Aanvullend Akkoord ter toepassing van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid

Type Verdrag
Publication 2007-02-28
Laatst bijgewerkt 2001-09-12
State In force
Source BWB
artikelen 100
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Lid-Staten van de Raad van Europa welke het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid en dit aanvullend Akkoord hebben ondertekend,

Overwegende dat overeenkomstig artikel 80, eerste lid van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, de toepassing van dit Verdrag bij een aanvullend Akkoord wordt geregeld,

Zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I. Algemene Bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van dit aanvullend Akkoord:

  • b). wordt onder „Akkoord” verstaan het aanvullend Akkoord ter toepassing van het Verdrag;
  • c). wordt onder „Comité” verstaan het Comité van deskundigen inzake sociale zekerheid van de Raad van Europa of ieder ander Comité dat door het Comité van Ministers van de Raad van Europa met de in artikel 2 van het Akkoord bedoelde taken kan worden belast;
  • d). wordt onder „seizoenarbeider” verstaan een werknemer die zich begeeft naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die, op het grondgebied waarvan hij woont, teneinde aldaar voor rekening van een onderneming of een werkgever van deze Partij seizoenarbeid te verrichten voor een tijdvak dat niet langer dan acht maanden zal duren en die gedurende zijn werkzaamheden op het grondgebied van bedoelde Partij verblijft; onder seizoenarbeid wordt verstaan arbeid die van het seizoen afhankelijk is en elk jaar automatisch terugkeert; de hoedanigheid van seizoenarbeider wordt bewezen door overlegging van de arbeidsovereenkomst, voor gezien getekend door de diensten voor arbeidsbemiddeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de seizoenarbeider werkzaamheden komt verrichten, of van een door deze diensten voor gezien getekend document waarin wordt verklaard dat de belanghebbende op dit grondgebied een seizoenbetrekking heeft;

Artikel 2

1.

De modellen van de bewijsstukken, verklaringen, aangiften, aanvragen en andere documenten welke voor de toepassing van het Verdrag en het Akkoord nodig zijn, worden door het Comité vastgesteld. Indien twee of meer Verdragsluitende Partijen overeenkomen andere modellen te gebruiken, stellen zij daarvan het Comité in kennis.

2.

Op verzoek van de bevoegde autoriteiten van een Verdragsluitende Partij kan het Comité inlichtingen verzamelen betreffende de bepalingen van de wetgevingen waarop het Verdrag van toepassing is.

3.

Het Comité kan handleidingen samenstellen met het doel de belanghebbenden voor te lichten over hun rechten en de administratieve formaliteiten welke zij dienen te vervullen om deze rechten geldend te maken.

Artikel 3

1.

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen verbindingsorganen aanwijzen welke gerechtigd zijn zich rechtstreeks met elkaar in verbinding te stellen, alsmede met de organen van elke Verdragsluitende Partij, mits de bevoegde autoriteit van deze Partij daartoe toestemming heeft verleend.

2.

Ieder orgaan van een Verdragsluitende Partij, alsmede elke persoon die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij woont of verblijft, kan zich rechtstreeks of door bemiddeling van de verbindingsorganen tot het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij wenden.

Artikel 4

1.

Bijlage 1 vermeldt de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij.

2.

Bijlage 2 vermeldt de bevoegde organen van elke Verdragsluitende Partij.

3.

Bijlage 3 vermeldt de organen van de woonplaats en de organen van de verblijfplaats van elke Verdragsluitende Partij.

4.

Bijlage 4 vermeldt de door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen krachtens artikel 3, eerste lid van het Akkoord aangewezen verbindingsorganen.

5.

Bijlage 5 vermeldt de in artikel 6, sub b) en in artikel 46, tweede lid van het Akkoord bedoelde bepalingen.

6.

Bijlage 6 vermeldt naam en plaats van vestiging van de in artikel 48, eerste lid van het Akkoord bedoelde banken.

7.

Bijlage 7 vermeldt de organen welke door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen zijn aangewezen krachtens artikel 7, eerste lid, artikel 12, eerste lid, artikel 14, tweede en derde lid, artikel 34, artikel 57, eerste lid, artikel 63, eerste lid, artikel 72, tweede lid, artikel 73, tweede lid, artikel 76, artikel 77, artikel 78, tweede lid, artikel 83, eerste lid, artikel 84 en artikel 87, tweede lid van het Akkoord.

Artikel 5

Twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming, voor wat hen betreft, andere toepassingsvoorschriften vaststellen dan die welke in dit Akkoord zijn neergelegd.

Artikel 6

Het Akkoord treedt in de plaats van:

  • a). de akkoorden betreffende de toepassing van de verdragen inzake sociale zekerheid waarvoor het Verdrag in de plaats treedt;

TITEL II. Toepassing van Titel I van het Verdrag

Toepassing van artikel 10 van het Verdrag

Artikel 7

1.

Indien de belanghebbende, met inachtneming van het bepaalde in artikel 10 van het Verdrag, krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de vrijwillig voortgezette verzekering bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) ingevolge meer dan een stelsel, en hij op grond van zijn laatste werkzaamheden niet verplicht verzekerd is geweest ingevolge één dezer stelsels, kan hij op grond van genoemd artikel slechts toegelaten worden tot de vrijwillig voortgezette verzekering ingevolge het stelsel dat bevoegd zou zijn geweest indien hij onder de wetgeving van deze Partij de aan de pensioenverzekering onderworpen werkzaamheden had verricht welke hij laatstelijk onder de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij heeft verricht. Ingeval door deze werkzaamheden de belanghebbende niet verplicht verzekerd krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij zou worden of indien de aard van deze werkzaamheden niet kan worden vastgesteld, bepaalt de bevoegde autoriteit van deze Partij of het door haar aangewezen orgaan onder welk stelsel de vrijwillige verzekering kan worden voortgezet.

2.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 10 van het Verdrag, legt de belanghebbende aan het orgaan van de betrokken Verdragsluitende Partij een bewijsstuk over inzake de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsmede, in voorkomend geval, inzake de tijdvakken van wonen, welke na de zestienjarige leeftijd krachtens de wetgeving van niet-contributieve aard van enige andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld. Dit bewijsstuk wordt op verzoek van de belanghebbende of van bedoeld orgaan verstrekt door het orgaan of de organen, waarbij hij de betreffende tijdvakken heeft vervuld.

Toepassing van artikel 13 van het Verdrag

Artikel 8

Wanneer de rechthebbende op een krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij verschuldigde uitkering eveneens recht heeft op uitkeringen krachtens de wetgevingen van één of meer andere Verdragsluitende Partijen, zijn de volgende voorschriften van toepassing:

  • a). ingeval de toepassing van artikel 13, tweede lid van het Verdrag tot gevolg zou hebben dat deze uitkeringen gelijktijdig worden verminderd, geschorst of ingetrokken, mag geen van deze uitkeringen worden verminderd, geschorst of ingetrokken voor een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag waarop de vermindering, schorsing of intrekking krachtens de wetgeving op grond waarvan deze uitkering verschuldigd is, betrekking heeft, te delen door het aantal de rechthebbende toekomende uitkeringen, welke verminderd, geschorst of ingetrokken moeten worden;
  • b). indien het echter uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) betreft, welke overeenkomstig artikel 29 van het Verdrag door het orgaan van een Verdragsluitende Partij zijn vastgesteld, houdt dit orgaan rekening met die uitkeringen, inkomsten of beloningen welke vermindering, schorsing of intrekking van de door dit orgaan verschuldigde uitkering tot gevolg hebben; dit geldt niet voor de berekening van het in artikel 29, tweede en derde lid van het Verdrag bedoelde theoretische bedrag, doch uitsluitend voor de vermindering, schorsing of intrekking van het in genoemd artikel 29, vierde of vijfde lid bedoelde bedrag; van het bedrag van deze uitkeringen, inkomsten of beloningen wordt echter slechts een gedeelte in aanmerking genomen, dat overeenkomstig artikel 29, vierde lid van het Verdrag naar verhouding van de duur van de vervulde tijdvakken wordt vastgesteld;
  • d). voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, van het Verdrag wordt als officiële wisselkoers aangehouden de koers welke geldig is op de eerste dag van de maand waarin de laatste vaststellingshandeling plaatsvindt of, eventueel, de koers welke geldig is bij de herberekening van het pensioen of de rente.

