Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof
Artikel 44. Personeel
De Aanklager en de Griffier dragen zorg voor de benoeming van voor hun respectieve afdelingen vereist gekwalificeerd personeel. In het geval van de Aanklager omvat dit mede de benoeming van personen die met onderzoek worden belast.
Bij de aanstelling van personeel waarborgen de Aanklager en de Griffier de hoogste normen van doelmatigheid, bekwaamheid en integriteit, en houden daarbij voorzover mogelijk rekening met de criteria vermeld in artikel 36, achtste lid.
De Griffier stelt met instemming van het Presidium en de Aanklager een Personeelsreglement voor, waarin mede de voorwaarden zijn vervat voor benoeming, honorering en ontslag van het personeel van het Hof. Het Reglement wordt goedgekeurd door de Vergadering van Staten die Partij zijn.
Het Hof is in uitzonderlijke omstandigheden bevoegd gebruik te maken van de deskundigheid van medewerkers die om niet ter beschikking worden gesteld door Staten die Partij zijn, intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties, die de organen van het Hof bij het werk assisteren. De Aanklager is bevoegd een dergelijk aanbod te aanvaarden namens het Parket. Deze om niet ter beschikking gestelde medewerkers worden ingezet overeenkomstig de richtlijnen die door de Vergadering van Staten die Partij zijn worden vastgesteld.
Artikel 45. Plechtige gelofte
Voordat zij hun respectieve taken krachtens dit Statuut aanvaarden, leggen rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers, de Griffier en de Substituut-Griffier ieder een gelofte af in een openbare zitting dat zij hun respectieve functies onpartijdig en gewetensvol zullen uitoefenen.
Artikel 46. Ontzetting uit het ambt
Een rechter, de Aanklager, een Substituut-Aanklager, de Griffier of de Substituut-Griffier wordt uit zijn ambt ontzet indien een beslissing hiertoe wordt genomen overeenkomstig het tweede lid, in gevallen waarin die persoon:
- a. zich schuldig blijkt te hebben gemaakt aan ernstig wangedrag of aan ernstig plichtsverzuim krachtens dit Statuut, zoals bepaald in het Reglement van proces- en bewijsvoering; of
- b. niet in staat is de krachtens dit Statuut vereiste taken uit te oefenen.
Een beslissing tot ontzetting uit het ambt van een rechter, de Aanklager of een Substituut-Aanklager ingevolge het eerste lid wordt genomen door de Vergadering van Staten die Partij zijn, bij geheime stemming:
- a. in het geval van een rechter, bij een tweederde meerderheid van de Staten die Partij zijn, overeenkomstig een aanbeveling die door de overige rechters is aanvaard bij een tweederde meerderheid;
- b. in het geval van de Aanklager, bij absolute meerderheid van de Staten die Partij zijn;
- c. in het geval van een Substituut-Aanklager, bij absolute meerderheid van de Staten die Partij zijn, op aanbeveling van de Aanklager.
Een besluit over de ontzetting uit het ambt van de Griffier of Substituut-Griffier wordt genomen bij absolute meerderheid van de rechters.
Een rechter, Aanklager, Substituut-Aanklager, Griffier of Substituut-Griffier wiens gedrag of bekwaamheid om de krachtens dit Statuut vereiste taken van het ambt uit te oefenen wordt betwist ingevolge dit artikel, krijgt volledig de gelegenheid bewijs aan te voeren en te verkrijgen en zijn standpunt kenbaar te maken overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering. De persoon in kwestie neemt niet anderszins deel aan de behandeling van de zaak.
Artikel 47. Disciplinaire maatregelen
Een rechter, Aanklager, Substituut-Aanklager, Griffier of Substituut-Griffier die zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag van minder ernstige aard dan dat bedoeld in artikel 46, eerste lid, wordt onderworpen aan disciplinaire maatregelen overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.
Artikel 48. Voorrechten en immuniteiten
Het Hof geniet op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taken.
De rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier genieten bij de uitoefening van of met betrekking tot de werkzaamheden van het Hof dezelfde voorrechten en immuniteiten als aan hoofden van diplomatieke missies worden verleend, en zij blijven na afloop van hun ambtstermijn immuniteit genieten ten aanzien van elke juridische procedure met betrekking tot het door hen gesproken of geschreven woord en door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte handelingen.
De Substituut-Griffier, het personeel van het Parket van de Aanklager en het personeel van de Griffie genieten de voorrechten en immuniteiten en faciliteiten vereist voor de uitoefening van hun functie overeenkomstig de overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Hof.
Raadslieden, deskundigen, getuigen en alle andere personen die aanwezig dienen te zijn op de zetel van het Hof worden behandeld op de wijze die noodzakelijk is voor het behoorlijk functioneren van het Hof overeenkomstig de overeenkomst inzake voorrechten en immuniteiten van het Hof.
De voorrechten en immuniteiten van:
- a. een rechter of de Aanklager kunnen worden opgeheven bij absolute meerderheid van de rechters;
- b. de Griffier kunnen worden opgeheven door het Presidium;
- c. de Substituut-Aanklagers en het personeel van het Parket van de Aanklager kunnen worden opgeheven door de Aanklager;
- d. de Substituut-Griffier en het personeel van de Griffie kunnen worden opgeheven door de Griffier.
Artikel 49. Salarissen, toelagen en onkostenvergoedingen
De rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers, de Griffier en de Substituut-Griffier ontvangen de salarissen, toelagen en onkostenvergoedingen die door de Vergadering van Staten die Partij zijn worden vastgesteld. Deze salarissen en toelagen worden gedurende hun ambtstermijn niet verlaagd.
Artikel 50. Officiële talen en werktalen
De officiële talen van het Hof zijn Arabisch, Chinees, Engels, Frans, Russisch en Spaans. De vonnissen van het Hof, alsmede andere beslissingen ter oplossing van fundamentele kwesties die aan het Hof zijn voorgelegd, worden gepubliceerd in de officiële talen. Het Presidium beslist overeenkomstig de criteria vastgelegd in het Reglement van proces- en bewijsvoering welke beslissingen kunnen worden beschouwd als een oplossing van fundamentele kwesties ten behoeve van de toepassing van dit lid.
De werktalen van het Hof zijn Engels en Frans. Het Reglement van proces- en bewijsvoering bepaalt in welke gevallen andere officiële talen als werktaal mogen worden gebruikt.
Op verzoek van een partij in een procedure of een Staat die toestemming heeft gekregen zich in een procedure te voegen, verleent het Hof toestemming voor het gebruik van een andere taal dan Engels of Frans door een dergelijke partij of Staat, mits het Hof zulks voldoende gerechtvaardigd acht.
Artikel 51. Reglement van proces- en bewijsvoering
Het Reglement van proces- en bewijsvoering wordt van kracht nadat het is aangenomen bij tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
Wijzigingen in het Reglement van proces- en bewijsvoering kunnen worden voorgesteld door:
- a. elke Staat die Partij is;
- b. een absolute meerderheid van rechters; of
- c. de Aanklager.
Wijzigingen treden in werking na te zijn aangenomen bij tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
Na aanneming van het Reglement van proces- en bewijsvoering kunnen de rechters in dringende gevallen, wanneer het Reglement niet voorziet in een bepaalde situatie die zich voor het Hof voordoet, bij tweederde meerderheid voorlopige regels opstellen die worden toegepast tot hun aanneming, wijziging of verwerping in de eerstvolgende gewone of buitengewone zitting van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
Het Reglement van proces- en bewijsvoering, wijzigingen daarin en elke voorlopige regel dienen in overeenstemming met dit Statuut te zijn. Wijzigingen in het Reglement van proces- en bewijsvoering alsmede voorlopige regels worden niet met terugwerkende kracht toegepast ten nadele van de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die wordt vervolgd of is veroordeeld.
Ingeval het Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering met elkaar in strijd zijn, gaat het Statuut voor.
Artikel 52. Huishoudelijk reglement van het Hof
De rechters stellen overeenkomstig dit Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering, bij absolute meerderheid het huishoudelijk reglement vast dat noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren van het Hof.
De Aanklager en de Griffier worden geraadpleegd bij de uitwerking van het huishoudelijk reglement en wijzigingen daarin.
Het huishoudelijk reglement en wijzigingen daarin treden in werking zodra zij zijn aangenomen tenzij de rechters anders besluiten. Onmiddellijk na aanneming worden zij voor commentaar gestuurd aan de Staten die Partij zijn. Indien er binnen zes maanden geen bezwaren zijn van een meerderheid van Staten die Partij zijn, blijven zij van kracht.
DEEL 5. OPSPORINGSONDERZOEK EN VERVOLGING
Artikel 53. Opening van een opsporingsonderzoek
De Aanklager opent na evaluatie van de informatie die hem ter beschikking is gesteld, een opsporingsonderzoek tenzij hij besluit dat geen redelijke basis aanwezig is om krachtens dit Statuut tot vervolging over te gaan. Bij de beslissing of een onderzoek wordt geopend, gaat de Aanklager na of:
- a. de informatie waarover de Aanklager beschikt een redelijke basis vormt om aan te nemen dat een misdrijf waarover het Hof rechtsmacht bezit is of wordt gepleegd;
- b. de zaak ontvankelijk is of zou zijn ingevolge artikel 17; en
- c. de ernst van het misdrijf en de belangen van de slachtoffers in aanmerking genomen, er niettemin gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een onderzoek niet in het belang van een goede rechtsbedeling zou zijn.
