Overeenkomst tot oprichting van de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank

Type Verdrag
Publication 1977-01-10
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De landen namens welke deze Overeenkomst is ondertekend, komen overeen de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank op te richten, die werkzaam zal zijn in overeenstemming met de volgende bepalingen:

Artikel I. DOEL EN TAKEN

Sectie 1. Doel

Het doel van de Bank is bij te dragen tot versnelling van het proces van economische en sociale ontwikkeling van de in ontwikkeling zijnde regionale lid-landen, zowel afzonderlijk als te zamen.

Sectie 2. Taken

  • (a). Om aan haar doel te beantwoorden, vervult de Bank de volgende taken:
  • (i). het bevorderen van kapitaalinvesteringen door de overheid en door particulieren voor ontwikkelingsdoeleinden;
  • (ii). het gebruiken van haar eigen kapitaal, van door haar op geldmarkten verkregen fondsen, en van andere beschikbare middelen voor financiering van de ontwikkeling van de lid-landen, daarbij prioriteit verlenend aan die leningen en garanties die op de meest doeltreffende wijze bijdragen aan hun economische groei;
  • (iii). het bevorderen van particuliere investeringen in projecten, ondernemingen en activiteiten die bijdragen aan de economische ontwikkeling en het aanvullen van particuliere investeringen wanneer particulier kapitaal niet beschikbaar is op redelijke voorwaarden;
  • (iv). het samenwerken met de lid-landen ten einde hun ontwikkelingsbeleid te richten op een beter gebruik van hun middelen op een wijze die in overeenstemming is met het doel hun economieën meer complementair te maken en de regelmatige groei van hun buitenlandse handel te bevorderen; en
  • (v). het verlenen van technische hulp bij de voorbereiding, financiering en tenuitvoerlegging van ontwikkelingsplannen en -projecten, met inbegrip van het bestuderen van prioriteiten en het opstellen van specifieke voorstellen voor projecten.
  • (b). Bij het uitvoeren van haar taken werkt de Bank zoveel mogelijk samen met nationale en internationale instellingen alsmede met particuliere verschaffers van investeringskapitaal.

Artikel II. LIDMAATSCHAP EN KAPITAAL VAN DE BANK

Sectie 1. Lidmaatschap

  • (a). De oorspronkelijke leden van de Bank zijn die leden van de Organisatie van Amerikaanse Staten die op de in artikel XV, sectie 1 (a) aangegeven datum het lidmaatschap van de Bank aanvaarden.
  • (b). Het lidmaatschap staat open voor andere leden van de Organisatie van Amerikaanse Staten en voor Canada, de Bahama-eilanden en Guyana op de tijdstippen en de voorwaarden die de Bank kan bepalen. Niet-regionale landen die lid zijn van het Internationale Monetaire Fonds en Zwitserland kunnen eveneens worden toegelaten tot de Bank op de tijdstippen en krachtens de algemene regels die de Raad van Bestuur heeft vastgesteld. Zodanige algemene regels kunnen slechts worden gewijzigd bij besluit van de Raad van Bestuur met een twee derde meerderheid van het totaal aantal bestuurders, waaronder begrepen twee derde van de bestuurders van niet-regionale leden, die ten minste drie vierde van het totaal aantal stemmen van de lid-landen vertegenwoordigen.

Sectie 1A. Categorieën van middelen

De middelen van de Bank bestaan uit de in dit lid bedoelde gewone kapitaalmiddelen, de in artikel IIA bedoelde interregionale kapitaalmiddelen en de middelen van het in artikel IV ingestelde Fonds voor Speciale Operaties (hierna te noemen het Fonds).

Sectie 2. Gewoon maatschappelijk kapitaal

  • (a). Het gewoon maatschappelijk aandelenkapitaal van de Bank bedraagt oorspronkelijk achthonderdvijftig miljoen dollar ($850.000.000) uitgedrukt in VS dollars van het gewicht en met het gehalte geldende op 1 januari 1959 en wordt verdeeld in 85.000 aandelen, met een pari-waarde van $10.000 elk, waarop overeenkomstig sectie 3 van dit artikel door de leden kan worden ingeschreven.1)Noot van de Secretaris—Bij resoluties van verschillende data, waarvan de laatste van kracht werd op de datum waarop deze tekst werd gewaarmerkt, heeft de Raad van Bestuur het maatschappelijk kapitaal van de Bank verhoogd tot 8.465.810.000 V.S. dollars, van het gewicht en met het gehalte zoals boven vermeld (ter waarde van 10.212.673.000 dollars tegen de huidige wisselkoers), verdeeld in 846.581 aandelen. Deze resoluties hebben eveneens elders in de Overeenkomst vermelde dollarbedragen en aantallen aandelen betrekking hebbend op het gewoon maatschappelijk kapitaal gewijzigd.
  • (b). Het gewoon maatschappelijk aandelenkapitaal wordt verdeeld in volgestorte aandelen en niet-volgestorte aandelen. Aandelen met een tegenwaarde van vierhonderd miljoen dollar ($400.000.000) zullen volgestorte aandelen zijn, en aandelen ter waarde van vierhonderdvijftig miljoen dollar ($450.000.000) zullen niet-volgestorte aandelen zijn voor de doeleinden aangegeven in sectie 4 (a) (ii) van dit artikel.
  • (c). Het onder letter (a) van dit lid bedoelde gewone kapitaal wordt verhoogd met vijfhonderd miljoen dollar ($500.000.000) uitgedrukt in VS dollars van het gewicht en met het gehalte zoals deze golden op 1 januari 1959, met dien verstande dat:
  • (i). de overeenkomstig sectie 4 van dit artikel vastgestelde betaaldatum voor alle inschrijvingen is verstreken; en
  • (ii). de Raad van Bestuur, tijdens een zo spoedig mogelijk na de onder (i) van deze sectie bedoelde datum gehouden gewone of bijzondere vergadering, zijn goedkeuring heeft gehecht aan bovenvermelde verhoging van vijfhonderd miljoen dollar ($ 500.000.000) met een drie vierde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen.
  • (d). De onder de voorgaande letter bedoelde kapitaalverhoging geschiedt in de vorm van niet-volgestort kapitaal.
  • (e). Onverminderd het bepaalde onder de letters (c) en (d) van deze sectie en behoudens het bepaalde in artikel VIII, sectie 4 (b), kan het gewoon maatschappelijk kapitaal worden verhoogd wanneer de Raad van Bestuur zulks wenselijk acht en op een wijze die is overeengekomen met een drie vierde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, waaronder begrepen een twee derde meerderheid van de bestuurders van regionale leden.
  • (f). Wanneer het interregionaal maatschappelijk aandelenkapitaal wordt verhoogd ingevolge artikel IIA, sectie 1 (c), en een lid maakt gebruik van de in artikel II, sectie 3 (f), voorziene keuzemogelijkheid, dan wordt het gewone aandelenkapitaal verhoogd met het bedrag dat nodig is om een zodanig lid in staat te stellen gebruik te maken van die keuzemogelijkheid en het voor inschrijving door dat lid beschikbare interregionale aandelenkapitaal wordt verminderd met een gelijk bedrag en wordt dienovereenkomstig geannuleerd.