Artikel 9

Indien een persoon of een lid van zijn gezin aanspraak kan maken op prestaties bij moederschap krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, worden deze prestaties uitsluitend verleend krachtens de wettelijke regeling van die van deze Partijen op het grondgebied waarvan de bevalling heeft plaatsgehad, of indien de bevalling niet op het grondgebied van één van deze Partijen heeft plaatsgevonden, uitsluitend krachtens de wettelijke regeling waaraan deze persoon laatstelijk onderworpen is geweest.

Artikel 10

1.

Bij overlijden op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wordt alleen het krachtens de wettelijke regeling van deze Partij verkregen recht op de uitkering bij overlijden gehandhaafd, met uitsluiting van de krachtens de wettelijke regelingen van alle andere Verdragsluitende Partijen verkregen rechten.

2.

Bij overlijden op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, terwijl het recht op een uitkering bij overlijden uitsluitend krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer andere Verdragsluitende Partijen is verkregen, of bij overlijden buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen, terwijl dit recht krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen is verkregen, wordt alleen het recht gehandhaafd dat werd verkregen krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij waaraan een persoon te wiens aanzien recht op de uitkering bij overlijden bestaat, laatstelijk onderworpen is geweest, met uitsluiting van de krachtens de wettelijke regelingen van alle andere Verdragsluitende Partijen verkregen rechten.

Artikel 11

Indien over hetzelfde tijdvak twee of meer personen voor dezelfde gezinsleden recht hebben op kinderbijslag krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, wordt de Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan de belangrijkste kostwinner onderworpen is als enige bevoegde Staat beschouwd. Ingeval echter wegens het vervullen van een dienstbetrekking of het verrichten van beroepswerkzaamheden kinderbijslag verschuldigd is krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de kinderen wonen of worden opgevoed, wordt deze Partij als de enige bevoegde Staat beschouwd.

TITEL III. Toepassing van Titel II van het Verdrag

Toepassing van artikel 15, eerste en tweede lid van het Verdrag

Artikel 12

1.

In de in artikel 15, eerste lid, sub a) i) en tweede lid, sub a) van het Verdrag bedoelde gevallen verstrekt het orgaan, aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij waarvan de wetgeving van toepassing blijft de loontrekkende, op diens verzoek of op verzoek van zijn werkgever, indien aan de voorwaarden is voldaan, een bewijs van detachering waarin wordt verklaard dat hij aan deze wetgeving onderworpen blijft.

2.

De in artikel 15, eerste lid, sub a) ii) van het Verdrag bedoelde toestemming dient door de werkgever te worden aangevraagd. Indien de wetgeving van de in het vorige lid bedoelde Verdragsluitende Partij zulks bepaalt, is de toestemming van de betrokken werknemer vereist.

Artikel 13

Wanneer de wetgeving van een Verdragsluitende Partij krachtens artikel 15, eerste lid, sub b) of sub c) van het Verdrag van toepassing is op een loontrekkende wiens werkgever niet op het grondgebied van deze Partij gevestigd is, wordt deze wetgeving toegepast alsof deze loontrekkende werkzaam was ter plaatse waar hij op dit grondgebied woont, in het bijzonder met het oog op het vaststellen van het bevoegde orgaan.

Toepassing van artikel 17 van het Verdrag

Artikel 14

1.

Het bepaalde in artikel 17, eerste lid van het Verdrag blijft van toepassing tot de datum waarop de in het tweede lid van dit artikel bedoelde keuze wordt gedaan.

2.

De loontrekkende die zijn keuzerecht uitoefent, stelt het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij werkzaam is, daarvan in kennis, alsmede het orgaan dat daartoe werd aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij voor de wetgeving waarvan hij heeft gekozen, terwijl hij tegelijkertijd zijn werkgever ervan op de hoogte stelt. Dit orgaan stelt zo nodig alle andere organen van laatstbedoelde Partij hiervan in kennis overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit van deze Partij verstrekte richtlijnen.

3.

Het orgaan dat daartoe is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij voor de wetgeving waarvan de loontrekkende heeft gekozen, verstrekt hem een bewijs, waarin wordt verklaard dat hij gedurende de tijd dat hij bij bedoelde diplomatieke zending of consulaire post of in persoonlijke dienst van ambtenaren van deze zending of post werkzaam is, aan de wetgeving van deze Partij is onderworpen.

4.

Indien de loontrekkende voor de toepassing van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij welke zendstaat is, heeft gekozen, wordt deze wetgeving toegepast alsof de loontrekkende ter plaatse waar de Regering van deze Partij haar zetel heeft, werkzaam was.

TITEL IV. Samentelling van de tijdvakken van verzekering en van wonen

Toepassing van de artikelen 10, 19, 28, 49 en 51 van het Verdrag

Artikel 15

1.

In de gevallen, bedoeld in artikel 10, in artikel 19, in artikel 28, eerste tot en met vierde lid, in artikel 49 en in artikel 51, eerste tot en met derde lid van het Verdrag, in voorkomend geval onverminderd het bepaalde in artikel 28, vierde lid of artikel 51, derde lid van het Verdrag, geschiedt de samentelling van de tijdvakken van verzekering en van wonen overeenkomstig de volgende regels:

  • a). bij de tijdvakken van verzekering of van wonen, vervuld krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, worden gevoegd de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij, alsmede, in voorkomend geval, de tijdvakken van wonen, vervuld nà de zestienjarige leeftijd krachtens de wetgeving van niet-contributieve aard van iedere andere Verdragsluitende Partij, voorzover het noodzakelijk is hierop een beroep te doen om de tijdvakken van verzekering of van wonen, vervuld krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij, aan te vullen met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties, mits deze tijdvakken elkaar niet overlappen; indien het uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) betreft, welke door de organen van twee of meer Verdragsluitende Partijen overeenkomstig artikel 29 van het Verdrag moeten worden vastgesteld, verricht elk der betrokken organen deze samentelling afzonderlijk, rekening houdende met het totaal der door de belanghebbende krachtens de wetgevingen van alle Verdragsluitende Partijen waaraan hij onderworpen is geweest, vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen;
  • b). wanneer een tijdvak van verzekering, vervuld op grond van een verplichte verzekering krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, samenvalt met een op grond van een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij vervuld tijdvak van verzekering, wordt alleen het eerste tijdvak in aanmerking genomen, onverminderd het bepaalde in artikel 16, tweede lid, tweede volzin van het Verdrag;
  • c). wanneer een effectief tijdvak van verzekering, vervuld krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, samenvalt met een tijdvak dat krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij met een effectief tijdvak van verzekering is gelijkgesteld, wordt alleen het eerste tijdvak in aanmerking genomen;
  • d). elk tijdvak dat krachtens de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen met een effectief tijdvak van verzekering is gelijkgesteld, wordt slechts in aanmerking genomen door het orgaan van die van deze Partijen krachtens de wetgeving waarvan de belanghebbende laatstelijk vóór dit tijdvak verplicht verzekerd is geweest; indien de verzekerde vóór genoemd tijdvak niet verplicht verzekerd is geweest krachtens de wetgeving van een van deze Partijen, wordt dit tijdvak in aanmerking genomen door het orgaan van die van genoemde Partijen krachtens de wetgeving waarvan hij na dit tijdvak voor de eerste maal verplicht verzekerd is geweest.
  • e). ingeval de periode waarin bepaalde tijdvakken van verzekering krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij vervuld zijn, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt ervan uitgegaan dat deze tijdvakken niet overlapt worden door krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken en wordt hiermede rekening gehouden, voor zover de tijdvakken hiervoor in aanmerking kunnen worden genomen;
  • f). ingeval volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bepaalde tijdvakken van verzekering slechts in aanmerking worden genomen indien zij binnen een bepaalde termijn zijn vervuld, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast slechts rekening met krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken indien deze binnen dezelfde termijn zijn vervuld.
2.

De tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens een stelsel van een Verdragsluitende Partij waarop het Verdrag niet van toepassing is, maar die in aanmerking worden genomen door een stelsel van dezelfde Partij waarop het Verdrag wel van toepassing is, worden beschouwd als tijdvakken van verzekering welke voor de samentelling in aanmerking dienen te worden genomen.

3.

Wanneer de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, worden uitgedrukt in andere eenheden dan in de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij worden gebezigd, geschiedt de omrekening welke voor de samentelling nodig is volgens onderstaande regels:

  • a). indien voor de belanghebbende de zesdaagse werkweek gold:
  • i). geldt een dag als acht uren en omgekeerd;
  • ii). gelden zes dagen als een week en omgekeerd;
  • iii). gelden zesentwintig dagen als een maand en omgekeerd;
  • iv). gelden drie maanden of dertien weken of achtenzeventig dagen als een kwartaal en omgekeerd;
  • v). worden voor de omrekening van weken tot maanden en omgekeerd, de weken en maanden in dagen omgerekend;
  • vi). mag toepassing van bovenstaande regels er niet toe leiden dat voor alle in de loop van een kalenderjaar vervulde tijdvakken een totaal van meer dan driehonderd en twaalf dagen of tweeënvijftig weken of twaalf maanden of vier kwartalen wordt verkregen;
  • b). indien voor de belanghebbende de vijfdaagse werkweek gold:
  • i). geldt een dag als negen uur en omgekeerd;
  • ii). gelden vijf dagen als een week en omgekeerd;
  • iii). gelden tweeëntwintig dagen als een maand en omgekeerd;
  • iv). gelden drie maanden of dertien weken of zesenzestig dagen als een kwartaal en omgekeerd;
  • v). worden voor de omrekening van weken tot maanden en omgekeerd, de weken en maanden in dagen omgerekend;
  • vi). mag toepassing van bovenstaande regels er niet toe leiden dat voor alle in de loop van een kalenderjaar vervulde tijdvakken een totaal van meer dan tweehonderdvierenzestig dagen of tweeënvijftig weken of twaalf maanden of vier kwartalen wordt verkregen.
4.

Wanneer krachtens het eerste lid, sub b) van dit artikel ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering op grond van een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) voor de samentelling niet in aanmerking worden genomen, worden de op deze tijdvakken betrekking hebbende premies of bijdragen geacht bestemd te zijn tot verhoging van de krachtens deze wetgeving verschuldigde uitkeringen. Indien deze wetgeving een aanvullende verzekering kent, worden bedoelde premies of bijdragen in aanmerking genomen voor de berekening van op grond van een dergelijke verzekering verschuldigde uitkeringen.

TITEL V. Toepassing van Titel III van het Verdrag

Hoofdstuk 1. : Ziekte en moederschap

Toepassing van artikel 19 van het Verdrag

Artikel 16

1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 19 van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over, waarin de tijdvakken van verzekering zijn vermeld welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling verlangt.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende verstrekt door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest. Indien de belanghebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan dit orgaan daarom.

3.

De voorgaande leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing, indien het nodig is met de vroeger krachtens de wettelijke regeling van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering rekening te houden om aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen.

Toepassing van artikel 20 van het Verdrag

Artikel 17

1.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 20 van het Verdrag, laat de belanghebbende zich en zijn gezinsleden inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een bewijs waarin wordt verklaard dat hij voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op deze verstrekkingen heeft. Dit bewijs wordt afgegeven door het bevoegde orgaan, in voorkomend geval na kennisneming van de door de werkgever verstrekte inlichtingen. Indien dit bewijs door de belanghebbende of zijn gezinsleden wordt overgelegd, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats ter zake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.

3.

Indien de belanghebbende de hoedanigheid van seizoenarbeider bezit, is het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs geldig gedurende de gehele voor de seizoenarbeid voorziene tijdsduur, tenzij het bevoegde orgaan het orgaan van de woonplaats tussentijds van de intrekking in kennis stelt.

4.

Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig het eerste lid van dit artikel heeft verricht.

5.

Bij iedere aanvraag om verstrekkingen legt de aanvrager de bewijsstukken over welke krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, gewoonlijk voor de toekenning van verstrekkingen vereist worden.

6.

Bij opneming in een ziekenhuis geeft het orgaan van de woonplaats, zodra het zulks heeft vernomen, aan het bevoegde orgaan kennis van de datum van opneming in de ziekeninrichting, van de vermoedelijke verblijfsduur en van de datum van ontslag.

7.

De belanghebbende of zijn gezinsleden zijn verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in hun omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden van de belanghebbende of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats van de belanghebbende of van een gezinslid. Het bevoegde orgaan stelt het orgaan van de woonplaats eveneens in kennis van het beëindigen van de aansluiting van de belanghebbende of van diens rechten op verstrekkingen. Het orgaan van de woonplaats kan het bevoegde orgaan te allen tijde verzoeken alle inlichtingen te verschaffen omtrent de aansluiting van de belanghebbende of diens rechten op verstrekkingen.

Artikel 18

Indien het grensarbeiders of hun gezinsleden betreft, mogen genees- en verbandmiddelen, brillen, kunstmiddelen van kleine omvang, laboratoriumanalyses en -proeven slechts worden afgegeven of verricht op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar zij werden voorgeschreven, overeenkomstig de wettelijke regeling van deze Partij.

Artikel 19

1.

Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens artikel 20, eerste lid, sub b) van het Verdrag, wendt de belanghebbende zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de woonplaats onder overlegging van een kennisgeving van arbeidsonderbreking of, indien de wettelijke regeling welke door het bevoegde orgaan of het orgaan van de woonplaats wordt toegepast, hierin voorziet, een door de behandelende geneesheer afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid. Bovendien is hij verplicht alle andere krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat vereiste documenten over te leggen, naar gelang van de aard van de aangevraagde uitkeringen.

2.

Wanneer de behandelende geneesheren van het land van de woonplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, wendt de belanghebbende zich rechtstreeks tot het orgaan van de woonplaats, binnen de termijn welke is vastgesteld in de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Dit orgaan laat onmiddellijk de arbeidsongeschiktheid medisch vaststellen en het in het vorige lid bedoelde bewijs uitschrijven.

3.

Het orgaan van de woonplaats zendt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.

