Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof
Preambule
De Staten die Partij zijn bij dit Statuut,
Zich bewust van het feit dat alle volken verenigd zijn door gemeenschappelijke banden, en hun culturen zijn samengebracht in een gemeenschappelijk erfgoed, en bezorgd dat dit broze mozaïek ieder moment uiteen kan vallen,
Indachtig het feit dat in de loop van deze eeuw miljoenen kinderen, vrouwen en mannen het slachtoffer zijn geweest van onvoorstelbare wreedheden die het geweten van de mensheid hevig schokken,
Erkennend dat dergelijke zware misdrijven een gevaar vormen voor de vrede, de veiligheid en het welzijn van de wereld,
Bevestigend dat de ernstigste misdrijven die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen niet onbestraft dienen te blijven en dat een doeltreffende vervolging daarvan verzekerd dient te worden door het treffen van maatregelen op nationaal niveau en door het versterken van internationale samenwerking,
Vastbesloten een einde te maken aan de straffeloosheid van de daders van deze misdrijven en daardoor bij te dragen aan het voorkomen van dergelijke misdrijven,
In herinnering brengend dat het de plicht is van elke Staat om zijn rechtsmacht in strafzaken uit te oefenen over degenen die verantwoordelijk zijn voor internationale misdrijven,
Opnieuw bevestigend de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en meer in het bijzonder het feit dat alle Staten zich dienen te onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een Staat, of van op enige andere wijze die onverenigbaar is met de doeleinden van de Verenigde Naties,
Benadrukkend in dit verband dat niets in dit Statuut dient te worden beschouwd als een machtiging aan een Staat die Partij is om te interveniëren in een gewapend conflict of in de binnenlandse aangelegenheden van een Staat,
Vastbesloten hiertoe, alsmede in het belang van huidige en toekomstige generaties, een onafhankelijk permanent Internationaal Strafhof verbonden met het systeem van de Verenigde Naties op te richten, met rechtsmacht ten aanzien van de ernstigste misdrijven die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen,
Benadrukkend dat het krachtens dit Statuut opgerichte Internationaal Strafhof complementair zal zijn aan de nationale jurisdicties in strafzaken,
Vastbesloten een duurzame eerbiediging en handhaving van internationale gerechtigheid te waarborgen,
Zijn als volgt overeengekomen:
DEEL 1. OPRICHTING VAN HET HOF
Artikel 1. Het Hof
Een Internationaal Strafhof („het Hof”) wordt hierbij opgericht. Het is een permanente instelling met de bevoegdheid rechtsmacht uit te oefenen over personen ter zake van de meest ernstige misdrijven van internationaal belang in de zin van dit Statuut, die complementair is aan de nationale jurisdicties in strafzaken. De rechtsmacht en werkwijze van het Hof worden geregeerd door de bepalingen van dit Statuut.
Artikel 2. Relatie van het Hof met de Verenigde Naties
De relatie van het Hof met de Verenigde Naties wordt geregeld door middel van een overeenkomst die dient te worden goedgekeurd door de Vergadering van de Staten die Partij zijn bij dit Statuut, en daarna door de President van het Hof namens het Hof wordt gesloten.
Artikel 3. Zetel van het Hof
De zetel van het Hof wordt gevestigd te Den Haag, Nederland („het Gastland”).
Het Hof sluit met het Gastland een zetelovereenkomst, die dient te worden goedgekeurd door de Vergadering van de Staten die Partij zijn, en daarna door de President van het Hof in naam van het Hof wordt gesloten.
Het Hof is bevoegd elders zitting te houden wanneer het dit wenselijk acht, overeenkomstig het in dit Statuut bepaalde.
Artikel 4. Rechtspersoonlijkheid en bevoegdheden van het Hof
Het Hof bezit internationale rechtspersoonlijkheid. Tevens bezit het de handelingsbevoegdheid die benodigd is voor de uitoefening van zijn taken en de verwezenlijking van zijn doelstellingen.
Het Hof kan zijn taken en bevoegdheden uitoefenen op de wijze bepaald in dit Statuut op het grondgebied van een Staat die Partij is, alsmede, krachtens een daartoe strekkende overeenkomst, op het grondgebied van een andere Staat.
DEEL 2. RECHTSMACHT, ONTVANKELIJKHEID EN TOEPASSELIJK RECHT
Artikel 5. Misdrijven waarover het Hof rechtsmacht heeft
De rechtsmacht van het Hof is beperkt tot de meest ernstige misdrijven die de internationale gemeenschap in haar geheel aangaan. Het Hof heeft overeenkomstig het Statuut rechtsmacht ter zake van de volgende misdrijven:
- a. het misdrijf genocide;
- b. misdrijven tegen de menselijkheid;
- c. oorlogsmisdrijven;
- d. het misdrijf agressie.
Vervallen.
Artikel 6. Genocide
Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder genocide elk van de volgende handelingen gepleegd met de bedoeling een nationale, etnische of godsdienstige groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras, als zodanig geheel of gedeeltelijk te vernietigen:
- a. het doden van leden van de groep;
- b. het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;
- c. het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden gericht op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging;
- d. het opleggen van maatregelen bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;
- e. het onder dwang overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.
Artikel 7. Misdrijven tegen de menselijkheid
Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder misdrijf tegen de menselijkheid elk van de volgende handelingen, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval:
- a. moord;
- b. uitroeiing;
- c. slavernij;
- d. deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking;
- e. gevangenneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht;
- f. marteling;
- g. verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie, of enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;
- h. vervolging van een identificeerbare groep of collectiviteit op politieke gronden, omdat deze tot een bepaald ras of een bepaalde nationaliteit behoort, op etnische, culturele of godsdienstige gronden, of op grond van geslacht, zoals nader omschreven in het derde lid, of op andere gronden die universeel zijn erkend als ontoelaatbaar krachtens internationaal recht, in verband met een in dit lid bedoelde handeling of enig ander misdrijf waarover het Hof rechtsmacht heeft;
- i. gedwongen verdwijning van personen;
- j. apartheid;
- k. andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.
Voor de toepassing van het eerste lid:
- a. betekent „aanval gericht tegen een burgerbevolking” een wijze van optreden die met zich brengt het meermalen plegen van in het eerste lid bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een Staat of organisatie, dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel heeft;
- b. omvat „uitroeiing” het opzettelijk opleggen van levensvoorwaarden, onder andere de onthouding van toegang tot voedsel en geneesmiddelen, gericht op de vernietiging van een deel van een bevolking;
- c. betekent „slavernij” de uitoefening op een persoon van een of alle bevoegdheden verbonden aan het recht van eigendom, met inbegrip van de uitoefening van dergelijke bevoegdheid en bij mensenhandel, in het bijzonder handel in vrouwen en kinderen;
- d. betekent „deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking” het onder dwang verplaatsen van personen door verdrijving of andere dwangmaatregelen uit het gebied waarin zij zich rechtmatig bevinden zonder dat daartoe krachtens internationaal recht gronden zijn;
- e. betekent „marteling” het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, bij een persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt, met dien verstande dat onder marteling niet wordt verstaan pijn of lijden dat louter het gevolg is van, inherent is aan of samenhangt met rechtmatige sancties;
- f. betekent „gedwongen zwangerschap” de onrechtmatige gevangenschap van een vrouw die onder dwang zwanger is gemaakt, met de opzet de etnische samenstelling van een bevolking te beïnvloeden of andere ernstige schendingen van internationaal recht te plegen. Deze definitie mag in geen geval worden uitgelegd als een aantasting van nationale wetgeving met betrekking tot zwangerschap;
- g. betekent „vervolging” het opzettelijk en in ernstige mate ontnemen van fundamentele rechten in strijd met het internationaal recht op grond van de identiteit van de groep of collectiviteit;
- h. betekent „apartheid” onmenselijke handelingen van een vergelijkbare aard als de in het eerste lid bedoelde handelingen, gepleegd in het kader van een geïnstitutionaliseerd regime van systematische onderdrukking en overheersing door een groep van een bepaald ras van een of meer groepen van een ander ras en begaan met de opzet dat regime in stand te houden;
- i. betekent „gedwongen verdwijning van personen” het arresteren, gevangen houden of afvoeren van personen door of met de machtiging, ondersteuning of bewilliging van een Staat of politieke organisatie, gevolgd door een weigering een dergelijke vrijheidsontneming te erkennen of informatie te verstrekken over het lot of de verblijfplaats van die personen, met de opzet hen langdurig buiten de bescherming van de wet te plaatsen.
Voor de toepassing van dit Statuut verwijst het begrip geslacht naar de beide geslachten, zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht, in de context van de samenleving. Onder geslacht wordt niets anders verstaan dan hetgeen hiervoor is bepaald.
