Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds
Preambule
Gelet op de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, die op 23 juni 2000 te Cotonou werd ondertekend en op 25 juni 2005 te Luxemburg werd herzien, hierna de „Overeenkomst van Cotonou” genoemd,
Ervan overtuigd dat de economische partnerschapsovereenkomst (EPO) een nieuw, gunstiger klimaat voor hun relaties op het gebied van economisch bestuur, handel en investeringen tot stand zal brengen en nieuwe mogelijkheden voor groei en ontwikkeling zal bieden,
Overwegende dat de liberalisering van de handel in goederen en diensten en van het vestigingsrecht tussen de partijen gebaseerd moet zijn op de regionale integratie van de Centraal-Afrikaanse staten, dat deze tot doel moet hebben hun geleidelijke, harmonieuze integratie in de wereldeconomie te bevorderen, daarbij lettend op hun politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten, en dat daarbij moet worden voldaan aan de voorwaarden van de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie,
Overwegende dat de partijen buitenlandse directe investeringen niet zullen aanmoedigen door afzwakking van hun binnenlandse wet- en regelgeving inzake milieu, arbeid, gezondheid op het werk of veiligheid of door versoepeling van hun binnenlandse arbeidswet- en regelgeving of van voorschriften om culturele diversiteit te beschermen en te bevorderen. De partijen bevestigen daarom opnieuw dat zij zich ertoe verbinden deze binnenlandse wet- en regelgeving na te leven of de naleving ervan aan te bieden, teneinde de vestiging, verwerving, uitbreiding of handhaving van een investering of investeerder op hun gebied aan te moedigen,
Zijn als volgt overeengekomen1)[Red: Bijlage III bij de Overeenkomst ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en is te vinden op http://eur-lex.europa.eu/nl/index.htm.]:
TITEL I. DOELSTELLINGEN
Artikel 1. Tijdelijke overeenkomst
Bij deze overeenkomst wordt een initieel kader voor een economische partnerschapsovereenkomst, hierna „EPO” genoemd, vastgesteld.
Onder „initieel kader” wordt door de partijen verstaan een tijdelijke overeenkomst over, enerzijds, daadwerkelijke verbintenissen die in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst kunnen worden uitgevoerd, en, anderzijds, onderhandelingen over aanvullende elementen, teneinde een volledige EPO in overeenstemming met de Overeenkomst van Cotonou te sluiten.
Artikel 2. Algemene doelstellingen en werkingssfeer
De doelstellingen van deze overeenkomst zijn:
- a. bijdragen aan het terugdringen en uiteindelijk het uitroeien van armoede door de instelling van een handelspartnerschap dat in overeenstemming is met het doel van een duurzame ontwikkeling, de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de Overeenkomst van Cotonou;
- b. bevordering van een beter concurrerende en meer gediversifieerde regionale economie in Centraal-Afrika en van constantere groei;
- c. bevordering van regionale integratie, economische samenwerking en goed bestuur in de Centraal-Afrikaanse regio;
- d. bevordering van de geleidelijke integratie van Centraal-Afrika in de wereldeconomie, in overeenstemming met zijn politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten;
- e. verbetering van de capaciteit van Centraal-Afrika op het gebied van handelsbeleid en handelsgerelateerde vraagstukken;
- f. totstandbrenging en tenuitvoerlegging van een doeltreffend, voorspelbaar en transparant regionaal regelgevend kader voor handel en investeringen in de Centraal-Afrikaanse regio, ter ondersteuning van de voorwaarden voor een toename van de investeringen en van initiatieven van de particuliere sector en verruiming van de leveringscapaciteit voor producten en diensten, het concurrentievermogen en de economische groei in de regio;
- g. versterking van de bestaande relaties tussen de partijen op basis van solidariteit en wederzijds belang. Om dit te bereiken, verbetert de overeenkomst de economische en handelsbetrekkingen, geeft zij steun aan een nieuwe handelsdynamiek tussen de partijen door middel van de geleidelijke, asymmetrische liberalisering van de onderlinge handel en versterkt, verruimt en verdiept zij de samenwerking op alle gebieden die voor de handel van belang zijn, met inachtneming van de WTO-verplichtingen;
- h. bevordering van de ontwikkeling van de particuliere sector en van werkgelegenheidsgroei.
Artikel 3. Specifieke doelstellingen
Overeenkomstig de artikelen 34en 35 van de Overeenkomst van Cotonou heeft deze overeenkomst de volgende doelstellingen:
- a. leggen van de grondslagen voor onderhandelingen over een EPO die bijdraagt tot terugdringing van de armoede, die de regionale integratie, economische samenwerking en een goed bestuur in Centraal-Afrika bevordert en die de productie-, uitvoer- en leveringscapaciteit van Centraal-Afrika, alsmede zijn vermogen om buitenlandse investeringen aan te trekken en zijn capaciteit inzake handelsbeleid en handelsgerelateerde vraagstukken verbetert;
- b. bevordering van de geleidelijke, harmonieuze integratie van Centraal-Afrika in de wereldeconomie, in overeenstemming met zijn politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten;
- c. versterking van de bestaande relaties tussen de partijen op basis van solidariteit en wederzijds belang;
- d. totstandbrenging van een overeenkomst die in overeenstemming met de WTO-voorschriften is;
- e. leggen van de grondslagen voor onderhandelingen en tenuitvoerlegging van een doeltreffend, voorspelbaar en transparant regionaal regelgevend kader voor handel, investeringen, mededinging, intellectuele eigendom, overheidsopdrachten en duurzame ontwikkeling in de Centraal-Afrikaanse regio, ter ondersteuning van de voorwaarden voor een toename van de investeringen en van initiatieven van de particuliere sector en verruiming van de leveringscapaciteit voor producten en diensten, het concurrentievermogen en de economische groei in de regio;
- f. vaststelling van een routekaart voor onderhandelingen over de onder e) genoemde gebieden waarvoor de onderhandelingen in 2007 niet konden worden afgesloten.
TITEL II. PARTNERSCHAP VOOR ONTWIKKELING
Artikel 4. Kader voor de capaciteitsopbouw in Centraal-Afrika
De partijen bevestigen hun voornemen de verschillende hun ter beschikking staande instrumenten in te zetten om tot capaciteitsopbouw en economische modernisering in Centraal-Afrika bij te dragen, met name door met behulp van de instrumenten van het handelsbeleid en de in artikel 7 bedoelde samenwerkingsinstrumenten op nationaal en regionaal niveau een economisch en institutioneel kader tot stand te brengen dat de groei van een concurrerende economische bedrijvigheid in Centraal-Afrika begunstigt.
Artikel 5. Prioriteiten bij de capaciteitsopbouw en modernisering
In partnerschap met de EG en met behulp van de in artikel 7 bedoelde samenwerkingsinstrumenten zal de Centraal-Afrikaanse regio een kwantitatieve en kwalitatieve groei van de door haar geproduceerde en uitgevoerde goederen en diensten bevorderen, en dat met name op de volgende gebieden:
- a. ontwikkeling van de regionale basisinfrastructuur:
- –. vervoer;
- –. energie;
- –. telecommunicatie;
- b. landbouw en voedselzekerheid:
- –. landbouwproductie;
- –. agro-industrie;
- –. visserij;
- –. veeteelt;
- –. aquicultuur en visbestanden;
- c. industrie, diversificatie en concurrentievermogen van de economie:
- –. modernisering van ondernemingen;
- –. industrie;
- –. normen en certificering (sanitaire en fytosanitaire maatregelen, kwaliteit, zoötechnische normen enz.);
- d. verdieping van de regionale integratie:
- –. ontwikkeling van de regionale gemeenschappelijke markt;
- –. belastingen en douane;
- e. verbetering van het ondernemingsklimaat:
- –. harmonisatie van het nationale handelsbeleid.
Bij de tenuitvoerlegging van dit partnerschap baseren de partijen zich op het gezamenlijk oriënterend document dat aan bijlage I bij deze overeenkomst is gehecht.
In het kader van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst bevestigen de partijen hun voornemen de modernisering van de onder deze overeenkomst vallende productiesectoren in Centraal-Afrika met behulp van de in artikel 7 bedoelde samenwerkingsinstrumenten te bevorderen.