Sectie 3. Inschrijving op aandelen

  • (a). Ieder regionaal lid schrijft in op aandelen van het gewone kapitaal en niet-regionale leden kunnen daarop inschrijven overeenkomstig de onder letter (b) van dit lid gestelde voorwaarden alsmede op de voorwaarden die de Raad van Bestuur vaststelt. Het aantal aandelen waarop door de oorspronkelijke leden dient te worden ingeschreven, is vermeld in Bijlage A bij deze Overeenkomst waarin de verplichting van ieder lid ten aanzien van zowel het volgestorte als het niet-volgestorte kapitaal wordt omschreven. Het aantal aandelen waarop andere leden dienen in te schrijven, wordt door de Bank vastgesteld.
  • (b). In geval van een verhoging van het gewone kapitaal ingevolge sectie 2, onder de letters (c) of (e) van dit artikel of van een verhoging van het interregionale kapitaal ingevolge artikel IIA, sectie 1 (c) of van een verhoging van zowel het gewone als het interregionale kapitaal, heeft ieder lid het recht, op de voorwaarden die de Bank bepaalt, in te schrijven voor een evenredig deel van het bedrag waarmee het kapitaal wordt verhoogd gelijkstaand met de verhouding waarin de aandelen waarvoor het reeds heeft ingeschreven staan tot het totale geplaatste kapitaal van de Bank. Geen lid zal echter verplicht zijn in te schrijven op een gedeelte van een zodanig verhoogd kapitaal.
  • (c). De aandelen van het gewone aandelenkapitaal waarvoor de oorspronkelijke leden aanvankelijk hebben ingeschreven, worden uitgegeven a pari. Andere aandelen worden eveneens a pari uitgegeven tenzij de Bank onder bijzondere omstandigheden besluit ze op andere voorwaarden uit te geven.
  • (d). De aansprakelijkheid van de lid-landen uit hoofde van hun aandelenbezit van het gewone kapitaal is beperkt tot het niet-betaalde gedeelte van de prijs van uitgifte.
  • (e). De aandelen van het gewone kapitaal worden op generlei wijze verpand of bezwaard en zijn slechts aan de Bank overdraagbaar.
  • (f). Ieder lid dat het recht heeft in te schrijven op het interregionale aandelenkapitaal van de Bank krachtens het bepaalde onder letter (b) van deze sectie, heeft de mogelijkheid dat recht terzijde te stellen en in plaats daarvan in te schrijven op een gelijk bedrag van het gewone aandelenkapitaal.

Sectie 4. Betaling der inschrijvingen

  • (a). Betaling der inschrijvingen op het gewone kapitaal van de Bank ls vermeld in Bijlage A geschiedt als volgt:
  • (i). Het door ieder land op het volgestorte kapitaal van de Bank ingeschreven bedrag wordt betaald in drie termijnen, waarbij de eerste betaling 20 procent van dat bedrag uitmaakt, en de tweede en derde elk 40 procent. De eerste termijn wordt door ieder land betaald op enig tijdstip op of na de datum waarop deze Overeenkomst namens dat land overeenkomstig artikel XV, sectie 1 is ondertekend en de akte van aanvaarding of bekrachtiging is nedergelegd, doch niet later dan 30 september 1960. De resterende twee termijnen worden betaald op de data die de Bank bepaalt, maar niet eerder dan onderscheidenlijk 30 september 1961 en 30 september 1962. Van iedere termijnbetaling wordt 50 procent betaald in goud en/of dollars en 50 procent in de valuta van het betrokken lid.
  • (ii). Het niet-volgestorte deel van de inschrijving op gewone kapitaalaandelen van de Bank kan slechts worden gevorderd wanneer de Bank dit nodig heeft om te voldoen aan haar verplichtingen aangegaan krachtens artikel III, sectie 4 (ii) en (v), uit hoofde van het lenen van fondsen voor toevoeging aan de gewone kapitaalmiddelen van de Bank of van ten laste van die middelen komende garanties. In geval van een zodanige vordering kan de betaling naar keuze van het lid geschieden in goud, in VS dollars, of in de valuta die nodig is om te voldoen aan de verplichtingen van de Bank die aanleiding zijn tot het verzoek tot storting. Verzoeken tot storting op niet-betaalde inschrijvingen dienen een gelijk percentage van alle aandelen te betreffen.
  • (b). Elke betaling door een lid in diens eigen valuta gedaan ingevolge het bepaalde onder letter (a) (i) van deze sectie beloopt het bedrag dat de Bank acht gelijkwaardig te zijn aan de volledige waarde van het gedeelte van de inschrijving dat wordt betaald, uitgedrukt in VS dollars van het gewicht en met het gehalte zoals deze golden op 1 januari 1959. De aanvankelijke betaling beloopt het bedrag dat het lid op grond van deze bepalingen juist acht, doch wordt aangepast op de wijze die de Bank nodig oordeelt ten einde de volledige tegenwaarde in dollars zoals bedoeld in dit lid te vormen, en wel binnen 60 dagen na de datum waarop de betaling was verschuldigd.
  • (c). Tenzij anders bepaald door de Raad van Bestuur met een drie vierde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, is de verplichting van leden tot betaling van de tweede en de derde termijn van het volgestorte deel van hun inschrijvingen op het aandelenkapitaal afhankelijk van de betaling van ten minste 90 procent van de totale verplichtingen van de leden verschuldigd voor:
  • (i). respectievelijk de eerste en de tweede termijn van het volgestorte deel van de inschrijvingen; en
  • (ii). de aanvankelijke betaling en alle voorgaande verzoeken tot betaling van de inschrijvingsquota's op het Fonds.

