Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad
Artikel 1. Verklaring omtrent het doel
Het doel van dit Verdrag is de samenwerking te bevorderen teneinde grensoverschrijdende georganiseerde misdaad te voorkomen en doeltreffender te bestrijden.
Artikel 2. Gebruikte termen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „criminele organisatie”: een gestructureerde groep bestaande uit drie of meer personen, die gedurende enige tijd bestaat en gezamenlijk optreedt met het doel een of meer ernstige misdrijven of overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten te plegen teneinde, direct of indirect, een financieel of ander materieel voordeel te verkrijgen;
- b. „ernstig misdrijf”: handelingen die een strafbaar feit vormen waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaar of een zwaardere straf staat;
- c. „gestructureerde groep”: een groep die niet willekeurig wordt gevormd voor het onmiddellijk plegen van een strafbaar feit en waarbij geen sprake behoeft te zijn van formeel omschreven rollen voor de leden, continuïteit van het lidmaatschap of een ontwikkelde structuur;
- d. „goederen”: alle soorten activa, stoffelijk of onstoffelijk, roerend of onroerend, tastbaar of ontastbaar, en rechtsbescheiden waaruit rechten op, of andere belangen bij deze activa blijken;
- e. „opbrengsten van misdaad”: alle goederen afkomstig van of verkregen door, direct of indirect, het plegen van een strafbaar feit;
- f. „bevriezing” of „inbeslagneming”: het tijdelijk verbieden van de overdracht, omzetting, vervreemding of verplaatsing van goederen of het tijdelijk aanvaarden van het beheer van of zeggenschap over goederen op basis van een door de rechter of andere bevoegde autoriteit afgegeven bevel;
- g. „confiscatie” met inbegrip van, indien van toepassing, verbeurdverklaring: permanente inbeslagneming van goederen door een bevel van een rechter of andere bevoegde autoriteit;
- h. „gronddelict”: elk strafbaar feit als gevolg waarvan opbrengsten zijn gegenereerd die het onderwerp kunnen worden van een strafbaar feit als omschreven in artikel 6 van dit Verdrag;
- i. „gecontroleerde aflevering”: de methode van het toelaten van illegale of verdachte zendingen die het grondgebied van een of meer Staten verlaten, passeren of binnengaan, onder toezicht en met medeweten van hun bevoegde autoriteiten, ten behoeve van de opsporing van een strafbaar feit en de identificatie van de personen die betrokken zijn bij het plegen van het strafbare feit;
- j. „regionale organisatie voor economische integratie”: een organisatie opgericht door soevereine Staten van een bepaalde regio, waaraan haar lidstaten bevoegdheid hebben overgedragen ten aanzien van aangelegenheden die worden beheerst door dit Verdrag en die naar behoren gemachtigd is, in overeenstemming met haar interne procedures, tot het ondertekenen, bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren ervan of ertoe toe te treden; de verwijzingen in dit Verdrag naar de Staten die partij zijn, zijn van toepassing op dergelijke organisaties binnen de grenzen van hun bevoegdheden.
Artikel 3. Werkingssfeer
Dit Verdrag is van toepassing, tenzij hierin anders is bepaald, op de voorkoming, de opsporing en de vervolging van:
- a. de overeenkomstig de artikelen 5, 6, 8 en 23 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten; en
- b. de ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 2 van dit Verdrag; wanneer het strafbare feit inherent grensoverschrijdend is en er een criminele organisatie bij betrokken is.
Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel is een strafbaar feit inherent grensoverschrijdend indien:
- a. het wordt gepleegd in meer dan één Staat;
- b. het wordt gepleegd in één Staat, maar een aanmerkelijk deel van de voorbereiding, planning, leiding of controle ervan plaatsvindt in een andere Staat;
- c. het wordt gepleegd in één Staat, maar er een criminele organisatie bij betrokken is die zich bezighoudt met criminele activiteiten in meer dan één Staat; of
- d. het wordt gepleegd in één Staat maar aanmerkelijke gevolgen heeft in een andere Staat.
Artikel 4. Bescherming van de soevereiniteit
De Staten die partij zijn, komen hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van staten en van non-interventie in de interne aangelegenheden van andere staten.
Niets in dit Verdrag geeft een Staat die partij is de bevoegdheid op het grondgebied van een andere Staat rechtsmacht uit te oefenen en functies te vervullen die door zijn nationale wetgeving uitsluitend zijn voorbehouden aan de autoriteiten van die andere Staat.
Artikel 5. Strafbaarstelling van deelname aan een criminele organisatie
Elke Staat die partij is, neemt de wettelijke en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om de volgende handelingen strafbaar te stellen, indien zij opzettelijk zijn gepleegd:
- a. een of beide van de volgende handelingen die zich als misdrijf onderscheiden van handelingen die een poging tot een criminele activiteit of de voltooiing daarvan inhouden;
- i. met een of meer andere personen overeenkomen een ernstig misdrijf te plegen met een oogmerk dat direct of indirect betrekking heeft op het verkrijgen van een financieel of ander materieel voordeel en waarbij, indien vereist door het nationale recht, een handeling betrokken is, door een van de deelnemers ondernomen ter uitvoering van de overeenkomst, of waarbij een criminele organisatie betrokken is;
- ii. de handelwijze van een persoon die, op de hoogte van hetzij het doel en de algemene criminele activiteit van een criminele organisatie, hetzij van de bedoeling van deze organisatie de desbetreffende misdrijven te plegen, actief deelneemt aan:
- a. de criminele activiteiten van de criminele organisatie;
- b. de andere activiteiten van de criminele organisatie in de wetenschap dat zijn of haar medewerking zal bijdragen aan de verwezenlijking van het bovenomschreven criminele doel;
- b. het organiseren van, leiding geven aan, medewerking verlenen aan, uitlokken van, vergemakkelijken van of adviseren bij het plegen van een ernstig misdrijf waarbij een criminele organisatie betrokken is.
De wetenschap, de bedoeling, het doel, het oogmerk of de overeenkomst, vermeld in het eerste lid van dit artikel, kan worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
De Staten die partij zijn wier nationale recht de betrokkenheid vereist van een georganiseerde criminele organisatie ten behoeve van de overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a onder i, van dit artikel strafbaar gestelde feiten, verzekeren dat hun nationale recht voorziet in alle ernstige misdrijven waarbij criminele organisaties betrokken zijn. Dergelijke Staten die partij zijn alsmede Staten die partij zijn wier nationale recht een handeling vereist ter uitvoering van de overeenkomst ten behoeve van de overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a onder i, van dit artikel strafbaar gestelde feiten, stellen de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan in kennis bij de ondertekening of bij hun ratificatie van, aanvaarding van of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag.
Artikel 6. Strafbaarstelling van het witwassen van de opbrengsten van misdaad
Elke Staat die partij is, neemt, in overeenstemming met de grondbeginselen van zijn nationale recht, wetgevende en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om de volgende handelingen strafbaar te stellen, indien opzettelijk gepleegd:
- a.
- i. De omzetting of overdracht van goederen, wetende dat deze goederen opbrengsten zijn van misdaad, met het oogmerk de illegale herkomst ervan te verhelen of te verhullen of een persoon die betrokken is bij het plegen van het gronddelict te helpen ontkomen aan de juridische gevolgen van zijn of haar daden;
- ii. het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of het eigendom van of aanspraak op goederen, wetende dat deze goederen opbrengsten van misdaad zijn;
- b. met inachtneming van de grondbeginselen van zijn rechtssstelsel:
- i. de verwerving, het bezit of het gebruik van goederen, wetende op het tijdstip van verkrijging, dat deze goederen de opbrengst van misdaad zijn;
- ii. deelneming aan, medeplichtigheid aan of samenspanning tot het plegen van, poging tot het plegen van en medewerking verlenen aan, het uitlokken van, het vergemakkelijken van en het adviseren met betrekking tot het begaan van een van de overeenkomstig dit artikel strafbaar gestelde feiten.
