Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden

Type Verdrag
Publication 2004-01-18
State In force
Source BWB
artikelen 58
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst;

Verwijzende naar de relevante bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982;

Vastberaden om de instandhouding op lange termijn en een duurzaam gebruik van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden veilig te stellen;

Vastbesloten om daartoe de samenwerking tussen de Staten te verbeteren;

Een beroep doende op Vlaggestaten, Havenstaten en Kuststaten om te zorgen voor een efficiëntere rechtshandhaving wat betreft de voor bedoelde bestanden vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen;

Geleid door de wens met name de problemen aan te pakken die zijn aangegeven in hoofdstuk 17, programma C, van Agenda 21 zoals aangenomen door de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling namelijk dat in vele gebieden de visserij op de volle zee niet adequaat wordt beheerd en dat er voor een aantal bestanden overbevissing is, en constaterende dat er problemen zijn zoals niet-gereglementeerde visserij, overkapitalisatie, overcapaciteit, omvlagging om aan controle te ontsnappen, onvoldoende selectief vistuig, onbetrouwbare gegevensbestanden en onvoldoende samenwerking tussen de Staten;

Zich verbindende tot een verantwoorde visserij:

Zich bewust van de noodzaak om negatieve effecten op het mariene milieu te voorkomen, de biodiversiteit te beschermen, de mariene ecosystemen ongeschonden te behouden en het gevaar van effecten op lange termijn of onomkeerbare effecten als gevolg van de visserij zoveel mogelijk te beperken;

Erkennende dat speciale bijstand, zowel financieel, wetenschappelijk als technisch, nodig is om de ontwikkelingslanden in staat te stellen efficiënt mee te werken aan de instandhouding, het beheer en het duurzame gebruik van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden;

Ervan overtuigd dat een overeenkomst over de toepassing van de betrokken bepalingen van het Zeerechtverdrag de beste manier is om deze doelstellingen te bereiken en bijdraagt tot het behoud van internationale vrede en veiligheid;

Bevestigende dat voor de aangelegenheden die niet door het Zeerechtverdrag of door deze Overeenkomst worden geregeld, de regels en de beginselen van het algemene internationale recht van toepassing blijven,

Zijn als volgt overeengekomen:

DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begrippen en toepassingsgebied van de Overeenkomst

1.

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder

  • b. „instandhoudings- en beheersmaatregelen": maatregelen voor de instandhouding en het beheer van een of meer soorten van de levende rijkdommen van de zee, die worden vastgesteld en toegepast overeenkomstig de betrokken bepalingen van het internationale recht zoals dat is neergelegd in het Zeerechtverdrag en in deze Overeenkomst,
  • d. „akkoord": een in het kader van het Zeerechtverdrag en deze Overeenkomst tussen twee of meer Staten overeengekomen samenwerkingsvorm onder andere met het oog op de vaststelling van instandhoudings- en beheersmaatregelen voor een subregio of regio voor een of meer grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden.
  • a. „Staten die partij zijn": Staten die ermee hebben ingestemd door deze Overeenkomst gebonden te zijn en waarvoor deze Overeenkomst in werking is getreden.
  • b. Deze Overeenkomst is mutatis mutandis van toepassing op als zij partij worden bij deze Overeenkomst; in zoverre omvat het begrip „Staten die partij zijn" ook deze lichamen.
3.

Deze Overeenkomst is mutatis mutandis van toepassing voor andere lichamen waarvan vaartuigen op de volle zee vissen.

Artikel 2. Doel

Het doel van deze Overeenkomst is, om via doeltreffende uitvoering van de betrokken bepalingen van het Zeerechtverdrag, instandhouding op lange termijn en duurzaam gebruik van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden te waarborgen.

Artikel 3. Toepassingsgebied

1.

Deze Overeenkomst is, tenzij anders bepaald, van toepassing voor de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden in gebieden die niet onder nationale jurisdictie vallen, met dien verstande evenwel dat de artikelen 6 en 7 ook van toepassing zijn voor dergelijke visbestanden in gebieden onder nationale jurisdictie, onverminderd de verschillende juridische stelsels die krachtens het Zeerechtverdrag van toepassing zijn in de gebieden onder nationale jurisdictie en de gebieden daarbuiten.

2.

Wanneer de Kuststaat zijn soevereine rechten inzake exploratie, exploitatie, instandhouding en beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden uitoefent in de gebieden onder nationale jurisdictie worden de in artikel 5 genoemde algemene beginselen mutatis mutandis toegepast.

3.

De Staten houden, zoals bepaald in deze Overeenkomst, rekening met de individuele capaciteit van de ontwikkelingslanden om het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 7 toe te passen in de gebieden onder hun nationale jurisdictie en met hun behoefte aan bijstand. Daartoe is deel VII mutatis mutandis van toepassing voor gebieden onder nationale jurisdictie.

Artikel 4. Verhouding tussen deze Overeenkomst en het Zeerechtverdrag

Deze Overeenkomst verandert niets in de rechten, de jurisdictie en de plichten van de Staten op grond van het Zeerechtverdrag. Deze Overeenkomst wordt uitgelegd en toegepast in samenhang met het Zeerechtverdrag en op een wijze die coherent is met dat Verdrag.

DEEL II. INSTANDHOUDING EN BEHEER VAN DE GRENSOVERSCHRIJDENDE EN DE OVER GROTE AFSTANDEN TREKKENDE VISBESTANDEN

Artikel 5. Algemene beginselen

Met het oog op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden dienen de Kuststaten en de Staten die op de volle zee vissen, bij het uitvoeren van de in het Zeerechtverdrag neergelegde plicht tot samenwerking

  • a. maatregelen te nemen voor de instandhouding op lange termijn van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, en voor een optimaal gebruik daarvan;
  • b. die maatregelen te baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens en af te stemmen op behoud van de visbestanden of op herstel daarvan tot een niveau waarbij de maximale duurzame opbrengst wordt verkregen, daarbij rekening houdende met relevante milieutechnische en economische factoren, waaronder de bijzondere omstandigheden van ontwikkelingslanden, en met de visserijpatronen, de onderlinge afhankelijkheid van de visbestanden en algemeen aanbevolen internationale minimumnormen die in subregionaal, regionaal of mondiaal verband zijn vastgesteld;
  • c. de preventieve aanpak toe te passen overeenkomstig artikel 6;
  • d. te evalueren welke effecten de visserij, andere menselijke activiteiten en milieufactoren hebben op de bestanden die het doel zijn van de visserij en op de soorten die tot hetzelfde ecosysteem behoren of die verwant zijn met of afhankelijk zijn van genoemde doelbestanden;
  • e. zo nodig instandhoudings- en beheersmaatregelen vast te stellen om de bestanden van soorten die tot hetzelfde ecosysteem behoren als of die verwant zijn met of afhankelijk zijn van de doelbestanden boven een niveau te houden of weer boven een niveau te brengen waarbeneden de reproduktie ernstig in gevaar kan komen;
  • f. vervuiling, afval, teruggooi, vangsten door verloren gegaan of opgegeven vistuig, vangsten van niet-doelsoorten, zowel vis als andere soorten (hierna „niet-doelsoorten" genoemd), en de effecten van een en ander op verwante of afhankelijke soorten, in het bijzonder bedreigde soorten, tot een minimum te beperken via maatregelen die, in de mate van het mogelijke, ontwikkeling en gebruik omvatten van vistuig en vismethoden die selectief en milieuveilig zijn en waarvan de kosten/baten-verhouding gunstig is;
  • g. de biodiversiteit in het mariene milieu te beschermen;
  • h. maatregelen te nemen om overbevissing en overcapaciteit te voorkomen of daaraan een einde te maken en ervoor te zorgen dat de visserijinspanning niet groter is dan een niveau dat verenigbaar is met een duurzaam gebruik van de visbestanden;
  • i. rekening te houden met de belangen van de zelfvoorzieningsvissers;
  • j. overeenkomstig het bepaalde in bijlage I tijdig volledige en nauwkeurige gegevens over de visserijactiviteiten te verzamelen, waaronder gegevens met betrekking tot de positie van de vaartuigen, de vangsten van doelsoorten en niet-doelsoorten en de visserij-inspanning, en die gegevens, alsmede de informatie uit nationale en internationale onderzoekprogramma's met andere te delen;
  • k. wetenschappelijk onderzoek te bevorderen en te verrichten, en technieken te ontwikkelen die kunnen bijdragen tot instandhouding en het beheer van de visbestanden, en
  • l. de instandhoudings- en beheersmaatregelen toe te passen en te doen naleven via doeltreffende monitoring-, controle- en toezichtregelingen.

Artikel 6. Preventieve aanpak

1.

Ter bescherming van de levende rijkdommen van de zee en voor het behoud van het mariene milieu volgen de Staten voor de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden op ruime schaal de preventieve aanpak.

2.

