Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht tussen Staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties

Type Verdrag
Publication 1986-03-21
State In force
Source BWB
artikelen 86
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Partijen bij dit Verdrag,

In overweging nemend de fundamentele rol van verdragen in de geschiedenis van de internationale betrekkingen,

Zich bewust van het consensuele karakter en van het steeds toenemend belang van verdragen als bron van volkenrecht,

Vaststellend dat de beginselen van vrijwillige instemming en van goede trouw en de regel pacta sunt servanda algemeen erkend worden,

Bevestigend dat het van belang is het proces te versterken van codificatie en geleidelijke ontwikkeling van het volkenrecht op universeel niveau,

Van oordeel zijnde dat de codificatie en de geleidelijke ontwikkeling van de regels verband houdende met verdragen tussen Staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties middelen vormen om de rechtsorde in de internationale betrekkingen te bestendigen en de doelstellingen van de Verenigde Naties te dienen,

Indachtig de beginselen van het volkenrecht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, als daar zijn de beginselen van de gelijkgerechtigdheid der volken en hun recht op zelfbeschikking, de soevereine gelijkheid en de onafhankelijkheid van alle Staten, het zich niet mengen in binnenlandse aangelegenheden van Staten, het verbod van het dreigen met of het gebruik maken van geweld en de universele en daadwerkelijke eerbied voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden voor allen,

In gedachten hebbend de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969,

Erkennende de betrekkingen tussen het verdragenrecht tussen Staten en het verdragenrecht tussen Staten en internationale organisaties, dan wel tussen internationale organisaties,

Overwegende het belang van verdragen tussen Staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties als nuttig middel voor het ontwikkelen van internationale betrekkingen en voor het waarborgen van voorwaarden voor vreedzame samenwerking tussen naties, ongeacht hun constitutionele en sociale stelsels,

Indachtig de specifieke kenmerken van verdragen waarbij internationale organisaties partij zijn als subjecten van volkenrecht onderscheiden van Staten,

Vaststellend dat internationale organisaties de bevoegdheid bezitten verdragen te sluiten, welke noodzakelijk is voor de uitoefening van hun functies en de verwezenlijking van hun doelstellingen.

Erkennend dat de handelwijze van internationale organisaties bij het sluiten van verdragen met Staten, dan wel onder elkaar, in overeenstemming zou dienen te zijn met hun oprichtingsakten,

Bevestigend dat niets in het onderhavige Verdrag zo mag worden geïnterpreteerd dat die betrekkingen tussen een internationale organisatie en haar leden worden aangetast, die worden beheerst door de regels van de organisatie,

Bevestigend tevens dat geschillen betreffende verdragen, evenals andere internationale geschillen, in overeenstemming met het Handvest der Verenigde Naties dienen te worden beslecht langs vreedzame weg en overeenkomstig de beginselen van gerechtigheid en het volkenrecht,

Bevestigend tevens dat de vraagstukken die niet door de bepalingen van dit Verdrag worden geregeld, zullen worden beheerst door de regels van het internationale gewoonterecht,

Zijn overeengekomen als volgt:

DEEL I. Inleiding

Artikel 1. Werkingssfeer van dit Verdrag

Dit verdrag is van toepassing op:

  • (a). verdragen tussen één of meer Staten en één of meer internationale organisaties, en
  • (b). verdragen tussen internationale organisaties.

Artikel 2. Gebezigde uitdrukkingen

1.

Voor de toepassing van dit Verdrag betekent:

  • (a). „verdrag”: een internationale overeenkomst, beheerst door het volkenrecht en in geschrifte gesloten:
  • (i). tussen één of meer Staten en één of meer internationale organisaties; of
  • (ii). tussen internationale organisaties, hetzij nedergelegd in een enkele akte, hetzij in twee of meer samenhangende akten, en ongeacht haar bijzondere benaming;
  • (b). „bekrachtiging”: de internationale handeling van die naam, waarmee een Staat op internationaal niveau zijn instemming door een Verdrag gebonden te worden vastlegt;
  • (b bis). „handeling van formele bevestiging”: een internationale handeling corresponderend met die van bekrachtiging door een Staat, waarmee een internationale organisatie op internationaal niveau haar instemming door een Verdrag gebonden te worden vastlegt;
  • (b ter). „aanvaarding”, „goedkeuring” en „toetreding”: al naar gelang het geval, de internationale handeling van die naam, waarmee een Staat of een internationale organisatie op internationaal niveau zijn of haar instemming door een Verdrag gebonden te worden vastlegt;
  • (c). „volmacht”: een van de bevoegde autoriteit van een Staat of van de bevoegde instantie van een internationale organisatie uitgaand document waarbij een of meer personen worden aangewezen om de Staat of de organisatie te vertegenwoordigen bij de onderhandelingen over, de aanneming of de authentificatie van een verdragstekst, om de instemming van de Staat of de organisatie door een Verdrag gebonden te worden tot uitdrukking te brengen, of om elke andere handeling te verrichten met betrekking tot een verdrag;
  • (d). „voorbehoud”: een eenzijdige verklaring, ongeacht haar bewoording of haar benaming, afgelegd door een Staat of een internationale organisatie, wanneer deze een verdrag ondertekent, bekrachtigt, formeel bevestigt, aanvaardt of goedkeurt of daartoe toetreedt, waarmee deze Staat of internationale organisatie te kennen geeft het rechtsgevolg van zekere bepalingen van het verdrag in hun toepassing met betrekking tot deze Staat of organisatie uit te sluiten of te wijzigen;
  • (e). „Staat die heeft deelgenomen aan de onderhandelingen” of „organisatie die heeft deelgenomen aan de onderhandelingen”: onderscheidenlijk:
  • (i). een Staat, of
  • (ii). een internationale organisatie, die heeft deelgenomen aan de voorbereiding en de aanneming van de verdragstekst;
  • (f). „verdragsluitende Staat” en „verdragsluitende organisatie”: onderscheidenlijk:
  • (i). een Staat, of
  • (ii). een internationale organisatie, die heeft ingestemd door het verdrag gebonden te worden, of het verdrag nu in werking is getreden of niet;
  • (g). „partij”: een Staat of een internationale organisatie die heeft estemd door het verdrag gebonden te worden en voor welke het verdrag in werking is getreden;
  • (h). „derde Staat” en „derde organisatie”: onderscheidenlijk:
  • (i). een Staat of
  • (ii). een internationale organisatie, die geen partij is bij het verdrag;
  • (i). „internationale organisatie”: een intergouvernementele organie;
  • (j). „regels van de organisatie”: in het bijzonder de oprichtingsakten van de organisatie, de in overeenstemming daarmee aangenomen besluiten en resoluties en de gevestigde praktijk van de organisatie.
2.

De bepalingen van het eerste lid aangaande de in dit Verdrag gebezigde uitdrukkingen laten onverlet het gebruik van deze termen of de betekenis die er in het nationale recht van een Staat of in de regels van een internationale organisatie aan kan worden gehecht.

Artikel 3. Internationale overeenkomsten die buiten de werkingssfeer van dit Verdrag vallen

Het feit dat dit Verdrag niet van toepassing is op:

  • (i). internationale overeenkomsten waarbij één of meer Staten, één of meer internationale organisaties en één of meer subjecten van volkenrecht anders dan Staten of organisaes partij zijn;
  • (ii). internationale overeenkomsten, waarbij één of meer internationale organisaties en één of meer subjecten van volkenrecht anders dan Staten of organisaties partij zijn;
  • (iii). internationale overeenkomsten niet in geschrifte tussen één of meer Staten en één of meer internationale organisaties, of tussen internationale organisaties; of
  • (iv). internationale overeenkomsten tussen subjecten van vol kenrecht anders dan Staten of internationale organisaties; doet geen afbreuk aan :
  • (a). de rechtskracht van zodanige overeenkomsten;
  • (b). de toepassing op deze overeenkomsten van alle in dit Verdrag vastgelegde regels waaraan zij onafhankelijk van dit Verdrag krachtens het volkenrecht zouden zijn onderworpen;
  • (c). de toepassing van het Verdrag op de betrekkingen tussen Staten en internationale organisaties of de betrekkingen tussen organisaties onderling, wanneer deze betrekkingen worden beheerst door internationale overeenkomsten waarbij andere subjecten van volkenrecht eveneens partij zijn.

Artikel 4. De niet-terugwerkende kracht van dit Verdrag

Onverminderd de toepassing van de in dit Verdrag vastgelegde regels, waaraan verdragen tussen één of meer Staten en één of meer internationale organisaties, of tussen internationale organisaties onderling, krachtens het volkenrecht onafhankelijk van dit Verdrag zouden zijn onderworpen, is dit Verdrag slechts van toepassing op verdragen gesloten na inwerkingtreding van dit Verdrag voor die Staten en organisaties.

Artikel 5. Verdragen tot oprichting van internationale organisaties en verdragen aangenomen binnen een internationale organisatie

Dit Verdrag is van toepassing op elk verdrag tussen één of meer Staten en één of meer internationale organisaties, dat de oprichtingsakte van een internationale organisatie vormt en op elk verdrag aangenomen binnen een internationale organisatie, behoudens de ter zake dienende regels van de organisatie.

DEEL II

AFDELING 1. HET SLUITEN VAN VERDRAGEN

Artikel 6. Bevoegdheid van internationale organisaties tot het sluiten van verdragen

De bevoegdheid van een internationale organisatie tot het sluiten van verdragen is onderworpen aan de regels van die organisatie.

