Europees Verdrag inzake sociale zekerheid

Type Verdrag
Publication 2007-02-28
Laatst bijgewerkt 2001-09-12
State In force
Source BWB
artikelen 81
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Lid-Staten van de Raad van Europa welke dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegende dat de Raad van Europa het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden beoogt, in bijzonder om hun sociale vooruitgang te bevorderen;

Overwegende dat multilaterale coördinatie van de wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid één van de middelen is om deze doelstelling te verwezenlijken;

Overwegende dat artikel 73 van de op 16 april 1964 voor ondertekening opengestelde Europese Code inzake sociale zekerheid bepaalt dat de Contracterende Partijen bij de Code ernaar streven in een afzonderlijk document de vraagstukken te regelen die betrekking hebben op de sociale zekerheid van buitenlanders en migranten, in het bijzonder met betrekking tot de gelijkstelling met de eigen onderdanen en het behoud van verworven rechten en rechten die nog verworven worden;

Bevestigende het beginsel van gelijkheid van behandeling van de onderdanen der Verdragsluitende Partijen, vluchtelingen en staatlozen ten aanzien van de sociale zekerheidswetgeving van iedere Verdragsluitende Partij, alsmede het beginsel van het behoud van de uit de sociale zekerheidswetgeving voortvloeiende voordelen, onverschillig of de beschermde personen zich binnen de grondgebieden van de Verdragsluitende Partijen verplaatsen, zijnde beginselen, waarvan trouwens niet alleen sommige bepalingen van het Europees Sociaal Handvest, maar ook verschillende verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn uitgegaan;

Zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

  • a). wordt onder „Verdragsluitende Partij” verstaan elke Staat, welke overeenkomstig artikel 75, eerste lid of artikel 77 een akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding heeft nedergelegd;
  • b). worden de termen „grondgebied van een Verdragsluitende Partij” en „onderdaan van een Verdragsluitende Partij” omschreven in bijlage I; door elke Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig het eerste lid van artikel 81, kennisgeving gedaan van iedere wijziging welke in bijlage I moet worden aangebracht;
  • c). worden onder „wetgeving” of „wettelijke regeling” verstaan de wetten, regelingen en statutaire bepalingen welke van kracht zijn op de datum van ondertekening van dit Verdrag of welke later van kracht zullen worden voor het gehele grondgebied van een Verdragsluitende Partij of voor enig deel daarvan en welke betrekking hebben op de in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid;
  • d). wordt onder „verdrag inzake sociale zekerheid” verstaan elke bilaterale of multilaterale overeenkomst welke op het gebied van de sociale zekerheid voor alle in artikel 2, eerste en tweede lid bedoelde takken en stelsels, of een deel daarvan, uitsluitend verbindend is of zal zijn voor twee of meer Verdragsluitende Partijen, alsmede elke zodanige multilaterale overeenkomst welke verbindend is of zal zijn voor ten minste twee Verdragsluitende Partijen en één of meer andere Staten, alsmede akkoorden van elke aard, welke in het kader van bovenbedoelde overeenkomsten zijn of worden gesloten;
  • e). wordt onder „bevoegde autoriteit” verstaan de minister of ministers, dan wel de daarmede vergelijkbare autoriteit, onder wie op het gehele grondgebied van elke Verdragsluitende Partij of op een deel daarvan, de regelingen inzake sociale zekerheid ressorteren;
  • f). wordt onder „orgaan” verstaan het lichaam of de autoriteit, welke belast is met de uitvoering van de gehele wetgeving van elke Verdragsluitende Partij of een deel daarvan;
  • g). wordt onder „bevoegd orgaan” verstaan:
  • (i). indien het een stelsel van sociale verzekering betreft, hetzij het orgaan waarbij de belanghebbende op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt, is aangesloten, hetzij het orgaan dat hem prestaties verschuldigd is of zou zijn, indien hij woonde op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waarop dit orgaan gevestigd is, hetzij het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
  • (ii). indien het een ander stelsel dan een stelsel van sociale verzekering of gezinsuitkeringen betreft, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
  • (iii). indien het een regeling betreft inzake de verplichtingen van de werkgever ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid bedoelde prestaties, de werkgever of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar, dan wel bij ontstentenis van dezen, het lichaam of de autoriteit welke door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij zijn aangewezen;
  • h). wordt onder „bevoegde Staat” verstaan de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan is gevestigd;
  • i). wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats;
  • j). wordt onder „verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats;
  • k). wordt onder „orgaan van de woonplaats” verstaan het orgaan dat ter plaatse waar de belanghebbende woont, bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij welke door dit orgaan wordt toegepast, of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
  • l). wordt onder „orgaan van de verblijfplaats” verstaan het orgaan dat ter plaatse waar de belanghebbende verblijft, bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, welke door dit orgaan wordt toegepast, of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
  • m). wordt onder „werknemer” verstaan een loontrekkende of een zelfstandige, alsmede alle personen die volgens de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij met hen worden gelijkgesteld, voorzover in dit Verdrag niet anders wordt bepaald;
  • n). wordt onder „grensarbeider” verstaan een loontrekkende die werkzaam is op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij en woont op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, waarheen hij in beginsel dagelijks of ten minste éénmaal per week terugkeert;
  • (i). echter moet in de betrekkingen tussen Frankrijk en de aangrenzende Verdragsluitende Partijen, de belanghebbende, om als grensarbeider te worden aangemerkt, werkzaam en woonachtig zijn binnen een zone, welke zich in beginsel over een breedte van niet meer dan twintig kilometer aan weerszijden van de gemeenschappelijke grens uitstrekt;
  • (ii). de grensarbeider die op het grensgebied van een Verdragsluitende Partij tewerkgesteld is door een onderneming waaraan hij normaal verbonden is en door deze onderneming voor een vermoedelijke duur van niet langer dan vier maanden buiten de grensstreek wordt gedetacheerd, hetzij op het grondgebied van dezelfde Partij, hetzij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, behoudt echter de hoedanigheid van grensarbeider gedurende het tijdvak van zijn detachering, doch voor ten hoogste vier maanden;
  • q). worden onder „gezinsleden” verstaan personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend of als huisgenoten worden aangeduid, in de wetgeving welke door het met het verlenen van prestaties belaste orgaan wordt toegepast of, in de gevallen bedoeld in artikel 21, eerste lid, sub a) en c) en artikel 24, zesde lid, in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze personen wonen; indien deze wetgevingen echter uitsluitend personen die bij de belanghebbende inwonen als gezinsleden en huisgenoten beschouwen, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan, wanneer de betreffende personen in hoofdzaak op kosten van de belanghebbende worden onderhouden;
  • r). worden onder „nagelaten betrekkingen” verstaan personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend; indien deze wetgeving echter uitsluitend personen die bij de overledene inwoonden als nagelaten betrekkingen beschouwt, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan, wanneer de betreffende personen in hoofdzaak op kosten van de overledene werden onderhouden;
  • s). worden onder „tijdvakken van verzekering” verstaan tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van dienstbetrekking, van bewerkzaamheden of van wonen, welke als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend;
  • t). worden onder „tijdvakken van dienstbetrekking” en „tijdvakken van beroepswerkzaamheden” verstaan tijdvakken, welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend;
  • u). worden onder „tijdvakken van wonen” verstaan tijdvakken, welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld;
  • v). worden onder „prestaties”, „uitkeringen”, „verstrekkingen”, „pensioenen”, „renten” verstaan alle prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen, renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen en alle verhogingen, uitkeringen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of bijkomende uitkeringen, tenzij dit Verdrag anders bepaalt, alsmede prestaties, bedoeld om de verdiencapaciteit te handhaven of te verbeteren, als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van pensioenen of renten, en eventuele terugstortingen van premies of bijdragen;
  • w). worden onder „kinderbijslag” verstaan periodieke uitkeringen elke op grond van het aantal kinderen en hun leeftijd worden toegekend; onder „gezinsuitkeringen” worden verstaan alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten, behalve de bijzondere uitkeringen bij geboorte welke in bijlage II uitdrukkelijk zijn uitgezonderd; door elke betrokken Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 81, eerste lid, kennisgeving gedaan van iedere wijziging welke in Bijlage II moet worden aangebracht aangaande de bijzondere uitkeringen bij geboorte waarin haar wetgeving voorziet;
  • x). wordt onder „uitkering bij overlijden” verstaan elk bedrag ineens dat in geval van overlijden wordt uitgekeerd, met uitzondering van de sub v) van dit artikel bedoelde bedragen welke als afkoopsom worden uitgekeerd;
  • y). is de term „van contributieve aard” van toepassing op uitkeringen, waarvan de toekenning afhankelijk is òf van een directe geldelijke bijdrage van de beschermde personen of hun werkgever, òf van het gedurende een zeker tijdvak verrichten van beroepswerkzaamheden, alsmede op wettelijke regelingen of stelsels welke dergelijke uitkeringen verlenen; uitkeringen, waarvan de toekenning niet afhankelijk is van een directe geldelijke bijdrage van de beschermde personen of hun werkgever, noch van het gedurende een zeker tijdvak verrichten van beroepswerkzaamheden, worden „van niet-contributieve aard” genoemd, evenals de wettelijke regelingen of stelsels welke uitsluitend dergelijke uitkeringen verlenen;
  • z). worden onder „prestaties, verleend krachtens overgangsregelingen” verstaan hetzij prestaties welke worden verleend aan personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de van toepassing zijnde wetgeving een bepaalde leeftijd hebben overschreden, hetzij prestaties welke bij wijze van overgangsmaatregel worden verleend met het oog op gebeurtenissen, welke zich hebben voorgedaan of tijdvakken, welke zijn vervuld, buiten de huidige grenzen van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij.