Artikel 8. Oorlogsmisdrijven
Het Hof heeft rechtsmacht ter zake van oorlogsmisdrijven in het bijzonder wanneer deze worden gepleegd als onderdeel van een plan of beleid of als onderdeel van het op grote schaal plegen van dergelijke misdrijven.
Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder oorlogsmisdrijven:
- a. ernstige inbreuken op de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, namelijk een van de volgende handelingen tegen personen of goederen die ingevolge de bepalingen van het desbetreffende Verdrag van Genève zijn beschermd:
- i. opzettelijk doden;
- ii. marteling of onmenselijke behandeling, met inbegrip van biologische experimenten;
- iii. opzettelijk veroorzaken van ernstig lijden, zwaar lichamelijk letsel of ernstige schade aan de gezondheid;
- iv. grootschalige wederrechtelijke en moedwillige vernietiging en toeëigening van goederen zonder militaire noodzaak;
- v. een krijgsgevangene of andere beschermde persoon dwingen dienst te nemen bij de strijdkrachten van een vijandige mogendheid;
- vi. een krijgsgevangene of andere beschermde persoon opzettelijk het recht op een eerlijke en rechtmatige berechting onthouden;
- vii. onrechtmatige deportatie of verplaatsing of onrechtmatige opsluiting;
- viii. gijzelneming.
- b. Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die toepasselijk zijn in een internationaal gewapend conflict binnen het gevestigde kader van het internationale recht, namelijk een van de volgende handelingen:
- i. opzettelijk aanvallen richten op de burger-bevolking als zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks aan vijandelijkheden deelnemen;
- ii. opzettelijk aanvallen richten op burgerobjecten, dat wil zeggen objecten die geen militair doel zijn;
- iii. opzettelijk aanvallen richten op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, zolang deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerobjecten wordt verleend krachtens het internationale recht inzake gewapende conflicten;
- iv. opzettelijk een aanval inzetten in de wetenschap dat een dergelijke aanval bijkomstige verliezen aan levens of letsel onder burgers zal veroorzaken of schade aan burgerobjecten of omvangrijke, langdurige en ernstige schade aan het milieu zal aanrichten, die duidelijk buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten concrete en directe algehele militaire voordeel;
- v. aanvallen of bombarderen met wat voor middelen ook van steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet worden verdedigd en geen militair doelwit zijn;
- vi. een combattant doden of verwonden die zijn wapens heeft neergelegd of zich niet meer kan verdedigen, en zich onvoorwaardelijk heeft overgegeven;
- vii. op ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag, van de vlag of militaire onderscheidingstekens en uniform van de vijand of van de Verenigde Naties, alsmede van emblemen van de Verdragen van Genève, de dood of ernstig lichamelijk letsel ten gevolge hebbende;
- viii. rechtstreekse of indirecte verplaatsing door de bezettende mogendheid van delen van haar eigen burgerbevolking naar het bezette grondgebied, of de deportatie of het verplaatsen van de gehele of een deel van de bevolking van het bezette grondgebied binnen dat grondgebied of daarbuiten;
- ix. opzettelijk aanvallen richten op gebouwen bestemd voor godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of charitatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, mits deze geen militair doelwit zijn;
- x. personen die zich in de macht van een tegenpartij bevinden, onderwerpen aan lichamelijke verminking of medische of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet worden gerechtvaardigd door de geneeskundige of tandheelkundige behandeling van de betrokken persoon of door diens behandeling in het ziekenhuis noch in zijn belang worden uitgevoerd, en die de dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen;
- xi. op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger;
- xii. verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
- xiii. vernietiging of inbeslagneming van goederen van de vijand tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende oorlogsomstandigheden;
- xiv. verklaren dat de rechten en handelingen van onderdanen van de vijandelijke partij vervallen, geschorst of in rechte niet-ontvankelijk zijn;
- xv. onderdanen van de vijandige partij dwingen deel te nemen aan oorlogshandelingen gericht tegen hun eigen land, ook als zij voor de aanvang van de oorlog in dienst van de oorlogvoerende partij waren;
- xvi. een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;
- xvii. gebruik van gif of giftige wapens;
- xviii. gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;
- xix. gebruik van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of voorzien is van inkepingen;
- xx. gebruik van wapens, projectielen en materieel en methoden van oorlogvoering die de eigenschap hebben overbodig letsel of nodeloos lijden te veroorzaken of die van zichzelf geen onderscheid maken waardoor zij in strijd zijn met het internationale recht inzake gewapende conflicten, mits dergelijke wapens, projectielen en materieel en methoden van oorlogvoering vallen onder een algeheel verbod en zijn opgenomen in een bijlage bij dit Statuut, krachtens een amendement overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de artikelen 121 en 123;
- xxi. wandaden begaan tegen de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;
- xxii. verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap zoals gedefinieerd in artikel 7, tweede lid, onder f, gedwongen sterilisatie of elke andere vorm van seksueel geweld die eveneens een ernstige inbreuk op de Verdragen van Genève oplevert;
- xxiii. gebruikmaken van de aanwezigheid van een burger of een andere beschermde persoon teneinde bepaalde punten, gebieden of strijdkrachten te vrijwaren van militaire operaties;
- xxiv. opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, alsmede personeel dat gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van Genève overeenkomstig internationaal recht;
- xxv. opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de Verdragen van Genève;
- xxvi. kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden;
- xxvii. gebruik van wapens die gebruik maken van microbiologische of andere biologische middelen, of gifstoffen, ongeacht hun herkomst of de wijze van productie;
- xxviii. gebruik van wapens met als voornaamste gevolg het veroorzaken van verwondingen door fragmenten die in het menselijk lichaam niet met röntgenstralen kunnen worden ontdekt;
- xxix. gebruik van laserwapens die speciaal zodanig zijn ontworpen dat hun enige gevechtsfunctie of een van hun gevechtsfuncties is het veroorzaken van blijvende blindheid bij onversterkt gezichtsvermogen, dat wil zeggen aan het blote oog of het oog met een corrigerende bril of lens.
- c. In geval van een gewapend conflict dat niet internationaal van aard is, ernstige schendingen van gemeenschappelijk artikel 3 van de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, namelijk een van de volgende handelingen begaan tegen personen die niet actief deelnemen aan de vijandelijkheden, waaronder leden van strijdkrachten die hun wapens hebben neergelegd en degenen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwondingen, gevangenschap of andere oorzaken:
- i. geweld tegen het leven en de persoon, in het bijzonder alle misdrijven tegen het leven gericht, verminking, wrede behandeling en marteling;
- ii. wandaden begaan tegen de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;
- iii. gijzelneming;
- iv. het uitspreken van veroordelingen en tenuitvoerleggen van executies zonder voorafgaand vonnis uitgesproken door een rechtmatig samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt die algemeen als onmisbaar worden erkend.
- d. Het tweede lid, onder c, geldt voor gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen, zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of andere handelingen van vergelijkbare aard.
- e. Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die gelden ingeval van gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn, binnen het gevestigde kader van internationaal recht, namelijk een van de volgende handelingen:
- i. opzettelijk aanvallen richten op de burgerbevolking als zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks aan vijandelijkheden deelnemen;
- ii. opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, en personeel dat gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van Genève overeenkomstig internationaal recht;
- iii. opzettelijk aanvallen richten op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, zolang deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerobjecten wordt verleend krachtens het recht inzake gewapende conflicten;
- iv. opzettelijk aanvallen richten op gebouwen bestemd voor godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of charitatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, mits deze geen militair doelwit zijn;
- v. een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;
- vi. verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap zoals gedefinieerd in artikel 7, tweede lid, onder f, gedwongen sterilisatie of elke andere vorm van seksueel geweld die eveneens een ernstige schending zijn van gemeenschappelijk artikel 3 van de vier Verdragen van Genève;
- vii. kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden;
- viii. verplaatsing bevelen van de burgerbevolking om redenen die verband houden met het conflict, tenzij de veiligheid van de betrokken burgers of dwingende militaire redenen dit vereisen;
- ix. op verraderlijke wijze doden of verwonden van een strijdende tegenstander;
- x. verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
- xi. personen die zich in de macht van een andere partij bij het conflict bevinden onderwerpen aan lichamelijke verminking of aan geneeskundige of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet gerechtvaardigd worden door de geneeskundige of tandheelkundige behandeling van de betrokken persoon of door diens behandeling in het ziekenhuis, noch in zijn belang worden uitgevoerd, en die de dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen;
- xii. vernietiging of inbeslagneming van goederen van een tegenstander tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van de dwingende omstandigheden van het conflict;
- xiii. gebruik van gif of giftige wapens;
- xiv. gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en alle soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;
- xv. gebruik van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of voorzien is van inkepingen;
- xvi. gebruik van wapens die gebruik maken van microbiologische of andere biologische middelen, of gifstoffen, ongeacht hun herkomst of de wijze van productie;
- xvii. gebruik van wapens met als voornaamste gevolg het veroorzaken van verwondingen door fragmenten die in het menselijk lichaam niet met röntgenstralen kunnen worden ontdekt;
- xviii. gebruik van laserwapens die speciaal zodanig zijn ontworpen dat hun enige gevechtsfunctie of een van hun gevechtsfuncties is het veroorzaken van blijvende blindheid bij onversterkt gezichtsvermogen, dat wil zeggen aan het blote oog of het oog met een corrigerende bril of lens;
- xix. opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogsvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen.
