Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2009-01-22
State In force
Source BWB
artikelen 122
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. transparante en niet-discriminerende voorschriften, alsmede procedures en beginselen die van toepassing moeten zijn;
  • b. lijsten van de betrokken producten en toegepaste drempels;
  • c. doeltreffende beroepsprocedures;
  • d. maatregelen ter ondersteuning van de capaciteit om aan deze verbintenissen te voldoen, waaronder gebruikmaking van de door de informatietechnologie geboden mogelijkheden.
3.

Bij de onderhandelingen wordt uitgegaan van een tweefasenaanpak, die erin bestaat de voorschriften eerst in het kader van de regionale integratie in Centraal-Afrika toe te passen en vervolgens, na het verstrijken van een in onderling overleg vastgestelde overgangsperiode, op bilateraal niveau.

4.

Bij de onderhandelingen houdt de EG rekening met de behoeften van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten inzake ontwikkeling, financiën en handel, wat in het belang van een bijzondere en gedifferentieerde behandeling zijn neerslag kan vinden in de volgende maatregelen:

  • a. zo nodig, vaststelling van passende uitvoeringstermijnen om de overheidsmaatregelen inzake opdrachten in overeenstemming te brengen met specifieke procedurele verplichtingen;
  • b. vaststelling of handhaving van overgangsmaatregelen zoals preferentiële prijsregelingen of compensatieregelingen, in combinatie met een tijdschema voor de afschaffing ervan.

HOOFDSTUK 5. DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 60. Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van duurzame ontwikkeling

1.

De partijen erkennen duurzame ontwikkeling als een van de algemene doelstellingen van de EPO. Zij komen derhalve overeen om duurzaamheidsoverwegingen een plaats te geven in alle titels van de EPO en om specifieke hoofdstukken over het milieu en over sociale aangelegenheden op te stellen.

2.

Om dit doel te bereiken, sluiten de partijen vóór 1 januari 2009 onderhandelingen af over een reeks eventuele verbintenissen inzake duurzame ontwikkeling betreffende met name de volgende punten:

  • a. beschermingsniveau en regelgevingsrecht;
  • b. regionale integratie in Centraal-Afrika en toepassing van internationale milieunormen en van de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie alsmede bevordering van fatsoenlijk werk;
  • c. handhaving van de beschermingsniveaus;
  • d. overlegprocedures en follow-up.
3.

Bij de onderhandelingen houdt de EG rekening met de ontwikkelingsbehoeften van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, wat zijn neerslag kan vinden in de vaststelling van bepalingen over samenwerking op dit gebied.

HOOFDSTUK 6. BESCHERMING VAN PERSOONSGEGEVENS

Artikel 61. Algemene doelstelling

De partijen erkennen:

  • a. hun gemeenschappelijke belang bij de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, met name van hun recht op een persoonlijke levenssfeer, in verband met de verwerking van persoonsgegevens,
  • b. het belang van de handhaving van doeltreffende regelingen voor de gegevensbescherming als middel om de belangen van consumenten te beschermen, om het vertrouwen van investeerders te stimuleren en om grensoverschrijdende stromen van persoonsgegevens te vereenvoudigen,
  • c. dat persoonsgegevens op transparante en eerlijke wijze moeten worden verzameld en verwerkt, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de betrokkene, en komen overeen passende wet- en regelgeving vast te stellen en de voor de tenuitvoerlegging daarvan benodigde bestuurlijke capaciteit ter beschikking te stellen, met inbegrip van onafhankelijke controle-instanties, opdat overeenkomstig de bestaande hoge internationale normen een passend niveau van bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens wordt gewaarborgd4)Hierbij gaat het om de in de volgende internationale overeenkomsten vastgestelde normen:i.richtsnoeren voor de reglementering inzake digitale bestanden met persoonsgegevens, gewijzigd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1990;ii.aanbeveling van de Raad van de OESO betreffende richtsnoeren voor de bescherming van privacy en grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens van 23 september 1980. .

Artikel 62. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (de betrokkene);
  • b. „verwerking van persoonsgegevens”: elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vrijgeven, combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens, alsmede de doorgifte van persoonsgegevens naar andere landen;
  • c. „voor de verwerking verantwoordelijke”: de natuurlijke of rechtspersoon, autoriteit of andere instantie die het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

Artikel 63. Beginselen en algemene regels

De partijen komen overeen dat de vast te stellen wet- en regelgeving en de ter beschikking te stellen bestuurlijke capaciteit ten minste op de volgende inhoudelijke beginselen en handhavingsmechanismen moeten berusten:

  • a. Inhoudelijke beginselen
  • i. het beginsel van beperking van het doel – gegevens mogen slechts voor een specifiek doel worden verwerkt en vervolgens worden gebruikt of verder worden doorgegeven voor zover dit niet onverenigbaar is met het doel van de oorspronkelijke doorgifte. De enige uitzonderingen op deze regel zijn die waarin de wetgeving voorziet en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor zwaarwegende openbare belangen;
  • ii. het beginsel inzake gegevenskwaliteit en evenredigheid – gegevens moeten nauwkeurig zijn en zo nodig worden bijgewerkt. De gegevens moeten geschikt en relevant zijn en mogen niet buitensporig zijn in verhouding tot de doelen waarvoor zij worden doorgegeven of verder worden verwerkt;
  • iii. het transparantiebeginsel – personen moeten informatie krijgen over het doel van de verwerking en over de identiteit van de voor de verwerking verantwoordelijke in het derde land, alsmede alle andere informatie die nodig is om eerlijkheid te garanderen. De enige uitzonderingen op deze regel zijn die waarin de wetgeving voorziet en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor zwaarwegende openbare belangen;
  • iv. het beveiligingsbeginsel – de voor de verwerking verantwoordelijke moet technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen treffen die in overeenstemming zijn met de risico’s van de verwerking. Iedereen die onder het gezag van de voor de verwerking verantwoordelijke staat, met inbegrip van een verwerker, mag de gegevens alleen volgens de instructies van de voor de verwerking verantwoordelijke verwerken;
  • v. het recht van toegang, rectificatie en verzet – de betrokkenen moeten recht hebben op een kopie van alle op hen betrekking hebbende gegevens die worden verwerkt, alsook recht op rectificatie wanneer deze gegevens onjuist blijken. In bepaalde omstandigheden moeten zij zich ook tegen verwerking van hun gegevens kunnen verzetten. De enige uitzonderingen op deze regel zijn die waarin de wetgeving voorziet en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor zwaarwegende openbare belangen;
  • vi. beperking van verdere doorgifte – in beginsel mag verdere doorgifte van persoonsgegevens door de ontvanger van de oorspronkelijke doorgifte slechts worden toegestaan wanneer voor de tweede ontvanger (d.w.z. de ontvanger van de verdere doorgifte) ook regels gelden die een passend beschermingsniveau garanderen;
  • vii. gevoelige gegevens – gegeven met informatie over ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakvereniging, of die betreffende de gezondheid of het seksuele leven, en gegevens inzake overtredingen, strafrechtelijke veroordelingen of beveiligingsmaatregelen, mogen uitsluitend worden verwerkt wanneer het nationale recht in extra beschermingsmaatregelen voorziet.
  • b. Handhavingsmechanismen Er moet worden voorzien in passende mechanismen, waardoor kan worden gewaarborgd dat de volgende doelstellingen worden verwezenlijkt:
  • i. een goede naleving van de voorschriften: zo moeten de voor de verwerking verantwoordelijken zich zeer goed bewust zijn van hun plichten en moeten de betrokkenen op de hoogte zijn van hun rechten en de middelen die hun ter beschikking staan om deze te doen gelden; er moeten doeltreffende, afschrikkende sancties bestaan, en systemen voor rechtstreekse controle door de autoriteiten, auditors of onafhankelijke functionarissen voor de gegevensbescherming;
  • ii. bijstand aan de betrokkenen bij de uitoefening van hun rechten; ieder moet zijn rechten snel, doeltreffend en zonder prohibitieve kosten kunnen afdwingen, onder meer door middel van passende institutionele mechanismen die een onafhankelijk onderzoek van klachten mogelijk maken;
  • iii. een passende schadeloosstelling voor de benadeelde partij bij niet-naleving van voorschriften; hiertoe behoort de mogelijkheid tot het opleggen van sancties en de betaling van schadevergoedingen.