Artikel 2

1.

Dit Verdrag is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:

  • a). prestaties bij ziekte en moederschap;
  • b). prestaties bij invaliditeit;
  • c). uitkeringen bij ouderdom;
  • d). uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;
  • e). prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;
  • f). uitkeringen bij overlijden;
  • g). werkloosheidsuitkeringen;
  • h). gezinsuitkeringen.
2.

Dit Verdrag is van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, van contributieve of niet-contributieve aard, alsmede op de regelingen inzake de verplichtingen van de werkgever betreffende in het vorige lid bedoelde prestaties. In tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen te sluiten bilaterale of multilaterale akkoorden zullen, voor zover mogelijk, de voorwaarden worden vastgesteld, waaronder dit Verdrag van toepassing zal zijn op stelsels, welke bij collectieve overeenkomsten zijn ingesteld en door een beslissing van de overheid verplicht gesteld zijn.

3.

Met betrekking tot de wettelijke regelingen inzake zeelieden, laat Titel III van dit Verdrag onverlet de bepalingen in de wetgeving van elke Verdragsluitende Partij betreffende de verplichtingen van de reder, die voor de toepassing van dit Verdrag als werkgever wordt beschouwd.

4.

Dit Verdrag is noch op de sociale en medische bijstand, noch op de regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan, noch op de bijzondere regelingen voor personen in overheidsdienst of met hen gelijkgestelden van toepassing.

5.

Dit Verdrag is niet van toepassing op wettelijke regelingen welke uitvoering beogen te geven aan een Verdrag inzake sociale zekerheid dat tussen een Verdragsluitende Partij en één of meer andere Staten is gesloten.

Artikel 3

1.

In Bijlage II worden voor elke Verdragsluitende Partij de wettelijke regelingen en stelsels, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, vermeld.

2.

Door iedere Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 81, eerste lid kennisgeving gedaan van elke wijziging welke ten gevolge van de invoering van een nieuwe wettelijke regeling in Bijlage II dient te worden aangebracht. Deze kennisgeving zal binnen drie maanden na bekendmaking van bedoelde wettelijke regeling worden gedaan, of, indien deze wettelijke regeling bekend wordt gemaakt vóór de datum van bekrachtiging van dit Verdrag, op de dag van bekrachtiging.

Artikel 4

1.

Dit Verdrag is van toepassing op:

  • a). personen op wie de wetgeving van één of meer Verdragsluitende Partijen van toepassing is of geweest is en die onderdaan van een Verdragsluitende Partij dan wel op het grondgebied van een Verdragsluitend Partij wonende vluchtelingen of staatlozen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen;
  • b). nagelaten betrekkingen van personen op wie de wetgeving van één of meer Verdragsluitende Partijen van toepassing is geweest, ongeacht de nationaliteit van deze personen, wanneer deze nagelaten betrekkingen onderdanen van een Verdragsluitende Partij dan wel op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonende vluchtelingen of staatlozen zijn;
  • c). personen in overheidsdienst en op personeel dat, volgens de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij, met hen is gelijkgesteld, voor zover zij onderworpen zijn aan een wettelijke regeling van deze Partij waarop het Verdrag van toepassing is, onverminderd het bepaalde in artikel 2, vierde lid.
2.

Ongeacht het bepaalde sub c) van het vorige lid, is dit Verdrag niet van toepassing op groepen personen - niet behorende tot de leden van het bedienende personeel en diplomatieke zendingen of consulaire posten en de particuliere bedienden in dienst van ambtenaren van deze zendingen of posten - voor wie in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en in het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen de vrijstelling van de in de ontvangende Staat van kracht zijnde voorschriften op het terrein van de sociale zekerheid wordt geregeld.

Artikel 5

1.

Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 6, treedt dit Verdrag voor wat betreft de personen op wie het van toepassing is, in de plaats van elk verdrag inzake sociale zekerheid dat verbindend is:

  • a). hetzij uitsluitend voor twee of meer Verdragsluitende Partijen;
  • b). hetzij voor ten minste twee Verdragsluitende Partijen en één of meer andere Staten, voor zover het gevallen betreft welke zonder tussenkomst van enig orgaan van één dezer Staten geregeld kunnen worden.
2.

Wanneer evenwel de toepassing van sommige bepalingen van dit Verdrag afhankelijk is van het sluiten van bilaterale of multilaterale akkoorden, blijven de overeenkomstige bepalingen van de in het vorige lid sub a) en b) bedoelde vragen inzake sociale zekerheid van toepassing totdat deze akkoorden in werking zijn getreden.

Artikel 6

1.

Dit Verdrag laat onverlet de verplichtingen welke voortvloeien uit enig verdrag dat door de Internationale Arbeidsconferentie is aanvaard.

2.

Dit Verdrag laat onverlet de op de sociale zekerheid betrekking hebbende bepalingen voorkomende in het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap of in de in laatstgenoemd verdrag voorziene associatie-akkoorden, alsmede de uitvoeringsmaatregelen van deze bepalingen.

3.

Ongeacht het bepaalde in artikel 5, eerste lid, kunnen twee of meer Verdragsluitende Partijen, in onderling overleg de bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid welke verbindend voor hen zijn, van kracht doen blijven, wat hen betreft, door ze te vermelden in Bijlage III, of, indien het bepalingen met betrekking tot de wijze van toepassing van deze verdragen betreft, door ze te vermelden in een bijlage van het aanvullend Akkoord ter toepassing van dit Verdrag.

4.

Dit Verdrag is echter wel van toepassing in alle gevallen welke geregeld dienen te worden door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij dan die, waarvoor de bepalingen, als bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel, verbindend zijn en bovendien wanneer het personen betreft voor wie dit Verdrag geldt en op wie genoemde bepalingen niet uitsluitend van toepassing zijn.

5.

Twee of meer Verdragsluitende Partijen waarvoor in Bijlage III vermelde bepalingen verbindend zijn, kunnen in onderlinge overeenstemming, wat hen betreft, in deze Bijlage de passend geachte wijzigingen aanbrengen door hiervan overeenkomstig artikel 81, eerste lid, kennisgeving te doen.

Artikel 7

1.

Twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen onderling, voor zover daaraan behoefte bestaat, overeenkomsten inzake sociale zekerheid sluiten welke op de beginselen van dit Verdrag berusten.

2.

Door iedere Verdragsluitende Partij wordt overeenkomstig artikel 81, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke overeenkomst welke op grond van het vorige lid wordt gesloten, evenals van elke latere wijziging of opzegging van een dergelijke overeenkomst. Deze kennisgeving dient te worden gedaan binnen drie maanden na het inwerkingtreden van genoemde overeenkomst of van de wijziging daarvan, of na het van kracht worden van de opzegging.