Ten behoeve van het effectueren of toepassen van het eerste lid van dit artikel:
- a. tracht elke Staat die partij is het eerste lid van dit artikel toe te passen op een zo breed mogelijke reeks van gronddelicten;
- b. merkt elke Staat die partij is aan als gronddelicten alle ernstige misdrijven als gedefinieerd in artikel 2 van dit Verdrag en de overeenkomstig de artikelen 5, 8 en 23 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten. In het geval dat de wetgeving van Staten die partij zijn een lijst van specifieke gronddelicten bevat, nemen zij in een dergelijke lijst ten minste een uitgebreide reeks van strafbare feiten op die verband houden met criminele organisaties;
- c. omvatten gronddelicten voor de toepassing van onderdeel b zowel binnen als buiten de rechtsmacht van de betrokken Staat die partij is gepleegde strafbare feiten. Strafbare feiten die evenwel buiten de rechtsmacht van een Staat die partij is worden gepleegd vormen alleen dan gronddelicten wanneer de desbetreffende handeling een misdrijf is volgens het nationale recht van de Staat waar deze plaatsvindt en een misdrijf zou zijn volgens het nationale recht van de Staat die partij is die dit artikel uitvoert of toepast indien deze daar zou hebben plaatsgevonden;
- d. verstrekt elke Staat die partij is de tekst van zijn wetten die uitvoering geven aan dit artikel en van alle latere wijzigingen van die wetten of een beschrijving daarvan aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties;
- e. kan, indien vereist door de grondbeginselen van het nationale recht van een Staat die partij is, worden bepaald dat de in het eerste lid van dit artikel omschreven strafbare feiten niet van toepassing zijn op de personen die het basisdelict hebben gepleegd;
- f. kunnen wetenschap, bedoeling of oogmerk als elementen van een in het eerste lid van dit artikel omschreven strafbaar feit worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
Artikel 7. Maatregelen ter bestrijding van het witwassen van zwart geld
Elke Staat die partij is:
- a. vormt een alomvattend nationaal regime voor regelgeving en toezicht voor bancaire en niet-bancaire financiële instellingen en, waar nodig, andere lichamen die in het bijzonder vatbaar zijn voor witwassen, die onder zijn verantwoordelijkheid vallen, teneinde alle vormen van witwassen te ontmoedigen en op te sporen, en dat regime zal de nadruk leggen op voorwaarden ten aanzien van klantenidentificatie, documentbeheer en het melden van verdachte transacties;
- b. verzekert, onverminderd de artikelen 18 en 27 van dit Verdrag, dat bestuurlijke, regelgevende, rechtshandhavende en andere autoriteiten voor de bestrijding van het witwassen (met inbegrip van, indien van toepassing volgens het nationale recht, gerechtelijke autoriteiten) in staat zijn samen te werken en informatie uit te wisselen op nationaal en internationaal niveau overeenkomstig de door zijn nationale recht omschreven voorwaarden en overweegt daartoe de oprichting van een financiële informatie-eenheid die fungeert als nationaal centrum voor het verzamelen, analyseren en verspreiden van informatie over mogelijke witwastransacties.
De Staten die partij zijn, overwegen geschikte maatregelen te effectueren om bewegingen van contant geld en verhandelbare waardepapieren over hun grenzen op te sporen en te volgen, met inachtneming van informatiebeveiligingsmaatregelen en zonder op enigerlei wijze de bewegingen van legaal kapitaal te belemmeren. Deze maatregelen kunnen de voorwaarde omvatten dat personen en ondernemingen grensoverschrijdende transacties van aanzienlijke hoeveelheden contant geld en verhandelbare waardepapieren melden.
Bij het vormen van een nationaal regime voor regelgeving en toezicht volgens de voorwaarden van dit artikel en onverminderd enig ander artikel van dit Verdrag, wordt de Staten die partij zijn verzocht de desbetreffende initiatieven van regionale, interregionale en multilaterale organisaties ter bestrijding van witwassen als richtlijn te hanteren.
De Staten die partij zijn, spannen zich in om een mondiale, regionale, subregionale en bilaterale samenwerking tussen gerechtelijke, rechtshandhavende en financieel-regelgevende autoriteiten te ontwikkelen en te bevorderen teneinde het witwassen te bestrijden.
Artikel 8. Strafbaarstelling van corruptie
Elke Staat die partij is, neemt de wettelijke en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om de volgende handelingen, indien zij opzettelijk zijn gepleegd, strafbaar te stellen:
- a. het, direct of indirect, beloven, aanbieden of verstrekken aan een overheidsfunctionaris van een niet-gerechtvaardigd voordeel, voor de functionaris zelf of voor een andere persoon of entiteit, opdat de functionaris een handeling verricht of nalaat bij de uitoefening van zijn of haar officiële taken;
- b. het, direct of indirect, door een overheidsfunctionaris verzoeken om of aanvaarden van een niet-gerechtvaardigd voordeel, voor de functionaris zelf of voor een andere persoon of entiteit, opdat de functionaris een handeling verricht of nalaat bij de uitoefening van zijn of haar officiële taken.
Elke Staat die partij is, overweegt wettelijke en andere maatregelen te nemen die nodig kunnen zijn om handelingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel waarbij een buitenlandse overheidsfunctionaris of internationale ambtenaar betrokken is, strafbaar te stellen. Tevens overweegt elke Staat die partij is andere vormen van corruptie strafbaar te stellen.
Elke Staat die partij is, neemt tevens de maatregelen die nodig kunnen zijn om deelneming als medeplichtige aan een overeenkomstig dit artikel strafbaar gesteld feit strafbaar te stellen.
Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel en van artikel 9 van dit Verdrag wordt onder „overheidsfunctionaris" verstaan: een overheidsfunctionaris of een persoon die een publieke dienst verricht als omschreven in het nationale recht en als toegepast in het strafrecht van de Staat die partij is waar de betrokken persoon die functie uitoefent.
Artikel 9. Maatregelen tegen corruptie
In aanvulling op de in artikel 8 van dit Verdrag omschreven maatregelen, neemt elke Staat die partij is, voor zover passend en verenigbaar met zijn rechtsstelsel, wetgevende, bestuurlijke of andere afdoende maatregelen teneinde integriteit te bevorderen en corruptie onder overheidsfunctionarissen te voorkomen, op te sporen en te bestraffen.
Elke Staat die partij is, neemt maatregelen om effectieve acties door zijn autoriteiten bij de voorkoming, opsporing en bestraffing van corruptie onder overheidsfunctionarissen te verzekeren, met inbegrip van toekenning aan deze autoriteiten van voldoende onafhankelijkheid teneinde uitoefening van ongepaste invloed op hun activiteiten te ontmoedigen.
Artikel 10. Aansprakelijkheid van rechtspersonen
Elke Staat die partij is, neemt de maatregelen die nodig kunnen zijn en die verenigbaar zijn met zijn rechtsbeginselen om de aansprakelijkheid te vestigen van rechtspersonen voor deelneming aan ernstige misdrijven waarbij criminele organisaties betrokken zijn en voor de overeenkomstig de artikelen 5, 6, 8 en 23 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten.
Met inachtneming van de rechtsbeginselen van de Staat die partij is, kan deze aansprakelijkheid van rechtspersonen strafrechtelijk, burgerrechtelijk of bestuursrechtelijk zijn.
Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de strafbare feiten hebben gepleegd.
Elke Staat die partij is, verzekert in het bijzonder dat rechtspersonen die aansprakelijk worden gesteld overeenkomstig dit artikel, onderworpen worden aan doeltreffende, evenredige en ontmoedigende strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties, met inbegrip van geldelijke sancties.
Artikel 11. Vervolging, berechting en sancties
Elke Staat die partij is, tracht te verzekeren dat discretionaire rechterlijke bevoegdheden uit hoofde van zijn nationale recht met betrekking tot de vervolging van personen voor strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen zodanig worden uitgeoefend dat de doeltreffendheid van rechtshandhavingsmaatregelen ten aanzien van die strafbare feiten wordt geoptimaliseerd, waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de noodzaak het plegen van dergelijke strafbare feiten te ontmoedigen.
Ten aanzien van de overeenkomstig de artikelen 5, 6, 8 en 23 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, neemt elke Staat die partij is passende maatregelen in overeenstemming met zijn nationale recht en met zorgvuldige inachtneming van de rechten van de verdediging, ter nastreving van het verzekeren dat bij de voorwaarden opgelegd in verband met beslissingen inzake vrijlating in afwachting van het proces of hoger beroep rekening wordt gehouden met de noodzaak tot verzekering van de aanwezigheid van de verdachte tijdens de daarop volgende strafrechtelijke procedures.
Elke Staat die partij is, verzekert dat zijn rechters of andere bevoegde autoriteiten rekening houden met de ernst van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, wanneer zij de mogelijkheid overwegen van vervroegde invrijheidstelling of voorwaardelijke invrijheidstelling van personen die wegens dergelijke strafbare feiten zijn veroordeeld.
Elke Staat die partij is, stelt, waar nodig, met inachtneming van zijn nationale recht een lange verjaringstermijn vast voor procedures voor een strafbaar feit dat onder dit Verdrag valt en een langere termijn voor de gevallen waarin de vermoedelijke dader de berechting heeft ontweken.
Geen enkele bepaling in dit Verdrag tast het beginsel aan dat de vaststelling van de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten en van de toepasselijke juridische verdediging of andere rechtsbeginselen die de rechtmatigheid van handelingen beheersen, voorbehouden is aan het nationale recht van een Staat die partij is, en dat dergelijke strafbare feiten worden vervolgd en bestraft overeenkomstig dat recht.
Artikel 12. Confiscatie en inbeslagneming
De Staten die partij zijn, nemen in de ruimst mogelijke mate binnen hun nationale rechtsstelsels de maatregelen die nodig kunnen zijn om de confiscatie mogelijk te maken van:
- a. opbrengsten van misdaad afkomstig van strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen of goederen waarvan de waarde overeenkomt met die van dergelijke opbrengsten;
- b. goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen gebruikt of bedoeld voor gebruik bij de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen.