Artikel 64. Inachtneming van internationale verbintenissen

1.

De partijen stellen elkaar via het EPO-comité in kennis van de multilaterale verbintenissen jegens of afspraken met derde landen die zij aangaan of maken, alsmede van hun andere verplichtingen die voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk van belang kunnen zijn, en met name van afspraken die voorzien in de verwerking van persoonsgegevens, zoals het verzamelen en het bewaren ervan, de toegang ertoe en de doorgifte ervan aan derden.

2.

De partijen kunnen om overleg verzoeken wanneer zich problemen voordoen.

Artikel 65. Samenwerking

De partijen erkennen dat samenwerking van groot belang is om de ontwikkeling van passende wettelijke, gerechtelijke en institutionele kaderregelingen te bevorderen en om een passend beschermingsniveau voor persoonsgegevens, dat in overeenstemming is met de doelstellingen en beginselen van dit hoofdstuk, te waarborgen.

TITEL VI. VERMIJDEN EN BESLECHTEN VAN GESCHILLEN

HOOFDSTUK 1. DOEL EN WERKINGSSFEER

Artikel 66. Doel

Het doel van deze titel is geschillen tussen de partijen te vermijden en te beslechten en zoveel mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

Artikel 67. Werkingssfeer

1.

Deze titel heeft betrekking op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van deze overeenkomst, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.

2.

In afwijking van lid 1 is de procedure van artikel 98 van de Overeenkomst van Cotonou van toepassing bij geschillen over de financiering van ontwikkelingssamenwerking, als bedoeld in de Overeenkomst van Cotonou.

HOOFDSTUK 2. OVERLEG EN BEMIDDELING

Artikel 68. Overleg

1.

De partijen streven ernaar geschillen in het kader van deze overeenkomst te beëindigen door te goeder trouw overleg te plegen om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

2.

Wanneer een partij overleg wenst te plegen, dient zij bij de andere partij schriftelijk een verzoek daartoe in, met kopie aan het EPO-comité, waarin zij aangeeft om welke maatregel het gaat en met welke bepalingen van de overeenkomst de maatregel niet in overeenstemming zou zijn.

3.

Het overleg vindt plaats binnen 40 dagen na de datum van indiening van het verzoek. Het overleg wordt 60 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

4.

Overleg over urgente kwesties, zoals over bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, vindt plaats binnen 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten.

5.

Indien het overleg niet binnen de in lid 3 of lid 4 genoemde termijnen plaatsvindt, of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing kon worden bereikt, kan de klagende partij overeenkomstig artikel 70 verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

Artikel 69. Bemiddeling

1.

Indien het overleg niet tot een onderling overeengekomen oplossing leidt, kunnen de partijen overeenkomen een beroep te doen op een bemiddelaar. Tenzij de partijen anders overeenkomen, heeft het mandaat van de bemiddelaar betrekking op de in het verzoek om overleg genoemde aangelegenheid.

2.

Tenzij de partijen binnen 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek om bemiddeling overeenstemming bereiken over een bemiddelaar, wijst het EPO-comité door loting een bemiddelaar aan uit de personen die op de in artikel 85 bedoelde lijst zijn opgenomen en geen onderdaan van een van de partijen zijn. De loting vindt binnen 20 dagen na de datum van indiening van het verzoek om bemiddeling plaats in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van elk van de partijen. De bemiddelaar roept de partijen uiterlijk 30 dagen na zijn aanwijzing bijeen. Hij ontvangt de stukken van elk van de partijen uiterlijk 15 dagen voor de bijeenkomst en geeft uiterlijk 45 dagen na zijn aanwijzing een advies.

3.

Het advies van de bemiddelaar kan een aanbeveling omvatten over de wijze waarop het geschil in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst kan worden opgelost. Het advies van de bemiddelaar is niet bindend.

4.

De partijen kunnen overeenkomen de in lid 2 genoemde termijnen te wijzigen. De bemiddelaar kan op verzoek van een van de partijen of op eigen initiatief eveneens besluiten deze termijnen te wijzigen wegens buitengewone moeilijkheden die de betrokken partij ondervindt of wegens de complexiteit van de zaak.

5.

De bemiddelingsprocedure, en in het bijzonder alle tijdens de procedure verstrekte informatie en door de partijen ingenomen standpunten, blijven vertrouwelijk.

HOOFDSTUK 3. PROCEDURES VOOR DE BESLECHTING VAN GESCHILLEN

AFDELING I. ARBITRAGEPROCEDURE

Artikel 70. Inleiding van de arbitrageprocedure

1.

Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil op te lossen door middel van het in artikel 68 bedoelde overleg of de in artikel 69 bedoelde bemiddeling, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

2.