Artikel 8

1.

Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, hebben personen die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen en op wie het Verdrag van toepassing is, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van iedere Verdragsluitende Partij onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van laatstbedoelde Partij.

2.

Het genot van uitkeringen van niet-contributieve aard waarvan de hoogte geen verband houdt met de duur van de vervulde tijdvakken van wonen, kan echter afhankelijk gesteld worden van de voorwaarde, dat de belanghebbende of, indien het uitkeringen aan nagelaten betrekkingen betreft, de overledene op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Partij heeft gewoond gedurende een tijdvak dat, al naar gelang de omstandigheden, kan worden vastgesteld op ten hoogste

  • a). zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag om uitkering, indien het uitkeringen bij moederschap en werkloosheid betreft;
  • b). vijf opeenvolgende jaren, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag om uitkering, indien het uitkeringen bij invaliditeit betreft of, onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden, indien het uitkeringen aan nagelaten betrekkingen betreft;
  • c). tien jaren, gelegen tussen de zestienjarige leeftijd en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, waarbij als eis mag worden gesteld dat daarvan vijf opeenvolgende jaren onmiddellijk aan de aanvraag om uitkering voorafgaan, indien het uitkeringen bij ouderdom betreft.
3.

Ingeval een persoon niet voldoet aan de sub b of c van het vorige lid genoemde voorwaarden maar hij, of indien het uitkeringen aan nagelaten betrekkingen betreft, de overledene, gedurende ten minste één jaar onderworpen is geweest aan de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij, heeft deze persoon of de nagelaten betrekkingen van de overledene, onverminderd het bepaalde in artikel 27, niettemin recht op uitkeringen, berekend op basis van en tot hoogstens het bedrag van de volledige uitkering:

  • a). bij invaliditeit of overlijden, naar verhouding van het aantal jaren wonen dat door de belanghebbende of de overledene krachtens deze wetgeving is vervuld tussen het tijdstip, waarop hij de zestienjarige leeftijd heeft bereikt en het tijdstip, waarop de arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ingetreden, onderscheidenlijk het tijdstip, waarop het overlijden heeft plaatsgevonden, tot tweederde deel van het aantal jaren dat tussen deze twee tijdstippen is gelegen, zonder dat rekening wordt gehouden met jaren, gelegen nà het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
  • b). bij ouderdom, naar verhouding van het aantal jaren wonen, dat door de belanghebbende krachtens deze wetgeving tussen het tijdstip waarop hij de zestienjarige leeftijd en het tijdstip waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, is vervuld, tot dertig jaren.
4.

In Bijlage IV worden de in de wetgeving van iedere Verdragsluitende Partij voorziene uitkeringen, waarop het tweede en derde lid van dit artikel van toepassing zijn, vermeld.

5.

Door iedere betrokken Verdragsluitende Partij wordt overeenkomstig artikel 81, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke in Bijlage IV dient te worden aangebracht. Indien deze wijziging het gevolg is van het tot stand komen van een nieuwe wettelijke regeling, zal deze kennisgeving binnen drie maanden na bekendmaking van bedoelde wettelijke regeling worden gedaan of, indien deze wettelijke regeling vóór de datum van bekrachtiging van dit Verdrag wordt bekendgemaakt, op de dag van bekrachtiging.

6.

Het eerste lid van dit artikel doet geen afbreuk aan de bepalingen van de wetgeving van enige Verdragsluitende Partij met betrekking tot het deelnemen van belanghebbenden aan de werkzaamheden van bestuursorganen of rechtsprekende instanties van de sociale zekerheid.

7.

Met betrekking tot de toelating tot de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering van personen die niet op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Partij wonen, of met betrekking tot het genieten van prestaties, verleend krachtens overgangsregelingen, kunnen bijzondere regelen worden gesteld welke in Bijlage VII worden opgenomen.

Artikel 9

1.

De rechten, voortvloeiende uit de bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid, welke op grond van artikel 6, derde lid, van kracht blijven, alsmede uit de bepalingen van overeenkomsten inzake sociale zekerheid, welke krachtens artikel 7, eerste lid worden gesloten, kunnen in onderlinge overeenstemming tussen de Partijen waarvoor deze bepalingen verbindend zijn, worden uitgebreid tot de onderdanen van alle Verdragsluitende Partijen.

2.

In Bijlage V worden vermeld de bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid, welke op grond van artikel 6, derde lid, van kracht blijven en waarvan de rechten, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, worden uitgebreid tot de onderdanen van alle Verdragsluitende Partijen.

3.

Door de betrokken Verdragsluitende Partijen wordt overeenkomstig artikel 81, eerste lid, kennisgeving gedaan van de bepalingen van overeenkomsten inzake sociale zekerheid welke door hen krachtens artikel 7, eerste lid zijn gesloten en waarvan de rechten, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, worden uitgebreid tot de onderdanen van alle Verdragsluitende Partijen. De bepalingen van bedoelde overeenkomsten worden in Bijlage V vermeld.

4.

Twee of meer Verdragsluitende Partijen waarvoor in Bijlage V vermelde bepalingen verbindend zijn, kunnen in onderlinge overeenstemming, voor wat hen betreft, de passend geachte wijzigingen in deze Bijlage aanbrengen door hiervan overeenkomstig artikel 81, eerste lid kennisgeving te doen.

Artikel 10

Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, evenals, in voorkomend geval, met de tijdvakken van wonen welke na de zestienjarige leeftijd krachtens de wetgeving van niet-contributieve aard van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

Artikel 11

1.

Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer Verdragsluitende Partijen, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont dan die, op het grondgebied waarvan het orgaan is gevestigd dat deze uitkeringen verschuldigd is.

2.

Ongeacht het bepaalde in artikel 8, eerste en tweede lid, worden de in Bijlage IV vermelde uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom of de daar genoemde uitkeringen aan nagelaten betrekkingen indien de rechthebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont dan die op het grondgebied waarvan het orgaan is gevestigd dat deze uitkeringen verschuldigd is, echter berekend overeenkomstig artikel 8, derde lid, sub a), onderscheidenlijk sub b).

3.

Het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de volgende uitkeringen, voor zover zij in Bijlage VI zijn vermeld:

  • a). bijzondere uitkeringen van niet-contributieve aard, welke worden verleend aan personen die tengevolge van hun gezondheidstoestand niet in staat zijn in hun levensonderhoud te voorzien;
  • b). bijzondere uitkeringen van niet-contributieve aard, welke worden verleend aan personen die niet voor de gebruikelijke uitkeringen in aanmerking komen;
  • c). uitkeringen welke krachtens overgangsregelingen worden verleend;
  • d). bijzondere uitkeringen welke bij wijze van ondersteuning of wegens behoeftige omstandigheden worden verleend.
4.

Door iedere betrokken Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 81, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke in Bijlage VI dient te worden aangebracht. Indien deze wijziging het gevolg is van het tot stand komen van een nieuwe wettelijke regeling, zal deze kennisgeving binnen drie maanden na bekendmaking van bedoelde wettelijke regeling worden gedaan, of, indien deze wettelijke regeling vóór de datum van bekrachtiging van dit Verdrag wordt bekendgemaakt, op de dag van bekrachtiging.

5.

Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de terugbetaling van premies of bijdragen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene niet meer verplicht verzekerd is, wordt deze voorwaarde geacht niet te zijn vervuld zolang hij verplicht verzekerd is ingevolge de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij.

6.

In bilaterale of multilaterale overeenkomsten regelen de Verdragsluitende Partijen de betaalbaarstelling van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde uitkeringen, verschuldigd aan personen die aanspraken aan dit Verdrag kunnen ontlenen, wanneer zij wonen op het grondgebied van een Staat welke geen Verdragsluitende Partij is.

Artikel 12

De in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij opgenomen bepalingen inzake aanpassing van de uitkeringen aan het loon- of prijsniveau zijn eveneens van toepassing op de uitkeringen welke op grond van bedoelde wetgeving overeenkomstig dit Verdrag verschuldigd zijn.