4.

Zo spoedig mogelijk oefent het orgaan van de woonplaats de geneeskundige en administratieve controle op de belanghebbende uit en deelt het resultaat daarvan onverwijld mede aan het bevoegde orgaan, dat de bevoegdheid houdt de belanghebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze. Indien laatstbedoeld orgaan besluit de uitkeringen te weigeren, omdat de belanghebbende de controlevoorschriften niet heeft nageleefd, stelt dit orgaan hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de woonplaats.

5.

Onverwijld wordt de belanghebbende van het einde van de arbeidsongeschiktheid in kennis gesteld door het orgaan van de woonplaats, dat daaromtrent het bevoegde orgaan onmiddellijk inlicht. Wanneer laatstbedoeld orgaan zelf beslist dat de belanghebbende weer arbeidsgeschikt is geworden, stelt het hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de woonplaats.

6.

Indien, in hetzelfde geval, voor het einde van de arbeidsongeschiktheid twee verschillende data zijn vastgesteld onderscheidenlijk door het orgaan van de woonplaats en door het bevoegde orgaan, wordt de door het bevoegde orgaan vastgestelde datum aangehouden.

7.

Wanneer de belanghebbende het werk hervat, geeft hij hiervan bericht aan het bevoegde orgaan, indien de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling hierin voorziet.

8.

Het bevoegde orgaan betaalt de uitkeringen met behulp van alle daartoe aangewezen middelen, bij voorbeeld per internationale postwissel, en geeft het orgaan van de woonplaats hiervan kennis. Indien de uitkeringen door het orgaan van de woonplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend, stelt het bevoegde orgaan de belanghebbende van zijn rechten in kennis op de wijze als voorzien bij de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling en geeft gelijktijdig het orgaan aan dat deze uitkeringen zal uitbetalen. Tegelijkertijd doet het bevoegde orgaan het orgaan van de woonplaats mededeling van het bedrag van de uitkeringen, de data waarop zij moeten worden betaald en de maximumduur waarover zij ingevolge de wettelijke regeling van de bevoegde Staat worden toegekend. Het bedrag van de door laatstbedoeld orgaan te betalen uitkeringen wordt omgerekend tegen de officiële wisselkoers welke geldig is op de eerste dag van de maand waarin deze uitkeringen worden betaald.

Toepassing van artikel 21 van het Verdrag

Artikel 20

1.

Om voor zichzelf of voor zijn gezinsleden die hem gedurende zijn detachering vergezellen in aanmerking te komen voor verstrekkingen, legt de in artikel 15, eerste lid, sub a)i) of tweede lid, sub a) van het Verdrag bedoelde loontrekkende aan het orgaan van de verblijfplaats het in artikel 12, eerste lid van het Akkoord bedoelde bewijs over. Wanneer bedoelde loontrekkende dit bewijs heeft overgelegd, wordt hij geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen.

2.

Om voor zichzelf of voor zijn gezinsleden die hem vergezellen, in aanmerking te komen voor verstrekkingen, legt de in artikel 15, eerste lid, sub b) van het Verdrag bedoelde loontrekkende, die zich voor de uitoefening van zijn beroep op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat bevindt, aan het orgaan van de verblijfplaats zo spoedig mogelijk een verklaring over welke door de werkgever of diens vertegenwoordiger in de loop van de twee voorafgaande kalendermaanden is afgegeven. In deze verklaring wordt met name de datum vermeld sedert welke de belanghebbende voor rekening van bedoelde werkgever werkt, alsmede de naam en de plaats van vestiging van het bevoegde orgaan; indien de werkgever evenwel volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat niet wordt geacht het bevoegde orgaan te kennen, geeft bedoelde loontrekkende de naam en de plaats van vestiging van dit orgaan schriftelijk op wanneer de aanvraag bij het orgaan van de verblijfplaats wordt ingediend. Wanneer hij deze verklaring heeft overgelegd, wordt hij geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien hij niet in staat is zich vóór de medische behandeling tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, ontvangt hij deze behandeling desniettegenstaande op vertoon van bedoelde verklaring, alsof hij bij dat orgaan verzekerd was.

3.

Het orgaan van de verblijfplaats richt zich onverwijld tot het bevoegde orgaan, teneinde te vernemen of de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid van dit artikel bedoelde loontrekkende of de betrokken gezinsleden aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen voldoen. Het is verplicht verstrekkingen te verlenen totdat antwoord van het bevoegde orgaan is ontvangen en ten hoogste gedurende dertig dagen.

4.

Het bevoegde orgaan zendt het orgaan van de verblijfplaats antwoord binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek van dit orgaan. Indien dit antwoord bevestigend luidt, deelt het bevoegde orgaan in voorkomend geval de maximumduur mede waarover overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling verstrekkingen mogen worden toegekend en zet het orgaan van de verblijfplaats het verlenen van verstrekkingen voort.

5.

In plaats van het bewijs of de verklaring, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid van dit artikel, kan de loontrekkende aan het orgaan van de verblijfplaats het in artikel 21, eerste lid van het Akkoord bedoelde bewijs overleggen. In dit geval zijn de voorgaande leden van dit artikel niet van toepassing.

6.

Artikel 17, zesde lid van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

1.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, behalve in de gevallen waarin van de in artikel 20, eerste en tweede lid van het Akkoord bedoelde veronderstelling wordt uitgegaan, legt de belanghebbende aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op deze verstrekkingen heeft. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan wordt afgegeven, voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, verlaat, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover overeenkomstig de wettelijke regeling van de bevoegde Staat verstrekkingen mogen worden toegekend. Indien de belanghebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het bevoegde orgaan daarom.

2.

Artikel 17, zesde lid van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22

1.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, eerste lid, sub b)i) van het Verdrag, legt de belanghebbende aan het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij het recht op deze verstrekkingen mag behouden. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan vóór zijn vertrek wordt afgegeven, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat nog verstrekkingen mogen worden verleend. Het bewijs kan op verzoek van de belanghebbende na diens vertrek worden afgegeven, wanneer het wegens overmacht niet voordien kon worden opgemaakt.

2.

Artikel 17, zesde lid van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing.

3.

In het in artikel 21, eerste lid, sub c)i) van het Verdrag bedoelde geval zijn de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23

Artikel 21 dan wel artikel 22 van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing voor de toekenning van verstrekkingen aan de in [artikel 21, derde lid van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003473&artikel=21) bedoelde gezinsleden.

Artikel 24

1.

Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens artikel 21, eerste lid, sub a) ii) van het Verdrag, wendt de belanghebbende zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de verblijfplaats onder overlegging van een door de behandelende geneesheer afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid, voor zover de wettelijke regeling welke door het bevoegde orgaan of het orgaan van de verblijfplaats wordt toegepast, hierin voorziet. Bovendien deelt hij zijn adres in het land waar hij verblijft mede, alsmede de naam en het adres van het bevoegde orgaan.

2.

Wanneer de behandelende geneesheren van het land van de verblijfplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, is artikel 19, tweede lid van het Akkoord van overeenkomstige toepassing.

3.

Het orgaan van de verblijfplaats zendt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.

4.

Indien voor wat betreft andere personen dan de in artikel 15, eerste lid, sub a)i) en tweede lid, sub a) van het Verdrag bedoelde loontrekkenden medisch wordt vastgesteld dat hun gezondheidstoestand geen belemmering vormt voor hun terugkeer naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop zij wonen, geeft het orgaan van de verblijfplaats hun daarvan onmiddellijk kennis en zendt het een afschrift van deze kennisgeving aan het bevoegde orgaan.