De Staten die partij zijn, nemen de maatregelen die nodig kunnen zijn om de identificatie, opsporing, bevriezing of inbeslagneming van een in het eerste lid van dit artikel bedoelde zaak ten behoeve van mogelijke confiscatie.
Indien de opbrengsten van misdaad geheel of gedeeltelijk zijn veranderd of omgezet in andere goederen, zijn de in dit artikel bedoelde maatregelen van toepassing op dergelijke goederen in plaats van op de opbrengsten.
Indien de opbrengsten van misdaad zijn vermengd met goederen van rechtmatige herkomst, zijn deze goederen, onverminderd bevoegdheden met betrekking tot bevriezing of inbeslagneming, onderhevig aan confiscatie tot de geschatte waarde van de vermengde opbrengsten.
Inkomsten of andere voordelen verkregen uit de opbrengsten van misdaad, van goederen waarin de opbrengsten van misdaad zijn veranderd of omgezet of van goederen waarmee de opbrengsten van misdaad zijn vermengd zijn op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de opbrengsten van misdaad onderhevig aan de in dit artikel bedoelde maatregelen.
Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 13 van dit Verdrag, machtigt elke Staat die partij is zijn rechters en andere bevoegde autoriteiten te bevelen dat bancaire, financiële of zakelijke dossiers ter beschikking worden gesteld of in beslag worden genomen. Staten die partij zijn, beroepen zich niet op het bankgeheim teneinde te weigeren op te treden overeenkomstig de bepalingen van dit lid.
De Staten die partij zijn, kunnen de mogelijkheid overwegen te eisen dat een dader de rechtmatige herkomst aantoont van vermeende opbrengsten van misdaad of andere goederen die onderhevig zijn aan confiscatie, voorzover een dergelijke eis verenigbaar is met de beginselen van hun nationale recht en met de aard van de gerechtelijke en andere procedures.
De bepalingen van dit artikel mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij afbreuk doen aan de rechten van derden die te goeder trouw zijn.
Geen enkele bepaling van dit artikel tast het beginsel aan dat de maatregelen waarnaar het verwijst worden vastgesteld en uitgevoerd in overeenstemming met en met inachtneming van de bepalingen van het nationale recht van een Staat die partij is.
Artikel 13. Internationale samenwerking ten behoeve van confiscatie
Een Staat die partij is, die een verzoek heeft ontvangen van een andere Staat die partij is met rechtsmacht over een onder dit Verdrag vallend strafbaar feit, tot confiscatie van opbrengsten van misdaad, goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van dit Verdrag, die zich op zijn grondgebied bevinden, stuurt, voorzover dat mogelijk is binnen zijn nationale rechtsstelsel:
- a. het verzoek aan zijn bevoegde autoriteiten ten behoeve van het verkrijgen van een bevel tot confiscatie en, indien een dergelijk bevel wordt verleend, voert dit uit; of
- b. aan zijn bevoegde autoriteiten, met de bedoeling dit naar de mate waarin verzocht is ten uitvoer te brengen, een bevel tot confiscatie, dat is uitgevaardigd door een rechter op het grondgebied van de verzoekende Staat die partij is, overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van dit Verdrag, voorzover dat betrekking heeft op opbrengsten van misdaad, goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, en die zich bevinden op het grondgebied van de aangezochte Staat die partij is.
Naar aanleiding van een verzoek van een andere Staat die partij is met rechtsmacht over een strafbaar feit dat onder dit Verdrag valt, neemt de aangezochte Staat die partij is maatregelen voor het identificeren, opsporen en bevriezen of in beslag nemen van opbrengsten van misdaad, goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van dit Verdrag ten behoeve van de mogelijke confiscatie hetzij krachtens bevel van de verzoekende Staat die partij is, hetzij naar aanleiding van een verzoek overeenkomstig het eerste lid van dit artikel door de aangezochte Staat die partij is.
De bepalingen van artikel 18 van dit Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op dit artikel. Aanvullend op de in artikel 18, vijftiende lid, omschreven informatie, bevatten verzoeken die worden gedaan uit hoofde van dit artikel:
- a. in het geval van een verzoek dat betrekking heeft op het eerste lid, onderdeel a van dit artikel, een beschrijving van de te confisceren goederen en een uiteenzetting van de feiten waarop de verzoekende Staat die partij is zich baseert die de aangezochte Staat die partij is voldoende in staat stellen om het bevel overeenkomstig zijn nationale recht aan te vragen;
- b. in het geval van een verzoek dat betrekking heeft op het eerste lid, onderdeel b van dit artikel, een wettig toelaatbaar afschrift van een confiscatiebevel waarop het verzoek is gebaseerd, afgegeven door de verzoekende Staat die partij is, een uiteenzetting van de feiten en informatie over de mate waarin om uitvoering van het bevel wordt verzocht;
- c. in het geval van een verzoek dat betrekking heeft op het tweede lid van dit artikel, een uiteenzetting van de feiten waarop de verzoekende Staat die partij is zich baseert en een beschrijving van de verzochte maatregelen.
De besluiten of maatregelen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, worden genomen door de aangezochte Staat die partij is overeenkomstig en met inachtneming van de bepalingen van zijn nationale recht en zijn procedureregels of een bilateraal of multilateraal verdrag, een bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling waaraan hij gebonden kan zijn ten aanzien van de verzoekende Staat die partij is.
Elke Staat die partij is, verstrekt de tekst van zijn wetten en voorschriften die gevolg geven aan dit artikel en van alle latere wijzigingen van die wetten en voorschriften of een beschrijving daarvan aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Indien een Staat die partij is, verkiest de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde maatregelen afhankelijk te maken van het bestaan van een verdrag ter zake, beschouwt die Staat die partij is dit Verdrag als de vereiste en toereikende verdragsbasis.
Medewerking krachtens dit artikel kan worden geweigerd door een Staat die partij is, wanneer het strafbaar feit waarop het verzoek betrekking heeft geen strafbaar feit is dat onder dit Verdrag valt.
De bepalingen van dit artikel mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij afbreuk doen aan de rechten van derden die te goeder trouw zijn.
De Staten die partij zijn, overwegen bilaterale of multilaterale verdragen, overeenkomsten of regelingen te sluiten teneinde de doeltreffendheid van de ingevolge dit artikel verleende internationale medewerking te verhogen.
Artikel 14. Afhandeling van geconfisceerde opbrengsten van misdaad of goederen
Opbrengsten van misdaad of goederen die zijn geconfisceerd door een Staat die partij is ingevolge de artikelen 12 of 13, eerste lid, van dit Verdrag, worden afgehandeld door die Staat die partij is, in overeenstemming met zijn nationale recht en administratieve procedures.
Indien handelend naar aanleiding van het verzoek van een andere Staat die partij is overeenkomstig artikel 13 van dit Verdrag, nemen de Staten die partij zijn, voorzover dit is toegestaan door hun nationale recht en indien daarom is verzocht, met voorrang de teruggave van de geconfisceerde opbrengsten van misdaad of goederen aan de verzoekende Staat die partij is in overweging, opdat deze de slachtoffers van de misdaad schadeloos kan stellen of deze opbrengsten van misdaad of goederen kan teruggeven aan hun rechtmatige eigenaren.
Indien handelend naar aanleiding van het verzoek van een andere Staat die partij is, overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van dit Verdrag, kan een Staat die partij is bijzondere aandacht schenken aan het sluiten van overeenkomsten of regelingen inzake:
- a. het overmaken van de waarde van dergelijke opbrengsten van misdaad of goederen of fondsen afkomstig uit de verkoop van dergelijke opbrengsten van misdaad of goederen of een deel daarvan, naar een overeenkomstig artikel 30, tweede lid, onderdeel c, van dit Verdrag aangewezen rekening en aan intergouvernementele lichamen die gespecialiseerd zijn in de bestrijding van georganiseerde misdaad;
- b. het, regelmatig of ad hoc, delen met andere Staten die partij zijn, van dergelijke opbrengsten van misdaad of goederen, of fondsen afkomstig uit de verkoop van dergelijke opbrengsten van misdaad of goederen, in overeenstemming met zijn nationale recht of administratieve procedures.
Artikel 15. Rechtsmacht
Elke Staat die partij is, neemt de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de overeenkomstig de artikelen 5, 6, 8 en 23 van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, wanneer:
- a. het strafbare feit wordt gepleegd op het grondgebied van die Staat die partij is; of
- b. het strafbare feit wordt gepleegd aan boord van een schip dat vaart onder de vlag van die Staat die partij is of aan boord van een luchtvaartuig dat krachtens het recht van die Staat die partij is, is ingeschreven op het tijdstip waarop het strafbare feit wordt gepleegd.