Artikel 13

1.

Met uitzondering van het recht op uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom, uitkeringen aan nagelaten betrekkingen of die wegens beroepsziekte, welke door de organen van twee of meer Verdragsluitende Partijen overeenkomstig artikel 29 of artikel 47, sub b), worden vastgesteld, kan krachtens dit Verdrag geen recht worden verkregen of gehandhaafd op meer dan één uitkering van dezelfde aard of op meer dan één uitkering welke betrekking heeft op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering.

2.

De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen of met andere inkomsten, of wegens het verrichten van beroepswerkzaamheden, zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij zijn verkregen of om inkomsten, welke zijn verworven of werkzaamheden welke zijn verricht op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij. Voor de toepassing van deze regel wordt evenwel geen rekening gehouden met gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom, uitkeringen aan nagelaten betrekkingen of die wegens beroepsziekte, welke overeenkomstig artikel 29 of artikel 47, sub b) door de organen van twee of meer Verdragsluitende Partijen worden vastgesteld.

TITEL II. Bepalingen met betrekking tot de toe te passen wetgeving

Artikel 14

Voor de personen op wie dit Verdrag van toepassing is, wordt de toe te passen wetgeving overeenkomstig de volgende bepalingen vastgesteld:

  • a). op loontrekkenden die werkzaam zijn op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, is de wetgeving van deze Partij van toepassing, zelfs indien zij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij zij werkzaam zijn, zich op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij bevindt;
  • b). op werknemers die hun beroepswerkzaamheden verrichten aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Verdragsluitende Partij vaart, is de wetgeving van deze Partij van toepassing;
  • c). op zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheden op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij verrichten, is de wetgeving van deze Partij van toepassing, zelfs indien zij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen;
  • d). op personen in overheidsdienst en met hen gelijkgestelden is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaronder de overheidsdienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert.

Artikel 15

1.

Ten aanzien van de in artikel 14, sub a) vermelde regel gelden de volgende uitzonderingen of bijzonderheden:

  • a).
  • (i). op loontrekkenden die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij tewerkgesteld zijn door een onderneming waaraan zij normaal verbonden zijn, en door deze onderneming gedetacheerd worden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij teneinde aldaar voor haar rekening arbeid te verrichten, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij van toepassing, mits de te verwachten duur van die arbeid niet meer dan twaalf maanden bedraagt en zij niet worden uitgezonden ter vervanging van andere werknemers wier detachering beëindigd is;
  • (ii). indien de te verrichten arbeid door onvoorziene omstandigheden de oorspronkelijk voorziene tijdsduur overschrijdt en meer dan 12 maanden duurt, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij tot aan de beëindiging van die arbeid van toepassing, mits hiervoor de toestemming van de bevoegde autoriteit van de tweede Partij of van het door deze autoriteit aangewezen lichaam werd verkregen;
  • b).
  • (i). op loontrekkenden die op het grondgebied van twee of meer Verdragsluitende Partijen als rijdend, varend, of vliegend personeel bij het internationale vervoer werkzaam zijn in dienst van een onderneming welke haar zetel op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij heeft en voor rekening van anderen of voor eigen rekening personen of goederen per spoor, over de weg, door de lucht of over de binnenwateren vervoert, is de wetgeving van laatstbedoelde Partij van toepassing;
  • (ii). indien zij echter tewerkgesteld zijn door een filiaal of vaste vertegenwoordiging welke die onderneming heeft op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij haar zetel heeft, is op hen de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich dit filiaal of deze vaste vertegenwoordiging bevindt, van toepassing;
  • (iii). indien zij hoofdzakelijk werkzaam zijn op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar zij wonen, is op hen de wetgeving van deze Partij van toepassing, zelfs indien de onderneming, waarbij zij werkzaam zijn, noch haar zetel, noch een filiaal, noch een vaste vertegenwoordiging op dit grondgebied heeft;
  • c).
  • (i). op loontrekkenden die niet bij het internationale vervoer werkzaam zijn en die hun werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer Verdragsluitende Partijen plegen te verrichten, is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen, indien zij een deel van hun werkzaamheden op dit grondgebied verrichten of indien zij verbonden zijn aan meer dan een onderneming of meer dan een werkgever, die hun zetel of domicilie op het grondgebied van verhillende Verdragsluitende Partijen hebben;
  • (ii). in de overige gevallen is op hen van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever, waarbij zij werkzaam zijn, zich bevindt;
  • d). op loontrekkenden die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij werkzaam zijn bij een onderneming waarvan de zetel op het grondgebied van een andere Verragsluitende Partij gevestigd is, terwijl de gemeenschappelijke grens van deze Partijen door die onderneming loopt, is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze onderneming haar zetel heeft van toepassing.
2.

Ten aanzien van de in artikel 14, sub b) vermelde regel gelden de volgende uitzonderingen:

  • a). op loontrekkenden die bij een onderneming, waaraan zij normaal verbonden zijn, werkzaam zijn, hetzij op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, hetzij aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Verdragsluitende Partij vaart en die door deze onderneming worden gedetacheerd om voor haar rekening arbeid te verrichten aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een andere Verdragsluitende Partij vaart, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij van toepassing, onder de in het eerste lid, sub a) van dit artikel gestelde voorwaarden;
  • b). op werknemers, die gewoonlijk in de territoriale wateren of in een haven van een Verdragsluitende Partij werkzaam zijn op een zeeschip dat onder de vlag van een andere Verdragsluitende Partij vaart, zonder tot de bemanning van dit schip te behoren, is de wetgeving van eerstbedoelde Partij van toepassing;
  • c). op loontrekkenden die werkzaam zijn aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Verdragsluitende Partij vaart en die voor deze werkzaamheden loon ontvangen van een onderneming of een persoon die haar zetel of zijn domicilie op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij heeft, is de wetgeving van laatstbedoelde Partij van toepassing, indien zij hun woonplaats op het grondgebied van deze Partij hebben; de onderneming of de persoon die het loon uitbetaalt, wordt voor de toepassing van bedoelde wetgeving als werkgever beschouwd.
3.

Ten aanzien van de in artikel 14, sub c) vermelde regel gelden de volgende uitzonderingen of bijzonderheden:

  • a). op zelfstandigen die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen en hun werkzaamheden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij verrichten, is de wetgeving van eerstbedoelde Partij van toepassing:
  • (i). indien de tweede Partij geen wetgeving heeft welke op hen van toepassing is, of
  • (ii). indien volgens de wetgeving van beide betrokken Partijen de zelfstandigen alleen reeds op grond van het feit dat zij op het grondgebied van deze Partijen wonen, aan deze wetgeving onderworpen zijn;
  • b). op zelfstandigen die hun werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer Verdragsluitende Partijen plegen te verrichten, is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen, indien zij een deel van hun werkzaamheden op dit grondgebied verrichten, of indien zij alleen reeds op grond van het feit dat zij op het grondgebied van laatstbedoelde Partij wonen, aan deze wetgeving onderworpen zijn;
  • c). ingeval de sub b) bedoelde zelfstandigen niet een deel van hun werkzaamheden verrichten op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar zij wonen of indien zij niet alleen reeds op grond van hun woonplaats aan de wetgeving van deze Partij onderworpen zijn, of indien bedoelde Partij geen wetgeving heeft welke op hen van toepassing is, is op hen van toepassing de wetgeving welke in onderlinge overeenstemming tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen of tussen hun bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld.
4.

Indien krachtens de voorgaande leden van dit artikel op een werknemer van toepassing is de wetgeving van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij geen beroepswerkzaamheden verricht, is deze wetgeving op hem van toepassing alsof hij op het grondgebied van deze Partij wel dergelijke werkzaamheden verrichtte.

Artikel 16

1.

De artikelen 14 en 15 zijn niet van toepassing op de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering.

2.

Ingeval toepassing van de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen zou kunnen leiden tot aansluiting bij een stelsel van verplichte verzekering en tot gelijktijdige toelating tot één of meer stelsels van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, is op belanghebbende uitsluitend het stelsel van verplichte verzekering van toepassing. De bepalingen van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij welke ter zake van invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen) gelijktijdige aansluiting bij de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering en de verplichte verzekering toestaan, blijven onverlet.