Artikel 7. Volmacht

1.

Een persoon wordt beschouwd een Staat te vertegenwoordigen ter zake van de aanneming of authentificatie van een verdragstekst of om de instemming van een Staat door een verdrag te worden gebonden tot uitdrukking te brengen, indien:

  • (a). die persoon een voor dat doel verleende volmacht toont; of
  • (b). uit de praktijk of uit andere omstandigheden blijkt dat het de bedoeling van de betrokken Staten en internationale organisaties was die persoon als vertegenwoordiger van de Staat ten dezen te beschouwen, zonder een volmacht te hoeven tonen.
2.

Op grond van hun functies en zonder dat zij hun volmacht behoeven te tonen, worden als vertegenwoordiger van hun Staat beschouwd:

  • (a). staatshoofden, Regeringsleiders en Ministers van Buitenlandse Zaken, voor alle handelingen met betrekking tot het sluiten van een verdrag tussen één of meer Staten en één of meer internationale organisaties;
  • (b). geaccrediteerde vertegenwoordigers van Staten bij een internationale conferentie voor de aanneming van een verdragstekst tussen Staten en internationale organisaties;
  • (c). gaccrediteerde vertegenwoordigers van Staten bij een internationale organisatie of één van haar organen, voor de aanneming van een verdragstekst in die organisatie of dat orgaan.
  • (d). hoofden van permanente missies bij een internationale organisatie, voor de aanneming van een verdragstekst tussen de accrediterende Staten en die organisatie.
3.

Een persoon wordt beschouwd een internationale organisatie te vertegenwoordigen voor de aanneming of authentificatie van een verdragstekst, of om de instemming van die organisatie door een verdrag gebonden te worden tot uitdrukking te brengen, indien:

  • (a). die persoon een voor dat doel verleende volmacht toont; of
  • (b). uit de omstandigheden blijkt dat het de bedoeling van de betrokken Staten en internationale organisaties was die persoon als vertegenwoordiger van de organisatie ten dezen te beschouwen, in overeenstemming met de regels van die organisatie, zonder dat deze persoon een volmacht behoeft te tonen.

Artikel 8. Bevestiging achteraf van een zonder machtiging verrichte handeling

Een handeling met betrekking tot het sluiten van een verdrag, verricht door een persoon die niet krachtens artikel 7 beschouwd kan worden gemachtigd te zijn een Staat of een internationale organisatie ten dezen te vertegenwoordigen, is zonder rechtsgevolg, tenzij zij achteraf door die Staat of organisatie wordt bevestigd.

Artikel 9. Aanneming van de tekst

1.

De aanneming van een verdragstekst geschiedt door de instemming van alle Staten en internationale organisaties of, al naar gelang het geval, van alle organisaties die zijn betrokken bij het opstellen hiervan, met uitzondering van gevallen voorzien in het tweede lid.

2.

De aanneming van een verdragstekst op een internationale conferentie geschiedt in overeenstemming met de door de deelnemers aan die conferentie overeengekomen procedure. Indien echter geen overeenstemming over een zodanige procedure wordt bereikt, geschiedt de aanneming van de tekst door stemming van tweederde van de aanwezige en stemuitbrengende deelnemers, tenzij zij met dezelfde meerderheid besluiten een afwijkende regel toe te passen.

Artikel 10. Authentificatie van de tekst

1.

De tekst van een verdrag tussen één of meer Staten en één of meer internationale organisaties wordt als authentiek en definitief vastgesteld:

  • (a). door de procedure, vastgesteld in die tekst of overeengekomen door de aan de opstelling van het verdrag deelnemende Staten en organisaties; of
  • (b). indien in een dergelijke procedure niet is voorzien, door de ondertekening, ondertekening ad referendum of parafering door de vertegenwoordigers van die Staten en die organisaties van de verdragstekst of de slotakte van een conferentie waarin de tekst is opgenomen;
2.

De tekst van een verdrag tussen internationale organisaties wordt als authentiek en definitief vastgesteld:

  • (a). door de procedure, vastgesteld in die tekst of overeengekomen door de aan de opstelling van de tekst deelnemende organisaties; of
  • (b). indien in een dergelijke procedure niet is voorzien, door de ondertekening, ondertekening ad referendum of parafering door de vertegenwoordigers van die organisaties van de verdragstekst of de slotakte van een conferentie waarin de tekst is opgenomen;

Artikel 11. Middelen om de instemming door een verdrag gebonden te worden tot uitdrukking te brengen

1.

De instemming van een Staat door een verdrag gebonden te worden, kan tot uitdrukking worden gebracht door ondertekening, door uitwisseling van akten die een verdrag vormen, door bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, of door ieder ander overeengekomen middel.

2.

De instemming van internationale organisaties door een verdrag gebonden te worden, kan tot uitdrukking worden gebracht door ondertekening, door uitwisseling van akten die een verdrag vormen, door een handeling van formele bevestiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, of door ieder ander overeengekomen middel.

Artikel 12. Het door ondertekening tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden

1.

De instemming van een Staat of een internationale organisatie door een verdrag gebonden te worden, wordt tot uitdrukking gebracht door de ondertekening door de vertegenwoordiger van die Staat of die organisatie, wanneer:

  • (a). het verdrag er in voorziet dat de ondertekening dit gevolg heeft;
  • (b). het op andere wijze vaststaat dat de Staten en de organisaties of, al naar gelang het geval, de organisaties die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen, zijn overeengekomen dat de ondertekening dit gevolg heeft; of
  • (c). de bedoeling van de Staat of organisatie om de ondertekening dit gevolg te geven uit de volmacht van zijn of haar vertegenwoordiger blijkt of tijdens de onderhandelingen te kennen is gegeven.
2.

Voor de toepassing van het eerste lid:

  • (a). geldt de parafering van een tekst als ondertekening van het verdrag, indien het vaststaat dat de Staten en organisaties, of, al naar gelang het geval, de organisaties die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen, aldus zijn overeengekomen;
  • (b). geldt de ondertekening ad referendum van een verdrag door de vertegenwoordiger van een Staat of een internationale organisatie, indien zij door die Staat of organisatie wordt bevestigd, als definitieve ondertekening van het verdrag.

Artikel 13. Het door uitwisseling van akten die een verdrag vormen tot uitdrukking brengen van de instemming door een verdrag gebonden te worden

De instemming van Staten of internationale organisaties gebonden te worden door een verdrag, dat wordt gevormd door tussen hen uitgewisselde akten, wordt tot uitdrukking gebracht door deze uitwisseling, wanneer:

  • (a). de akten er in voorzien dat hun uitwisseling dit gevolg heeft; of
  • (b). het op andere wijze vaststaat, dat die staten en die organisaties of, al naar gelang het geval, die organisaties, zijn overeengekomen dat de uitwisseling van akten dit gevolg heeft.

Artikel 14. Het door bekrachtiging, een handeling van formele bevestiging, aanvaarding of goedkeuring tot uitdrukking brengen van de instemming door een verdrag gebonden te worden

1.

De instemming van een Staat door een verdrag gebonden te worden wordt tot uitdrukking gebracht door bekrachtiging, wanneer:

  • (a). het verdrag er in voorziet dat deze instemming door bekrachtiging tot uitdrukking wordt gebracht;
  • (b). het op andere wijze vaststaat, dat de Staten en de organisaties die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen, waren overeengekomen dat bekrachtiging is vereist;
  • (c). de vertegenwoordiger van deze Staat het verdrag onder voorbehoud van bekrachtiging heeft ondertekend; of
  • (d). de bedoeling van deze Staat om het verdrag te ondertekenen onder voorbehoud van bekrachtiging blijkt uit de volmacht van zijn vertegenwoordiger of tijdens de onderhandelingen te kennen is gegeven.
2.

De instemming van een internationale organisatie door een verdrag gebonden te worden, wordt tot uitdrukking gebracht door een handeling van formele bevestiging wanneer:

  • (a). het verdrag er in voorziet dat deze instemming tot uitdrukking wordt gebracht door een handeling van formele bevestiging;
  • (b). het op andere wijze vaststaat dat de Staten en organisaties of, al naar gelang het geval, de organisaties die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen, waren overeengekomen dat een handeling van formele bevestiging is vereist;
  • (c). de vertegenwoordiger van de organisatie het verdrag onder voorbehoud van een handeling van formele bevestiging heeft ondertekend; of
  • (d). de bedoeling van de organisatie om het verdrag te ondertekenen onder voorbehoud van een handeling van formele bevestiging blijkt uit de volmacht van haar vertegenwoordiger of tijdens de onderhandelingen te kennen is gegeven.
3.

De instemming van een Staat of een internationale organisatie door een verdrag gebonden te worden, wordt tot uitdrukking gebracht door aanvaarding of goedkeuring hiervan op soortgelijke voorwaarden als gelden voor zijn op bekrachtiging, of, al naar gelang het geval, een handeling van formele bevestiging.

Artikel 15. Het door toetreding tot uitdrukking brengen van de instemming door een verdrag gebonden te worden

De instemming van een Staat of een internationale organisatie door een verdrag gebonden te worden, wordt tot uitdrukking gebracht door toetreding, wanneer:

  • (a). het verdrag er in voorziet dat deze instemming door deze Staat of deze organisatie tot uitdrukking kan worden gebracht door toetreding:
  • (b). het op andere wijze vaststaat, dat de Staten en de organisaties of, al naar gelang het geval, de organisaties die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen, zijn overeengekomen dat deze instemming door deze Staat of deze organisatie tot uitdrukking kan worden gebracht door toetreding.