De Staten zijn extra voorzichtig wanneer de informatie twijfelachtig, onbetrouwbaar of niet adequaat is. Het ontbreken van adequate informatie is geen reden om instandhoudings- en beheersmaatregelen uit te stellen of achterwege te laten.

3.

Bij het uitvoeren van de preventieve aanpak dienen de Staten

  • a. de besluitvorming voor maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden te verbeteren door zich de beste beschikbare wetenschappelijke informatie te verschaffen en die informatie met elkaar te delen, en door verbeterde technieken toe te passen om risico's en onzekerheden te ondervangen;
  • b. de in bijlage II vastgestelde richtlijnen toe te passen en, aan de hand van de beste beschikbare wetenschappelijke informatie, bestandspecifieke referentiewaarden te bepalen en de maatregelen vast te stellen voor het geval die waarden worden overschreden;
  • c. onder andere rekening te houden met onzekerheden over de grootte en de produktiviteit van de bestanden, de referentiewaarden, de situatie van een bestand ten opzichte van die referentiewaarden, het niveau en de spreiding van de visserijmortaliteit en het effect van de visserijactiviteit op niet-doelsoorten en verwante of afhankelijke soorten, en voorts met de toestand van de oceaan en het milieu, met de sociaal-economische situatie, alsmede met de voorspellingen dienaangaande;
  • d. het verzamelen van gegevens te ontwikkelen en onderzoekprogramma's op te stellen om te evalueren welk effect de visserij heeft op niet-doelsoorten en verwante of afhankelijke soorten, alsmede op hun milieu, en plannen vast te stellen voor het behoud van dergelijke soorten en voor de bescherming van ernstig bedreigde habitats.
4.

De Staten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer de referentiewaarden bijna zijn bereikt, die waarden niet worden overschreden. Wanneer dat toch het geval is, nemen de Staten onverwijld de in lid 3, onder b, bedoelde maatregelen voor het herstel van de visbestanden.

5.

Als de situatie van bestanden van doelsoorten of niet-doelsoorten of verwante of afhankelijke soorten reden geeft tot bezorgdheid, zorgen de Staten voor verscherpte monitoring op dergelijke bestanden en soorten met het oog op evaluatie van de situatie daarvan, alsmede van de doeltreffendheid van de instandhoudings- en beheersmaatregelen. Laatstbedoelde maatregelen worden regelmatig aangepast in het licht van nieuwe informatie.

6.

Voor nieuwe visserijtakken of voor verkennende visserij stellen de Staten zo spoedig mogelijk preventieve instandhoudings- en beheersmaatregelen vast, waaronder vangst- en visserij-inspanningsbeperkingen. Dergelijke maatregelen blijven van kracht tot er voldoende gegevens zijn voor evaluatie van het effect van de visserij op de duurzaamheid op lange termijn van de betrokken bestanden; vervolgens worden instandhoudings- en beheersmaatregelen toegepast die op grond van die evaluatie zijn vastgesteld. Deze maatregelen voorzien zo nodig in een geleidelijke ontwikkeling van de visserij.

7.

Bij een natuurverschijnsel met aanzienlijke negatieve effecten op de situatie van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden nemen de Staten op korte termijn instandhoudings- en beheersmaatregelen om ervoor te zorgen dat die negatieve effecten niet door de visserij worden verergerd. Dergelijke spoedmaatregelen worden door de Staten ook vastgesteld wanneer de visserij een ernstige bedreiging vormt voor de duurzaamheid van genoemde visbestanden. Spoedmaatregelen zijn tijdelijk en worden gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens.

Artikel 7. Compatibiliteit van instandhoudings- en beheersmaatregelen

1.

Onverminderd de in het Zeerechtverdrag vastgelegde soevereine rechten van de Kuststaten inzake exploratie, exploitatie, instandhouding en beheer van de levende rijkdommen van de zee in de gebieden onder hun nationale jurisdictie en het overeenkomstig het Zeerechtverdrag voor alle Staten geldende recht om hun onderdanen op de volle zee te laten vissen,

  • a. dienen, voor de grensoverschrijdende visbestanden, de betrokken Kuststaten en de Staten waarvan de onderdanen op dergelijke bestanden in de aangrenzende wateren van de volle zee vissen ernaar te streven om rechtstreeks of via de geëigende samenwerkingsvormen als bedoeld in deel III tot overeenstemming te komen over de maatregelen die nodig zijn voor de instandhouding van de betrokken visbestanden in de aangrenzende wateren van de volle zee;
  • b. dienen, voor de over grote afstanden trekkende visbestanden, de betrokken Kuststaten en de Staten waarvan de onderdanen in de regio op dergelijke bestanden vissen rechtstreeks of via de geëigende samenwerkingsvormen als bedoeld in deel III samen te werken om in de hele regio, zowel binnen als buiten de gebieden onder nationale jurisdictie, de betrokken bestanden te behouden en een optimaal gebruik daarvan te bevorderen.
2.

Met het oog op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden als totaliteit dienen de instandhoudings- en beheersmaatregelen die worden vastgesteld voor de volle zee en dergelijke maatregelen die worden aangenomen voor gebieden onder nationale jurisdictie, compatibel te zijn. Daarom hebben de Kuststaten en de Staten die op de volle zee vissen de plicht om samen te werken en ten aanzien van deze visbestanden compatibele maatregelen vast te stellen. Bij het vaststellen van compatibele maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden dienen de Staten

  • a. rekening te houden met de instandhoudings- en beheersmaatregelen die door de Kuststaten overeenkomstig artikel 61 van het Zeerechtverdrag zijn vastgesteld en worden toegepast voor dezelfde visbestanden in de gebieden onder nationale jurisdictie en ervoor te zorgen dat maatregelen die voor die visbestanden in de volle zee worden vastgesteld de doeltreffendheid van de maatregelen van de Kuststaten niet aantasten;
  • b. rekening te houden met maatregelen die eerder door de betrokken Kuststaten en op de volle zee vissende Staten overeenkomstig het Zeerechtverdrag voor dezelfde visbestanden zijn vastgesteld en worden toegepast;
  • c. rekening te houden met maatregelen die eerder in het kader van organisaties en akkoorden voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband overeenkomstig het Zeerechtverdrag voor dezelfde visbestanden zijn vastgesteld en worden toegepast;
  • d. rekening te houden met de biologische eenheid die de visbestanden vormen en met andere kenmerken ervan en met de verbanden tussen de verspreiding van de visbestanden in de regio, de daar beoefende takken van visserij en de geografische bijzonderheden van de betrokken regio, met inbegrip van de mate waarin de visbestanden voorkomen en worden bevist in gebieden onder nationale jurisdictie;
  • e. rekening te houden met de mate waarin de Kuststaten, respectievelijk de Staten die op de volle zee vissen, afhankelijk zijn van de betrokken visbestanden, en
  • f. ervoor te zorgen dat die maatregelen niet schadelijk zijn voor de levende rijkdommen van de zee als totaliteit.
3.

Bij het uitvoeren van hun plicht tot samenwerking stellen de Staten alles in het werk om binnen een redelijke termijn overeenstemming te bereiken over compatibele instandhoudings- en beheersmaatregelen.

4.

Als het niet mogelijk blijkt binnen een redelijke termijn tot overeenstemming te komen, mag elk van de betrokken Staten een beroep doen op de in deel VIII vastgestelde procedures voor de beslechting van geschillen.

5.

In afwachting van overeenstemming over compatibele instandhoudings- en beheersmaatregelen stellen de Staten, in een geest van onderling begrip en samenwerking, alles in het werk om tot voorlopige, praktische regelingen te komen. Als overeenstemming over dergelijke regelingen niet mogelijk blijkt, mag elk van de betrokken Staten het geschil, met het oog op voorlopige maatregelen, aan een hof of scheidsgerecht voorleggen overeenkomstig de in deel VIII vastgestelde procedures voor de beslechting van geschillen.

6.

Bij voorlopige regelingen of maatregelen die worden aanvaard of opgelegd op grond van lid 5 moet rekening worden gehouden met de bepalingen in dit Deel en moet passende aandacht worden gegeven aan de rechten en verplichtingen van alle betrokken Staten; voorts dienen die regelingen of maatregelen uiteindelijke overeenstemming over compatibele instandhoudings- en beheersmaatregelen niet in gevaar te brengen of te belemmeren en wordt daarmee niet vooruitgelopen op de uiteindelijke uitkomst van een geschillenprocedure.

7.

De Kuststaten informeren de Staten die op de volle zee in de subregio of regio vissen, rechtstreeks of in het kader van geëigende subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer, dan wel op een andere geschikte wijze, over de maatregelen die zij hebben vastgesteld met betrekking tot de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden in de wateren onder hun nationale jurisdictie.

8.

De Staten die op de volle zee vissen, informeren de andere betrokken Staten, rechtstreeks of in het kader van geëigende subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer, dan wel op een andere geschikte wijze, regelmatig over de door hen vastgestelde maatregelen voor regulering van de activiteit van vaartuigen die hun vlag voeren en die op de volle zee op de betrokken bestanden vissen.

