Aanvullend Akkoord ter toepassing van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid

Type Verdrag
Publication 2007-02-28
Laatst bijgewerkt 2001-09-12
State In force
Source BWB
artikelen 100
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

Onverwijld wordt de werknemer van het einde van de arbeidsongeschiktheid in kennis gesteld door het orgaan van de woonplaats, dat daaromtrent het bevoegde orgaan onmiddellijk inlicht. Wanneer laatstbedoeld orgaan zelf beslist dat de werknemer weer arbeidsgeschikt is geworden, stelt het hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de woonplaats.

6.

Indien, in hetzelfde geval, voor het einde van de arbeidsongeschiktheid twee verschillende data zijn vastgesteld onderscheidenlijk door het orgaan van de woonplaats en door het bevoegde orgaan, wordt de door het bevoegde orgaan vastgestelde datum aangehouden.

7.

Wanneer de werknemer het werk hervat, geeft hij hiervan bericht aan het bevoegde orgaan, indien de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling hierin voorziet.

8.

Het bevoegde orgaan betaalt de uitkeringen met behulp van alle daartoe aangewezen middelen, bij voorbeeld per internationale postwissel, en geeft het orgaan van de woonplaats hiervan kennis. Indien de uitkeringen door het orgaan van de woonplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend, stelt het bevoegde orgaan de werknemer van zijn rechten in kennis op de wijze als voorzien bij de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling en stelt hem gelijktijdig op de hoogte van het orgaan dat deze uitkeringen zal uitbetalen. Tegelijkertijd doet het bevoegde orgaan het orgaan van de woonplaats mededeling van het bedrag van de uitkeringen, de data waarop zij moeten worden betaald en de maximumduur waarover zij ingevolge de wettelijke regeling van de bevoegde Staat worden toegekend. Het bedrag van de door laatstbedoeld orgaan te betalen uitkeringen wordt omgerekend tegen de officiële wisselkoers welke geldig is op de eerste dag van de maand waarin deze uitkeringen worden betaald.

Toepassing van artikel 40 van het Verdrag

Artikel 55

1.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen, legt de in artikel 15, eerste lid, sub a) i) of tweede lid, sub a) van het Verdrag bedoelde loontrekkende aan het orgaan van de verblijfplaats het in artikel 12, eerste lid van het Akkoord bedoelde bewijs over. Wanneer bedoelde loontrekkende dit bewijs heeft overgelegd, wordt hij geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen.

2.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen, legt de in artikel 15, eerste lid, sub b)i) van het Verdrag bedoelde loontrekkende, die zich voor de uitoefening van zijn beroep op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat bevindt, aan het orgaan van de verblijfplaats zo spoedig mogelijk een verklaring over welke door de werkgever of diens vertegenwoordiger in de loop van de twee voorafgaande kalendermaanden is afgegeven. In deze verklaring wordt met name de datum vermeld sedert welke de belanghebbende voor rekening van bedoelde werkgever werkt, alsmede de naam en de plaats van vestiging van het bevoegde orgaan. Wanneer de loontrekkende deze verklaring heeft overgelegd, wordt hij geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien hij niet in staat is zich vóór de medische behandeling tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, ontvangt hij deze behandeling desniettegenstaande op vertoon van bedoelde verklaring, alsof hij bij dat orgaan verzekerd was.

3.

Het orgaan van de verblijfplaats richt zich onverwijld tot het bevoegde orgaan, teneinde te vernemen of de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid van dit artikel bedoelde loontrekkende aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen voldoet. Het is verplicht verstrekkingen te verlenen totdat antwoord van het bevoegde orgaan is ontvangen en ten hoogste gedurende dertig dagen.

4.

Het bevoegde orgaan zendt het orgaan van de verblijfplaats antwoord binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek van dit orgaan. Indien dit antwoord bevestigend luidt, deelt het bevoegde orgaan in voorkomend geval de maximumduur mede waarover overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling verstrekkingen mogen worden verleend en zet het orgaan van de verblijfplaats het verlenen van verstrekkingen voort.

5.

In plaats van het bewijs of de verklaring, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid van dit artikel, kan de loontrekkende aan het orgaan van de verblijfplaats het in artikel 56, eerste lid van het Akkoord bedoelde bewijs overleggen. In dit geval zijn de voorgaande leden van dit artikel niet van toepassing.

6.

Artikel 53, vijfde lid van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 56

1.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 40, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, behalve in de gevallen waarin van de in artikel 55, eerste en tweede lid van het Akkoord geopperde veronderstelling wordt uitgegaan, legt de werknemer aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op deze verstrekkingen heeft. In dit bewijs, dat op verzoek van de werknemer door het bevoegde orgaan wordt afgegeven, voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, verlaat wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover overeenkomstig de wettelijke regeling van de bevoegde Staat verstrekkingen mogen worden toegekend. Indien de werknemer dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het bevoegde orgaan daarom.

2.

Artikel 53, vijfde lid van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 57

1.

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 40, eerste lid, sub b)i) van het Verdrag, legt de werknemer van het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij het recht op deze verstrekkingen mag behouden. In dit bewijs, dat door het bevoegde orgaan wordt afgegeven, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat nog verstrekkingen mogen worden verleend. Het bevoegde orgaan zendt een afschrift van bedoeld bewijs aan de instelling welke is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij naar het grondgebied waarvan de belanghebbende is teruggekeerd of zijn woonplaats heeft overgebracht.