Sectie 5. Gewone kapitaalmiddelen

In deze Overeenkomst wordt onder de term „gewone kapitaalmiddelen” van de Bank verstaan:

  • (i). het gewoon maatschappelijk kapitaal, zowel de volgestorte als de niet-volgestorte aandelen omvattende, ingeschreven ingevolge sectie 2 en sectie 3 van dit artikel;
  • (ii). alle fondsen verkregen uit leningen aangegaan krachtens de in artikel VII, sectie 1 (i), verleende bevoegdheid, waarop de verplichting genoemd in sectie 4 (a) (ii) van dit artikel van toepassing is;
  • (iii). alle fondsen ontvangen als terugbetaling van leningen die zijn verstrekt met de onder (i) en (ii) van deze sectie aangeduide middelen;
  • (iv). alle inkomsten afkomstig van leningen uit bovengenoemde fondsen of van garanties waarop de verplichting genoemd in sectie 4 (a) (ii) van dit artikel van toepassing is; en
  • (v). alle andere inkomsten uit enige van de bovenvermelde middelen.

Artikel IIA. INTERREGIONAAL KAPITAAL VAN DE BANK

Sectie 1. Interregionaal maatschappelijk kapitaal

  • (a). Het oorspronkelijk interregionaal maatschappelijk kapitaal van de Bank bedraagt vierhonderdtwintig miljoen dollar ($ 420.000.000) uitgedrukt in VS dollars van het gewicht en met het gehalte zoals deze golden op 1 januari 1959 en wordt verdeeld in 42.000 aandelen, met een pari-waarde van $ 10.000 elk, waarop overeenkomstig sectie 2 van dit artikel door de leden kan worden ingeschreven.
  • (b). Het interregionaal maatschappelijk kapitaal wordt verdeeld in volgestorte aandelen en niet-volgestorte aandelen. Van het oorspronkelijk interregionaal maatschappelijk kapitaal wordt de tegenwaarde van zeventig miljoen dollar ($ 70.000.000) gevormd door volgestorte aandelen en driehonderdvijftig miljoen dollar ($ 350.000.000) wordt gevormd door niet-volgestorte aandelen voor de doeleinden aangegeven in sectie 3 (c) van dit artikel.
  • (c). Behoudens de bepalingen van artikel VIII, sectie 4 (b), kan het interregionaal maatschappelijk kapitaal worden verhoogd wanneer de Raad van Bestuur zulks wenselijk acht en op een wijze die is overeengekomen met een twee derde meerderheid van het totaal aantal bestuurders, waaronder begrepen twee derde van de bestuurders van regionale leden, die ten minste drie vierde van het totaal aantal stemmen van de lid-landen vertegenwoordigen.
  • (d). Wanneer het gewoon maatschappelijk kapitaal wordt verhoogd ingevolge artikel II, sectie 2 (e), en een lid maakt gebruik van de in artikel IIA, sectie 2 (g), voorziene keuzemogelijkheid, dan wordt het interregionaal kapitaal verhoogd met het bedrag dat nodig is om een zodanig lid in staat te stellen gebruik te maken van die keuzemogelijkheid en de voor inschrijving door dat lid beschikbare gewone kapitaalaandelen worden verminderd met een gelijk bedrag en worden dienovereenkomstig geannuleerd.

Sectie 2. Inschrijving op aandelen van interregionaal kapitaal

  • (a). Ieder niet-regionaal lid schrijft in op aandelen van het interregionaal aandelenkapitaal en regionale leden kunnen daarop inschrijven overeenkomstig de in artikel II, sectie 3 (b) gestelde voorwaarden, alsmede op de voorwaarden die de Raad van Bestuur vaststelt, behoudens de bepalingen van dit lid.
  • (b). Het aantal aandelen van volgestort en niet-volgestort interregionaal aandelenkapitaal waarop ieder oorspronkelijk niet-regionaal lid inschrijft, wordt bepaald door de Bank. De Bank bepaalt de inschrijving alsmede de wijze van betaling daarvan, van een nieuw niet-regionaal lid, daarbij de voorwaarden van de bestaande inschrijvingen in aanmerking nemend.
  • (c). Regionale leden kunnen inschrijven op het interregionaal aandelenkapitaal op de voorwaarden die de Bank bepaalt, daarbij de voor inschrijvingen door niet-regionale leden vastgestelde voorwaarden in aanmerking nemend.
  • (d). De aandelen van het oorspronkelijk interregionaal maatschappelijk kapitaal worden uitgegeven a pari. Andere aandelen worden uitgegeven a pari tenzij de Bank onder bijzondere omstandigheden besluit ze op andere voorwaarden uit te geven.
  • (e). De aansprakelijkheid van de lid-landen uit hoofde van hun interregionaal aandelenbezit is beperkt tot het niet-betaalde gedeelte van de prijs van uitgifte.
  • (f). De aandelen van het interregionaal kapitaal worden op generlei wijze verpand of bezwaard en zijn slechts aan de Bank overdraagbaar.
  • (g). Ieder lid dat het recht heeft in te schrijven op het gewone kapitaal van de Bank krachtens artikel II, sectie 3 (b), heeft de mogelijkheid dat recht terzijde te stellen en in plaats daarvan in te schrijven op een gelijk bedrag van het interregionaal aandelenkapitaal.