Met inachtneming van artikel 4 van dit Verdrag, kan een Staat die partij is zijn rechtsmacht ook vestigen met betrekking tot dergelijke strafbare feiten, wanneer:
- a. het strafbare feit wordt gepleegd tegen een onderdaan van die Staat die partij is;
- b. het strafbare feit wordt gepleegd door een onderdaan van die Staat die partij is of door een staatloze die zijn of haar vaste woon- of verblijfplaats heeft op zijn grondgebied; of
- c. het strafbare feit
- i. behoort tot de overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten en wordt gepleegd buiten zijn grondgebied met het oogmerk een ernstig misdrijf op zijn grondgebied te plegen;
- ii. behoort tot de overeenkomstig artikel 6, eerste lid, onderdeel b, ii, van dit Verdrag strafbaar gestelde feiten en wordt gepleegd buiten zijn grondgebied met het oogmerk een overeenkomstig artikel 6, eerste lid, onderdeel a, i of ii, of onderdeel b, i, van dit Verdrag strafbaar gesteld feit te plegen op zijn grondgebied.
Voor de toepassing van artikel 16, tiende lid, van dit Verdrag, neemt elke Staat die partij is de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, indien de vermeende dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij die persoon niet uitlevert uitsluitend op grond van het feit dat hij of zij zijn onderdaan is.
Elke Staat die partij is, kan tevens de maatregelen nemen die nodig kunnen zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, wanneer de vermeende dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij hem of haar niet uitlevert.
Indien een Staat die partij is die zijn rechtsmacht uitoefent uit hoofde van het eerste of tweede lid van dit artikel ervan in kennis is gesteld of op andere wijze heeft vernomen dat één of meer andere Staten die partij zijn een opsporing, vervolging of gerechtelijke procedure heeft of hebben ingesteld naar aanleiding van dezelfde handelingen, overleggen de bevoegde autoriteiten van die Staten die partij zijn, waar mogelijk, met elkaar teneinde hun maatregelen te coördineren.
Onverminderd de normen van het algemene internationale recht, sluit dit Verdrag de uitoefening van geen enkele rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uit die een Staat die partij is in overeenstemming met zijn nationale wetgeving heeft gevestigd.
Artikel 16. Uitlevering
Dit artikel is van toepassing op de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen of in de gevallen waarin een criminele organisatie betrokken is bij een strafbaar feit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a of b en de persoon die het voorwerp is van het verzoek om uitlevering zich bevindt op het grondgebied van de aangezochte Staat die partij is, mits het strafbare feit waarvoor om uitlevering wordt verzocht, strafbaar is ingevolge het nationale recht van zowel de verzoekende Staat die partij is als de aangezochte Staat die partij is.
Indien het verzoek om uitlevering diverse afzonderlijke ernstige misdrijven omvat, waarvan sommige niet onder dit artikel vallen, kan de aangezochte Staat die partij is dit artikel ook toepassen ten aanzien van de laatstgenoemde strafbare feiten.
Elk van de strafbare feiten waarop dit artikel van toepassing is, wordt geacht te zijn opgenomen als een uitleveringsdelict in elk tussen de Staten die partij zijn bestaand uitleveringsverdrag. De Staten die partij zijn verplichten zich ertoe bedoelde strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder tussen hen te sluiten uitleveringsverdrag.
Indien een Staat die partij is die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat die partij is waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan hij dit Verdrag beschouwen als rechtsgrondslag voor uitlevering wat betreft de strafbare feiten waarop dit artikel van toepassing is.
De Staten die partij zijn die uitlevering afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag:
- a. stellen bij de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag, de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ervan in kennis of zij dit Verdrag hanteren als de rechtsgrondslag voor medewerking aan uitlevering met andere Staten die partij zijn bij dit Verdrag; en
- b. trachten, indien zij dit Verdrag niet hanteren als de rechtsgrondslag voor medewerking aan uitlevering, indien nodig, verdragen inzake uitlevering te sluiten met andere Staten die partij zijn bij dit Verdrag teneinde dit artikel uit te voeren.
Staten die partij zijn die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag erkennen onderling de strafbare feiten waarop dit artikel van toepassing is als uitleveringsdelicten.
Uitlevering is onderworpen aan de voorwaarden voorzien in het nationale recht van de aangezochte Staat die partij is of in toepasselijke uitleveringsverdragen, met inbegrip van, onder andere, voorwaarden met betrekking tot de straf die minimaal vereist is voor uitlevering en de gronden waarop de aangezochte Staat die partij is uitlevering kan weigeren.
De Staten die partij zijn, trachten met inachtneming van hun nationale recht uitleveringsprocedures te bespoedigen en de vereisten betreffende de bewijslevering in dergelijke procedures te vereenvoudigen ten aanzien van elk strafbaar feit waarop dit artikel van toepassing is.
Met inachtneming van de bepalingen van zijn nationale wetgeving en zijn uitleveringsverdragen, kan de aangezochte Staat die partij is, nadat hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit rechtvaardigen en dringend zijn en naar aanleiding van het verzoek van de verzoekende Staat die partij is, een persoon om wiens uitlevering wordt verzocht en die zich op zijn grondgebied bevindt in hechtenis nemen of andere passende maatregelen nemen om zijn of haar aanwezigheid bij de uitleveringsprocedure te verzekeren.
Een Staat die partij is op wiens grondgebied een vermeende dader wordt aangetroffen, is, indien hij een dergelijk persoon uitsluitend op grond van het feit hij of zij zijn onderdaan is niet uitlevert vanwege een strafbaar feit waarop dit artikel van toepassing is, verplicht om op verzoek van de uitleveringverzoekende Staat die partij is de zaak zonder onnodige vertraging voor te leggen aan zijn bevoegde autoriteiten ten behoeve van vervolging. Die autoriteiten nemen hun besluit en voeren hun procedures op dezelfde wijze uit als in het geval van andere ernstige strafbare feiten ingevolge het nationale recht van die Staat die partij is. De betrokken Staten die partij zijn, werken met elkaar samen, in het bijzonder op het gebied van procedures en bewijs, teneinde de doelmatigheid van de vervolging te verzekeren.
Wanneer het een Staat die partij is op grond van zijn nationale recht alleen is toegestaan een onderdaan uit te leveren of op andere wijze over te geven onder de voorwaarde dat deze wordt teruggezonden naar die Staat die partij is om de straf te ondergaan die is opgelegd als gevolg van het proces of de procedure waarvoor om uitlevering of overgave van de persoon werd verzocht, en deze Staat die partij is en de om uitlevering van de persoon verzoekende Staat die partij is, instemmen met deze optie en andere voorwaarden die zij gepast achten, is een dergelijke voorwaardelijke uitlevering of overgave voldoende voor ontheffing van de in het tiende lid omschreven verplichting.
Indien een uitlevering, waarom wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vonnis, wordt geweigerd omdat de gezochte persoon onderdaan is van de aangezochte Staat die partij is, neemt de aangezochte Partij, indien haar nationale recht dat toestaat en overeenkomstig de vereisten van dat recht, op aanvraag van de verzoekende Partij de tenuitvoerlegging van het vonnis dat is gewezen krachtens het nationale recht van de verzoekende Partij, of van het resterende deel daarvan in overweging.
Elke persoon ten aanzien van wie procedures worden gevoerd in verband met een van de strafbare feiten waarop dit artikel van toepassing is, wordt een eerlijke behandeling in alle fasen van het proces verzekerd, met inbegrip van het genot van alle rechten en waarborgen die zijn voorzien in het nationale recht van de Staat die partij is op het grondgebied waarvan die persoon zich bevindt.
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het een verplichting tot uitlevering zou inhouden indien de aangezochte Staat die partij is ernstige redenen heeft aan te nemen dat het verzoek om uitlevering is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke overtuiging of dat inwilliging van het verzoek de positie van die persoon om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.
De Staten die partij zijn, mogen een verzoek om uitlevering niet afwijzen uitsluitend op grond van het feit dat het strafbare feit geacht wordt tevens fiscale aangelegenheden te omvatten.
Alvorens uitlevering te weigeren, overlegt de aangezochte Staat die partij is, indien nodig, met de verzoekende Staat die partij is om hem ruimschoots in de gelegenheid te stellen zijn opvattingen te presenteren en informatie te verstrekken ter staving van zijn beweringen.
De Staten die partij zijn, streven ernaar bilaterale en multilaterale overeenkomsten of regelingen te sluiten om uitlevering mogelijk te maken of de doeltreffendheid ervan te verhogen.
Artikel 17. Overbrenging van gevonniste personen
Staten die partij zijn, kunnen overwegen bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen te sluiten voor de overbrenging naar hun grondgebied van personen die zijn veroordeeld tot gevangenisstraf of andere vormen van vrijheidsbeneming voor strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen opdat zij het resterende deel van hun straf daar kunnen uitzitten.