DEEL III. MECHANISMEN VOOR INTERNATIONALE SAMENWERKING MET BETREKKING TOT DE GRENSOVERSCHRIJDENDE EN DE OVER GROTE AFSTANDEN TREKKENDE VISBESTANDEN

Artikel 8. Samenwerking voor instandhouding en beheer

1.

De Kuststaten en de Staten die op de volle zee vissen, streven, overeenkomstig het Zeerechtverdrag, rechtstreeks of in het kader van geëigende subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer en rekening houdende met de specifieke kenmerken van de subregio of regio, naar samenwerking met betrekking tot de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden met het oog op doeltreffende instandhouding en een doeltreffend beheer van die bestanden.

2.

De Staten beginnen, met name bij aanwijzingen over mogelijke overbevissing van de betrokken grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden of bij ontwikkeling van een nieuwe visserij ten opzichte van die visbestanden, onverwijld te goeder trouw overleg. Daartoe kan op verzoek van iedere belanghebbende Staat overleg op gang worden gebracht met het oog op vaststelling van adequate regelingen voor de instandhouding en het beheer van de betrokken visbestanden. In afwachting van overeenstemming houden de Staten zich aan de bepalingen van deze Overeenkomst en handelen zij te goeder trouw met passende aandacht voor de rechten, belangen en verplichtingen van andere Staten.

3.

Wanneer er een organisatie of akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband bestaat met de bevoegdheid om de instandhoudings- en beheersmaatregelen voor bepaalde grensoverschrijdende of over grote afstanden trekkende visbestanden vast te stellen, komen de Staten die op de volle zee op de betrokken bestanden vissen, en de betrokken Kuststaten hun plicht tot samenwerking na door lid te worden van de betrokken organisatie of partij te worden bij het betrokken akkoord, of door te accepteren om de in het kader van de organisatie of het akkoord vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen toe te passen. De Staten met een reëel belang bij de betrokken visserij kunnen lid worden van een dergelijke organisatie of partij worden bij een dergelijk akkoord. De regels voor de deelneming aan een dergelijke organisatie of een dergelijk akkoord mogen de betrokken Staten niet verhinderen lid te worden van zo'n organisatie of partij te worden bij zo'n akkoord; ook mogen die regels niet zo worden toegepast dat wordt gediscrimineerd tegen een Staat of een groep Staten met een reëel belang bij de betrokken visserij.

4.

Alleen Staten die lid zijn van een dergelijke organisatie of die partij zijn bij een dergelijk akkoord, of die accepteren om de in het kader van een dergelijke organisatie of een dergelijk akkoord vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen toe te passen, krijgen toegang tot de visbestanden waarvoor die maatregelen gelden.

5.

Wanneer er geen organisatie of akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband bestaat met de bevoegdheid om de instandhoudings- en beheersmaatregelen voor een bepaald grensoverschrijdend of over grote afstanden trekkend visbestand vast te stellen, werken de betrokken Kuststaten en de Staten die in de betrokken subregio of regio op de volle zee op dat bestand vissen, samen voor de oprichting van een dergelijke organisatie of het aangaan van andere geëigende akkoorden voor de instandhouding en het beheer van een dergelijk visbestand en nemen zij deel aan de werkzaamheden in het kader van deze organisatie of dit akkoord voor visserijbeheer.

6.

Iedere Staat die voornemens is voor te stellen dat maatregelen worden genomen door een intergouvernementele organisatie die bevoegd is voor de levende rijkdommen van de zee, zorgt, wanneer die maatregelen aanzienlijke effecten zouden hebben voor de instandhoudings- en beheersmaatregelen die reeds zijn vastgesteld in het kader van subregionale of regionale organisaties of akkoorden voor visserijbeheer, via hun instanties voor overleg met de leden van die organisatie of de partijen bij die akkoorden. Voor zover mogelijk gebeurt dat overleg voordat het voorstel bij de intergouvernementele organisatie wordt ingediend.

Artikel 9. Subregionale en regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer

1.

Bij de oprichting van subregionale of regionale organisaties en bij het aangaan van subregionale of regionale akkoorden voor het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden dienen de Staten onder andere overeenstemming te bereiken over

  • a. de visbestanden waarvoor de instandhoudings- en beheersmaatregelen gelden, daarbij rekening houdende met de biologische kenmerken van de betrokken bestanden en de aard van de betrokken visserij;
  • b. het toepassingsgebied, daarbij rekening houdende met artikel 7, lid 1, en de kenmerken van de subregio of regio, waaronder sociaal-economische, geografische en milieutechnische factoren;
  • c. de verhouding tussen de werkzaamheden in het kader van de nieuwe organisatie of het nieuwe akkoord en de taak, de doelstellingen en activiteiten in het kader van bestaande organisaties en akkoorden voor visserijbeheer, en
  • d. de wijze waarop in het kader van de organisatie of het akkoord wetenschappelijk advies zal worden verkregen en de situatie van de visbestanden zal worden besproken, waaronder, zo nodig, de oprichting van een wetenschappelijke adviserende instantie.
2.

De Staten die samenwerken voor de oprichting van een subregionale of regionale organisatie of de totstandbrenging van een subregionaal of regionaal akkoord voor visserijbeheer, geven daarvan kennis aan andere Staten waarvan hun bekend is dat zij een reëel belang hebben bij de werkzaamheden in het kader van de beoogde organisatie of het beoogde akkoord.

Artikel 10. Uit te voeren taken in het kader van subregionale en regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer

In het kader van hun plicht tot samenwerking binnen subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer dienen de Staten

  • a. tot overeenstemming te komen over en zich te houden aan instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de instandhouding op lange termijn en het duurzaam gebruik van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden;
  • b. zo nodig, tot overeenstemming te komen over de rechten van de deelnemers zoals toewijzingen uit toegestane vangsten of niveaus van visserij-inspanning;
  • c. algemeen aanbevolen internationale minimumnormen voor een verantwoorde visserij aan te nemen en toe te passen;
  • d. wetenschappelijke adviezen te verzamelen en te evalueren, de situatie van de visbestanden te bespreken, en te evalueren welk effect de visserij heeft op niet-doelsoorten en op de met de doelsoorten verwante of daarvan afhankelijke soorten;
  • e. tot overeenstemming te komen over normen voor het verzamelen, rapporteren, verifiëren en uitwisselen van gegevens over de visserij op de betrokken visbestanden;
  • f. zoals omschreven in bijlage I, nauwkeurige en volledige statistische gegevens te groeperen en te publiceren, waar nodig met behoud van vertrouwelijkheid, om ervoor te zorgen dat de beste wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn;
  • g. wetenschappelijke evaluaties van de visbestanden en daarmee verband houdend onderzoek te bevorderen en te verrichten, en de resultaten daarvan te publiceren;
  • h. adequate samenwerkingsvormen vast te stellen voor monitoring, controle, toezicht en rechtshandhaving die efficiënt zijn;
  • i. tot overeenstemming te komen over de wijze waarop rekening wordt gehouden met de visserijbelangen van nieuwe leden van de organisatie of nieuwe partijen bij het akkoord voor visserijbeheer;
  • j. tot overeenstemming te komen over besluitvormingsprocedures waardoor het tijdig en efficiënt vaststellen van instandhoudings- en beheersmaatregelen wordt vergemakkelijkt;
  • k. de vreedzame beslechting van geschillen, overeenkomstig deel VIII, te bevorderen;
  • l. te zorgen voor volledige medewerking van de betrokken nationale instanties en sectoren van het bedrijfsleven bij de uitvoering van de aanbevelingen en besluiten die in het kader van de organisatie of het akkoord worden vastgesteld, en
  • m. passende bekendheid te geven aan de instandhoudings- en beheersmaatregelen die in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord zijn vastgesteld.

Artikel 11. Nieuwe leden of partijen

Bij het vaststellen van de aard en de omvang van de rechten van nieuwe leden van of nieuwe partijen bij een organisatie of akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband dienen de Staten onder andere rekening te houden met

  • a. de situatie van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden en het bestaande niveau van visserij-inspanning ten opzichte van die visbestanden;
  • b. de belangen, het visserijpatroon en de vismethoden van de nieuwe leden of partijen enerzijds en de oude anderzijds;
  • c. de bijdrage van respectievelijk nieuwe en oude leden of partijen aan de instandhouding en het beheer van de betrokken visbestanden, aan het verzamelen en het verstrekken van nauwkeurige gegevens, en aan het wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de visbestanden;
  • d. de behoeften van de vissersgemeenschappen in het betrokken kustgebied die in hoofdzaak afhankelijk zijn van de visserij op de betrokken visbestanden;
  • e. de behoeften van de Kuststaten waarvan de economie buitengewoon afhankelijk is van de exploitatie van de levende rijkdommen van de zee, en
  • f. de belangen van de Ontwikkelingslanden in de subregio of regio, als de betrokken visbestanden ook voorkomen in de gebieden onder nationale jurisdictie van die Staten.