Het bewijs kan op verzoek van de werknemer na diens vertrek worden afgegeven, wanneer het wegens overmacht niet voordien kon worden opgemaakt.

2.

Artikel 53, vijfde lid van het Akkoord is van overeenkomstige toepassing.

3.

In het in artikel 40, eerste lid, sub c)i) van het Verdrag bedoelde geval zijn de voorafgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Artikel 58

1.

Om krachtens artikel 40, eerste lid, sub a)ii) van het Verdrag in aanmerking te komen voor andere uitkeringen dan renten, wendt de werknemer zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de verblijfplaats en legt, indien de door het bevoegde orgaan of het orgaan van de verblijfplaats toegepaste wettelijke regeling hierin voorziet, een door de behandelende geneesheer afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid over. Hij vermeldt bovendien zijn adres in het land waar hij verblijft, alsmede naam en adres van het bevoegde orgaan.

2.

Wanneer de behandelende geneesheren van het land van de verblijfplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, is artikel 54, tweede lid van het Akkoord van overeenkomstige toepassing.

3.

Het orgaan van de verblijfplaats zendt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.

4.

Indien voor wat betreft andere werknemers dan de in artikel 15, eerste lid, sub a)i) en tweede lid, sub a) van het Verdrag bedoelde loontrekkenden medisch wordt vastgesteld dat hun gezondheidstoestand geen belemmering vormt voor hun terugkeer naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop zij wonen, geeft het orgaan van de verblijfplaats hun daarvan onmiddellijk kennis en zendt het een afschrift van deze kennisgeving aan het bevoegde orgaan.

5.

Bovendien is artikel 54, vierde tot en met achtste lid van het Akkoord van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van de artikelen 38 tot en met 40 van het Verdrag

Artikel 59

1.

Wanneer het arbeidsongeval of de beroepsziekte zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat, moet de desbetreffende aangifte worden gedaan overeenkomstig de wettelijke regeling van de bevoegde Staat, in voorkomend geval onverminderd alle wettelijke bepalingen welke gelden op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop het ongeval of de ziekte zich heeft voorgedaan en die in een dergelijk geval van toepassing moeten blijven. Deze aangifte wordt aan het bevoegde orgaan gericht en aan het orgaan van de woonplaats wordt, zo nodig, een afschrift gezonden.

2.

Het orgaan van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich het arbeidsongeval of de beroepsziekte heeft voorgedaan, zendt het bevoegde orgaan de op dit grondgebied opgestelde geneeskundige verklaringen in tweevoud toe en verstrekt op verzoek van laatstbedoeld orgaan alle ter zake dienende inlichtingen.

3.

De verklaring welke aangeeft dat de getroffene genezen is of dat een blijvende toestand is ingetreden moet in voorkomend geval de toestand van de getroffene nauwkeurig beschrijven en aanwijzingen bevatten omtrent de blijvende gevolgen van het arbeidsongeval of de beroepsziekte. De honoraria hiervoor worden betaald door het orgaan van de woonplaats, casu quo het orgaan van de verblijfplaats, overeenkomstig het door dit orgaan toegepaste tarief en voor rekening van het bevoegde orgaan.

4.

Het bevoegde orgaan geeft het orgaan van de woonplaats, casu quo het orgaan van de verblijfplaats kennis van de beslissing waarin de datum van genezing of consolidatie wordt vastgesteld, alsmede, in voorkomend geval, van de beslissing betreffende de toekenning van een rente.

Artikel 60

1.

Wanneer het betrokken orgaan betwist dat in het in artikel 38, eerste lid of artikel 40, eerste lid van het Verdrag bedoelde geval, de wettelijke regeling inzake arbeidsongevallen of beroepsziekten van toepassing is, stelt het het orgaan van de woonplaats of het orgaan van de verblijfplaats dat de verstrekkingen heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis; de verstrekkingen worden dan als verstrekkingen van de ziekteverzekering beschouwd en worden verder uit dien hoofde verleend, voorzover de belanghebbende recht heeft op dergelijke verstrekkingen.

2.

Wanneer naar aanleiding van dit geschil een definitieve beslissing is genomen, stelt het betrokken orgaan het orgaan van de woonplaats of het orgaan van de verblijfplaats dat de verstrekkingen heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis. Indien het geen arbeidsongeval of beroepsziekte betreft, gaat dit orgaan voort met het verlenen van de verstrekkingen wegens ziekte, voorzover de belanghebbende recht heeft op deze verstrekkingen. In het tegenovergestelde geval, indien het wel een arbeidsongeval of beroepsziekte betreft, worden de door de werknemer genoten verstrekkingen van de ziekteverzekering beschouwd als verstrekkingen wegens arbeidsongeval of beroepsziekte.

Toepassing van artikel 43, vierde lid van het Verdrag

Artikel 61

1.

Voor de beoordeling van de mate van ongeschiktheid in het in artikel 43, vierde lid van het Verdrag bedoelde geval, verstrekt de werknemer aan het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan hij was onderworpen toen het arbeidsongeval of de beroepsziekte zich heeft voorgedaan, alle inlichtingen omtrent de arbeidsongevallen of beroepsziekten waardoor hij reeds eerder werd getroffen, terwijl hij aan de wettelijke regeling van enige andere Verdragsluitende Partij was onderworpen, ongeacht welke mate van ongeschiktheid door deze vroegere arbeidsongevallen of beroepsziekten is ontstaan.