Artikel 18. Wederzijdse rechtshulp
De Staten die partij zijn, verlenen elkaar de ruimst mogelijke wederzijdse rechtshulp bij opsporing, vervolging en gerechtelijke procedures met betrekking tot de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen zoals voorzien in artikel 3, en verlenen elkaar wederzijds vergelijkbare hulp indien de verzoekende Staat die partij is redelijke gronden heeft om aan te nemen dat het in artikel 3, eerste lid, onderdeel a of b bedoelde strafbare feit van grensoverschrijdende aard is, alsmede dat de slachtoffers, getuigen, opbrengsten, hulpmiddelen of bewijsstukken van dergelijke strafbare feiten zich bevinden in de aangezochte Staat die partij is en dat een criminele organisatie bij het strafbare feit betrokken is.
De wederzijdse rechtshulp wordt verleend in de ruimst mogelijke mate krachtens de relevante wetten, verdragen, overeenkomsten en regelingen van de aangezochte Staat die partij is met betrekking tot opsporing, vervolging en gerechtelijke procedures ten aanzien van de strafbare feiten waarvoor een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld overeenkomstig artikel 10 van dit Verdrag in de verzoekende Staat die partij is.
De wederzijdse rechtshulp die moet worden verleend overeenkomstig dit artikel kan worden verzocht voor elk van de volgende doeleinden:
- a. het opmaken van getuigenissen en verklaringen van personen;
- b. het betekenen van gerechtelijke documenten;
- c. het uitvoeren van huiszoekingen en inbeslagnemingen, alsmede bevriezing;
- d. de opsporingen van goederen en terreinen;
- e. het verschaffen van informatie, stukken van overtuiging en beoordelingen door deskundigen;
- f. het verstrekken van originelen of gewaarmerkte afschriften van relevante documenten en dossiers, met inbegrip van bancaire, financiële, bedrijfs- of zakelijke dossiers;
- g. het identificeren of opsporen van opbrengsten van misdaad, goederen, hulpmiddelen of andere goederen ten behoeve van bewijsvoering;
- h. het vergemakkelijken van de vrijwillige verschijning van personen in de verzoekende Staat die partij is;
- i. elke andere vorm van hulp die niet in strijd is met het nationale recht van de aangezochte Staat die partij is.
Onverminderd het nationale recht, kunnen de bevoegde autoriteiten van een Staat die partij is, zonder voorafgaand verzoek, informatie met betrekking tot criminele aangelegenheden zenden aan een bevoegde autoriteit in een andere Staat die partij is, indien zij aannemen dat deze informatie de autoriteit zou kunnen helpen bij het instellen of succesvol afsluiten van onderzoeken en strafrechtelijke procedures of zou kunnen leiden tot het formuleren van een verzoek krachtens dit Verdrag door de laatstgenoemde Staat die partij is.
De verzending van informatie ingevolge het vierde lid van dit artikel laat onderzoeken en strafrechtelijke procedures in de Staat van de bevoegde autoriteiten die de informatie verstrekken onverlet. De bevoegde autoriteiten die de informatie ontvangen, willigen een verzoek in om de genoemde informatie geheim te houden, ook tijdelijk, of beperkingen te stellen aan het gebruik ervan. Dit belet de ontvangende Staat die partij is evenwel niet tijdens zijn procedures informatie te verstrekken die ontlastend is voor een verdachte. In een dergelijk geval stelt de Staat die partij is de verzendende Staat die partij is voorafgaand aan de verstrekking daarvan in kennis, en overlegt, indien daarom is verzocht, met de verzendende Staat die partij is. Indien in een uitzonderlijk geval voorafgaande kennisgeving niet mogelijk is, stelt de ontvangende Staat die partij is de verzendende Staat die partij is onverwijld op de hoogte van de verstrekking.
De bepalingen van dit artikel tasten de verplichtingen ingevolge een ander bilateraal of multilateraal verdrag dat wederzijdse rechtshulp geheel of ten dele regelt of zal regelen niet aan.
Het negende tot en met het negenentwintigste lid van dit artikel zijn van toepassing op ingevolge dit artikel gedane verzoeken indien de betrokken Staten die partij zijn niet gebonden worden door een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp. Indien deze Staten die partij zijn gebonden zijn door een dergelijk verdrag, zijn de desbetreffende bepalingen van dat verdrag van toepassing, tenzij de Staten die partij zijn, overeenkomen in plaats daarvan het negende tot en met het negenentwintigste lid van dit artikel toe te passen. De Staten die partij zijn, worden sterk aangemoedigd deze leden toe te passen indien zij de samenwerking vergemakkelijken.
De Staten die partij zijn, weigeren niet wederzijdse rechtshulp ingevolge dit artikel te verlenen op grond van het bankgeheim.
De Staten die partij zijn, mogen weigeren wederzijdse rechtshulp ingevolge dit artikel te verlenen op grond van het ontbreken van dubbele strafbaarheid. De aangezochte Staat die partij is, kan evenwel, indien hij dit passend acht, rechtshulp verlenen in de door hem te bepalen mate, ongeacht of de handeling een strafbaar feit zou opleveren volgens het nationale recht van de aangezochte Staat die partij is.
Een persoon die in hechtenis zit of een straf ondergaat op het grondgebied van een Staat die partij is, om wiens aanwezigheid op het grondgebied van een andere Staat die partij is wordt verzocht voor identificatie, verhoor of andere wijze van medewerking voor de verkrijging van bewijs voor opsporing, vervolging of gerechtelijke procedures met betrekking tot strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, mag worden overgebracht, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a. de persoon geeft vrijwillig zijn of haar toestemming op basis van volledige informatie;
- b. de bevoegde autoriteiten van beide Staten die partij zijn, stemmen ermee in, overeenkomstig de voorwaarden die die Staten die partij zijn eventueel gepast achten.
Voor de toepassing van het tiende lid van dit artikel:
- a. is de Staat die partij is waarnaar de persoon wordt overgebracht bevoegd en verplicht de overgebrachte persoon in hechtenis te houden, tenzij hij anderszins verzocht of gemachtigd wordt door de Staat die partij is van waaruit de persoon is overgebracht;
- b. komt de Staat die partij is waarnaar de persoon wordt overgebracht onverwijld zijn verplichting na tot terugzending van de persoon voor inhechtenisneming door de Staat die partij is van waaruit deze persoon is overgebracht zoals vooraf overeengekomen, of op andere wijze overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van beide Staten die partij zijn;
- c. verlangt de Staat die partij is waarnaar de persoon wordt overgebracht niet van de Staat die partij is van waaruit de persoon is overgebracht dat deze een uitleveringsprocedure begint ten behoeve van de terugkeer van de persoon;
- d. krijgt de overgebrachte persoon vermindering van de straf die hij of zij in de Staat vanwaar hij of zij is overgebracht moet uitzitten met de periode die hij of zij in hechtenis heeft doorgebracht in de Staat die partij is waarnaar hij of zij is overgebracht.
Tenzij de Staat die partij is van waaruit een persoon overeenkomstig het tiende en elfde lid van dit artikel moet worden overgebracht daarvoor toestemming geeft, wordt die persoon, ongeacht zijn of haar nationaliteit, niet vervolgd of in hechtenis genomen, noch aan enige andere beperking van zijn of haar persoonlijke vrijheid onderworpen op het grondgebied van de Staat waarnaar deze persoon wordt overgebracht wegens handelen, nalaten of veroordelingen voorafgaand aan zijn of haar vertrek uit het grondgebied van de Staat van waaruit deze persoon is overgebracht.
Elke Staat die partij is, wijst een centrale autoriteit aan die de verantwoordelijkheid draagt voor en bevoegd is tot het ontvangen van verzoeken om wederzijdse rechtshulp en deze ofwel uit te voeren ofwel ter uitvoering te zenden aan de bevoegde autoriteiten. Indien een Staat die partij is een speciale regio of speciaal grondgebied heeft met een afzonderlijk stelsel voor wederzijdse rechtshulp, kan hij een aparte centrale autoriteit aanwijzen die dezelfde functie vervult voor die regio of dat grondgebied. De centrale autoriteiten verzekeren de spoedige en goede uitvoering of verzending van de ontvangen verzoeken. Indien de centrale autoriteit het verzoek ter uitvoering aan een bevoegde autoriteit zendt, moedigt zij de spoedige en goede uitvoering van het verzoek door de bevoegde autoriteit aan. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt in kennis gesteld van de voor dit doel aangewezen centrale autoriteit op het tijdstip van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag door elke Staat die partij is. De verzoeken om wederzijdse rechtshulp en mededelingen die daarmee verband houden worden gezonden aan de door de Staten die partij zijn aangewezen centrale autoriteiten. Dit vereiste geldt onverminderd het recht van een Staat die partij is te verlangen dat dergelijke verzoeken en mededelingen langs diplomatieke weg aan hem worden gericht en, in geval van nood, indien de Staten die partij zijn dat overeenkomen, zo mogelijk door tussenkomst van de Internationale Criminele Politieorganisatie.