Indien de Aanklager besluit dat geen redelijke basis aanwezig is om tot vervolging over te gaan en dit besluit louter gebaseerd is op het onder c hierboven bepaalde, stelt hij de Kamer van vooronderzoek hiervan in kennis.
Indien de Aanklager na onderzoek tot de slotsom komt dat niet voldoende grondslag bestaat voor een vervolging omdat:
- a. niet voldoende juridische of feitelijke grondslag aanwezig is om een bevel tot aanhouding of dagvaarding ingevolge artikel 58 te vragen;
- b. de zaak niet-ontvankelijk is ingevolge artikel 17; of
- c. vervolging niet in het belang van de goede rechtsbedeling is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met inbegrip van de ernst van het misdrijf, de belangen van slachtoffers en de leeftijd of zwakke gezondheid van de beschuldigde, en diens rol in het misdrijf waarop de beschuldiging betrekking heeft;
stelt de Aanklager de Kamer van vooronderzoek en de Staat die ingevolge artikel 14 aangifte heeft gedaan of de Veiligheidsraad in een zaak krachtens artikel 13, onder b, in kennis van zijn conclusie en de redenen voor de conclusie.
- a. Op verzoek van de Staat die ingevolge artikel 14 aangifte heeft gedaan of de Veiligheidsraad ingevolge artikel 13, onder b, kan de Kamer van vooronderzoek een beslissing van de Aanklager ingevolge het eerste of tweede lid om geen vervolging in te stellen herzien en de Aanklager verzoeken die beslissing te heroverwegen.
- b. De Kamer van vooronderzoek is bovendien ambtshalve bevoegd een beslissing van de Aanklager om geen vervolging in te stellen te herzien, indien deze louter gebaseerd is op het eerste lid, onder c, of het tweede lid, onder c. In een dergelijk geval wordt de beslissing van de Aanklager eerst na bevestiging van kracht door de Kamer van vooronderzoek.
De Aanklager is te allen tijde bevoegd de beslissing om een onderzoek of vervolging in te stellen in heroverweging te nemen op grond van nieuwe feiten of informatie.
Artikel 54. Taken en bevoegdheden van de Aanklager met betrekking tot het opsporingsonderzoek
De Aanklager dient:
- a. teneinde de waarheid vast te stellen, alle feiten en bewijsmiddelen bij het opsporingsonderzoek te betrekken, voorzover relevant voor de beoordeling van de vraag of sprake is van strafrechtelijke aansprakelijkheid ingevolge dit Statuut, en daarbij bezwarende en ontlastende omstandigheden gelijkelijk te onderzoeken;
- b. passende maatregelen te treffen teneinde te waarborgen dat misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit doelmatig worden onderzocht en vervolgd en daarbij de belangen en persoonlijke omstandigheden van slachtoffers en getuigen te respecteren, met inbegrip van leeftijd, geslacht, zoals gedefinieerd in artikel 7, derde lid, en gezondheid, en daarbij in aanmerking te nemen de aard van het misdrijf, in het bijzonder wanneer het seksueel geweld, seksistisch geweld of geweld tegen kinderen betreft; en
- c. volledig de rechten van personen ingevolge dit Statuut te eerbiedigen.
De Aanklager is bevoegd een onderzoek uit te voeren op het grondgebied van een Staat:
- a. overeenkomstig de bepalingen van Deel 9; of
- b. daartoe gemachtigd door de Kamer van vooronderzoek ingevolge artikel 57, derde lid, onder d.
De Aanklager is bevoegd:
- a. bewijsmiddelen te vergaren en te onderzoeken;
- b. de aanwezigheid te verzoeken van personen tegen wie een onderzoek loopt, van slachtoffers en van getuigen en hen ondervragen;
- c. van een Staat of intergouvernementele organisatie medewerking te verzoeken of een regeling overeenkomstig zijn, respectievelijk haar, desbetreffende bevoegdheid en/of mandaat;
- d. regelingen te treffen of overeenkomsten te sluiten die niet onverenigbaar zijn met dit Statuut, voorzover vereist om de medewerking van een Staat, een intergouvernementele organisatie of een persoon te vergemakkelijken;
- e. overeen te komen in geen enkele fase van het proces stukken of informatie bekend te maken die de Aanklager verkrijgt op voorwaarde van vertrouwelijkheid en louter om nieuwe bewijsmiddelen te verzamelen, tenzij degene die de informatie heeft gegeven toestemming verleent; en
- f. de vereiste maatregelen te treffen of daarom te verzoeken teneinde de vertrouwelijkheid van informatie, de bescherming van een persoon of de instandhouding van bewijsmiddelen te verzekeren.
Artikel 55. Rechten van personen gedurende een onderzoek
Ten aanzien van een opsporingsonderzoek ingevolge dit Statuut wordt een persoon:
- a. niet gedwongen een voor zichzelf belastende verklaring af te leggen of schuld te bekennen;
- b. niet onderworpen aan enigerlei vorm van dwang, druk of bedreiging, marteling of enigerlei andere vorm van wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing; en
- c. indien ondervraging plaatsvindt in een andere taal dan een taal die de persoon volledig begrijpt en spreekt, kosteloos bijstand verleend door een bevoegde tolk en krijgt hij de vertalingen die noodzakelijk zijn om aan de vereisten van billijkheid te voldoen;
- d. niet onderworpen aan willekeurige aanhouding, vasthouding of vrijheidsbeneming, behoudens op de gronden en overeenkomstig de procedures, vastgesteld in het Statuut.
Wanneer er gronden zijn om aan te nemen dat een persoon een misdrijf heeft begaan waarover het Hof rechtsmacht bezit en die persoon zal worden ondervraagd door de Aanklager of door nationale autoriteiten op grond van een verzoek gedaan ingevolge Deel 9 van dit Statuut, wordt die persoon, alvorens te worden ondervraagd, geïnformeerd dat hij tevens de volgende rechten heeft:
- a. het recht in kennis te worden gesteld, alvorens te worden ondervraagd, van het bestaan van gronden om aan te nemen dat hij een misdrijf heeft gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit;
- b. het recht tot zwijgen, zonder dat zulks meeweegt bij het vaststellen van schuld of onschuld;
- c. het recht op rechtsbijstand naar eigen keuze, of, indien hij geen rechtsbijstand geniet, deze toegevoegd te krijgen, in alle gevallen waarin het belang van de rechtsbedeling dit eist; dit is kosteloos in die gevallen waarin betrokkene niet over voldoende middelen beschikt om daarin zelf te voorzien;
- d. het recht te worden ondervraagd in aanwezigheid van een raadsman tenzij hij daarvan vrijwillig afstand heeft gedaan.
Artikel 56. Rol van de Kamer van vooronderzoek in geval waarin de gelegenheid bewijsmiddelen te vergaren zich niet nogmaals zal voordoen
- a. Wanneer de Aanklager van oordeel is dat een onderzoek een eenmalige gelegenheid biedt om een getuige een getuigenis of een verklaring af te laten leggen of bewijs te onderzoeken, te vergaren of te toetsen, dat misschien in een later stadium niet meer beschikbaar is voor een onderzoek ter terechtzitting, stelt de Aanklager de Kamer van vooronderzoek hiervan in kennis.
- b. In dat geval is de Kamer van vooronderzoek bevoegd, op verzoek van de Aanklager, alle maatregelen te treffen, vereist om de doelmatigheid en zuiverheid van de procedure te verzekeren en, in het bijzonder, de rechten van de verdediging te beschermen.
- c. Tenzij de Kamer van vooronderzoek anders beslist, verstrekt de Aanklager de relevante informatie aan de persoon die is aangehouden of verschenen op een oproep in verband met het onderzoek vermeld onder a, teneinde in de zaak te worden gehoord.
De maatregelen in het eerste lid, onder b, bestaan onder andere uit:
- a. aanbevelingen doen of bevelen uitvaardigen met betrekking tot de te volgen procedure;
- b. bepalen dat een proces-verbaal van de procedure wordt gemaakt;
- c. een deskundige benoemen voor bijstand;
- d. toestemming verlenen aan een raadsman voor een persoon die is aangehouden of voor het Hof is verschenen naar aanleiding van een oproeping, om deel te nemen, of, wanneer nog geen aanhouding of verschijning heeft plaatsgevonden of geen raadsman is aangewezen, het benoemen van een andere raadsman om de belangen van de verdediging waar te nemen en te vertegenwoordigen;
- e. een van de leden of, indien noodzakelijk, een andere beschikbare rechter van de Afdeling Vooronderzoek of de Afdeling Berechting als waarnemer aanwijzen en aanbevelingen doen of bevelen uitvaardigen met betrekking tot de vergaring en de veiligstelling van bewijsmiddelen en het ondervragen van personen;
- f. alle andere stappen te nemen die vereist zijn voor het vergaren of veiligstellen van bewijsmiddelen.
