Europees Verdrag inzake sociale zekerheid

Type Verdrag
Publication 2007-02-28
Laatst bijgewerkt 2001-09-12
State In force
Source BWB
artikelen 81
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • c). van het bevoegde orgaan toestemming hebben ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat te begeven teneinde aldaar een voor hun gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan, hebben recht op:
  • (i). verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woon- of verblijfplaats worden verleend volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof zij daarbij waren aangesloten, doch gedurende ten hoogste het tijdvak dat eventueel in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat is vastgesteld;
  • (ii). uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof zij zich op het grondgebied van de bevoegde Staat bevonden. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woon- of verblijfplaats kunnen evenwel de uitkeringen eveneens door bemiddeling van laatstbedoeld orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend.
  • a). De sub b) van het vorige lid bedoelde toestemming mag slechts worden geweigerd indien verplaatsing van de betrokkene nadelig is voor zijn gezondheidstoestand of voor het ondergaan van een geneeskundige behandeling;
  • b). De sub c) van het vorige lid bedoelde toestemming mag niet worden geweigerd wanneer de desbetreffende behandeling niet op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, aan de betrokkene kan worden gegeven.

Artikel 41

In de in artikel 38, eerste lid en artikel 40, eerste lid bedoelde gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen overeenkomen om het verlenen van prothesen, hulpmiddelen van grotere omvang en andere belangrijke verstrekkingen afhankelijk te stellen van de toestemming van het bevoegde orgaan.

Artikel 42

1.

Indien de wettelijke regeling van de bevoegde Staat voorziet in het dragen van de kosten van vervoer van de getroffene naar zijn woning of naar het ziekenhuis, worden de kosten van vervoer van de getroffene naar een overeenkomstige plaats op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, waarop de getroffene woont, door het bevoegde orgaan gedragen volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, mits het orgaan vooraf toestemming tot dit vervoer heeft verleend, waarbij het naar behoren rekening houdt met de daarvoor geldende redenen.

2.

Indien de wettelijke regeling van de bevoegde Staat voorziet in het dragen van de kosten van vervoer van het stoffelijk overschot van de getroffene naar de begraafplaats, worden de kosten van vervoer van het stoffelijk overschot naar de begraafplaats op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, waarop de getroffene woonde, door het bevoegde orgaan gedragen, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.

3.

De toepassing van de vorige leden van dit artikel tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen is afhankelijk van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen. Bij deze overeenkomsten worden de groepen personen op wie deze leden van toepassing zijn vastgesteld, alsmede de wijze waarop de kosten van vervoer over de betrokken Verdragsluitende Partijen worden omgeslagen.

Artikel 43

1.

Indien op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de getroffene zich bevindt, geen verzekering tegen arbeidsongevallen of beroepsziekten bestaat, of indien een dergelijke verzekering wel bestaat doch niet voorziet in een orgaan dat verantwoordelijk is voor het verlenen van verstrekkingen worden deze verstrekkingen verleend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats dat voor het verlenen van verstrekkingen in geval van ziekte verantwoordelijk is.

2.

Indien de wettelijke regeling van de bevoegde Staat het geheel kosteloos verlenen van verstrekkingen afhankelijk stelt van gebruikmaking van de door de werkgever opgerichte medische dienst, worden de verstrekkingen welke in de in artikel 38, eerste lid en artikel 40, eerste lid bedoelde gevallen worden verleend, geacht door een dergelijke medische dienst te zijn verleend.

3.

Indien de wettelijke regeling van de bevoegde Staat een regeling kent betreffende de verplichtingen van de werkgever, worden de verstrekkingen welke in de in artikel 38, eerste lid en artikel 40, eerste lid bedoelde gevallen worden verleend, geacht op verzoek van het bevoegde orgaan te zijn verleend.

4.

Indien volgens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij bij de vaststelling van de mate van ongeschiktheid uitdrukkelijk of stilzwijgend rekening wordt gehouden met vroeger voorgekomen arbeidsongevallen of beroepsziekten, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij daartoe eveneens rekening met vroeger volgens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij erkende arbeidsongevallen en beroepsziekten, alsof zij onder de door het bevoegde orgaan toegepaste wettelijke regeling waren voorgekomen.

Artikel 44

1.

Indien de door het orgaan van de woon- of verblijfplaats toegepaste wettelijke regeling meer dan één stelsel voor het verlenen van schadeloosstellingen kent, worden in de in artikel 38, eerste lid en artikel 40, eerste lid, bedoelde gevallen de voor het verlenen van verstrekkingen van toepassing zijnde bepalingen van het algemene stelsel, of, bij ontstentenis daarvan, die van het stelsel dat voor de werknemers in de industrie geldt, gevolgd.

2.