Artikel 12. Doorzichtigheid van de werkzaamheden in het kader van subregionale en regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer

1.

De Staten zorgen voor doorzichtigheid van het besluitvormingsproces en de andere werkzaamheden in het kader van subregionale en regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer.

2.

Vertegenwoordigers van andere intergouvernementele organisaties en vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties die zich bezighouden met de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden krijgen de gelegenheid om, naar gelang van het geval, als waarnemer of in een andere hoedanigheid, aan vergaderingen in het kader van de subregionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer deel te nemen overeenkomstig de voor de betrokken organisatie of het betrokken akkoord vastgestelde procedures. Deze procedures mogen op dit punt niet nodeloos restrictief zijn. Deze intergouvernementele organisaties en niet-gouvernementele organisaties krijgen tijdig toegang tot de verslagen en rapporten in verband met de werkzaamheden in het kader van deze organisaties en akkoorden, een en ander onverminderd de procedurebepalingen inzake de toegang tot die stukken.

Artikel 13. Versterking van bestaande organisaties en akkoorden

De Staten werken samen voor versterking van bestaande subregionale en regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer om hun instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden doeltreffender te kunnen vaststellen en uitvoeren.

Artikel 14. Verzamelen en verstrekken van gegevens en samenwerking bij wetenschappelijk onderzoek

1.

De Staten zorgen ervoor dat de vissersvaartuigen die hun vlag voeren hun de gegevens verstrekken die zij nodig hebben om de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen. Daartoe nemen de Staten overeenkomstig bijlage I de volgende maatregelen:

  • a. zij verzamelen wetenschappelijke, technische en statistische gegevens over de visserij op de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden en wisselen die gegevens met elkaar uit;
  • b. zij zorgen ervoor dat de gegevens gedetailleerd genoeg worden verzameld om doeltreffende evaluatie van de betrokken visbestanden te vergemakkelijken en dat ze tijdig genoeg worden verstrekt met het oog op de behoeften in het kader van de subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer, en
  • c. zij nemen de nodige maatregelen om de juistheid van die gegevens te verifiëren.
2.

De Staten dienen, rechtstreeks of in het kader van subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer,

  • a. tot overeenstemming te komen over de specifieke gegevens die voor de werkzaamheden in het kader van die organisaties en akkoorden moeten worden verstrekt en het formaat waarin dat moet gebeuren, daarbij rekening houdende met de aard van de betrokken visbestanden en van de visserij daarop;
  • b. analysetechnieken en methoden voor bestandsevaluatie te ontwikkelen en met de andere partijen te delen, teneinde de maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden te verbeteren.
3.

In overeenstemming met Deel XIII van het Zeerechtverdrag werken de Staten, rechtstreeks of in het kader van bevoegde internationale organisaties, samen voor versterking van de mogelijkheden voor wetenschappelijk onderzoek op visserijgebied en voor bevordering van wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden dat wordt uitgevoerd in het algemeen belang. Daartoe bevorderen Staten of bevoegde internationale organisaties die dergelijk onderzoek uitvoeren buiten de gebieden onder nationale jurisdictie, actief dat de uitkomsten van dat onderzoek en de gegevens over de doelstellingen en methoden worden bekendgemaakt aan en verspreid in alle belanghebbende Staten en vergemakkelijken zij, in de mate van het mogelijke, deelneming van wetenschapsmensen uit de belanghebbende Staten aan dat onderzoek.

Artikel 15. Ingesloten of half-ingesloten zeeën

Bij toepassing van deze Overeenkomst in een ingesloten of half-ingesloten zee houden de Staten rekening met de natuurlijke kenmerken van die zee en handelen zij in overeenstemming met Deel IX van het Zeerechtverdrag en de andere relevante bepalingen daarvan.

Artikel 16. Gebieden van de volle zee die volledig omgeven zijn door een gebied onder de nationale jurisdictie van een enkele Staat

1.

De Staten die op grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden vissen in een gebied van de volle zee dat volledig omgeven is door een gebied onder de nationale jurisdictie van een enkele Staat, en laatstbedoelde Staat werken samen voor de vaststelling van instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de betrokken visbestanden in de volle zee. Rekening houdende met de natuurlijke kenmerken van het gebied en in overeenstemming met artikel 7 geven de Staten bijzondere aandacht aan compatibele instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de betrokken visbestanden. Bij de vaststelling van de maatregelen voor de volle zee wordt rekening gehouden met de rechten, plichten en belangen van de kuststaat op grond van het Zeerechtverdrag, met de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens, en met de instandhoudings- en beheersmaatregelen die de Kuststaat overeenkomstig artikel 61 van het Zeerechtverdrag heeft aangenomen en toepast voor dezelfde visbestanden in het gebied onder zijn nationale jurisdictie. De Staten komen ook maatregelen overeen inzake monitoring, controle, toezicht en rechtshandhaving om de instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de volle zee te doen naleven.

2.

Overeenkomstig artikel 8 handelen de Staten te goeder trouw en stellen zij alles in het werk om onverwijld tot overeenstemming te komen over de bij de visserij in het in lid 1 bedoelde gebied toe te passen instandhoudings- en beheersmaatregelen. Als de betrokken vissende Staten en de kuststaat niet binnen een redelijke termijn tot overeenstemming kunnen komen over die maatregelen, passen zij, rekening houdende met lid 1, bepaalde in artikel 7, leden 4, 5 en 6, inzake voorlopige regelingen of maatregelen toe. In afwachting van die voorlopige regelingen of maatregelen nemen de betrokken Staten ten aanzien van de vaartuigen die hun vlag voeren maatregelen om ervoor te zorgen dat ze geen visserijactiviteiten uitvoeren die schadelijk zijn voor de betrokken visbestanden.

DEEL IV. STATEN DIE GEEN LID, NOCH PARTIJ ZIJN

Artikel 17. Staten die geen lid van een organisatie, noch partij bij een akkoord voor visserijbeheer zijn

1.

Een Staat die geen lid is van of geen partij is bij een organisatie of akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband of die niet op andere wijze accepteert om de in het kader van een dergelijke organisatie of een dergelijk akkoord vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen toe te passen, is daarmee niet ontslagen van de plicht om, in overeenstemming met het Zeerechtverdrag en deze Overeenkomst, mee te werken bij de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden.

2.

Een dergelijke Staat geeft de vaartuigen die zijn vlag voeren geen toestemming om te vissen op grensoverschrijdende of over grote afstanden trekkende visbestanden waarvoor in het kader van een dergelijke organisatie of een dergelijk akkoord instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn vastgesteld.

3.

De Staten die lid zijn van of partij zijn bij een organisatie of akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband vragen, individueel of samen, de in artikel 1, lid 3, bedoelde lichamen waarvan vissersvaartuigen in het betrokken gebied vissen, om hun volledige medewerking in de vorm van toepassing van de in het kader van die organisatie of dat akkoord vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen, teneinde te bereiken dat die maatregelen de facto op zo ruim mogelijke schaal in het betrokken gebied worden toegepast. Bedoelde lichamen delen in de visserij in verhouding tot hun inzet voor de naleving van de instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de betrokken visbestanden.

4.

De Staten die lid zijn van of partij zijn bij een dergelijke organisatie of een dergelijk akkoord wisselen gegevens uit over de visserijactiviteit van vissersvaartuigen die de vlag voeren van Staten die geen lid van de organisatie, noch partij bij het akkoord zijn, maar toch op de betrokken visbestanden vissen. Om dergelijke vissersvaartuigen te weerhouden van activiteiten die de efficiëntie aantasten van de instandhoudings- en beheersmaatregelen die in het kader van de organisatie of het akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband zijn vastgesteld, nemen zij maatregelen die in overeenstemming zijn met deze Overeenkomst en met het internationale recht.

DEEL V. PLICHTEN VAN DE VLAGGESTAAT

Artikel 18. Plichten van de Vlaggestaat

1.

De Staten waarvan de vaartuigen op de volle zee vissen, nemen de nodige maatregelen opdat de vaartuigen die hun vlag voeren de in het kader van subregionale of regionale organisaties en akkoorden vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen naleven en geen activiteiten uitvoeren die de efficiëntie van bedoelde maatregelen aantasten.

2.

De Staten geven alleen toestemming om vaartuigen die hun vlag voeren, te gebruiken voor de visserij op de volle zee, als zij daadwerkelijk in staat zijn om hun op grond van het Zeerechtverdrag en van deze Overeenkomst geldende verantwoordelijkheden met betrekking tot die vaartuigen na te komen.

3.