De verzoeken worden schriftelijk gedaan, of waar mogelijk met elk middel waarmee een schriftelijk document kan worden geproduceerd, in een voor de aangezochte Staat die partij is aanvaardbare taal, onder voorwaarden die het die Staat die partij is mogelijk maken de authenticiteit vast te stellen. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt in kennis gesteld van de voor elke Staat die partij is aanvaardbare taal of talen op het tijdstip van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag door elke Staat die partij is. In geval van nood en indien overeengekomen door de Staten die partij zijn, kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, maar dienen zij onverwijld schriftelijk te worden bevestigd.
Een verzoek om wederzijdse rechtshulp bevat:
- a. de identiteit van de autoriteit die het verzoek doet;
- b. het onderwerp en de aard van de opsporing, de vervolging of gerechtelijke procedure waarop het verzoek betrekking heeft en de naam en functies van de autoriteit die de opsporing, de vervolging of de gerechtelijke procedure uitvoert;
- c. een samenvatting van de relevante feiten, met uitzondering van verzoeken ten behoeve van de betekening van gerechtelijke documenten;
- d. een beschrijving van de gewenste rechtshulp en de details van de specifieke procedure waarvan de verzoekende Staat die partij is wenst dat die gevolgd wordt;
- e. waar mogelijk de identiteit, het adres en nationaliteit van de betrokken personen; en
- f. het doel waarvoor om het bewijsmateriaal, de informatie of de maatregelen wordt verzocht.
De aangezochte Staat die partij is, kan verzoeken om aanvullende informatie indien deze noodzakelijk blijkt voor de uitvoering van het verzoek overeenkomstig zijn nationale recht of wanneer deze de uitvoering kan vergemakkelijken.
Een verzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig het nationale recht van de aangezochte Staat die partij is en, voorzover niet in strijd met het nationale recht van de aangezochte Staat die partij is, en waar mogelijk, overeenkomstig de in het verzoek omschreven procedures.
Indien een persoon zich op het grondgebied van een Staat die partij is bevindt en als getuige of deskundige gehoord moet worden door de gerechtelijke autoriteiten van een andere Staat die partij is, kan de eerste Staat die partij is, op verzoek van de andere, waar mogelijk en overeenkomstig de grondbeginselen van het nationale recht, toestaan dat het verhoor plaatsvindt door middel van videoconferencing, indien het voor de persoon in kwestie niet mogelijk of wenselijk is persoonlijk te verschijnen op het grondgebied van de verzoekende Staat die partij is. De Staten die partij zijn, kunnen overeenkomen dat het verhoor wordt uitgevoerd door een gerechtelijke autoriteit van de verzoekende Staat die partij is en wordt bijgewoond door een gerechtelijke autoriteit van de aangezochte Staat die partij is.
De verzoekende Staat die partij is, gebruikt of zendt geen informatie of bewijsmateriaal verstrekt door de aangezochte Staat die partij is voor opsporing, vervolging of gerechtelijke procedures anders dan vermeld in het verzoek, zonder voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat die partij is. Niets in dit lid belet de verzoekende Staat die partij is in zijn procedures informatie of bewijsmateriaal bekend te maken dat ontlastend is voor een verdachte. In het laatste geval stelt de verzoekende Staat die partij is de aangezochte Staat die partij is voorafgaand aan de bekendmaking daarvan in kennis, en overlegt, indien daarom is verzocht, met de aangezochte Staat die partij is. Indien in een uitzonderlijk geval voorafgaande kennisgeving niet mogelijk is, stelt de verzoekende Staat die partij is de aangezochte Staat die partij is onverwijld op de hoogte van de bekendmaking.
De verzoekende Staat die partij is, kan verlangen dat de aangezochte Staat die partij is het bestaan en de inhoud van het verzoek geheimhoudt, behalve voorzover bekendmaking nodig is voor de uitvoering van het verzoek. Indien de aangezochte Staat die partij is niet kan voldoen aan het vereiste van geheimhouding, stelt hij de verzoekende Staat die partij is daarvan onverwijld op de hoogte.
Wederzijdse rechtshulp kan worden geweigerd:
- a. indien het verzoek niet wordt gedaan overeenkomstig de bepalingen van dit artikel;
- b. indien de aangezochte Staat die partij is uitvoering van het verzoek schadelijk acht voor zijn soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen;
- c. indien het de autoriteiten van de aangezochte Staat die partij is krachtens zijn nationale recht verboden zou zijn de verzochte actie uit te voeren ten behoeve van een vergelijkbaar strafbaar feit, indien het onder hun eigen rechtsmacht zou worden onderworpen aan onderzoek, vervolging of een gerechtelijke procedure;
- d. indien het in strijd zou zijn met het rechtsstelsel van de aangezochte Staat die partij is met betrekking tot wederzijdse rechtshulp om het verzoek te honoreren.
De Staten die partij zijn, mogen een verzoek om wederzijdse rechtshulp niet afwijzen uitsluitend op grond van het feit dat het strafbare feit geacht wordt tevens fiscale aangelegenheden te omvatten.
Elke weigering van wederzijdse rechtshulp wordt met redenen omkleed.
De aangezochte Staat die partij is, voert het verzoek om wederzijdse rechtshulp zo spoedig mogelijk uit en houdt zoveel mogelijk rekening met eventuele uiterste termijnen die door de verzoekende Staat die partij is zijn vermeld en die met redenen zijn omkleed, bij voorkeur in het verzoek. De aangezochte Staat die partij is, antwoordt op redelijke verzoeken van de verzoekende Staat die partij is om informatie over de voortgang van de behandeling van het verzoek. De verzoekende Staat die partij is, stelt de aangezochte Staat die partij is onverwijld in kennis indien de verzochte rechtshulp niet langer nodig is.
De wederzijdse rechtshulp kan door de aangezochte Staat die partij is worden uitgesteld op grond van het feit dat een lopend onderzoek, lopende vervolging of gerechtelijke procedure hierdoor wordt doorkruist.
Alvorens een verzoek ingevolge het eenentwintigste lid van dit artikel te weigeren of de uitvoering ervan uit te stellen ingevolge het vijfentwintigste lid van dit artikel, overlegt de aangezochte Staat die partij is met de verzoekende Staat die partij is om te overwegen of rechtshulp kan worden verleend onder de door hem nodig geachte voorwaarden en bepalingen. Indien de verzoekende Staat die partij is rechtshulp aanvaardt onder die voorwaarden, dient hij daaraan te voldoen.
Onverminderd de toepassing van het twaalfde lid van dit artikel, wordt een getuige, deskundige of andere persoon die op verzoek van de verzoekende Staat die partij is ermee instemt te getuigen in een procedure of mee te werken aan een onderzoek, vervolging of gerechtelijke procedure op het grondgebied van de verzoekende Staat die partij is, niet vervolgd, in hechtenis genomen, gestraft of onderworpen aan een andere beperking van zijn of haar persoonlijke vrijheid op dat grondgebied ten aanzien van handelen, nalaten of veroordelingen voorafgaand aan zijn of haar vertrek uit het grondgebied van de aangezochte Staat die partij is. Een dergelijke immuniteit houdt op wanneer de getuige, deskundige of andere persoon gedurende vijftien achtereenvolgende dagen of gedurende een door de Staten die partij zijn overeengekomen tijdvak vanaf de datum waarop hij of zij officieel ervan in kennis is gesteld dat zijn of haar aanwezigheid niet langer verlangd wordt door de gerechtelijke autoriteiten, de mogelijkheid heeft gekregen te vertrekken, niettemin vrijwillig gebleven is op het grondgebied van de verzoekende Staat die partij is of, na te zijn vertrokken, vrijwillig is teruggekeerd.
De gewone kosten voor de uitvoering van een verzoek worden gedragen door de aangezochte Staat die partij is, tenzij anders is overeengekomen door de betrokken Staten die partij zijn. Indien met de uitvoering van het verzoek aanzienlijke kosten of kosten van buitengewone aard zijn of zullen zijn gemoeid, plegen de Staten die partij zijn overleg om de voorwaarden en omstandigheden te bepalen waaronder het verzoek zal worden uitgevoerd, alsmede de wijze waarop de kosten worden gedragen.
De aangezochte Staat die partij is:
- a. verstrekt aan de verzoekende Staat die partij is afschriften van overheidsdossiers, -documenten of -informatie waarover hij beschikt die krachtens zijn nationale wet toegankelijk zijn voor het algemene publiek;
- b. kan, naar eigen oordeel, aan de verzoekende Staat die partij is geheel of gedeeltelijk of onder door hem passend geachte voorwaarden, afschriften van overheidsdossiers, -documenten of -informatie waarover hij beschikt verstrekken die krachtens zijn nationale wet niet toegankelijk zijn voor het algemene publiek.
De Staten die partij zijn, overwegen, indien nodig, de mogelijkheid van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die dienstig zijn voor, praktische uitvoering geven aan of bevorderlijk zijn voor de bepalingen van dit artikel.