2.

Het bevoegde orgaan kan zich, ter verkrijging van de inlichtingen welke het nodig acht, wenden tot elk ander orgaan dat vroeger bevoegd is geweest.

Toepassing van artikel 44, tweede lid van het Verdrag

Artikel 62

Voor de toepassing van artikel 44, tweede lid van het Verdrag kan het orgaan van een Verdragsluitende Partij dat prestaties moet verlenen voor zover noodzakelijk bij het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij inlichtingen vragen omtrent de duur waarover laatstbedoeld orgaan reeds prestaties heeft verleend voor hetzelfde arbeidsongeval of dezelfde beroepsziekte.

Toepassing van artikel 45, derde lid van het Verdrag

Artikel 63

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 45, derde lid van het Verdrag legt de aanvrager aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven hetzij door het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden dat ter zake van ziekte bevoegd is hetzij door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waar van deze gezinsleden wonen. Bovendien is artikel 25, tweede en derde lid van het Akkoord van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van artikel 46 van het Verdrag

Artikel 64

1.

In het in artikel 46, eerste lid van het Verdrag bedoelde geval wordt de aangifte van de beroepsziekte gezonden hetzij aan het voor beroepsziekten bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wettelijke regeling waarvan de getroffene laatstelijk werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, hetzij aan het orgaan van de woonplaats, dat de aangifte aan eerstbedoeld orgaan doorzendt.

2.

Indien het orgaan waarbij de aangifte is ingediend vaststelt dat werkzaamheden waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, het laatst onder de wettelijke regeling van een andere Verdragsluitende Partij zijn uitgeoefend, zendt het de aangifte en de daarbij gevoegde stukken door aan het overeenkomstige orgaan van deze Partij en licht het hierover tegelijkertijd de belanghebbende in.

3.

Wanneer het orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wettelijke regeling waarvan de getroffene laatstelijk werkzaamheden heeft verricht, waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, vaststelt dat de getroffene of zijn nagelaten betrekkingen niet voldoen aan de voorwaarden van deze wettelijke regeling, rekening houdende met artikel 46, tweede, derde en vierde lid van het Verdrag:

  • a). zendt bedoeld orgaan de aangifte en alle daarbij gevoegde stukken met inbegrip van de bevindingen en verslagen van het geneeskundig onderzoek dat door het eerste orgaan is verricht, alsmede een afschrift van de in de volgende alinea bedoelde beslissing, onverwijld door aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wettelijke regeling waarvan de getroffene voordien werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan;
  • b). stelt bedoeld orgaan de belanghebbende gelijktijdig in kennis van zijn beslissing, onder vermelding van de redenen tot weigering van de uitkeringen, de rechtsmiddelen en beroepstermijnen, alsmede de datum waarop het dossier aan het in de vorige alinea bedoelde orgaan werd doorgezonden.
4.

In voorkomend geval kan volgens dezelfde procedure verder worden teruggegaan tot aan het overeenkomstige orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wettelijke regeling waarvan de getroffene het eerst werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan.

Artikel 65

1.

Indien beroep wordt ingesteld tegen een afwijzende beslissing van het orgaan van een der Verdragsluitende Partijen onder de wettelijke regeling waarvan de getroffene werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, is dit orgaan verplicht hiervan kennis te geven aan het orgaan waaraan de aangifte volgens de procedure van artikel 64, derde lid van het Akkoord eventueel werd doorgezonden en het later op de hoogte te stellen van de definitieve beslissing.

2.

Indien krachtens de wettelijke regeling, toegepast door het orgaan waaraan de aangifte volgens de procedure van artikel 64, derde lid van het Akkoord werd doorgezonden, met inachtneming van artikel 46, tweede, derde en vierde lid van het Verdrag, recht op uitkeringen is ingegaan, verleent dit orgaan de belanghebbende voorschotten waarvan de hoogte wordt vastgesteld in overleg met het orgaan tegen de beslissing waarvan beroep werd ingesteld. Indien het ingestelde beroep tot gevolg heeft dat laatstbedoeld orgaan de uitkeringen moet verlenen, betaalt het het bedrag der verleende voorschotten terug aan eerstbedoeld orgaan en houdt een gelijk bedrag in op de aan de belanghebbende verschuldigde uitkeringen.

Toepassing van artikel 47 van het Verdrag

Artikel 66

In het in artikel 47 van het Verdrag bedoelde geval is de werknemer verplicht aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij, waarbij hij aanspraak op uitkeringen maakt, alle inlichtingen te verstrekken omtrent vroeger voor de betreffende beroepsziekte toegekende uitkeringen en door hem sedert het genot van deze uitkeringen verrichte beroepswerkzaamheden. Dit orgaan kan zich, ter verkrijging van de inlichtingen welke het nodig acht, wenden tot elk ander orgaan dat vroeger bevoegd is geweest.

Indiening en behandeling van aanvragen om renten

Artikel 67

1.