Artikel 16. Uitwisseling of nederlegging van akten van bekrachtiging, formele bevestiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding

1.

Tenzij het verdrag anders bepaalt, leggen de akten van bekrachtiging, de akten inzake een handeling van formele bevestiging of de akten van aanvaarding, goedkeuring of toetreding de instemming van een Staat of een internationale organisatie vast om door een verdrag tussen één of meer Staten of één of meer internationale organisaties te worden gebonden op het ogenblik van:

  • (a). hun uitwisseling tussen de verdragsluitende Staten en de verdragsluitende organisaties;
  • (b). hun nederlegging bij de depositaris; of
  • (c). hun kennisgeving aan de verdragsluitende Staten en de verdragsluitende organisaties of aan de depositaris, indien aldus is overeengekomen.
2.

Tenzij het verdrag anders bepaalt, leggen de akten inzake een handeling van formele bevestiging of de akten van aanvaarding, goedkeuring of toetreding de instemming van een internationale organisatie vast om door een verdrag tussen internationale organisaties te worden gebonden, op het ogenblik van:

  • (a). hun uitwisseling tussen de verdragsluitende organisaties;
  • (b). hun nederlegging bij de depositaris;
  • (c). hun kennisgeving aan de verdragsluitende organisaties of aan de depositaris, indien aldus is overeengekomen.

Artikel 17. Instemming door een deel van het verdrag gebonden te worden en keuze tussen verschillende bepalingen

1.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 19 tot 23 heeft de instemming van een Staat of een internationale organisatie gebonden te worden door een deel van een verdrag slechts gevolgen indien het verdrag dit toelaat of indien de andere verdragsluitende Staten en verdragsluitende organisaties of, al naar gelang het geval, de verdragsluitende organisaties hiermede instemmen.

2.

De instemming van een Staat of een internationale organisatie gebonden te worden door een verdrag dat een keuze veroorlooft uit verschillende bepalingen, heeft slechts gevolgen indien duidelijk is aangegeven op welke van de bepalingen de instemming betrekking heeft.

Artikel 18. Verplichting voorwerp en doel van een verdrag niet ongedaan te maken alvorens zijn inwerktreding

Een Staat of een internationale organisatie moet zich onthouden van handelingen die een verdrag zijn voorwerp en zijn doel zouden ontnemen, wanneer:

  • (a). die Staat of die organisatie het verdrag heeft ondertekend of de akten die het verdrag vormen heeft uitgewisseld onder voorbehoud van bekrachtiging, een handeling van formele bevestiging, aanvaarding of goedkeuring, totdat die Staat of die organisatie zijn of haar bedoeling geen partij te willen worden bij het verdrag kenbaar heeft gemaakt; of
  • (b). die Staat of die organisatie zijn of haar instemming door het verdrag gebonden te worden tot uitdrukking heeft gebracht in de periode die aan de inwerkingtreding van het verdrag voorafgaat op voorwaarde dat deze inwerkingtreding niet onnodig wordt vertraagd.

AFDELING 2. VOORBEHOUDEN

Artikel 19. Het maken van voorbehouden

Een Staat of een internationale organisatie kan op het ogenblik van ondertekening, bekrachtiging, formele bevestiging, aanvaarding of goedkeuring van een verdrag of toetreding tot een verdrag een voorbehoud maken, tenzij:

  • (a). dit voorbehoud is verboden door het verdrag;
  • (b). het verdrag bepaalt dat slechts bepaalde voorbehouden, waaronder niet het voorbehoud in kwestie, kunnen worden gemaakt; of
  • (c). voor zover het andere gevallen dan omschreven onder a) en b) betreft, het voorbehoud niet verenigbaar is met voorwerp en doel van het verdrag.

Artikel 20. Aanvaarding van en bezwaar tegen voorbehouden

1.

Een door een verdrag uitdrukkelijk toegestaan voorbehoud behoeft niet nadien door de verdragsluitende Staten en verdragsluitende organisaties, of, al naar gelang het geval, de verdragsluitende organisaties te worden aanvaard, tenzij het verdrag dat voorschrijft.

2.

Wanneer uit het beperkte aantal Staten en organisaties of, al naar gelang het geval, organisaties dat aan de onderhandelingen heeft deelgenomen en uit het voorwerp en doel van het verdrag blijkt, dat de toepassing van het verdrag in zijn geheel tussen alle partijen een wezenlijke voorwaarde is voor de instemming van elk hunner door het verdrag gebonden te worden, dient een voorbehoud door alle partijen te worden aanvaard.

3.

Wanneer een verdrag een oprichtingsakte van een internationale organisatie is en tenzij het anders bepaalt, dient een voorbehoud door het bevoegde orgaan van deze organisatie te worden aanvaard.

4.

In andere gevallen dan die waarin de voorgaande leden voorzien en tenzij het verdrag anders bepaalt:

  • (a). maakt de aanvaarding van een voorbehoud door een verdragsluitende Staat of verdragsluitende organisatie de Staat of de internationale organisatie die het voorbehoud heeft gemaakt partij bij het verdrag met betrekking tot de aanvaardende Staat of organisatie, indien het verdrag in werking is of wanneer het in werking treedt voor de Staat of de organisatie die het voorbehoud heeft gemaakt en voor de aanvaardende Staat of organisatie.
  • (b). verhindert het bezwaar van een verdragsluitende Staat of organisatie tegen een voorbehoud niet de inwerkingtreding van het verdrag tussen de Staat of internationale organisatie die het bezwaar heeft aangetekend en de Staat of internationale organisatie die het voorbehoud heeft gemaakt, tenzij de tegengestelde bedoeling duidelijk is uitgedrukt door de Staat of organisatie die het bezwaar heeft aangetekend;
  • (c). wordt een akte, waarin de instemming van een Staat of een internationale organisatie door het verdrag gebonden te worden tot uitdrukking wordt gebracht en die een voorbehoud bevat, van kracht zodra ten minste één verdragsluitende Staat of één verdragsluitende organisatie het voorbehoud heeft aanvaard.
5.

Voor de toepassing van het tweede en vierde lid en tenzij het verdrag anders bepaalt, wordt een voorbehoud geacht te zijn aanvaard door een Staat of een internationale organisatie, indien deze geen bezwaar heeft gemaakt tegen het voorbehoud binnen twaalf maanden na de datum waarop deze de kennisgeving daarvan ontvangen heeft, of op de dag, waarop deze zijn of haar instemming door het verdrag gebonden te worden tot uitdrukking heeft gebracht indien deze dag op een latere datum valt.

Artikel 21. Rechtsgevolgen van voorbehouden en bezwaren tegen voorbehouden

1.

Een voorbehoud, gemaakt ten aanzien van een andere partij overeenkomstig de artikelen 19, 20 en 23:

  • (a). wijzigt voor de Staat of de internationale organisatie die het voorbehoud heeft gemaakt in zijn of haar betrekkingen met deze andere partij de bepalingen van het verdrag waarop het voorbehoud betrekking heeft, in de mate voorzien in dit voorbehoud; en
  • (b). wijzigt deze bepalingen in dezelfde mate voor deze andere partij in haar betrekkingen met de Staat of internationale organisatie die het voorbehoud heeft gemaakt.
2.

Het voorbehoud wijzigt niet de bepalingen van het verdrag voor de andere partijen bij het verdrag inter se.

3.

Wanneer een Staat of een internationale organisatie die bezwaar heeft gemaakt tegen een voorbehoud zich niet heeft verzet tegen de inwerkingtreding van het verdrag tussen hem of haar en de Staat of organisatie die het voorbehoud heeft gemaakt, zijn de bepalingen waarop het voorbehoud betrekking heeft niet van toepassing tussen de Staat of de organisatie die het voorbehoud heeft gemaakt en de Staat of organisatie die hiertegen bezwaar heeft gemaakt, in de mate voorzien in het voorbehoud.

Artikel 22. Het intrekken van voorbehouden en bezwaren tegen voorbehouden

1.

Tenzij het verdrag anders bepaalt, kan een voorbehoud elk ogenblik worden ingetrokken zonder dat daarvoor de instemming nodig is van een Staat of een internationale organisatie die het voorbehoud heeft aanvaard.

2.

Tenzij het verdrag anders bepaalt, kan een bezwaar tegen een voorbehoud te allen tijde worden ingetrokken.

3.

Tenzij het verdrag anders bepaalt of indien anders is overeengekomen:

  • (a). wordt het intrekken van een voorbehoud pas ten aanzien van een verdragsluitende Staat of een verdragsluitende organisatie van kracht wanneer die Staat of die organisatie een kennisgeving dienaangaande heeft ontvangen;
  • (b). wordt het intrekken van een bezwaar tegen een voorbehoud pas van kracht wanneer de Staat of de internationale organisatie die het voorbehoud heeft gemaakt een kennisgeving van de intrekking heeft ontvangen.

Artikel 23. Procedure betreffende voorbehouden

1.

Een voorbehoud, een uitdrukkelijke aanvaarding van een voorbehoud en een bezwaar tegen een voorbehoud moeten schriftelijk worden vastgelegd en aan de verdragsluitende Staten en verdragsluitende organisaties en aan andere Staten en internationale organisatie die gerechtigd zijn partij bij het verdrag te worden, worden medegedeeld.

2.