Artikel 19. Gezamenlijke opsporing
De Staten die partij zijn, overwegen het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen op grond waarvan ten behoeve van aangelegenheden die het voorwerp zijn van opsporing, vervolging of gerechtelijke procedures in een of meer Staten, de betrokken bevoegde autoriteiten gemeenschappelijke opsporingsinstanties kunnen oprichten. Bij het ontbreken van dergelijke overeenkomsten of regelingen, kunnen gezamenlijke opsporingen op ad hoc-basis worden overeengekomen. De betrokken Staten die partij zijn, verzekeren dat de soevereiniteit van de Staat die partij is op het grondgebied waarvan een dergelijke opsporing moet plaatsvinden volledig wordt geëerbiedigd.
Artikel 20. Speciale opsporingstechnieken
Indien toegestaan volgens de grondbeginselen van zijn nationale rechtsstelsel, neemt elke Staat die partij is, binnen zijn mogelijkheden en onder de door zijn nationale recht voorgeschreven voorwaarden, de nodige maatregelen ten behoeve van het passend gebruik van gecontroleerde aflevering en, wanneer hij dat passend acht, voor het gebruik van andere speciale opsporingstechnieken, zoals elektronisch of andere vormen van toezicht en infiltratie-operaties, door zijn bevoegde autoriteiten op zijn grondgebied ten behoeve van de doeltreffende bestrijding van georganiseerde misdaad.
Ten behoeve van de opsporing van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, worden de Staten die partij zijn aangemoedigd, indien noodzakelijk, passende bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen te sluiten voor het gebruik van dergelijke speciale opsporingstechnieken in het kader van samenwerking op internationaal niveau. Deze overeenkomsten of regelingen worden gesloten en uitgevoerd onder volledige eerbiediging van het grondbeginsel van de soevereine gelijkheid van Staten en worden onder strikte naleving van de bepalingen van die overeenkomsten of regelingen uitgevoerd.
Bij het ontbreken van een overeenkomst of regeling als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, worden de beslissingen om die speciale opsporingstechnieken te gebruiken op internationaal niveau op ad-hoc basis genomen, waarbij zo nodig rekening wordt gehouden met financiële regelingen en akkoorden ten aanzien van de uitoefening van de rechtsmacht door de betrokken Staten die partij zijn.
De beslissingen over het gebruik van gecontroleerde aflevering op internationaal niveau kunnen, met de instemming van de betrokken Staten die partij zijn, methoden inhouden zoals het onderscheppen van goederen en het toestaan dat deze goederen intact worden gelaten of geheel of gedeeltelijk worden verwijderd of vervangen.
Artikel 21. Overdracht van strafvervolging
De Staten die partij zijn, overwegen de mogelijkheid strafvervolging aan elkaar over te dragen van een strafbaar feit dat onder dit Verdrag valt in de gevallen waarin een dergelijke overdracht geacht wordt in het belang te zijn van een goede rechtsbedeling, in het bijzonder in gevallen waarbij diverse jurisdicties betrokken zijn, teneinde de vervolging te concentreren.
Artikel 22. Opstelling van een strafblad
Elke Staat die partij is, kan de wettelijke of andere maatregelen treffen die nodig kunnen zijn om, onder de voorwaarden en ten behoeve van de doelen die hij passend acht, eerdere veroordelingen in een andere Staat van een vermoedelijke dader in overweging te nemen, teneinde die informatie te gebruiken bij strafrechtelijke procedures die verband houden met een strafbaar feit dat onder dit Verdrag valt.
Artikel 23. Strafbaarstelling van obstructie van de rechtsbedeling
Elke Staat die partij is, neemt de wettelijke en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om de volgende handelingen, indien zij opzettelijk zijn gepleegd, strafbaar te stellen:
- a. het gebruik van fysiek geweld, bedreiging of intimidatie of het beloven, aanbieden of verlenen van een niet-gerechtvaardigd voordeel teneinde een valse getuigenverklaring uit te lokken of invloed uit te oefenen op het afleggen van de getuigenverklaring of het overleggen van bewijsmateriaal in een procedure met betrekking tot het plegen van strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen;
- b. het gebruik van fysiek geweld, bedreiging of intimidatie teneinde de uitoefening van de officiële taken door een rechterlijk ambtenaar of rechtshandhavingsfunctionaris met betrekking tot het plegen van strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen te beletten. Geen enkele bepaling onder deze paragraaf doet afbreuk aan het recht van de Staten die partij zijn om wetgeving te hebben ter bescherming van andere categorieën van overheidsfunctionarissen.
Artikel 24. Bescherming van getuigen
Elke Staat die partij is, neemt passende maatregelen die binnen zijn macht liggen om te zorgen voor doeltreffende bescherming tegen mogelijke represailles tegen of intimidatie van getuigen in strafrechtelijke procedures die getuigenverklaringen afleggen inzake strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen en, indien van toepassing, van hun familieleden en andere personen die hen na staan.
De in het eerste lid van dit artikel voorziene maatregelen kunnen, onder andere, onverminderd de rechten van de verdachte, met inbegrip van het recht op een eerlijke rechtsgang, omvatten:
- a. het voorzien in procedures voor de fysieke bescherming van die personen, waaronder, voorzover nodig en uitvoerbaar, het overbrengen naar een andere plaats van hen en waar passend, het verbieden van de bekendmaking of het toestaan van beperkingen ten aanzien van de verstrekking van informatie omtrent de identiteit en verblijfplaats van die personen;
- b. het zorgen voor bewijsrechtelijke regels teneinde mogelijk te maken dat de getuigenverklaring wordt afgelegd op een wijze die de veiligheid van de getuige waarborgt, zoals het toestaan dat de getuigenverklaring wordt afgelegd met behulp van communicatietechnologie zoals videoverbindingen of andere adequate middelen.
De Staten die partij zijn, overwegen overeenkomsten of andere regelingen met andere Staten te sluiten ten behoeve van de overbrenging naar een andere plaats van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen.
De bepalingen van dit artikel zijn tevens van toepassing op slachtoffers, voor zover zij optreden als getuige.
Artikel 25. Bijstand aan en bescherming van slachtoffers
Elke Staat die partij is, neemt passende maatregelen die binnen zijn macht liggen om bijstand en bescherming te verlenen aan slachtoffers van strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, in het bijzonder in gevallen van bedreiging met represailles of intimidatie.
Elke Staat die partij is, voorziet in passende procedures teneinde schadeloosstelling en herstel voor slachtoffers van strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen toegankelijk te maken.
Elke Staat die partij is, zorgt ervoor, met inachtneming van zijn nationale recht, dat de meningen en zorgen van slachtoffers naar voren worden gebracht in de desbetreffende fasen van de strafrechtelijke procedure tegen de daders, op een wijze die de rechten van de verdediging niet schaadt.
Artikel 26. Maatregelen ter bevordering van samenwerking met wetshandhavingsautoriteiten
Elke Staat die partij is, neemt passende maatregelen om personen die deelnemen of hebben deelgenomen aan criminele organisaties aan te moedigen:
- a. de informatie te verstrekken die nuttig is voor bevoegde autoriteiten ten behoeve van opsporing en bewijsvoering inzake aangelegenheden zoals:
- i. de identiteit, aard, samenstelling, structuur, plaats of activiteiten van criminele organisaties;
- ii. banden, met inbegrip van internationale banden, met andere criminele organisaties;
- iii. strafbare feiten die criminele organisaties hebben gepleegd of kunnen plegen;
- b. feitelijke, concrete hulp te verlenen aan de bevoegde autoriteiten die kan bijdragen aan het ontnemen aan criminele organisaties van hun financiële middelen of de opbrengsten van misdaad.
Elke Staat die partij is, overweegt te voorzien in de mogelijkheid in daarvoor in aanmerking komende gevallen tot strafvermindering voor een verdachte die aanmerkelijke medewerking verleent bij de opsporing of vervolging ten behoeve van een strafbaar feit dat onder dit Verdrag valt.
Elke Staat die partij is, overweegt te voorzien in de mogelijkheid overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationale recht, immuniteit van rechtsvervolging te verlenen aan een persoon die aanmerkelijke medewerking verleent bij de opsporing of vervolging ten behoeve van een strafbaar feit dat onder dit Verdrag valt.
De bescherming van dergelijke personen wordt gewaarborgd zoals voorzien in artikel 24 van dit Verdrag.
Wanneer een persoon als bedoeld in het eerste lid van dit artikel die zich bevindt in een Staat die partij is, aanmerkelijke medewerking kan verlenen aan de bevoegde autoriteiten van een andere Staat die partij is, kunnen de betrokken Staten die partij zijn, overwegen overeenkomstig hun nationale recht overeenkomsten of regelingen te sluiten inzake de mogelijke verlening door de andere Staat die partij is van de behandeling als bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel.