Wanneer een werknemer of diens nagelaten betrekkingen die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen, in het genot wensen te komen van een krachtens de wettelijke regeling van een andere Verdragsluitende Partij toe te kennen rente of uitkering ter aanvulling van een rente, richten zij hun aanvraag, hetzij tot het bevoegde orgaan, hetzij tot het orgaan van de woonplaats, dat deze aan het bevoegde orgaan doorzendt. Voor het indienen van de aanvraag gelden de volgende regels:

  • a). de aanvraag dient vergezeld te gaan van de vereiste bewijsstukken en te zijn opgesteld op de formulieren welke zijn voorgeschreven in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat;
  • b). de juistheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens moet worden aangetoond door bij het aanvraagformulier gevoegde officiële stukken of worden bevestigd door de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont.
2.

Het bevoegde orgaan geeft de aanvrager rechtstreeks of door bemiddeling van het verbindingsorgaan van de bevoegde Staat kennis van zijn beslissing; het zendt een afschrift van deze kennisgeving aan het verbindingsorgaan van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de aanvrager woont.

Administratieve en medische controle

Artikel 68

Wanneer een rentetrekker op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont of verblijft, worden de administratieve en medische controle, alsmede de medische onderzoeken welke nodig zijn bij herziening van renten, op verzoek van het bevoegde orgaan verricht door het orgaan van de woon- of verblijfplaats, op de wijze als bepaald in de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wettelijke regeling. Het bevoegde orgaan blijft evenwel bevoegd de rechthebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze.

Betaling van renten

Artikel 69

De betaling van de renten welke door het orgaan van een Verdragsluitende Partij verschuldigd zijn aan rechthebbenden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, geschiedt overeenkomstig de artikelen 46 tot en met 51 van het Akkoord.

Hoofdstuk 4. : Overlijden (uitkeringen)

Toepassing van de artikelen 49 en 50 van het Verdrag

Artikel 70

Wanneer een persoon die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij woont, in aanmerking wenst te komen voor een uitkering bij overlijden krachtens de wettelijke regeling van een andere Verdragsluitende Partij, richt hij zijn aanvraag of tot het bevoegde orgaan, of tot het orgaan van de woonplaats, vergezeld van de bewijsstukken welke in de door het bevoegde orgaan toegepaste wettelijke regeling vereist worden. De juistheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens moet worden aangetoond door bij de aanvraag gevoegde officiële stukken of worden bevestigd door de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont.

Artikel 71

1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 49 van het Verdrag, legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over waarin de tijdvakken van verzekering of wonen zijn vermeld welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij waaraan de persoon die de aanleiding is tot het ontstaan van het recht op de uitkering bij overlijden, laatstelijk onderworpen is geweest.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende verstrekt door het ter zake van ziekte casu quo ouderdom bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan de persoon die de aanleiding is tot het ontstaan van het recht op de uitkering bij overlijden, laatstelijk onderworpen is geweest. Indien de belanghebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan erom aan laatstbedoeld orgaan.

3.

Indien het nodig is met de vroeger krachtens de wettelijke regeling van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering of wonen rekening te houden om aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen, zijn de vorige leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5. : Werkloosheid

Toepassing van artikel 51 van het Verdrag

Artikel 72

1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 51, eerste of tweede lid van het Verdrag, legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over, waarin de tijdvakken van verzekering, dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden zijn vermeld, welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle aanvullende inlichtingen welke zijn vereist bij de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende verstrekt, hetzij door het voor werkloosheid bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waar van hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Indien de belanghebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan daarom aan een van deze organen, tenzij het voor ziekte bevoegde orgaan in staat is een afschrift van het in artikel 16, eerste lid van het Akkoord bedoelde bewijs te zenden.

3.

Indien het nodig is met vroeger krachtens de wettelijke regeling van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering, dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden rekening te houden om aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen, zijn de vorige leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van artikel 52 van het Verdrag

Artikel 73

1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 52 van het Verdrag, legt de belanghebbende aan het orgaan van zijn nieuwe woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij voldoet aan de door de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen ten aanzien van de vervulling van tijdvakken van verzekering, dienstbetrekking, beroepswerkzaamheden of wonen en verstrekt hij alle aanvullende inlichtingen welke zijn vereist bij de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan verstrekt voordat hij van woonplaats verandert. Dit orgaan zendt een afschrift van dit bewijs aan het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij naar het grondgebied waarvan de belanghebbende zijn woonplaats overbrengt. Indien de belanghebbende dit bewijs niet overlegt of indien het orgaan van de nieuwe woonplaats geen afschrift van dit bewijs heeft ontvangen, verzoekt dit orgaan daarom aan het bevoegde orgaan.

Toepassing van artikel 53 van het Verdrag

Artikel 74

1.

In de gevallen, bedoeld in artikel 53, eerste lid, sub a)ii) en sub b)ii) van het Verdrag wordt het orgaan van de woonplaats beschouwd als het voor de toepassing van artikel 72 van het Akkoord bevoegde orgaan.

2.

In het geval, bedoeld in artikel 53, eerste lid, sub b)iii) van het Verdrag, is artikel 73 van het Akkoord van overeenkomstige toepassing.

3.

Voor de toepassing van artikel 53, tweede lid van het Verdrag, vraagt het orgaan van de woonplaats aan het bevoegde orgaan alle inlichtingen met betrekking tot de rechten van de belanghebbende ten aanzien van laatstbedoeld orgaan.