3.

Ingeval toepassing van de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen zou kunnen leiden tot toelating van twee of meer stelsels van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, kan de belanghebbende slechts worden toegelaten tot het stelsel van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, of, indien hij niet op het grondgebied van een van deze Partijen woont, tot het stelsel van die van deze Partijen voor de wetgeving waarvan bij heeft gekozen.

Artikel 17

1.

Artikel 14, sub a) is van toepassing op leden van het bedienende personeel van diplomatieke zendingen of consulaire posten en op particuliere bedienden in dienst van ambtenaren van deze zendingen of posten.

2.

Niettemin mogen de in het voorgaande lid bedoelde loontrekkenden die onderdaan zijn van de Verdragsluitende Partij welke zendstaat is, kiezen voor de toepassing van de wetgeving van deze Partij. Dit keuzerecht mag slechts eenmaal worden uitgeoefend en wel binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag of op het tijdstip waarop de belanghebbende voor de diplomatieke zending of de consulaire post, onderscheidenlijk in persoonlijke dienst van ambtenaren van deze zending of post wordt aangesteld. De keuze wordt van kracht op het tijdstip waarop ze wordt gedaan.

Artikel 18

1.

De bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming, ten behoeve van de belanghebbenden, uitzonderingen op de artikelen 14 tot en met 17 vaststellen.

2.

Voor zover nodig is toepassing van het voorgaande lid afhankelijk van een verzoek van de betrokken werknemers en eventueel van hun werkgevers. Bovendien neemt de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij waarvan de wetgeving van toepassing zou moeten zijn, een beslissing, waarin wordt vastgesteld dat op bedoelde werknemers niet langer deze wetgeving maar wel de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij van toepassing is.

TITEL III. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties

Hoofdstuk 1. Ziekte en moederschap

Artikel 19

1.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsmede, in voorkomend geval, met de tijdvakken van wonen welke na de 16-jarige leeftijd krachtens de wettelijke regeling van niet-contributieve aard van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

2.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij toelating tot de verplichte verzekering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, worden, met het oog op de samentelling van tijdvakken, de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsmede in voorkomend geval, de tijdvakken van wonen welke na de 16-jarige leeftijd krachtens de wettelijke regeling van niet-contributieve aard van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld daartoe, voor zover nodig, mede in aanmerking genomen alsof deze tijdvakken van verzekering krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

Artikel 20

1.

Personen die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen en aan de in de wettelijke regeling van laatstbedoelde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoen, hebben eventueel met inachtneming van artikel 19, op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar zij wonen, recht op:

  • a). verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze personen bij dit orgaan waren aangesloten;
  • b). uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze personen op het grondgebied van de bevoegde Staat woonden. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen evenwel de uitkeringen eveneens door bemiddeling van laatstbedoeld orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend.
2.

Het voorgaande lid is, wat het recht op verstrekkingen betreft, van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen.

3.

De prestaties mogen aan grensarbeiders door het bevoegde orgaan ook op het grondgebied van de bevoegde Staat worden verleend volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof zij op het grondgebied ervan woonden. Hun gezinsleden kunnen echter in dezelfde omstandigheden alleen verstrekkingen genieten wanneer tussen de bevoegde autoriteiten van de betrokken Verdragsluitende Partijen ter zake een overeenkomst bestaat, of, bij het ontbreken van een zodanige overeenkomst, na voorafgaande toestemming van het bevoegde orgaan, behoudens in spoedgevallen.

4.

Indien in dit artikel bedoelde personen, behoudens grensarbeiders of hun gezinsleden, op het grondgebied van de bevoegde Staat verblijven, hebben zij recht op prestaties volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof zij op het grondgebied ervan woonden, zelfs indien zij voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap reeds vóór de aanvang van hun verblijf prestaties hebben genoten.

5.

Indien in dit artikel bedoelde personen hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de bevoegde Staat, hebben zij recht op prestaties volgens de wettelijke regeling van deze Staat, zelfs indien zij voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap reeds vóór de overbrenging van hun woonplaats prestaties hebben genoten.

Artikel 21

1.

Personen die aan de door de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoen, eventueel met inachtneming van artikel 19, en

  • a). wier gezondheidstoestand het nodig maakt dat onmiddellijk verstrekkingen worden verleend gedurende het verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat, of
  • b). die, nadat zij voor rekening van het bevoegde orgaan in het genot van prestaties zijn gesteld, van dit orgaan toestemming hebben ontvangen om terug te keren naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat, waarop zij wonen, of om hun woonplaats naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat over te brengen, of
  • c). die van het bevoegde orgaan toestemming hebben ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat te begeven ten einde aldaar een voor hun gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan, hebben recht op:
  • (i). verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woon- of verblijfplaats worden verleend volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze personen daarbij waren aangesloten, doch gedurende ten hoogste het tijdvak dat eventueel in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat is vastgesteld;
  • (ii). uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze personen zich op het grondgebied van de bevoegde Staat bevonden. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woon- of verbrlijfplaats kunnen evenwel de uitkeringen eveneens door bemiddeling van laatstbedoeld orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend.
2.

De sub b) van het vorige lid bedoelde toestemming mag slechts worden geweigerd indien verplaatsing van de betrokkene nadelig is voor zijn gezondheidstoestand of voor het ondergaan van een geneeskundige behandeling.

De sub c) van het vorige lid bedoelde toestemming mag niet worden geweigerd wanneer de desbetreffende behandeling op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, niet aan de betrokkene kan worden gegeven.

3.

De vorige leden van dit artikel zijn, voor wat betreft het recht op verstrekkingen, van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden.

Artikel 22

1.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verlenen van verstrekkingen aan gezinsleden afhankelijk stelt van de voorwaarde dat zij persoonlijk verzekerd zijn, zijn de artikelen 20 en 21 op de gezinsleden van een aan deze wettelijke regeling onderworpen persoon slechts van toepassing, indien zij hetzij bij hetzelfde orgaan van bedoelde Partij als deze persoon, hetzij bij een ander orgaan van bedoelde Partij, dat overeenkomstige verstrekkingen verleent, persoonlijk aangesloten zijn.

2.

Indien ingevolge de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen gemiddelde verdiensten als grondslag worden genomen, stelt het bevoegde orgaan van deze Partij deze gemiddelde verdiensten uitsluitend vast op basis van de verdiensten welke gedurende de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken zijn uitbetaald.

3.

Indien ingevolge de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van forfaitaire verdiensten, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij uitsluitend rekening met de forfaitaire verdiensten of eventueel met het gemiddelde van de forfaitaire verdiensten welke betrekking hebben op de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken.

4.

Indien ingevolge de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij eveneens rekening met de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof zij op het grondgebied van eerstbedoelde Partij woonden.

Artikel 23

De werklozen die voldoen aan de voorwaarden voor het recht op verstrekkingen van de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij ten laste waarvan de werkloosheidsuitkeringen komen, hebben, eventueel met inachtneming van artikel 19, evenals hun gezinsleden, recht op verstrekkingen, wanneer zij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen. In dit geval worden de verstrekkingen verleend door het orgaan van de woonplaats volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof de betrokkene krachtens deze wettelijke regeling recht op verstrekkingen had; deze verstrekkingen komen echter voor rekening van het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Partij.

Artikel 24

1.

Wanneer de rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, eventueel met inachtneming van artikel 19 recht heeft op verstrekkingen op grond van de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, worden aan deze rechthebbende en zijn gezinsleden door het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan verstrekkingen verleend, alsof hij uitsluitend recht had op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van laatstbedoelde Partij.

2.

Wanneer de rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij, of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, geen recht heeft op verstrekkingen op grond van de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, heeft hij, evenals zijn gezinsleden, niettemin recht op verstrekkingen, voor zover hij, eventueel met inachtneming van artikel 19, recht heeft op verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij of van één der eerstbedoelde Partijen, of daarop recht zou hebben indien hij op het grondgebied van één dezer Partijen zou wonen. De verstrekkingen worden door het orgaan van de woonplaats verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof de betrokkene krachtens deze wettelijke regeling recht op verstrekkingen had; deze verstrekkingen komen echter voor rekening van het overeenkomstig de in het volgende lid vermelde regels vast te stellen orgaan.