Indien in de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij een maximale duur voor het verlenen van prestaties is vastgesteld mag het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast, eventueel rekening houden met het tijdvak waarover voor hetzelfde arbeidsongeval of dezelfde beroepsziekte door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij reeds prestaties werden verleend.

Artikel 45

1.

Indien ingevolge de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen gemiddelde verdiensten als grondslag worden genomen, stelt het bevoegde orgaan van deze Partij deze gemiddelde verdiensten uitsluitend vast op basis van de verdiensten welke gedurende de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken zijn uitbetaald.

2.

Indien ingevolge de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van forfaitaire verdiensten, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij uitsluitend rekening met de forfaitaire verdiensten of eventueel met het gemiddelde van de forfaitaire verdiensten welke betrekking hebben op de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken.

3.

Indien ingevolge de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij eveneens rekening met de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof zij op het grondgebied van eerstbedoelde Partij woonden.

Artikel 46

1.

Wanneer iemand die door een beroepsziekte getroffen is, onder de wettelijke regeling van twee of meer Verdragsluitende Partijen werkzaamheden heeft verricht, waardoor deze ziekte kan zijn ontstaan, worden de uitkeringen waarop deze getroffene of zijn nagelaten betrekkingen aanspraak kunnen maken, uitsluitend toegekend op grond van de wettelijke regeling van de laatste van deze Verdragsluitende Partijen aan de voorwaarden waarvan zij blijken te voldoen, eventueel met inachtneming van het tweede, derde en vierde lid van dit artikel.

2.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het recht op uitkeringen wegens beroepsziekte afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de desbetreffende ziekte het eerst op het grondgebied van die Partij medisch is vastgesteld, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld wanneer deze ziekte het eerst op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij is vastgesteld.

3.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het recht op uitkeringen wegens beroepsziekte uitdrukkelijk of stilzwijgend afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de desbetreffende ziekte is vastgesteld binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de laatste werkzaamheden waardoor een dergelijke ziekte kon ontstaan, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij, wanneer het nagaat op welk tijdstip die laatste werkzaamheden werden verricht, voor zover nodig rekening met gelijksoortige werkzaamheden welke onder de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn verricht, alsof zij onder de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren verricht.

4.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het recht op uitkeringen wegens beroepsziekte uitdrukkelijk of stilzwijgend afhankelijk stelt van de voorwaarde dat gedurende een bepaalde tijd werkzaamheden waardoor de desbetreffende ziekte kon ontstaan, werden verricht, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij, voor zover nodig met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken waarin dergelijke werkzaamheden onder de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij werden verricht.

5.

De toepassing van het derde en vierde lid van dit artikel tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen is afhankelijk van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen. Bij deze overeenkomsten worden de beroepsziekten waarop genoemde leden van toepassing zijn, vastgesteld, alsmede de wijze waarop de lasten van de uitkeringen over de betrokken Verdragsluitende Partijen worden omgeslagen.

Artikel 47

Wanneer iemand die door een beroepsziekte getroffen is schadeloosstelling geniet of genoten heeft voor rekening van het orgaan van een Verdragsluitende Partij en hij, ingeval deze ziekte verergert, aanspraak maakt op uitkeringen bij het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • a). indien de getroffene onder de wettelijke regeling van de tweede Partij geen werkzaamheden heeft uitgeoefend welke de desbetreffende beroepsziekte kunnen veroorzaken of verergeren, dient het bevoegde orgaan van de eerste Partij de uitkeringen voor zijn rekening te nemen volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, waarbij rekening wordt gehouden met de verergering;
  • b). indien de getroffene onder de wettelijke regeling van de tweede Partij wel zodanige werkzaamheden heeft uitgeoefend, dient het bevoegde orgaan van de eerste Partij de uitkeringen voor zijn rekening te nemen volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, waarbij het geen rekening houdt met de verergering; het bevoegde orgaan van de tweede Partij kent de betrokkene een aanvulling toe, ter hoogte van het verschil tussen het bedrag van de uitkeringen welke na de verergering verschuldigd zijn en het bedrag van de uitkeringen welke vóór de verergering overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling verschuldigd zouden zijn geweest, indien de desbetreffende beroepsziekte zich onder de wettelijke regeling van deze Partij had voorgedaan.

Artikel 48

1.

Het bevoegde orgaan is verplicht het bedrag van de ingevolge artikel 38, eerste lid en artikel 40, eerste lid voor zijn rekening verleende verstrekkingen te vergoeden.

2.

De in het vorige lid bedoelde vergoedingen worden vastgesteld en vinden plaats volgens tussen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen overeen te komen regelingen.

3.

Twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen dat van iedere vergoeding tussen de onder hun bevoegdheid vallende organen wordt afgezien.

