toestemming voor andere vliegtuigen dan lijntoestellen die inspectieteams en voor de inspectie benodigde uitrusting vervoeren naar en van het grondgebied waar een inspectieplaats is gelegen. De vliegroutes naar en van het aangewezen punt van binnenkomst dienen langs vastgelegde internationale luchtwegen te lopen die tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en het Technisch Secretariaat zijn overeengekomen als grondslag voor bedoelde diplomatieke toestemming.
23
Wanneer een ander vliegtuig dan een lijntoestel wordt gebruikt, verstrekt het Technisch Secretariaat aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag via de nationale autoriteit een vliegplan voor de vlucht van het vliegtuig vanaf het laatste vliegveld vóór de binnenkomst in het luchtruim van de Staat waarin de inspectieplaats is gelegen tot aan het punt van binnenkomst, zulks ten minste zes uur vóór de geplande tijd van vertrek van dat vliegveld. Bedoeld plan dient te worden ingediend in overeenstemming met de procedures van de Internationale Organisatie voor de Burgerluchtvaart die gelden voor burgerluchtvaartuigen. Bij vluchten met vliegtuigen die toebehoren aan of zijn gecharterd door het Technisch Secretariaat vermeldt dit in de rubriek „opmerkingen" van elk vliegplan het nummer van de permanente diplomatieke toestemming, alsook de desbetreffende aanduiding aan de hand waarvan het vliegtuig herkenbaar is als inspectievliegtuig.
24
Ten minste drie uur vóór het geplande vertrek van het inspectieteam van het laatste vliegveld vóór de binnenkomst in het luchtruim van de Staat waarin de inspectie zal plaatsvinden, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Partij die Gaststaat is ervoor te zorgen dat het overeenkomstig paragraaf 23 ingediende vliegplan wordt goedgekeurd, opdat het inspectieteam op de verwachte aankomsttijd op het punt van binnenkomst kan aankomen.
25
De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient parkeergelegenheid te bieden en zorg te dragen voor beveiliging, onderhoud en brandstof voor zover benodigd door het Technisch Secretariaat voor het vliegtuig van het inspectieteam op het punt van binnenkomst, wanneer het vliegtuig toebehoort aan of is gecharterd door het Technisch Secretariaat. Bedoeld vliegtuig is geen landingsrechten, vertrekbelasting en soortgelijke heffingen verschuldigd. Het Technisch Secretariaat draagt de kosten van bedoelde brandstof, beveiliging en onderhoud.
Administratieve regelingen
26
De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de voorzieningen die het inspectieteam nodig heeft, zoals communicatiemiddelen, tolkdiensten, voor zover nodig voor het voeren van vraaggesprekken en het verrichten van andere taken, vervoer, werkruimte, onderdak, maaltijden en medische verzorging te leveren of te regelen. Wat dit aangaat, worden de door het inspectieteam gemaakte kosten door de Organisatie aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag vergoed.
Goedgekeurde uitrusting
27
Behoudens paragraaf 29 kan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het inspectieteam geen beperking opleggen met betrekking tot het medebrengen naar de inspectieplaats van uitrusting, die is goedgekeurd in overeenstemming met paragraaf 28, ten aanzien waarvan het Technisch Secretariaat heeft bepaald dat deze noodzakelijk is om aan de inspectievereisten te voldoen. Het Technisch Secretariaat stelt een lijst op, en werkt deze indien nodig bij, van goedgekeurde uitrusting die benodigd kan zijn voor de hierboven beschreven doeleinden, alsook voorschriften inzake die uitrusting, welke in overeenstemming dient te zijn met deze Bijlage. Bij de vaststelling van de lijst van goedgekeurde uitrusting en deze voorschriften ziet het Technisch Secretariaat erop toe dat ten volle rekening wordt gehouden met de veiligheidsoverwegingen voor alle typen inrichtingen waar die uitrusting zou kunnen worden gebruikt. Een lijst van goedgekeurde uitrusting zal worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.
28
De uitrusting wordt bewaard door het Technisch Secretariaat en wordt aangewezen, geijkt en goedgekeurd door het Technisch Secretariaat. Het Technisch Secretariaat kiest, voor zover mogelijk, de uitrusting die specifiek is bedoeld voor de bepaalde soort inspectie waarom is verzocht. Aangewezen en goedgekeurde uitrusting dient uitdrukkelijk te worden beschermd tegen ongeoorloofde verandering.