Het verzoek om instelling van een arbitragepanel moet schriftelijk worden gedaan bij de partij waartegen wordt geklaagd en bij het EPO-comité. De klagende partij vermeldt in zijn verzoek de specifieke maatregelen die in het geding zijn en legt uit waarom die maatregelen een inbreuk op de in artikel 67 bedoelde bepalingen zijn.

Artikel 71. Instelling van een arbitragepanel

1.

Een arbitragepanel bestaat uit drie scheidsrechters.

2.

Binnen 10 dagen na de datum van indiening van het verzoek tot instelling van een arbitragepanel bij het EPO-comité overleggen de partijen over de samenstelling van het arbitragepanel.

3.

Wanneer de partijen binnen de in lid 2 genoemde termijn geen overeenstemming bereiken over de samenstelling van het arbitragepanel, kan elk van de partijen de voorzitter van het EPO-comité of diens vertegenwoordiger verzoeken alle drie panelleden door loting aan te wijzen uit de in artikel 85 bedoelde lijst, te weten één lid uit de personen die door de klagende partij zijn aangewezen, één lid uit de personen die door de partij waartegen de klacht gericht is, zijn aangewezen en één lid uit de personen die door beide partijen zijn aangewezen om als voorzitter te fungeren. Wanneer de partijen het over een of meer leden van het arbitragepanel eens zijn, worden de overige leden volgens dezelfde procedure geselecteerd.

4.

De voorzitter van het EPO-comité of diens vertegenwoordiger wijst in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van elk van de partijen binnen 5 dagen nadat een van de partijen het in lid 3 bedoelde verzoek heeft gedaan, de scheidsrechters aan.

5.

De datum van instelling van het arbitragepanel is de datum waarop de drie scheidsrechters worden aangewezen.

Artikel 72. Tussentijds panelverslag

Het arbitragepanel legt in het algemeen uiterlijk 120 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel een tussentijds verslag met een beschrijving van het geschil en zijn bevindingen en conclusies aan de partijen voor. Een partij kan het arbitragepanel binnen 15 dagen na de indiening van het tussentijdse verslag schriftelijk commentaar over precieze aspecten van dat verslag doen toekomen.

Artikel 73. Uitspraken van het arbitragepanel

1.

Het arbitragepanel legt zijn uitspraak binnen 150 dagen na de instelling van het arbitragepanel voor aan de partijen en aan het EPO-comité. Wanneer het van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het EPO-comité schriftelijk hiervan in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel denkt zijn werk te kunnen voltooien. In geen geval mag de uitspraak later dan 180 dagen na de instelling van het arbitragepanel worden bekendgemaakt.

2.

In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, stelt het arbitragepanel alles in het werk om binnen 75 dagen na de datum waarop het is ingesteld, uitspraak te doen. De uitspraak mag in geen geval later dan 90 dagen na de instelling van het arbitragepanel worden gedaan. Het arbitragepanel kan binnen 10 dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak doen over de vraag of het een zaak dringend acht.

3.

Elk van de partijen kan het arbitragepanel verzoeken een aanbeveling te doen over de wijze waarop de partij waartegen de klacht gericht is, aan de overeenkomst kan voldoen.

AFDELING II. NALEVING

Artikel 74. Naleving van de uitspraak van het arbitragepanel

Elke partij of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten neemt (nemen) alle noodzakelijke maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven en beide partijen streven ernaar overeenstemming te bereiken over de termijn waarbinnen zij de uitspraak zullen naleven.

Artikel 75. Redelijke termijn voor naleving

1.

Uiterlijk 30 dagen na de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel aan de partijen stelt de partij waartegen de klacht gericht is de klagende partij en het EPO-comité in kennis van de tijd die zij nodig heeft om de uitspraak na te leven, hierna „redelijke termijn” genoemd.

2.

Indien de partijen het niet eens worden over een redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, kan de klagende partij het arbitragepanel binnen 20 dagen nadat de partij waartegen de klacht gericht is krachtens lid 1 kennisgeving heeft gedaan, schriftelijk verzoeken om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het EPO-comité. Het arbitragepanel stelt de partijen en het EPO-comité binnen 30 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak.

3.

Het arbitragepanel houdt bij de vaststelling van de redelijke termijn rekening met de tijd die de partij waartegen de klacht gericht is of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten gewoonlijk nodig heeft (hebben) voor de goedkeuring van wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die vergelijkbaar zijn met die welke door de klagende partij of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten noodzakelijk worden geacht om naleving te waarborgen. Het arbitragepanel houdt ook rekening met aantoonbare capaciteitsbeperkingen die van invloed kunnen zijn op de goedkeuring van de noodzakelijke maatregelen door de partij waartegen de klacht gericht is.

4.

Wanneer het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 71 van toepassing. De termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan, bedraagt 45 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

5.

De redelijke termijn kan in onderling overleg tussen de partijen worden verlengd.

Artikel 76. Onderzoek van de maatregelen getroffen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel

1.

De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de andere partij en het EPO-comité voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven.

2.

Wanneer er tussen de partijen onenigheid bestaat over de verenigbaarheid van de maatregelen waarvan overeenkomstig lid 1 is kennisgegeven, met de bepalingen van deze overeenkomst, kan de klagende partij het arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek wordt aangegeven om welke specifieke maatregelen het gaat en wordt uitgelegd waarom deze niet verenigbaar zijn met de bepalingen van deze overeenkomst. Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen 90 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede. In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, deelt het arbitragepanel zijn uitspraak binnen 45 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede.

3.

Wanneer het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 71 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt 105 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

Artikel 77. Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving

1.

Indien de partij waartegen de klacht gericht is niet voor afloop van de redelijke termijn kennisgeeft van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, of indien het arbitragepanel oordeelt dat de maatregelen waarvan overeenkomstig artikel 76, lid 1, is kennisgegeven, niet in overeenstemming zijn met de verplichtingen van die partij uit hoofde van deze overeenkomst, biedt de partij waartegen de klacht gericht is of, in voorkomend geval, de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat de klagende partij, op haar verzoek, een tijdelijke compensatie aan. Deze compensatie kan geheel of ten dele bestaan uit een financiële vergoeding. Deze overeenkomst legt de partij waartegen de klacht gericht is of, in voorkomend geval, de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat echter geen verplichting op een dergelijke financiële vergoeding aan te bieden.

2.