Hoofdstuk 4. Overlijden (uitkeringen)

Artikel 49

1.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen bij overlijden afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsmede, in voorkomend geval, met de tijdvakken van wonen welke na de 16-jarige leeftijd krachtens de wettelijke regeling van niet-contributieve aard van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

2.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen bij overlijden afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van wonen, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsmede, in voorkomend geval, met de tijdvakken van wonen welke na de 16-jarige leeftijd krachtens de wettelijke regeling van niet-contributieve aard van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van wonen betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

Artikel 50

1.

Wanneer een persoon is overleden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat, wordt het overlijden geacht te hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de bevoegde Staat.

2.

Het bevoegde orgaan dient de uitkeringen bij overlijden welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling verschuldigd zijn, toe te kennen zelfs indien de rechthebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont.

3.

De vorige leden van dit artikel zijn eveneens van toepassing wanneer het overlijden het gevolg is van een arbeidsongeval of een beroepsziekte.

Hoofdstuk 5. Werkloosheid

Artikel 51

1.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast, daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering, van dienstbetrekking of van beroepswerkzaamheden welke krachtens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld, op voorwaarde echter dat, indien het tijdvakken van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden betreft, deze tijdvakken als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens laatstbedoelde wettelijke regeling waren vervuld.

2.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij de toekenning van uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering, van dienstbetrekking of van beroepswerkzaamheden welke krachtens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

3.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij de toekenning van bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering in een aan een bijzonder stelsel onderworpen beroep zijn vervuld, wordt voor de toekenning van deze uitkeringen slechts rekening gehouden met de tijdvakken welke krachtens de wettelijke regelingen van andere Verdragsluitende Partijen zijn vervuld, indien deze tijdvakken krachtens een overeenkomstig stelsel, of bij afwezigheid daarvan, in hetzelfde beroep zijn vervuld. Indien de belanghebbende, met inachtneming van de aldus vervulde tijdvakken, niet voldoet aan de voor het recht op bedoelde uitkeringen gestelde voorwaarden, wordt met deze tijdvakken rekening gehouden voor de toekenning van uitkeringen volgens het algemene stelsel.

4.

Toepassing van de vorige leden van dit artikel wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat op de belanghebbende laatstelijk de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd, van toepassing is geweest, behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 53, eerste lid, sub a), ii) en b, ii).

Artikel 52

Werklozen die ten aanzien van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen, eventueel met inachtneming van artikel 51 voldoen aan de door de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen en hun woonplaats naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij overbrengen, worden eveneens geacht te voldoen aan de in dit opzicht door de wettelijke regeling van laatstbedoelde Partij gestelde voorwaarden voor het recht op uitkering, mits zij binnen dertig dagen na het overbrengen van hun woonplaats een aanvrage bij het orgaan van hun nieuwe woonplaats indienen. De uitkeringen worden door het orgaan van de woonplaats verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling en voor rekening van het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Partij.

Artikel 53

1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 52, heeft een werkloze die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woonde, recht op uitkeringen overeenkomstig de volgende bepalingen:

  • a).
  • (i). een grensarbeider die in de onderneming waarin hij werkzaam is, gedeeltelijk of door onvoorziene omstandigheden werkloos is, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 51, recht op uitkeringen volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat, alsof hij op het grondgebied van die Staat woonde; deze uitkeringen worden door het bevoegde orgaan verleend;
  • (ii). een volledig werkloze grensarbeider heeft, eventueel met inachtneming van artikel 51, recht op uitkeringen volgens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, alsof die wettelijke regeling tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest; deze uitkeringen worden door het orgaan van de woonplaats verleend;
  • b).
  • (i). een werknemer die geen grensarbeider is en gedeeltelijk, door onvoorziene omstandigheden of volledig werkloos is, doch ter beschikking blijft van zijn werkgever of van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde Staat, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 51, recht op uitkeringen volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat, alsof hij op het grondgebied van die Staat woonde; deze uitkeringen worden door het bevoegde orgaan verleend;
  • (ii). een werknemer die geen grensarbeider is, volledig werkloos is en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 51, recht op uitkeringen volgens de wettelijke regeling van deze Partij, alsof tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden deze wettelijke regeling op hem van toepassing was geweest; deze uitkeringen worden door het orgaan van de woonplaats verleend;
  • (iii). indien de sub b (ii) van dit lid bedoelde werknemer evenwel in het genot van uitkeringen werd gesteld door het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij waarvan de wettelijke regeling laatstelijk op hem van toepassing is geweest, heeft hij recht op uitkeringen overeenkomstig artikel 52, alsof hij zijn woonplaats naar het grondgebied van de sub b (ii) van dit lid bedoelde Verdragsluitende Partij had overgebracht.
2.