De Staten nemen met betrekking tot de vaartuigen die hun vlag voeren onder andere de volgende maatregelen:

  • a. zij controleren vaartuigen die op de volle zee vissen via vergunningen overeenkomstig de toepasselijke in subregionaal, regionaal of mondiaal verband vastgestelde procedures;
  • b. zij stellen reglementen vast
  • i. waarin voor de vergunning zodanige voorwaarden worden bepaald dat zij hun verplichtingen in subregionaal, regionaal of mondiaal verband kunnen nakomen,
  • ii. waarin het vissen op de volle zee met vaartuigen zonder deugdelijke vergunning of op een wijze die niet in overeenstemming is met de voorwaarden voor de vergunning, wordt verboden,
  • iii. waarin wordt bepaald dat de vergunning steeds aan boord dient te zijn van de vaartuigen die op de volle zee vissen en op verzoek voor inspectie moet worden getoond aan een naar behoren gemachtigde persoon, en
  • iv. om ervoor te zorgen dat de vaartuigen die hun vlag voeren niet zonder toestemming vissen in gebieden onder nationale jurisdictie van andere Staten;
  • c. zij stellen een nationaal register op van vissersvaartuigen die op de volle zee mogen vissen en bepalen dat rechtstreeks belanghebbende Staten op verzoek toegang hebben tot de informatie in dat register, rekening houdende met de nationale wetgeving van de Vlaggestaat over het verstrekken van die informatie;
  • d. zij stellen, met het oog op identificatie, voorschriften inzake de kentekens van vissersvaartuigen en vistuig vast die in overeenstemming zijn met uniforme en internationaal erkende systemen, zoals de „Standard Specifications for the Marking and Identification of Fishing Vessels" van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties;
  • e. zij stellen voorschriften vast inzake registratie en tijdige melding van de positie van de vissersvaartuigen, de vangst van doelsoorten en niet-doelsoorten, de visserij-inspanning en andere relevante gegevens over de visserij, een en ander in overeenstemming met subregionale, regionale of mondiale normen voor het verzamelen van dergelijke gegevens;
  • f. zij stellen voorschriften vast voor de controle op de vangst van doelsoorten en niet-doelsoorten, via maatregelen zoals waarnemersprogramma's, inspectieregelingen, losbewijzen, toezicht op overlading, monitoring van de aanvoer, en statistieken over de markt;
  • g. zij zorgen voor monitoring, controle en toezicht op de vaartuigen die hun vlag voeren, op hun visserij-activiteit en op de daarmee verband houdende activiteiten, onder andere via
  • i. de toepassing van nationale inspectieregelingen en van subregionale en regionale samenwerkingsvormen voor rechtshandhaving op grond van de artikelen 21 en 22, met onder andere bepalingen dat die vaartuigen naar behoren gemachtigde inspecteurs van andere Staten aan boord laten,
  • ii. de toepassing van nationale waarnemersprogramma's en subregionale of regionale waarnemersprogramma's waaraan de Vlaggestaat deelneemt, met onder andere bepalingen dat die vaartuigen waarnemers van andere Staten aan boord laten om de in het kader van de programma's overeengekomen taken uit te voeren, en
  • iii. de ontwikkeling en toepassing van systemen voor monitoring van vaartuigen, waaronder, zo nodig, satellietvolgsystemen, in het kader van nationale programma's en in subregionaal, regionaal of mondiaal verband tussen de betrokken Staten overeengekomen programma's;
  • h. zij stellen voorschriften vast voor het overladen op volle zee, teneinde ervoor te zorgen dat de efficiëncy van de instandhoudings- en beheersmaatregelen niet wordt aangetast, en
  • i. zij stellen visserijvoorschriften vast teneinde ervoor te zorgen dat in subregionaal, regionaal of mondiaal verband vastgestelde maatregelen, waaronder die om de vangst van niet-doelsoorten zoveel mogelijk te beperken, worden nageleefd.
4.

Wanneer een in subregionaal, regionaal of mondiaal verband overeengekomen regeling voor monitoring, controle en toezicht geldt, stellen de Staten voor de vaartuigen die hun vlag voeren maatregelen vast die compatibel zijn met die regeling.

DEEL VI. NALEVING VAN DE BEPALINGEN EN RECHTSHANDHAVING

Artikel 19. Naleving van de bepalingen en rechtshandhaving door de Vlaggestaat

1.

De Staten zorgen ervoor dat de vaartuigen die hun vlag voeren de in subregionaal of regionaal verband vastgestelde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden naleven. Daartoe nemen de Staten de volgende maatregelen:

  • a. zij zorgen voor rechtshandhaving, ongeacht de plaats van de overtreding;
  • b. zij zorgen voor een onmiddellijk en grondig onderzoek, dat fysieke inspectie van de betrokken vaartuigen kan omvatten, van beweerde overtredingen van in subregionaal of regionaal verband vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen en rapporteren de Staat die de beweerde overtreding meldt en de instanties van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord in subregionaal of regionaal verband onverwijld over de voortgang en de resultaten van het onderzoek;
  • c. zij verplichten alle vissersvaartuigen die hun vlag voeren om de onderzoeksautoriteiten gegevens te verstrekken over de positie van het vaartuig, de vangsten, het vistuig, de visserij en de daarmee verband houdende activiteiten in het gebied waar er een overtreding zou zijn geweest;
  • d. zij geven, wanneer zij ervan overtuigd zijn dat voldoende bewijsmateriaal beschikbaar is met betrekking tot een beweerde overtreding, de zaak door aan hun autoriteiten teneinde onverwijld te komen tot een gerechtelijke actie overeenkomstig hun wetten en leggen, zo nodig, het vaartuig aan de ketting, en
  • e. zij zorgen ervoor dat, wanneer overeenkomstig hun wetten is vastgesteld dat een vaartuig betrokken is geweest bij een ernstige overtreding van deze maatregelen, het betrokken vaartuig de visserij op de volle zee niet hervat voordat alle door de Vlaggestaat voor die overtreding opgelegde sancties zijn uitgevoerd.
2.

Alle onderzoeken en gerechtelijke acties moeten snel worden uitgevoerd. Sancties voor overtredingen moeten voldoende streng zijn om ervoor te zorgen dat de maatregelen worden nageleefd en om de betrokkenen te weerhouden van overtredingen, waar dan ook, en moeten voorts meebrengen dat de overtreders de winst uit hun onwettige activiteiten wordt ontnomen. De maatregelen ten aanzien van kapiteins en andere officieren van vissersvaartuigen dienen bepalingen te omvatten op grond waarvan onder andere vergunningen om op die vaartuigen in die functies te werken, kunnen worden geweigerd, ingetrokken of geschorst.

Artikel 20. Internationale samenwerking bij rechtshandhaving

1.

De Staten werken rechtstreeks of in het kader van subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer samen om ervoor te zorgen dat in dat kader vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden worden nageleefd en in rechte worden gehandhaafd.

2.

De Vlaggestaten die een onderzoek uitvoeren met betrekking tot een beweerde overtreding van instandhoudings- en beheersmaatregelen voor grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden mogen assistentie vragen van andere Staten waarvan de medewerking dienstig kan zijn voor dat onderzoek. De Staten streven ernaar om aan redelijke verzoeken van de Vlaggestaten in verband met dergelijke onderzoeken te voldoen.

3.

Zo'n onderzoek mag door de Vlaggestaten rechtstreeks, in samenwerking met andere belanghebbende Staten of in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband, worden uitgevoerd. Aan alle Staten die belang hebben bij of nadeel ondervinden van een beweerde overtreding, wordt informatie verstrekt over de voortgang en het resultaat van het onderzoek.

4.

De Staten assisteren elkaar voor het identificeren van de vaartuigen waarvan activiteiten zijn gemeld die de efficiëntie aantasten van instandhoudings- en beheersmaatregelen die in subregionaal, regionaal of mondiaal verband zijn vastgesteld.

5.

De Staten treffen, voor zover volgens nationale wet- of regelgeving toegestaan, regelingen om bewijsmateriaal met betrekking tot beweerde overtredingen van instandhoudings- en beheersmaatregelen beschikbaar te stellen aan de vervolgende autoriteiten van andere Staten.

6.

Wanneer er acceptabele redenen zijn om aan te nemen dat een vaartuig dat zich op de volle zee bevindt, zonder toestemming in een gebied onder jurisdictie van een Kuststaat heeft gevist, wordt, op verzoek van de betrokken kuststaat, zulks door de vlaggestaat van dat vaartuig onmiddellijk grondig onderzocht. De Vlaggestaat werkt in dergelijke gevallen met de Kuststaat samen om te komen tot adequate rechtshandhavingsmaatregelen en kan de betrokken autoriteiten van de Kuststaat toestaan het vaartuig op de volle zee aan te houden en te inspecteren. Het bepaalde in dit lid laat onverlet het bepaalde in artikel 111 van het Zeerechtverdrag.

7.