- a. Wanneer de Aanklager niet om maatregelen ingevolge dit artikel heeft verzocht doch de Kamer van vooronderzoek meent dat die maatregelen vereist zijn voor de veiligstelling van bewijsmiddelen die zij essentieel acht voor de verdediging ter terechtzitting, pleegt zij overleg met de Aanklager over de vraag of deze goede redenen heeft voor het achterwege laten van een verzoek om de maatregelen. Indien de Kamer van vooronderzoek na dit overleg tot de slotsom komt dat het achterwege laten door de Aanklager van een verzoek om dergelijke maatregelen ongerechtvaardigd is, is de Kamer van vooronderzoek ambtshalve bevoegd dergelijke maatregelen te treffen.
- b. De Aanklager heeft het recht van beroep tegen een ambtshalve beslissing van de Kamer van vooronderzoek ingevolge deze paragraaf. Het beroep wordt versneld behandeld.
De toelaatbaarheid van bewijsmiddelen die ingevolge dit artikel zijn veiliggesteld of vergaard ten behoeve van het onderzoek ter terechtzitting, of van het proces-verbaal daarvan, wordt op de terechtzitting beheerst door artikel 69en krijgt het daaraan door de Kamer van berechting toegekende gewicht.
Artikel 57. Taken en bevoegdheden van de Kamer van vooronderzoek
Tenzij dit Statuut anders bepaalt, vervult de Kamer van vooronderzoek zijn taken overeenkomstig het in dit artikel bepaalde.
- a. Beslissingen van de Kamer van vooronderzoek ingevolge de artikelen 15, 18, 19, 54, tweede lid, 61, zevende lid, en 72 worden genomen door een meerderheid van zijn rechters.
- b. In alle overige gevallen vervult een alleenzittende rechter van de Kamer van vooronderzoek de in dit Statuut voorziene taken, tenzij dit anders is geregeld in het Reglement van proces- en bewijsvoering of door een meerderheid van de Kamer van vooronderzoek.
Naast zijn overige taken ingevolge dit Statuut is de Kamer van vooronderzoek bevoegd om:
- a. op verzoek van de Aanklager de voor een onderzoek vereiste bevelen uit te vaardigen;
- b. op verzoek van een persoon die is aangehouden of verschenen ingevolge op een bevel overeenkomstig artikel 58, de bevelen uit te vaardigen, met inbegrip van maatregelen als vermeld in artikel 56, of de samenwerking te verlangen ingevolge Deel 9 vereist om de persoon terzijde te staan bij de voorbereiding van zijn verdediging;
- c. waar dit noodzakelijk is, zorg te dragen voor de bescherming en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en getuigen, de veiligstelling van bewijsmiddelen, de bescherming van personen die aangehouden of verschenen zijn op een bevel, en de bescherming van informatie die de nationale veiligheid betreft;
- d. de Aanklager te machtigen om bepaalde onderzoeksmaatregelen te treffen binnen het grondgebied van een Staat die Partij is zonder de samenwerking van die Staat te hebben verzekerd ingevolge Deel 9, indien, telkens wanneer dit mogelijk is rekening houdend met de zienswijze van de betrokken Staat, de Kamer van vooronderzoek in dat geval heeft bepaald dat de Staat kennelijk niet bij machte is uitvoering te geven aan een rechtshulpverzoek ten gevolge van niet-beschikbaarheid van een autoriteit of een onderdeel in zijn rechtsstelsel bevoegd tot het uitvoering geven aan een verzoek tot samenwerking ingevolge Deel 9;
- e. wanneer een bevel tot aanhouding of tot verschijning is uitgevaardigd ingevolge artikel 58, en met inachtneming van de zwaarte van het bewijs en de rechten van de betrokken partijen zoals voorzien in dit Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering, rechtshulp te vragen aan Staten ingevolge artikel 93, eerste lid, onder k, om beschermende maatregelen te treffen ter fine van verbeurdverklaring die uiteindelijk vooral slachtoffers ten goede zullen komen.
Artikel 58. Uitvaardiging door de Kamer van vooronderzoek van een bevel tot aanhouding of een oproep tot verschijning
Nadat het opsporingsonderzoek is geopend vaardigt de Kamer van vooronderzoek op verzoek van de Aanklager een bevel tot aanhouding van een persoon uit, indien de Kamer van vooronderzoek na bestudering van het verzoek en de bewijsmiddelen of overige door de Aanklager overgelegde informatie ervan overtuigd is dat:
- a. redelijke gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat de persoon een misdrijf heeft begaan waarover het Hof rechtsmacht bezit; en
- b. de aanhouding van de persoon noodzakelijk lijkt teneinde:
- i. te verzekeren dat de persoon ter terechtzitting zal verschijnen;
- ii. te voorkomen dat de persoon het onderzoek of de gerechtelijke procedure zal belemmeren of in gevaar brengen, of
- iii. de persoon te beletten voort te gaan met het begaan van dat misdrijf of een aanverwant misdrijf waarover het Hof rechtsmacht bezit en dat voortvloeit uit dezelfde omstandigheden.
Het verzoek van de Aanklager vermeldt:
- a. de naam van de persoon en alle overige informatie relevant voor diens identificatie;
- b. een specifieke verwijzing naar de misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit en die de persoon beweerdelijk heeft begaan;
- c. een beknopte beschrijving van de feiten die beweerdelijk die misdrijven vormen;
- d. een samenvatting van de bewijsmiddelen en de overige informatie die redelijke gronden vormen om aan te nemen dat de persoon die misdrijven heeft begaan; en
- e. de reden waarom de Aanklager meent dat de aanhouding van de persoon noodzakelijk is.
Het bevel tot aanhouding vermeldt:
- a. de naam van de persoon en alle overige informatie relevant voor diens identificatie;
- b. een specifieke verwijzing naar de misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit en waarvoor de aanhouding van de persoon wordt verzocht; en
- c. een beknopte beschrijving van de feiten die beweerdelijk die misdrijven vormen.
Het bevel tot aanhouding blijft van kracht totdat door het Hof anders wordt beslist.
Op basis van het bevel tot aanhouding is het Hof ingevolge Deel 9 bevoegd de voorlopige aanhouding of de aanhouding en overdracht van de persoon te verzoeken.
De Aanklager is bevoegd de Kamer van vooronderzoek te verzoeken het bevel tot aanhouding te wijzigen door een wijziging in of een toevoeging aan de daarin vermelde misdrijven. De Kamer van vooronderzoek wijzigt het bevel dienovereenkomstig, indien hij ervan overtuigd is dat redelijke gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat de persoon de gewijzigde of toegevoegde misdrijven heeft begaan.
Als alternatief voor een verzoek om een bevel tot aanhouding is de Aanklager bevoegd een verzoek in te dienen om de Kamer van vooronderzoek te vragen een oproep tot verschijning van de persoon uit te vaardigen. Indien de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat redelijke gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat de persoon het beweerde misdrijf heeft begaan en dat een oproep tot verschijning voldoende is om de verschijning van de persoon te verzekeren, vaardigt hij het bevel uit, met of zonder vrijheidsbeperkende voorwaarden (niet zijnde hechtenis) indien het nationale recht daarin voorziet, tot verschijning van de persoon. Het bevel vermeldt:
- a. de naam van de persoon en alle overige informatie relevant voor diens identificatie;
- b. de datum die is vastgesteld voor de verschijning van de persoon;
- c. een specifieke verwijzing naar de misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit en die de persoon beweerdelijk heeft begaan; en
- d. een beknopte beschrijving van de feiten die beweerdelijk het misdrijf vormen.
Het bevel wordt aan de persoon betekend.
Artikel 59. Aanhoudingsprocedure in de Staat van bewaring
Een Staat die Partij is en een verzoek heeft ontvangen voor de voorlopige aanhouding of voor aanhouding en overdracht onderneemt onmiddellijk stappen voor de aanhouding van de betrokken persoon overeenkomstig zijn wetgeving en het in Deel 9 bepaalde.
Een aangehouden persoon wordt onverwijld geleid voor de bevoegde gerechtelijke autoriteit in de Staat van bewaring, die overeenkomstig het recht van die Staat vaststelt of:
- a. het bevel tot aanhouding die persoon betreft;
- b. de persoon is aangehouden overeenkomstig de juiste procedure; en
- c. de rechten van de persoon zijn geëerbiedigd.
In afwachting van de overdracht heeft de aangehouden persoon het recht een verzoek tot voorlopige invrijheidsstelling in te dienen bij de bevoegde autoriteit in de Staat van bewaring.
Bij een beslissing op een dergelijk verzoek overweegt de bevoegde autoriteit in de Staat van bewaring of, gezien de ernst van de beweerde misdrijven, dringende en uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die een voorlopige invrijheidstelling rechtvaardigen, en of noodzakelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat de Staat van bewaring zijn verplichting tot overdracht van die persoon aan het Hof kan nakomen. Het staat de bevoegde autoriteit van de Staat van bewaring niet vrij te overwegen of het bevel tot aanhouding op de juiste wijze is uitgevaardigd overeenkomstig artikel 58, eerste lid, onder a en b.