Indien binnen 30 dagen na het eind van de redelijke termijn of na de in artikel 76 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven niet verenigbaar is met de bepalingen van deze overeenkomst, door de partijen geen overeenstemming is bereikt over compensatie, is de klagende partij gerechtigd om, na de andere partij hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen vast te stellen. Deze maatregelen kunnen worden vastgesteld door de klagende partij of, in voorkomend geval, door de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat.

3.

Wanneer de klagende partij of, in voorkomend geval, de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat dergelijke maatregelen vaststelt, streeft zij (hij) ernaar evenredige maatregelen te kiezen die zo min mogelijk van invloed zijn op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en houdt zij (hij) rekening met de gevolgen ervan voor de economie van de partij waartegen de klacht gericht is en voor elk van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten.

4.

De EG betracht de nodige terughoudendheid bij het vragen van compensatie of bij de vaststelling van passende maatregelen uit hoofde van de leden 1 of 2.

5.

De compensatie en de passende maatregelen zijn van tijdelijke aard en worden slechts toegepast totdat de maatregel waarvan was vastgesteld dat hij in strijd was met de bepalingen van deze overeenkomst, is ingetrokken of is gewijzigd en met die bepalingen in overeenstemming is gebracht, of totdat de partijen zijn overeengekomen hun geschil bij te leggen.

Artikel 78. Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na de vaststelling van passende maatregelen

1.

De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de andere partij en het EPO-comité in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven en verzoekt in die kennisgeving om beëindiging van de toepassing van passende maatregelen door de klagende partij of, in voorkomend geval, door de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat.

2.

Indien de partijen niet binnen 30 dagen na de datum van kennisgeving overeenstemming bereiken over de verenigbaarheid van de maatregelen waarvan is kennisgegeven, met de bepalingen van deze overeenkomst, verzoekt de klagende partij het arbitragepanel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt medegedeeld aan de andere partij en aan het EPO-comité. Het arbitragepanel stelt de partijen en het EPO-comité binnen 45 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak. Indien het arbitragepanel oordeelt dat maatregelen die zijn getroffen om zijn uitspraak na te leven niet met de desbetreffende bepalingen van deze overeenkomst in overeenstemming zijn, onderzoekt het of de klagende partij of, in voorkomend geval, de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat passende maatregelen mag blijven toepassen. Indien het arbitragepanel oordeelt dat maatregelen die zijn getroffen om de uitspraak na te leven in overeenstemming met de in artikel 67 bedoelde bepalingen zijn, worden de passende maatregelen beëindigd.

3.

Wanneer het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 71 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt 60 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

AFDELING III. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 79. Onderling overeengekomen oplossing

In het kader van deze titel kunnen de partijen te allen tijde samen een oplossing voor een geschil overeenkomen. Zij stellen het EPO-comité van die oplossing in kennis. Wanneer een onderling overeengekomen oplossing wordt goedgekeurd, wordt de procedure beëindigd.

Artikel 80. Reglement van orde en gedragscode

1.

Op de procedures voor de beslechting van geschillen in het kader van hoofdstuk 3 van deze titel zijn het reglement van orde en de gedragscode van toepassing die door het EPO-comité worden vastgesteld.

2.

De vergaderingen van het arbitragepanel zijn openbaar overeenkomstig het reglement van orde, dat eveneens bepalingen bevat om vertrouwelijke zakelijke informatie te beschermen.

Artikel 81. Inlichtingen en technisch advies

Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief bij alle bronnen, met inbegrip van de bij het geschil betrokken partijen, de inlichtingen inwinnen die het voor zijn werkzaamheden nuttig acht. Het arbitragepanel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Alle op deze manier verkregen informatie moet aan beide partijen worden medegedeeld en voor commentaar aan hen worden voorgelegd. Belanghebbenden kunnen als amicus curiae overeenkomstig het reglement van orde bij het arbitragepanel opmerkingen indienen.

Artikel 82. Communicatietalen

Voor de mondelinge en schriftelijke communicatie van Centraal-Afrika worden het Frans en het Engels en voor die van de Europese Gemeenschap wordt een van de officiële talen van de Europese Unie gebruikt.

Artikel 83. Interpretatieregels

Arbitragepanels verbinden zich ertoe de bepalingen van deze overeenkomst uit te leggen volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van internationaal publiekrecht, met inbegrip van die in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Uitspraken van een arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst niet verruimen of beperken.

Artikel 84. Uitspraken van het arbitragepanel

1.

Het arbitragepanel stelt alles in het werk om elk besluit bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een besluit te komen, wordt een besluit over de aangelegenheid bij meerderheid van stemmen genomen; in geen geval worden echter afwijkende meningen van scheidsrechters gepubliceerd.

2.

De uitspraak vermeldt de geconstateerde feiten, de toepasselijkheid van de relevante bepalingen van deze overeenkomst en de motivering van alle bevindingen en conclusies van het arbitragepanel. Het EPO-comité maakt de uitspraak van het arbitragepanel openbaar, maar kan besluiten dat niet te doen.

HOOFDSTUK 4. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 85. Lijst van scheidsrechters

1.

Het EPO-comité stelt uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst van 15 personen op die bereid en geschikt zijn om als scheidsrechter te fungeren. Elk van de partijen kiest vijf personen die als scheidsrechter kunnen optreden. De twee partijen wijzen in onderling overleg eveneens vijf personen aan die geen onderdaan van een van de partijen zijn en aan wie kan worden gevraagd als voorzitter van het arbitragepanel te fungeren. Het EPO-comité ziet erop toe dat de lijst te allen tijde uit dit aantal personen blijft bestaan.

2.

De scheidsrechters beschikken over gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het recht en de internationale handel. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies aan van enige organisatie of regering, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen en houden zich aan de door het EPO-comité vastgestelde gedragscode.

3.

Het EPO-comité kan een aanvullende lijst van 15 personen met sectorale expertise op specifieke onder deze overeenkomst vallende gebieden vaststellen. Wanneer de selectieprocedure van artikel 71, lid 2, wordt gebruikt, kan de voorzitter van het EPO-comité met instemming van beide partijen van die lijst gebruikmaken.

Artikel 86. Relatie tot WTO-verplichtingen

1.

Arbitragepanels die krachtens deze overeenkomst zijn ingesteld, doen geen uitspraak in geschillen die verband houden met de rechten en verplichtingen van elke partij krachtens de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

2.