Artikel 6. Randvoorwaarden voor het bedrijfsleven
De partijen zijn van oordeel dat de voor het bedrijfsleven geldende randvoorwaarden een essentieel instrument voor economische ontwikkeling zijn en dat deze overeenkomst derhalve tot dit gemeenschappelijke doel moet bijdragen. De overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, die ook het verdrag tot oprichting van de Organisatie voor de harmonisatie van het bedrijfsrecht in Afrika (OHADA) hebben ondertekend, verbinden zich ertoe dit verdrag op niet-discriminerende en doeltreffende wijze toe te passen en uit te voeren.
Artikel 7. Samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering
De bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou betreffende regionale economische samenwerking en integratie worden zodanig ten uitvoer gelegd dat de verwachte voordelen van deze overeenkomst zo groot mogelijk zijn.
De financiering door de Europese Gemeenschap1)Exclusief de lidstaten. van de ontwikkelingssamenwerking tussen Centraal-Afrika en de Europese Gemeenschap ter ondersteuning van de uitvoering van deze overeenkomst vindt plaats in het kader van de voorschriften en passende procedures die zijn neergelegd in de Overeenkomst van Cotonou, met name de programmeringsprocedures van het Europees Ontwikkelingsfonds, en in het kader van de desbetreffende instrumenten die uit de algemene begroting van de Europese Unie worden gefinancierd. Steun bij de uitvoering van deze overeenkomst is een van de prioriteiten in dit verband.
De lidstaten van de Europese Gemeenschap verbinden zich er gezamenlijk toe ontwikkelingsacties ten behoeve van regionale economische samenwerking en de uitvoering van deze overeenkomst, zowel op nationaal als op regionaal niveau, door middel van hun respectieve ontwikkelingsbeleid en -instrumenten, waaronder hulp voor handel, in overeenstemming met de beginselen van doeltreffendheid en complementariteit van de hulp te steunen.
De partijen werken samen om hulp te bevorderen van andere donoren die bereid zijn de inspanningen van Centraal-Afrika om de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken, te ondersteunen.
De partijen erkennen het nut van specifieke regionale financieringsmechanismen ter ondersteuning van de uitvoering van deze overeenkomst en geven hun steun aan de desbetreffende inspanningen van de regio.
Artikel 8. Steun voor de uitvoering van handelsgerelateerde voorschriften
De partijen komen overeen dat de uitvoering van handelsgerelateerde voorschriften, waarvoor de samenwerkingsgebieden in de desbetreffende hoofdstukken van deze overeenkomst zijn gepreciseerd, bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst. De samenwerking op dit gebied geschiedt in overeenstemming met de uitvoeringsbepalingen van artikel 7.
Artikel 9. Financiering van het partnerschap
De partijen komen overeen dat door en voor de Centraal-Afrikaanse regio een regionaal EPO-fonds wordt opgericht, dat tot doel heeft de steun voor een efficiënte financiering van de prioritaire acties ter verbetering van de productiecapaciteit van de Centraal-Afrikaanse staten, zoals bedoeld in artikel 5, en van de in artikel 10 bedoelde maatregelen te coördineren. De voorschriften voor de werking en het beheer van het regionale EPO-fonds worden uiterlijk eind 2008 door de regio vastgesteld. De EG gebruikt deze periode om haar beoordeling van die voorschriften af te sluiten.
Het regionale EPO-fonds wordt gefinancierd uit door de partijen verstrekte middelen, en met name uit bijdragen van het EOF, bijdragen van de lidstaten van de Europese Unie en eventuele bijdragen van andere donoren.
In afwijking van de leden 1 en 2 verbindt de Europese Gemeenschap zich ertoe haar steun te verlenen via de financieringsmechanismen van de regio zelf of via die welke door de staten die deze tussentijdse overeenkomst sluiten, met inachtneming van de voorschriften en procedures van de Overeenkomst van Cotonou en in overeenstemming met het beginsel van doeltreffendheid van de hulp daartoe zijn aangewezen.
De partijen werken samen om bijdragen van andere donoren aan het regionale EPO-fonds te bevorderen.
Artikel 10. Samenwerking bij de begrotingsaanpassing
De partijen zijn zich bewust van de uitdagingen waarvoor de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten zich gesteld zien bij de afschaffing of forse verlaging van de douanerechten ingevolge deze overeenkomst; zij komen overeen hierover overleg te voeren en op dit gebied samen te werken.
Gelet op het door de partijen in deze overeenkomst overeengekomen tijdschema voor de geleidelijke rechtenafschaffing komen deze overeen uitgebreid overleg te voeren over de fiscale aanpassingsmaatregelen die nodig zijn om het begrotingsevenwicht uiteindelijk te herstellen.
Met het oog op de leden 1 en 2 komen de partijen overeen om in het kader van artikel 7 samen te werken en verbinden zij zich ertoe op de volgende gebieden technische en financiële bijstand te verlenen:
- a. hulp bij het opvangen van de netto fiscale impact in volledige complementariteit met de fiscale hervormingen;
- b. steun bij de fiscale hervorming in samenhang met het overleg hierover.
De partijen komen overeen zo spoedig mogelijk in het kader van het EPO-comité overeenstemming te bereiken over de methode voor het schatten van de netto fiscale impact. Het is de bedoeling dat de partijen vervolgens ook overeenstemming over de vereiste aanvullende studies en acties bereiken.
Artikel 11. Samenwerking in internationale fora
De partijen streven naar samenwerking in alle internationale fora waar aangelegenheden worden besproken die betrekking hebben op dit partnerschap.
Artikel 12. Nadenken over partnerschap voor ontwikkeling
De partijen komen overeen om het debat over het bij deze titel ingestelde partnerschap voor ontwikkeling, met inbegrip van de desbetreffende uitvoeringsbepalingen, in 2008 nader uit te diepen.
TITEL III. HANDELSREGELING VOOR PRODUCTEN
HOOFDSTUK 1. DOUANERECHTEN EN NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN
Artikel 13. Oorsprongsregels
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als „van oorsprong” beschouwd de goederen die voldoen aan de oorsprongsregels die op 1 januari 2008 op het gebied van de partijen van toepassing zijn.
Een wederkerige gemeenschappelijke regeling inzake de oorsprongsregels wordt door het EPO-comité aan deze overeenkomst gehecht en wordt van kracht op de datum van voorlopige toepassing van deze overeenkomst.
Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst herzien de partijen de bepalingen betreffende de oorsprongsregels om de voor de vaststelling van de oorsprong gebruikte begrippen en methoden in het licht van de ontwikkelingsdoelstellingen voor Centraal-Afrika te vereenvoudigen. Bij deze herziening houden de partijen rekening met de technologische ontwikkeling, de productieprocessen en alle andere factoren, met inbegrip van de lopende hervormingen van de oorsprongsregels, die een wijziging van de overeengekomen wederkerige regeling nodig kunnen maken. Het EPO-comité besluit over wijziging of vervanging van de oorsprongsregels.
Artikel 14. Douanerechten
Onder douanerechten worden verstaan alle rechten of heffingen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen, die worden opgelegd bij of in verband met de invoer of uitvoer van producten. Douanerechten omvatten niet:
- a. interne belastingen of andere interne heffingen die worden opgelegd in overeenstemming met artikel 23;
- b. antidumpingmaatregelen, compenserende maatregelen en vrijwaringsmaatregelen die worden opgelegd in overeenstemming met het hoofdstuk over handelsbeschermingsinstrumenten;
- c. vergoedingen en andere heffingen die worden opgelegd in overeenstemming met artikel 18.
Artikel 15. Afschaffing van uitvoerrechten
In de handel tussen de partijen worden vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen nieuwe uitvoerrechten ingevoerd, noch al bestaande uitvoerrechten verhoogd.
Centraal-Afrika kan evenwel na overleg met de EG op een beperkt aantal extra goederen uitvoerrechten heffen wanneer het bij de overheidsfinanciën aanzienlijke problemen ondervindt of wanneer dit voor een betere bescherming van het milieu noodzakelijk is.
Het EPO-comité evalueert met regelmatige tussenpozen de gevolgen en de gegrondheid van de krachtens dit artikel geheven uitvoerrechten.
Artikel 16. Verkeer van producten
Op producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap of uit Centraal-Afrika worden op het gebied van de andere partij slechts eenmaal douanerechten geheven.