Zolang een werkloze recht heeft op uitkeringen krachtens het bepaalde sub a (i) of b (i) van het vorige lid, kan hij geen aanspraak maken op uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont.

Artikel 54

Indien, in de in de artikelen 52 en 53, eerste lid, sub b) iii) bedoelde gevallen, in de door het orgaan van de woonplaats toegepaste wettelijke regeling een maximale duur voor het verlenen van uitkeringen is vastgesteld, mag dit orgaan eventueel rekening houden met het tijdvak waarover door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij reeds uitkeringen werden verleend, nadat het recht op uitkeringen voor de laatste maal werd vastgesteld.

Artikel 55

1.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van het bedrag van de vroegere verdiensten, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast uitsluitend rekening met de door de betrokkene genoten verdiensten voor de laatste werkzaamheden welke hij op het grondgebied van die Partij heeft verricht, of, indien de betrokkene laatstelijk niet gedurende ten minste vier weken werkzaamheden op dit grondgebied heeft verricht, met de verdiensten welke ter plaatse waar de werkloze woont met gelijkwaardige of soortgelijke werkzaamheden als die welke hij het laatst op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij heeft verricht, gewoonlijk worden genoten.

2.

Indien ingevolge de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast eveneens rekening met de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof zij op het grondgebied van eerstbedoelde Partij woonden.

3.

Indien volgens de door het orgaan van de woonplaats toegepaste wettelijke regeling de uitkeringsduur afhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt de uitkeringsduur eventueel vastgesteld met inachtneming van artikel 51, eerste of tweede lid.

Artikel 56

1.

De toepassing van de artikelen 52 tot en met 54 tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen is afhankelijk van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen, welke overeenkomsten bovendien bijzondere, aan de omstandigheden aangepaste regelingen mogen bevatten.

2.

Bij de in het vorige lid bedoelde overeenkomsten wordt in het bijzonder het volgende vastgesteld:

  • a). de groepen personen, op wie de artikelen 52 tot en met 54 van toepassing zijn;
  • b). het tijdvak waarover het orgaan van een Verdragsluitende Partij uitkeringen voor rekening van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij kan verlenen;
  • c). de wijze waarop de uitkeringen welke het orgaan van een Verdragsluitende Partij voor rekening van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij heeft verleend, worden vergoed.
3.

Twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen dat van iedere vergoeding tussen de onder hun bevoegdheid vallende organen wordt afgezien.

Hoofdstuk 6. Gezinsuitkeringen

Artikel 57

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen, houdt het orgaan dat deze wettelijke regeling toepast daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen welke krachtens de wettelijke regeling van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen betrof welke krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

Artikel 58

1.

De toepassing van de eerste of de tweede afdeling van dit hoofdstuk tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen is afhankelijk van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen, welke overeenkomsten bovendien bijzondere, aan de omstandigheden aangepaste regelingen mogen bevatten.

2.

Bij de in het vorige lid bedoelde overeenkomsten wordt in het bijzonder het volgende vastgesteld:

  • a). de groepen personen, op wie de artikelen 59 tot en met 62 van toepassing zijn;
  • b). de regels ter vermijding van samenloop van gelijksoortige uitkeringen;
  • c). het behoud van de eventueel krachtens verdragen inzake sociale zekerheid verkregen rechten.

Afdeling 1:. Kinderbijslagen

Artikel 59

1.

Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 60 worden onder „kinderen”, binnen de door de wettelijke regeling van de betrokken Verdragsluitende Partij gestelde grenzen, verstaan:

  • a). wettige, gewettigde, natuurlijke erkende en aangenomen kinderen en ouderloze kleinkinderen van de gerechtigde;
  • b). wettige, gewettigde, natuurlijke erkende en aangenomen kinderen en ouderloze kleinkinderen van de echtgeno (o) t (e) van de gerechtigde, mits zij tot het huishouden van de gerechtigde behoren en op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen.
2.

Personen, op wie de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij van toepassing is, die kinderen hebben die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen of worden opgevoed, hebben voor deze kinderen recht op kinderbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Partij voorziet, alsof die kinderen op het grondgebied van deze Partij woonden of werden opgevoed.

3.

In het in het vorige lid bedoelde geval mag het bedrag van de kinderbijslagen evenwel worden beperkt tot het bedrag van de kinderbijslagen waarin de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de kinderen wonen of worden opgevoed, voorziet.

4.

Bij toepassing van het vorige lid wordt bij de vergelijking van de kinderbijslagbedragen ingevolge de beide betrokken wettelijke regelingen rekening gehouden met het totale aantal kinderen dat van dezelfde gerechtigde afhankelijk is. Indien de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de kinderen wonen of worden opgevoed, voorziet in verschillende kinderbijslagbedragen voor verschillende groepen gerechtigden, wordt rekening gehouden met de bedragen welke verschuldigd zouden zijn, indien op de gerechtigde deze wettelijke regeling van toepassing was.