Indien een voorbehoud wordt gemaakt bij de ondertekening van het verdrag onder voorbehoud van bekrachtiging, een handeling van formele bevestiging, aanvaarding of goedkeuring, moet dit formeel bevestigd worden door de Staat of de internationale organisatie die het voorbehoud heeft gemaakt op het ogenblik dat deze zijn of haar instemming door het verdrag gebonden te worden, tot uitdrukking brengt. In een dergelijk geval zal het voorbehoud worden beschouwd te zijn gemaakt op de dag van bevestiging.

3.

Een uitdrukkelijke aanvaarding van een voorbehoud of een bezwaar tegen een voorbehoud behoeft, indien voorafgegaan aan een bevestiging van dat voorbehoud, zelf niet te worden bevestigd.

4.

Het intrekken van een voorbehoud of een bezwaar tegen een voorbehoud dient schriftelijk te geschieden.

AFDELING 3. INWERKINGTREDING VAN VERDRAGEN EN VOORLOPIGE TOEPASSING

Artikel 24. Inwerkingtreding

1.

Een verdrag treedt in werking op de wijze en op de datum zoals voorzien in zijn bepalingen, of krachtens overeenstemming tussen de Staten en de organisaties of, al naar gelang het geval, de organisaties die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen.

2.

Indien dergelijke bepalingen of een dergelijke overeenstemming ontbreken, treedt een verdrag in werking zodra de instemming door het verdrag gebonden te worden, vaststaat voor alle Staten en organisaties die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen, of, al naar gelang het geval, de organisaties die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen.

3.

Wanneer de instemming van een Staat of een internationale organisatie door een verdrag gebonden te worden tot uitdrukking wordt gebracht op een datum na de inwerkingtreding van dit verdrag treedt het in werking voor deze Staat of die organisatie op deze datum, tenzij het verdrag anders bepaalt.

4.

De bepalingen van een verdrag, die de authentificatie van de tekst, het tot uitdrukking brengen van de instemming door het verdrag gebonden te worden, de wijze of de datum van inwerkingtreding, de voorbehouden, de werkzaamheden van de depositaris, alsmede de andere vraagstukken die zich noodzakelijkerwijze voordoen voor de inwerkingtreding van het verdrag regelen, zijn van toepassing vanaf het tijdstip van de aanneming van de tekst.

Artikel 25. Voorlopige toepassing

1.

Een verdrag of een deel van een verdrag wordt voorlopig toegepast in afwachting van zijn inwerkingtreding, indien

  • (a). het verdag zulks bepaalt; of
  • (b). de Staten en de organisaties die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen of, al naar gelang het geval, de organisaties die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen, op een andere wijze aldus zijn overeengekomen.
2.

Tenzij het verdrag anders bepaalt, of de Staten en de organisaties of, al naar gelang het geval, de organisaties, die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen anders zijn overeengekomen, houdt de voorlopige toepassing van een verdrag of een deel van een verdrag voor een Staat of een internationale organisatie op, als deze Staat of die organisatie de Staten en organisaties waartussen het verdrag voorlopig wordt toegepast, in kennis stelt van zijn of haar voornemen geen partij te worden bij het verdrag.

DEEL III

AFDELING 1. NALEVING VAN VERDRAGEN

Artikel 26. Pacta sunt servanda

Elk in werking getreden verdrag verbindt de partijen en moet door hen te goeder trouw ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 27. Nationaal recht van Staten, regels van internationale organisaties en naleving van verdragen

1.

Een Staat die partij is bij een verdrag mag zich niet beroepen op de bepalingen van zijn nationale recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen.

2.

Een internationale organisatie die partij is bij een verdrag mag zich niet beroepen op de regels van die organisatie om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen.

3.

De in de voorgaande leden vervatte regels gelden onverminderd artikel 46.

AFDELING 2. TOEPASSING VAN VERDRAGEN

Artikel 28. Niet-terugwerkende kracht van verdragen

Tenzij een andere bedoeling uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan, binden de bepalingen van een verdrag een partij niet met betrekking tot een handeling of feit, voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit verdrag voor deze partij, of enige situatie die op die datum niet meer bestond.

Artikel 29. Territoriale reikwijdte van verdragen

Tenzij een andere bedoeling uit het verdag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan, bindt een verdrag tussen een of meer Staten en een of meer internationale organisaties elke Staat die hierbij partij is ten opzichte van zijn gehele grondgebied.

Artikel 30. Toepassing van achtereenvolgende verdragen die betrekking hebben op eenzelfde onderwerp

1.

De rechten en verplichtingen van Staten en internationale organisaties die partij zijn bij achtereenvolgende verdragen die betrekking hebben op eenzelfde onderwerp worden bepaald overeenkomstig de volgende leden.

2.

Wanneer een verdrag uitdrukkelijk vermeldt dat het ondergeschikt is aan een eerder of later verdrag of dat het niet als onverenigbaar met dat andere verdrag moet worden beschouwd, hebben de bepalingen van dat andere verdrag voorrang.

3.

Wanneer alle partijen bij het eerdere verdrag eveneens partij zijn bij het latere verdrag, zonder dat het eerdere verdrag beëindigd is of zijn werking is opgeschort krachtens artikel 59, is het eerdere verdrag slechts van toepassing in de mate waarin zijn bepalingen verenigbaar zijn met die van het latere verdrag.

4.

Wanneer de partijen bij het eerdere verdrag niet alle partij zijn bij het latere verdrag:

  • (a). is in de betrekkingen tussen twee partijen die partij zijn bij beide verdragen de regel van toepassing die in het derde lid is vastgesteld;
  • (b). regelt in de betrekkingen tussen een partij die partij is bij beide verdragen en een partij die slechts partij is bij een van deze verdragen het verdrag waarbij beide partij zijn hun wederzijdse rechten en verplichtingen.
5.

Het vierde lid is van toepassing onverminderd artikel 41 of enig vraagstuk aangaande de beëindiging of de opschorting van de werking van een verdrag op grond van artikel 60 of enig vraagstuk aangaande de verantwoordelijkheid die voor een Staat of een internationale organisatie kan ontstaan uit het sluiten of de toepassing van een verdrag waarvan de bepalingen onverenigbaar zijn met de verplichtingen die op hem of haar rusten ten aanzien van een andere Staat of organisatie krachtens een ander verdrag.

6.

De voorgaande leden zijn van toepassing onverminderd het feit dat in geval van tegenstrijdigheid tussen verplichtingen voortvloeiend uit het Handvest der Verenigde Naties en verplichtingen voortvloeiend uit een verdrag, de verplichtingen voortvloeiend uit het Handvest der Verenigde Naties prevaleren.

AFDELING 3. UITLEGGING VAN VERDRAGEN

Artikel 31. Algemene regel van uitlegging

1.

Een verdrag moet te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag.

2.

Voor de uitlegging van een verdrag omvat de context, behalve de tekst, met inbegrip van preambule en bijlagen:

  • (a). iedere overeenstemming die betrekking heeft op het verdrag en die bij het sluiten van het verdrag tussen alle partijen is bereikt;
  • (b). iedere akte opgesteld door een of meer partijen bij het sluiten van het verdrag en door de andere partijen erkend als betrekking hebbende op het verdrag.
3.

Behalve met de context dient ook rekening te worden gehouden met:

  • (a). iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen;
  • (b). ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van de partijen inzake de uitlegging van het verdrag is ontstaan;
  • (c). iedere ter zake dienende regel van het volkenrecht die op de betrekkingen tussen de partijen kan worden toegepast.
4.

Een term dient in een bijzondere betekenis verstaan te worden als vaststaat, dat dit de bedoeling van de partijen is geweest.

Artikel 32. Aanvullende middelen van uitlegging

Er kan een beroep worden gedaan op aanvullende middelen van uitlegging en in het bijzonder op de voorbereidende werkzaamheden en de omstandigheden waaronder het verdrag is gesloten, om de betekenis die voortvloeit uit de toepassing van artikel 31 te bevestigen of de betekenis te bepalen wanneer de uitlegging, geschied overeenkomstig artikel 31:

  • (a). de betekenis dubbelzinnig of duister laat; of
  • (b). leidt tot een resultaat dat duidelijk ongerijmd of onredelijk is.

Artikel 33. Uitlegging van in twee of meer talen geauthentiseerde verdragen

1.

Wanneer een verdrag geauthentiseerd is in twee of meer talen, heeft de tekst in elk der talen rechtskracht, tenzij het verdrag bepaalt of de partijen overeenkomen dat in geval van verschil een bepaalde tekst moet prevaleren.

2.

Een versie van het verdrag in een andere taal dan een van de talen waarin de tekst geauthentiseerd is, wordt slechts beschouwd als een authentieke tekst, indien het verdrag daarin voorziet of als de partijen zulks zijn overeengekomen.

3.

De termen van een verdrag worden geacht dezelfde betekenis te hebben in de onderscheiden authentieke teksten.

4.

Behalve in het geval dat een bepaalde tekst overeenkomstig het eerste lid prevaleert, dient men, wanneer de vergelijking van de authentieke teksten een verschil in betekenis oplevert dat niet door toepassing van de artikelen 31 en 32 wordt weggenomen, de betekenis aan te nemen die, rekening houdend met het voorwerp en doel van het verdrag deze teksten het best met elkaar verzoent.

AFDELING 4. VERDRAGEN EN DERDE STATEN OF DERDE ORGANISATIES

Artikel 34. Algemene regel betreffende derde Staten en derde organisaties

Een verdrag schept geen verplichtingen of rechten voor een derde Staat of derde organisatie zonder instemming van die Staat of organisatie.