De Staten die lid zijn van of partij zijn bij een organisatie of een akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband mogen, overeenkomstig het internationale recht, waaronder de daartoe in subregionaal of regionaal verband vastgestelde procedures, totdat de Vlaggestaat passende maatregelen treft, maatregelen nemen om vaartuigen waarvan de activiteiten de efficiëncy van de in het kader van die organisatie of dat akkoord vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen aantasten of op enige andere wijze een overtreding daarvan inhouden, ervan te weerhouden om in de volle zee in de subregio of regio te vissen.

Artikel 21. Subregionale en regionale samenwerking bij rechtshandhaving

1.

De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en tevens lid zijn van of partij zijn bij een organisatie of een akkoord voor visserijbeheer in subregionaal verband, mogen in alle gebieden van de volle zee die daaronder vallen hun naar behoren gemachtigde inspecteurs, overeenkomstig lid 2, vissersvaartuigen die de vlag voeren van een andere Staat die partij is bij deze Overeenkomst, laten aanhouden en laten inspecteren, ongeacht of zo'n Staat ook lid is van de betrokken organisatie of partij is bij het betrokken akkoord, teneinde ervoor te zorgen dat de in het kader van die organisatie of dat akkoord vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden worden nageleefd.

2.

De Staten stellen in het kader van de subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer procedures vast voor het aanhouden en de inspectie op grond van lid 1, alsmede voor de toepassing van de andere bepalingen van dit artikel. Deze procedures dienen in overeenstemming te zijn met dit artikel en de basisprocedures van artikel 22 en mogen geen discriminatie inhouden ten opzichte van niet-leden van de organisatie of niet-partijen bij het akkoord voor het visserijbeheer. De aanhouding en de inspectie, alsmede eventuele volgende rechtshandhavingsmaatregelen worden uitgevoerd volgens die procedures. De Staten geven passende bekendheid aan de krachtens het bepaalde in dit lid vastgestelde procedures.

3.

Als het niet mogelijk is om binnen twee jaar na aanvaarding van deze Overeenkomst bedoelde procedures in het kader van een organisatie of een akkoord vast te stellen, gelden voor de aanhouding en de inspectie op grond van lid 1, alsmede voor eventuele volgende rechtshandhavingsmaatregelen, in afwachting van de vaststelling van dergelijke procedures, de bepalingen van dit artikel en de in artikel 22 vastgestelde basisprocedures.

4.

De inspecterende Staten stellen, voordat zij acties ondernemen op grond van dit artikel, alle Staten waarvan vaartuigen op de volle zee in de betrokken subregio of regio vissen, rechtstreeks of in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband op de hoogte van het identificatiedocument dat zij aan hun naar behoren gemachtigde inspecteurs verstrekken. De vaartuigen die worden gebruikt voor de aanhouding en de inspectie moeten voorzien zijn van duidelijke kentekens en herkend kunnen worden als vaartuigen in overheidsdienst. Bij toetreding tot deze Overeenkomst wijzen de Staten een adequate autoriteit aan voor melding van kennisgevingen op grond van dit artikel en geven zij daaraan passende bekendheid in het kader van de betrokken subregionale of regionale organisaties of akkoorden voor visserijbeheer.

5.

Wanneer er, na de aanhouding en de inspectie, gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een vaartuig in strijd heeft gehandeld met de in lid 1 bedoelde instandhoudings- en beheersmaatregelen, dient de inspecterende Staat, zo nodig, het bewijsmateriaal veilig te stellen en de Vlaggestaat onverwijld in kennis te stellen van de beweerde overtreding.

6.

Na ontvangst van een kennisgeving als bedoeld in lid 5 reageert de Vlaggestaat binnen drie dagen of binnen de reactietermijn die is bepaald in de overeenkomstig lid 2 vastgestelde procedures en

  • a. komt hij, onverwijld, zijn verplichtingen op grond van artikel 19 na om een onderzoek uit te voeren en, als de bewijzen daar aanleiding toe geven, rechtshandhavingsmaatregelen ten aanzien van het vaartuig te nemen, in welk geval hij de inspecterende Staat onverwijld in kennis stelt van de resultaten van het onderzoek en van de rechtshandhavingsmaatregelen die zijn genomen, of
  • b. geeft hij de inspecterende Staat toestemming om een onderzoek uit te voeren.
7.

Wanneer de Vlaggestaat de inspecterende Staat toestemming geeft om onderzoek uit te voeren met betrekking tot een beweerde overtreding, deelt de inspecterende Staat de resultaten van dat onderzoek onverwijld aan de Vlaggestaat mee. De Vlaggestaat komt, als de bewijzen daar aanleiding toe geven, zijn verplichtingen na om rechtshandhavingsmaatregelen ten aanzien van het vaartuig te nemen. De Vlaggestaat mag echter ook de inspecterende Staat toestemming geven om ten aanzien van het vaartuig de rechtshandhavingsmaatregelen te treffen die de Vlaggestaat mag aangeven in overeenstemming met zijn rechten en verplichtingen op grond van deze Overeenkomst.

8.

Wanneer er, na aanhouding en inspectie, gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een vaartuig een ernstige overtreding heeft begaan en de vlaggestaat niet heeft gereageerd of niet de op grond van lid 6 of lid 7 voorgeschreven maatregelen heeft genomen, mogen de inspecteurs aan boord blijven en het bewijsmateriaal veilig stellen en de kapitein om assistentie vragen voor verder onderzoek, wat, zo nodig, ook kan inhouden dat het vaartuig onverwijld naar de dichtstbijgelegen geschikte haven of een andere in de overeenkomstig lid 2 vastgestelde procedures bepaalde haven wordt gebracht. De inspecterende Staat stelt de Vlaggestaat onmiddellijk in kennis van de haven waarnaar het vaartuig zich dient te begeven. De inspecterende Staat en de Vlaggestaat en, zo nodig, de havenstaat nemen alle nodige maatregelen voor het welzijn van de leden van de bemanning, ongeacht hun nationaliteit.

9.

De inspecterende Staat informeert de Vlaggestaat en de betrokken organisatie of de partijen bij het betrokken akkoord over de uitkomsten van eventueel verder onderzoek.

10.

De inspecterende Staat geeft zijn inspecteurs opdracht om zich te houden aan algemeen aanvaarde internationale regels, procedures en praktijken voor de veiligheid van vaartuig en bemanning, om het vissen zo min mogelijk te verstoren en om, voor zover mogelijk, maatregelen die de kwaliteit van de vangst aan boord aantasten, te vermijden. De inspecterende Staat zorgt ervoor dat de aanhouding en de inspectie van vissersvaartuigen niet worden uitgevoerd op een wijze die als lastigvallen wordt ervaren.

11.

In dit artikel wordt onder ernstige overtreding verstaan:

  • a. het vissen zonder een geldige door de Vlaggestaat overeenkomstig artikel 18, lid 3, onder a, afgegeven vergunning;
  • b. nalatigheid wat betreft nauwkeurige registratie van de vangsten en de daarmee verband houdende gegevens zoals voorgeschreven is in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband, of een aanzienlijk te lage registratie van de vangst in strijd met de vangstregistratiebepalingen in het kader van zo'n organisatie of zo'n akkoord;
  • c. het vissen in een gesloten gebied, tijdens een gesloten seizoen of zonder een quotum, of nadat het quotum is bereikt dat in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband is vastgesteld;
  • d. gerichte visserij op een visbestand waarvoor een moratorium op de visserij of een visserijverbod is vastgesteld;
  • e. het gebruik van verboden vistuig;
  • f. het vervalsen of aan het zicht onttrekken van kentekens, identificatietekens of registratieletters en -nummers van het vissersvaartuig;
  • g. het verbergen, het beschadigen of het laden verdwijnen van bewijsmateriaal met betrekking tot een onderzoek;
  • h. meerdere overtredingen die samen neerkomen op ernstige veronachtzaming van de instandhoudings- en beheersmaatregelen, en
  • i. andere overtredingen die als zodanig zijn aangeduid in de procedures die zijn vastgesteld in het kader van de betrokken subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer.
12.

Ongeacht de overige bepalingen van dit artikel mag de vlaggestaat op elk ogenblik maatregelen nemen om met betrekking tot een beweerde overtreding zijn verplichtingen op grond van artikel 19 na te komen. Wanneer het vaartuig zich onder het gezag van de inspecterende Staat bevindt, wordt, op verzoek van de vlaggestaat, dat vaartuig door de inspecterende Staat vrijgegeven aan de vlaggestaat met gelijktijdige verstrekking van volledige informatie over de stand en de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek.

13.

Dit artikel laat onverlet het recht van de vlaggestaat om maatregelen te nemen overeenkomstig zijn wetten, inclusief vervolging met het oog op sancties.

14.