5.

Artikel 19, vierde tot en met achtste lid van het Akkoord is bovendien van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van artikel 22, vierde lid van het Verdrag

Artikel 25

1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 22, vierde lid van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven door het orgaan van de woonplaats van deze gezinsleden.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs is geldig gedurende twaalf maanden na de datum van afgifte. Het kan worden vernieuwd; in dit geval loopt de geldigheidsduur te rekenen van de datum van vernieuwing. De belanghebbende is verplicht het bevoegde orgaan onmiddellijk kennis te geven van iedere wijziging welke in dit bewijs moet worden aangebracht. Een dergelijke wijziging wordt van kracht op de dag waarop de omstandigheid welke oorzaak is van de wijziging, zich voordoet.

3.

In de plaats van het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs, kan het bevoegde orgaan verlangen dat de belanghebbende recente stukken van de burgerlijke stand overlegt omtrent zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen, indien het gebruikelijk is dat de autoriteiten van deze Partij dergelijke stukken afgeven.

Toepassing van artikel 23 van het Verdrag

Artikel 26

Artikel 17 van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing voor de toekenning van verstrekkingen aan werklozen en hun gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen.

Toepassing van artikel 24 van het Verdrag

Artikel 27

1.

Om op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 24, tweede lid van het Verdrag, laat de pensioen- of rentetrekker zich en zijn gezinsleden inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een bewijs waarin wordt verklaard dat hij krachtens de wettelijke regeling of krachtens één der wettelijke regelingen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op verstrekkingen heeft.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de pensioen- of rentetrekker door het orgaan of één der organen welke pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen, afgegeven, zodra de pensioen- of rentetrekker voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien de pensioen- of rentetrekker dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen welke pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, ieder ander orgaan dat bevoegd is bedoeld bewijs af te geven, daarom. In afwachting van de ontvangst van dit bewijs, kan het orgaan van de woonplaats de pensioen- of rentetrekker er zijn gezinsleden voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken. Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de verstrekkingen moet dragen slechts bindend, wanneer laatstbedoeld orgaan genoemd bewijs heeft afgegeven.

3.

Het orgaan van de woonplaats stelt het orgaan dat het in het eerste lid van dit artikel bedoeld bewijs heeft afgegeven in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig bedoeld lid heeft verricht.

4.

Bij elke aanvraag om verstrekkingen kan het orgaan van de woonplaats verlangen dat de pensioen- of rentetrekker, aan de hand van het ontvangstbewijs of het strookje van de postwissel van de laatste betaling, aantoont dat hij nog altijd recht op pensioen of rente heeft.

5.

De pensioen- of rentetrekker of zijn gezinsleden zijn verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van elke wijziging in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van elke schorsing of beëindiging van het pensioen of de rente en elke overbrenging van hun woonplaats. De betrokken organen stellen het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker eveneens op de hoogte van elke wijziging waarvan zij kennis dragen.

Artikel 28

1.

Om op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop zij wonen in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 24, vierde lid van het Verdrag, laten de gezinsleden van een pensioen- of rentetrekker zich inschrijven bij het orgaan van hun woonplaats, onder overlegging van de bewijsstukken welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling gewoonlijk vereist worden voor de toekenning van verstrekkingen aan de gezinsleden van een pensioen- of rentetrekker, alsmede van een soortgelijk bewijs als bedoeld in artikel 27, eerste lid van het Akkoord. Bedoeld orgaan stelt het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig het bepaalde in de vorige volzin verricht.

2.

Bij iedere aanvraag om verstrekkingen leggen de gezinsleden aan het orgaan van hun woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat de pensioen- of rentetrekker voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op verstrekkingen heeft; dit bewijs, dat wordt afgegeven door het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker, blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden ter zake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.

3.

Het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker stelt het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden in kennis van de schorsing of intrekking van het pensioen of de rente en van iedere overbrenging van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker. Het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden kan te allen tijde aan het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker verzoeken alle inlichtingen te verschaffen omtrent diens rechten op verstrekkingen.

4.

De gezinsleden zijn verplicht het orgaan van hun woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in hun omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere overbrenging van hun woonplaats.

Artikel 29

1.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 24, zesde lid van het Verdrag, legt de pensioen- of rentetrekker aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op deze verstrekkingen heeft. In dit bewijs, dat het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker uitreikt voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, verlaat, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover overeenkomstig de wettelijke regeling van deze Partij verstrekkingen mogen worden toegekend. Indien de pensioen- of rentetrekker genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het orgaan van de woonplaats daarom.

2.

Artikel 17, zesde lid van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing. In dit geval wordt het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker als bevoegd orgaan beschouwd.

3.

De vorige leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing voor de toekenning van verstrekkingen aan de in artikel 24, zesde lid van het Verdrag bedoelde gezinsleden.

4.

Indien de in de vorige leden van dit artikel voorgeschreven formaliteiten niet gedurende het verblijf van de belanghebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat konden worden vervuld, is artikel 30 van het Akkoord van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van de artikelen 21 en 24 van het Verdrag

Artikel 30

Indien de in artikel 20, eerste, tweede en vijfde lid en de in de artikelen 21 en 22 van het Akkoord voorgeschreven formaliteiten niet gedurende het verblijf van de belanghebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat konden worden vervuld, worden de gemaakte kosten op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan vergoed tegen de tarieven, welke door het orgaan van de verblijfplaats voor de vergoeding worden toegepast. Het orgaan van de verblijfplaats verstrekt het bevoegde orgaan dat zulks verzoekt de nodige inlichtingen over deze tarieven.

Toepassing van artikel 25, derde lid van het Verdrag

Artikel 31

Voor de toepassing van artikel 25, derde lid van het Verdrag, vraagt het orgaan van een Verdragsluitende Partij dat prestaties moet verlenen zo nodig bij het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij gegevens op omtrent de duur waarover laatstbedoeld orgaan reeds prestaties heeft verleend voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap.

Hoofdstuk 2. : Invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen)

Indiening en behandeling van de aanvragen om uitkeringen

Artikel 32

1.

Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens de artikelen 28 tot en met 34 van het Verdrag, richt de aanvrager een aanvraag tot het orgaan van de woonplaats, volgens de voorschriften van de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Indien de aanvrager of de overledene niet aan deze wettelijke regeling onderworpen is geweest, zendt het orgaan van de woonplaats de aanvraag door aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij, aan de wettelijke regeling waarvan de aanvrager of de overledene laatstelijk onderworpen is geweest, zulks onder opgave van de datum waarop de aanvraag werd ingediend. Deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij laatstbedoeld orgaan werd ingediend.

2.

Wanneer de aanvrager woont op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan hijzelf of de overledene niet onderworpen is geweest, kan hij zijn aanvraag richten tot het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan hijzelf of de overledene laatstelijk onderworpen is geweest.