Artikel 35. Verdragen die voorzien in verplichtingen voor derde Staten of derde organisaties

Voor een derde Staat of een derde organisatie ontstaat ten gevolge van een bepaling van een verdrag een verplichting, indien de partijen bij het verdrag door middel van deze bepaling de verplichting beogen te scheppen en indien de derde Staat of de derde organisatie deze verplichting uitdrukkelijk schriftelijk aanvaardt. Aanvaarding van een zodanige verplichting door een derde organisatie wordt beheerst door de regels van die organisatie.

Artikel 36. Verdragen die voorzien in rechten voor derde Staten of derde organisaties

1.

Voor een derde Staat ontstaat ten gevolge van een bepaling van een verdrag een recht, indien de partijen bij het verdrag door deze bepaling dit recht willen verlenen aan de derde Staat of aan een groep Staten waartoe hij behoort, of aan alle Staten, en indien de derde Staat daarmede instemt. De instemming wordt geacht te zijn gegeven zolang er geen aanwijzing van het tegendeel bestaat, tenzij het verdrag anders bepaalt.

2.

Voor een derde organisatie ontstaat ten gevolge van een bepaling van een verdrag een recht, indien de partijen bij het verdrag door deze bepaling dat recht willen verlenen aan de derde organisatie of aan een groep internationale organisaties waartoe zij behoort, of aan alle organisaties, en indien de derde organisatie daarmede instemt. Haar instemming wordt beheerst door de regels van de organisatie.

3.

Een Staat of een internationale organisatie die van een recht, overeenkomstig het eerste of tweede lid, gebruik maakt, is voor de uitoefening van dat recht gehouden, de voorwaarden, voorzien in het verdrag of overeenkomstig zijn bepalingen vastgesteld, te eerbiedigen.

Artikel 37. Herroeping of wijziging van verplichtingen of rechten van derde Staten of derde organisaties

1.

Wanneer overeenkomstig artikel 35 een verplichting voor een derde Staat of een derde organisatie is ontstaan, kan deze verplichting slechts worden herroepen of gewijzigd met instemming van de partijen bij het verdrag en van de derde Staat of de derde organisatie, tenzij vaststaat dat zij anders zijn overeengekomen.

2.

Wanneer overeenkomstig artikel 36 een recht voor een derde Staat of een derde organisatie is ontstaan, kan dit recht niet door de partijen worden herroepen of gewijzigd indien vaststaat, dat het de bedoeling was het recht niet te herroepen of te wijzigen zonder instemming van de derde Staat of de derde organisatie.

3.

De instemming van een internationale organisatie die partij is bij een verdrag of van een derde organisatie, zoals voorzien in de voorgaande leden, worden beheerst door de regels van die organisatie.

Artikel 38. Verdragsregels die door internationale gewoonte voor derde Staten of derde organisaties bindend worden

Niets in de artikelen 34 tot 37 belet, dat een in een verdrag neergelegde regel bindend wordt voor een derde Staat of een derde organisatie als een regel van internationaal gewoonterecht, die als zodanig wordt erkend.

DEEL IV. Amendering en wijziging van verdragen

Artikel 39. Algemene regel met betrekking tot het amenderen van verdragen

1.

Een verdrag kan bij overeenkomst tussen de partijen worden geamendeerd. Op een dergelijke overeenkomst vinden de regels neergelegd in deel II toepassing behalve in zoverre het verdrag anders bepaalt

2.

De instemming van een internationale organisatie met een overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid, wordt beheerst door de regels van die organisatie.

Artikel 40. Het amenderen van multilaterale verdragen

1.

Tenzij het verdrag anders bepaalt, wordt het amenderen van multilaterale verdragen beheerst door de volgende leden:

2.

Elk voorstel tot amendering van een multilateraal verdrag in de verhoudingen tussen alle partijen moet worden medegedeeld aan alle verdragsluitende Staten en alle verdragsluitende organisaties, en ieder van hen heeft het recht deel te nemen aan:

  • (a). de beslissing over hetgeen ten aanzien van dit voorstel moet worden verricht;
  • (b). de onderhandelingen en het sluiten van een overeenkomst tot amendering van het verdrag.
3.

Iedere Staat of internationale organisatie die gerechtigd is partij te worden bij het verdrag is evenzeer gerechtigd partij te worden bij het aldus geamendeerde verdrag.

4.

De overeenkomst tot amendering bindt niet de Staten of internationale organisaties die reeds partij zijn bij het verdrag en die geen partij worden bij deze overeenkomst; artikel 30, vierde lid, letter (b) is op deze Staten of organisaties van toepassing.

5.

Elke Staat of internationale organisatie die partij wordt bij een verdrag na de inwerkingtreding van de overeenkomst tot amendering wordt, indien die Staat of die organisatie geen andere bedoelingen heeft kenbaar gemaakt, beschouwd als:

  • (a). partij bij het verdrag zoals het geamendeerd is: en
  • (b). partij tot het niet-geamendeerde verdrag met betrekking tot iedere partij bij het verdrag die niet is gebonden door de overeenkomst tot amendering.

Artikel 41. Overeenkomsten tot wijziging van multilaterale verdragen tussen slechts bepaalde partijen

1.

Twee of meer partijen bij een multilateraal verdrag kunnen een overeenkomst tot wijziging van het verdrag tussen hen onderling slechts sluiten, indien:

  • (a). het verdrag voorziet in de mogelijkheid van een zodanige wijziging; of
  • (b). de wijziging in kwestie niet verboden is door het verdrag, en zij
  • (i). noch het genot der aan de andere partijen op grond van het verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun verplichtingen aantast; en
  • (ii). zich niet uitstrekt tot een bepaling, waarvan niet mag worden afgeweken als die onverenigbaar is met de doeltreffende verwezenlijking van voorwerp en doel van het verdrag in zijn geheel.
2.

Tenzij in een geval als voorzien in het eerste lid, letter a, het verdrag anders bepaalt, dienen de partijen in kwestie de andere partijen in kennis te stellen van hun voornemen de overeenkomst te sluiten en van de wijzigingen die deze ten gevolge heeft voor het verdrag.

DEEL V. Ongeldigheid, beëindiging en opschorting van de werking van verdragen

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 42. Geldigheid en het in werking blijven van verdragen

1.

De geldigheid van een verdrag of van de instemming van een Staat of een internationale organisatie door een verdrag gebonden te worden, mag slechts worden betwist door toepassing van dit Verdrag.

2.

De beëindiging van een verdrag, de opzegging ervan of de terugtrekking van een partij kan slechts plaatsvinden door toepassing van de bepalingen van het verdrag of van dit Verdrag. Dezelfde regel geldt voor de opschorting van de werking van een verdrag.

Artikel 43. Verplichtingen opgelegd door het internationale recht onafhankelijk van een verdrag

De ongeldigheid, beëindiging of opzegging van een verdrag, de terugtrekking van een partij of de opschorting van de werking van het verdrag tengevolge van de toepassing van dit Verdrag of van de bepalingen van het verdrag, tast op geen enkele wijze de plicht van een Staat of een internationale organisatie aan tot het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag en waaraan die Staat of die organisatie krachtens het volkenrecht onafhankelijk van het genoemde verdrag, is onderworpen.

Artikel 44. Splitsbaarheid van de verdragsbepalingen

1.

Het recht van een partij, voorzien in een verdrag of voortvloeiend uit artikel 56, het verdrag op te zeggen, zich terug te trekken of de werking van het verdrag op te schorten, mag slechts worden uitgeoefend met betrekking tot het verdrag als geheel, tenzij het verdrag anders voorziet of de partijen anders overeenkomen.

2.

Een grond voor ongeldigheid of beëindiging van een verdrag, voor de terugtrekking van een der partijen of voor opschorting van de werking van het verdrag, die wordt erkend door dit Verdrag, mag slechts worden aangevoerd ten aanzien van het verdrag als geheel, behalve in het geval zoals voorzien in de volgende leden of in artikel 60.

3.

Indien de grond slechts op bepaalde clausules betrekking heeft, mag hij slechts worden aangevoerd ten aanzien van die clausules wanneer:

  • (a). deze clausules scheidbaar zijn van de rest van het verdrag wat hun uitvoering betreft:
  • (b). uit het verdrag blijkt of op andere wijze vaststaat dat de aanvaarding van deze clausules voor de andere partij of partijen bij het verdrag geen wezenlijke voorwaarde voor de instemming was door het verdrag als geheel gebonden te worden; en
  • (c). het niet onrechtvaardig zou zijn de uitvoering van de rest van het verdrag voort te zetten.
4.

In de gevallen vallende onder de artikelen 49 en 50 mag de Staat of de internationale organisatie die het recht heeft zich te beroepen op bedrog of corruptie dit doen ten aanzien van het gehele verdrag of, in het geval bedoeld in het derde lid slechts ten aanzien van enige bepaalde clausules.

5.

In de gevallen als voorzien in de artikelen 51, 52 en 53 is geen scheiding tussen de bepalingen van een verdrag toegestaan.

Artikel 45. Verlies van het recht tot het aanvoeren van gronden voor ongeldigheid of beëindiging van een verdrag of tot terugtrekking uit een verdrag of voor de opschorting van zijn werking

1.