Het beroep op de bepalingen in deze overeenkomst over de beslechting van geschillen doet geen afbreuk aan enige rechtsvordering in het kader van de WTO, met inbegrip van die tot beslechting van een geschil. Wanneer echter een partij of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten in verband met een specifieke maatregel een procedure voor geschillenbeslechting heeft of hebben ingeleid, hetzij krachtens artikel 70, lid 1, hetzij krachtens de WTO-overeenkomst, kan of kunnen zij in verband met dezelfde maatregel geen procedure voor geschillenbeslechting in het andere forum inleiden totdat de eerste procedure is afgesloten. Voor de toepassing van dit lid worden procedures voor geschillenbeslechting krachtens de WTO-overeenkomst geacht door een partij of, in voorkomend geval, door de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten te zijn ingeleid wanneer deze overeenkomstig artikel 6 van het WTO-memorandum van overeenstemming inzake de beslechting van geschillen een verzoek om instelling van een arbitragepanel heeft of hebben ingediend.

3.

Deze overeenkomst belet een partij of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten niet een schorsing van verplichtingen die is toegestaan door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO, ten uitvoer te leggen.

Artikel 87. Termijnen

1.

De in deze titel vastgestelde termijnen, met inbegrip van die waarbinnen arbitragepanels moeten kennisgeven van hun uitspraken, worden gerekend in kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop het desbetreffende besluit wordt genomen of het desbetreffende feit plaatsvindt.

2.

Alle in deze titel vermelde termijnen kunnen in onderling overleg tussen de partijen worden verlengd.

Artikel 88. Wijziging van titel VI

Het EPO-comité kan besluiten deze titel en de bijlagen erbij te wijzigen.

TITEL VII. ALGEMENE UITZONDERINGEN

Artikel 89. Algemene uitzonderingsclausule

Onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen vormen terwijl gelijke voorwaarden moeten gelden, of tot een verkapte beperking van de handel in producten of diensten of de vestiging, wordt geen bepaling in deze overeenkomst uitgelegd als een beletsel voor het vaststellen of toepassen door de partijen van maatregelen:

  • a. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid en de openbare zeden of voor de handhaving van de openbare orde;
  • b. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
  • c. die noodzakelijk zijn voor de handhaving van wetten of voorschriften en die niet strijdig zijn met de bepalingen van deze overeenkomst, met inbegrip van maatregelen die betrekking hebben op:
  • i. het voorkomen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om in verband met contracten de gevolgen van niet-betaling te compenseren;
  • ii. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;
  • iii. de veiligheid;
  • iv. de toepassing van douanevoorschriften en -procedures; of
  • v. de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten;
  • d. die verband houden met de invoer of de uitvoer van goud of zilver;
  • e. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;
  • f. die betrekking hebben op de instandhouding van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, indien die maatregelen gepaard gaan met beperkingen van de nationale productie of het nationale verbruik van goederen, het binnenlandse aanbod of verbruik van diensten, of met beperkingen voor binnenlandse investeerders;
  • g. die betrekking hebben op voortbrengselen van gevangenisarbeid; of
  • h. die strijdig zijn met de artikelen van deze overeenkomst inzake nationale behandeling, mits het verschil in behandeling is bedoeld om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of te kunnen innen ten aanzien van economische activiteiten van investeerders of dienstverleners uit de andere partij5)Maatregelen die bedoeld zijn om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of te kunnen innen omvatten maatregelen die door een van de partijen op grond van zijn belastingstelsel worden genomen en die:i.van toepassing zijn op investeerders en dienstverleners die niet-ingezeten zijn, gezien het feit dat de fiscale verplichtingen van niet-ingezetenen worden vastgesteld op grond van belastbare feiten die op het grondgebied van een van de partijen hun oorsprong vinden of geschieden; ofii.van toepassing zijn op niet-ingezetenen om belastingen op het grondgebied van een van de partijen te kunnen opleggen of te kunnen innen; ofiii.van toepassing zijn op niet-ingezetenen of ingezetenen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking, maatregelen tot naleving daaronder begrepen; ofiv.van toepassing zijn op gebruikers van diensten die op of vanaf het grondgebied van de andere partij worden verleend, om ervoor te zorgen dat door die gebruiker verschuldigde belastingen die hun bron op het grondgebied van een van de partijen hebben, opgelegd of geïnd kunnen worden; ofv.een onderscheid maken tussen investeerders en dienstverleners die belastingplichtig zijn ter zake van wereldwijd belastbare feiten en andere investeerder en dienstverleners, gezien het verschil in de aard van de belastinggrondslag tussen hen; ofvi.inkomen, winst, voordeel, verlies, aftrek of krediet van ingezeten personen of filialen, dan wel tussen gelieerde personen of filialen van dezelfde persoon vaststellen, toewijzen of omslaan, om de belastinggrondslag van de partijen te behouden. .

Artikel 90. Uitzonderingen met betrekking tot de nationale veiligheid

1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat zij:

  • a. de partijen verplicht gegevens te verstrekken waarvan openbaarmaking naar hun oordeel tegen hun wezenlijke veiligheidsbelangen indruist;
  • b. de partijen belet maatregelen te nemen die zij ter bescherming van hun wezenlijke veiligheidsbelangen noodzakelijk achten en die
  • i. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;
  • ii. betrekking hebben op economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel hebben;
  • iii. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig;
  • iv. betrekking hebben op overheidsopdrachten die onontbeerlijk zijn voor de nationale veiligheid of voor de nationale defensie; of
  • v. in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen; of
  • c. de partijen belet maatregelen te nemen tot uitvoering van de verplichtingen die zij op zich hebben genomen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
2.

Het EPO-comité wordt zo volledig mogelijk ingelicht over maatregelen die krachtens lid 1, onder b) en c), worden genomen en over de beëindiging daarvan.

Artikel 91. Belastingen

1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader van de toepassing ervan gesloten overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor de partijen om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van hun belastingwetgeving een onderscheid te maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot hun verblijfplaats of met betrekking tot de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.

2.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader van de toepassing ervan gesloten overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen van maatregelen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking in overeenstemming met de overeenkomsten inzake voorkoming van dubbele belastingheffing of andere belastingovereenkomsten of nationale belastingwetten.

3.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst heeft gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van enig belastingverdrag. In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze overeenkomst en die van een dergelijk verdrag hebben de bepalingen van dat verdrag voorrang voor zover het de strijdigheid betreft.

TITEL VIII. ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 92. EPO-comité

1.

Voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst wordt binnen drie maanden na de ondertekening van deze overeenkomst een EPO-comité opgericht.

2.

De partijen besluiten over de samenstelling, organisatie en werking van het EPO-comité.

3.