Artikel 27. Samenwerking op het gebied van rechtshandhaving
De Staten die partij zijn, werken in overeenstemming met hun onderscheiden nationale rechtsstelsels en bestuursstelsels nauw met elkaar samen teneinde de doeltreffendheid te bevorderen van handhavingsmaatregelen ter bestrijding van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen. Elke Staat die partij is, neemt in het bijzonder doeltreffende maatregelen teneinde:
- a. communicatiekanalen te verbeteren en waar nodig te creëren tussen hun bevoegde autoriteiten, organisaties en diensten ter vergemakkelijking van de veilige en snelle uitwisseling van informatie met betrekking tot alle aspecten van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van, indien de Staten die partij zijn dit van toepassing achten, verbanden met andere criminele activiteiten;
- b. samen te werken met andere Staten die partij zijn bij de opsporing ten aanzien van strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen betreffende:
- i. de identiteit, verblijfplaats en activiteiten van personen die worden verdacht van betrokkenheid bij die strafbare feiten of de verblijfplaats van andere betrokkenen;
- ii. de bewegingen van opbrengsten van misdaad of goederen verkregen door het plegen van dergelijke strafbare feiten;
- iii. de bewegingen van goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen gebruikt of bedoeld voor gebruik bij het plegen van die strafbare feiten;
- c. indien van toepassing de nodige goederen of hoeveelheden stoffen te verstrekken ten behoeve van analyse of opsporing;
- d. doeltreffende coördinatie tussen hun bevoegde autoriteiten, organisaties en diensten te vergemakkelijken en de uitwisseling te bevorderen van personeel en andere deskundigen, met inbegrip van, met inachtneming van bilaterale overeenkomsten of regelingen tussen de betrokken Staten die partij zijn, de detachering van verbindingsofficieren;
- e. informatie uit te wisselen met andere Staten die partij zijn over specifieke door criminele organisaties gebruikte middelen en methoden, met inbegrip van, indien van toepassing, routes en transportmiddelen en het gebruik van valse identiteiten, gewijzigde of vervalste documenten of andere middelen om hun activiteiten te verhelen;
- f. informatie uit te wisselen en bestuursrechtelijke en andere maatregelen te coördineren die waar nodig zijn genomen ten behoeve van de vroegtijdige ontdekking van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen.
Teneinde uitvoering te geven aan dit Verdrag, overwegen de Staten die partij zijn bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen te sluiten inzake rechtstreekse samenwerking tussen hun rechtshandhavingsorganisaties en, indien dergelijke overeenkomsten of regelingen reeds bestaan, deze aan te passen. Bij ontbreken van dergelijke overeenkomsten of regelingen tussen de betrokken Staten die partij zijn, kunnen de Partijen overwegen dit Verdrag te beschouwen als de grondslag voor wederzijdse samenwerking op het gebied van rechtshandhaving ten aanzien van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen. Indien van toepassing, maken de Staten die partij zijn volledig gebruik van overeenkomsten of regelingen, met inbegrip van internationale of regionale organisaties, ter versterking van de samenwerking tussen hun rechtshandhavingsorganisaties.
De Staten die partij zijn, trachten waar dat in hun vermogen ligt samen te werken teneinde het hoofd te bieden aan grensoverschrijdende georganiseerde misdaad die wordt gepleegd met behulp van moderne technologie.
Artikel 28. Verzamelen, uitwisselen en analyseren van informatie inzake de aard van georganiseerde misdaad
Elke Staat die partij is, overweegt, in overleg met wetenschappelijke en academische gemeenschappen, trends in de georganiseerde misdaad op zijn grondgebied, de omstandigheden waaronder de georganiseerde misdaad opereert alsmede de betrokken beroepsgroepen en technologieën, te analyseren.
De Staten die partij zijn, overwegen met elkaar en via internationale en regionale organisaties expertise te ontwikkelen en te delen op het gebied van de analyse van georganiseerde criminele activiteiten. Daartoe zouden gemeenschappelijke omschrijvingen, normen en methodieken moeten worden ontwikkeld en toegepast, naar gelang van wat het geval is.
Elke Staat die partij is, overweegt zijn beleid en de feitelijk genomen maatregelen door te lichten om de georganiseerde misdaad te bestrijden en de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan te beoordelen.
Artikel 29. Opleiding en technische bijstand
Elke Staat die partij is, zet op, ontwikkelt of verbetert, voor zover nodig, specifieke opleidingsprogramma's voor zijn rechtshandhavend personeel, met inbegrip van officieren van justitie, onderzoeksrechters en douanepersoneel alsmede ander personeel belast met de voorkoming en opsporing en repressie van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen. Deze programma's kunnen de detachering en uitwisseling van medewerkers omvatten. De programma's betreffen in het bijzonder en voorzover toegestaan krachtens het nationale recht het volgende:
- a. methoden gebruikt bij de voorkoming, opsporing en bestrijding van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen;
- b. routes en technieken gebruikt door personen die verdacht worden van betrokkenheid bij strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, waaronder in doorvoerstaten, en geschikte tegenmaatregelen;
- c. volgen van de bewegingen van smokkelarij;
- d. opsporing en volgen van de bewegingen van de opbrengsten van misdaad, goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen en methoden die worden gebruikt voor het overbrengen, verhelen of verhullen van dergelijke opbrengsten, goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen, alsmede methoden die worden gebruikt bij de bestrijding van witwassen en andere financiële misdrijven;
- e. vergaring van bewijs;
- f. controletechnieken in vrijhandelszones en vrijhavens;
- g. moderne uitrusting en technieken ten behoeve van rechtshandhaving, met inbegrip van elektronisch toezicht, gecontroleerde aflevering en infiltratie-operaties;
- h. methoden gebruikt voor de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad die wordt gepleegd met behulp van computers, telecommunicatienetwerken of andere vormen van moderne technologie; en
- i. methoden gebruikt ter bescherming van slachtoffers en getuigen.
De Staten die partij zijn, zijn elkaar behulpzaam bij het ontwerpen en uitvoeren van onderzoeks- en opleidingsprogramma's ten behoeve van het delen van expertise op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gebieden en gebruiken daartoe tevens, indien van toepassing, regionale en internationale conferenties en seminars ter bevordering van de samenwerking en ter stimulering van de bespreking van gemeenschappelijke problemen, met inbegrip van de speciale problemen en behoeften van doorvoerstaten.
De Staten die partij zijn, bevorderen de opleiding en technische bijstand ter vergemakkelijking van uitlevering en wederzijdse rechtshulp. Deze opleiding en technische bijstand kunnen taaltraining, detachering en uitwisseling van personeel van centrale autoriteiten of van organisaties met verantwoordelijkheden op de desbetreffende gebieden omvatten.
In het geval van bestaande bilaterale en multilaterale overeenkomsten of regelingen, versterken de Staten die partij zijn, voorzover nodig, de maatregelen genomen tot optimalisering van operationele en opleidingsactiviteiten binnen internationale en regionale organisaties en in het kader van andere relevante bilaterale en multilaterale overeenkomsten of regelingen.
Artikel 30. Andere maatregelen: uitvoering van het Verdrag via economische ontwikkeling en technische bijstand
De Staten die partij zijn, nemen maatregelen die bijdragen aan de optimale uitvoering van dit Verdrag, voor zover mogelijk door middel van internationale samenwerking, rekening houdend met de negatieve invloed van georganiseerde misdaad op de maatschappij in het algemeen, in het bijzonder op duurzame ontwikkeling.
De Staten die partij zijn, spannen zich voorzover mogelijk en in overleg met elkaar en met internationale en regionale organisaties concreet in teneinde
- a. hun samenwerking op verschillende niveaus met ontwikkelingslanden te verbeteren teneinde de capaciteit van die landen te versterken om grensoverschrijdende georganiseerde misdaad te voorkomen en te bestrijden;
- b. de financiële en materiële bijstand te verhogen ter ondersteuning van inspanningen van ontwikkelingslanden om grensoverschrijdende georganiseerde misdaad doeltreffend te bestrijden en om hen te helpen dit Verdrag met succes uit te voeren;
- c. technische bijstand te verlenen aan ontwikkelingslanden en aan landen met een overgangseconomie teneinde hen te helpen te voorzien in hun behoeften ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag. Daartoe spannen de Staten die partij zijn zich in toereikende en regelmatige vrijwillige bijdragen te storten op een speciaal daarvoor aangewezen rekening in het kader van een financieringsstelsel van de Verenigde Naties. De Staten die partij zijn, kunnen, overeenkomstig hun nationale recht en de bepalingen van dit Verdrag, tevens in het bijzonder overwegen een percentage van het geld of van de overeenkomstige waarde van de opbrengsten van misdaad of goederen die zijn geconfisceerd overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag te storten op voornoemde rekening;
- d. andere Staten en financiële instellingen, naar gelang wat van toepassing is, aan te moedigen en te bewegen zich aan te sluiten bij de inspanningen overeenkomstig dit artikel, in het bijzonder door ontwikkelingslanden te voorzien van meer opleidingsprogramma's en moderne uitrusting teneinde hen bij te staan bij het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag.
Voorzover mogelijk doen deze maatregelen geen afbreuk aan bestaande verplichtingen op het gebied van internationale bijstand of aan andere regelingen op het gebied van financiële samenwerking op bilateraal, regionaal of internationaal niveau.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)