Sectie 3. Betaling der inschrijvingen op interregionaal kapitaal

  • (a). Betaling van het door ieder lid op het volgestort interregionaal kapitaal ingeschreven bedrag geschiedt volledig in de valuta van het onderscheiden lid dat ten genoegen van de Bank maatregelen treft ten einde te verzekeren dat, behoudens de bepalingen van artikel V, sectie 1 (c), zijn valuta vrij inwisselbaar is in de valuta's van andere landen, zulks ten behoeve van de werkzaamheden van de Bank.
  • (b). Elke betaling door een lid krachtens het bepaalde onder letter (a) van deze sectie beloopt het bedrag dat de Bank acht gelijkwaardig te zijn aan de volledige waarde van het gedeelte van de inschrijving dat wordt betaald, uitgedrukt in VS dollars van het gewicht en met het gehalte zoals deze golden op 1 januari 1959. De aanvankelijke betaling beloopt het bedrag dat het lid op grond van deze bepalingen juist acht, doch wordt aangepast op de wijze die de Bank nodig oordeelt ten einde de volledige tegenwaarde in dollars zoals bepaald in deze sectie te vormen, en wel binnen 60 dagen na de datum waarop de betaling was verschuldigd.
  • (c). Het niet-volgestorte deel van de inschrijving op interregionale kapitaalaandelen van de Bank kan slechts worden gevorderd wanneer de Bank dit nodig heeft om te voldoen aan haar verplichtingen aangegaan krachtens artikel III, sectie 4 (iv) en (v), uit hoofde van het lenen van fondsen voor toevoeging aan de interregionale kapitaalmiddelen van de Bank of van ten laste van die middelen komende garanties. In geval van een zodanige vordering kan de betaling naar keuze van het lid geschieden in volledig inwisselbare valuta van een lid-land of in de valuta die nodig is om te voldoen aan de verplichtingen van de Bank die aanleiding zijn tot het verzoek tot storting. Verzoeken tot storting op niet-betaalde inschrijvingen van interregionaal niet-volgestort kapitaal dienen een gelijk percentage van alle zodanige aandelen te betreffen.

Sectie 4. Interregionale kapitaalmiddelen

In deze Overeenkomst wordt onder de term „interregionale kapitaalmiddelen” van de Bank verstaan:

  • (i). het interregionaal maatschappelijk kapitaal, zowel de volgestorte als de niet-volgestorte aandelen omvattende, ingeschreven ingevolge sectie 2 van dit artikel;
  • (ii). alle fondsen verkregen uit leningen aangegaan krachtens de in artikel VII, sectie 1 (i) verleende bevoegdheid, waarop de verplichting bedoeld in sectie 3 (c) van dit artikel van toepassing is;
  • (iii). alle fondsen ontvangen als terugbetaling van leningen die zijn verstrekt met de onder (i) en (ii) van deze sectie aangeduide middelen;
  • (iv). alle inkomsten afkomstig van leningen uit bovengenoemde fondsen of van garanties waarop de verplichting genoemd in sectie 3 (c) van dit artikel van toepassing is; en
  • (v). alle andere inkomsten uit enige van de bovenvermelde middelen.

Artikel III. WERKZAAMHEDEN

Sectie 1. Gebruik der middelen

De middelen en faciliteiten van de Bank worden uitsluitend gebruikt om het doel te bereiken en de taken te vervullen die zijn vermeld in artikel I van deze Overeenkomst.

Sectie 2. Soorten werkzaamheden

  • (a). De werkzaamheden van de Bank worden verdeeld in gewone werkzaamheden, werkzaamheden met betrekking tot interregionale middelen, en speciale operaties.
  • (b). De gewone werkzaamheden zijn die welke worden gefinancierd uit de gewone kapitaalmiddelen van de Bank, zoals omschreven in artikel II, sectie 5. De werkzaamheden met betrekking tot interregionale middelen zijn die welke worden gefinancierd uit de interregionale kapitaalmiddelen van de Bank, zoals omschreven in artikel IIA, sectie 4. Beide soorten werkzaamheden hebben uitsluitend betrekking op leningen die zijn verstrekt, waarin wordt deelgenomen, of die zijn gegarandeerd door de Bank en die slechts kunnen worden terugbetaald in de onderscheiden valuta of valuta's waarin de leningen zijn verstrekt. Zodanige werkzaamheden zijn onderworpen aan de voorwaarden die de Bank, in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst, raadzaam acht.
  • (c). De speciale operaties zijn die welke worden gefinancierd uit de middelen van het Fonds overeenkomstig de bepalingen van artikel IV.