Het EPO-comité is verantwoordelijk voor het beheer van alle door deze overeenkomst bestreken gebieden en voor de uitvoering van alle in deze overeenkomst genoemde taken.

4.

Het EPO-comité besluit bij consensus.

5.

Om de communicatie te vergemakkelijken en een doeltreffende tenuitvoerlegging van de overeenkomst te waarborgen, wijst elke partij een contactpunt aan.

Artikel 93. Regionale organisaties

De commissie van de Economische en Monetaire Gemeenschap van Centraal-Afrika (CEMAC) en het secretariaat-generaal van de Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse Staten (ECCAS) worden uitgenodigd aan alle vergaderingen van het EPO-comité deel te nemen.

Artikel 94. Voortzetting van de onderhandelingen en tenuitvoerlegging van de overeenkomst

1.

De partijen zetten de onderhandelingen volgens het in deze overeenkomst vastgestelde tijdschema in het kader van de bestaande onderhandelingsstructuren voort.

2.

Wanneer de onderhandelingen zijn afgesloten, worden de hieruit voortvloeiende ontwerpwijzigingen ter goedkeuring aan de bevoegde binnenlandse autoriteiten voorgelegd.

3.

In afwachting van de instelling van het EPO-comité en van de andere instellingen en comités in de in artikel 1 bedoelde volledige EPO treffen de partijen alle maatregelen die nodig zijn voor het beheer en de uitvoering van deze overeenkomst en vervullen zij de taken van het EPO-comité wanneer hiernaar in deze overeenkomst wordt verwezen.

Artikel 95. Definitie van de partijen en naleving van verplichtingen

1.

De overeenkomstsluitende partijen bij deze overeenkomst zijn de Republiek Kameroen, in deze overeenkomst „Centraal-Afrika” genoemd, enerzijds, en de Europese Gemeenschap of haar lidstaten of de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, in het kader van hun respectieve bevoegdheidsgebieden, zoals ontleend aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in deze overeenkomst de „EG” genoemd, anderzijds.

2.

Voor de toepassing van deze overeenkomst komt Centraal-Afrika overeen gezamenlijk op te treden.

3.

Voor de toepassing van deze overeenkomst heeft de term „partij” naargelang van het geval betrekking op de gezamenlijk optredende Centraal-Afrikaanse staten of op de EG. De term „partijen” heeft betrekking op de gezamenlijk optredende Centraal-Afrikaanse staten en de EG.

4.

Wanneer een individueel optreden voorzien of vereist is voor de uitoefening van rechten of de naleving van verplichtingen in het kader van deze overeenkomst, wordt de term „overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten” gebruikt.

5.

Naargelang van het geval treffen de partijen of de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen, en zien zij toe op de verwezenlijking van de doelstellingen die in deze overeenkomst zijn neergelegd.

Artikel 96. Coördinatoren en uitwisseling van informatie

1.

Om de communicatie te vergemakkelijken en een doeltreffende tenuitvoerlegging van de overeenkomst te waarborgen, wijzen de partijen bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst een coördinator aan. De aanwijzing van coördinatoren doet geen afbreuk aan de specifieke aanwijzing van bevoegde autoriteiten in het kader van specifieke titels en hoofdstukken van deze overeenkomst.

2.

Wanneer een partij daarom verzoekt, geeft de coördinator van de andere partij aan welk bureau of welke ambtenaar verantwoordelijk is voor enige aangelegenheid die betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst en verleent hij de nodige hulp om de communicatie met de verzoekende partij te vergemakkelijken.

3.

Wanneer een partij daarom verzoekt en voor zover de wettelijke mogelijkheid daartoe bestaat, verstrekt elke partij via haar coördinator informatie en beantwoordt zij onverwijld elke vraag van de andere partij over een bestaande of voorgestelde maatregel of een internationale overeenkomst die gevolgen kan hebben voor de handel tussen de partijen.

4.

Elke partij ziet erop toe dat alle wetten, regelingen, procedures en administratieve beschikkingen die algemeen van toepassing zijn op enige handelsaangelegenheid die onder deze overeenkomst valt, onverwijld gepubliceerd en openbaar gemaakt wordt en onder de aandacht van de andere partij wordt gebracht.

5.

Onverminderd de transparantiebepalingen in deze overeenkomst wordt de in dit artikel bedoelde informatie geacht te zijn verstrekt wanneer de informatie beschikbaar is gemaakt door middel van een passende kennisgeving aan de WTO of wanneer de informatie beschikbaar is gemaakt op een officiële, voor iedereen kosteloos toegankelijke website van de betrokken partij.

Artikel 97. Regionale preferentie

1.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst verplicht een partij ertoe de andere partij bij deze overeenkomst een gunstiger behandeling toe te kennen dan die welke binnen elk van de partijen als onderdeel van haar respectieve regionale integratieproces van toepassing is.

2.

Wanneer een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat de Europese Gemeenschap in het kader van deze overeenkomst een gunstiger behandeling of een voordeel toekent, geldt deze gunstiger behandeling of dit voordeel ook onmiddellijk en onvoorwaardelijk voor elke andere overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat.

Artikel 98. Inwerkingtreding

1.

Deze overeenkomst wordt ondertekend, geratificeerd en goedgekeurd volgens de grondwettelijke of interne voorschriften en toepasselijke procedures.

2.

Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarin aan de depositarissen van de overeenkomst is kennisgegeven van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

3.

De kennisgevingen worden gezonden aan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en aan de voorzitter van de Economische en Monetaire Gemeenschap van Centraal-Afrika (CEMAC), die als depositaris van deze overeenkomst optreden.

4.

In afwachting van de inwerkingtreding van deze overeenkomst komen de EG en Centraal-Afrika overeen de overeenkomst in het kader van hun respectieve bevoegdheden toe te passen („voorlopige toepassing”). Dit kan gebeuren door middel van voorlopige toepassing, wanneer daartoe de mogelijkheid bestaat, of door ratificatie van de overeenkomst.

5.

Van de voorlopige toepassing wordt kennis gegeven aan de depositarissen. De overeenkomst wordt 10 dagen na de datum van ontvangst van deze kennisgeving van voorlopige toepassing door de Europese Gemeenschap, enerzijds, en van ontvangst van deze kennisgeving van voorlopige toepassing of van ratificatie door alle overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, anderzijds, voorlopig toegepast.

6.

In afwijking van lid 4 kunnen de EG en de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten unilateraal maatregelen treffen om de overeenkomst, voor zover haalbaar, al voor de voorlopige toepassing toe te passen.