Toepassing van artikel 54 van het Verdrag

Artikel 75

Voor de toepassing van artikel 54 van het Verdrag, vermeldt het bevoegde orgaan in voorkomend geval op het in artikel 73, eerste lid van het Akkoord bedoelde bewijs de duur waarover het reeds uitkeringen heeft verleend, nadat het recht op uitkeringen voor de laatste maal werd vastgesteld.

Toepassing van artikel 55 van het Verdrag

Artikel 76

Voor de berekening van de uitkeringen welke ten laste komen van een in artikel 55, eerste lid van het Verdrag bedoeld orgaan in de gevallen waarin de belanghebbende zijn laatste werkzaamheden niet gedurende ten minste vier weken heeft uitgeoefend op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar dit orgaan is gevestigd, legt hij aan dit orgaan een verklaring over welke de aard vermeldt van de laatstelijk door hem op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij gedurende tenminste vier weken verrichte werkzaamheden, alsmede de bedrijfstak waarin deze werkzaamheden werden verricht. Indien de werknemer deze verklaring niet overlegt, verzoekt bedoeld orgaan daarom hetzij aan het voor werkloosheid bevoegde orgaan van laatstbedoelde Partij, hetzij aan een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan.

Artikel 77

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 55, tweede lid, van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven, hetzij door het voor ziekte bevoegde orgaan van de woonplaats van deze gezinsleden, hetzij door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen. Bovendien is artikel 25, tweede en derde lid van het Akkoord van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6. : Gezinsuitkeringen

Toepassing van artikel 57 van het Verdrag

Artikel 78

1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 57 van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over waarin de tijdvakken van dienstbetrekking, beroepswerkzaamheden of wonen zijn vermeld, welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle aanvullende inlichtingen welke zijn vereist bij de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende verstrekt, hetzij door het voor gezinsuitkeringen bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wettelijke regeling waarvan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Indien de belanghebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan daarom aan een van deze organen, tenzij het voor ziekte bevoegde orgaan in staat is een afschrift van het in artikel 16, eerste lid van het Akkoord bedoelde bewijs te zenden.

3.

Indien het nodig is met vroeger krachtens de wettelijke regeling van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van dienstbetrekking, beroepswerkzaamheden of wonen rekening te houden om aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen, zijn de vorige leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van de artikelen 59 en 60 van het Verdrag

Artikel 79

1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 59 van het Verdrag, richt de belanghebbende, eventueel door bemiddeling van zijn werkgever, een aanvraag tot het bevoegde orgaan.

2.

Teneinde bij de toepassing van artikel 59, derde lid van het Verdrag de in het vierde lid van laatstgenoemd artikel bedoelde vergelijking te maken, verkrijgt het bevoegde orgaan de gegevens betreffende het bedrag van de kinderbijslag waarin de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de kinderen wonen of worden opgevoed, voorziet, door bemiddeling van de bevoegde autoriteit onder wie dit orgaan ressorteert. Aan het einde van elk kwartaal verzoekt deze bevoegde autoriteit aan de bevoegde autoriteit van bedoelde Verdragsluitende Partij om opgave van deze gegevens, welke gebaseerd dienen te zijn op de stand van de wettelijke regeling op de vijftiende dag van de laatste maand van het laatstbetreffende kwartaal. Deze gegevens vormen de rechtsgeldige grondslag voor de vaststelling van de kinderbijslag voor het volgende kwartaal.

3.

Ter ondersteuning van zijn aanvraag legt de belanghebbende een verklaring omtrent de gezinssamenstelling over, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de burgerlijke stand op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de kinderen wonen of worden opgevoed, indien dergelijke verklaringen gewoonlijk door deze autoriteiten worden afgegeven, of, zo dit niet het geval is, door het door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Deze verklaring dient jaarlijks te worden vernieuwd.

4.

Bovendien verstrekt de belanghebbende in voorkomend geval, op verzoek van het bevoegde orgaan, gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld aan wie de kinderbijslag moet worden uitbetaald op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de kinderen wonen of worden opgevoed.

5.

De belanghebbende dient het bevoegde orgaan, eventueel door bemiddeling van zijn werkgever, in kennis te stellen van elke verandering in de toestand van zijn kinderen waardoor het recht op kinderbijslag kan worden beïnvloed, in het bijzonder van elke overbrenging van hun woonplaats en elke wijziging in het aantal kinderen waarvoor kinderbijslag verschuldigd is.

6.

In het in artikel 59, vijfde lid van het Verdrag bedoelde geval zijn het eerste, derde en vijfde lid van dit artikel van toepassing.

Artikel 80

1.

Indien de belanghebbende in de loop van een kalendermaand of een kalenderkwartaal op het grondgebied van twee Verdragsluitende Partijen een dienstbetrekking heeft vervuld of beroepswerkzaamheden heeft verricht of aldaar heeft gewoond, komt de kinderbijslag waarop hij krachtens de wettelijke regeling van elk van deze Partijen aanspraak kan maken overeen met het aantal daguitkeringen welke krachtens de betreffende wettelijke regeling verschuldigd zijn. Indien volgens een van beide wettelijke regelingen de kinderbijslag maandelijks of per kwartaal wordt toegekend, wordt krachtens deze wettelijke regeling of een zesentwintigste deel van het maandbedrag, of een achtenzeventigste deel van het kwartaalbedrag aan kinderbijslag toegekend voor iedere dag waarover op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Partij een dienstbetrekking werd vervuld, beroepswerkzaamheden werden verricht of aldaar werd gewoond en voor iedere dag, in de wettelijke regeling van deze Partij daarmede gelijkgesteld.