- f. Het tweede lid, onder e, geldt voor gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of andere handelingen van vergelijkbare aard. Het geldt voor gewapende conflicten die plaatsvinden op het grondgebied van een Staat in het geval van een langdurig gewapend conflict tussen overheidsautoriteiten en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen onderling.
Het tweede lid, onder c en e, laat onverlet de verantwoordelijkheid van een regering om de openbare orde in de Staat te handhaven of te herstellen of om de eenheid en territoriale integriteit van de Staat met alle legitieme middelen te verdedigen.
Artikel 9. Elementen van Misdrijven
Elementen van misdrijven helpen het Hof bij de interpretatie en toepassing van de artikelen 6, 7, 8 en 8 bis. Zij worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van de Staten die Partij zijn.
Wijzigingen in de elementen van misdrijven kunnen worden voorgesteld door:
- a. een Staat die Partij is;
- b. de rechters optredende bij absolute meerderheid;
- c. de Aanklager.
Deze wijzigingen worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van de Staten die Partij zijn.
De elementen van misdrijven en wijzigingen daarop dienen in overeenstemming te zijn met dit Statuut.
Artikel 10
Niets in dit deel wordt zodanig uitgelegd dat daarmee, op welke wijze dan ook, een beperking zou worden aangebracht in of inbreuk zou worden gemaakt op bestaande of in ontwikkeling zijnde regels van internationaal recht, anders dan voor de doeleinden van dit Statuut.
Artikel 11. Rechtsmacht ratione temporis
Het Hof bezit alleen rechtsmacht met betrekking tot misdrijven die zijn begaan na inwerkingtreding van dit Statuut.
Indien een Staat Partij wordt bij dit Statuut na de inwerkingtreding daarvan, is het Hof slechts bevoegd zijn rechtsmacht uit te oefenen met betrekking tot misdrijven die zijn begaan na de inwerkingtreding van dit Statuut voor die Staat, tenzij die Staat een verklaring ingevolge artikel 12, derde lid, heeft afgelegd.
Artikel 12. Voorwaarden voor de uitoefening van rechtsmacht
Een Staat die Partij wordt bij dit Statuut aanvaardt daardoor de rechtsmacht van het Hof met betrekking tot de misdrijven bedoeld in artikel 5.
In het geval bedoeld in artikel 13, onder a of c, is het Hof bevoegd zijn rechtsmacht uit te oefenen indien een of meer van de volgende Staten partij zijn bij dit Statuut of de rechtsmacht van het Hof hebben aanvaard overeenkomstig het derde lid:
- a. de Staat op wiens grondgebied de desbetreffende gedragingen plaatsvonden of, indien het misdrijf werd begaan aan boord van een schip of luchtvaartuig, de Staat van registratie van dat schip of luchtvaartuig;
- b. de Staat waarvan de persoon die van het misdrijf wordt beschuldigd onderdaan is.
Indien de aanvaarding door een Staat die geen partij is bij dit Statuut is vereist ingevolge het tweede lid, kan die Staat, door middel van een verklaring die bij de Griffier wordt neergelegd, de uitoefening van rechtsmacht door het Hof aanvaarden met betrekking tot het desbetreffende misdrijf. De Staat die de uitoefening van rechtsmacht aanvaardt werkt zonder vertraging of uitzondering samen met het Hof overeenkomstig Deel 9.
Artikel 13. Uitoefening van rechtsmacht
Het Hof is bevoegd zijn rechtsmacht uit te oefenen met betrekking tot een misdrijf bedoeld in artikel 5 overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut, indien:
- a. een situatie waarin een of meer van deze misdrijven lijken te zijn begaan, overeenkomstig artikel 14 bij de Aanklager wordt aangegeven door een Staat die Partij is;
- b. een situatie waarin een of meer van deze misdrijven lijken te zijn begaan, bij de Aanklager wordt aangegeven door de Veiligheidsraad, handelend krachtens Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties; of
- c. de Aanklager een onderzoek heeft geopend met betrekking tot dit misdrijf overeenkomstig artikel 15.
Artikel 14. Aangiften van een situatie door een Staat die Partij is
Een Staat die Partij is kan een situatie waarin een of meer misdrijven lijken te zijn begaan waarover het Hof rechtsmacht heeft aangeven bij de Aanklager waarbij de Aanklager wordt verzocht de situatie te onderzoeken teneinde vast te stellen of een of meer specifieke personen in staat van beschuldiging dienen te worden gesteld wegens het begaan van deze misdrijven.
Voorzover mogelijk worden bij de aangifte de relevante omstandigheden vermeld, vergezeld van alle ondersteunende documenten die ter beschikking staan van de Staat die de aangifte doet.
Artikel 15. De Aanklager
De Aanklager is bevoegd eigener beweging een onderzoek te openen op grond van informatie over misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit.
De Aanklager onderzoekt de ernst van de ontvangen informatie. Hiertoe is hij bevoegd aanvullende informatie te verzoeken van Staten, organen van de Verenigde Naties, intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties, of van andere betrouwbare bronnen die daarvoor naar zijn mening in aanmerking komen, en is hij bevoegd schriftelijke of mondelinge getuigenverklaringen in ontvangst te nemen op de zetel van het Hof.
Indien de Aanklager concludeert dat er een redelijke basis is om tot een onderzoek over te gaan, dient hij een verzoek in bij de Kamer van vooronderzoek voor een machtiging daartoe, onder overlegging van het vergaarde ondersteunende materiaal. Slachtoffers kunnen hun visie kenbaar maken bij de Kamer van vooronderzoek overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.
Indien de Kamer van vooronderzoek, na kennisneming van het verzoek en het ondersteunende materiaal, van oordeel is dat er een redelijke basis is om over te gaan tot een onderzoek en dat de zaak naar het zich laat aanzien binnen de rechtsmacht van het Hof valt, verleent de Kamer van vooronderzoek machtiging voor de opening van het onderzoek, ongeacht latere beslissingen van het Hof met betrekking tot de rechtsmacht en de ontvankelijkheid van een zaak.
De weigering door de Kamer van vooronderzoek om machtiging te verlenen voor een onderzoek vormt geen beletsel voor de indiening door de Aanklager van een later verzoek dat gebaseerd is op nieuwe feiten of bewijs met betrekking tot dezelfde situatie.
Indien de Aanklager na het voorbereidend onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid concludeert dat de verstrekte informatie geen redelijke basis voor een onderzoek oplevert, stelt hij degenen die de informatie hebben verstrekt daarvan in kennis. Dit belet de Aanklager niet nadere informatie die aan hem wordt overgelegd met betrekking tot dezelfde situatie in het licht van nieuwe feiten of bewijs in overweging te nemen.
Artikel 16. Opschorting van onderzoek of vervolging
Geen onderzoek of vervolging kan worden aangevangen of voortgezet krachtens dit Statuut gedurende een periode van 12 maanden nadat de Veiligheidsraad bij resolutie die krachtens Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties is aangenomen, een verzoek daartoe tot het Hof heeft gericht; het verzoek kan door de Raad worden hernieuwd onder dezelfde voorwaarden.
Artikel 17. Vragen met betrekking tot ontvankelijkheid
Gelet op het tiende lid van de Preambule en artikel 1 besluit het Hof tot niet-ontvankelijkheid van een zaak indien:
- a. in de zaak onderzoek of vervolging plaatsvindt door een Staat die ter zake rechtsmacht heeft, tenzij de Staat niet bereid of niet bij machte is het onderzoek of de vervolging daadwerkelijk uit te voeren;
- b. in de zaak een onderzoek is verricht door een Staat die ter zake rechtsmacht heeft en de Staat besloten heeft de betrokken persoon niet te vervolgen, tenzij het besluit het gevolg was van het niet bereid of niet bij machte zijn van de Staat de vervolging daadwerkelijk uit te voeren;
- c. de betrokken persoon reeds terecht heeft gestaan voor gedragingen waarop de klacht betrekking heeft, en terechtstaan voor het Hof niet is toegestaan ingevolge artikel 20, derde lid;
- d. de zaak niet voldoende ernstig is om verdere stappen van het Hof te rechtvaardigen.