Artikel 99. Duur

1.

Deze overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd.

2.

Elke partij of elke overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat kan de andere partij schriftelijk in kennis stellen van haar of zijn voornemen deze overeenkomst op te zeggen.

3.

De opzegging wordt zes maanden na de kennisgeving van kracht.

Artikel 100. Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing op, enerzijds, elk grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in dat verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, het grondgebied van elk van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten.

Artikel 101. Toetreding van Centraal-Afrikaanse staten of regionale organisaties

1.

Elke Centraal-Afrikaanse staat of Centraal-Afrikaanse regionale organisatie kan tot deze overeenkomst toetreden. Verzoeken om toetreding worden bij het EPO-comité ingediend. Wanneer een staat een verzoek om toetreding heeft ingediend, neemt hij als waarnemer aan de vergaderingen van het EPO-comité deel.

2.

Het verzoek wordt onderzocht en er worden onderhandelingen geopend met het doel de nodige wijzigingen van deze overeenkomst voor te stellen. Het toetredingsprotocol wordt ter goedkeuring aan de bevoegde autoriteiten voorgelegd.

3.

De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding voor deze overeenkomst. Het EPO-comité kan besluiten overgangsmaatregelen vast te stellen of de nodige wijzigingen aan te brengen.

Artikel 102. Toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU

1.

Het EPO-comité wordt in kennis gesteld van ieder verzoek van een derde staat om toe te treden tot de Europese Unie. Tijdens de onderhandelingen tussen de Europese Unie en de staat die het verzoek heeft ingediend, verstrekt de EG Centraal-Afrika alle relevante informatie en stelt Centraal-Afrika de EG in kennis van zijn problemen, zodat deze daar ten volle rekening mee kan houden. De EG stelt Centraal-Afrika in kennis van elke toetreding tot de Europese Unie (EU).

2.

Elke nieuwe lidstaat van de EU wordt vanaf de datum van zijn toetreding partij bij de overeenkomst door middel van een daartoe strekkende clausule in de akte van toetreding. Indien de akte van toetreding tot de EU niet voorziet in een automatische toetreding van de nieuwe EU-lidstaat tot deze overeenkomst, treedt de betrokken EU-lidstaat toe door nederlegging van een akte van toetreding bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, dat hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan Centraal-Afrika.

3.

De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding van nieuwe EU-lidstaten voor deze overeenkomst. Het EPO-comité kan besluiten overgangsmaatregelen vast te stellen of de nodige wijzigingen aan te brengen.

Artikel 103. Ultraperifere gebieden van de Europese Gemeenschap

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst belet de EG bestaande maatregelen die zijn gericht op verbetering van de structurele economische en sociale situatie van de ultraperifere gebieden ingevolge artikel 299, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap toe te passen.

Artikel 104. Dialoog over financiële aangelegenheden

De partijen en de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten komen overeen om op het gebied van fiscaal beleid en beheer de dialoog en transparantie te stimuleren en goede praktijken uit te wisselen.

Artikel 105. Samenwerking bij de bestrijding van illegale financiële activiteiten

De partijen zijn vastbesloten illegale activiteiten, fraude, corruptie, het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te voorkomen en te bestrijden, en treffen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om te voldoen aan de internationale normen, met inbegrip van die in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en de protocollen daarbij, het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van de financiering van terrorisme, en de aanbevelingen van de Financial Action Task Force. De partijen komen overeen op deze gebieden informatie uit te wisselen en samen te werken.

Artikel 106. Verhouding ten aanzien van andere overeenkomsten

1.

Met uitzondering van de artikelen inzake ontwikkelingssamenwerking in deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou, hebben in geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze overeenkomst en die van deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou, de bepalingen van deze overeenkomst voorrang.

2.

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor de goedkeuring door de Europese Gemeenschap of door een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat van maatregelen, met inbegrip van maatregelen op handelsgebied, die passend worden geacht en waarin wordt voorzien in de artikelen 11 ter, 96 en 97 van de Overeenkomst van Cotonou.

3.

De partijen komen overeen dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst hen verplicht te handelen op een wijze die in strijd is met hun WTO-verplichtingen.

4.

De partijen komen overeen in 2008 te onderzoeken of de bepalingen van deze overeenkomst in overeenstemming zijn met de douane-unies waartoe de partijen bij deze overeenkomst zijn toegetreden.

Artikel 107. Authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud, in de volgende talen: Bulgaars, Tsjechisch, Deens, Nederlands, Engels, Ests, Fins, Frans, Duits, Grieks, Hongaars, Italiaans, Lets, Litouws, Maltees, Pools, Portugees, Roemeens, Slowaaks, Sloveens, Spaans en Zweeds, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 108. Bijlagen en protocollen

De bijlagen en protocollen vormen een integrerend deel van deze overeenkomst.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder andere douaneregelingen, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen;
  • b. „verzoekende autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand indient;
  • c. „aangezochte autoriteit” : een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;
  • d. „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
  • e. „met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.

Artikel 2. Werkingssfeer

1.

De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar bijstand om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden en op de wijze en voorwaarden die bij dit protocol zijn vastgesteld, een correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, in het bijzonder door met die wetgeving strijdige handelingen te voorkomen, op te sporen en te vervolgen.

2.

De in dit protocol bedoelde bijstand in douanezaken geldt voor alle administratieve autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen die voor de toepassing van dit protocol bevoegd zijn. Deze bijstand laat de regels inzake wederzijdse bijstand in strafzaken onverlet. Hij geldt evenmin voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke instantie worden uitgeoefend, tenzij deze ermee instemt dat die informatie wordt verstrekt.

3.

Bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes valt niet onder dit protocol.

Artikel 3. Bijstand op verzoek

1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde activiteiten die met deze wetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

  • a. of producten die uit het gebied van een van de overeenkomstsluitende partijen zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze in het gebied van een andere partij zijn ingevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de producten zijn geplaatst;
  • b. of producten die in het gebied van een van de overeenkomstsluitende partijen zijn ingevoerd, op regelmatige wijze uit het gebied van de andere partij zijn uitgevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de producten zijn geplaatst.
3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in het kader van haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om te zorgen voor toezicht op:

  • a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij met de douanewetgeving strijdige handelingen verrichten of hebben verricht;
  • b. plaatsen waar op zodanige wijze voorraden producten zijn of kunnen worden aangelegd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • c. producten die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.