29
De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht, zonder afbreuk te doen aan de voorgeschreven tijdsbestekken, de uitrusting te inspecteren in aanwezigheid van leden van het inspectieteam op het punt van binnenkomst, d.w.z. de aard te controleren van de uitrusting die op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat wordt gebracht of daarvan wordt verwijderd. Ter vergemakkelijking van die controle hecht het Technisch Secretariaat documenten en tekeningen aan de uitrusting ter staving van zijn aanwijzing en goedkeuring. De inspectie van de uitrusting dient tevens ten genoegen van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag te bevestigen dat de uitrusting voldoet aan de beschrijving van de goedgekeurde uitrusting voor het bepaalde soort inspectie. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag kan uitrusting die niet aan die beschrijving voldoet of uitrusting zonder de bovengenoemde stavingsdocumenten en -tekeningen weren. Procedures voor de inspectie van uitrusting zullen door de Conferentie worden bestudeerd en goedgekeurd overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.
30
Ingeval het inspectieteam het noodzakelijk vindt ter plaatse aanwezige uitrusting te gebruiken die niet toebehoort aan het Technisch Secretariaat, en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verzoekt het team in staat te stellen die uitrusting te gebruiken, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dit verzoek in te willigen voor zover hij dit kan.
D. ACTIVITEITEN VOORAFGAANDE AAN DE INSPECTIE
Kennisgeving
31
De Directeur-Generaal doet vóór de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst en binnen de voorgeschreven tijdsbestekken, indien aangegeven, kennisgeving aan de Staat die Partij is bij dit Verdrag van zijn voornemen een inspectie uit te voeren.
32
De kennisgevingen van de Directeur-Generaal dienen de volgende informatie te bevatten:
- a. de soort inspectie;
- b. het punt van binnenkomst;
- c. de datum en het verwachte tijdstip van aankomst op het punt van binnenkomst;
- d. het vervoermiddel bij aankomst op het punt van binnenkomst;
- e. de te inspecteren plaats;
- f. de namen van de inspecteurs en inspectie-assistenten;
- g. indien van toepassing, de toestemming voor vliegtuigen voor bijzondere vluchten.
33
De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de ontvangst van een kennisgeving van het Technisch Secretariaat betreffende het voornemen een inspectie te houden uiterlijk één uur na ontvangst van de kennisgeving te bevestigen.
34
In geval van een inspectie van een inrichting van een Staat die Partij is bij dit Verdrag die is gelegen op het grondgebied van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag, worden beide Staten die Partij zijn bij dit Verdrag gelijktijdig in kennis gesteld overeenkomstig de paragrafen 31 en 32.
Binnenkomst op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of Gaststaat en overbrenging naar de inspectieplaats
35
De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of Gaststaat die in kennis is gesteld van de aankomst van een inspectieteam dient de onmiddellijke binnenkomst op zijn grondgebied te verzekeren en door middel van een begeleidingsteam of andere middelen alles in het werk te stellen wat in zijn vermogen ligt om zorg te dragen voor een veilige begeleiding van het inspectieteam en zijn uitrusting en benodigdheden van zijn punt van binnenkomst naar de inspectieplaats(en) en naar een punt van vertrek.
36
De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of Gaststaat dient het inspectieteam, indien nodig, te helpen om de inspectieplaats uiterlijk 12 uur na aankomst op het punt van binnenkomst te bereiken.
Briefing vóór de inspectie
37
Na de aankomst van het inspectieteam op de inspectieplaats en vóór de aanvang van de inspectie dient het inspectieteam door vertegenwoordigers van de inrichting te worden gebrieft met behulp van kaarten en andere documentatie, indien van toepassing, over de inrichting, de aldaar verrichte activiteiten, de veiligheidsmaatregelen en de voor de inspectie benodigde administratieve en logistieke regelingen. De met de briefing gemoeide tijd dient tot het minimum te worden beperkt en mag in geen geval meer bedragen dan drie uur.
E. VERRICHTING VAN DE INSPECTIES
Algemene regels
38
De leden van het inspectieteam dienen hun taken te vervullen in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, alsmede met de door de Directeur-Generaal vastgestelde regels en de tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de Organisatie gesloten inrichtingsakkoorden.
39
Het inspectieteam dient zich strikt te houden aan het door de Directeur-Generaal gegeven inspectiemandaat. Het dient zich te onthouden van activiteiten die dit mandaat te buiten gaan.
40
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)