De Kamer van vooronderzoek wordt in kennis gesteld van elk verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en doet aanbevelingen aan de bevoegde autoriteit in de Staat van bewaring. De bevoegde autoriteit in de Staat van bewaring betrekt deze aanbevelingen volledig in haar overwegingen, met inbegrip van alle aanbevelingen met betrekking tot maatregelen ter voorkoming van ontvluchting van de persoon, alvorens haar beslissing te nemen.
Indien de persoon voorlopige invrijheidstelling wordt verleend, is de Kamer van vooronderzoek bevoegd te verzoeken dat regelmatig verslag wordt gedaan van de stand van zaken van de voorlopige invrijheidstelling.
Op een bevel tot overdracht, uit te voeren door de Staat van bewaring, wordt de persoon zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld aan het Hof.
Artikel 60. Inleidende procedure voor het Hof
Na overdracht van de persoon aan het Hof of na diens verschijning voor het Hof uit vrije wil of ingevolge een bevel overtuigt de Kamer van vooronderzoek zich ervan dat de persoon op de hoogte is gesteld van de misdrijven die hij beweerdelijk heeft begaan en van zijn rechten ingevolge dit Statuut, met inbegrip van het recht om een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen in afwachting van de terechtzitting.
Een persoon voor wie een bevel tot aanhouding geldt is bevoegd een verzoek in te dienen tot voorlopige invrijheidstelling in afwachting van de terechtzitting. Indien de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat aan de voorwaarden vermeld in artikel 58, eerste lid, is voldaan, blijft de persoon in hechtenis. Indien de Kamer van vooronderzoek daar niet van overtuigd is, stelt de Kamer van vooronderzoek de persoon met of zonder voorwaarden in vrijheid.
De Kamer van vooronderzoek neemt regelmatig haar beslissing inzake de invrijheidstelling of hechtenis van de persoon in heroverweging en kan dit op elk tijdstip doen waarop de Aanklager of de persoon hierom verzoekt. Bij deze heroverweging is de Kamer bevoegd zijn beslissing met betrekking tot hechtenis, invrijheidstelling of voorwaarden van invrijheidstelling te wijzigen, indien hij ervan overtuigd is dat gewijzigde omstandigheden dit vereisen.
De Kamer van vooronderzoek draagt er zorg voor dat een persoon niet in hechtenis wordt gehouden gedurende een onredelijk lange periode voorafgaand aan de terechtzitting als gevolg van ongerechtvaardigde vertraging door de Aanklager. Indien een dergelijke vertraging zich voordoet, overweegt het Hof de invrijheidstelling van de persoon met of zonder voorwaarden.
Indien vereist, is de Kamer van vooronderzoek bevoegd een bevel tot medebrenging uit te vaardigen ter verzekering van de aanwezigheid van een persoon die in vrijheid is gesteld.
Artikel 61. Bevestiging van de tenlastegelegde feiten voorafgaande aan de terechtzitting
Onverminderd het in het tweede lid bepaalde houdt de Kamer van vooronderzoek binnen redelijke tijd na de overdracht of de vrijwillige verschijning van de persoon voor het Hof een hoorzitting ter bevestiging van de tenlastegelegde feiten op grond waarvan de Aanklager voornemens is een terechtzitting te doen plaatsvinden. De hoorzitting wordt gehouden in aanwezigheid van de Aanklager en de in staat van beschuldiging gestelde persoon, alsmede zijn raadsman.
De Kamer van vooronderzoek is op verzoek van de Aanklager of ambtshalve bevoegd een hoorzitting te houden in afwezigheid van de in staat van beschuldiging gestelde persoon teneinde de tenlastegelegde feiten te bevestigen op grond waarvan de Aanklager voornemens is een terechtzitting te doen plaatsvinden, wanneer de persoon:
- a. afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn; of
- b. gevlucht is of niet kan worden gevonden, terwijl alle redelijke stappen zijn ondernomen om zijn verschijning voor het Hof te verzekeren en de persoon op de hoogte te stellen van de tenlastegelegde feiten en van het feit dat een hoorzitting zal worden gehouden ter bevestiging van de tenlastegelegde feiten.
In dat geval wordt de persoon vertegenwoordigd door een raadsman wanneer de Kamer van vooronderzoek vaststelt dat het in het belang van een goede rechtsbedeling is.
Binnen redelijke tijd voor de hoorzitting:
- a. ontvangt de persoon een afschrift van het document waarin de tenlastegelegde feiten staan vermeld op grond waarvan de Aanklager voornemens is de persoon terecht te doen staan; en
- b. wordt de persoon op de hoogte gesteld van de bewijsmiddelen waarop de Aanklager voornemens is zich op de hoorzitting te baseren.
De Kamer van vooronderzoek is bevoegd bevelen uit te vaardigen met betrekking tot de openbaarmaking van informatie voor het doel van de hoorzitting.
Voorafgaande aan de hoorzitting is de Aanklager bevoegd het onderzoek voort te zetten en de tenlastegelegde feiten te wijzigen of in te trekken. De persoon zal op redelijke termijn voor de hoorzitting in kennis worden gesteld van wijzigingen in of intrekking van de tenlastegelegde feiten. In het geval van intrekking van de tenlastegelegde feiten stelt de Aanklager de Kamer van vooronderzoek in kennis van de redenen voor de intrekking.
Tijdens de hoorzitting onderbouwt de Aanklager elk tenlastegelegd feit met voldoende bewijs voor de vaststelling van substantiële gronden om aan te nemen dat de persoon het tenlastegelegde misdrijf heeft begaan. De Aanklager is bevoegd zich te baseren op documentair bewijs of op een samenvatting van de bewijsmiddelen en behoeft niet de getuigen op te roepen die geacht worden ter terechtzitting een verklaring af te leggen.
Op de hoorzitting is de persoon bevoegd:
- a. bezwaar te maken tegen de tenlastegelegde feiten;
- b. het bewijs dat door de Aanklager is geleverd te betwisten; en
- c. bewijs te leveren.
De Kamer van vooronderzoek stelt op basis van de hoorzitting vast of voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn voor de vaststelling van substantiële gronden om aan te nemen dat de persoon alle tenlastegelegde misdrijven heeft begaan. Gebaseerd op zijn vaststelling besluit de Kamer van vooronderzoek tot:
- a. bevestiging van die tenlastegelegde feiten ten aanzien waarvan hij heeft vastgesteld dat voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn; en verwijzing van de persoon naar een Kamer van berechting om terecht te staan ter zake van de bevestigde tenlastegelegde feiten;
- b. afwijzing van de bevestiging van die tenlastegelegde feiten ten aanzien waarvan hij heeft vastgesteld dat onvoldoende bewijs aanwezig is;
- c. verdaging van de hoorzitting en een verzoek aan de Aanklager om te overwegen:
- i. nader bewijs te verstrekken of nader onderzoek uit te voeren met betrekking tot een bepaald tenlastegelegd feit; of
- ii. een tenlastegelegd feit te wijzigen omdat de overgelegde bewijsmiddelen een ander misdrijf blijken op te leveren waarover het Hof rechtsmacht bezit.
Wanneer de Kamer van vooronderzoek weigert een tenlastegelegd feit te bevestigen, belet dit de Aanklager niet een nader verzoek om bevestiging te doen indien het verzoek wordt onderbouwd met aanvullende bewijsmiddelen.
Nadat de tenlastegelegde feiten zijn bevestigd en voordat de terechtzitting is begonnen, is de Aanklager bevoegd met toestemming van de Kamer van vooronderzoek en na kennisgeving aan de beschuldigde, de tenlastegelegde feiten te wijzigen. Indien de Aanklager aanvullende punten aan de tenlastegelegde feiten wenst toe te voegen of ernstiger tenlastegelegde feiten daarvoor in de plaats te stellen, dient een hoorzitting te worden gehouden ingevolge dit artikel om die tenlastegelegde feiten te bevestigen. Na aanvang van de terechtzitting is de Aanklager bevoegd met toestemming van de Kamer van berechting de tenlastegelegde feiten in te trekken.
Een bevel tot aanhouding dat voordien is uitgevaardigd, houdt op van kracht te zijn voorzover het tenlastegelegde feiten betreft die niet door de Kamer van vooronderzoek zijn bevestigd of die door de Aanklager zijn ingetrokken.
Wanneer de tenlastegelegde feiten eenmaal zijn bevestigd overeenkomstig dit artikel, stelt het Presidium een Kamer van berechting samen die ingevolge het achtste lid en artikel 64, vierde lid, verantwoordelijk is voor de daaropvolgende procesvoering en die bevoegd is alle taken van de Kamer van vooronderzoek te vervullen voorzover die in die fase relevant en toepasselijk zijn.
DEEL 6. DE TERECHTZITTING
Artikel 62. Plaats van terechtzitting
Tenzij anders wordt besloten vindt de terechtzitting plaats waar de zetel van het Hof is gevestigd.