3.

In de in het vorige lid bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vast te stellen orgaan:

  • a). indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Verdragsluitende Partij recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Partij;
  • b). indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen recht heeft op bedoelde verstrekkingen, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij krachtens de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langste tijdvak van verzekering of wonen heeft vervuld; ingeval toepassing van deze regel ertoe leidt dat de verstrekkingen voor rekening van meer dan één orgaan komen, komen deze voor rekening van het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende laatstelijk onderworpen is geweest.
4.

Wanneer de gezinsleden van de rechthebbende op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen dan deze rechthebbende, hebben zij recht op verstrekkingen alsof de rechthebbende op hetzelfde grondgebied als zij woonde, voor zover hij krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij recht op bedoelde verstrekkingen heeft. Deze verstrekkingen worden door het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof zij krachtens deze wettelijke regeling recht op verstrekkingen hadden; deze verstrekkingen komen echter voor rekening van het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende.

5.

Indien de in het vorige lid bedoelde gezinsleden hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waarop de rechthebbende woont, hebben zij recht op verstrekkingen volgens de wettelijke regeling van deze Partij, zelfs indien zij vóór de overbrenging van hun woonplaats reeds verstrekkingen genoten hebben voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap.

6.

De rechthebbende op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij, of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, die recht heeft op verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling van één van deze Partijen, heeft, evenals zijn gezinsleden, recht op verstrekkingen:

  • a). gedurende een verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij wonen, wanneer hun gezondheidstoestand het nodig maakt dat onmiddellijk verstrekkingen worden verleend, of
  • b). wanneer zij van het orgaan van de woonplaats toestemming hebben ontvangen om zich naar het grondgebied te begeven van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij wonen, teneinde aldaar een voor hun gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan.
7.

In de in het vorige lid bedoelde gevallen worden de verstrekkingen verleend door het orgaan van de verblijfplaats volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof de belanghebbende krachtens deze wettelijke regeling recht op verstrekkingen had; deze verstrekkingen komen echter voor rekening van het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende.

8.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij bepaalt dat voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden in verband met het recht op verstrekkingen, is het orgaan van deze Partij dat een pensioen of rente verschuldigd is, gemachtigd deze bedragen in te houden, wanneer krachtens dit artikel de verstrekkingen voor rekening van een orgaan van bedoelde Partij komen.

Artikel 25

1.

Indien de door het orgaan van de woon- of verblijfplaats toegepaste wettelijke regeling meer dan een verzekeringsstelsel voor ziekte of moederschap kent, worden in de gevallen, bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid, artikel 21, eerste en derde lid, artikel 23 en artikel 24, tweede, vierde en zesde lid, de voor het verlenen van verstrekkingen van toepassing zijnde bepalingen van het algemene stelsel, of, bij ontstentenis daarvan, die van het stelsel dat voor de werknemers in de industrie geldt, gevolgd.

2.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij de toekenning van prestaties afhankelijk stelt van een voorwaarde met betrekking tot het land waar en het tijdstip waarop de aandoening is ontstaan, mag deze voorwaarde niet gesteld worden aan de personen op wie dit Verdrag van toepassing is, ongeacht op het grondgebied van welke Verdragsluitende Partij zij wonen.

3.

Indien in de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij een maximale duur voor het verlenen van prestaties is vastgesteld, mag het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast, eventueel rekening houden met het tijdvak waarover voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij reeds prestaties werden verleend.

Artikel 26

1.

De toepassing van de artikelen 20, 21, 23 en 24 tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen is afhankelijk van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen, welke overeenkomsten bovendien bijzondere, aan de omstandigheden aangepaste regelingen mogen bevatten.

2.

Bij de in het vorige lid bedoelde overeenkomsten wordt in het bijzonder het volgende vastgesteld:

  • a). de groepen personen, op wie de artikelen 20, 21, 23 en 24 van toepassing zijn;
  • b). het tijdvak waarover het orgaan van een Verdragsluitende Partij verstrekkingen voor rekening van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij kan verlenen;
  • c). de bijzondere voorwaarden met betrekking tot het verlenen van prothesen, hulpmiddelen van grotere omvang en andere belangrijke verstrekkingen;
  • d). de regels ter vermijding van samenloop van gelijksoortige prestaties;
  • e). de wijze waarop de prestaties welke het orgaan van een Verdragsluitende Partij voor rekening van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij heeft verleend, worden vergoed.
3.

Twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen dat van iedere vergoeding tussen de onder hun bevoegdheid vallende organen wordt afgezien.

Hoofdstuk 2. Invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen)

Afdeling I:. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 27

Wanneer een persoon achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen onderwropen is geweest, hebben hij of zijn nagelaten betrekkingen recht op uitkeringen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, zelfs ingeval de belanghebbenden, zonder dat deze bepalingen worden toegepast, aanspraak zouden kunnen maken op uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van één of meer Verdragsluitende Partijen.

Artikel 28

1.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast daartoe, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsmede, in voorkomend geval, met de tijdvakken van wonen welke na de 16-jarige leeftijd krachtens de wettelijke regeling van niet-contributieve aard van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

2.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van wonen, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast daartoe, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsmede, in voorkomend geval, met de tijdvakken van wonen welke na de 16-jarige leeftijd krachtens de wettelijke regeling van niet-contributieve aard van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van wonen betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

3.

Indien krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij op een persoon voor dezelfde eventualiteit, tegelijkertijd een stelsel van contributieve aard en een stelsel van niet-contributieve aard van toepassing is geweest, houdt, voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel, het orgaan van iedere andere betrokken Verdragsluitende Partij rekening met het langste tijdvak van verzekering of van wonen, dat krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij is vervuld.

4.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij de toekenning van bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering in een aan een bijzonder stelsel onderworpen beroep, of eventueel in een bepaald beroep of met het verrichten van bepaalde werkzaamheden zijn vervuld, wordt voor de toekenning van deze uitkeringen slechts rekening gehouden met de tijdvakken welke krachtens de wettelijke regelingen van andere Verdragsluitende Partijen zijn vervuld, indien deze tijdvakken krachtens een overeenkomstig stelsel, of bij afwezigheid daarvan, in hetzelfde beroep of eventueel met het verrichten van dezelfde werkzaamheden zijn vervuld. Indien de belanghebbende, met inachtneming van de aldus vervulde tijdvakken, niet voldoet aan de voor het rechtop bedoelde uitkeringen gestelde voorwaarden, wordt met deze tijdvakken rekening gehouden voor de toekenning van uitkeringen volgens het algemene stelsel of, bij afwezigheid daarvan, volgens het stelsel dat op arbeiders, respectievelijk bedienden van toepassing is.

5.

Indien in de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij, welke voor het verkrijgen en het vaststellen van het recht op uitkeringen generlei eisen stelt omtrent de duur van de verzekering of de arbeid, de toekenning van uitkeringen afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de belanghebbende, of indien er sprake is van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de overledene, op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan aan deze wettelijke regeling onderworpen was, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indien de belanghebbende, respectievelijk de overledene, op dat tijdstip aan de wettelijke regeling van een andere Verdragsluitende Partij onderworpen was.

6.

Indien volgens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het tijdvak waarover een pensioen of rente wordt verleend in aanmerking mag worden genomen voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij daartoe rekening met het tijdvak waarover krachtens de wettelijke regeling van elke andere Verdragsluitende Partij een pensioen of rente werd verleend.

Artikel 29

1.

Het orgaan van iedere Verdragsluitende Partij waarvan de wettelijke regeling op de betrokken persoon van toepassing is geweest, stelt overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling vast of de belanghebbende aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 28.

2.

Ingeval de belanghebbende aan deze voorwaarden voldoet, berekent bedoeld orgaan het theoretische bedrag van de uitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de betrokken Verdragsluitende Partijen en voor de vaststelling van het recht op uitkering in aanmerking zijn genomen overeenkomstig artikel 28, uitsluitend zouden zijn vervuld krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.