Dit artikel is mutatis mutandis van toepassing op aanhouding en inspectie door een Staat die partij is bij deze Overeenkomst en die tevens lid is van of partij is bij een organisatie of een akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband en die gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een vissersvaartuig dat de vlag voert van een andere Staat die partij is bij deze Overeenkomst, in het gebied van de volle zee dat onder deze organisatie of dat akkoord valt in strijd heeft gehandeld met in lid 1 bedoelde instandhoudings- en beheersmaatregelen, wanneer dat vaartuig vervolgens tijdens dezelfde visreis een gebied onder de nationale jurisdictie van de inspecterende Staat is binnengevaren.

15.

Wanneer in het kader van een organisatie of een akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband een andere structuur is opgezet die namens de leden of partijen effectief uitvoering geeft aan hun op grond van deze Overeenkomst geldende verplichting om te zorgen voor naleving van de in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen, kunnen leden van zo'n organisatie of partijen bij zo'n akkoord overeenkomen om, wat betreft de instandhoudings- en beheersmaatregelen die zij hebben vastgesteld voor het relevante gebied van de volle zee, het bepaalde in artikel 1 slechts ten opzichte van elkaar toe te passen.

16.

Het optreden van andere Staten dan de vlaggestaat ten opzichte van vaartuigen die in strijd hebben gehandeld met de in het kader van subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen, dient evenredig te zijn met de ernst van de overtreding.

17.

Wanneer er acceptabele redenen zijn om aan te nemen dat een vissersvaartuig op de volle zee statenloos is, mag een Staat dat vaartuig aanhouden en het inspecteren. Als de bewijzen daar aanleiding toe geven, mag die Staat overeenkomstig het internationale recht passende maatregelen nemen.

18.

De Staten zijn aansprakelijk voor schade of verliezen als gevolg van optreden op grond van dit artikel, wanneer dat optreden onwettig is of verder gaat dan, gezien de beschikbare informatie, redelijkerwijs nodig is voor toepassing van de bepalingen van dit artikel.

Artikel 22. Basisprocedures voor aanhouding en inspectie op grond van artikel 21

1.

De inspecterende Staat zorgt ervoor dat zijn naar behoren gemachtigde inspecteurs

  • a. de kapitein van het vaartuig hun identificatiedocument laten zien, alsmede een exemplaar van de tekst van de betrokken instandhoudings- en beheersmaatregelen of van de op grond van deze maatregelen voor het betrokken gebied van de volle zee geldende regels of reglementen;
  • b. de vlaggestaat op het ogenblik van de aanhouding en inspectie een kennisgeving zenden;
  • c. tijdens de aanhouding en inspectie de kapitein niet beletten contact te hebben met de autoriteiten van de Vlaggestaat;
  • d. de kapitein en de autoriteiten van de Vlaggestaat een kopie van het rapport over de aanhouding en inspectie verstrekken en daarin alle bezwaren of verklaringen noteren die de kapitein wenst te maken;
  • e. het vaartuig na afronding van de inspectie onverwijld verlaten, als zij geen bewijzen van ernstige overtredingen vinden;
  • f. het gebruik van geweld vermijden, tenzij wanneer en in de mate waarin dat nodig is voor de veiligheid van de inspecteurs en wanneer deze worden gehinderd bij de uitoefening van hun taak. De mate van geweld dient niet groter te zijn dan redelijkerwijs nodig is in de gegeven situatie.
2.

De naar behoren gemachtigde inspecteurs van een inspecterende Staat hebben de bevoegdheid om het vaartuig, de vergunning, het vistuig, de installaties, de administratie, de apparatuur, de vis en visserijprodukten te inspecteren, alsmede alle documenten die relevant zijn om na te gaan of de betrokken instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn nageleefd.

3.

De Vlaggestaat zorgt ervoor dat de kapiteins van de vaartuigen

  • a. het snel en veilig aan boord gaan van de inspecteurs accepteren en vergemakkelijken;
  • b. meewerken aan en assistentie verlenen voor inspectie van het vaartuig volgens deze procedures;
  • c. de inspecteurs niet tegenwerken, intimideren of hinderen bij de uitoefening van hun taak;
  • d. tijdens de aanhouding en inspectie de inspecteurs niet beletten contact te hebben met de autoriteiten van de Vlaggestaat;
  • e. de inspecteurs redelijke faciliteiten verschaffen, waaronder, zo nodig, voedsel en een verblijfsruimte, en
  • f. het van boord gaan van de inspecteurs vergemakkelijken.
4.

Voor het geval de kapitein van een vaartuig aanhouding en inspectie overeenkomstig dit artikel en artikel 21 weigert, geeft de vlaggestaat, behalve in omstandigheden waarin het volgens algemeen aanvaarde internationale regels, procedures en praktijken voor de veiligheid op zee nodig is de aanhouding en inspectie uit te stellen, de kapitein van het vaartuig bevel om onmiddellijk aanhouding en inspectie te accepteren en schorst die Staat, als de kapitein dat bevel niet opvolgt, de visvergunning van het betrokken vaartuig en geeft hij dat vaartuig het bevel onmiddellijk naar de haven terug te keren. Wanneer de in dit lid bedoelde omstandigheden zich voordoen, deelt de vlaggestaat de inspecterende Staat mee welke maatregelen hij genomen heeft.

Artikel 23. Maatregelen van een Havenstaat

1.

Een Havenstaat heeft het recht en de plicht om, overeenkomstig het internationale recht, maatregelen te nemen om de efficiëncy te bevorderen van instandhoudings- en beheersmaatregelen die in subregional, regionaal of mondiaal verband zijn vastgesteld. Daarbij maakt de Havenstaat noch naar de vorm, noch in feite onderscheid ten aanzien van de vaartuigen van welke Staat ook.

2.

Een Havenstaat mag onder andere documenten, vistuig en vangst aan boord van vissersvaartuigen inspecteren, wanneer die vaartuigen zich vrijwillig in zijn havens of bij offshore terminals bevinden.

3.

De Staten mogen reglementen vaststellen op grond waarvan de bevoegde nationale autoriteiten aanvoer en overlading mogen verbieden, wanneer vaststaat dat de vangst is behaald op een wijze die de efficiëncy aantast van instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de volle zee die in subregionaal, regionaal of mondiaal verband zijn vastgesteld.

4.

Dit artikel laat onverlet de overeenkomstig het internationale recht geldende soevereiniteit van de Staten over de havens op hun grondgebied.

DEEL VII. BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN VAN ONTWIKKELINGSLANDEN

Artikel 24. Erkenning van de bijzondere omstandigheden van ontwikkelingslanden

1.

De Staten houden ten volle rekening met de bijzondere omstandigheden van de Ontwikkelingslanden wat betreft de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden en de ontwikkeling van de visserij op die bestanden. Daartoe verlenen de Staten bijstand aan de Ontwikkelingslanden hetzij rechtstreeks, hetzij via het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP), de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties en andere speciale bureaus, de Mondiale Milieufaciliteit (GEF), de Commissie Duurzame Ontwikkeling, en andere internationale en regionale organisaties en lichamen.

2.

Bij het nakomen van hun plicht tot samenwerking voor het vaststellen van instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden houden de Staten rekening met de bijzondere omstandigheden van Ontwikkelingslanden, en met name met

  • a. de kwetsbaarheid van de Ontwikkelingslanden die afhankelijk zijn van de exploitatie van de levende rijkdommen van de zee, ook voor de voedselvoorziening van hun bevolking of een gedeelte daarvan,
  • b. de noodzaak om negatieve effecten te voorkomen voor de visserij door zelfvoorzieningsvissers, kleinschalige en ambachtelijke vissers, vrouwen in de visserijsector en de inheemse bevolking in de Ontwikkelingslanden, en om al deze betrokkenen in die landen toegang tot de visserij te waarborgen, een en ander met name voor kleine eilanden die Ontwikkelingslanden zijn, en
  • c. de noodzaak om ervoor te zorgen dat deze maatregelen er niet toe leiden dat, direct of indirect, de lasten van de instandhoudingsmaatregelen onevenredig voor rekening komen van de Ontwikkelingslanden.

Artikel 25. Vormen van samenwerking met ontwikkelingslanden

1.

De Staten werken rechtstreeks of in het kader van subregionale, regionale of mondiale organisaties samen om

  • a. de mogelijkheden van de Ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde en de Ontwikkelingslanden die kleine eilanden zijn, op het gebied van de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden te vergroten en hun eigen visserij op die bestanden te ontwikkelen;
  • b. Ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde en de Ontwikkelingslanden die kleine eilanden zijn, in staat te stellen deel te nemen aan de visserij op de betrokken bestanden op de volle zee, ook door hun de toegang tot die bestanden te vergemakkelijken, evenwel onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 5 en 11, en
  • c. de deelneming van Ontwikkelingslanden aan subregionale en regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer te vergemakkelijken.
2.

Samenwerking met de Ontwikkelingslanden voor de in dit artikel aangegeven doelstellingen omvat financiële bijstand, bijstand voor betere opleidingen, technische bijstand, overdracht van technologie, met inbegrip van joint ventures, en adviezen.