De douanerechten die op producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap in overeenstemming met deze overeenkomst moeten worden betaald, worden geheven namens de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat waar het product wordt verbruikt.
Centraal-Afrika neemt alle nodige maatregelen om erop toe te zien dat dit artikel daadwerkelijk wordt uitgevoerd en om het vrije verkeer van producten in de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten te bevorderen. Beide partijen komen overeen op dit gebied samen te werken in het kader van de artikelen 7 en 8. Deze samenwerking wordt aangepast aan het soort systeem waartoe de Centraal-Afrikaanse regio uiteindelijk besluit.
De partijen komen overeen samen te werken om het verkeer van producten te bevorderen en de douaneprocedures te vereenvoudigen, zoals is bepaald in titel III, hoofdstuk 3.
Artikel 17. Indeling van producten
Producten die onder deze overeenkomst vallen, worden ingedeeld volgens de respectieve douanenomenclatuur van de partijen, in overeenstemming met het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (GS).
Artikel 18. Vergoedingen en andere heffingen
De in artikel 14, onder c), bedoelde vergoedingen en andere heffingen mogen niet hoger zijn dan, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en beogen geen indirecte bescherming van binnenlandse producten of een belasting op de invoer of de uitvoer voor fiscale doeleinden. Op deze vergoedingen en heffingen zijn specifieke tarieven van toepassing die ongeveer overeenkomen met de kosten van de verleende diensten en die niet op ad-valorembasis worden berekend. Er worden geen vergoedingen en andere heffingen geheven voor consulaire formaliteiten, zoals consulaire facturen en certificaten, waarvan een volledige lijst wordt opgesteld door het EPO-comité.
Om de regionale integratie en de begrijpelijkheid voor de marktdeelnemers te bevorderen, stemt Centraal-Afrika ermee in uiterlijk op 1 januari 2013 standaardbepalingen betreffende het door dit artikel bestreken gebied vast te stellen.
Artikel 19. Gunstiger behandeling als gevolg van overeenkomsten inzake economische integratie
Wat de onder dit hoofdstuk vallende gebieden betreft, kent de EG Centraal-Afrika in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat de EG na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een overeenkomst inzake economische integratie met derde partijen.
Wat de onder dit hoofdstuk vallende gebieden betreft, kent Centraal-Afrika de EG in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat Centraal-Afrika na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een overeenkomst inzake economische integratie met een belangrijke handelspartner.
Indien Centraal-Afrika van een belangrijke handelspartner als gevolg van een overeenkomst inzake economische integratie met die partner een aanzienlijk gunstiger behandeling heeft verkregen dan die welke door de EG wordt aangeboden, besluiten de partijen in onderling overleg over de toepassing van lid 2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „overeenkomst inzake economische integratie” verstaan een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van de handel en tot wezenlijke afschaffing van discriminerende situaties tussen de partijen door middel van de opheffing van bestaande discriminerende maatregelen en/of een verbod op nieuwe discriminerende maatregelen of op de aanscherping van bestaande discriminerende maatregelen, bij de inwerkingtreding van die overeenkomst of volgens een redelijk tijdschema.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „belangrijke handelspartner” verstaan elk ontwikkeld land of elk land dat in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde overeenkomst inzake economische integratie een aandeel van meer dan 1% in de wereldhandel had, of elke groep landen die individueel, collectief of via een overeenkomst inzake economische integratie in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde overeenkomst inzake economische integratie een aandeel van meer dan 1,5% in de wereldhandel had.2)Voor deze berekening wordt gebruik gemaakt van officiële WTO-gegevens over leidende exporteurs van producten in de wereldhandel (met uitzondering van de intra-EU-handel). .
De bepalingen van dit hoofdstuk mogen niet zodanig worden uitgelegd dat de partijen verplicht zijn elkaar een preferentiële behandeling toe te kennen omdat een van hen vóór de ondertekening van deze overeenkomst met een derde partij een overeenkomst inzake economische integratie heeft gesloten.
Artikel 20. Douanerechten op producten van oorsprong uit de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten
Producten van oorsprong uit Centraal-Afrika worden vrij van rechten in de EG ingevoerd; dit geldt niet voor de in bijlage II opgenomen producten onder de daar genoemde voorwaarden.
In de handel tussen de partijen worden geen nieuwe douanerechten ingevoerd en worden al bestaande rechten niet verhoogd.
Artikel 21. Douanerechten op producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap
Het basisdouanerecht voor elk product is het recht dat in bijlage III is vermeld.
In de handel tussen de partijen worden geen nieuwe douanerechten ingevoerd en worden de in bijlage III vermelde rechten niet verhoogd.
In afwijking van lid 2 mag Centraal-Afrika uiterlijk vanaf 1 januari 2013 in het kader van de instelling van een gemeenschappelijk buitentarief de in bijlage III vermelde basisdouanerechten voor producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap herzien voor zover het algemeen effect van deze rechten niet groter is dan dat van de in bijlage III vermelde rechten. In dat geval wordt bijlage III door het EPO-comité gewijzigd.
De invoerrechten op producten die als van oorsprong uit de Europese Gemeenschap worden beschouwd en die onder de categorieën 1, 2 en 3 van bijlage III zijn opgenomen, worden definitief afgeschaft overeenkomstig het schema in onderstaande tabel. De aldaar opgenomen percentages waarmee de tarieven worden verlaagd, zijn van toepassing op de in lid 1 bedoelde tarieven of op eventuele nieuwe tarieven die overeenkomstig lid 3 worden vastgesteld.
| Categorie | 1.1.2008 | 1.1.2009 | 1.1.2010 | 1.1.2011 | 1.1.2012 | 1.1.2013 | 1.1.2014 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 0% | 0% | 25% | 50% | 75% | 100% | |
| 2 | 0% | 0% | 0% | 15% | 30% | 45% | 60% |
| 3 | 0% | 0% | 0% | 0% | 0% | 0% | 10% |
| Categorie | 1.1.2015 | 1.1.2016 | 1.1.2017 | 1.1.2018 | 1.1.2019 | 1.1.2020 | 1.1.2021 |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| 1 | |||||||
| 2 | 75% | 90% | 100% | ||||
| 3 | 20% | 30% | 40% | 50% | 60% | 70% | 80% |
| Categorie | 1.1.2022 | 1.1.2023 | |||||
| --- | --- | --- | |||||
| 1 | |||||||
| 2 | |||||||
| 3 | 90% | 100% |
De invoer van producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap die in bijlage III onder categorie 5 zijn opgenomen, bestaat uit producten waarvoor het douanerecht volgens de leden 1 en 3 is vastgesteld; de douanerechten voor deze categorie worden noch verlaagd, noch afgeschaft.
In geval van ernstige problemen in verband met de invoer van een bepaald product, kan het EPO-comité in gemeenschappelijk overleg het tijdschema voor de verlaging en afschaffing van douanerechten opnieuw onderzoeken en de voor de verlaging of afschaffing uitgetrokken tijd eventueel verlengen. Bij een dergelijk nieuw onderzoek kan de in het schema voor het betrokken product genoemde periode niet worden verlengd tot na de maximale overgangsperiode voor verlaging of afschaffing van het recht voor dat product. Indien het EPO-comité binnen dertig dagen na een verzoek om een nieuw onderzoek van het tijdschema geen besluit heeft genomen, kan Centraal-Afrika het tijdschema voorlopig opschorten voor een periode van maximaal een jaar.
Artikel 22. Verbod op kwantitatieve beperkingen
Vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden alle invoer- of uitvoerverboden of -beperkingen ten aanzien van de handel tussen beide partijen, afgezien van douanerechten, belastingen en de in artikel 18 bedoelde vergoedingen en andere heffingen, afgeschaft, ongeacht of zij de vorm hebben van contingenten, in- of uitvoervergunningen of andere maatregelen. Er worden geen nieuwe maatregelen ingevoerd. Dit artikel doet geen afbreuk aan het hoofdstuk van deze overeenkomst over handelsbeschermingsinstrumenten.
Artikel 23. Nationale behandeling op het gebied van interne belastingen en regelgeving
Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij mogen noch direct, noch indirect aan hogere interne belastingen of andere interne heffingen worden onderworpen dan die welke direct of indirect op soortgelijke nationale producten van toepassing zijn. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne belastingen of andere interne heffingen toe om de nationale productie te beschermen.
Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij worden, wat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en vereisten met betrekking tot hun verkoop, aanbieding tot verkoop, aankoop, vervoer, distributie of gebruik op de nationale markt betreft, niet minder gunstig behandeld dan soortgelijke nationale producten. Het bepaalde in dit lid vormt geen beletsel voor de toepassing van differentiële interne vervoertarieven die uitsluitend berusten op de economische exploitatie van het vervoermiddel en niet op de oorsprong van het product.
De partijen voeren geen interne regeling inzake menging, be- of verwerking of gebruik van producten in specifieke hoeveelheden of verhoudingen in die direct of indirect vereisen dat een specifieke hoeveelheid of een specifiek percentage van een onder de regeling vallend product uit nationale bron afkomstig moet zijn; evenmin handhaven zij dergelijke regelingen. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne kwantitatieve regeling toe om hun nationale productie te beschermen.
Er worden geen interne kwantitatieve regelingen inzake menging, be- of verwerking of gebruik van producten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen toegepast om deze hoeveelheden of percentages onder de externe bronnen te verdelen.
In overeenstemming met artikel III, lid 8, onder b), van de GATT 1994 vormt het bepaalde in dit artikel geen beletsel voor de toekenning van subsidies aan uitsluitend nationale producenten, met inbegrip van betalingen uit de opbrengsten van interne belastingen of heffingen die overeenkomstig dit artikel worden geheven en van subsidies in de vorm van aankopen van nationale producten door de overheid.
Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, procedures of praktijken inzake overheidsopdrachten.
Dit artikel doet geen afbreuk aan het hoofdstuk van deze overeenkomst over handelsbeschermingsinstrumenten.
Artikel 24. Uitvoersubsidies voor landbouwproducten
De EG, Centraal-Afrika en de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, mogen geen nieuwe uitvoersubsidies invoeren of bestaande uitvoersubsidies verhogen voor landbouwproducten die voor het gebied van de andere partij bestemd zijn. Dit lid belet niet de verhoging van bestaande subsidies als gevolg van schommelingen van de wereldprijs voor de betrokken producten.
Wanneer de EG-wetgeving ten aanzien van de in lid 3 bedoelde groepen producten voorziet in een uitvoerrestitutie voor een basisproduct waarvoor Centraal-Afrika zich heeft verbonden de douanerechten af te schaffen, dan verbindt de EG zich tot geleidelijke afschaffing van alle bestaande subsidies op de uitvoer van de groep producten waartoe dat basisproduct behoort naar het gebied van Centraal-Afrika. Vóór 31 december 2008 plegen de partijen in het kader van dit lid overleg om vast te stellen hoe deze geleidelijke afschaffing wordt uitgevoerd.
Dit artikel is van toepassing op producten die vallen onder bijlage I bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw.
Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing door Centraal-Afrika van artikel 9, lid 4, van de WTO-overeenkomst inzake de landbouw en van artikel 27 van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.
Artikel 25. Voedselzekerheid
Wanneer blijkt dat de uitvoering deze overeenkomst aanleiding geeft tot problemen met de beschikbaarheid van of de toegang tot voedingsmiddelen die noodzakelijk zijn voor de voedselzekerheid en wanneer deze situatie tot grote moeilijkheden voor Centraal-Afrika of een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat leidt of dreigt te leiden, kan Centraal-Afrika of de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat in overeenstemming met artikel 31 passende maatregelen nemen.
Artikel 26. Speciale bepalingen over administratieve samenwerking
De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking van essentieel belang is voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële behandeling die op grond van deze titel wordt verleend, en zij benadrukken hun vastberadenheid om onregelmatigheden en fraude in douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.
Wanneer een partij op basis van objectieve informatie bewijs in handen krijgt dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten overeenkomstig dit artikel tijdelijk schorsen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verlenen van administratieve medewerking onder meer verstaan:
- a. het herhaaldelijk niet nakomen van de verplichting om de oorsprong van het betrokken product of de betrokken producten te controleren;
- b. het herhaaldelijk weigeren een controle achteraf van het bewijs van oorsprong uit te voeren en/of de resultaten daarvan mede te delen, of onredelijke vertraging daarbij;
- c. het herhaaldelijk weigeren van toestemming voor missies in het kader van de administratieve samenwerking ter controle van de echtheid van documenten of de juistheid van gegevens die van belang zijn voor het verlenen van een preferentiële behandeling, of onredelijke vertraging daarbij.
Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
- a. de partij die op grond van objectieve informatie bewijs heeft gekregen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, stelt het EPO-comité onverwijld in kennis van dit bewijs en van de objectieve informatie, en treedt op basis van alle relevante informatie en objectieve bewijzen in het kader van dat comité in overleg om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden;
- b. wanneer de partijen als hierboven beschreven in het kader van het EPO-comité in overleg zijn getreden en niet binnen drie maanden na de kennisgeving overeenstemming over een aanvaardbare oplossing hebben bereikt, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling voor het betrokken product of de betrokken producten tijdelijk schorsen. Het EPO-comité wordt van deze tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld;
- c. tijdelijke schorsingen op grond van dit artikel blijven beperkt tot wat nodig is om de financiële belangen van de betrokken partij te beschermen. Zij duren niet langer dan zes maanden, waarna verlenging mogelijk is. Tijdelijke schorsingen worden onmiddellijk na goedkeuring ervan ter kennis gebracht van het EPO-comité. Binnen het EPO-comité vindt hierover periodiek overleg plaats, met name met het oog op opheffing van de schorsingen zodra de omstandigheden die aanleiding gaven tot toepassing ervan, niet meer gelden.
Tegelijk met de kennisgeving aan het EPO-comité overeenkomstig lid 4, onder a), publiceert de betrokken partij in haar officiële publicatieblad een kennisgeving voor importeurs. In deze kennisgeving wordt aangegeven dat voor het betrokken product op grond van objectieve informatie bewijs is verkregen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude.
Artikel 27. Handelwijze bij administratieve fouten
Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregelingen fouten hebben gemaakt, met name bij de toepassing van de regels betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden voor administratieve samenwerking, en deze fouten gevolgen hebben voor de in- en uitvoer, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd het EPO-comité verzoeken na te gaan of passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.
Artikel 28. Samenwerking
Overeenkomstig artikel 7 komen de partijen overeen onder meer op de volgende terreinen samen te werken:
- –. steun bij de uitvoering van uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenissen op het gebied van het handelsbeleid;
- –. training voor en/of steun bij de interpretatie en toepassing van de desbetreffende voorschriften.
HOOFDSTUK 2. HANDELSBESCHERMINGSINSTRUMENTEN
Artikel 29. Antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen
Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor de EG of de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, individueel of collectief, een beletsel om in overeenstemming met de desbetreffende WTO-overeenkomsten antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.
Alvorens definitieve antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen voor producten uit overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, onderzoekt de EG de mogelijkheid van constructieve oplossingen als bedoeld in de desbetreffende WTO-overeenkomsten.
Wanneer namens twee of meer overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten door een regionale of subregionale instantie een antidumpingmaatregel of een compenserende maatregel is ingesteld, is er maar één instantie voor de rechterlijke toetsing, met inbegrip van een hogere voorziening.
Wanneer antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen op regionaal of subregionaal niveau en op nationaal niveau kunnen worden ingesteld, zien de partijen erop toe dat deze maatregelen niet tegelijk door regionale of subregionale autoriteiten enerzijds en nationale autoriteiten anderzijds op hetzelfde product worden toegepast.
De EG stelt de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten in kennis van de ontvangst van een met bewijsmateriaal gestaafde klacht voordat zij een onderzoek opent.
Dit artikel is van toepassing op alle onderzoeken die na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden geopend.
De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 30. Multilaterale vrijwaringsmaatregelen
Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten en de EG een beletsel om maatregelen te nemen overeenkomstig artikel XIX van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT) 1994, de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.
Behoudens het bepaalde in lid 1 en gezien de algemene ontwikkelingsdoelstellingen van deze overeenkomst en de kleine omvang van de economieën van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, sluit de EG de invoer uit de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten uit van maatregelen die zij neemt uit hoofde van artikel XIX van de GATT 1994, de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw.