3.

Indien er echter sprake is van:

  • a). uitkeringen waarvan het bedrag onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag als het in het voorgaande lid bedoelde theoretische bedrag beschouwd;
  • b). uitkeringen, genoemd in Bijlage IV, kan het in het voorgaande lid bedoelde theoretische bedrag worden berekend op basis van en tot hoogstens het bedrag van de volledige uitkering:
  • (i). bij invaliditeit of overlijden, naar verhouding van de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke door de belanghebbende of de overledene vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Verdragsluitende Partijen en overeenkomstig artikel 28 in aanmerking zijn genomen tot tweederde deel van het aantal jaren, liggende tussen het tijdstip waarop de belanghebbende of de overledene de 16-jarige leeftijd heeft bereikt en het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ingetreden, onderscheidenlijk het tijdstip waarop het overlijden heeft plaatsgevonden, zonder rekening te houden met jaren nà het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
  • (ii). bij ouderdom, naar verhouding van de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke door de belanghebbende zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Verdragsluitende Partijen en overeenkomstig artikel 28 in aanmerking zijn genomen, tot 30 jaar, zonder rekening te houden met jaren na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
4.

Op basis van het overeenkomstig het tweede, respectievelijk het derde lid van dit artikel berekende theoretische bedrag stelt bedoeld orgaan vervolgens het werkelijke bedrag van de uitkering welke het aan de belanghebbende verschuldigd is, vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Verdragsluitende Partijen zijn vervuld.

5.

Ingeval volgens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen of van bepaalde bestanddelen van uitkeringen evenredig is aan de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering of wonen, kan het bevoegde orgaan van deze Partij deze uitkeringen of bestanddelen van uitkeringen rechtstreeks berekenen en daarbij alleen rekening houden met de tijdvakken welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, zonder dat de leden 2 tot en met 4 van dit artikel worden toegepast.

Artikel 30

1.

De berekening van het in artikel 29, tweede lid, bedoelde theoretische bedrag vindt als volgt plaats:

  • a). indien volgens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van gemiddelde verdiensten, van een gemiddelde premie of bijdrage, van een gemiddelde verhoging of van de verhouding welke gedurende de tijdvakken van verzekering tussen de bruto-verdiensten van de betrokkene en de gemiddelde bruto-verdiensten van alle verzekerden met uitzondering van de leerlingen heeft bestaan, worden deze gemiddelden of verhoudingsgetallen door het bevoegde orgaan van deze Partij uitsluitend vastgesteld op grond van de krachtens de wettelijke regeling van bedoelde Partij vervulde tijdvakken of van de door de betrokkene gedurende deze tijdvakken genoten bruto-verdiensten;
  • b). indien volgens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van het bedrag van de verdiensten, premies of bijdragen of eventuele verhogingen, worden de door het bevoegde orgaan van die Partij in aanmerking te nemen verdiensten, premies of bijdragen, of verhogingen, ten aanzien van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken vastgesteld op grond van het gemiddelde van de verdiensten, premies of bijdragen, of verhogingen welke betrekking hebben op krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij vervulde tijdvakken;
  • c). indien volgens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van forfaitaire verdiensten of een vast bedrag, zijn de door het bevoegde orgaan van die Partij in aanmerking te nemen verdiensten of is het door dit orgaan in aanmerking te nemen bedrag, ten aanzien van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken, gelijk aan de forfaitaire verdiensten of het vaste bedrag of eventueel aan het gemiddelde van de forfaitaire verdiensten of van de vaste bedragen welke betrekking hebben op de krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij vervulde tijdvakken;
  • d). indien volgens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij bij de berekening van de uitkeringen voor bepaalde tijdvakken wordt uitgegaan van het bedrag van de verdiensten en voor andere vakken van forfaitaire verdiensten of van een vast bedrag, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij ten aanzien van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken rekening met de overeenkomstig dit lid sub b) onderscheidenlijk sub c) vastgestelde verdiensten of bedragen; indien bij de berekening van de uitkeringen voor alle krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij vervulde tijdvakken wordt uitgegaan van forfaitaire verdiensten of een vast bedrag, zijn de door het bevoegde orgaan van deze Partij in aanmerking te nemen verdiensten, ten aanzien van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken, gelijk aan de fictieve verdiensten welke met deze forfaitaire verdiensten of dit vaste bedrag overeenkomen.
2.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij voorschriften bevat inzake de aanpassing van de voor de berekening der uitkeringen in aanmerking genomen bestanddelen aan het loon- of prijsniveau, zijn deze voorschriften in voorkomend geval van toepassing op de bestanddelen waarmede het bevoegde orgaan van deze Partij ten aanzien van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken overeenkomstig het vorige lid rekening heeft gehouden.

3.

Indien ingevolge de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij eveneens rekening met de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof zij op het grondgebied van eerstbedoelde Partij woonden.

Artikel 31

1.

Indien de totale duur van de krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering of wonen minder dan een jaar bedraagt en indien, uitsluitend rekening houdende met deze tijdvakken, geen enkel recht op uitkeringen krachtens die wettelijke regeling bestaat, is het orgaan van die Partij, ongeacht het bepaalde in artikel 29, niet verplicht op grond van bedoelde tijdvakken uitkeringen toe te kennen.

2.

Voor de toepassing van artikel 29, met uitzondering van het vierde lid, wordt met de in het vorige lid bedoelde tijdvakken wel rekening gehouden door het orgaan van elk der andere betrokken Verdragsluitende Partijen.

3.

Ingeval toepassing van het eerste lid van dit artikel echter tot gevolg zou hebben dat alle betrokken organen van hun verplichting tot het toekennen van uitkeringen worden ontheven, worden de uitkeringen uitsluitend toegekend op grond van de wettelijke regeling van de laatste Verdragsluitende Partij aan de voorwaarden waarvan de betrokkene met inachtneming van artikel 28 voldoet, alsof alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde tijdvakken krachents de wettelijke regeling van deze Partij waren vervuld.

Artikel 32

1.

Indien de totale duur van de krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering of wonen ten minste een jaar maar minder dan vijf jaren bedraagt, is het orgaan van deze Partij, ongeacht het bepaalde in artikel 29, niet verplicht op grond van bedoelde tijdvakken ouderdomsuitkeringen toe te kennen.

2.

Voor de toepassing van artikel 29 wordt met de in het vorige lid bedoelde tijdvakken door het orgaan van de Verdragsluitende Partij, krachtens de wettelijke regeling waarvan de betrokkene het langste tijdvak van verzekering of wonen heeft vervuld, rekening gehouden, alsof deze tijdvakken krachtens de wettelijke regeling van die Partij waren vervuld. Ingeval, volgens deze regel, bedoelde tijdvakken door meer dan één orgaan in aanmerking zouden moeten worden genomen, worden zij in aanmerking genomen door het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan de betrokkene laatstelijk onderworpen is geweest.

3.

Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde orgaan maakt aan het in het tweede lid bedoelde orgaan, ter finale kwijting, een som ineens over, die gelijk is aan het tienvoud van het jaarbedrag van het uitkeringsgedeelte dat laatstbedoeld orgaan overeenkomstig artikel 29 dient te verlenen op grond van de tijdvakken welke krachtens de door het eerstbedoelde orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld. De bevoegde autoriteiten van de betrokken Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen hun geldelijke verplichtingen met betrekking tot deze tijdvakken op andere wijze te regelen.

4.

Ingeval toepassing van het eerste lid van dit artikel echter tot gevolg zou hebben dat alle betrokken organen van hun verplichting tot het toekennen van uitkeringen worden ontheven, worden de uitkeringen overeenkomstig artikel 29 toegekend.

5.

Ingeval gelijktijdige toepassing van artikel 31, eerste lid en het eerste lid van dit artikel tot gevolg zou hebben dat alle betrokken organen van hun verplichting tot het toekennen van uitkeringen worden ontheven, worden de uitkeringen overeenkomstig artikel 29 toegekend, onverminderd het bepaalde in artikel 31, eerste en tweede lid.