Artikel 63. Terechtzitting in aanwezigheid van de beschuldigde
De beschuldigde woont de terechtzitting bij.
Indien de beschuldigde, die voor het Hof aanwezig is, de terechtzitting blijft verstoren, is de Kamer van berechting bevoegd de beschuldigde te verwijderen en ervoor te zorgen dat hij als waarnemer de terechtzitting kan volgen en de raadsman van buiten de rechtszaal instructies kan geven, zonodig door middel van het gebruik van communicatietechnologie. Dergelijke maatregelen worden alleen in uitzonderlijke omstandigheden getroffen, nadat andere redelijke alternatieven ongeschikt zijn gebleken, en slechts voor zolang dit strikt noodzakelijk is.
Artikel 64. Taken en bevoegdheden van de Kamer van berechting
De in dit artikel vermelde taken en bevoegdheden van de Kamer van berechting worden uitgeoefend overeenkomstig dit Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering.
De Kamer van berechting draagt er zorg voor dat een terechtzitting eerlijk en onverwijld verloopt en wordt geleid met volledige eerbiediging van de rechten van de beschuldigde en passende inachtneming van de bescherming van slachtoffers en getuigen.
Bij aanwijzing van een zaak voor terechtzitting overeenkomstig dit Statuut dient de ter behandeling van de zaak aangewezen Kamer van berechting:
- a. overleg te plegen met de partijen en de procedures te bepalen voor een eerlijk en onverwijld verloop van de procedure;
- b. de op de terechtzitting te gebruiken taal of talen vast te stellen;
- c. onverminderd de overige relevante bepalingen van dit Statuut, zorg te dragen voor openbaarmaking van nog niet eerder openbaar gemaakte documenten of informatie, zodanig ruim voor de aanvang van de terechtzitting dat een passende voorbereiding voor de terechtzitting mogelijk is.
De Kamer van berechting is bevoegd, indien vereist voor zijn doeltreffend en eerlijk functioneren, voorafgaande vragen naar de Kamer van vooronderzoek te verwijzen of, indien vereist, naar een andere beschikbare rechter van de Afdeling Vooronderzoek.
Na kennisgeving aan partijen is de Kamer van berechting, zonodig bevoegd te bepalen dat feiten die aan verschillende beschuldigden ten laste gelegd zijn, zullen worden gevoegd of gesplitst.
Bij de uitoefening van zijn taken voorafgaand aan of in de loop van een terechtzitting is de Kamer van berechting bevoegd, zonodig:
- a. alle in artikel 61, elfde lid, vermelde taken van de Kamer van vooronderzoek uit te oefenen;
- b. de aanwezigheid van getuigen alsook hun verklaringen te verlangen evenals de productie van documenten en ander bewijs door zonodig de bijstand in te roepen van Staten zoals voorzien in dit Statuut;
- c. zorg te dragen voor de bescherming van vertrouwelijke informatie;
- d. de productie te gelasten van bewijsmiddelen in aanvulling op het bewijs dat reeds voor de terechtzitting is vergaard of tijdens de terechtzitting door partijen naar voren is gebracht;
- e. zorg te dragen voor de bescherming van de beschuldigde, getuigen en slachtoffers; en
- f. te beslissen over alle overige relevante zaken.
De terechtzitting is openbaar. De Kamer van berechting is echter bevoegd te bepalen dat bijzondere omstandigheden vereisen dat bepaalde onderdelen van de procedure achter gesloten deuren moeten plaatsvinden vanwege het in artikel 68 bepaalde of ter bescherming van vertrouwelijke of gevoelige informatie die als bewijsmiddel zal dienen.
- a. Bij de aanvang van de terechtzitting laat de Kamer van berechting aan de beschuldigde de tenlastegelegde feiten voorlezen, die voordien door de Kamer van vooronderzoek zijn bevestigd. De Kamer van berechting overtuigt zich ervan dat de beschuldigde de aard van de tenlastegelegde feiten begrijpt. Hij geeft hem de gelegenheid om schuld te bekennen overeenkomstig artikel 65 of zich onschuldig te verklaren.
- b. Ter terechtzitting is de rechter die als voorzitter optreedt bevoegd aanwijzingen te geven ten aanzien van de procedure, mede ter verzekering dat deze op eerlijke en onpartijdige wijze verloopt. Onverminderd aanwijzingen van de rechter die als voorzitter optreedt, kunnen de partijen bewijs overleggen overeenkomstig het in dit Statuut bepaalde.
De Kamer van berechting heeft onder meer de bevoegdheid op verzoek van een partij of ambtshalve:
- a. te beslissen of bewijs toelaatbaar of relevant is; en
- b. alle vereiste maatregelen te treffen teneinde een hoorzitting ordelijk te doen verlopen.
De Kamer van berechting zorgt ervoor dat een volledig proces-verbaal van de terechtzitting wordt gemaakt, dat het verloop van de handelingen ter terechtzitting nauwkeurig weergeeft en wordt gehouden en bewaard door de Griffier.
Artikel 65. Procedure in geval van bekentenis
Wanneer de beschuldigde schuld bekent overeenkomstig artikel 64, achtste lid, onder a, beslist de Kamer van berechting of:
- a. de beschuldigde de aard en de gevolgen van zijn bekentenis begrijpt;
- b. de bekentenis door de beschuldigde vrijwillig is gedaan na voldoende overleg met de raadsman voor de verdediging; en
- c. de bekentenis wordt ondersteund door de feiten in de zaak, zoals deze blijken uit:
- i. de tenlastegelegde feiten die door de Aanklager naar voren zijn gebracht en door de beschuldigde bekend;
- ii. materiaal dat door de Aanklager is overgelegd ter aanvulling op de tenlastegelegde feiten, dat door de beschuldigde is aanvaard; en
- iii. elk overig bewijs, zoals de verklaringen van getuigen, dat door de Aanklager of de beschuldigde naar voren is gebracht.
Wanneer de Kamer van berechting ervan overtuigd is dat het in het eerste lid bedoelde is vastgesteld, beschouwt de Kamer van berechting de bekentenis in samenhang met het overige aanvullende bewijs als voldoende grond voor alle wezenlijke feiten die vereist zijn als bewijs voor het misdrijf waarop de bekentenis betrekking heeft, en kan hij de beschuldigde voor dat misdrijf veroordelen.
Wanneer de Kamer van berechting er niet van overtuigd is dat voldoende grond bestaat voor alle in het eerste lid bedoelde feiten, beschouwt hij de bekentenis als niet gedaan, in welk geval hij gelast de terechtzitting voort te zetten volgens de in dit Statuut bepaalde normale procedures voor terechtzitting en naar een andere Kamer van berechting kan verwijzen.
Wanneer de Kamer van berechting van oordeel is dat aanvulling van de feiten in de zaak noodzakelijk is in het belang van de rechtspleging, in het bijzonder in het belang van de slachtoffers, is de Kamer van berechting bevoegd:
- a. de Aanklager te verzoeken om aanvullende bewijsmiddelen te overleggen, met inbegrip van getuigenverklaringen; of
- b. te gelasten dat de terechtzitting volgens de in dit Statuut bepaalde normale procedures voor terechtzitting wordt voortgezet, in welk geval de Kamer van berechting de bekentenis als niet gedaan beschouwt en hij de zaak kan verwijzen naar een andere Kamer van berechting.
Mondeling overleg tussen de Aanklager en de verdediging over een wijziging in de tenlastegelegde feiten, de bekentenis of de op te leggen straf voor het Hof is niet bindend.
Artikel 66. Vermoeden van onschuld
Een ieder wordt verondersteld onschuldig te zijn totdat zijn schuld voor het Hof is bewezen overeenkomstig het toepasselijke recht.
De plicht de schuld van de beschuldigde te bewijzen rust op de Aanklager.
Teneinde de beschuldigde te veroordelen, dient het Hof buiten iedere redelijke twijfel overtuigd te zijn van de schuld van de beschuldigde.
Artikel 67. Rechten van de beschuldigde
Bij de vaststelling van een tenlastegelegd feit heeft de beschuldigde recht op een openbare zitting met inachtneming van het in dit Statuut bepaalde, die op eerlijke en onpartijdige wijze wordt gehouden, en op de volgende minimumwaarborgen, op basis gelijke voet met de Aanklager:
- a. onverwijld en in detail op de hoogte te worden gesteld van de aard, de reden en de inhoud van het hem tenlastegelegde, in een taal die hij volledig begrijpt en spreekt;
- b. te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van de verdediging en vrijelijke en vertrouwelijke communicatie met de raadsman van zijn keuze;
- c. terecht te staan zonder buitensporige vertraging;
- d. onverminderd het bepaalde in artikel 63, tweede lid, aanwezig te zijn ter terechtzitting, verweer te voeren in persoon of door middel van door hem gekozen rechtsbijstand, op de hoogte te worden gesteld van dit recht wanneer hij geen rechtsbijstand heeft en rechtsbijstand toegewezen te krijgen door het Hof in alle gevallen waarin het belang van de rechtspleging dit vereist, en zonder betaling indien de beschuldigde niet over voldoende middelen beschikt;
- e. getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en de verschijning en ondervraging te bewerkstelligen van getuigen à decharge op dezelfde voorwaarden als gelden voor getuigen à charge; de beschuldigde is tevens gerechtigd verweermiddelen aan te voeren en ander krachtens dit Statuut toelaatbaar bewijs naar voren te brengen;
- f. kosteloos bijstand te krijgen van een bevoegde tolk en de vertalingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de vereisten van eerlijkheid, indien een onderdeel van de procedure of een document dat aan het Hof wordt overgelegd niet is gesteld in een taal die de beschuldigde volledig begrijpt en spreekt;
- g. niet te worden gedwongen te getuigen of schuld te bekennen en te kunnen blijven zwijgen zonder dat dit meeweegt bij het vaststellen van schuld of onschuld;
- h. buiten eedsverband een mondelinge of schriftelijke verklaring ten behoeve van zijn verdediging af te leggen; en
- i. niet te worden onderworpen aan een omkering van de bewijslast of aan enige plicht tot tegenbewijs.