Bij de vaststelling of sprake is van het ontbreken van bereidheid in een bepaalde zaak beoordeelt het Hof, met inachtneming van de in het internationale recht erkende beginselen van een behoorlijke rechtsgang, of een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen:
- a. tot de procedure werd of wordt overgegaan of het nationale besluit werd genomen teneinde de betrokken persoon af te schermen tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid voor misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit als bedoeld in artikel 5;
- b. er is sprake van ongerechtvaardigde vertraging in de procedure die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar is met het voornemen de betrokken persoon terecht te doen staan;
- c. de procedure werd of wordt niet gevoerd op een onafhankelijke of onpartijdige wijze en vond of vindt plaats op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar is met het voornemen om de betrokken persoon terecht te doen staan.
Bij de bepaling of in een afzonderlijk geval sprake is van onmacht, gaat het Hof na of de Staat vanwege een algehele of substantiële ineenstorting of niet-beschikbaarheid van zijn nationale rechterlijke organisatie, niet bij machte is de verdachte of het noodzakelijke bewijs en de noodzakelijke getuigenverklaringen in handen te krijgen of anderszins niet bij machte is tot het voeren van zijn procedure.
Artikel 18. Voorafgaande beslissingen met betrekking tot ontvankelijkheid
Wanneer aangifte is gedaan van een situatie bij het Hof ingevolge artikel 13, onder a, en de Aanklager heeft bepaald dat er een redelijke basis is om een onderzoek te openen, of de Aanklager opent een onderzoek ingevolge artikel 13, onder c, en artikel 15, stelt de Aanklager alle Staten die Partij zijn hiervan in kennis, alsmede die Staten die, de beschikbare informatie in aanmerking nemende, normaliter rechtsmacht zouden uitoefenen ter zake van de betrokken misdrijven. De Aanklager is bevoegd de kennisgeving op vertrouwelijke basis aan deze Staten te verstrekken en de omvang van de aan Staten te verstrekken informatie te beperken als de Aanklager dit noodzakelijk acht ter bescherming van personen, of teneinde vernietiging van bewijsmateriaal te voorkomen of personen het vluchten te beletten.
Binnen een maand na ontvangst van die kennisgeving kan een Staat het Hof meedelen dat hij een onderzoek instelt of heeft ingesteld met betrekking tot zijn onderdanen of anderen waarover hij rechtsmacht bezit inzake strafbare handelingen die misdrijven kunnen opleveren als bedoeld in artikel 5 en betrekking hebben op de informatie die is verstrekt in de aan Staten gerichte kennisgeving. Op verzoek van die Staat besluit de Aanklager tot opschorting ten gunste van het onderzoek van de Staat naar die personen, tenzij de Kamer van vooronderzoek op verzoek van de Aanklager besluit tot machtiging voor het onderzoek.
De opschorting door de Aanklager ten behoeve van het onderzoek van een Staat staat open voor herziening zes maanden na de datum van de opschorting of telkens wanneer er sprake is van een belangrijke verandering in de omstandigheden gegrond op het niet bereid of bij machte zijn van de Staat om het onderzoek daadwerkelijk uit te voeren.
De betrokken Staat of de Aanklager is bevoegd tegen een beslissing van de Kamer van vooronderzoek in beroep te gaan bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 82. Het beroep kan in een verkorte procedure worden behandeld.
Wanneer de Aanklager tot opschorting heeft besloten ten behoeve van een onderzoek overeenkomstig het tweede lid, is de Aanklager bevoegd de betrokken Staat te verzoeken hem periodiek te informeren over de vooruitgang van zijn onderzoek en de daaropvolgende vervolging. Staten die Partij zijn dienen onverwijld aan deze verzoeken te voldoen.
Hangende een beslissing van de Kamer van vooronderzoek of telkens wanneer de Aanklager ingevolge dit artikel tot opschorting heeft besloten ten behoeve van een onderzoek, is de Aanklager bevoegd, bij wijze van uitzondering, de Kamer van vooronderzoek om machtiging te verzoeken tot het verrichten van noodzakelijke onderzoekshandelingen teneinde bewijsmateriaal veilig te stellen, wanneer zich een eenmalige gelegenheid voordoet om belangrijk bewijsmateriaal te verkrijgen of wanneer een aanzienlijk risico bestaat dat dergelijk bewijs nadien niet meer beschikbaar is.
Een Staat die een beslissing van de Kamer van vooronderzoek ingevolge dit artikel heeft aangevochten, is bevoegd de ontvankelijkheid van een zaak ingevolge artikel 19 te betwisten op grond van aanvullende relevante feiten of een wezenlijke wijziging in de omstandigheden.
Artikel 19. Betwisting van de rechtsmacht van het Hof of de ontvankelijkheid van een zaak
Het Hof overtuigt zich ervan dat het rechtsmacht bezit over elke zaak die bij hem is aangebracht. Het Hof is ambtshalve bevoegd de ontvankelijkheid van een zaak overeenkomstig artikel 17 vast te stellen.
De ontvankelijkheid van een zaak op de gronden bedoeld in artikel 17 of de rechtsmacht van het Hof kunnen worden betwist door:
- a. een verdachte of een persoon tegen wie een bevel tot aanhouding of een oproep tot verschijnen is uitgevaardigd ingevolge artikel 58;
- b. een Staat die rechtsmacht bezit over een zaak op grond van het feit dat hij in de zaak een onderzoek verricht of heeft verricht of vervolging instelt of heeft ingesteld; of
- c. een Staat wiens aanvaarding van rechtsmacht is vereist ingevolge artikel 12.
De Aanklager is bevoegd het Hof te verzoeken om een beslissing met betrekking tot een vraag over rechtsmacht of ontvankelijkheid. In procedures die betrekking hebben op rechtsmacht of ontvankelijkheid kunnen zowel zij die aangifte hebben gedaan van de situatie ingevolge artikel 13, als slachtoffers hun opvattingen aan het Hof kenbaar maken.
De ontvankelijkheid van een zaak of de rechtsmacht van het Hof kan slechts eenmaal worden betwist door een persoon of Staat als bedoeld in het tweede lid. De betwisting dient te geschieden voor of bij de aanvang van de terechtzitting. In uitzonderlijke omstandigheden is het Hof bevoegd toestemming te verlenen tot het meerdere malen naar voren brengen van de betwisting of betwisting toestaan op een later tijdstip dan bij de aanvang van de terechtzitting. Betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak bij de aanvang van een terechtzitting of op een later tijdstip met toestemming van het Hof mag alleen worden gebaseerd op artikel 17, eerste lid, onder c.
Een Staat als bedoeld in het tweede lid, onder b en c, maakt zijn bezwaren in een zo vroeg mogelijk stadium kenbaar.
Voorafgaand aan de bevestiging van de tenlastelegging dient elke betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak of van de rechtsmacht van het Hof te worden verwezen naar de Kamer van vooronderzoek. Na bevestiging van de tenlastelegging wordt de betwisting verwezen naar de Kamer van berechting. Tegen besluiten met betrekking tot rechtsmacht of ontvankelijkheid kan in beroep worden gegaan bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 82.
Indien een betwisting plaatsvindt door een Staat bedoeld in het tweede lid, onder b of c, schort de Aanklager het onderzoek op totdat het Hof een beslissing neemt overeenkomstig artikel 17.
Hangende een beslissing van het Hof is de Aanklager bevoegd het Hof te verzoeken hem machtiging te verlenen:
- a. de noodzakelijke onderzoekshandelingen te verrichten van het soort bedoeld in artikel 18, zesde lid;
- b. een verklaring of getuigenis van een getuige op te nemen of het vergaren en onderzoeken van bewijs te voltooien dat was aangevangen voordat een betwisting plaatsvond; en
- c. in samenwerking met de betrokken Staten, personen ten aanzien van wie de Aanklager reeds om een bevel tot aanhouding ingevolge artikel 58 heeft verzocht, het vluchten te beletten.
De betwisting doet geen afbreuk aan de geldigheid van een handeling verricht door de Aanklager of aan een opdracht of bevel gegeven door het Hof voordat de betwisting plaatsvond.
Indien het Hof heeft besloten dat een zaak niet-ontvankelijk is ingevolge artikel 17, is de Aanklager bevoegd een verzoek in te dienen tot herziening van het besluit wanneer hij volledig overtuigd is van het feit dat nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de grondslag ontkrachten waarop voordien de zaak niet ontvankelijk was bevonden ingevolge artikel 17.