Een Staat mag niet langer gronden aanvoeren tot ongeldigheid of beëindiging van een verdrag of tot terugtrekking uit een verdrag of de opschorting van de werking ervan krachtens de artikelen 46 tot 50 of de artikelen 60 en 62, als deze Staat, na kennis te hebben genomen van de feiten:

  • (a). uitdrukkelijk heeft aanvaard dat het verdrag, al naar gelang het geval, geldig is, in werking blijft of van toepassing blijft; of
  • (b). op grond van zijn gedrag moet worden beschouwd als te hebben berust in, al naar gelang het geval, de geldigheid van het verdrag of het in werking of van toepassing blijven.
2.

Een internationale organisatie mag niet langer gronden aanvoeren tot ongeldigheid of beëindiging van een verdrag of tot terugtrekking uit een verdrag of de opschorting van de werking ervan krachtens de artikelen 46 tot 50 of de artikelen 60 en 62, als deze internationale organisatie, na kennis te hebben genomen van de feiten:

  • (a). uitdrukkelijk heeft aanvaard dat het verdrag, al naar gelang het geval, geldig is, in werking blijft of van toepassing blijft; of
  • (b). op grond van het gedrag van het bevoegde orgaan moet worden beschouwd als te hebben afgezien van het recht zich op die grond te beroepen.

AFDELING 2. ONGELDIGHEID VAN VERDRAGEN

Artikel 46. Bepalingen van het nationale recht van een Staat en van de regels van een internationale organisatie met betrekking tot de bevoegdheid tot het sluiten van verdragen

1.

Het feit dat de instemming van een Staat door een verdrag gebonden te worden, is gegeven in strijd met een bepaling van zijn nationale recht betreffende de bevoegdheid tot het sluiten van verdragen, mag door die Staat niet worden aangevoerd ter ongeldigverklaring van die instemming, tenzij die strijdigheid onmiskenbaar was en een regel van fundamenteel belang van het nationale recht van die Staat betrof.

2.

Het feit dat de instemming van een internationale organisatie door een verdrag gebonden te worden, is gegeven in strijd met de regels van de organisatie betreffende de bevoegdheid tot het sluiten van verdragen, mag door die organisatie niet worden aangevoerd ter ongeldigverklaring van die instemming, tenzij die strijdigheid onmiskenbaar was en een regel van fundamenteel belang betrof.

3.

Een strijdigheid is onmiskenbaar indien zij bij objectieve beschouwing duidelijk is voor iedere Staat of iedere internationale organisatie die zich ten dezen overeenkomstig het gangbaar gebruik van Staten en, al naar gelang het geval, van internationale organisaties, en te goeder trouw gedraagt.

Artikel 47. Bijzondere beperkingen ten aanzien van de bevoegdheid om de instemming van een Staat of een internationale organisatie tot uitdrukking te brengen

Indien de bevoegdheid van een vertegenwoordiger om de instemming van een Staat, of een internationale organisatie door een bepaald verdrag gebonden te worden tot uitdrukking te brengen aan een bijzondere beperking is onderworpen, mag het feit dat deze vertegenwoordiger daarmede geen rekening heeft gehouden niet worden aangevoerd ter ongeldigverklaring van de door hem tot uitdrukking gebrachte instemming, tenzij de beperking aan de Staten en aan de organisaties die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen ter kennis was gebracht alvorens de instemming tot uitdrukking werd gebracht.

Artikel 48. Dwaling

1.

Een Staat of een internationale organisatie mag zich ten einde zijn instemming door een verdrag gebonden te worden ongeldig verklaren beroepen op een dwaling in het verdrag, indien de dwaling betrekking heeft op een feit of een situatie, door deze Staat of die organisatie beschouwd als te bestaan op het tijdstip van de sluiting van het verdrag en indien dit feit of deze situatie een wezenlijke grond vormde voor de instemming van deze Staat of deze organisatie door het verdrag gebonden te worden.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bedoelde Staat of internationale organisatie door zijn of haar gedrag tot deze dwaling heeft bijgedragen of wanneer de omstandigheden van dien aard waren dat deze staat of deze organisatie bedacht had moeten zijn op de mogelijkheid van een dwaling.

3.

Een dwaling die slechts betrekking heeft op de redactie van de tekst van een verdrag tast de geldigheid ervan niet aan; artikel 79 is in dat geval van toepassing.

Artikel 49. Bedrog

Een Staat of een internationale organisatie die er door het bedriegelijke gedrag van een Staat of een organisatie die aan de onderhandelingen heeft deelgenomen toe is gebracht een verdrag te sluiten, mag het bedrog aanvoeren om zijn of haar instemming door het verdrag gebonden te worden ongeldig te verklaren.

Artikel 50. Corruptie van een vertegenwoordiger van een Staat of een internationale organisatie

Een Staat of een internationale organisatie waarvan de instemming door een verdrag gebonden te worden, is verkregen door directe of indirecte corruptie van zijn of haar vertegenwoordiger door een Staat of een organisatie die aan de onderhandelingen heeft deelgenomen, mag deze corruptie aanvoeren om zijn of haar instemming door het verdrag gebonden te worden, ongeldig te verklaren.

Artikel 51. Dwang, uitgeoefend op de vertegenwoordiger van een Staat of van een internationale organisatie

De instemming van een Staat of een internationale organisatie door een verdrag gebonden te worden, die is verkregen door dwang, uitgeoefend op de vertegenwoordiger van die Staat of die organisatie door middel van tegen hem gerichte handelingen of bedreigingen, heeft geen enkel rechtsgevolg.

Artikel 52. Dwang, uitgeoefend op een Staat of een internationale organisatie door bedreiging met of gebruik van geweld

Elk verdrag is nietig, waarvan de totstandkoming is bereikt door bedreiging met of gebruik van geweld in strijd met de beginselen van het volkenrecht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 53. Verdragen strijdig met een dwingende norm van algemeen volkenrecht (jus cogens)

Elk verdrag dat op het tijdstip van zijn totstandkoming in strijd is met een dwingende norm van algemeen volkenrecht, is nietig. Voor de toepassing van dit Verdrag is een dwingende norm van algemeen volkenrecht een norm die aanvaard en erkend is door de internationale gemeenschap van Staten in haar geheel als een norm, waarvan geen afwijking is toegestaan en die slechts kan worden gewijzigd door een latere norm van algemeen volkenrecht van dezelfde aard.

AFDELING 3. BEËINDIGING VAN VERDRAGEN EN OPSCHORTING VAN DE WERKING VAN VERDRAGEN

Artikel 54. Beëindiging van een verdrag of de terugtrekking uit een verdrag krachtens de bepalingen van het verdrag of door overeenstemming tussen de partijen

Beëindiging van een verdrag of de terugtrekking kan plaatsvinden:

  • (a). overeenkomstig de bepalingen van het verdrag; of
  • (b). te allen tijde door overeenstemming tussen alle partijen na raadpleging van de verdragsluitende Staten en de verdragsluitende organisaties.

Artikel 55. Vermindering van het aantal partijen bij een mulitlateraal verdrag tot beneden het voor de inwerkingtreding verplichte aantal

Tenzij het verdrag anders bepaalt, eindigt een multilateraal verdrag niet uitsluitend doordat het aantal partijen is gedaald tot onder het voor zijn inwerkingtreding vereiste aantal.

Artikel 56. Opzegging of de terugtrekking uit een verdrag dat geen bepalingen bevat aangaande beëindiging, opzegging of terugtrekking

1.

Bij een verdrag dat geen bepalingen bevat aangaande zijn beëindiging en niet voorziet in opzegging of terugtrekking is opzegging of terugtrekking niet mogelijk, tenzij:

  • (a). vaststaat, dat de partijen de bedoeling hadden de mogelijkheid van opzegging of terugtrekking toe te laten; of
  • (b). het recht op opzegging of terugtrekking uit de aard van het verdrag kan worden afgeleid.
2.

Een partij dient ten minste twaalf maanden tevoren haar voornemen een verdrag op te zeggen of zich uit het verdrag terug te trekken overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid kenbaar te maken.

Artikel 57. Opschorting van de werking van een verdrag krachtens zijn bepalingen of door overeenstemming tussen de partijen

De werking van een verdrag kan ten aanzien van alle partijen of van een bepaalde partij worden opgeschort

  • (a). overeenkomstig de bepalingen van het verdrag; of
  • (b). te allen tijde door overeenstemming tussen alle partijen, na raadpleging van de verdragsluitende Staten en de verdragsluitende organisaties.

Artikel 58. Opschorting van de werking van een multilateraal verdrag bij overeenkomst tussen slechts bepaalde partijen

1.

Twee of meer partijen bij een multilateraal verdrag kunnen een overeenkomst sluiten om, tijdelijk en uitsluitend tussen hen, de werking van het verdrag op te schorten, indien:

  • (a). in de mogelijkheid tot een zodanige opschorting in het verdrag is voorzien; of
  • (b). indien deze opschorting niet is verboden door het verdrag en
  • (i). noch het genot der aan de andere partijen op grond van het verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun verplichting aantast; en
  • (ii). niet onverenigbaar is met het voorwerp en doel van het verdrag.
2.

Tenzij in een geval als bedoeld in het eerste lid, letter a, het verdrag anders bepaalt, dienen de partijen in kwestie de andere partijen in kennis te stellen van hun voornemen de overeenkomst te sluiten en van de bepalingen in het verdrag waarvan zij voornemens zijn de werking op te schorten.

Artikel 59. Beëindiging van een verdrag of opschorting van de werking van een verdrag ten gevolge van het sluiten van een later verdrag

1.