Naast enige andere ingevolge dit Statuut bepaalde openbaarmaking, stelt de Aanklager de verdediging in een zo vroeg mogelijk stadium in kennis van bewijsmiddelen die zich in het bezit of in de macht van de Aanklager bevinden en waarvan hij meent dat deze de onschuld van de beschuldigde aantonen of daartoe bijdragen of dat deze de schuld van de beschuldigde verlichten, of die de geloofwaardigheid kunnen aantasten van bewijs waarop de vervolging steunt. Het Hof beslist in gevallen waarin twijfel bestaat over de toepassing van dit lid.
Artikel 68. Bescherming van slachtoffers en getuigen en hun deelname aan de procedure
Het Hof treft passende maatregelen ter bescherming van de veiligheid, het lichamelijk en geestelijk welzijn, de waardigheid en de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en getuigen. Daarbij neemt het Hof alle relevante factoren in aanmerking, met inbegrip van leeftijd, geslacht zoals gedefinieerd in artikel 7, derde lid, en gezondheid, en de aard van het misdrijf, in het bijzonder doch daartoe niet beperkt, wanneer het misdrijf seksueel geweld of seksistisch geweld of geweld tegen kinderen betreft. De Aanklager treft dergelijke maatregelen in het bijzonder tijdens het onderzoek en de vervolging van dergelijke misdrijven. De maatregelen mogen geen afbreuk doen aan of in strijd zijn met de rechten van de beschuldigde en een eerlijke en onpartijdige terechtzitting.
Als uitzondering op het in artikel 67 vastgelegde beginsel dat hoorzittingen openbaar zijn, kunnen de Kamers van het Hof, ter bescherming van slachtoffers en getuigen of een beschuldigde, een deel van het proces in een besloten zitting doen plaatsvinden of toestaan dat bewijs wordt geleverd met behulp van elektronische of andere bijzondere middelen. In het bijzonder wordt dit soort maatregelen getroffen in geval van slachtoffers van seksueel geweld of een kind dat slachtoffer of getuige is, tenzij het Hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in het bijzonder de zienswijze van het slachtoffer of de getuige, anders heeft bepaald.
Waar de persoonlijke belangen van de slachtoffers in het geding zijn, staat het Hof toe dat hun zienswijze en belangen naar voren worden gebracht en in overweging worden genomen in daartoe door het Hof als passend bepaalde stadia van het proces en op een wijze die geen afbreuk doet aan of onverenigbaar is met de rechten van de beschuldigde en een eerlijk en onpartijdig proces. Dergelijke zienswijze en belangen kunnen naar voren worden gebracht door de wettelijke vertegenwoordigers van de slachtoffers indien het Hof dit passend acht, overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.
De Afdeling voor Slachtoffers en Getuigen is bevoegd advies uit te brengen aan de Aanklager en aan het Hof ten aanzien van passende beschermende maatregelen, beveiligingsregelingen, advies en bijstand als bedoeld in artikel 43, zesde lid.
Wanneer openbaarmaking van bewijs of informatie krachtens dit Statuut de veiligheid van een getuige of van zijn gezins- en familieleden ernstig in gevaar kan brengen, is de Aanklager bevoegd ten behoeve van de onderdelen van het proces die voor de aanvang van de terechtzitting plaatsvinden, na te laten dat bewijs of die informatie te geven en in plaats daarvan een samenvatting te verstrekken. Dit soort maatregelen wordt getroffen op een wijze die geen afbreuk doet aan of onverenigbaar is met de rechten van de beschuldigde en een eerlijk en onpartijdig proces.
Een Staat is bevoegd een verzoek in te dienen tot het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn ter bescherming van zijn beambten of agenten en ter bescherming van vertrouwelijke of gevoelige informatie.
Artikel 69. Bewijs
Alvorens een getuigenverklaring af te leggen, dient elke getuige overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering een gelofte af te leggen ten aanzien van de waarheidsgetrouwheid van het door hem te leveren bewijs.
De getuigenverklaring wordt ter terechtzitting in persoon afgelegd behoudens voorzover de in artikel 68 of in het Reglement van proces- en bewijsvoering vermelde maatregelen zijn getroffen. Het Hof is ook bevoegd toe te staan dat een getuige een verklaring aflegt door middel van het direct gesproken woord of een bandopname, door gebruikmaking van video- of audiotechnologie, alsmede door de overlegging van documenten of schriftelijke transcripties overeenkomstig dit Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering. Deze maatregelen mogen geen afbreuk doen aan of in strijd zijn met de rechten van de beschuldigde.
De partijen kunnen overeenkomstig artikel 64 bewijsmiddelen overleggen die voor de zaak relevant zijn. Ten behoeve van de waarheidsvinding is het Hof bevoegd overlegging te verzoeken van ieder bewijsmiddel.
Het Hof is bevoegd te beslissen of een bewijsmiddel relevant of toelaatbaar is, waarbij het onder meer in aanmerking neemt de bewijskracht van het bewijsmiddel en de afbreuk die dit bewijsmiddel kan doen aan een eerlijk proces of een eerlijke beoordeling van de getuigenverklaring, overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.
Het Hof dient bijzondere rechten op vertrouwelijkheid te eerbiedigen en in acht te nemen als voorzien in het Reglement van proces- en bewijsvoering.
Feiten van algemene bekendheid behoeven geen bewijs en behoren van rechtswege tot de kennisneming van het Hof.
Bewijs verkregen door schending van dit Statuut of internationaal erkende mensenrechten is ontoelaatbaar, indien:
- a. de schending ernstige twijfel doet rijzen ten aanzien van de betrouwbaarheid van het bewijsmiddel; of
- b. de toelating van het bewijsmiddel in strijd zou zijn met de integriteit van de procedure en deze ernstig zou schaden.
Wanneer het Hof beslist over relevantie of de toelaatbaarheid van bewijsmiddel dat door een Staat is vergaard, doet het Hof geen uitspraak over de toepassing van het nationale recht van die Staat.
Artikel 70. Misdrijven gericht tegen de rechtspleging
Het Hof heeft rechtsmacht ter zake van de volgende misdrijven tegen de rechtspleging van het Hof wanneer deze opzettelijk worden begaan:
- a. het afleggen van een valse getuigenverklaring wanneer ingevolge artikel 69, eerste lid, de verplichting bestaat de waarheid te spreken;
- b. het leveren van bewijs waarvan de partij weet dat het vals of vervalst is;
- c. het door middel van omkoping beïnvloeden van een getuige, het belemmeren van de verschijning van een getuige of van het vrijelijk afleggen van een getuigenverklaring, het wraak nemen op een getuige wegens het afleggen van een verklaring of het beschadigen, vernietigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enige bewijsmiddel dan wel het vervalsen daarvan of het belemmeren van de vrijelijke bewijsgaring;
- d. het hinderen, intimideren of door middel van omkoping beïnvloeden van een beambte van het Hof teneinde deze te dwingen of over te halen zijn bediening niet of onjuist te vervullen;
- e. het wraak nemen op een beambte van het Hof wegens de taken die door deze of een andere beambte zijn vervuld;
- f. het als beambte van het Hof in samenhang met zijn bediening vragen om steekpenningen of het aannemen daarvan.
Het Hof oefent rechtsmacht uit over misdrijven ingevolge dit artikel overeenkomstig de in het Reglement van proces- en bewijsvoering bepaalde beginselen en procedure. De voorwaarden voor verlening van internationale rechtshulp aan het Hof met betrekking tot de procedures ingevolge dit artikel worden bepaald door de nationale wetgeving van de Staat waaraan een verzoek wordt gericht.
Bij veroordeling is het Hof bevoegd een gevangenisstraf op te leggen van ten hoogste vijf jaar of een boete overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering, of beide.
- a. Elke Staat die Partij is breidt de werking van zijn strafrecht, waarbij misdrijven tegen de integriteit van zijn eigen opsporing en rechtspleging strafbaar worden gesteld, uit tot misdrijven tegen de rechtspleging als bedoeld in dit artikel, die begaan zijn op zijn grondgebied of door een van zijn onderdanen;
- b. Op verzoek van het Hof, legt een Staat die Partij is de zaak ter vervolging voor aan zijn bevoegde autoriteiten wanneer hij dit passend vindt.