Lid 2 geldt voor een periode van vijf jaar, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Uiterlijk 120 dagen voor het eind van deze periode onderzoekt het EPO-comité opnieuw de uitvoering van deze bepalingen in het licht van de ontwikkelingsbehoeften van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, teneinde vast te stellen of de toepassing ervan moet verlengd.
De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op lid 1.
Artikel 31. Bilaterale vrijwaringsmaatregelen
Behoudens het bepaalde in artikel 30 kan een partij, na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, vrijwaringsmaatregelen van beperkte duur vaststellen die afwijken van artikel 20 of 21, op de voorwaarden van en in overeenstemming met de procedures in dit artikel.
De in lid 1 genoemde vrijwaringsmaatregelen kunnen worden getroffen wanneer een product uit een van de partijen in het gebied van de andere partij wordt ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden dat deze invoer:
- a. op het gebied van de invoerende partij ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor binnenlandse producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten, of
- b. leidt tot of dreigt te leiden tot verstoring van een economische sector, met name wanneer hierdoor grote sociale problemen of moeilijkheden ontstaan die een ernstige verslechtering van de economische situatie van de invoerende partij tot gevolg kunnen hebben, of
- c. verstoring van de markten voor soortgelijke of rechtstreeks concurrerende landbouwproducten3)Voor de toepassing van dit artikel zijn landbouwproducten producten die vallen onder bijlage I bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw. of van de mechanismen tot regeling van die markten veroorzaakt of dreigt te veroorzaken.
De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen gaan niet verder dan wat nodig is om de in lid 2 en lid 5, onder b), bedoelde ernstige schade of verstoringen te verhelpen of te voorkomen. Deze vrijwaringsmaatregelen van de invoerende partij mogen alleen uit een of meer van de volgende maatregelen bestaan:
- a. schorsing van een verdere verlaging van het invoerrecht op het betrokken product, zoals neergelegd in deze overeenkomst,
- b. verhoging van het douanerecht op het betrokken product tot een niveau dat het voor andere WTO-leden geldende recht niet overschrijdt, en
- c. invoering van tariefcontingenten voor het betrokken product.
Onverminderd de leden 1 tot en met 3 kan de EG, wanneer een product van oorsprong uit een of meer overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor een of meer ultraperifere gebieden van de EU een van de in lid 2, onder a), b) of c), genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures toezichts- of vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt zijn tot het gebied of de gebieden in kwestie.
- a. Onverminderd de leden 1 tot en met 3 kan een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat, wanneer een product van oorsprong uit de EG in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor die staat een van de in lid 2, onder a), b) of c), genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures toezichts- of vrijwaringsmaatregelen nemen die tot zijn gebied beperkt zijn.
- b. Een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat kan vrijwaringsmaatregelen nemen wanneer een product van oorsprong uit de EG als gevolg van de verlaging van de douanerechten in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden op zijn gebied wordt ingevoerd dat hierdoor voor een opkomende industrie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, verstoringen ontstaan of dreigen te ontstaan. Deze bepaling geldt voor een periode van vijftien jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. De maatregelen moeten in overeenstemming met de leden 6 tot en met 9 worden genomen.
- a. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden slechts zolang gehandhaafd als nodig is om de ernstige schade of verstoringen als bedoeld in de leden 2, 4 en 5 te voorkomen of te verhelpen.
- b. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen gelden voor niet meer dan twee jaar. Wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan, kunnen deze maatregelen worden verlengd voor nog eens maximaal twee jaar. Wanneer door de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten of door een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat een vrijwaringsmaatregel wordt getroffen, of wanneer de EG vrijwaringsmaatregelen treft die tot het gebied van een of meer van haar ultraperifere gebieden beperkt zijn, gelden deze maatregelen evenwel voor maximaal vier jaar, waarna zij met nog eens maximaal vier jaar kunnen worden verlengd wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan.
- c. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen die voor meer dan één jaar gelden, zijn gekoppeld aan een duidelijk tijdschema voor hun geleidelijke afschaffing, uiterlijk aan het einde van de vastgestelde periode.
- d. Ten aanzien van een product waarop al eerder vrijwaringsmaatregelen van toepassing waren, mogen gedurende een periode van ten minste één jaar na het verstrijken van die maatregelen niet opnieuw vrijwaringsmaatregelen als bedoeld in dit artikel worden genomen.
Voor de tenuitvoerlegging van de leden 1 tot en met 6 gelden de volgende bepalingen:
- a. Wanneer een partij van oordeel is dat er sprake is van een van de in de leden 2, 4 en/of 5 bedoelde omstandigheden, verwijst zij de aangelegenheid onmiddellijk naar het EPO-comité.
- b. Het EPO-comité kan aanbevelingen doen om in de gerezen omstandigheden uitkomst te bieden. Indien het EPO-comité daartoe geen aanbevelingen heeft gedaan, of indien er binnen 30 dagen nadat de aangelegenheid aan het EPO-comité werd voorgelegd geen bevredigende oplossing is bereikt, kan de invoerende partij overeenkomstig dit artikel passende maatregelen vaststellen om de problemen op te lossen.
- c. Alvorens een in dit artikel bedoelde maatregel te nemen, of, in de gevallen waarin lid 8 van toepassing is, zo spoedig mogelijk, verstrekt de betrokken partij het EPO-comité alle informatie ter zake die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde een voor de betrokken partijen aanvaardbare oplossing te vinden.
- d. Bij de keuze van vrijwaringsmaatregelen moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die het gerezen probleem doeltreffend en snel oplossen en die tegelijk de werking van deze overeenkomst zo min mogelijk verstoren.
- e. Alle krachtens dit artikel genomen vrijwaringsmaatregelen worden onmiddellijk ter kennis van het EPO-comité gebracht en in dat comité op gezette tijden aan een onderzoek onderworpen, in het bijzonder om een tijdschema vast te stellen voor de afschaffing van de maatregelen zodra de omstandigheden dat toelaten.
Wanneer wegens uitzonderlijke omstandigheden onmiddellijk maatregelen moeten worden genomen, kan de betrokken invoerende partij, of dit nu de EG is, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten of een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat, voorlopig de in de leden 3, 4 en/of 5 bedoelde maatregelen nemen zonder aan de vereisten van lid 7 te voldoen. Deze voorlopige maatregelen hebben een maximale duur van 180 dagen wanneer ze door de EG worden genomen, of van 200 dagen wanneer ze door de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten of een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat worden genomen of wanneer ze door de EG worden genomen en beperkt zijn tot een of meer ultraperifere gebieden. De duur van de voorlopige maatregelen wordt afgetrokken van de duur van de maatregelen en eventuele verlengingen als bedoeld in lid 6. Wanneer voorlopige maatregelen worden genomen, wordt rekening gehouden met de belangen van alle betrokken partijen. De betrokken invoerende partij stelt de andere betrokken partij in kennis en verwijst de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek naar het EPO-comité.
Indien een invoerende partij de invoer van een product onderwerpt aan een administratieve procedure die ten doel heeft snel informatie te verschaffen over de ontwikkeling van handelsstromen die tot de in dit artikel bedoelde problemen kunnen leiden, stelt zij het EPO-comité onverwijld daarvan in kennis.
Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomst worden gedaan om een partij te beletten vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig dit artikel te nemen.
HOOFDSTUK 3. DOUANE EN HANDELSBEVORDERING
Artikel 32. Doelstellingen
De partijen erkennen het belang van de douane en van handelsbevordering in het ontluikende mondiale handelsstelsel. De partijen komen overeen op dit gebied nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en procedures ter zake, alsook de bestuurlijke capaciteit van de desbetreffende diensten, voldoen aan de doelstellingen van een effectieve controle en bevordering van de handel en helpen bij het stimuleren van de ontwikkeling en de regionale integratie van de overeenkomstsluitende landen.
De partijen komen overeen dat de legitieme doelstellingen van openbaar beleid, met inbegrip van die met betrekking tot de veiligheid en de fraudebestrijding, op generlei wijze in het gedrang komen.