Artikel 33

Voor de indiening van de in artikel 32 van het Akkoord bedoelde aanvragen gelden de volgende regels:

  • a). de aanvraag dient vergezeld te gaan van de vereiste bewijsstukken en te zijn opgesteld op de formulieren, voorgeschreven
  • i). hetzij in de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de aanvrager woont, in het geval bedoeld in artikel 32, eerste lid,
  • ii). hetzij in de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij waaraan de aanvrager of de overledene laatstelijk onderworpen is geweest, in het geval bedoeld in artikel 32, tweede lid;
  • b). de juistheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens moet worden aangetoond door bij het aanvraagformulier gevoegde officiële stukken, of worden bevestigd door de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont;
  • c). voor zover mogelijk moet de aanvrager vermelden, ofwel het orgaan of de organen van de invaliditeits- of ouderdomsverzekering of van de verzekering bij overlijden (pensioenen) van elke Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan hijzelf of de overledene is onderworpen geweest, ofwel de werkgever of werkgevers bij wie hijzelf of de overledene op het grondgebied van elke Verdragsluitende Partij is werkzaam geweest, zulks onder overlegging van de bewijzen van verrichte arbeid waarover hij mocht beschikken.

Artikel 34

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 30, derde lid van het Verdrag, legt de aanvrager een bewijs over betreffende zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen dan die waar het orgaan dat de uitkeringen moet vaststellen gevestigd is. Dit bewijs wordt afgegeven door het orgaan van de ziekteverzekering van de woonplaats van deze gezinsleden of door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen. Artikel 25, tweede en derde lid van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 35

Het orgaan van een Verdragsluitende Partij houdt voor het bepalen van de mate van invaliditeit rekening met alle inlichtingen van medische en administratieve aard welke door het orgaan van enige andere Verdragsluitende Partij zijn ingewonnen. Elk orgaan behoudt echter de bevoegdheid de aanvrager voor eigen rekening door een arts van eigen keuze te laten onderzoeken.

Artikel 36

1.

De aanvragen om uitkering worden behandeld door het betrokken orgaan waaraan zij, overeenkomstig artikel 32 van het Akkoord, naargelang de omstandigheden, zijn gericht of doorgezonden. Dit orgaan wordt „het behandelende orgaan” genoemd.

2.

Het behandelende orgaan geeft alle betrokken organen onmiddellijk kennis van de aanvragen om uitkeringen, opdat deze aanvragen gelijktijdig en onverwijld door deze organen kunnen worden behandeld.

Artikel 37

1.

Voor de behandeling van de aanvragen om uitkeringen maakt het behandelende orgaan gebruik van een formulier waarin met name een opsomming en een samenvatting voorkomen van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke door de belanghebbende zelf of de overledene krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Verdragsluitende Partijen zijn vervuld.

2.

De toezending van dit formulier aan het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij geldt als toezending van bewijsstukken.

Artikel 38

1.

Het behandelende orgaan vermeldt op het in artikel 37, eerste lid van het Akkoord bedoelde formulier de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld en zendt een exemplaar van dit formulier aan het orgaan van de invaliditeits- of ouderdomsverzekering of van de verzekering bij overlijden (pensioenen) van iedere Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan de belanghebbende of de overledene is onderworpen geweest, in voorkomend geval onder bijvoeging van de bewijzen van verrichte arbeid welke de aanvrager heeft overgelegd.

2.

Indien er slechts één ander orgaan bij betrokken is, vult dit orgaan het hem overeenkomstig het vorige lid toegezonden formulier aan met de vermelding van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld. Vervolgens stelt dit orgaan, rekening houdende met artikel 28 van het Verdrag, vast welke rechten op grond van deze wettelijke regeling bestaan en vermeldt op dit formulier het theoretische bedrag en het werkelijke bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig artikel 29, tweede, derde, vierde of vijfde lid van het Verdrag, alsmede eventueel het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken uitsluitend op grond van de krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling vervulde tijdvakken, zonder dat de artikelen 28 tot en met 33 van het Verdrag worden toegepast. Nadat op genoemd formulier nog de rechtsmiddelen en de beroepstermijnen zijn vermeld, wordt het aan het behandelende orgaan teruggezonden.

3.

Indien er twee of meer andere organen bij betrokken zijn, vult elk van deze organen het hem overeenkomstig het eerste lid van dit artikel toegezonden formulier aan met de vermelding van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld en zendt het aan het behandelende orgaan terug. Dit orgaan zendt het aldus aangevulde formulier aan alle betrokken organen; elk van deze organen stelt, rekening houdende met artikel 28 van het Verdrag, vast welke rechten op grond van de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling bestaan en vermeldt op dit formulier het theoretische bedrag en het werkelijke bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig artikel 29, tweede, derde, vierde of vijfde lid van het Verdrag, alsmede eventueel het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken uitsluitend op grond van de krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling vervulde tijdvakken, zonder dat de artikelen 28 tot en met 33 van het Verdrag worden toegepast. Nadat op genoemd formulier nog de rechtsmiddelen en de beroepstermijnen zijn vermeld, wordt het aan het behandelende orgaan teruggezonden.

4.

Wanneer het behandelende orgaan in het bezit is van alle in het tweede of het derde lid van dit artikel bedoelde gegevens, stelt dit orgaan, rekening houdende met artikel 28 van het Verdrag, op zijn beurt vast welke rechten op grond van de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling bestaan en berekent, overeenkomstig artikel 29, tweede, derde, vierde of vijfde lid van het Verdrag, het theoretische bedrag en het werkelijke bedrag van de uitkering dat dit orgaan verschuldigd is, alsmede eventueel het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken uitsluitend op grond van de krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling vervulde tijdvakken, zonder dat de artikelen 28 tot en met 33 van het Verdrag worden toegepast.

5.

Zodra het behandelende orgaan bij ontvangst van de in het tweede of derde lid van dit artikel bedoelde gegevens vaststelt dat artikel 31, tweede of derde lid, artikel 32, tweede, vierde of vijfde lid of artikel 34, eerste lid van het Verdrag moet worden toegepast, stelt het de overige betrokken organen hiervan in kennis.

Artikel 39

1.

Indien het behandelende orgaan vaststelt dat de aanvrager krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling recht heeft op uitkeringen zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering of van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de andere Verdragsluitende Partijen waaraan de belanghebbende of de overledene onderworpen is geweest, betaalt dit orgaan hem deze onmiddellijk als voorlopige uitkering.

2.

Elk orgaan dat overeenkomstig artikel 29, vijfde lid van het Verdrag gerechtigd is de uitkeringen of bestanddelen van uitkeringen welke het de rechthebbende verschuldigd is, rechtstreeks te berekenen, betaalt hem deze uitkeringen onmiddellijk. Indien een ander orgaan dan het behandelende orgaan deze uitkeringen rechtstreeks aan de rechthebbende betaalt, stelt het het behandelende orgaan hiervan onmiddellijk in kennis en reserveert het, met het oog op de toepassing van het zevende lid van dit artikel, het bedrag van de eventuele achterstallige termijnen ten behoeve van elk orgaan dat teveel mocht hebben uitbetaald.

3.

Ingeval het behandelende orgaan uitkeringen betaalt krachtens het eerste lid van dit artikel, vermindert het deze uitkeringen in voorkomend geval met het bedrag van de uitkeringen welke krachtens het vorige lid door ieder ander orgaan werden betaald, zodra het hiervan op de hoogte is.

4.

Indien een van de betrokken organen, het behandelende orgaan uitgezonderd, tijdens de behandeling van de aanvraag vaststelt dat de aanvrager recht heeft op uitkeringen krachtens de door eerstbedoeld orgaan toegepaste wettelijke regeling, zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering of van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de andere Verdragsluitende Partijen waaraan de belanghebbende of de overledene onderworpen is geweest, doet dit orgaan hiervan onverwijld mededeling aan het behandelende orgaan, dat het bedrag van deze uitkeringen onmiddellijk voor rekening van eerstbedoeld orgaan als voorlopige uitkering aan de rechthebbende uitbetaalt, in voorkomend geval onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel.