5.

Het derde en vierde lid van dit artikel zijn niet van toepassing op een in artikel 15, eerste lid, sub a) bedoelde loontrekkende, voor wat betreft de kinderen, die hem naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij is gedetacheerd, vergezellen.

6.

De kinderbijslagen worden verleend volgens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij welke op de gerechtigde van toepassing is, zelfs indien de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie die bijslagen moeten worden uitbetaald, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont of verblijft.

Artikel 60

1.

Werklozen die voor rekening van het orgaan van een Verdragsluitende Partij in het genot zijn van werkloosheidsuitkeringen en kinderen hebben die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen of worden opgevoed, hebben voor deze kinderen recht op kinderbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Partij in deze omstandigheid voorziet, alsof die kinderen op het grondgebied van deze Partij woonden of werden opgevoed.

2.

In het in het vorige lid bedoelde geval is artikel 59, eerste, derde, vierde en zesde lid van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2:. Gezinsuitkeringen

Artikel 61

1.

Personen op wie de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij van toepassing is, hebben voor hun gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, recht op de uitkeringen waarin de wettelijke regeling van laatstbedoelde Partij voorziet, alsof deze wettelijke regeling op die personen van toepassing was. Deze uitkeringen worden aan de gezinsleden voor rekening van het bevoegde orgaan verleend door het orgaan van hun woonplaats, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.

2.

Ongeacht het bepaalde in het vorige lid heeft een in artikel 15, eerste lid, sub a) bedoelde loontrekkende voor zijn gezinsleden die hem naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij is gedetacheerd, vergezellen, recht op de uitkeringen waarin de wetlelijke regeling van de Verdragsluitende Partij welke op hem van toepassing blijft, voorziet. Deze uitkeringen worden door het bevoegde orgaan van laatstbedoelde Partij verleend. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats, kunnen evenwel de uitkeringen eveneens door bemiddeling van laatstbedoeld orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend.

Artikel 62

Werklozen die voor rekening van het orgaan van een Verdragsluitende Partij in het genot zijn van werkloosheidsuitkeringen, hebben voor hun op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonende gezinsleden recht op de gezinsuitkeringen waarin de wettelijke regeling van laatstbedoelde Partij voorziet, mits de wettelijke regeling van eerstbedoelde Partij bij werkloosheid gezinsuitkeringen toekent. De gezinsuitkeringen worden aan de gezinsleden voor rekening van het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Partij verleend door het orgaan van hun woonplaats, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.

Artikel 63

1.

Indien het bepaalde in deze afdeling tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen wordt toegepast, wordt bij de in artikel 58, eerste lid bedoelde bilaterale of multilaterale overeenkomsten vastgesteld op welke wijze de uitkeringen welke door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij zijn verleend, worden vergoed.

2.

Twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen dat van iedere vergoeding tussen de onder hun bevoegdheid vallende organen wordt afgezien.

TITEL IV. Diverse bepalingen

Artikel 64

1.

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen verstrekken elkaar alle inlichtingen met betrekking tot:

  • a). de ter uitvoering van dit Verdrag getroffen maatregelen;
  • b). de wijzigingen in hun wetgeving welke van invloed kunnen zijn op de uitvoering van dit Verdrag.
2.

Bij de toepassing van dit Verdrag zijn de autoriteiten en organen van de Verdragsluitende Partijen elkaar behulpzaam als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving. De wederzijdse administratieve hulp van deze autoriteiten en organen is in beginsel kosteloos. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen evenwel overeenkomen bepaalde kosten te vergoeden.

3.

Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de autoriteiten en organen van de Verdragsluitende Partijen zich rechtstreeks met elkaar en met de belanghebbenden of hun gemachtigden in verbinding stellen.

4.

De autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van een Verdragsluitende Partij mogen verzoekschriften of andere documenten welke hun toegezonden worden, niet afwijzen op grond van het feit dat zij in een officiële taal van een andere Verdragsluitende Partij zijn opgesteld.

Artikel 65

1.

De vrijstelling of verlaging van rechten, zegelrechten, griffie- of registratierechten waarin bij de wetgeving van een Verdragsluitende Partij is voorzien voor bescheiden of documenten welke ter uitvoering van de wetgeving van deze Partij dienen te worden overgelegd, geldt eveneens voor overeenkomstige bescheiden of documenten welke ter uitvoering van de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij of van dit Verdrag dienen te worden overgelegd.

2.

Alle akten, documenten of overige bescheiden van officiële aard welke voor de toepassing van dit Verdrag dienen te worden overgelegd, zijn vrijgesteld van legalisatie en van alle andere soortgelijke formaliteiten.

Artikel 66

1.