2.

Indien het orgaan van een Verdragsluitende Partij kinderbijslag heeft verleend voor een maand of een gedeelte daarvan, terwijl deze bijslag voor rekening van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij kwam, zal de ten onrechte verleende bijslag tussen deze organen worden verrekend.

Toepassing van artikel 61 van het Verdrag

Artikel 81

1.

Om in aanmerking te komen voor gezinsuitkeringen op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop zij wonen, laten de in artikel 61, eerste lid van het Verdrag bedoelde gezinsleden zich inschrijven bij het orgaan van hun woonplaats, onder overlegging van de bewijsstukken welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling gewoonlijk vereist worden voor de toekenning van gezinsuitkeringen, alsmede van een bewijs waarin wordt verklaard dat de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor het recht op uitkeringen. Dit bewijs bevat de volgende gegevens:

  • a). indien volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat het recht op uitkeringen niet afhankelijk is van voorwaarden inzake het vervullen van een dienstbetrekking of het verrichten van beroepswerkzaamheden, vermeldt het bewijs uitsluitend dat op de belanghebbende de wettelijke regeling van deze Staat van toepassing is;
  • b). indien volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat het recht op uitkeringen afhankelijk is van het gedurende een bepaalde tijd vervullen van een dienstbetrekking of verrichten van beroepswerkzaamheden, vermeldt het bewijs dat aan deze voorwaarde is voldaan;
  • c). indien volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat de duur waarover recht op uitkeringen bestaat overeenkomt met de duur van de tijdvakken van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden, vermeldt het bewijs de duur van de gedurende het betreffende tijdvak vervulde dienstbetrekking of verrichte beroepswerkzaamheden.

Dit bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan verstrekt zodra hij aan de gestelde voorwaarden voldoet. Indien de gezinsleden genoemd bewijs niet overleggen, verzoekt het orgaan van hun woonplaats daarom aan het bevoegde orgaan.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs blijft, in de sub a) en b) bedoelde gevallen, geldig zolang het orgaan van de woonplaats ter zake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen. In het sub c) genoemde geval is dit bewijs echter slechts geldig gedurende drie maanden na de datum van afgifte en moet het door het bevoegde orgaan om de drie maanden ambtshalve worden vernieuwd.

3.

Indien de belanghebbende de hoedanigheid van seizoenarbeider bezit, is het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs geldig gedurende de gehele voor de seizoenarbeid voorziene tijdsduur, tenzij het bevoegde orgaan het orgaan van de woonplaats tussentijds van de intrekking in kennis stelt.

4.

Indien de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen bepaalt dat maandelijks of driemaandelijks uitkeringen worden toegekend, terwijl de wettelijke regeling van de bevoegde Staat bepaalt dat de duur waarover recht op uitkeringen bestaat overeenkomt met de tijdsduur waarover een dienstbetrekking werd vervuld of beroepswerkzaamheden werden verricht, worden de uitkeringen toegekend naar de verhouding van deze tijdsduur ten opzichte van de bij de wettelijke regeling van het land van de woonplaats van de gezinsleden bepaalde duur.

5.

Indien de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen bepaalt dat de uitkeringen worden toegekend voor een aantal dagen dat overeenkomt met de dagen waarover een dienstbetrekking werd vervuld of beroepswerkzaamheden werden verricht, terwijl de wettelijke regeling van de bevoegde Staat bepaalt dat recht op uitkeringen bestaat voor een gehele maand of een geheel kwartaal, worden de uitkeringen voor een maand of een kwartaal toegekend.

6.

Wanneer de tijdvakken van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden welke krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat zijn vervuld, in andere eenheden worden uitgedrukt dan die welke dienen voor de berekening van de uitkeringen krachtens de wetttelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen, vindt in de in het vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde gevallen de omrekening plaats overeenkomstig artikel 15, derde lid van het Akkoord.

7.

Het bevoegde orgaan stelt het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden onmiddellijk in kennis van de datum met ingang waarvan de belanghebbende niet langer recht op uitkeringen heeft of zijn woonplaats van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij naar dat van een andere Verdragsluitende Partij overbrengt. Het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden kan te allen tijde aan het bevoegde orgaan verzoeken alle inlichtingen te verstrekken omtrent de rechten van de belanghebbende op uitkeringen.

8.

De gezinsleden zijn verplicht bet orgaan van hun woonplaats in kennis te stellen van elke verandering in hun omstandigheden waardoor het recht op uitkeringen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van elke overbrenging van hun woonplaats.

Artikel 82

Indien gezinsleden in de loop van een kalendermaand of kalenderkwartaal hun woonplaats van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij naar dat van een andere Verdragsluitende Partij overbrengen, komen de gezinsuitkeringen welke hun krachtens de wettelijke regeling van elk van deze Partijen worden toegekend overeen met het aantal dagelijkse uitkeringen welke krachtens de betreffende wettelijke regeling verschuldigd zijn. Indien volgens een van beide wettelijke regelingen de uitkeringen maandelijks of per kwartaal worden toegekend, worden deze uitkeringen toegekend naar evenredigheid van de tijdsduur waarover de belanghebbenden gedurende de betreffende maand of het betreffende kwartaal op het grondgebied van de betrokken Partij hebben gewoond.