Sectie 3. Principe van scheiding

  • (a). Behoudens de bepalingen inzake wijziging voorzien in artikel XII (a) (ii), worden de in artikel II, sectie 5 omschreven gewone kapitaalmiddelen, de in artikel IIA, sectie 4 omschreven interregionale kapitaalmiddelen en de in artikel IV, sectie 3 (h) omschreven middelen van het Fonds te allen tijde en in alle opzichten volledig gescheiden van elkaar gehouden, gebruikt, belast, belegd, of anderszins aangewend.
  • (b). De gewone kapitaalmiddelen en de interregionale kapitaalmiddelen mogen in geen geval worden belast met of gebruikt worden tot voldoening van verplichtingen, aansprakelijkheden of verliezen voortspruitende uit werkzaamheden waarvoor de oorspronkelijke middelen van het Fonds werden gebruikt of belast.
  • (c). De gewone kapitaalmiddelen mogen in geen geval worden belast met of gebruikt worden tot voldoening van verplichtingen, aansprakelijkheden of verliezen die ten laste komen van de interregionale kapitaalmiddelen; uitgezonderd zoals bepaald in artikel VII, sectie 3 (d), mogen de interregionale kapitaalmiddelen in geen geval worden belast met of gebruikt worden tot voldoening van verplichtingen, aansprakelijkheden of verliezen die ten laste komen van de gewone kapitaalmiddelen.
  • (d). In de financiële verslagen van de Bank dienen de gewone werkzaamheden, de werkzaamheden met betrekking tot de interregionale middelen, en de speciale operaties afzonderlijk te worden opgenomen en de Bank dient de andere administratieve regels op te stellen die eventueel nodig zijn om de doeltreffende scheiding van de drie soorten werkzaamheden te verzekeren.
  • (e). Uitgaven die rechtstreeks verband houden met de gewone werkzaamheden worden ten laste van de gewone kapitaalmiddelen gebracht. Uitgaven die rechtstreeks verband houden met werkzaamheden met betrekking tot interregionale middelen worden ten laste van de interregionale kapitaalmiddelen gebracht. Uitgaven die rechtstreeks verband houden met speciale operaties worden ten laste van de middelen van het Fonds gebracht. Andere uitgaven worden in rekening gebracht op door de Bank te bepalen wijze.

Sectie 4. Methoden voor het verstrekken of garanderen van leningen

Onder de in dit artikel gestelde voorwaarden kan de Bank leningen verstrekken of garanderen ten gunste van een lid of een instelling of staatkundig onderdeel daarvan, en aan ondernemingen op het grondgebied van een lid, op de volgende wijzen:

  • (i). door het verstrekken van of deelnemen in rechtstreekse leningen met fondsen uit het onaangetast volgestort gewoon kapitaal en, met uitzondering van het geval geregeld in sectie 13 van dit artikel, uit haar reserves en onverdeelde winst; of uit de onaangetaste middelen van het Fonds;
  • (ii). door het verstrekken van of deelnemen in rechtstreekse leningen met fondsen die hetzij door de Bank zijn verkregen op kapitaalmarkten, hetzij geleend of anderszins verworven zijn ter opneming in de gewone kapitaalmiddelen van de Bank of de middelen van het Fonds;
  • (iii). door het verstrekken van of deelnemen in rechtstreekse leningen met fondsen overeenkomend met het onaangetast volgestort interregionaal kapitaal, waaronder begrepen alle reserves of onverdeelde winst die tot die middelen behoren;
  • (iv). door het verstrekken van of deelnemen in rechtstreekse leningen met fondsen die hetzij door de Bank zijn verkregen op kapitaalmarkten, hetzij geleend of anderszins verworven zijn ter opneming in de interregionale kapitaalmiddelen van de Bank; en
  • (v). door, ten laste van de gewone kapitaalmiddelen, de interregionale kapitaalmiddelen of de middelen van het Fonds, geheel of ten dele leningen te garanderen die, behalve in bijzondere gevallen, zijn verstrekt door particuliere investeerders.

Sectie 5. Beperkingen ten aanzien van de werkzaamheden

  • (a). Het totale uitstaande bedrag aan leningen en garanties die door de Bank zijn verstrekt of gegeven in het kader van haar gewone werkzaamheden, mag nimmer het totale bedrag van haar onaangetast geplaatst gewoon kapitaal te boven gaan, waarbij de onaangetaste reserves en de winst zijn begrepen in haar gewone kapitaalmiddelen, zoals omschreven in artikel II, sectie 5, doch met uitzondering van de inkomsten die zijn toegewezen aan de ingevolge sectie 13 van dit artikel ingestelde bijzondere reserve en van andere inkomsten van de gewone kapitaalmiddelen die bij besluit van de Raad van Bestuur zijn toegewezen aan reserves die niet beschikbaar zijn voor leningen of garanties.
  • (b). Het totale uitstaande bedrag aan leningen en garanties die door de Bank zijn verstrekt of gegeven in het kader van haar werkzaamheden met betrekking tot de interregionale middelen mag nimmer het totale bedrag van haar onaangetast geplaatst interregionaal kapitaal te boven gaan, waarbij de onaangetaste reserves en de winst zijn begrepen in de interregionale kapitaalmiddelen van de Bank, zoals omschreven in artikel IIA, sectie 4, doch met uitzondering van de inkomsten van de interregionale kapitaalmiddelen die bij besluit van de Raad van Bestuur zijn toegewezen aan reserves die niet beschikbaar zijn voor leningen of garanties.
  • (c). Met betrekking tot leningen verstrekt uit door de Bank geleende fondsen waarop de verplichtingen zoals bepaald in artikel II, sectie 4 (a) (ii) van toepassing zijn, mag het totale bedrag der hoofdsom dat uitstaat en betaalbaar is aan de Bank in een bepaalde valuta nimmer het totale bedrag van de hoofdsom der door de Bank ter opneming in haar gewone kapitaalmiddelen opgenomen uitstaande leningen, die betaalbaar zijn in dezelfde valuta, te boven gaan.
  • (d). Met betrekking tot leningen verstrekt uit door de Bank geleende fondsen waarop de verplichtingen zoals bepaald in artikel IIA, sectie 3 (c), van toepassing zijn, mag het totale bedrag der hoofdsom dat uitstaat en betaalbaar is aan de Bank in een bepaalde valuta nimmer het totale bedrag der hoofdsom van de door de Bank ter opneming in haar interregionale kapitaalmiddelen opgenomen uitstaande leningen, die betaalbaar zijn in dezelfde valuta, te boven gaan.