Indien de Aanklager, gelet op het bedoelde in artikel 17, een onderzoek opschort, heeft de Aanklager het recht de betrokken Staat te verzoeken informatie over de procedure te verschaffen aan de Aanklager. Die informatie wordt op verzoek van de betrokken Staat vertrouwelijk behandeld. Indien de Aanklager daarna besluit een onderzoek voort te zetten, stelt hij de Staat daarvan in kennis ten gunste van wiens procedure hij zijn onderzoek heeft opgeschort.
Artikel 20. Ne bis in idem
Behoudens hetgeen in dit Statuut is bepaald, staat niemand voor het Hof terecht ter zake van gedragingen die de grondslag vormden van misdrijven waarvoor de betrokkene door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.
Niemand staat terecht voor een ander gerecht ter zake van een misdrijf bedoeld in artikel 5 waarvoor de betrokkene reeds door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.
Niemand die voor een ander gerecht heeft terechtgestaan ter zake van gedragingen die ook ingevolge de artikelen 6, 7, 8 of 8 bis verboden zijn, staat voor het Hof terecht voor dezelfde gedragingen, tenzij de procedure bij het andere gerecht:
- a. diende ter afscherming van de betrokkene tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit; of
- b. anderszins niet op onafhankelijke of onpartijdige wijze verliep overeenkomstig de in het internationale recht erkende normen voor een behoorlijke rechtsgang en plaatsvond op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar was met het voornemen om de betrokkene terecht te doen staan.
Artikel 21. Toepasselijk recht
Het Hof past toe:
- a. in de eerste plaats, dit Statuut, de Elementen van misdrijven en zijn Reglement van proces- en bewijsvoering;
- b. in de tweede plaats, indien van toepassing, toepasselijke verdragen en de beginselen en regels van internationaal recht, waaronder de gevestigde beginselen van het internationaal recht inzake gewapende conflicten;
- c. bij gebreke daarvan, algemene rechtsbeginselen die door het Hof worden ontleend aan de nationale wetten van rechtsstelsels van de wereld, waaronder, indien van toepassing, nationale wetten van Staten die normaliter rechtsmacht zouden uitoefenen ter zake van het misdrijf, mits die beginselen niet onverenigbaar zijn met dit Statuut en met internationaal recht en internationaal erkende normen en maatstaven.
Het Hof is bevoegd beginselen en rechtsregels toe te passen overeenkomstig de interpretatie die het in zijn voorgaande beslissingen daaraan gaf.
De toepassing en interpretatie van het recht ingevolge dit artikel dient verenigbaar te zijn met internationaal erkende mensenrechten, waarbij geen nadelig onderscheid mag worden gemaakt op zulke gronden als geslacht, zoals gedefinieerd in artikel 7, derde lid, leeftijd, ras, huidskleur, taal, godsdienst of geloof, politieke of andere opvatting, nationale, etnische of maatschappelijke oorsprong, bezit, geboorte of andere status.
DEEL 3. ALGEMENE BEGINSELEN VAN STRAFRECHT
Artikel 22. Nullum crimen sine lege
Niemand zal krachtens dit Statuut strafrechtelijk aansprakelijk zijn tenzij het desbetreffende feit op het tijdstip waarop het plaatsvindt een misdrijf oplevert waarover het Hof rechtsmacht bezit.
De definitie van een misdrijf wordt strikt geïnterpreteerd en niet verruimd naar analogie. In geval van dubbelzinnigheid wordt de definitie uitgelegd in het voordeel van de persoon ten aanzien van wie een onderzoek plaatsvindt of die vervolgd of veroordeeld wordt.
Dit artikel laat onverlet de aanmerking van feiten als strafbaar naar internationaal recht los van dit Statuut.
Artikel 23. Nulla poena sine lege
Een door het Hof veroordeelde persoon kan uitsluitend worden gestraft overeenkomstig dit Statuut.
Artikel 24. Geen terugwerkende kracht ratione personae
Niemand is strafrechtelijk aansprakelijk krachtens dit Statuut ter zake van een feit dat plaatsvond voor de inwerkingtreding van het Statuut.
Ingeval van een wijziging van het op een bepaalde zaak toepasselijke recht voordat een definitieve uitspraak wordt gewezen, wordt het voor de aan een onderzoek onderworpen, vervolgde of veroordeelde persoon gunstigste recht toegepast.
Artikel 25. Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid
Het Hof bezit krachtens dit Statuut rechtsmacht over natuurlijke personen.
Een persoon die een misdrijf begaat waarover het Hof rechtsmacht bezit is persoonlijk aansprakelijk en strafbaar overeenkomstig dit Statuut.
Overeenkomstig dit Statuut is een persoon strafrechtelijk aansprakelijk en strafbaar voor een misdrijf waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien die persoon:
- a. een dergelijk misdrijf begaat als individu, gezamenlijk met, of door middel van een andere persoon, ongeacht of die andere persoon strafrechtelijk aansprakelijk is;
- b. opdracht geeft tot, verzoekt om of beweegt tot het begaan van een dergelijk misdrijf dat feitelijk plaatsvindt of waartoe een poging wordt gedaan;
- c. teneinde het begaan van een dergelijk misdrijf te vergemakkelijken, hulp biedt, medewerking verleent of anderszins bijstand biedt bij het begaan daarvan of een poging tot het begaan, met inbegrip van het verschaffen van de middelen tot het begaan;
- d. op andere wijze meewerkt aan het begaan of een poging tot het begaan van een dergelijk misdrijf door een groep personen die handelt met een gemeenschappelijk doel. Deze medewerking dient opzettelijk te zijn en dient:
- i. te worden verleend met het doel de criminele activiteit of het criminele doel van de groep te bevorderen, terwijl een dergelijke activiteit of doel het begaan van een misdrijf betekent waarover het Hof rechtsmacht bezit; of
- ii. te worden verleend met kennis van de bedoeling van de groep om het misdrijf te begaan;
- e. met betrekking tot het misdrijf genocide, rechtstreeks en openlijk anderen aanzet tot het plegen van genocide;
- f. een poging doet een dergelijk misdrijf te begaan door stappen te nemen waardoor de uitvoering van het misdrijf wezenlijk in gang wordt gezet, maar het misdrijf niet wordt voltrokken ten gevolge van omstandigheden die onafhankelijk zijn van de bedoelingen van de persoon. Een persoon die echter de poging tot het begaan van het misdrijf staakt of anderszins de voltrekking van het misdrijf verhindert, is niet strafbaar krachtens dit Statuut ter zake van de poging tot het begaan van dat misdrijf, indien die persoon volledig en vrijwillig van het misdadig doel heeft afgezien.
bis. Met betrekking tot het misdrijf agressie zijn de bepalingen van dit artikel uitsluitend van toepassing op personen die in de positie verkeren daadwerkelijk controle uit te oefenen over of leiding te geven aan het politieke of militaire optreden van een Staat.
Geen van de bepalingen van dit Statuut met betrekking tot individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid is van invloed op de aansprakelijkheid van Staten krachtens internationaal recht.
Artikel 26. Uitsluiting van rechtsmacht over personen beneden de achttien jaar
Het Hof bezit geen rechtsmacht over een persoon wiens leeftijd lager was dan achttien jaar ten tijde van het vermeende begaan van een misdrijf.
Artikel 27. Irrelevantie van officiële hoedanigheid
Dit Statuut geldt gelijkelijk ten aanzien van een ieder zonder enig onderscheid op grond van de officiële hoedanigheid. In het bijzonder ontheft de officiële hoedanigheid als staatshoofd of regeringsleider, lid van een regering of parlement, gekozen vertegenwoordiger of ambtenaar een persoon nimmer van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut en evenmin vormt dit op zichzelf en zonder meer een grond voor strafvermindering.
Immuniteit of bijzondere procedurele regels die mogelijk verbonden zijn aan de officiële hoedanigheid van een persoon, krachtens nationaal of internationaal recht, vormen voor het Hof geen beletsel voor het uitoefenen van zijn rechtsmacht over deze persoon.
Artikel 28. Aansprakelijkheid van bevelhebbers en andere meerderen
In aanvulling op andere gronden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut voor misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit:
- a. is een militair bevelhebber of persoon die daadwerkelijk als militair bevelhebber optreedt, strafrechtelijk aansprakelijk voor misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit, wanneer die zijn begaan door strijdkrachten onder zijn daadwerkelijk bevel en leiding of, afhankelijk van de omstandigheden, onder zijn daadwerkelijke gezag en leiding, als gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding te geven aan die strijdkrachten, indien:
- i. die militaire bevelhebber of persoon kennis had van het feit dat de strijdkrachten deze misdrijven begingen of op het punt stonden deze te begaan, dan wel wegens de omstandigheden op dat moment kennis daarvan had dienen te hebben; en
- ii. die militaire bevelhebber of persoon naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen zijn macht lagen om het begaan daarvan te verhinderen of te beperken of de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en vervolging.