Artikel 33. Samenwerking op administratief en douanegebied
Met het oog op de naleving van de bepalingen van deze overeenkomst en om doeltreffend in te spelen op de in artikel 32 genoemde doelstellingen, nemen de partijen de volgende maatregelen:
- a. uitwisseling van informatie over douanewetgeving, -voorschriften en -procedures;
- b. ontwikkeling van gemeenschappelijke initiatieven op het gebied van de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer, alsmede van die om de zakenwereld een efficiënte dienstverlening aan te bieden;
- c. samenwerking bij de automatisering van procedures op douane- en handelsgebied en, in het kader van de uitwisseling van informatie, goedkeuring van het douanegegevensmodel van de Werelddouaneorganisatie (WDO);
- d. samenwerking bij de planning en uitvoering van bijstand bij douanehervormingen en bij de uitvoering van maatregelen ter bevordering van de handel; en
- e. stimulering van overleg en samenwerking tussen alle bij de internationale handel betrokken instanties.
In afwijking van lid 1 verlenen de douanediensten elkaar administratieve bijstand overeenkomstig de bepalingen van het protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken. Vanaf 2008 besluit het EPO-comité bij consensus over wijzigingen die volgens hem in dat protocol moeten worden aangebracht.
Artikel 34. Vormen van samenwerking
De partijen erkennen het belang van samenwerking op douanegebied en van handelsbevordering voor de uitvoering van deze overeenkomst.
Overeenkomstig artikel 7 komen de partijen overeen onder meer op de volgende terreinen samen te werken:
- a. toepassing van moderne douanetechnieken, met inbegrip van risicoanalyse en -beheer, bindende inlichtingen, vereenvoudigde procedures bij in- en uitvoer, controles achteraf en methoden voor bedrijfsaudits;
- b. invoering van procedures die zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met internationale instrumenten en normen op het gebied van douane en handel, met inbegrip van WTO-voorschriften inzake douanewaarde en instrumenten en normen van de WDO, zoals de Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures van 18 mei 1973, herzien te Brussel op 26 juni 1999 en het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van de WDO;
- c. automatisering van procedures op douane- en handelsgebied.
Artikel 35. Douane- en handelsnormen
De partijen komen overeen dat hun wetgeving, voorschriften en procedures op het gebied van douane en internationale handel zijn gebaseerd op:
- a. internationale instrumenten en normen, met name de herziene Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van de WDO, het douanegegevensmodel van de WDO en het Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (GS);
- b. het gebruik van een enkel administratief document of een elektronisch equivalent daarvan voor de aangifte van producten bij invoer en bij uitvoer;
- c. moderne douanetechnieken, met inbegrip van risicoanalyse en -beheer, vereenvoudigde procedures bij in- en uitvoer, controles achteraf en methoden voor bedrijfsaudits. De procedures moeten transparant, doeltreffend en eenvoudig zijn, teneinde de kosten te verminderen en de voorspelbaarheid voor de marktdeelnemers, met inbegrip van het midden- en kleinbedrijf, te vergroten;
- d. het niet-discriminerende karakter van de eisen en procedures die van toepassing zijn op de invoer, uitvoer en doorvoer, hoewel zendingen wel verschillend mogen worden behandeld op grond van objectieve criteria voor het risicobeheer;
- e. voorschriften en procedures met bindende inlichtingen, met name betreffende de tariefindeling en de oorsprong;
- f. vereenvoudigde procedures voor toegelaten handelaren;
- g. de geleidelijke ontwikkeling van informatiesystemen om de elektronische gegevensuitwisseling tussen marktdeelnemers, douanediensten en andere belanghebbende instanties te vergemakkelijken;
- h. vergemakkelijking van de doorvoer;
- i. voorschriften die waarborgen dat de straffen voor geringe inbreuken op douanevoorschriften of op procedurele eisen op het gebied van de internationale handel evenredig en niet-discriminerend zijn en dat hun toepassing niet tot nodeloze vertragingen leidt;
- j. de periodieke evaluatie van het systeem waarbij het gebruik van een douane-expediteur verplicht is, teneinde de prestaties en efficiëntie te verbeteren en zo nodig maatregelen tot afschaffing van het systeem te nemen.
In het kader van de onderhandelingen over een volledige partnerschapsovereenkomst zal ook worden onderhandeld over het systeem van verplichte inspecties vóór verzending van de producten.
Om hun werkmethoden te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun optreden niet-discriminerend, transparant, doeltreffend, integer en verantwoordelijk is, verbinden de partijen zich ertoe:
- a. de nodige maatregelen te treffen om de door de douane en andere bij de internationale handel betrokken instanties verlangde gegevens en documenten op basis van internationale aanbevelingen ter zake te vereenvoudigen en te normaliseren;
- b. waar mogelijk de administratieve eisen en formaliteiten te vereenvoudigen, teneinde vertragingen bij de inklaring, vrijgave en overdracht van producten te beperken;
- c. te zorgen voor doeltreffende, snelle en niet-discriminerende procedures voor de uitoefening van het recht van beroep tegen uitspraken, besluiten en maatregelen van de douane en andere diensten betreffende invoer, uitvoer en doorvoer. Deze procedures zijn gemakkelijk toegankelijk voor de betrokkenen en de kosten ervan zijn redelijk en niet hoger dan de verwerkingskosten;
- d. erop toe te zien dat ter zake van integriteit uiterst strenge normen worden nageleefd, door de toepassing van maatregelen die voldoen aan de in de desbetreffende internationale overeenkomsten en instrumenten neergelegde beginselen.
Artikel 36. Doorvoer
De partijen waarborgen de vrije doorvoer van producten over hun gebied volgens de route die daarvoor het meest geschikt is. De beperkingen, controles of eventuele eisen moeten niet-discriminerend en evenredig zijn en overal op dezelfde wijze worden toegepast.
Onverminderd de uitvoering van rechtmatige douanecontroles behandelen de partijen producten in doorvoer uit het gebied van de andere partij niet minder gunstig dan zij producten uit het binnenland behandelen, met name bij de uitvoer, invoer en het verkeer van die producten.
De partijen voeren regelingen in om producten, onder voorbehoud van een passende zekerheidsstelling, zonder oplegging van rechten en andere heffingen onder douanecontrole te kunnen vervoeren.
De partijen spannen zich in om regionale voorzieningen voor de doorvoer te treffen.
De partijen passen de internationale normen en instrumenten betreffende de doorvoer van producten toe.
De partijen zien erop toe dat alle betrokken instanties op hun gebied gecoördineerd samenwerken om de doorvoer te vergemakkelijken en de grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen.
Artikel 37. Relaties met het bedrijfsleven
De partijen komen overeen:
- a. ervoor te zorgen dat alle informatie betreffende wetgeving, voorschriften, procedures en bewijsstukken, rechten en belastingen, tarieven en andere heffingen voor het publiek toegankelijk zijn, en wel voor zover mogelijk langs elektronische weg;
- b. dat regelmatig met het bedrijfsleven moet worden overlegd over de opstelling van teksten inzake aangelegenheden betreffende douane en internationale handel. De partijen stellen hiertoe passende mechanismen in;
- c. dat er voldoende tijd moet liggen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde wetgeving, procedures, rechten of heffingen. De partijen maken administratieve informatie bekend, met name over de door de betrokken instanties gestelde eisen en over procedures, openingstijden en operationele douaneprocedures op de plaatsen van binnenkomst en/of vertrek en op de contact- en informatiepunten;
- d. de samenwerking tussen de marktdeelnemers en de betrokken diensten te stimuleren door toepassing van niet-arbitraire, toegankelijke procedures, zoals intentieverklaringen op basis van die welke door de WDO zijn uitgevaardigd;
- e. ervoor te zorgen dat de eisen die door diensten op het gebied van de internationale handel worden gesteld, blijven aansluiten op de behoeften van het bedrijfsleven, dat hierbij goede praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo weinig mogelijk wordt beperkt.
Artikel 38. Douanewaarde
Artikel VII van de GATT 1994 en de WTO-overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994 zijn van toepassing op de voorschriften inzake de vaststelling van de douanewaarde in de handel tussen de partijen.
De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van kwesties met betrekking tot de douanewaarde, met inbegrip van problemen in verband met de verrekenprijzen.
Artikel 39. Regionale integratie in Centraal-Afrika
De partijen bevorderen de regionale integratie door vooruitgang te boeken bij de douanehervorming met het doel de handel te bevorderen; zij doen dat met name door te werken aan de normalisering van:
- –. de eisen,
- –. de documentatie,
- –. de in te dienen gegevens,
- –. de procedures,
- –. de regelingen voor toegelaten handelaren,
- –. de grensprocedures en openingstijden,
- –. de eisen inzake doorvoer, douanevervoer en zekerheidsstelling.