Sectie 6. Financiering van rechtstreekse leningen

Bij het verstrekken van rechtstreekse leningen of het deelnemen daarin, kan de Bank op een van de volgende wijzen gelden ter beschikking stellen:

  • (a). door de leningnemer andere valuta's van leden te verschaffen dan de valuta van het lid op welks grondgebied het project moet worden uitgevoerd, die nodig zijn om de deviezenkosten van het project te dekken.
  • (b). Door gelden ter beschikking te stellen ten einde uitgaven te dekken die in verband staan met de doeleinden van de lening op het grondgebied van het lid waarop het project moet worden uitgevoerd. Slechts in bijzondere gevallen, met name wanneer het project indirect aanleiding is tot een vergroting van de vraag naar deviezen in dat land, wordt de door de Bank gegeven financiering tot dekking van lokale uitgaven verschaft in goud of in andere valuta's dan die van een zodanig lid; in die gevallen mag het bedrag van de door de Bank voor deze financiering ter beschikking gestelde fondsen niet hoger zijn dan een redelijk gedeelte van de door de leningnemer gemaakte lokale kosten.

Sectie 7. Regels en voorwaarden voor het verstrekken of garanderen van leningen

  • (a). De Bank kan leningen verstrekken of garanderen met inachtneming van de volgende regels en voorwaarden:
  • (i). de aanvrager van de lening heeft een uitgewerkt voorstel ingediend en de stafleden van de Bank hebben een schriftelijk verslag voorgelegd waarin het voorstel, na bestudering van de kwaliteiten ervan, wordt aanbevolen. In bijzondere omstandigheden kan de Raad van Bewindvoerders met een meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen verlangen dat een voorstel ter beslissing wordt voorgelegd aan de Raad zonder zodanig rapport;
  • (ii). bij het beoordelen van een aanvraag voor een lening of een garantie overweegt de Bank de mogelijkheid voor de leningnemer de lening te verkrijgen uit particuliere fondsen op voorwaarden die de Bank voor de leningnemer redelijk acht, daarbij rekening houdende met alle in het geding zijnde factoren;
  • (iii). bij het verstrekken of garanderen van een lening overweegt de Bank terdege de kansen dat de leningnemer en degene die zich eventueel voor hem garant stelt, bij machte zullen zijn hun verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst van lening na te komen;
  • (iv). naar het oordeel van de Bank zijn de rentevoet, de andere kosten en het terugbetalingsschema van de hoofdsom in overeenstemming met het desbetreffende project;
  • (v). bij het garanderen van een lening die is verstrekt door andere investeerders, ontvangt de Bank een passende vergoeding voor het risico dat zij loopt; en
  • (vi). door de Bank verstrekte of gegarandeerde leningen zijn voornamelijk voor het financieren van specifieke projecten, met inbegrip van die welke deel uitmaken van een nationaal of regionaal ontwikkelingsprogramma. De Bank kan echter algemene leningen verstrekken of garanderen aan ontwikkelingsinstellingen of soortgelijke organen van de leden zodat deze laatsten de financiering van specifieke ontwikkelingsprojecten kunnen vergemakkelijken waarvan de individuele financieringsbehoeften naar het oordeel van de Bank niet groot genoeg zijn om rechtstreeks toezicht door de Bank te rechtvaardigen.
  • (b). De Bank financiert geen ondernemingen op het grondgebied van een lid indien dat lid tegen die financiering bezwaar maakt.

Sectie 8. Facultatieve voorwaarden voor het verstrekken of garanderen van leningen

  • (a). In geval van leningen of garanties van leningen aan niet-gouvernementele lichamen kan de Bank, indien zij zulks raadzaam oordeelt, eisen dat het lid op welks grondgebied het project moet worden uitgevoerd, of een openbare instelling of een soortgelijke instantie van het lid die aanvaardbaar is voor de Bank, de terugbetaling garandeert van de hoofdsom en de betaling van rente en andere kosten op de lening.
  • (b). De Bank kan zodanige andere voorwaarden aan het verstrekken of garanderen van leningen verbinden die zij passend acht, daarbij zowel de belangen van de rechtstreeks bij het desbetreffende voorstel voor een lening of garantie betrokken leden in aanmerking nemend als de belangen van de leden gezamenlijk.

Sectie 9. Gebruik van door de Bank verstrekte of gegarandeerde leningen

  • (a). Behoudens het bepaalde in artikel V, sectie 1, stelt de Bank niet de voorwaarde dat de opbrengst van een lening moet worden besteed op het grondgebied van een bepaald land noch dat die opbrengst niet mag worden besteed op het grondgebied van een bepaald lid of bepaalde leden; met dien verstande echter dat met betrekking tot een verhoging van de middelen van de Bank, de Raad van Bestuur kan beslissen over de kwestie van beperking van de besteding door de Bank of een lid ten aanzien van die leden die niet deelnemen in een verhoging op de door de Raad van Bestuur gestelde voorwaarden.
  • (b). De Bank neemt de nodige maatregelen om te verzekeren dat de opbrengst van een lening die is verstrekt of gegarandeerd door de Bank of waarin door de Bank wordt deelgenomen, alleen wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor de lening werd verstrekt, met de nodige aandacht voor overwegingen van zuinigheid en doelmatigheid.

Sectie 10. Regelingen voor de betaling van rechtstreekse leningen

In contracten van door de Bank in overeenstemming met sectie 4 van dit artikel verstrekte rechtstreekse leningen worden vastgesteld:

  • (a). Alle voorwaarden voor iedere lening, met inbegrip van onder meer regelingen voor de betaling van de hoofdsom, de rentevoet en andere kosten, de vervaldata en de betaaldata; en
  • (b). De valuta of valuta's waarin betalingen aan de Bank dienen te worden gedaan.

Sectie 11. Garanties

  • (a). Bij het garanderen van een lening berekent de Bank een periodiek over het uitstaande bedrag van de lening te betalen garantievergoeding waarvan de hoogte door de Bank wordt vastgesteld.
  • (b). Door de Bank gesloten garantiecontracten houden in dat de Bank haar aansprakelijkheid met betrekking tot rente kan beëindigen indien, bij in gebreke blijven van de leningnemer en de eventuele garant, de Bank aanbiedt de gegarandeerde obligaties of andere schuldverplichtingen te kopen, a pari, vermeerderd met de bijkomende interest, tot een in het aanbod genoemde datum.
  • (c). Bij het geven van garanties heeft de Bank de bevoegdheid andere voorwaarden en bedingen vast te stellen.