Artikel 71. Sancties op wangedrag ten overstaan van het Hof
Het Hof is bevoegd aan personen die voor het Hof verschijnen en zich misdragen, bijvoorbeeld door verstoring van de procesvoering of moedwillige weigering de aanwijzingen van het Hof op te volgen, bij wijze van sanctie een administratieve maatregel anders dan vrijheidsbeneming op te leggen, zoals tijdelijke of blijvende verwijdering uit de rechtszaal, een boete of een andere, in het Reglement van proces- en bewijsvoering voorziene, vergelijkbare maatregel.
De procedures die gelden voor het opleggen van de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden bepaald bij het Reglement van proces- en bewijsvoering.
Artikel 72. Bescherming van informatie met betrekking tot de nationale veiligheid
Dit artikel geldt voor elk geval waarin de openbaarmaking van de informatie of documenten van een Staat, naar de mening van die Staat zijn nationale veiligheidsbelangen zou schaden. Deze gevallen omvatten mede die zaken die vallen binnen de reikwijdte van artikel 56, tweede en derde lid, artikel 61, derde lid, artikel 64, derde lid, artikel 67, tweede lid, artikel 68, zesde lid, artikel 87, zesde lid en artikel 93, alsmede gevallen die zich voordoen in enig ander stadium van de procedure wanneer een dergelijke openbaarmaking aan de orde kan zijn.
Dit artikel geldt tevens wanneer een persoon aan wie is verzocht informatie of bewijs te verschaffen heeft geweigerd dit te doen of de zaak naar de Staat heeft verwezen op grond van het feit dat openbaarmaking de nationale veiligheidsbelangen van een Staat zou schaden en de betrokken Staat bevestigt dat openbaarmaking zijn nationale veiligheidsbelangen zou schaden.
Niets in dit artikel doet afbreuk aan de vereisten van vertrouwelijkheid ingevolge artikel 54, derde lid, onder e en f, of aan de toepassing van artikel 73.
Indien een Staat ter kennis komt dat informatie of documenten van de Staat in enig stadium van de procedure waarschijnlijk of zeker worden openbaargemaakt en hij is van oordeel dat openbaarmaking zijn nationale veiligheidsbelangen zou schaden, heeft die Staat het recht tussenbeide te komen teneinde overeenkomstig dit artikel een oplossing voor het geschilpunt te verkrijgen.
Indien, naar het oordeel van een Staat, openbaarmaking van informatie zijn nationale veiligheidsbelangen zou schaden, onderneemt deze Staat alle redelijke stappen om, in samenwerking met de Aanklager, de verdediging of de Kamer van vooronderzoek respectievelijk de Kamer van berechting naar gelang het geval, te trachten tot schikking van de zaak te komen. Dergelijke stappen kunnen mede omvatten:
- a. wijziging of verduidelijking van het verzoek;
- b. een beslissing van het Hof over de relevantie van de informatie of het bewijsmiddel waarom is verzocht, of een beslissing over de vraag of het bewijsmiddel, hoewel relevant, zou kunnen worden verkregen of is verkregen van een andere bron dan de aangezochte Staat;
- c. het verkrijgen van informatie of een bewijsmiddel van een andere bron of in een andere vorm; of
- d. overeenstemming over de voorwaarden waaronder de bijstand zou kunnen worden verleend, met inbegrip van, onder meer, het verstrekken van samenvattingen of bewerkte documenten, beperkingen ten aanzien van de openbaarmaking, procedure met gesloten deuren of bij afwezigheid van de andere partij, of andere krachtens het Statuut en het Reglement van Proces- en Bewijsvoering toegestane beschermende maatregelen.
Als alle redelijke stappen zijn ondernomen om de zaak door onderlinge samenwerking te schikken en de Staat van oordeel is dat geen middelen of voorwaarden bestaan met behulp waarvan de informatie of documenten verschaft of openbaargemaakt zouden kunnen worden zonder zijn nationale veiligheidsbelangen te schaden, stelt de Staat de Aanklager of het Hof in kennis van de precieze redenen voor zijn besluit, tenzij een dergelijke opgave onontkoombaar uitmondt in schade aan de nationale veiligheidsbelangen van de Staat.
Daarna, indien het Hof het bewijs relevant en noodzakelijk acht ter vaststelling van de schuld of onschuld van de beschuldigde, is het Hof bevoegd de volgende stappen te ondernemen.
- a. Wanneer openbaarmaking van de informatie of het document wordt verzocht krachtens een verzoek om samenwerking overeenkomstig Deel 9 of de in het tweede lid vermelde omstandigheden, en de Staat een beroep heeft gedaan op de grond tot weigering als bedoeld in artikel 93, vierde lid:
- i. is het Hof bevoegd, alvorens tot de slotsom te komen als bedoeld in het zevende lid, onder a, onderdeel ii., te verzoeken om aanvullend overleg teneinde de opmerkingen van de Staat in overweging te nemen, waaronder hoorzittingen met gesloten deuren en bij afwezigheid van de andere partij;
- ii. indien het Hof tot de slotsom komt dat de aangezochte Staat, door zich te beroepen op de grond tot weigering ingevolge artikel 93, vierde lid, in de omstandigheden van het geval, niet handelt overeenkomstig zijn verplichtingen ingevolge dit Statuut, is het Hof bevoegd de zaak te verwijzen overeenkomstig artikel 87, zevende lid, onder opgave van de redenen voor zijn besluit;
- iii. is het Hof bevoegd tijdens de terechtzitting van de beschuldigde ten aanzien van het al dan niet bestaan van een feit de onder de omstandigheden passende conclusie te trekken.
- b. In alle andere omstandigheden is het Hof bevoegd:
- i. bevel te geven tot openbaarmaking; of
- ii. voorzover het Hof de openbaarmaking niet gelast, tijdens de terechtzitting van de beschuldigde ten aanzien van het al dan niet bestaan van een feit de onder de omstandigheden passende conclusie te trekken.
Artikel 73. Informatie of documenten van derden
Indien een Staat die Partij is door het Hof wordt verzocht documen-ten of informatie te verstrekken die hij in bewaring, in bezit of onder zijn toezicht heeft, die hem zijn toevertrouwd door een Staat, een inter-gouvernementele organisatie of een internationale organisatie, verzoekt hij degene van wie die documenten of informatie afkomstig zijn om toestemming tot openbaarmaking daarvan. Indien het afkomstig is van een Staat die Partij is, verleent deze toestemming tot openbaarmaking van de informatie of documenten of verplicht hij zich de kwestie van openbaarmaking met het Hof op te lossen overeenkomstig het bepaalde in artikel 72. Indien de documenten of informatie afkomstig zijn van een derde, niet-zijnde een Staat die Partij is, en deze weigert toestemming tot openbaarmaking te verlenen, stelt de aangezochte Staat het Hof ervan in kennis dat hij niet in staat is de documenten of de informatie te verschaffen ten gevolge van een reeds daarvoor bestaande verplichting tot vertrouwelijkheid tegenover degene van wie het afkomstig is.
Artikel 74. Eisen te stellen aan de beslissing
Alle rechters van de Kamer van berechting dienen in elk stadium van de terechtzitting en tijdens de beraadslagingen aanwezig te zijn. Het Presidium mag, van geval tot geval, een of meer reserve-rechters, voorzover beschikbaar, aanwijzen om in elk stadium van de terechtzitting aanwezig te zijn en een lid van de Kamer van berechting te vervangen indien dat lid niet in staat is aan de behandeling te blijven deelnemen.
De beslissing van de Kamer van berechting is gebaseerd op zijn beoordeling van het bewijs en de volledige procedure. De beslissing beperkt zich tot de in de tenlastelegging omschreven feiten en omstandigheden en alle wijzigingen daarin. Het Hof kan zijn beslissing alleen baseren op bewijsmiddelen die aan hem zijn voorgelegd en ter terechtzitting besproken.
De rechters trachten tot eenstemmigheid te komen in hun beslissing, bij gebreke waarvan de beslissing wordt genomen bij meerderheid van de rechters.
De beraadslagingen van de Kamer van berechting blijven geheim.
De beslissing wordt schriftelijk vastgelegd en omvat een volledig, met redenen omkleed verslag van de bevindingen van de Kamer van berechting inzake het bewijs en de conclusies. De Kamer van berechting spreekt één beslissing uit. Wanneer de beslissing niet eenstemmig is, vermeldt de beslissing van de Kamer van berechting de zienswijzen van de meerderheid en van de minderheid. De beslissing of een samenvatting daarvan wordt in een openbare zitting voorgelezen.
Artikel 75. Herstelbetalingen aan slachtoffers
Het Hof stelt beginselen vast met betrekking tot herstelbetalingen aan of ten aanzien van slachtoffers, met inbegrip van restitutie, schadeloosstelling en rehabilitatie. Op basis daarvan is het Hof bevoegd in zijn beslissing, op verzoek of ambtshalve in uitzonderlijke omstandigheden, de reikwijdte en omvang te bepalen van schade, verlies en letsel veroorzaakt aan of ten aanzien van slachtoffers en vermeldt het Hof de beginselen waarop zijn handelen is gegrond.