Dat vereist een nauwe samenwerking tussen alle betrokken instanties, waarbij zoveel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van internationale normen.
HOOFDSTUK 4. TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN EN SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN
Artikel 40. Doelstellingen
Dit hoofdstuk heeft tot doel het verkeer van producten tussen de partijen te vergemakkelijken door verbetering van hun capaciteit om handelsbelemmeringen als gevolg van door hen gehanteerde technische voorschriften, normen of conformiteitsbeoordelingsprocedures te signaleren, te voorkomen en uit de weg te ruimen, en door verbetering van hun capaciteit om planten, dieren en de volksgezondheid te beschermen.
Artikel 41. Multilaterale verplichtingen en algemene context
De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst, en met name de WTO-Overeenkomst inzake de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „de SPS-Overeenkomst” genoemd, en de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, hierna de „TBT-Overeenkomst” genoemd. Partijen die geen lid van de WTO zijn, bevestigen eveneens dat zij ernaar streven de in de SPS- en TBT-Overeenkomsten opgenomen verplichtingen inzake alle aangelegenheden die op de onderlinge betrekkingen tussen de partijen van invloed zijn, in acht te nemen.
De partijen bevestigen hun streven naar verbetering van de volksgezondheid op het gebied van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, met name door in het kader van artikel 47 hun capaciteit voor het opsporen van gevaarlijke producten te verbeteren.
Dit streven en deze rechten en verplichtingen zijn de leidraad waarnaar de partijen zich bij hun acties in het kader van dit hoofdstuk richten.
Artikel 42. Werkingssfeer en definities
Dit hoofdstuk is van toepassing op de maatregelen die onder de SPS- en TBT-Overeenkomsten van de WTO vallen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en behoudens andersluidende bepalingen gelden de definities in de SPS- en TBT-Overeenkomsten, in de Codex Alimentarius en in het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten alsmede de definities van de Wereldorganisatie voor diergezondheid; dat geldt ook voor alle verwijzingen naar „producten” in dit hoofdstuk.
Artikel 43. Bevoegde autoriteiten
De autoriteiten die voor de EG en de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten bevoegd zijn voor de toepassing van de bij dit hoofdstuk bedoelde sanitaire en fytosanitaire maatregelen, zijn opgenomen in aanhangsel II.
De partijen stellen elkaar tijdig in kennis van alle belangrijke wijzigingen ten aanzien van de in aanhangsel II vermelde bevoegde autoriteiten. Het EPO-comité keurt alle nodige wijzigingen van aanhangsel II goed.
Artikel 44. Regionalisatie (indeling in gebieden)
Bij de vaststelling van de voorwaarden voor invoer kunnen de partijen per geval en rekening houdend met de internationale normen gebieden met een specifieke sanitaire of fytosanitaire status voorstellen en aanwijzen.
Artikel 45. Transparantie van de handelsvoorwaarden en gegevensuitwisseling
De partijen stellen elkaar in kennis van alle wijzigingen in hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de invoer van producten (met name die van dierlijke en/of plantaardige oorsprong).
De partijen bevestigen opnieuw dat zij uit hoofde van de SPS- en TBT-Overeenkomsten van de WTO verplicht zijn elkaar door middel van de door deze overeenkomsten ingestelde mechanismen in kennis te stellen van alle wijzigingen van relevante normen en technische voorschriften.
De partijen wisselen eveneens, indien en wanneer nodig, rechtstreeks informatie uit over andere onderwerpen die zij beiden van mogelijk belang voor hun handelsbetrekkingen achten.
De partijen komen overeen samen te werken op het gebied van het epidemiologisch toezicht op dierziekten. Wat de fytosanitaire bescherming betreft, wisselen de partijen eveneens informatie uit over het voorkomen van parasieten waarvan bekend is dat zij een onmiddellijk risico voor de andere partij opleveren.
Artikel 46. Regionale integratie
Centraal-Afrika verbindt zich ertoe de normen en andere maatregelen die binnen de werkingssfeer van dit hoofdstuk vallen, binnen 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst op regionaal niveau te harmoniseren.
Overeenkomstig artikel 40 en met het oog op de bevordering van de handel tussen de partijen komen de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten overeen dat de voorwaarden voor de invoer van producten van oorsprong uit de EG in een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat moeten worden geharmoniseerd. Indien er bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst al nationale voorschriften voor de invoer bestaan, passen de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten deze in afwachting van de invoering van geharmoniseerde voorschriften toe volgens het beginsel dat een product van de EG dat in een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat rechtmatig in de handel wordt gebracht, ook in alle andere overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten rechtmatig en zonder verdere beperkingen of administratieve eisen in de handel kan worden gebracht.
Artikel 47. Capaciteitsopbouw en technische bijstand
Overeenkomstig artikel 7 komen de partijen overeen onder meer op de volgende terreinen samen te werken:
- a. samenwerking ten aanzien van de producten in aanhangsel IA, teneinde de regionale integratie binnen de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten en de controlecapaciteit overeenkomstig de doelstellingen van deze overeenkomst te versterken en de handel tussen de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten te bevorderen;
- b. samenwerking ten aanzien van de producten in aanhangsel IB, teneinde hun producten concurrerender te maken en de kwaliteit ervan te verbeteren.
HOOFDSTUK 5. BOSBEHEER EN HANDEL IN HOUT EN IN PRODUCTEN VAN DE BOSBOUW
Artikel 48. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en behoudens andersluidende bepalingen omvatten „producten van de bosbouw” eveneens niet-houtproducten en afgeleide producten daarvan.
Artikel 49. Werkingssfeer
Dit hoofdstuk is van toepassing op de handel in hout en in producten van de bosbouw, van oorsprong uit Centraal-Afrika, en op het duurzaam beheer van de bossen waar die producten worden gewonnen.
Artikel 50. Handel in hout en in producten van de bosbouw andere dan hout, alsmede afgeleide producten daarvan
De partijen werken samen om de handel tussen de EG en Centraal-Afrika in hout en in producten van de bosbouw die afkomstig zijn uit objectief verifieerbare legale bronnen en bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, te vergemakkelijken. De partijen komen overeen:
- a. maatregelen te treffen om het vertrouwen van de markt in de oorsprong van producten van de bosbouw te vergroten, met name ten aanzien van de legale en/of duurzame oorsprong van die producten. Deze maatregelen kunnen bestaan in systemen ter verbetering van de traceerbaarheid van hout dat en van producten van de bosbouw die tussen de landen van Centraal-Afrika onderling en tussen Centraal-Afrika en de EG worden verhandeld;
- b. een audit- en toezichtssysteem op te zetten, onafhankelijk van de controleketen.
De partijen onderzoeken hoe de commerciële mogelijkheden voor hout en producten van de bosbouw van legale of duurzame Centraal-Afrikaanse oorsprong op de markt van de EG kunnen worden verbeterd. Dit kan onder meer worden bereikt door versterking van het beleid betreffende overheidsopdrachten, maatregelen om de consumenten meer bewust te maken, maatregelen ter bevordering van de be- of verwerking van producten van de bosbouw in Centraal-Afrika en activiteiten en initiatieven in samenwerking met de particuliere sector.
De partijen verbinden zich ertoe om op het onder dit hoofdstuk vallende gebied niet-discriminerend beleid te ontwikkelen en/of niet-discriminerende wetgeving op te stellen; zij verbinden zich er eveneens toe dit beleid en/of deze wetgeving toe te passen en daadwerkelijk en op niet-discriminerende wijze ten uitvoer te leggen, in overeenstemming met de bepalingen van de WTO.
Artikel 51. Regionale integratie
Centraal-Afrika verbindt zich ertoe een regionaal kader op te bouwen en ten uitvoer te leggen voor de handel in hout en producten van de bosbouw van oorsprong uit Centraal-Afrika, met inbegrip van passende wetgeving en samenwerkingsmechanismen om een doeltreffende toepassing en tenuitvoerlegging te helpen waarborgen.
Centraal-Afrika ontwikkelt protocollen en/of richtsnoeren voor samenwerking tussen de met de toepassing belaste Centraal-Afrikaanse autoriteiten, teneinde te waarborgen dat hout dat en producten van de bosbouw die tussen regio’s worden verhandeld, afkomstig zijn uit objectief verifieerbare legale bronnen.