Een verdrag wordt als beëindigd beschouwd wanneer alle partijen bij dit verdrag een later verdrag sluiten betreffende hetzelfde onderwerp en:

  • (a). uit het latere verdrag blijkt of anderszins vaststaat dat het de bedoeling van de partijen is de materie door dit verdrag te regelen; of
  • (b). de bepalingen van het latere verdrag dermate onverenigbaar zijn met die van het eerdere verdrag, dat het onmogelijk is de beide verdragen tegelijkertijd toe te passen.
2.

Het eerdere verdrag zal geacht worden als alleen maar in zijn werking te zijn opgeschort als uit het latere verdrag blijkt, of op andere wijze vaststaat, dat dit bedoeling van de partijen was.

Artikel 60. Beëindiging van een verdrag of opschorting van zijn werking ten gevolge van schending van het verdrag

1.

Een materiële schending van een bilateraal verdrag door een der partijen geeft de andere partij het recht de schending aan te voeren als grond voor het beëindigen van het verdrag of het geheel of gedeeltelijk opschorten van de werking van het verdrag.

2.

Een materiële schending van een multilateraal verdrag door een der partijen geeft het recht:

  • (a). aan de andere partijen bij unanieme overeenstemming de werking van het verdrag in zijn geheel of gedeeltelijk op te schorten of het verdrag te beëindigen:
  • (i). hetzij in de betrekkingen tussen henzelf en de Staat of de internationale organisatie die het verdrag heeft geschonden,
  • (ii). hetzij tussen alle partijen;
  • (b). aan een in het bijzonder door de schending getroffen partij de schending aan te voeren als grond voor het geheel of gedeeltelijk opschorten van de werking van het verdrag in de betrekkingen tussen haarzelf en de Staat of de internationale organisatie die het verdrag heeft geschonden;
  • (c). aan elke partij, behalve de Staat of de internationale organisatie die het verdrag schendt, deze schending aan te voeren als grond voor het geheel of gedeeltelijk opschorten van de werking van het verdrag, wat haarzelf betreft als dit verdrag van zodanige aard is, dat een materiële schending van zijn bepalingen door een partij de positie van elke partij wat betreft de verdere uitvoering van haar verplichtingen krachtens het verdrag geheel en al wijzigt.
3.

Voor de toepassing van dit artikel bestaat een materiële schending van een verdrag uit:

  • (a). een verwerping van het verdrag die niet toegestaan is door dit Verdrag; of
  • (b). de schending van een bepaling die van wezenlijk belang is voor de uitvoering van het verdrag wat zijn voorwerp of doel betreft.
4.

De voorgaande leden tasten geen enkele bepaling in het verdrag aan die van toepassing is in geval van schending.

5.

De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing op bepalingen betreffende bescherming van de menselijke persoon, opgenomen in verdragen van humanitaire aard, in het bijzonder bepalingen die elke vorm van represailles verbieden tegen door genoemde verdragen beschermende personen.

Artikel 61. Intreden van een situatie die de uitvoering onmogelijk maakt

1.

Een partij mag de onmogelijkheid tot uitvoering van een verdrag als grond aanvoeren om het te beëindigen of zich daaruit terug te trekken indien deze onmogelijkheid een gevolg is van de definitieve verdwijning of vernietiging van een voorwerp, onmisbaar voor de uitvoering van het verdrag. Indien de onmogelijkheid tijdelijk is, kan zij slechts worden aangevoerd als grond voor opschorting van de werking van het verdrag.

2.

Een partij mag niet de onmogelijkheid van de uitvoering aanvoeren als grond voor de beëindiging van het verdrag, voor de terugtrekking daaruit of voor het opschorten van de werking ervan, als deze onmogelijkheid het gevolg is van een schending door die partij hetzij van een verplichting voortvloeiend uit het verdrag, hetzij van iedere andere internationale verplichting met betrekking tot iedere andere partij bij het verdrag.

Artikel 62. Wezenlijke verandering der omstandigheden

1.

Een wezenlijke verandering der omstandigheden, ingetreden ten aanzien van die welke op het tijdstip van de totstandkoming van een bedrag bestonden en die niet door de partijen was voorzien, kan niet als grond voor de beëindiging van het verdrag of voor de terugtrekking daaruit worden aangevoerd, tenzij:

  • (a). het bestaan van deze omstandigheden een wezenlijke grond vormde voor de instemming van de partijen om door het verdrag gebonden te worden; en
  • (b). het gevolg van de wijziging is, dat de strekking van de krachtens het verdrag nog na te komen verplichtingen geheel en al wordt gewijzigd.
2.

Een wezenlijke verandering der omstandigheden kan niet worden aangevoerd als grond voor de beëindiging van een verdrag tussen twee of meer Staten en een of meer internationale organisaties, indien het verdrag een grens vaststelt.

3.

Een wezenlijke verandering der omstandigheden kan niet worden aangevoerd als grond voor de beëindiging van een verdrag of de terugtrekking daaruit, indien de wezenlijke verandering een gevolg is van de schending door de partij die de grond aanvoert, hetzij van een verplichting voortvloeiend uit het verdrag, hetzij van iedere andere internationale verplichting met betrekking tot iedere andere partij bij het verdrag.

4.

Als een partij overeenkomstig de voorgaande leden als grond voor het beëindigen van een verdrag of het zich daaruit terugtrekken een wezenlijke verandering der omstandigheden kan aanvoeren, mag zij eveneens de wijziging aanvoeren als grond voor de opschorting van de werking van het verdrag.

Artikel 63. Het verbreken van diplomatieke of consulaire betrekkingen

Het verbreken van de diplomatieke of de consulaire betrekkingen tussen Staten die partij zijn bij een verdrag tussen twee of meer Staten en één of meer internationale organisaties, heeft geen gevolgen voor de rechtsbetrekkingen, door het verdrag tussen die Staten geschapen, behalve in zoverre het bestaan van diplomatieke of consulaire betrekkingen onontbeerlijk is voor de toepassing van het verdrag.

Artikel 64. Een nieuwe dwingende norm van algemeen internationaal recht (jus cogens)

Ingeval een nieuwe dwingende norm van algemeen volkenrecht opkomt, wordt elk bestaand verdrag dat in strijd is met deze norm nietig en eindigt het.

AFDELING 4. PROCEDURE

Artikel 65. Procedure te volgen bij ongeldigheid, beëindiging van een verdrag, terugtrekking uit een verdrag of opschorting van de werking van een verdrag

1.

De partij die op grond van de bepalingen van dit Verdrag zich beroept op hetzij een gebrek in zijn instemming door een verdrag gebonden te worden, hetzij een motief om de geldigheid van een verdrag te betwisten, het te beëindigen, zich daaruit terug te trekken of de werking ervan op te schorten, moet de andere partijen van zijn eis in kennis stellen. De kennisgeving dient aan te geven welke maatregel tegen het verdrag wordt beoogd alsmede de redenen daarvoor.

2.

Als, na afloop van een periode die, behalve in geval van bijzondere noodzaak, niet korter mag zijn dan drie maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de kennisgeving, geen partij bezwaar heeft gemaakt, kan de partij, die de kennisgeving heeft gedaan op de wijze als beschreven in artikel 67, de door haar beoogde maatregel nemen.

3.

Als echter bezwaar wordt gemaakt door een andere partij, dienen de partijen een oplossing te zoeken met behulp van de middelen aangegeven in artikel 33 van het Handvest van de Verenigde Naties.

4.

De kennisgeving gedaan of het bezwaar gemaakt door een internationale organisatie wordt beheerst door de regels van die organisatie.

5.

Niets in de voorgaande leden tast de rechten of de verplichtingen van partijen aan voortvloeiende uit de tussen hen van kracht zijnde bepalingen betreffende de regeling van geschillen.

6.

Onverminderd artikel 45 verhindert het feit dat een Staat of een internationale organisatie niet de in het eerste lid voorgeschreven kennisgeving heeft gedaan hem of haar niet een dergelijke kennisgeving te doen ten antwoord aan een andere partij die de uitvoering van een verdrag eist of de schending ervan aanvoert.

Artikel 66. Procedures voor rechtspraak, arbitrage en conciliatie

1.

Als binnen een periode van twaalf maanden volgend op de datum waarop bezwaar is gemaakt het niet mogelijk is gebleken een oplossing te bereiken overeenkomstig artikel 65, derde lid, worden de in de volgende leden vermelde procedures toegepast.

2.

Ten aanzien van een geschil betreffende de toepassing of uitlegging van artikel 53 of artikel 64:

  • (a). kan een Staat, indien hij partij is bij een geschil met een of meer andere Staten, door middel van een verzoekschrift het geschil ter beslissing voorleggen aan het Internationaal Gerechtshof;
  • (b). kan een Staat, indien hij partij is bij een geschil waarbij een of meer internationale organisaties partij zijn, zonodig door tussenkomst van een lidstaat van de Verenigde Naties, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad of, al naar gelang het geval, het bevoegde orgaan van een internationale organisatie die partij is bij het geschil en die, overeenkomstig artikel 96 van het Handvest der Verenigde Naties, hiertoe gemachtigd is, een advies vragen aan het Internationaal Gerechtshof, zulks in overeenstemming met artikel 65 van het Statuut van het Hof;
  • (c). kunnen de Verenigde Naties of een internationale organisatie die overeenkosmtig artikel 96 van het Handvest der Verenigde Naties daartoe gemachtigd is, indien zij partij zijn bij het geschil, een advies aan het Internationaal Gerechtshof vragen, zulks in overeenstemming met artikel 65 van het Statuut van het Hof;
  • (d). kan een andere internationale organisatie dan die bedoeld onder letter c, indien deze partij is bij een geschil, door tussenkomst van een lidstaat van de Verenigde Naties de onder letter b uiteengezette procedure volgen;
  • (e). dient het ingevolge de letters a, b of c gegeven advies door alle partijen bij het desbetreffende geschil als beslissend te worden aanvaard ;
  • (f). indien het ingevolge de letters b, c of d gedane verzoek om advies aan het Hof niet wordt ingewilligd, kan elk van de partijen bij het geschil door middel van schriftelijke kennisgeving aan de andere partij of partijen, dit geschil onderwerpen aan arbitrage, overeenkomstig het bepaalde in de Bijlage bij dit Verdrag.
3.