Het Hof is bevoegd een rechtstreeks bevel te richten tot een veroordeelde persoon, waarin passende herstelbetalingen zijn omschreven aan of ten aanzien van slachtoffers, met inbegrip van restitutie, schadeloosstelling en rehabilitatie. Waar het Hof dit gepast acht, is het bevoegd te gelasten dat de toekenning van herstelbetalingen geschiedt via het in artikel 79 bedoelde Trustfonds.
Alvorens een bevel uit te vaardigen ingevolge dit artikel, is het Hof bevoegd gelegenheid te geven tot het kenbaar maken van opvattingen door of uit naam van de veroordeelde persoon, de slachtoffers, andere belanghebbenden of belanghebbende Staten, waarmee het rekening zal houden.
Bij de uitoefening van de ingevolge dit artikel verleende bevoegdheid is het Hof bevoegd, nadat een persoon is veroordeeld voor een misdrijf waarover het Hof rechtsmacht bezit, te bepalen of het, om uitvoering te geven aan een bevel dat het ingevolge dit artikel bevoegd is te geven, noodzakelijk is te verzoeken om maatregelen ingevolge artikel 93, eerste lid.
Een Staat die Partij is geeft uitvoering aan een beslissing ingevolge dit artikel overeenkomstig het bepaalde in artikel 109.
Niets in dit artikel doet afbreuk aan de rechten van slachtoffers krachtens nationaal of internationaal recht.
Artikel 76. Einduitspraak
In geval van veroordeling beraadslaagt de Kamer van berechting over de passende einduitspraak en houdt daarbij rekening met het bewijs en de conclusies die tijdens de terechtzitting naar voren zijn gebracht en relevant zijn voor de einduitspraak.
Behoudens wanneer artikel 65 van toepassing is en voor het einde van de terechtzitting is de Kamer van berechting ambtshalve bevoegd een nadere zitting te houden, en dient hij, wanneer de Aanklager of de beschuldigde dit verzoekt, deze te houden, teneinde kennis te nemen van aanvullend bewijs of aanvullende conclusies die relevant zijn voor de einduitspraak, overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.
Indien het tweede lid van toepassing is neemt het Hof kennis van de opvattingen ingevolge artikel 75 tijdens de in het tweede lid vermelde nadere zitting en, indien noodzakelijk, in de loop van aanvullende zittingen.
De einduitspraak wordt in het openbaar uitgesproken en, waar mogelijk, in aanwezigheid van de beschuldigde.
DEEL 7. STRAFFEN
Artikel 77. Toepasselijke straffen
Onverminderd artikel 110 is het Hof bevoegd een van de volgende straffen op te leggen aan een persoon die veroordeeld is wegens een in artikel 5 van dit Statuut bedoeld misdrijf:
- a. gevangenisstraf voor een bepaald aantal jaren, van ten hoogste 30 jaar; of
- b. levenslange gevangenisstraf wanneer de buitengewone ernst van het misdrijf en de specifieke omstandigheden van de veroordeelde persoon dit rechtvaardigen.
Naast gevangenisstraf, is het Hof bevoegd op te leggen:
- a. een geldboete volgens de maatstaven bepaald in het Reglement van proces- en bewijsvoering;
- b. verbeurdverklaring van opbrengsten, goederen en vermogensbestanddelen die direct of indirect door dat misdrijf zijn verkregen, onverminderd de rechten van derden te goeder trouw.
Artikel 78. Strafoplegging
Overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering houdt het Hof bij de strafoplegging rekening met factoren als de ernst van het misdrijf en de specifieke omstandigheden van de veroordeelde persoon.
Bij de oplegging van een einduitspraak tot gevangenisstraf brengt het Hof de tijd in mindering die overeenkomstig een bevel van het Hof in hechtenis is doorgebracht. Het Hof kan de tijd in mindering brengen die anderszins in hechtenis is doorgebracht in verband met gedragingen die ten grondslag liggen aan het misdrijf.
Wanneer een persoon voor meer dan een misdrijf is veroordeeld wijst het Hof een einduitspraak voor elk misdrijf en bepaalt het in een gevoegde einduitspraak waarin de totale duur van de gevangenisstraf wordt vermeld. Deze duur is niet korter dan de hoogste afzonderlijk opgelegde straf en niet langer dan 30 jaar gevangenisstraf of levenslange gevangenisstraf overeenkomstig artikel 77, eerste lid, onder b.
Artikel 79. Trustfonds
Bij besluit van de Vergadering van Staten die Partij zijn wordt een Trustfonds gevormd ten behoeve van slachtoffers van misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit, en van hun gezins- en familieleden.
Het Hof is bevoegd te gelasten dat gelden en andere goederen die op bevel van het Hof door middel van boetes of verbeurdverklaring zijn verzameld, naar het Trustfonds worden overgemaakt.
Het Trustfonds wordt beheerd overeenkomstig de door de Vergadering van Staten die Partij zijn te bepalen criteria.
Artikel 80. Toepasselijkheid van nationale straffen en wetten
Het in dit Deel van het Statuut bepaalde doet geen afbreuk aan de toepasselijkheid van nationale straffen en wetten noch aan het recht van Staten die niet hebben voorzien in straffen zoals in dit Deel zijn voorgeschreven.
DEEL 8. BEROEP EN HERZIENING
Artikel 81. Beroep tegen een einduitspraak
Tegen een beslissing ingevolge artikel 74 kan beroep worden ingesteld overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.
- a. De Aanklager is bevoegd beroep in te stellen op een van de volgende gronden:
- i. een procedurefout,
- ii. feitelijke dwaling, of
- iii. rechtsdwaling;
- b. De veroordeelde of de Aanklager namens hem, is bevoegd beroep in te stellen op een van de volgende gronden:
- i. een procedurefout,
- ii. feitelijke dwaling,
- iii. rechtsdwaling, of
- iv. andere gronden die de eerlijkheid en de betrouwbaarheid van de procedure of de beslissing aantasten.
- a. Overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering zijn de Aanklager en de veroordeelde bevoegd om beroep in te stellen tegen een einduitspraak, op grond van onevenredigheid tussen het misdrijf en de einduitspraak;
- b. Indien het Hof op een beroep tegen een einduitspraak gronden aanneemt om de veroordeling geheel of gedeeltelijk te vernietigen, is het Hof bevoegd de Aanklager en de veroordeelde uit te nodigen gronden te ontwikkelen ingevolge artikel 81, eerste lid, onder a of b, en een beslissing te nemen over veroordeling overeenkomstig artikel 83;
- c. Dezelfde procedure geldt, indien het Hof op een beroep dat alleen de veroordeling betreft gronden aanneemt tot vermindering van de straf ingevolge het tweede lid, onder a.
- a. Tenzij de Kamer van berechting anders beveelt, blijft een veroordeelde hangende een beroep in hechtenis;
- b. Wanneer de tijd die een veroordeelde in bewaring heeft doorgebracht de opgelegde gevangenisstraf te boven gaat, wordt hij in vrijheid gesteld, met dien verstande dat de invrijheidstelling, indien de Aanklager eveneens beroep heeft ingesteld, kan zijn onderworpen aan de hierna onder c vermelde voorwaarden;
- c. In geval van vrijspraak wordt de beschuldigde onmiddellijk in vrijheid gesteld met inachtneming van het volgende:
- i. in buitengewone omstandigheden, met inachtneming van het concrete vluchtgevaar, de ernst van het tenlastegelegde misdrijf en de slagingskans van het beroep, is de Kamer van berechting bevoegd op verzoek van de Aanklager de hechtenis hangende het hoger beroep te doen voortduren;
- ii. tegen een beslissing van de Kamer van berechting ingevolge het bepaalde onder c, onderdeel ii. kan beroep worden ingesteld overeenkomstig het Reglement van proces en bewijsvoering.
Onverminderd het derde lid, onder a en b, wordt de tenuitvoerlegging van de uitspraak geschorst gedurende de beroepstermijn en voor de duur van de afdoening in beroep.
Artikel 82. Beroep tegen andere beslissingen
Elk van beide partijen is bevoegd beroep in te stellen tegen de volgende beslissingen overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering:
- a. een beslissing ten aanzien van de rechtsmacht of ontvankelijkheid;
- b. een beslissing tot invrijheidstelling van de verdachte of beschuldigde of weigering daarvan;
- c. een ambtshalve beslissing van de Kamer van vooronderzoek ingevolge artikel 56, derde lid;
- d. een beslissing die waagt van een punt dat van aanmerkelijke invloed kan zijn op een eerlijk en vlot verloop van de procedure of op de uitkomst van de terechtzitting, en waarvoor naar het oordeel van de Kamer van vooronderzoek of de Kamer van berechting een onmiddellijke uitspraak van de Kamer van beroep de voortgang van de procedure in belangrijke mate kan bevorderen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)