Artikel 4. Ongevraagde bijstand

De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op eigen initiatief bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder door de doorgifte van informatie die zij hebben verkregen over:

  • a. activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor een andere overeenkomstsluitende partij;
  • b. nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt om met de douanewetgeving strijdige handelingen te verrichten;
  • c. producten waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • d. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij betrokken zijn of waren bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
  • e. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij zijn, worden of kunnen worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.

Artikel 5. Verstrekking van documenten en kennisgeving van besluiten

1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alle maatregelen die nodig zijn voor:

  • –. de verstrekking van documenten of
  • –. de kennisgeving van besluiten van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan adressaten die op het gebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn.
2.

Verzoeken om de verstrekking van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand

1.

Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de documenten die voor de behandeling ervan noodzakelijk worden geacht. In spoedeisende gevallen kunnen ook mondelinge verzoeken worden geaccepteerd, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

2.

De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:

  • a. de verzoekende autoriteit;
  • b. de maatregel waarom wordt gevraagd;
  • c. het doel en de reden van het verzoek;
  • d. de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere juridische aspecten;
  • e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie over de natuurlijke personen of rechtspersonen op wie het onderzoek betrekking heeft;
  • f. een samenvatting van de feiten en van het reeds uitgevoerde onderzoek.
3.

De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis geldt niet voor de in lid 1 bedoelde documenten bij het verzoek.

4.

Indien een verzoek niet aan de hierboven vermelde vormeisen voldoet, kan worden verzocht het te corrigeren of aan te vullen; in de tussentijd kunnen conservatoire maatregelen worden genomen.

Artikel 7. Uitvoering van verzoeken

1.

Binnen de grenzen van haar bevoegdheden en de haar beschikbare middelen behandelt de aangezochte autoriteit een verzoek om bijstand alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde overeenkomstsluitende partij handelt, en verstrekt zij de al beschikbare informatie en verricht zij het nodige onderzoek of laat zij dit verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op autoriteiten waaraan de op grond van dit protocol aangezochte autoriteit het verzoek doorstuurt wanneer zij dit niet zelf kan afhandelen.

2.

Aan verzoeken om bijstand wordt voldaan overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de overeenkomstsluitende partij tot wie het verzoek is gericht.

3.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen met instemming van de betrokken andere overeenkomstsluitende partij en op de door deze gestelde voorwaarden, ten kantore van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken autoriteit als bedoeld in lid 1, informatie verzamelen over activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn, die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol benodigt.

4.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen, met instemming van de andere betrokken overeenkomstsluitende partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het gebied van laatstgenoemde wordt verricht.

Artikel 8. Vorm waarin de informatie moet worden verstrekt

1.

De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het onderzoek schriftelijk aan de verzoekende autoriteit mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte afschriften of andere stukken.

2.

Deze informatie mag in de vorm van computerbestanden worden verstrekt.

3.

Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte afschriften niet toereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd.

Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend

1.

Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een partij van oordeel is dat bijstand op grond van deze overeenkomst:

  • a. de soevereiniteit van een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat of van een lidstaat van de Europese Gemeenschap waaraan op grond van dit protocol om bijstand is gevraagd, zou kunnen aantasten; of
  • b. de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 10, lid 2, bedoelde gevallen; of
  • c. tot schending van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim zou leiden.
2.

De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek of een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.

Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.

In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moeten het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervan onverwijld aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.

Artikel 10. Doorgifte van informatie en geheimhoudingsplicht

1.

Alle informatie die, in welke vorm dan ook, op grond van dit protocol wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is alleen bestemd voor beperkte verspreiding, afhankelijk van de toepasselijke voorschriften van elke overeenkomstsluitende partij. De verstrekte gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming die door de desbetreffende wetgeving van de ontvangende overeenkomstsluitende partij, dan wel door de desbetreffende bepalingen die op de instellingen van de Europese Gemeenschap van toepassing zijn, aan dergelijke gegevens wordt geboden.

2.

Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de overeenkomstsluitende partij die de gegevens ontvangt, zich ertoe verbindt deze te beschermen op een wijze die ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van dergelijke gegevens door de overeenkomstsluitende partij die de gegevens verstrekt. Te dien einde stellen de overeenkomstsluitende partijen elkaar in kennis van hun ter zake geldende voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van de rechtsvoorschriften van de lidstaten van de Gemeenschap.

3.

Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende met de douanewetgeving strijdige handelingen wordt beschouwd als gebruik voor de doeleinden van dit protocol. De overeenkomstsluitende partijen kunnen derhalve bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van de informatie die op grond van dit protocol is verkregen en van de documenten waarin op grond van dit protocol inzage is gegeven. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of die inzage heeft gegeven in de documenten, wordt van dergelijk gebruik in kennis gesteld.

4.

De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit protocol gebruikt. Indien een overeenkomstsluitende partij de informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, moet zij de autoriteit die de informatie heeft verstrekt vooraf om schriftelijke toestemming vragen. Voor dit gebruik gelden dan de eventueel door deze autoriteit vastgestelde beperkingen.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of gewaarmerkte afschriften voor te leggen. In de dagvaarding dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke rechterlijke instantie of administratieve autoriteit de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De overeenkomstsluitende partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die op grond van dit protocol worden gedaan, met uitzondering van eventuele uitgaven voor deskundigen en getuigen en voor tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Tenuitvoerlegging

1.

Dit protocol wordt ten uitvoer gelegd door de douaneautoriteiten van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds. Zij stellen alle praktische maatregelen en regelingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de geldende voorschriften, met name op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

2.

De overeenkomstsluitende partijen plegen onderling overleg en lichten elkaar in over alle uitvoeringsbepalingen die op grond van dit protocol worden vastgesteld.

Artikel 14. Andere overeenkomsten

1.

Met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten:

  • –. laat dit protocol de verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen krachtens andere internationale overeenkomsten of verdragen onverlet;
  • –. wordt dit protocol geacht een aanvulling te vormen op overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap en overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten zijn of kunnen worden gesloten;
  • –. laat dit protocol onverlet de communautaire bepalingen van de Europese Gemeenschap betreffende de doorgifte, tussen de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten, van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Europese Gemeenschap.
2.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 prevaleert dit protocol boven bilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap en overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van die overeenkomsten strijdig zijn met die van dit protocol.

3.

Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de overeenkomstsluitende partijen onderling overleg om deze in het kader van het EPO-comité op te lossen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze overeenkomst hebben gesteld.

GEDAAN te Yaoundé, vijftien januari tweeduizend negen, respectievelijk te Brussel, tweeëntwintig januari tweeduizend negen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)