- b. is een meerdere voor wat betreft de verhouding tussen een meerdere en andere dan onder a bedoelde ondergeschikten, strafrechtelijk aansprakelijk voor misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien deze zijn begaan door ondergeschikten die onder zijn daadwerkelijk gezag en leiding stonden, als gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding te geven aan deze ondergeschikten, indien:
- i. de meerdere kennis had van, dan wel bewust geen acht geslagen heeft op informatie die duidelijk aangaf dat de ondergeschikten deze misdrijven begingen of op het punt stonden deze te begaan;
- ii. de misdrijven activiteiten betroffen binnen het bereik van de daadwerkelijke aansprakelijkheid en leiding van de meerdere; en
- iii. de meerdere naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen zijn macht lagen om het begaan van de misdrijven te verhinderen of te beperken of de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en vervolging.
Artikel 29. Niet-toepasselijkheid van verjaring
Misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit verjaren niet.
Artikel 30. Element van de geestesgesteldheid
Tenzij anders bepaald is een persoon alleen strafrechtelijk aansprakelijk en strafbaar ter zake van een misdrijf waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien de materiële bestanddelen begaan zijn met opzet en wetenschap.
Voor de toepassing van dit artikel handelt een persoon met opzet indien:
- a. die persoon met betrekking tot gedragingen, de bedoeling heeft tot de gedragingen over te gaan;
- b. die persoon met betrekking tot een gevolg, de bedoeling heeft dat gevolg teweeg te brengen of zich ervan bewust is dat het gevolg zich bij een normale gang van zaken zal voordoen.
Voor de toepassing van dit artikel betekent „wetenschap" het zich ervan bewust zijn dat een omstandigheid bestaat of dat een gevolg zich bij een normale gang van zaken zal voordoen. „Wetenschap hebben" en „welbewust" worden dienovereenkomstig uitgelegd.
Artikel 31. Strafuitsluitingsgronden
Naast de overige in dit Statuut opgenomen strafuitsluitingsgronden is een persoon niet strafrechtelijk aansprakelijk indien, ten tijde van de gedragingen van die persoon:
- a. de persoon lijdt aan een geestesziekte of een geestelijke stoornis die die persoon het vermogen de wederrechtelijkheid of aard van zijn gedragingen te beseffen, of het vermogen zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke vereisten na te leven, ontneemt;
- b. de persoon zich in een staat van intoxicatie bevindt, die het vermogen van die persoon om de wederrechtelijkheid of de aard van zijn gedragingen te beseffen, of het vermogen zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke vereisten na te leven, vernietigt, tenzij de persoon vrijwillig in een staat van intoxicatie is geraakt onder zodanige omstandigheden dat de persoon kennis had van of geen acht sloeg op het risico dat hij, als gevolg van de intoxicatie, waarschijnlijk zou overgaan tot gedragingen die een misdrijf vormen waarover het Hof rechtsmacht bezit;
- c. de persoon redelijk handelt ter verdediging van zichzelf of van een andere persoon, of, bij oorlogsmisdrijven, van goederen die van essentieel belang zijn voor het overleven van de persoon of van een andere persoon of voor de instandhouding van goederen die van essentieel belang zijn voor het volbrengen van een militaire missie, tegen een dreigend en wederrechtelijk gebruik van geweld op een wijze die evenredig is aan de mate van gevaar voor de persoon of de andere persoon of de beschermde goederen. Het feit dat de persoon betrokken was bij een door strijdkrachten uitgevoerde defensieve operatie vormt op zichzelf geen strafuitsluitingsgrond ingevolge deze paragraaf;
- d. het feit waarvan gesteld wordt dat het een misdrijf vormt waarover het Hof rechtsmacht bezit, voortgevloeid is uit dwang als gevolg van een onmiddellijke doodsdreiging voor de persoon of een andere persoon of een dreiging van voortdurend of dreigend ernstig lichamelijk letsel, en de persoon noodzakelijkerwijs en redelijk handelt teneinde deze dreiging af te wenden, mits de persoon niet de bedoeling heeft groter letsel toe te brengen dan het letsel wat hij tracht te voorkomen. Een dergelijke dreiging kan:
- i. worden veroorzaakt door andere personen; of
- ii. worden gevormd door andere omstandigheden waarop die persoon geen invloed kan uitoefenen.
Het Hof stelt de toepasselijkheid vast van de in dit Statuut bepaalde strafuitsluitingsgronden in de voorliggende zaak.
Ter terechtzitting is het Hof bevoegd een andere strafuitsluitingsgrond te overwegen dan de in het eerste lid vermelde gronden, wanneer deze grond is ontleend aan het in artikel 21 beschreven toepasselijke recht. De procedure voor de overweging of een dergelijke grond bestaat wordt geregeld in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
Artikel 32. Dwaling ten aanzien van de feiten of dwaling ten aanzien van het recht
Dwaling ten aanzien van de feiten is slechts een strafuitsluitingsgrond, indien daardoor het bestanddeel van de geestesgesteldheid wordt tenietgedaan dat voor het misdrijf is vereist.
Dwaling ten aanzien van het recht bij de vraag of een bepaalde vorm van gedragingen een misdrijf is waarover het Hof rechtsmacht bezit, is geen strafuitsluitingsgrond. Dwaling ten aanzien van het recht kan echter een strafuitsluitingsgrond zijn, indien daardoor het bestanddeel van de geestesgesteldheid wordt tenietgedaan dat voor dit misdrijf is vereist, of als bepaald in artikel 33.
Artikel 33. Bevelen van meerderen en wettelijk voorschrift
Het feit dat een misdrijf waarover het Hof rechtsmacht heeft door een persoon is gepleegd krachtens een bevel van een regering of van een meerdere, militair of burger, ontheft die persoon niet van strafrechtelijke aansprakelijkheid, tenzij:
- a. de persoon wettelijk verplicht was bevelen van de desbetreffende regering of meerdere op te volgen;
- b. de persoon geen kennis had van het feit dat het bevel onwettig was; en
- c. het bevel niet onmiskenbaar onwettig was.
Voor de toepassing van dit artikel zijn bevelen om genocide of misdrijven tegen de menselijkheid te plegen onmiskenbaar onwettig.
DEEL 4. SAMENSTELLING EN DAGELIJKS BESTUUR VAN HET HOF
Artikel 34. Organen van het Hof
Het Hof bestaat uit de volgende organen:
- a. Het Presidium;
- b. Een Afdeling Beroep, een Afdeling Berechting en een Afdeling Vooronderzoek;
- c. Het Parket van de Aanklager;
- d. De Griffie.
Artikel 35. Aanstelling van rechters
Alle rechters worden gekozen als full-time-leden van het Hof en zijn beschikbaar om op die basis werkzaam te zijn vanaf de aanvang van hun ambtstermijn.
De rechters die deel uitmaken van het Presidium zijn op full-time-basis werkzaam zodra zij zijn gekozen.
Het Presidium is bevoegd, afhankelijk van de werklast van het Hof en in overleg met zijn leden, periodiek te beslissen in hoeverre nodig is dat de overige rechters op full-time-basis werkzaam zijn. Een dergelijke regeling doet geen afbreuk aan het in artikel 40 bepaalde.
De financiële regelingen voor niet op full-time-basis werkzame rechters worden overeenkomstig artikel 49 getroffen.
Artikel 36. Kwalificaties, voordracht en verkiezing van rechters
Onverminderd het in het tweede lid bepaalde bestaat het Hof uit 18 rechters.
- a. Het Presidium, optredend namens het Hof, is bevoegd voor te stellen het in het eerste lid vermelde aantal rechters te verhogen onder opgave van redenen waarom dit noodzakelijk en passend wordt geacht. De Griffier doet alle Staten die Partij zijn een dergelijk voorstel onverwijld toekomen.
- b. Beraad over een dergelijk voorstel vindt plaats in een overeenkomstig artikel 112 bijeen te roepen bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn. Het voorstel wordt geacht te zijn aanvaard indien het wordt goedgekeurd in de vergadering bij een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn; het wordt van kracht op de door de Vergadering van Staten die Partij zijn vastgestelde datum.
- c.