Artikel 52. Capaciteitsopbouw en technische bijstand
Overeenkomstig artikel 7 komen de partijen overeen onder meer op de volgende terreinen samen te werken:
- a. vergemakkelijking van de bijstand om de regionale integratie op dit gebied te versterken, met name door de uitvoering van het Verdrag inzake het behoud en het duurzaam beheer van het Centraal-Afrikaanse woud (Comifac-verdrag) en het subregionaal convergentieplan, en om capaciteit voor de uitvoering van de in dit hoofdstuk vastgelegde verbintenissen op te bouwen;
- b. steun voor openbare en particuliere initiatieven met een commercieel oogmerk, met name ten aanzien van de uitvoer naar de EG, die gericht zijn op de plaatselijke be- en verwerking van hout en producten van de bosbouw van oorsprong uit Centraal-Afrika, die afkomstig zijn uit objectief verifieerbare legale bronnen en bijdragen aan een duurzame ontwikkeling.
Artikel 53. Andere overeenkomsten
Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk, vindt de handel in hout en producten van de bosbouw plaats in overeenstemming met de CITES (Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten) en met eventuele vrijwillige partnerschapsovereenkomsten die de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten individueel of collectief met de Europese Gemeenschap in het kader van het FLEGT-actieplan (Forest law enforcement, governance and trade) van de EU hebben gesloten.
TITEL IV. VESTIGING, HANDEL IN DIENSTEN EN ELEKTRONISCHE HANDEL
Artikel 54. Kader
De partijen bevestigen hun respectieve verbintenissen in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten.
Uiterlijk op 1 januari 2009 verbinden de partijen zich ertoe de werkingssfeer van deze overeenkomst uit te breiden door onderhandelingen over bepalingen die de vestiging en handel in diensten geleidelijk, asymmetrisch en op basis van wederkerigheid moeten liberaliseren.
Artikel 55. Samenwerking
De partijen erkennen dat versterking van hun handelscapaciteit de ontwikkeling van economische activiteiten, met name in de dienstensector, kan ondersteunen en hun regelgeving kan versterken en bevestigen hun respectieve verplichtingen in het kader van de Overeenkomst van Cotonou, en met name die welke voortvloeien uit de artikelen 34 tot en met 39, 41 tot en met 43, 45 en 74 tot en met 78.
TITEL V. HANDELSGERELATEERDE VOORSCHRIFTEN
HOOFDSTUK 1. LOPENDE BETALINGEN EN KAPITAALVERKEER
Artikel 56. Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van lopende betalingen en kapitaalverkeer
De partijen erkennen dat de grensoverschrijdende geldstromen die nodig zijn voor het liberaliseren van de handel in producten en diensten en voor investeringen door de ene partij in de regio van de andere partij, door geen van de partijen mogen worden beperkt of verhinderd. Dat zou immers in strijd zijn met de doelstellingen van liberalisering, daar de handelstransactie of investering, ook al is die op zich toegestaan, niet vanuit het buitenland zou kunnen worden betaald of gefinancierd.
Om dit doel te bereiken, verbinden de partijen zich ertoe vóór 1 januari 2009 onderhandelingen af te sluiten over een reeks onderwerpen betreffende met name de volgende punten:
- a. liberalisering van de geldstromen betreffende de handel in producten en diensten, „lopende betalingen” genoemd;
- b. liberalisering van de geldstromen betreffende investeringen, „kapitaalbewegingen voor investeringen” genoemd, met inbegrip van de repatriëring van de investeringen en de daaruit voortvloeiende winst;
- c. een vrijwaringclausule, die de mogelijkheid biedt om op korte termijn, in het geval van ernstige monetaire of betalingsbalansproblemen, van het vrije verkeer van kapitaal af te wijken;
- d. een ontwikkelingsclausule, die voorziet in de mogelijkheid andere soorten kapitaalbewegingen dan die voor investeringen te liberaliseren.
HOOFDSTUK 2. MEDEDINGING
Artikel 57. Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van de mededinging
De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen; ook erkennen zij dat bepaalde concurrentiebeperkende praktijken de handel tussen de partijen kunnen beperken en zo aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst in de weg kunnen staan.
De partijen gaan er derhalve mee akkoord onderhandelingen te openen over de opname van een mededingingshoofdstuk in de EPO, dat met name de volgende elementen zal bevatten:
- a. vaststelling van concurrentieverstorende praktijken die als onverenigbaar met de goede werking van deze overeenkomst worden beschouwd, voor zover zij op de handel tussen de partijen van invloed kunnen zijn;
- b. bepalingen over een doeltreffende uitvoering van het mededingingsbeleid, de mededingingsvoorschriften en het regionaal beleid in Centraal-Afrika, waardoor de overeenkomstig lid 2, onder a), vastgestelde concurrentieverstorende praktijken kunnen worden beteugeld;
- c. bepalingen over technische bijstand door onafhankelijke deskundigen, zodat de doelstellingen van het hoofdstuk kunnen worden verwezenlijkt en het mededingingsbeleid in Centraal-Afrika op regionaal niveau op doeltreffende wijze kan worden toegepast.
Bij de onderhandelingen wordt uitgegaan van een tweefasenaanpak, die erin bestaat de voorschriften eerst in het kader van de regionale integratie in Centraal-Afrika toe te passen en vervolgens, na het verstrijken van een in onderling overleg vastgestelde overgangsperiode, op bilateraal niveau.
De onderhandelingen over het mededingingshoofdstuk worden vóór 1 januari 2009 afgesloten.
HOOFDSTUK 3. INTELLECTUELE EIGENDOM
Artikel 58. Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van de intellectuele eigendom
De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (de „TRIPs-overeenkomst”) en erkennen dat zij voor de intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten en voor de andere door de TRIPs-overeenkomst bestreken rechten een passend en doeltreffend beschermingsniveau overeenkomstig de internationale normen moeten garanderen, teneinde verstoringen van de bilaterale handel en handelsbelemmeringen te beperken.
Met inachtneming van de aan de Afrikaanse Organisatie voor de intellectuele eigendom (OAPI) overgedragen bevoegdheden verbinden de partijen zich ertoe vóór 1 januari 2009 onderhandelingen af te sluiten over een reeks verbintenissen op het gebied van de intellectuele-eigendomsrechten.
De partijen komen eveneens overeen hun samenwerking op het gebied van de intellectuele-eigendomsrechten te versterken. Die samenwerking moet erop gericht zijn de tenuitvoerlegging van de verbintenissen van elke partij te ondersteunen en moet met name tot de volgende terreinen worden uitgebreid:
- a. versterking van initiatieven ten aanzien van de regionale integratie in Centraal-Afrika, met het oog op een verbetering van de regionale regelgevingscapaciteit en de regionale wetgeving en voorschriften;
- b. voorkoming van misbruik van genoemde rechten door de houders ervan en van schendingen van die rechten door concurrenten;
- c. steun bij de opstelling van nationale wetten en voorschriften in Centraal-Afrika voor de bescherming en toepassing van intellectuele-eigendomsrechten.
Bij de onderhandelingen wordt uitgegaan van een tweefasenaanpak, die erin bestaat de voorschriften eerst in het kader van de regionale integratie in Centraal-Afrika toe te passen en vervolgens, na het verstrijken van een in onderling overleg vastgestelde overgangsperiode, op bilateraal niveau.
Bij de onderhandelingen wordt rekening gehouden met het uiteenlopende ontwikkelingsniveau van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten.
HOOFDSTUK 4. OVERHEIDSOPDRACHTEN
Artikel 59. Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van overheidsopdrachten
De partijen erkennen dat transparante en concurrentiegerichte voorschriften voor overheidsopdrachten tot de economische ontwikkeling bijdragen. Zij komen derhalve overeen om overeenkomstig het bepaalde in lid 3 te onderhandelen over de geleidelijke en wederzijdse openstelling van hun markten voor overheidsopdrachten, met inachtneming van de verschillen in hun ontwikkeling.
Om dit doel te bereiken, sluiten de partijen vóór 1 januari 2009 onderhandelingen af over een reeks eventuele verbintenissen inzake overheidsopdrachten betreffende met name de volgende punten:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)