De bepalingen van het tweede lid zijn van toepassing, tenzij alle partijen bij een geschil zoals bedoeld in dat lid, met algemene instemming overeenkomen het geschil te onderwerpen aan een arbitrageprocedure, waaronder de procedure vervat in de Bijlage bij dit Verdrag.

4.

Ten aanzien van een geschil betreffende de toepassing of uitlegging van een van de artikelen van deel V, anders dan de artikelen 53 en 64, van dit Verdrag, kan elke partij bij het geschil de bemiddelingsprocedure, vervat in de Bijlage bij dit Verdrag, op gang brengen door een hiertoe strekkend verzoek in te dienen bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties.

Artikel 67. Akten ter ongeldigverklaring of beëindiging van een verdrag, ter terugtrekking uit een verdrag of ter opschorting van de werking van een verdrag

1.

De kennisgeving voorzien in artikel 65, eerste lid, dient schriftelijk te geschieden.

2.

Iedere handeling ter ongeldigverklaring of beëindiging van een verdrag, iedere handeling ter terugtrekking uit een verdrag of iedere handeling ter opschorting van de werking van een verdrag op grond van zijn bepalingen of van artikel 65, tweede of derde lid, moet worden neergelegd in een akte, medegedeeld aan de andere partijen.

Als de door een Staat opgestelde akte niet is ondertekend door het Staatshoofd, het hoofd van de Regering of de Minister van Buitenlandse Zaken, kan de vertegenwoordiger van de Staat die de mededeling doet uitgenodigd worden zijn volmacht te tonen. Indien de akte is opgesteld door een internationale organisatie, kan de vertegenwoordiger van de organisatie die hiervan mededeling doet, uitgenodigd worden zijn volmacht te tonen.

Artikel 68. Herroeping van de kennisgevingen en akten als voorzien in de artikelen 65 en 67

Een kennisgeving of een akte als voorzien in de artikelen 65 en 67 kan te allen tijde worden herroepen voordat zij dan kracht is geworden.

AFDELING 5. GEVOLGEN VAN DE ONGELDIGHEID, BEËINDIGING OF OPSCHORTING VAN DE WERKING VAN EEN VERDRAG

Artikel 69. Gevolgen van de ongeldigheid van een verdrag

1.

Een verdrag waarvan de ongeldigheid krachtens dit Verdrag wordt vastgesteld, is nietig. De bepalingen van een nietig verdrag hebben geen rechtskracht.

2.

Als niettemin handelingen zijn verricht op grond van een zodanig verdrag:

  • (a). kan elke partij van elke andere partij eisen, dat zij, voor zover zulks in hun wederzijdse betrekkingen mogelijk is, de situatie tot stand brengt die zou hebben bestaan indien deze handelingen niet zouden zijn verricht;
  • (b). zijn handelingen, te goeder trouw verricht voordat de ongeldigheid was aangevoerd, niet onrechtmatig geworden uitsluitend doordat het verdrag ongeldig is geworden.
3.

In gevallen, waarop de artikelen 49, 50, 51 of 52 betrekking hebben, is het tweede lid niet van toepassing op de partij waaraan het bedrog, de corruptiehandeling of de dwang is toe te rekenen.

4.

In geval van ongeldigheid van de instemming van een bepaalde Staat of een bepaalde internationale organisatie door een multilateraal verdrag gebonden te worden, zijn de voorgaande regels van toepassing op de betrekkingen tussen die Staat of die organisatie en de partijen bij het verdrag.

Artikel 70. Gevolgen van de beëindiging van een verdrag

1.

De beëindiging van een verdrag krachtens zijn bepalingen of overeenkomstig dit Verdrag

  • (a). ontslaat de partijen van de verplichting de uitvoering van het verdrag voort te zetten;
  • (b). tast geen enkel recht, geen enkele verplichting of geen enkele rechtspositie van partijen aan, die door de uitvoering van het verdrag vóór zijn beëindiging is ontstaan; tenzij het verdrag anders bepaalt of de partijen anders overeenkomen.
2.

Indien een Staat of een internationale organisatie een multilateraal verdrag opzegt of zich daaruit terugtrekt, is met ingang van de datum waarop deze zegging of terugtrekking effect krijgt het eerste lid van toepassing op de betrekkingen tussen deze Staat of die organisatie en ieder der andere partijen bij het verdrag.

Artikel 71. Gevolgen van de nietigheid van een verdrag dat strijdig is met een dwingende norm van algemeen volkenrecht

1.

Ingeval een verdrag nietig is krachtens artikel 53, zijn de partijen gehouden:

  • (a). zoveel als mogelijk is de gevolgen weg te nemen van iedere handeling verricht op grond van een bepaling die strijdig is met de dwingende norm van algemeen volkenrecht; en
  • (b). hun wederzijdse betrekkingen in overeenstemming te brengen met de dwingende norm van algemeen volkenrecht.
2.

Ingeval een verdrag nietig wordt en eindigt krachtens artikel 64:

  • (a). ontslaat de beëindiging van het verdrag de partijen van de verplichting de uitvoering van het verdrag voort te zetten;
  • (b). tast de beëindiging van het verdrag geen enkel recht, geen enkele verplichting of geen enkele rechtspositie van partijen aan, die door de uitvoering van het verdrag vóór zijn beëindiging is ontstaan; deze rechten, verplichtingen en rechtspositie kunnen daarna echter slechts worden gehandhaafd in zoverre deze handhaving op zich niet strijdig is met de nieuwe dwingende norm van algemeen volkenrecht.

Artikel 72. Gevolgen van de opschorting van de werking van een verdrag

1.

De opschorting van de werking van een verdrag op grond van zijn bepalingen of overeenkomstig dit Verdrag - tenzij het verdrag anders bepaalt of de partijen anders overeenkomen -:

  • (a). ontslaat de partijen tussen welke de werking van het verdrag is opgeschort van de verplichting het verdrag uit te voeren in hun onderlinge betrekkingen gedurende de tijd van opschorting;
  • (b). tast voor het overige de door het verdrag geschapen rechtsbetrekkingen tussen de partijen niet aan.
2.

Gedurende de tijd van opschorting moeten de partijen zich onthouden van alle handelingen die een belemmering voor een hervatte werking van het verdrag kunnen vormen.

DEEL VI. Onderscheiden bepalingen

Artikel 73. Betrekkingen met het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht

Ten aanzien van de Staten die partij zijn bij het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969 is dat Verdrag van toepassing op de betrekkingen tussen die Staten krachtens een verdrag tussen twee of meer Staten en een of meer internationale organisatie.

Artikel 74. Vraagstukken waarop dit Verdrag niet vooruit loopt

1.

De bepalingen van dit Verdrag mogen niet vooruitlopen op vraagstukken die zich met betrekking tot een verdrag tussen één of meer Staten en één of meer internationale organisaties kunnen voordoen op grond van Statenopvolging, de internationale Staatsaansprakelijkheid of het uitbreken van vijandelijkheden tussen Staten.

2.

De bepalingen van dit Verdrag mogen niet vooruitlopen op vraagstukken die zich met betrekking tot een verdrag kunnen voordoen op grond van de internationale aansprakelijkheid van een internationale organisatie, op grond van beëindiging van het bestaan van die organisatie of van beëindiging van het lidmaatschap van die organisatie door een Staat.

3.

De bepalingen van dit Verdrag mogen niet vooruitlopen op vraagstukken die zich kunnen voordoen met betrekking tot de vaststelling van de plichten en rechten van Lid-Staten van een internationale organisatie ingevolge een verdrag waarbij die organisatie partij is.

Artikel 75. Diplomatieke of consulaire betrekkingen en het sluiten van verdragen

Het verbreken of de afwezigheid van diplomatieke of consulaire betrekkingen tussen twee of meer Staten is geen belemmeringen voor het sluiten van verdragen tussen twee of meer van deze Staten en één of meer internationale organisaties. Het sluiten van een zodanig verdrag heeft op zichzelf geen gevolg voor de diplomatieke of consulaire betrekkingen.

Artikel 76. Geval van een aanvallende Staat

De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet de verplichtingen die met betrekking tot een verdrag tussen één of meer Staten en één of meer internationale organisaties voor een aanvallende Staat kunnen voortvloeien uit maatregelen, genomen overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties ter zake van door deze Staat gepleegde agressie.

DEEL VII. Depositarissen, kennisgevingen, verbeteringen en registratie

Artikel 77. Depositarissen van verdragen

1.

De aanwijzing van de depositaris van een verdrag kan geschieden door de Staten en organisaties of, al naar gelang het geval, de organisaties die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen, hetzij in het verdrag zelf, hetzij op andere wijze. De depositaris kan zijn één of meer Staten, een internationale organisatie of de voornaamste administratieve functionaris van een dergelijke organisatie.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)