- i. Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters eenmaal is aanvaard ingevolge het onder b bepaalde, vindt verkiezing van de nader toe te voegen rechters plaats in de eerstvolgende bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn overeenkomstig het derde tot en met het achtste lid, en artikel 37, tweede lid;
- ii. Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters eenmaal is aanvaard en wordt uitgevoerd ingevolge het onder b en c, onderdeel ii., bepaalde, staat het het Presidium daarna te allen tijde vrij, indien de werklast van het Hof dit rechtvaardigt, een vermindering van het aantal rechters voor te stellen, mits het aantal rechters niet minder wordt dan het in het eerste lid vermelde aantal. Het voorstel wordt behandeld overeenkomstig de procedure vermeld onder a en b. Indien het voorstel wordt aanvaard, wordt het aantal rechters geleidelijk verminderd naar gelang de ambtstermijn van de zittende rechters afloopt, totdat het vereiste aantal is bereikt.
- a. De rechters worden gekozen uit personen van hoog zedelijk aanzien, die onpartijdig en integer zijn en de in hun respectieve Staten vereiste kwalificaties hebben voor benoeming tot de hoogste functies bij de rechterlijke macht.
- b. Elke kandidaat voor verkiezing in het Hof:
- i. bezit gebleken bekwaamheid in het strafrecht en strafprocesrecht en de vereiste relevante ervaring in strafzaken als rechter, aanklager, advocaat, of in een andere, vergelijkbare hoedanigheid; of
- ii. bezit gebleken bekwaamheid op relevante gebieden van internationaal recht zoals internationaal humanitair recht en mensenrechten en een ruime professionele ervaring op juridisch gebied, relevant voor het werk van de rechters van het Hof;
- c. voor verkiezing in het Hof dient een kandidaat een uitstekende kennis te bezitten van ten minste een van de werktalen van het Hof en deze taal vloeiend te spreken.
- a. Alle Staten die Partij zijn bij dit Statuut kunnen kandidaten voorstellen voor verkiezing in het Hof: Voordrachten gaan vergezeld van een opgave waarin zo gedetailleerd als nodig wordt aangegeven op welke wijze de kandidaat voldoet aan de vereisten van het derde lid.
- i. door middel van de procedure voor voordracht van kandidaten voor benoeming tot de hoogste functies bij de rechterlijke macht in de betrokken Staat; of
- ii. door middel van de procedure die voor voordracht van kandidaten voor het Internationale Hof van Justitie is voorzien in het Statuut van dat Hof.
- b. Voor elke verkiezing kan elke Staat die Partij is één kandidaat voordragen, die niet noodzakelijkerwijs onderdaan van die Staat hoeft te zijn, maar wel onderdaan is van een Staat die Partij is.
- c. Waar nodig kan de vergadering van Staten die Partij zijn besluiten tot instelling van een Voordrachtsadviescommissie. Alsdan worden de samenstelling en het mandaat van de commissie vastgesteld door de Vergadering van Staten die Partij zijn.
Ten behoeve van de verkiezing worden twee lijsten met kandidaten opgesteld:
- Lijst A, houdende de namen van kandidaten met de kwalificaties bedoeld in het derde lid, onder b, onderdeel i.; en
- Lijst B, houdende de namen van kandidaten met de kwalificaties bedoeld in het derde lid, onder b, onderdeel ii.
Een kandidaat die beschikt over voldoende kwalificaties voor beide lijsten heeft de keuze op welke lijst hij wenst te worden opgenomen. Bij de eerste verkiezing voor het Hof worden ten minste negen rechters gekozen van lijst A en ten minste vijf rechters van lijst B. Volgende verkiezingen worden zodanig ingericht dat dezelfde verhouding tussen rechters van de ene en de andere lijst wordt geëerbiedigd.
- a. De rechters worden gekozen door middel van een geheime stemming in een bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn, daartoe bijeengeroepen ingevolge artikel 112. Onverminderd het zevende lid zijn de personen die in het Hof worden gekozen de 18 kandidaten die het grootste aantal stemmen en een tweederde meerderheid krijgen van de aanwezige Staten die Partij zijn en hun stem uitbrengen.
- b. Indien bij de eerste stemming geen voldoende aantal rechters is gekozen, vinden opeenvolgende stemmingen plaats overeenkomstig de procedures bedoeld in het onder a bepaalde totdat de resterende plaatsen zijn vervuld.
Geen twee rechters mogen onderdaan zijn van dezelfde Staat. Een persoon die ten behoeve van het lidmaatschap van het Hof als onderdaan van meer dan een Staat kan worden beschouwd, wordt geacht onderdaan te zijn van de Staat waarin die persoon gewoonlijk zijn burger- en politieke rechten uitoefent.
- a. De Staten die Partij zijn dienen bij de keuze van rechters rekening te houden met de behoefte, bij de samenstelling van het Hof, aan:
- i. vertegenwoordiging van de voornaamste rechtsstelsels van de wereld;
- ii. een billijke geografische vertegenwoordiging; en
- iii. een billijke vertegenwoordiging van vrouwelijke en mannelijke rechters.
- b. De Staten die Partij zijn dienen ook rekening te houden met de wenselijkheid rechters op te nemen, die beschikken over juridische deskundigheid ten aanzien van bepaalde onderwerpen, waaronder in ieder geval geweld tegen vrouwen of kinderen.
- a. Onverminderd het onder b bepaalde is de ambtstermijn van rechters negen jaar, en onverminderd het onder c en in artikel 37, tweede lid, bepaalde zijn zij niet herkiesbaar.
- b. Bij de eerste verkiezing wordt een derde van de gekozen rechters door loting aangewezen voor een ambtstermijn van drie jaar; een derde van de gekozen rechters wordt door loting aangewezen voor een ambtstermijn van zes jaar, terwijl de ambtstermijn van de overige rechters negen jaar zal zijn.
- c. Een rechter die ingevolge het onder b bepaalde is aangewezen voor een ambtstermijn van drie jaar komt in aanmerking voor herverkiezing voor een volledige ambtstermijn.
Niettegenstaande het negende lid blijft een rechter die overeenkomstig artikel 39 is aangewezen om zitting te hebben in een Kamer van berechting of Kamer van beroep, in functie teneinde het onderzoek in eerste aanleg of in beroep te voltooien, waarvan de behandeling bij die kamer reeds is aangevangen.
Artikel 37. Rechterlijke vacatures
Teneinde in de vacature te voorzien vindt een verkiezing plaats overeenkomstig artikel 36.
Een rechter die gekozen is teneinde in een vacature te voorzien blijft in functie voor het resterende deel van de ambtstermijn van zijn voorganger en komt, indien die periode drie jaar of minder bedraagt, in aanmerking voor herverkiezing voor een volledige ambtstermijn ingevolge artikel 36.
Artikel 38. Het Presidium
De President en de Eerste en Tweede Vice-President worden door de rechters gekozen bij absolute meerderheid. Zij bekleden hun ambt gedurende een ambtstermijn van drie jaar of tot het einde van hun respectieve ambtstermijnen als rechter, indien deze eerder eindigen. Zij zijn eenmaal herkiesbaar.
De Eerste Vice-President vervangt de President in het geval de President niet beschikbaar of gewraakt is. De tweede Vice-President vervangt de President in het geval zowel de President als de Eerste Vice-President niet beschikbaar of gewraakt zijn.
De President vormt, samen met de Eerste en Tweede Vice-President, het Presidium, dat verantwoordelijk is voor:
- a. het adequate dagelijks bestuur van het Hof, met uitzondering van het Parket van de Aanklager; en
- b. de overige taken die aan het Presidium zijn opgedragen overeenkomstig dit Statuut.
De vervulling van zijn taken ingevolge het derde lid, onder a, draagt het Presidium zorg voor coördinatie en streeft naar overeenstemming met de Aanklager over alle zaken van gemeenschappelijk belang.
Artikel 39. Kamers
Zo spoedig mogelijk na de verkiezing van de rechters vormt het Hof de afdelingen vermeld in artikel 34, onder b. De Afdeling Beroep bestaat uit de President en vier andere rechters, de Afdeling Berechting bestaat uit ten minste zes rechters en de Afdeling Vooronderzoek uit ten minste zes rechters. De indeling van rechters bij de afdelingen vindt plaats op basis van de aard van de taken die door elke afdeling dienen te worden vervuld en de kwalificaties en ervaring van de voor het Hof gekozen rechters, opdat elke afdeling beschikt over een passende combinatie van deskundigheid op het gebied van het straf- en strafprocesrecht en het internationaal recht. De Afdelingen van Berechting en Vooronderzoek zijn overwegend samengesteld uit rechters met ervaring op het gebied van strafprocedures.
- a. De rechterlijke taken van het Hof worden in elke afdeling uitgeoefend door kamers.