Sectie 12. Bijzondere provisie

De Bank berekent een bijzondere provisie op alle leningen die zij verstrekt, waarin zij deelneemt, of die zij garandeert met of ten laste van de gewone kapitaalmiddelen van de Bank. Deze periodiek betaalbare bijzondere provisie wordt berekend over het bedrag dat uitstaat op elke lening, deelneming, of garantie en wel op basis van een procent per jaar, tenzij de Bank met een twee derde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen besluit het provisiepercentage te verminderen.

Sectie 13. Bijzondere reserve

Het bedrag van de door de Bank krachtens sectie 12 van dit artikel ontvangen provisies wordt op een bijzondere reserverekening geboekt, die beschikbaar wordt gehouden om verplichtingen van de Bank overeenkomstig artikel VII, sectie 3 (b) (i) na te komen. De Raad van Bewindvoerders kan bepalen in welke liquide vorm, toegestaan krachtens deze Overeenkomst, de bijzondere reserve zal worden aangehouden.

Artikel IV. FONDS VOOR SPECIALE OPERATIES

Sectie 1. Instelling, doel en taken

Er wordt een Fonds voor Speciale Operaties ingesteld voor het verstrekken van leningen op voorwaarden die zijn aangepast aan bijzondere omstandigheden die zich voordoen in bepaalde landen of ten aanzien van bepaalde projecten.

Het doel en de functies van het Fonds, dat wordt beheerd door de Bank, zijn omschreven in artikel I van deze Overeenkomst.

Sectie 2. Toepasselijke bepalingen

Het Fonds valt onder de bepalingen van dit artikel en alle andere bepalingen van deze Overeenkomst, met uitzondering van die welke niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit artikel en die welke uitdrukkelijk van toepassing zijn op andere werkzaamheden van de Bank.

Sectie 3. Middelen

  • (a). De oorspronkelijke leden van de Bank dragen bij aan de middelen van het Fonds in overeenstemming met de bepalingen van dit lid.
  • (b). Leden van de Organisatie van Amerikaanse Staten die na de in artikel XV, sectie 1 (a) vastgestelde datum lid worden van de Bank, Canada, de Bahama-eilanden en Guyana, en landen die worden toegelaten overeenkomstig artikel II, sectie 1 (b) leveren bijdragen aan het Fonds met quota's en op voorwaarden die de Bank bepaalt.
  • c). De oorspronkelijke middelen waarmee het Fonds wordt ingesteld belopen een bedrag van honderdvijftig miljoen dollar ($ 150.000.000) uitgedrukt in VS dollars van het gewicht en met het gehalte zoals deze golden op 1 januari 1959, welk bedrag wordt bijgedragen door de oorspronkelijke leden van de Bank overeenkomstig de in Bijlage B nader aangegeven quota's.1)Noot van de Secretaris—Bij resoluties van verschillende data, waarvan de laatste van kracht werd op de dag waarop deze tekst werd gewaarmerkt, heeft de Raad van Bestuur de toegestane middelen van het Fonds verhoogd tot een totaal bedrag ter waarde van 5.439.974.000 VS dollars tegen de huidige wisselkoers.
  • (d). Betaling van de quota's geschiedt als volgt:
  • (i). Ieder lid betaalt 50 procent van zijn quota op enig tijdstip op of na de datum waarop deze Overeenkomst is ondertekend en de akte van aanvaarding of bekrachtiging namens hem wordt nedergelegd in overeenstemming met artikel XV, sectie 1, doch niet later dan 30 september 1960.
  • (ii). De resterende 50 procent wordt betaald op enig tijdstip nadat een jaar is verlopen sinds de aanvang der werkzaamheden van de Bank, in de bedragen en op de tijdstippen die de Bank bepaalt; met dien verstande echter dat het totale bedrag van alle quota's niet later dient te worden betaald dan de datum die is vastgesteld voor de betaling van de derde termijn van de inschrijvingen op het volgestorte kapitaal van de Bank.
  • (iii). De krachtens dit lid vereiste betalingen worden verdeeld onder de leden naar verhouding van hun quota's en worden voor de helft in goud en/of VS dollars voldaan en voor de andere helft in de valuta van het bijdragende lid.
  • (e). Elke betaling door een lid in diens eigen valuta ingevolge de vorige sectie beloopt het bedrag dat de Bank acht gelijkwaardig te zijn aan de volledige waarde van het gedeelte van de quota dat wordt betaald, uitgedrukt in VS dollars van het gewicht en met het gehalte zoals deze golden op 1 januari 1959. De oorspronkelijke betaling beloopt het bedrag dat het lid op grond van deze bepalingen juist acht, doch wordt aangepast op de wijze die de Bank nodig oordeelt ten einde de volledige tegenwaarde zoals bedoeld in deze sectie te vormen, en wel binnen zestig dagen na de datum waarop de betaling was verschuldigd.
  • (f). Tenzij anders bepaald door de Raad van Bestuur met een drie vierde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, is de verplichting van leden tot betaling van een vordering op het niet-betaalde deel van hun inschrijvingsquota's op het Fonds afhankelijk van de betaling van ten minste 90 procent van de totale verplichtingen van de leden voor:
  • (i). de oorspronkelijke betaling en alle voorgaande verzoeken tot storting op zodanige inschrijvingsquota's op het Fonds; en
  • (ii). alle termijnbetalingen die zijn verschuldigd over het volgestorte deel van de inschrijvingen op het kapitaal van de Bank.
  • (g). De middelen van het Fonds worden verhoogd door middel van aanvullende bijdragen door de leden, wanneer de Raad van Bestuur zulks raadzaam acht met een drie vierde meerderheid van het totale aantal stemmen van de lid-landen. De bepalingen van artikel II, sectie 3 (b) zijn van toepassing op zodanige verhogingen wat betreft de verhouding tussen de voor ieder lid geldende quota en het totale bedrag van de door leden bijgedragen middelen van het Fonds. De leden zijn echter niet verplicht enig deel van een zodanige verhoging bij te dragen.
  • (h). In deze Overeenkomst wordt onder de term „de middelen van het Fonds” verstaan:
  • (i). bijdragen van leden ingevolge het bepaalde onder de letters (c) en (g) van deze sectie;
  • (ii). alle fondsen verkregen uit leningen waarop de in artikel II, sectie 4 (a) (ii) en artikel IIA, sectie 3 (c) bepaalde verplichtingen niet van toepassing zijn, dat wil zeggen de fondsen die met name ten laste van de middelen van het Fonds komen;
  • (iii). alle fondsen ontvangen als terugbetaling van leningen die zijn verstrekt met de hierboven vermelde middelen;
  • (iv). alle inkomsten afkomstig van werkzaamheden waarvoor enige van de hierboven vermelde middelen werden gebruikt of belast; en
  • (v). alle andere ter beschikking van het Fonds staande middelen.