Indien de aanvrager op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont, kan hij zijn aanvraag rechtsgeldig indienen bij het orgaan van zijn woonplaats, dat deze overdraagt aan het bevoegde orgaan of de bevoegde organen, genoemd in de aanvraag.

2.

Aanvragen, verklaringen of beroepschriften welke volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van die Partij, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn bij een autoriteit, orgaan of rechterlijke instantie van een andere Verdragsluitende Partij worden ingediend. In dat geval zal de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie waarop aldus een beroep wordt gedaan, deze aanvragen, verklaringen of beroepschriften onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de bevoegde rechterlijke instantie van eerstbedoelde Partij, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de betrokken Verdragsluitende Partijen. De datum waarop die aanvragen, verklaringen of beroepschriften bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van de andere Partij zijn ingediend, wordt beschouwd als de datum waarop deze zijn ingediend bij de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie welke bevoegd is hiervan kennis te nemen.

Artikel 67

1.

Het bij de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voorziene geneeskundige onderzoek kan op verzoek van het orgaan dat deze wetgeving toepast, door het orgaan van de woon- of verblijfplaats op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij worden verricht. In dit geval wordt het onderzoek geacht te zijn verricht op het grondgebied van eerstbedoelde Partij.

2.

De toepassing van het voorgaande lid tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen is afhankelijk van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen.

Artikel 68

1.

Wanneer het orgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag uitkeringen verschuldigd is aan een gerechtigde die zich op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij bevindt, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van eerstbedoelde Partij. Genoemd orgaan voldoet het verschuldigde rechtens in de munteenheid van de tweede Partij.

2.

Wanneer het orgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag bedragen verschuldigd is, dienende tot vergoeding van door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij verleende prestatie, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van de tweede Partij. Eerstgenoemd orgaan voldoet het verschuldigde rechtens in genoemde munteenheid, tenzij de betrokken Verdragsluitende Partijen een andere wijze van betaling zijn overeengekomen.

3.

Het uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende overmaken van bedragen geschiedt volgens de overeenkomsten welke op het tijdstip van overmaking terzake tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen van kracht zijn. Bij ontstentenis daarvan worden de voor het overmaken noodzakelijke maatregelen in onderling overleg tussen bedoelde Partijen getroffen.

Artikel 69

1.

Bij de vaststelling van het bedrag van de aan het orgaan van een Verdragsluitende Partij verschuldigde premies of bijdragen wordt eventueel rekening gehouden met op het grondgebied van iedere andere Verdragsluitende Partij verworven inkomen.

2.

Premies of bijdragen welke aan het orgaan van een Verdragsluitende Partij verschuldigd zijn, kunnen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij worden geïnd volgens de administratieve procedure en met de waarborgen en voorrechten welke van toepassing zijn op de inning van premies of bijdragen welke aan een overeenkomstig orgaan van laatstbedoelde Partij verschuldigd zijn.

3.

De toepassing van het eerste en het tweede lid van dit artikel tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen is afhankelijk van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen. Deze overeenkomsten kunnen ook betrekking hebben op de gerechtelijke invorderingsprocedure.

Artikel 70

1.

Indien prestaties worden genoten krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij naar aanleiding van schade welke op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij is veroorzaakt of ontstaan, worden de rechten welke het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, heeft ten opzichte van een derde die verplicht is de schade te vergoeden, als volgt geregeld:

  • a). wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, krachtens de wetgeving welke op dit orgaan van toepassing is, in de rechten treedt welke de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, erkent elke Verdragsluitende Partij een dergelijke subrogatie;
  • b). wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is een onmiddellijk recht ten opzichte van die derde heeft, erkent elke Verdragsluitende Partij dit recht.
2.

De toepassing van het vorige lid tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen is afhankelijk van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen.

3.

Bij overeenkomsten tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen worden regelen gesteld inzake de aansprakelijkheid van de werkgever of zijn gemachtigden bij arbeidsongevallen of ongevallen op weg van of naar het werk welke op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat hebben plaatsgevonden.

Artikel 71

1.

Over elk geschil dat met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen ontstaat, zullen eerst onderhandelingen tussen de bij het geschil betrokken Partijen worden gevoerd.

2.

Indien een der bij het geschil betrokken Partijen meent dat het een zaak betreft welke voor de gezamenlijke Verdragsluitende Partijen van belang kan zijn, wordt het geschil door de daarbij betrokken Partijen, handelend met aller goedvinden, of, indien daarover geen eenstemmigheid bestaat, door een van deze Partijen, voorgelegd aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, dat zich binnen zes maanden over de zaak uitspreekt.

3.