5.

Ingeval het behandelende orgaan uitkeringen zou moeten betalen krachtens het eerste en het vierde lid van dit artikel, betaalt het alleen de hoogste uitkering, in voorkomend geval onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel.

6.

Ingeval het behandelende orgaan geen uitkeringen krachtens het eerste, tweede of vierde lid van dit artikel betaalt en in gevallen waarin vertraging kan optreden, betaalt dit orgaan de belanghebbende een terugvorderbaar voorschot, waarvan de hoogte wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste tot en met vierde lid van het Verdrag.

7.

Bij de definitieve afdoening van de aanvraag om uitkeringen vereffenen het behandelende orgaan en de andere betrokken organen hun rekeningen betreffende de voorlopige uitkeringen en voorschotten, verleend overeenkomstig het eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel. De door deze organen ter zake teveel betaalde bedragen kunnen worden ingehouden op de termijnbetalingen welke zij aan de belanghebbende moeten verlenen.

Artikel 40

1.

In het in artikel 34, tweede lid van het Verdrag bedoelde geval berekent het behandelende orgaan het definitieve bedrag van de aanvulling dat elk van de betrokken organen moet toekennen en geeft hen daarvan bericht.

2.

Voor de toepassing van artikel 34 van het Verdrag vindt de omrekening van de in verschillende nationale muntsoorten luidende bedragen plaats tegen de officiële wisselkoers welke geldig is op de eerste dag van de maand waarin de laatste vaststellingshandeling plaatsvond.

Artikel 41

Voor de toepassing van artikel 33, tweede en derde lid van het Verdrag zijn de artikelen 38 en 40 van het Akkoord van overeenkomstige toepassing.

Artikel 42

1.

Elk der betrokken organen geeft de aanvrager kennis van de genomen beslissing op zijn aanvraag om uitkeringen, zodra deze beslissing, na overleg met het behandelende orgaan, als definitief kan worden beschouwd en licht hierover tegelijkertijd laatstbedoeld orgaan in. Elke beslissing moet er melding van maken dat het gaat om een gedeeltelijke vaststelling van de uitkering en bovendien aangeven de in de betrokken wettelijke regeling voorziene rechtsmiddelen en beroepstermijnen.

2.

Na de definitieve afdoening van de aanvraag om uitkeringen zendt het behandelende orgaan de aanvrager alle door de betrokken organen genomen beslissingen toe, vergezeld van een samenvatting.

Artikel 43

Ter bespoediging van de vaststelling van de uitkeringen zijn de volgende voorschriften van toepassing:

  • a). wanneer een persoon die voordien aan de wettelijke regeling van één of meer Verdragsluitende Partijen onderworpen was, onderworpen is aan de wettelijke regeling van een andere Verdragsluitende Partij, verzoekt het bevoegde orgaan van laatstbedoelde Partij aan het verbindingsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij of Partijen om alle gegevens, betreffende de organen waarbij de belanghebbende is aangesloten geweest en, eventueel, de inschrijvingsnummers welke hem zijn toegekend;
  • b). op verzoek van de belanghebbende of van het orgaan, waarbij hij is aangesloten beginnen de betrokken organen op zijn vroegst één jaar voor de datum waarop de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, aan het opstellen, voor zover mogelijk, van een overzicht van zijn loopbaan.

Administratieve en medische controle

Artikel 44

1.

Wanneer een rechthebbende op:

  • a). invaliditeitsuitkeringen;
  • b). ouderdomsuitkeringen toegekend in geval van arbeidsongeschiktheid;
  • c). ouderdomsuitkeringen toegekend aan bejaarde werklozen;
  • d). ouderdomsuitkeringen toegekend in geval van beëindiging van de beroepswerkzaamheden;
  • e). uitkeringen aan nagelaten betrekkingen toegekend in geval van invaliditeit of van arbeidsongeschiktheid;
  • f). uitkeringen welke worden toegekend op voorwaarde dat de inkomsten van de rechthebbende een bepaalde grens niet overschrijden;

op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont of verblijft, wordt de administratieve en medische controle op verzoek van het bevoegde orgaan uitgeoefend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats, op de wijze als bepaald in de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wettelijke regeling. Het bevoegde orgaan blijft evenwel bevoegd de rechthebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze.

2.

Indien uit de in het vorige lid bedoelde controle blijkt dat de rechthebbende werkzaamheden verricht of dat hij inkomsten geniet welke de voorgeschreven grens overschrijden, is het orgaan van de woon- of verblijfplaats verplicht het bevoegde orgaan dat om controle heeft verzocht, een rapport toe te zenden. Dit rapport maakt melding van de door het bevoegde orgaan gevraagde inlichtingen en vermeldt in het bijzonder de aard van de verrichte werkzaamheden, het bedrag van de verdiensten of inkomsten, welke de belanghebbende gedurende het laatstelijk verstreken kwartaal genoot, de normale beloning welke tijdens een door het bevoegde orgaan te bepalen referentieperiode in hetzelfde gebied werd genoten door een werknemer van de beroepsgroep waartoe de belanghebbende behoorde in het beroep dat hij uitoefende voor hij invalide werd, alsmede in voorkomend geval het advies van een medisch deskundige omtrent de gezondheidstoestand van de belanghebbende.

Artikel 45

Wanneer de belanghebbende na schorsing van de uitkeringen welke hij genoot, opnieuw recht op uitkeringen verkrijgt, terwijl hij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont, verstrekken de betrokken organen elkaar alle nodige inlichtingen met het oog op de hervatting van bedoelde uitkeringen.

Betaling van de uitkeringen

Artikel 46

1.

Indien het orgaan van een Verdragsluitende Partij dat uitkeringen verschuldigd is, de verschuldigde uitkeringen niet rechtstreeks betaalt aan de rechthebbenden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, wordt de betaling van deze uitkeringen op verzoek van het orgaan dat deze verschuldigd is, verricht door het verbindingsorgaan van laatstbedoelde Partij of door het orgaan van de woonplaats, zulks op de in de artikelen 47 tot en met 51 van het Akkoord bepaalde wijze; indien het orgaan dat uitkeringen verschuldigd is, deze rechtstreeks aan die rechthebbenden betaalt, geeft het van de betaling van de uitkeringen kennis aan het orgaan van de woonplaats.

2.

De bepalingen van vroegere overeenkomsten, welke betrekking hebben op de betaling van uitkeringen en welke van toepassing zijn op de dag vóór de inwerkingtreding van het Akkoord, blijven van toepassing voor zover zij in bijlage 5 zijn vermeld.

Artikel 47

Het orgaan dat uitkeringen verschuldigd is, zendt aan het verbindingsorgaan van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de rechthebbende woont of aan het orgaan van de woonplaats, welke hierna „uitbetalend orgaan” worden genoemd, een borderel in tweevoud van de verschuldigde bedragen, dat uiterlijk twintig dagen voor de vervaldatum van de uitkeringen in het bezit van dit orgaan moet zijn.

Artikel 48

1.

Tien dagen vóór de vervaldatum van de uitkeringen, stort het orgaan dat de uitkeringen verschuldigd is, in de valuta van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het gevestigd is, het bedrag dat nodig is voor de betaling der verschuldigde bedragen welke vermeld staan op het in artikel 47 van het Akkoord bedoelde borderel. Deze storting geschiedt bij de nationale bank of bij een andere bank van deze Partij, op een rekening ten name van de nationale bank of een andere bank van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan het uitbetalende orgaan is gevestigd, aan order van dit orgaan. Deze storting geldt als kwijting van het verschuldigde bedrag. Het orgaan dat de uitkeringen verschuldigd is, zendt tegelijkertijd een bericht van storting aan het uitbetalende orgaan.