Toepassing van artikel 62 van het Verdrag

Artikel 83

1.

Om in aanmerking te komen voor gezinsuitkeringen op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop zij wonen, leggen de in artikel 62 van het Verdrag bedoelde gezinsleden aan het orgaan van hun woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat de belanghebbende in het genot is van werkloosheidsuitkeringen krachtens de wettelijke regeling van een andere Verdragsluitende Partij en dat hij recht zou hebben op gezinsuitkeringen indien hij met zijn gezinsleden op het grondgebied van de bevoegde Staat woonde. Dit bewijs wordt afgegeven hetzij door het voor werkloosheid bevoegde orgaan van laatstbedoelde Staat, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van deze Staat aangewezen orgaan. Indien de gezinsleden dit bewijs niet overleggen, verzoekt het orgaan van de woonplaats daarom aan het bevoegde orgaan.

2.

De artikelen 81 en 82 van het Akkoord zijn van overeenkomstige toepassing.

TITEL VI. Diverse bepalingen

Artikel 84

Het orgaan van de woonplaats van een persoon die ten onrechte prestaties heeft genoten of het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze persoon woont, verleent zijn goede diensten aan het orgaan van elke andere Verdragsluitende Partij dat deze prestaties heeft verstrekt, indien laatstbedoeld orgaan verhaal op de betrokken persoon wil nemen.

Artikel 85

1.

Indien bij de vaststelling of de herziening van uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) krachtens Titel III, hoofdstuk 2 van het Verdrag, het orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop deze recht heeft, kan dit orgaan aan het orgaan van enige andere Verdragsluitende Partij dat overeenkomstige uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de aan bedoelde rechthebbende verschuldigde achterstallige termijnen. Laatstbedoeld orgaan maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft. Indien de terugvordering niet met de achterstallige termijnen kan worden verrekend, is het volgende lid van toepassing.

2.

Wanneer het orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan, op de wijze en binnen de grenzen als bepaald in de door dit orgaan toegepaste wetgeving, aan het orgaan van enige andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de bedragen welke het aan bedoelde rechthebbende betaalt. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekening is toegestaan bij de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof het door dit orgaan zelf teveel betaalde bedragen betrof en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.

3.

Wanneer het orgaan van een Verdragsluitende Partij voorschotten op uitkeringen heeft verleend voor een tijdvak waarover de rechthebbende recht had op overeenkomstige uitkeringen krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij, kan dit orgaan aan het orgaan van de andere Partij verzoeken het bedrag van deze voorschotten in te houden op de bedragen welke het voor hetzelfde tijdvak aan bedoelde rechthebbende verschuldigd is. Laatstbedoeld orgaan gaat tot deze inhouding over en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.

Artikel 86

Wanneer een persoon op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij sociale bijstand heeft genoten gedurende een tijdvak waarover hij krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij recht op uitkeringen had, kan de instelling welke de sociale bijstand heeft verleend, indien deze een wettelijk verhaalsrecht heeft op uitkeringen welke verschuldigd zijn aan personen die sociale bijstand genieten, aan het orgaan van enige andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan de betrokken persoon verschuldigd is, verzoeken het bedrag van de over genoemd tijdvak verleende sociale bijstand in te houden op de bedragen welke het aan bedoelde persoon betaalt. Laatstbedoeld orgaan gaat tot deze inhouding over en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan de instelling welke de vordering heeft.

Artikel 87

1.

Ingeval het recht op verstrekkingen niet door het als bevoegd aangeduide orgaan wordt erkend, worden de verstrekkingen welke door het orgaan van de verblijfplaats werden verleend op grond van de in artikel 20, tweede lid of artikel 55, tweede lid van het Akkoord geopperde veronderstelling, door eerstbedoeld orgaan vergoed.

2.

De door het orgaan van de woonplaats of door het orgaan van de verblijfplaats verrichte uitgaven voor krachtens artikel 60, eerste lid van het Akkoord verleende verstrekkingen, terwijl de belanghebbende geen recht op verstrekkingen heeft, worden vergoed door het orgaan dat door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij is aangewezen.

3.

Het orgaan dat onverschuldigd verleende verstrekkingen heeft vergoed krachtens het eerste of tweede lid van dit artikel, behoudt op de persoon die verstrekkingen heeft genoten een schuldvordering welke gelijk is aan de waarde van de onverschuldigd verleende verstrekkingen.

Artikel 88

Ingeval tussen de organen of de bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen een geschil bestaat hetzij over de wetgeving welke krachtens Titel II van het Verdrag moet worden toegepast, hetzij over de vaststelling van het orgaan dat prestaties moet verlenen, ontvangt de belanghebbende die aanspraak op prestaties zou kunnen maken indien dit geschil niet bestond, voorlopig de prestaties welke in de door het orgaan van de woonplaats toegepaste wetgeving zijn voorzien of, indien de belanghebbende niet op het grondgebied van een der betrokken Verdragsluitende Partijen woont, de prestaties welke zijn voorzien in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest. Nadat het geschil is beslecht komen de prestaties welke voorlopig zijn verleend, voor rekening van het orgaan dat bevoegd is verklaard voor het verlenen van de prestaties.