Indien het geschil naar gelang van de omstandigheden, niet is beslecht hetzij binnen zes maanden nadat het eerste verzoek is gedaan om de in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven onderhandelingen te beginnen, hetzij binnen drie maanden nadat de door het Comité van Ministers gedane uitspraak aan de Verdragsluitende Partijen is medegedeeld, kan het geschil op verzoek van elke daarbij betrokken Partij aan een scheidsrechterlijke procedure worden onderworpen voor één enkele scheidsman. De verzoekende Partij zal door bemiddeling van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa het onderwerp van het verzoek dat zij aan de scheidsrechterlijke uitspraak wil onderwerpen, aan de andere Partij mededelen, evenals de gronden waarop dit verzoek berust.

4.

Indien de bij het geschil betrokken Partijen niet anders zijn overeengekomen, wordt de scheidsman door de Voorzitter van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aangewezen. De scheidsman mag geen onderdaan van een der bij het geschil betrokken Partijen zijn, noch zijn vaste woonplaats op het grondgebied van een dezer Partijen hebben, noch in hun dienst staan, noch zich uit anderen hoofde reeds met de zaak hebben beziggehouden.

5.

Indien, in het in het vorige lid bedoelde geval, de Voorzitter van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens verhinderd is of indien hij onderdaan van een der bij het geschil betrokken Partijen is, geschiedt de aanwijzing van de scheidsman door de Vice-Voorzitter van het Hof of door het oudste lid van het Hof dat niet verhinderd en geen onderdaan van een der bij het geschil betrokken Partijen is.

6.

Bij afwezigheid van een bijzonder compromis tussen de bij het geschil betrokken Partijen of indien het compromis niet voldoende duidelijk is, zal de scheidsman een beslissing nemen op basis van de bepalingen van dit Verdrag, met inachtneming van de algemene beginselen van het internationale recht.

7.

Het vonnis van de scheidsman is bindend en niet vatbaar voor beroep.

Artikel 72

1.

In Bijlage VII worden de bijzonderheden inzake de toepassing van de wetgeving van iedere belanghebbende Verdragsluitende Partij vermeld.

2.

Door iedere betrokken Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 81, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke in Bijlage VII dient te worden aangebracht. Indien deze wijziging het gevolg is van het tot stand komen van een nieuwe wettelijke regeling, zal deze kennisgeving binnen drie maanden na bekendmaking van bedoelde wettelijke regeling worden gedaan of, indien deze wettelijke regeling vóór de datum van bekrachtiging van dit Verdrag wordt bekendgemaakt, op de dag van bekrachtiging.

Artikel 73

1.

De bijlagen, bedoeld in artikel 1, sub b), artikel 3, eerste lid, artikel 6, derde lid, artikel 8, vierde lid, artikel 9, tweede lid, artikel 11, derde lid en artikel 72, eerste lid, alsmede de wijzigingen welke in deze bijlagen worden aangebracht, vormen een wezenlijk bestanddeel van dit Verdrag.

2.

Elke wijziging van de in het vorige lid bedoelde bijlagen wordt geacht te zijn goedgekeurd indien binnen drie maanden nadat de in artikel 81, tweede lid, sub d) van dit Verdrag bedoelde kennisgeving heeft plaatsgevonden, geen enkele Verdragsluitende Partij of ondertekenende Staat verzet heeft aangetekend bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

3.

Indien bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa verzet wordt aangetekend, wordt een regeling getroffen overeenkomstig een door het Comité van Ministers vast te stellen procedure.

TITEL V. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 74

1.

Aan dit Verdrag kan geen enkel recht worden ontleend voor een tijdvak voorafgaande aan de datum waarop het voor de betrokken Verdragsluitende Partij of Verdragsluitende Partijen in werking treedt.

2.

Voor de vaststelling van de aan dit Verdrag te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen, dat vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij is vervuld.

3.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van dit artikel ontstaat krachtens dit Verdrag een recht, zelfs wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis welke vóór zijn inwerkingtreding heeft plaatsgevonden.

4.

Elke uitkering welke in verband met de nationaliteit van de betrokkene dan wel met diens woonplaats op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waarop het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, gevestigd is, niet is vastgesteld dan wel is geschorst, wordt op verzoek van de betrokkene vastgesteld of hervat met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, mits de vroeger vastgestelde rechten niet in de vorm van een afkoopsom zijn vereffend.

5.

De rechten van de betrokkenen wier pensioen of rente vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werd vastgesteld, worden op hun verzoek, met inachtneming van dit Verdrag, herzien. Herziening van deze rechten kan eveneens ambtshalve plaatsvinden. In geen enkel geval mogen door een dergelijke herziening de vroegere rechten van de betrokkenen worden verminderd.

6.

Indien het in het vierde of vijfde lid van dit artikel bedoelde verzoek binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt ingediend, worden de aan dit Verdrag te ontlenen rechten met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van enige Verdragsluitende Partij met betrekking tot verval of verjaring van rechten op de betrokkenen worden toegepast.