6.

De toepassing van de vorige leden van dit artikel tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen is afhankelijk van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen en beperkt zich tot die gevallen, waarin de betrokkenen uitsluitend aan de wettelijke regelingen van deze Partijen onderworpen zijn geweest.

Artikel 33

1.

Indien de betrokkene met inachtneming van artikel 28 op een bepaald tijdstip niet ten volle voldoet aan de voorwaarden welke door de wettelijke regelingen van alle betrokken Verdragsluitende Partijen worden gesteld, doch uitsluitend voldoet aan de voorwaarden van één of meer van deze wettelijke regelingen, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • a). het bedrag van de verschuldigde uitkeringen wordt door elk van de bevoegde organen welke een wettelijke regeling toepassen aan de voorwaarden waarvan is voldaan, berekend overeenkomstig artikel 29, tweede tot en met vierde lid, onderscheidenlijk vijfde lid;
  • b). indien evenwel:
  • (i). de betrokkene voldoet aan de voorwaarden van ten minste twee wettelijke regelingen zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering of wonen welke vervuld zijn krachtens de wettelijke regelingen aan de voorwaarden waarvan niet is voldaan, wordt voor de toepassing van artikel 29, tweede tot en met vierde lid, met deze tijdvakken geen rekening gehouden;
  • (ii). de betrokkene voldoet aan de voorwaarden van één enkele wettelijke regeling, zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op het bepaalde in artikel 28, wordt het bedrag van de verschuldigde uitkering uitsluitend berekend overeenkomstig de wettelijke regeling aan de voorwaarden waarvan is voldaan, en uitsluitend rekening houdend met de krachtens deze wettelijke regeling vervulde tijdvakken.
2.

In het in het voorgaande lid bedoelde geval worden de krachtens één of meer van de betrokken wettelijke regelingen toegekende uitkeringen ambtshalve opnieuw berekend overeenkomstig artikel 29 tweede tot en met vierde lid, onderscheidenlijk vijfde lid, naarmate aan de door één of meer van de andere betrokken wettelijke regelingen gestelde voorwaarden wordt voldaan, eventueel met inachtneming van artikel 28.

3.

De krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen toegekende uitkeringen worden overeenkomstig het eerste lid van dit artikel op verzoek van de belanghebbenden opnieuw berekend, wanneer niet meer aan de door één of meer van deze wettelijke regelingen gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 34

1.

Indien het bedrag van de uitkeringen waarop de betrokkene zonder toepassing van de artikelen 28 tot en met 33 krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij aanspraak zou kunnen maken, hoger is dan het totale bedrag van de overeenkomstig deze artikelen verschuldigde uitkeringen, is het bevoegde orgaan van deze Partij verplicht hem een aanvulling te verlenen, welke gelijk is aan het verschil tussen die beide bedragen. Deze aanvulling komt geheel voor rekening van dit orgaan.

2.

Ingeval van toepassing van het vorige lid aan de betrokkene aanvullingen zouden moeten worden toegekend door de organen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, heeft hij uitsluitend recht op de hoogste aanvulling. De lasten van deze aanvulling worden omgeslagen over de bevoegde organen van deze Verdragsluitende Partijen, naar verhouding van het bedrag van de aanvulling dat elk van deze organen verschuldigd zou zijn indien het het enige daarbij betrokken orgaan was, tot het totale bedrag van de aanvullingen welke al deze organen zouden moeten verlenen.

3.

De in de vorige leden van dit artikel bedoelde aanvulling wordt beschouwd als een bestanddeel van de uitkeringen, verleend door het orgaan dat de aanvulling verschuldigd is. Het bedrag van deze aanvulling wordt voor eens en altijd vastgesteld, behoudens het geval dat artikel 33, tweede of derde lid, zou moeten worden toegepast.

Afdeling 2:. Bijzondere bepalingen voor invaliditeit

Artikel 35

1.

Ingeval de invaliditeit van degene, die uitkeringen op grond van de wettelijke regeling van één enkele Verdragsluitende Partij geniet, toeneemt, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • a). indien de betrokkene, sedert hij uitkeringen geniet, niet aan de wettelijke regeling van een andere Verdragsluitende Partij onderworpen is geweest, is het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Partij verplicht uitkeringen toe te kennen, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit;
  • b). indien de betrokkene, sedert hij uitkeringen geniet, aan de wettelijke regelingen van één of meer andere Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden hem uitkeringen toegekend overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 34, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit;
  • c). in het in de vorige alinea bedoelde geval wordt het tijdstip waarop de toeneming van de invaliditeit is vastgesteld, beschouwd als het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan;
  • d). indien de betrokkene, in het onder b) van dit lid bedoelde geval, geen recht op uitkeringen van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij heeft, is het bevoegde orgaan van de eerstbedoelde Partij verplicht uitkeringen toe te kennen volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit.
2.

Ingeval de invaliditeit van degene, die uitkeringen op grond van de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen geniet, toeneemt, worden hem uitkeringen toegekend overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 34, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit. Het bepaalde onder c) van het vorige lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36

1.

Indien de betaling van uitkeringen na schorsing moet worden hervat, geschiedt dit door het orgaan of door de organen welke de uitkeringen verschuldigd was of waren op het tijdstip waarop zij werden geschorst, onverminderd het bepaalde in artikel 37.

2.

Indien na intrekking van de uitkeringen de toestand van de betrokkene hernieuwde toekenning van uitkeringen rechtvaardigt, worden deze overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 34 toegekend.

Artikel 37

1.

De invaliditeitsuitkeringen worden eventueel in ouderdomsuitkeringen omgezet op de voorwaarden gesteld door de wettelijke regeling of de wettelijke regelingen krachtens welke zij zijn toegekend, en overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 34.

2.

Wanneer degene die in het genot is van invaliditeitsuitkeringen, verkregen krachtens de wettelijke regeling van één of meer Verdragsluitende Partijen, aanspraak kan maken op ouderdomsuitkeringen, blijft, in het in artikel 33 bedoelde geval, elk orgaan dat invaliditeitsuitkeringen verschuldigd is, aan deze rechthebbende ook verder de uitkeringen verlenen waarop hij krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling recht heeft, en wel tot het tijdstip waarop het vorige lid door dit orgaan kan worden toegepast.

Hoofdstuk 3. Arbeidsongevallen en beroepsziekten

Artikel 38

1.

Werknemers die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen en door een arbeidsongeval of een beroepsziekte worden getroffen, hebben op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop zij wonen, recht op:

  • a). verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze werknemers bij dat orgaan waren aangesloten;
  • b). uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze werknemers op het grondgebied van de bevoegde Staat woonden. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen evenwel de uitkeringen eveneens door bemiddeling van laatstbedoeld orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend.
2.

De prestaties mogen aan grensarbeiders door het bevoegde orgaan ook op het grondgebied van de bevoegde Staat worden verleend volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof zij op het grondgebied ervan woonden.

3.

Indien in dit artikel bedoelde werknemers, behoudens grensarbeiders, op het grondgebied van de bevoegde Staat verblijven, hebben zij recht op prestaties volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof zij op het grondgebied ervan woonden, zelfs indien zij vóór de aanvang van hun verblijf reeds prestaties hebben genoten.

4.

Indien in dit artikel bedoelde werknemers hun woonplaats naar het grondgebied van de bevoegde Staat overbrengen, hebben zij recht op prestaties volgens de wettelijke regeling van deze Staat, zelfs indien zij vóór de overbrenging van hun woonplaats reeds prestaties hebben genoten.

Artikel 39

Het ongeval op weg van of naar het werk dat op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat heeft plaatsgevonden, wordt geacht op het grondgebied van de bevoegde Staat te hebben plaatsgevonden.

Artikel 40

1.

Degenen die door een arbeidsongeval of een beroepsziekte zijn getroffen en

  • a). op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven, of
  • b). nadat zij voor rekening van het bevoegde orgaan in het genot van prestaties zijn gesteld, van dit orgaan toestemming hebben ontvangen om terug te keren naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat, waarop zij wonen, of om hun woonplaats naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat over te brengen, of

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)