3.

De bijstand wordt onder andere specifiek gericht op

  • a. verbetering van de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden via het verzamelen, rapporteren, verifiëren, uitwisselen en analyseren van gegevens over de visserij en daarmee verband houdende gegevens;
  • b. evaluatie van de visbestanden en wetenschappelijk onderzoek, en
  • c. monitoring, controle, toezicht en rechtshandhaving, met inbegrip van opleiding en van vergroting van de eigen plaatselijke mogelijkheden, opstellen en ondersteuning van nationale en regionale waarnemersprogramma's, en toegang tot technologie en apparatuur.

Artikel 26. Speciale bijstand voor de uitvoering van deze Overeenkomst

1.

De Staten werken samen voor de oprichting van speciale fondsen om de Ontwikkelingslanden bijstand te verlenen bij de uitvoering van deze Overeenkomst en ook voor de kosten van procedures voor de beslechting van geschillen waarbij zij Partij zijn.

2.

De Staten en de internationale organisaties helpen de Ontwikkelingslanden bij de totstandbrenging van nieuwe of de versterking van bestaande subregionale of regionale organisaties of akkoorden voor de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden.

DEEL VIII. VREEDZAME BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Artikel 27. Verplichting geschillen langs vreedzame weg te beslechten

De Staten zijn verplicht hun geschillen te beslechten via onderhandelingen, feitenonderzoek, bemiddeling, conciliatie, arbitrage, een rechterlijke beslissing, een beroep op regionale organen of akkoorden, of andere vreedzame middelen naar hun eigen keuze.

Artikel 28. Voorkomen van geschillen

De Staten werken samen om geschillen te voorkomen. Daartoe komen de Staten in het kader van de organisaties en akkoorden voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband efficiënte en snelle besluitvormingsprocedures overeen en worden bestaande besluitvormingsprocedures zo nodig verbeterd.

Artikel 29. Technische geschillen

Bij geschillen over aangelegenheden van technische aard kunnen de Staten het geschil voorleggen aan een door hen ad hoc uit deskundigen samengesteld scheidsgerecht. Dit scheidsgerecht spreekt met de betrokken Staten en tracht het geschil snel op te lossen zonder bindende procedures voor geschillenbeslechting te volgen.

Artikel 30. Procedures voor geschillenbeslechting

1.

De in deel XV van het Zeerechtverdrag vastgestelde bepalingen voor geschillenbeslechting zijn mutatis mutandis van toepassing op geschillen over de interpretatie of de toepassing van deze Overeenkomst tussen de Staten die daarbij partij zijn, ongeacht of die Staten ook Partij zijn bij het Zeerechtverdrag.

2.

De in Deel XV van het Zeerechtverdrag vastgestelde bepalingen voor geschillenbeslechting zijn mutatis mutandis van toepassing op geschillen tussen de Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst, welke betrekking hebben op de interpretatie of de toepassing van een visserijovereenkomst in subregionaal, regionaal of mondiaal verband over grensoverschrijdende of over grote afstanden trekkende visbestanden waarbij zij Partij zijn, inclusief geschillen over de instandhouding en het beheer van dergelijke visbestanden, ongeacht of die Staten ook Partij zijn bij het Zeerechtverdrag.

3.

De procedure voor geschillenbeslechting die een Staat die Partij is bij deze Overeenkomst en bij het Zeerechtverdrag, overeenkomstig artikel 287 van dat verdrag heeft aanvaard, is van toepassing voor de beslechting van geschillen krachtens het bepaalde in dit Deel, tenzij de betrokken Staat bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot deze Overeenkomst of op enig tijdstip daarna overeenkomstig genoemd artikel 287 een andere procedure heeft aanvaard.

4.

Een Staat die partij is bij deze Overeenkomst, maar die geen Partij is bij het Zeerechtverdrag, is vrij om bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot deze Overeenkomst of op enig tijdstip daarna door middel van een schriftelijke verklaring voor de beslechting van de in dit deel bedoelde geschillen een of meer van de in artikel 287, lid 1, van het Zeerechtverdrag genoemde wijzen van regeling van geschillen te kiezen. Artikel 287 is van toepassing voor bedoelde verklaring en voor elk geschil waarbij een dergelijke Staat Partij is, maar dat niet onder een van kracht zijnde verklaring valt. Met het oog op conciliatie en arbitrage overeenkomstig de Bijlagen V, VII en VIII bij het Zeerechtverdrag heeft een dergelijke Staat het recht om voor de beslechting van geschillen krachtens het bepaalde in dit deel conciliatoren, scheidsmannen en deskundigen aan te wijzen voor opneming in de lijsten waarvan sprake is in Bijlage V, artikel 2, Bijlage VII, artikel 2, en Bijlage VIII, artikel 2, van laatstgenoemd verdrag.

5.

Een hof- of scheidsgerecht waaraan krachtens het bepaalde in dit Deel een geschil is voorgelegd, past de betrokken bepalingen van het Zeerechtverdrag, van deze Overeenkomst, van relevante visserijovereenkomsten in subregionaal, regionaal of mondiaal verband, en de algemeen aanvaarde regels voor de instandhouding en het beheer van de levende rijkdommen van de zee, alsmede de andere regels van internationaal recht die niet in strijd zijn met het Zeerechtverdrag toe in het perspectief van de instandhouding van de betrokken grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden.

Artikel 31. Voorlopige maatregelen

1.

In afwachting van de beslechting van een geschil overeenkomstig het bepaalde in dit Deel stellen de partijen bij het geschil alles in het werk om tot voorlopige praktische regelingen te komen.

2.

Onverminderd artikel 290 van het Zeerechtverdrag mag een hof- of scheidsgerecht waaraan het geschil krachtens het bepaalde in dit Deel is voorgelegd alle voorlopige maatregelen voorschrijven die het onder de omstandigheden passend acht om de onderscheiden rechten van de partijen bij het geschil in stand te houden of schade aan de betrokken visbestanden te voorkomen, en die het passend oordeelt in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7, lid 5, en artikel 16, lid 2.

3.

Een Staat die Partij is bij deze Overeenkomst, maar geen Partij is bij het Zeerechtverdrag mag verklaren dat, ongeacht artikel 290, lid 5, van het Zeerechtverdrag, het Internationale Hof voor het Recht van de Zee niet het recht heeft om zonder instemming van die Staat voorlopige maatregelen voor te schrijven, te wijzigen of te herroepen.

Artikel 32. Beperkingen inzake de toepasselijkheid van de geschillenbeslechtingsprocedures

Artikel 297, lid 3, van het Zeerechtverdrag is ook van toepassing voor deze Overeenkomst.

DEEL IX. STATEN DIE GEEN PARTIJ ZIJN BIJ DEZE OVEREENKOMST

Artikel 33. Staten die geen Partij zijn bij deze Overeenkomst

1.

De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst moedigen de Staten die daarbij geen Partij zijn aan om Partij te worden en om wetten en reglementen vast te stellen die in overeenstemming zijn met de bepalingen ervan.

2.

De Staten die Partij zijn, nemen maatregelen in overeenstemming met deze Overeenkomst en met het internationale recht om vaartuigen die de vlag voeren van Staten die geen Partij zijn, te weerhouden van activiteiten die een doeltreffende uitvoering van deze Overeenkomst ondermijnen.

DEEL X. GOEDE TROUW EN MISBRUIK VAN RECHT

Artikel 34. Goede trouw en misbruik van recht

De Staten die Partij zijn, komen de verplichtingen die zij bij deze Overeenkomst op zich hebben genomen, te goeder trouw na en oefenen de rechten die in deze Overeenkomst worden erkend, uit op een wijze die geen misbruik van recht vormt.

DEEL XI. VERANTWOORDELIJKHEID EN AANSPRAKELIJKHEID

Artikel 35. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid

De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst, zijn overeenkomstig het internationale recht aansprakelijk voor aan hen te wijten schade of verliezen in verband met deze Overeenkomst.

DEEL XII. HERZIENINGSCONFERENTIE

Artikel 36. Herzieningsconferentie

1.

Vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een conferentie bijeen om de efficiëncy van deze Overeenkomst op het punt van de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden te evalueren. De Secretaris-Generaal zendt voor deze conferentie een uitnodiging aan alle Staten die partij zijn en aan alle Staten en lichamen die partij mogen worden bij deze Overeenkomst, alsmede aan de intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties die als waarnemer aan de werkzaamheden in het kader van de Overeenkomst mogen deelnemen.

2.

De conferentie onderzoekt en evalueert of de bepalingen van deze Overeenkomst adequaat zijn en geeft, zo nodig, mogelijkheden aan om de bepalingen en de uitvoeringsmethoden aan te scherpen teneinde eventuele nog voortdurende problemen op het vlak van de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden beter aan te pakken.

DEEL XIII. SLOTBEPALINGEN

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)