- b. Onverminderd de vervanging van een rechter, overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering,
- i. Bestaat de Kamer van beroep uit alle rechters van de Afdeling Beroep;
- ii. Worden de taken van de Kamer van berechting uitgeoefend door drie rechters van de Afdeling Berechting;
- iii. Worden de taken van de Kamer van vooronderzoek uitgeoefend door drie rechters van de Afdeling Vooronderzoek of door een alleenzittende rechter van die afdeling overeenkomstig dit Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering.
- c. Niets in dit lid belet de gelijktijdige samenstelling van meer dan een Kamer van berechting of vooronderzoek indien een efficiënte verdeling van de werklast van het Hof dit vereist.
- a. Rechters ingedeeld bij de Afdelingen Berechting en Vooronderzoek hebben in die afdelingen zitting voor de duur van drie jaar, en na afloop van die termijn tot na de voltooiing van de zaak waarvan de behandeling bij de betrokken afdeling reeds is aangevangen.
- b. Rechters ingedeeld bij de Afdeling Beroep hebben in die afdeling zitting gedurende hun gehele ambtstermijn.
Rechters ingedeeld bij de Afdeling Beroep hebben alleen in die afdeling zitting. Niets in dit artikel belet echter de tijdelijke detachering van rechters van de Afdeling Berechting bij de Afdeling Vooronderzoek of omgekeerd, indien het Presidium van oordeel is dat een efficiënte verdeling van de werklast van het Hof dit vereist, mits een rechter die heeft deelgenomen aan de fase van vooronderzoek van een zaak in geen geval in aanmerking komt voor zitting in de Kamer van berechting die die zaak behandelt.
Artikel 40. Onafhankelijkheid van de rechters
De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun taken.
Rechters onthouden zich van alle activiteiten waarvan aannemelijk is dat zij hun rechterlijke taken in de weg staan of het vertrouwen in hun onafhankelijkheid aantasten.
Rechters die op full-time-basis werkzaam dienen te zijn op de zetel van het Hof onthouden zich van alle andere beroepsmatige bezigheden.
Over vragen met betrekking tot de toepassing van het tweede en derde lid wordt door de rechters beslist bij absolute meerderheid. Wanneer een dergelijke vraag een bepaalde rechter betreft, neemt die rechter geen deel aan de beslissing.
Artikel 41. Verschoning en wraking van rechters
Het Presidium mag, op verzoek van een rechter, die rechter toestaan zich te verschonen van uitoefening van een functie krachtens dit Statuut overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.
- a. Een rechter neemt niet deel aan een zaak waarin redelijkerwijs twijfel kan rijzen aan zijn onpartijdigheid op welke grond dan ook. Een rechter wordt overeenkomstig dit lid in een zaak gewraakt, onder meer indien die rechter voordien in enigerlei hoedanigheid betrokken was bij die zaak bij het Hof of bij een daarmee samenhangende strafvervolging op nationaal niveau waarbij de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt, betrokken is. Tevens wordt de rechter gewraakt op andere gronden, als bepaald in het Reglement van proces- of bewijsvoering.
- b. De Aanklager of de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt is bevoegd om wraking van een rechter te verzoeken ingevolge dit lid.
- c. Over vragen met betrekking tot de wraking van een rechter wordt door de rechters beslist bij absolute meerderheid. De rechter die gewraakt wordt heeft het recht de kwestie toe te lichten, maar neemt geen deel aan de beslissing.
Artikel 42. Het Parket van de Aanklager
Het Parket van de Aanklager treedt onafhankelijk op, als afzonderlijk orgaan van het Hof. Het is verantwoordelijk voor de ontvangst van klachten en aangiften en van alle onderbouwde informatie over misdrijven binnen de rechtsmacht van het Hof, voor bestudering daarvan en voor het uitvoering geven aan onderzoek en vervolging voor het Hof. Een lid van het Parket vraagt om noch handelt volgens aanwijzingen van een externe bron.
De Aanklager is hoofd van het Parket. De Aanklager heeft het volledige gezag over het beheer en het dagelijks bestuur van het Parket, met inbegrip van het personeel, de voorzieningen en andere middelen. De Aanklager wordt bijgestaan door een of meer Substituut-Aanklagers, die gerechtigd zijn tot het uitvoeren van alle handelingen die krachtens dit Statuut van de Aanklager worden verlangd. De Aanklager en Substituut-Aanklagers dienen van verschillende nationaliteiten te zijn. Zij vervullen hun functie op full-time-basis.
De Aanklager en Substituut-Aanklagers dienen personen van hoog zedelijk aanzien te zijn, in hoge mate bekwaam op het gebied van en met uitgebreide praktische ervaring in de vervolging of de berechting in strafzaken. Zij dienen te beschikken over een uitstekende kennis van ten minste een van de werktalen van het Hof en die taal vloeiend te spreken.
De Aanklager wordt gekozen bij geheime stemming bij absolute meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn. De Substituut-Aanklagers worden op eenzelfde wijze gekozen uit een door de Aanklager verstrekte lijst van kandidaten. Voor elke functie van Substituut-Aanklager draagt de Aanklager drie kandidaten voor. Tenzij bij hun verkiezing wordt besloten tot een kortere termijn, bedraagt de ambtstermijn van de Aanklager en de Substituut-Aanklagers negen jaar en zijn zij niet herkiesbaar.
De Aanklager en de Substituut-Aanklagers onthouden zich van alle activiteiten waarvan aannemelijk is dat zij zijn taken als Aanklager in de weg staan of het vertrouwen in zijn onafhankelijkheid aantasten. Zij onthouden zich van alle andere beroepsmatige bezigheden.
Het Presidium is bevoegd de Aanklager of een Substituut-Aanklager, op zijn verzoek, toe te staan zich te verschonen van optreden in een bepaalde zaak.
De Aanklager noch een Substituut-Aanklager neemt deel aan de behandeling van een zaak waarin hun onpartijdigheid redelijkerwijs kan worden betwijfeld op welke grond dan ook. Zij worden overeenkomstig dit lid gewraakt in een zaak, onder meer indien zij voordien in enigerlei hoedanigheid betrokken waren bij die zaak voor het Hof of bij een daarmee samenhangende strafvervolging op nationaal niveau waarbij de persoon betrokken is tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt.
Over vragen met betrekking tot de wraking van de Aanklager of een Substituut-Aanklager wordt beslist door de Kamer van beroep.
- a. De persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt is te allen tijde bevoegd te verzoeken om wraking van de Aanklager of een Substituut-Aanklager op de gronden vermeld in dit artikel;
- b. De Aanklager of de Substituut-Aanklager, indien van toepassing, heeft het recht de kwestie toe te lichten.
De Aanklager benoemt adviseurs met juridische deskundigheid ten aanzien van bepaalde onderwerpen, waaronder in ieder geval seksueel geweld en seksistisch geweld en geweld tegen kinderen.
Artikel 43. De Griffie
De Griffie is belast met de niet-gerechtelijke aspecten van het dagelijks bestuur en de bediening van het Hof, onverminderd de taken en bevoegdheden van de Aanklager overeenkomstig artikel 42.
Aan het hoofd van de Griffie staat de Griffier, de hoogste bestuurlijke functionaris van het Hof. De Griffier oefent zijn taken uit onder gezag van de President van het Hof.
De Griffier en de Substituut-Griffier dienen personen van hoog zedelijk aanzien te zijn, in hoge mate bekwaam en met een uitstekende kennis van ten minste een van de werktalen van het Hof en die taal vloeiend te spreken.
De rechters kiezen de Griffier bij absolute meerderheid bij geheime stemming, daarbij rekening houdend met aanbevelingen van de Vergadering van Staten die Partij zijn. Indien de noodzaak daartoe ontstaat en op aanbeveling van de Griffier kiezen de rechters op dezelfde wijze een Substituut-Griffier.
De ambtstermijn van de Griffier is vijf jaar, hij is eenmaal herkiesbaar en werkt op full-time-basis. De Substituut-Griffier wordt benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar of voor zoveel korter als de rechters bij absolute meerderheid besluiten; de Substituut-Griffier kan worden gekozen met dien verstande dat hij zal worden opgeroepen zijn taak uit te oefenen wanneer dat nodig is.
De Griffier roept binnen de Griffie een Afdeling voor Slachtoffers en Getuigen in het leven. Deze Afdeling treft, in overleg met het Parket van de Aanklager, beschermende maatregelen en beveiligingsregelingen, draagt zorg voor advies en andere passende bijstand aan getuigen, aan slachtoffers die voor het Hof verschijnen en aan anderen die in gevaar zijn vanwege door dergelijke getuigen afgelegde getuigenverklaringen. De Afdeling dient te beschikken over personeel met deskundigheid op het gebied van trauma's, met inbegrip van trauma's in verband met seksuele geweldsmisdrijven.
Artikel 44. Personeel
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)