Artikel 89

Indien het bevoegde orgaan van een Verdragsluitende Partij het, met het oog op de toepassing van zijn wetgeving of van het Verdrag, in bepaalde gevallen noodzakelijk acht dat een onderzoek wordt ingesteld op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, kan het daartoe een met het onderzoek belaste persoon aanwijzen, nadat de bevoegde autoriteiten van de beide betrokken Verdragsluitende Partijen hierover overeenstemming hebben bereikt. De bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het onderzoek plaatsvindt, verleent zijn medewerking aan de met het onderzoek belaste persoon, in het bijzonder door iemand aan te wijzen die hem terzijde moet staan bij de raadpleging van de processenverbaal en van alle andere stukken welke op het betreffende geval betrekking hebben.

Artikel 90

Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij uitsluitend als gezinsleden of huisgenoten beschouwt de personen die bij de belanghebbende inwonen, kan het orgaan dat deze wetgeving toepast, verlangen dat de omstandigheid dat deze gezinsleden of huisgenoten, wanneer zij niet aan deze voorwaarde voldoen, in hoofdzaak op kosten van de belanghebbende worden onderhouden, wordt bewezen door middel van stukken waaruit blijkt dat de belanghebbende in belangrijke mate in hun onderhoud voorziet.

Artikel 91

Van overeenkomsten welke worden gesloten krachtens artikel 26, eerste lid, artikel 32, derde of zesde lid, artikel 41, artikel 42, derde lid, artikel 46, vijfde lid, artikel 56, eerste lid, artikel 58, eerste lid, artikel 67, tweede lid, artikel 69, derde lid, artikel 70, tweede of derde lid van het Verdrag, alsmede krachtens artikel 5 van het Akkoord, wordt binnen drie maanden nadat ze in werking zijn getreden mededeling gedaan aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 92

1.

De bijlagen bedoeld in artikel 4 van het Akkoord, zijn daarvan een wezenlijk bestanddeel.

2.

Van elke wijziging van de bijlagen van het Akkoord zal door de belanghebbende Verdragsluitende Partij of Partijen kennisgeving worden gedaan aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

3.

Ter zake van een voorstel tot wijziging van bijlage 5 van het Akkoord, is de in artikel 73, tweede en derde lid van het Verdrag voorgeschreven procedure van overeenkomstige toepassing.

TITEL VII. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 93

Indien na de inwerkingtreding van het Verdrag bij het orgaan van een Verdragsluitende Partij een aanvraag om invaliditeitsuitkeringen, ouderdomsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen wordt ingediend, leidt dit, overeenkomstig het bepaalde in het Verdrag, ambtshalve tot herziening van de uitkeringen welke door het orgaan of de organen van een of meer andere Verdragsluitende Partijen vóór de inwerkingtreding van het Verdrag voor hetzelfde geval werden vastgesteld.

Artikel 94

1.

Het Akkoord kan worden ondertekend door de Lid-Staten van de Raad van Europa welke het Verdrag hebben ondertekend, en deze kunnen Partij worden door:

  • a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding;
  • b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding, gevolgd door bekrachtiging of aanvaarding.
2.

Elke Staat welke het Akkoord ondertekent zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding of welke dit Akkoord bekrachtigt of aanvaardt, dient tegelijkertijd het Verdrag te bekrachtigen of te aanvaarden.

3.

De akten van bekrachtiging of aanvaarding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 95

1.

Het Akkoord treedt op dezelfde datum als het Verdrag in werking.

2.

Voor elke Lid-Staat welke het Akkoord nadien zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding ondertekent of het bekrachtigt of aanvaardt, treedt het in werking drie maanden na de datum van ondertekening of van nederlegging van de akte van bekrachtiging of aanvaarding.

Artikel 96

1.

Elke Staat welke geen lid is van de Raad van Europa en op uitnodiging van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, overeenkomstig artikel 77 van het Verdrag, tot dit Verdrag toetreedt, dient tegelijkertijd tot het Akkoord toe te treden.

2.

Toetreding vindt plaats door nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van een akte van toetreding, welke van kracht wordt drie maanden na de datum van nederlegging.

Artikel 97

1.

Het Akkoord heeft dezelfde werkingsduur als het Verdrag.

2.

Geen enkele Verdragsluitende Partij kan het Akkoord opzeggen zonder tegelijkertijd het Verdrag op te zeggen onder de bij artikel 78 van dit Verdrag vastgestelde voorwaarden.

3.

De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum waarop de kennisgeving daarvan door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa is ontvangen.

Artikel 98

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa zal binnen een maand aan de Verdragsluitende Partijen, de ondertekenende Staten en de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau mededeling doen van:

  • a). elke ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding;
  • b). elke ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding;
  • c). de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;
  • d). elke datum van inwerkingtreding van het Akkoord overeenkomstig de artikelen 95 en 96;
  • e). elke kennisgeving, ontvangen ingevolge artikel 97 van het Akkoord, en de datum waarop de opzegging van kracht wordt;
  • f). elke mededeling of kennisgeving, ontvangen ingevolge artikel 91 en artikel 92, tweede lid van het Akkoord.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this supplementary Agreement.

DONE at Paris, this 14th day of December 1972, in English and in French, both texts being equally authoritative, in a single copy, which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding States.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)