2.

De bank op welker rekening de storting heeft plaatsgehad, crediteert het uitbetalende orgaan voor de tegenwaarde van het gestorte bedrag in de valuta van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan bedoeld orgaan is gevestigd.

3.

Naam en plaats van vestiging van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde banken zijn in bijlage 6 vermeld.

Artikel 49

1.

De verschuldigde bedragen welke op het in artikel 47 van het Akkoord bedoelde borderel zijn vermeld, worden door het uitbetalende orgaan voor rekening van het orgaan dat uitkeringen verschuldigd is, aan de rechthebbende betaald. Deze betalingen geschieden op de wijze als bepaald in de door het uitbetalende orgaan toegepaste wettelijke regeling.

2.

Het aan de rechthebbende toekomende bedrag wordt omgerekend in de valuta van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, tegen de koers waartegen het uitbetalende orgaan voor het overeenkomstig artikel 48 van het Akkoord gestorte bedrag werd gecrediteerd.

3.

Zodra het uitbetalend orgaan of enig ander door dit orgaan aangewezen orgaan kennis krijgt van een omstandigheid welke schorsing of intrekking van de uitkeringen rechtvaardigt, staakt het de betalingen. Dit geldt ook wanneer de rechthebbende zijn woonplaats overbrengt naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waarop het uitbetalende orgaan is gevestigd.

4.

Het uitbetalende orgaan stelt het orgaan dat uitkeringen verschuldigd is, in kennis van elke beweegreden voor het staken van de betaling en doet dit orgaan in voorkomend geval mededeling van de datum waarop een gebeurtenis welke zulks rechtvaardigt, heeft plaatsgevonden.

Artikel 50

1.

Aan het einde van elk betalingstijdvak worden de in artikel 49, eerste lid van het Akkoord bedoelde betalingen afgesloten, ten einde vast te stellen welke bedragen in feite aan de rechthebbenden of aan hun wettelijke vertegenwoordigers of gemachtigden zijn uitbetaald, alsmede welke bedragen niet zijn uitbetaald.

2.

Het totale bedrag in cijfers en letters geschreven, uitgedrukt in de valuta van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkeringen verschuldigd is, is gevestigd, wordt gewaarmerkt als zijnde in overeenstemming met de door het uitbetalende orgaan verrichte betalingen en wordt voorzien van de handtekening van de vertegenwoordiger van dit orgaan.

3.

Het uitbetalende orgaan staat borg voor de regelmatigheid van de vastgestelde betalingen.

4.

Het verschil tussen de door het orgaan dat de uitkeringen verschuldigd is gestorte bedragen, uitgedrukt in de valuta van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan dit orgaan is gevestigd en de in dezelfde valuta uitgedrukte waarde van de door het uitbetalende orgaan verantwoorde betalingen, wordt verrekend met op dezelfde grond later door het orgaan dat de uitkeringen verschuldigd is, te storten bedragen.

Artikel 51

De kosten verbonden aan de uitbetaling van de uitkeringen, zoals porto- en bankkosten, kunnen door het uitbetalende orgaan aan de rechthebbenden in rekening worden gebracht, op de wijze, vastgesteld in de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.

Artikel 52

Wanneer de rechthebbende op uitkeringen welke krachtens de wettelijke regeling van een of meer Verdragsluitende Partijen verschuldigd zijn, zijn woonplaats overbrengt van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij naar dat van een andere Verdragsluitende Partij, is hij verplicht hiervan kennis te geven aan het orgaan of de organen welke deze uitkeringen verschuldigd zijn en, in voorkomend geval, aan het uitbetalende orgaan.

Hoofdstuk 3. : Arbeidsongevallen en beroepsziekten

Toepassing van artikel 38 van het Verdrag

Artikel 53

1.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 38, eerste lid, sub a) van het Verdrag, legt de werknemer aan het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op deze verstrekkingen heeft. Dit bewijs wordt afgegeven door het bevoegde orgaan, in voorkomend geval na kennisneming van de door de werkgever verstrekte inlichtingen. Indien de wettelijke regeling van de bevoegde Staat daarin voorziet, legt de werknemer bovendien aan het orgaan van de woonplaats een bericht van ontvangst van de aangifte van een arbeidsongeval of een beroepsziekte over. Indien hij deze stukken niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom en verleent hem in afwachting daarvan verstrekkingen wegens ziekte, voorzover hij recht heeft op dergelijke verstrekkingen.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats ter zake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.

3.

Indien de werknemer de hoedanigheid van seizoenarbeider bezit, is het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs geldig gedurende de gehele voor de seizoenarbeid voorziene tijdsduur, tenzij het bevoegde orgaan het orgaan van de woonplaats tussentijds van de intrekking in kennis stelt.

4.

Bij iedere aanvraag om verstrekkingen legt de werknemer de bewijsstukken over welke krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, gewoonlijk voor de toekenning van verstrekkingen vereist worden.

5.

Bij opneming in een ziekenhuis geeft het orgaan van de woonplaats, zodra het zulks heeft vernomen, aan het bevoegde orgaan kennis van de datum van opneming in de ziekeninrichting, van de vermoedelijke verblijfsduur en van de datum van ontslag.

6.

De werknemer is verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in zijn omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats. Het bevoegde orgaan stelt het orgaan van de woonplaats eveneens in kennis van het beëindigen van de rechten op verstrekkingen van de werknemer. Het orgaan van de woonplaats kan het bevoegde orgaan te allen tijde verzoeken alle inlichtingen te verschaffen omtrent de rechten op verstrekkingen van de werknemer.

7.

Indien het grensarbeiders betreft, mogen genees- en verbandmiddelen, brillen, kunstmiddelen van kleine omvang, laboratoriumanalyses en -proeven slechts worden afgegeven of verricht op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar zij werden voorgeschreven en overeenkomstig de wettelijke regeling van deze Partij.

Artikel 54

1.

Om krachtens artikel 38, eerste lid, sub b) van het Verdrag in aanmerking te komen voor andere uitkeringen dan renten, wendt de werknemer zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de woonplaats onder overlegging van een kennisgeving van arbeidsonderbreking of indien de wettelijke regeling welke door het bevoegde orgaan of het orgaan van de woonplaats wordt toegepast, hierin voorziet, een door de behandelende geneesheer afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid. Bovendien is hij verplicht alle andere krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat vereiste documenten over te leggen, naar gelang van de aard van de aangevraagde uitkeringen.

2.

Wanneer de behandelende geneesheren van het land van de woonplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, wendt de werknemer zich rechtstreeks tot het orgaan van de woonplaats, binnen de termijn welke is vastgesteld in de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Dit orgaan laat onmiddellijk de arbeidsongeschiktheid medisch vaststellen en het in het vorige lid bedoelde bewijs uitschrijven.

3.

Het orgaan van de woonplaats zendt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.

4.

Zo spoedig mogelijk oefent het orgaan van de woonplaats de geneeskundige en administratieve controle op de werknemer uit, alsof het een eigen verzekerde betrof, en deelt het resultaat daarvan onverwijld mede aan het bevoegde orgaan, dat de bevoegdheid houdt de belanghebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze. Indien laatstbedoeld orgaan besluit de uitkeringen te weigeren omdat de werknemer de controlevoorschriften niet heeft nageleefd, stelt dit orgaan hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de woonplaats.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)