7.

Indien het in het vierde of vijfde lid van dit artikel bedoelde verzoek na afloop van de termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt ingediend, wordt voor het verkrijgen van de niet vervallen of verjaarde rechten alleen rekening gehouden met de datum waarop het verzoek is ingediend, tenzij gunstiger bepalingen van de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij van toepassing zijn.

Artikel 75

1.

Elke Lid-Staat van de Raad van Europa kan dit Verdrag ondertekenen. Het moet worden bekrachtigd of aanvaard. De akten van bekrachtiging of aanvaarding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op de maand waarin de derde akte van bekrachtiging of aanvaarding is nedergelegd.

3.

Ten aanzien van elke ondertekenende Staat welke dit Verdrag nadien bekrachtigt of aanvaardt, treedt het in werking drie maanden na de datum waarop deze Staat zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding heeft nedergelegd.

Artikel 76

Met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag zijn de Europese interim-overeenkomst betreffende sociale zekerheid met uitsluiting van de regelingen voor ouderdom, invaliditeit en overlijden en de Europese interim-overeenkomst betreffende de regelingen inzake sociale zekerheid voor ouderdom, invaliditeit en overlijden, alsmede de daarbij behorende aanvullende Protocollen niet meer van toepassing in de betrekkingen tussen Verdragsluitende Partijen.

Artikel 77

1.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa elke Staat welke geen lid is van de Raad uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden. Met de beslissing tot deze uitnodiging dienen alle Lid-Staten van de Raad welke dit Verdrag hebben bekrachtigd of aanvaard, in te stemmen.

2.

Toetreding vindt plaats door nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van een akte van toetreding, welke van kracht wordt drie maanden na de datum van nederlegging.

Artikel 78

1.

Dit Verdrag blijft voor onbepaalde tijd van kracht.

2.

Iedere Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag, voor wat haar betreft, na verloop van vijf jaar na de datum waarop dit Verdrag voor deze Partij in werking is getreden, opzeggen door kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

3.

De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum waarop de kennisgeving door de Secretaris-Generaal is ontvangen.

Artikel 79

1.

Elk krachtens dit Verdrag verkregen recht blijft bij opzegging gehandhaafd.

2.

De in opbouw zijnde rechten met betrekking tot tijdvakken welke zijn vervuld voor de datum waarop de opzegging van kracht is geworden, worden door de opzegging niet teniet gedaan; de verdere handhaving van deze rechten wordt bij overeenkomst geregeld of, indien geen overeenkomst tot stand komt, vastgesteld aan de hand van de door het betrokken orgaan toegepaste wetgeving.

Artikel 80

1.

De toepassing van dit Verdrag wordt geregeld bij een aanvullend Akkoord, dat elke Lid-Staat van de Raad van Europa kan ondertekenen.

2.

De Verdragsluitende Partijen of, indien de grondwettelijke bepalingen van deze Partijen dit toestaan, hun bevoegde autoriteiten, treffen alle andere, voor de toepassing van dit Verdrag noodzakelijke regelingen.

3.

Elke ondertekenende Staat welke dit Verdrag bekrachtigt of aanvaardt, dient of tegelijkertijd het aanvullend Akkoord te bekrachtigen of te aanvaarden, of dit aanvullend Akkoord zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding te ondertekenen uiterlijk op het tijdstip waarop de akte van bekrachtiging of aanvaarding van het Verdrag wordt nedergelegd.

4.

Elke Staat welke tot dit Verdrag toetreedt dient tegelijkertijd tot het aanvullend Akkoord toe te treden.

5.

Elke Verdragsluitende Partij welke dit Verdrag opzegt, dient tegelijkertijd het aanvullend Akkoord op te zeggen.

Artikel 81

1.

De kennisgevingen of verklaringen, als bedoeld in artikel 1, sub b) en w), artikel 3, tweede lid, artikel 6, vijfde lid, artikel 7, tweede lid, artikel 8, vijfde lid, artikel 9, derde en vierde lid, artikel 11, vierde lid en artikel 72, tweede lid, worden aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gezonden.

2.

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa zal binnen een maand aan de Verdragsluitende Partijen, de ondertekenende Staten en de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau mededeling doen van:

  • a). elke ondertekening, alsmede het nederleggen van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;
  • b). elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig de artikelen 75 en 77;
  • c). elke kennisgeving van opzegging, ontvangen met toepassing van artikel 78, tweede lid, en de datum waarop de opzegging van kracht zal worden;
  • d). elke kennisgeving of verklaring, ontvangen met toepassing van het eerste lid van dit artikel.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.

DONE at Paris, this 14th day of December 1972, in English and in French, both texts being equally authoritative, in a single copy, which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding States.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)