Sectie 4. Werkzaamheden

  • (a). De werkzaamheden van het Fonds zijn die welke worden gefinancierd uit zijn eigen middelen zoals omschreven in sectie 3 (h) van dit artikel.
  • (b). Leningen die zijn verstrekt met middelen van het Fonds kunnen geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald in de valuta van het lid op welks grondgebied het gefinancierde project zal worden uitgevoerd. Het niet in de valuta van het lid terug te betalen deel van de lening wordt betaald in de valuta of valuta's waarin de lening werd verstrekt.

Sectie 5. Beperking ten aanzien van aansprakelijkheid

Bij de werkzaamheden van het Fonds wordt de financiële aansprakelijkheid van de Bank beperkt tot de middelen en reserves van het Fonds en de aansprakelijkheid van leden wordt beperkt tot het niet-betaalde deel van hun onderscheiden quota's dat verschuldigd is geworden en dient te worden betaald.

Sectie 6. Beperking ten aanzien van beschikking over quota's

De rechten van leden van de Bank die voortvloeien uit hun bijdragen aan het Fonds kunnen niet worden overgedragen of belast, en leden hebben geen recht op teruggave van die bijdragen behalve in geval van verlies van het lidmaatschap of bij beëindiging van de werkzaamheden van het Fonds.

Sectie 7. Nakoming van verplichtingen van het Fonds ten aanzien van leningen

Betalingen ter voldoening van een verplichting ten aanzien van leningen van fondsen ter opneming in de middelen van het Fonds worden ten laste gebracht van:

  • (i). ten eerste een voor dit doel ingestelde reserve; en
  • (ii). ten tweede andere fondsen die beschikbaar zijn in de middelen van het Fonds.

Sectie 8. Beheer

  • (a). Behoudens de bepalingen van deze Overeenkomst hebben de autoriteiten van de Bank volledige bevoegdheid het Fonds te beheren.
  • (b). Een Vice-President van de Bank voert het beheer over het Fonds. De Vice-President neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van de Raad van Bewindvoerders van de Bank, wanneer zaken die verband houden met het Fonds worden besproken.
  • (c). Ten behoeve van de werkzaamheden van het Fonds maakt de Bank zoveel mogelijk gebruik van dezelfde personeelsleden, deskundigen, installaties, kantoren, uitrusting en diensten die zij voor haar andere werkzaamheden gebruikt.
  • (d). De Bank publiceert een afzonderlijk jaarverslag over de resultaten van de financiële werkzaamheden van het Fonds met inbegrip van winsten of verliezen. Bij de jaarvergadering van de Raad van Bestuur wordt ten minste één zitting gewijd aan de bespreking van dit verslag. Bovendien doet de Bank haar leden een kwartaalverslag van de werkzaamheden van het Fonds toekomen.

Sectie 9. Stemrecht

  • (a). Bij het nemen van beslissingen ten aanzien van de werkzaamheden van het Fonds heeft ieder lid-land van de Bank het aantal stemmen in de Raad van Bestuur dat hem ingevolge artikel VIII, sectie 4 (a) en (c) is toegekend, en iedere Bewindvoerder heeft het aantal stemmen in de Raad van Bewindvoerders dat hem ingevolge artikel VIII, sectie 4 (a) en (d) is toegekend.
  • (b). Alle besluiten van de Bank ten aanzien van de werkzaamheden van het Fonds worden genomen met een twee derde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, tenzij in dit artikel anders bepaald.

Sectie 10. Verdeling van netto-winsten

De Raad van Bestuur van de Bank bepaalt welk deel van de netto-winsten van het Fonds, na voorziening van de reserves, wordt uitgekeerd aan de leden. Zodanige netto-winsten worden verdeeld naar verhouding van de quota's van de leden.

Sectie 11. Intrekking van bijdragen

  • (a). Geen enkel land kan zijn bijdrage intrekken en zijn betrekkingen met het Fonds beëindigen zolang het nog lid is van de Bank.
  • (b). De bepalingen van artikel IX, sectie 3 ten aanzien van de vereffening van rekeningen met landen die hun lidmaatschap van de Bank beëindigen, zijn ook van toepassing op het Fonds.

Sectie 12. Opschorting en beëindiging

De bepalingen van artikel X zijn ook van toepassing op het Fonds, waarbij de verwijzingen naar de Bank, haar kapitaalmiddelen en onderscheiden krediteuren worden vervangen door die welke betrekking hebben op het Fonds en zijn middelen en onderscheiden krediteuren.

Artikel V. VALUTA'S

Sectie 1. Gebruik van valuta's

  • (a). De valuta van een lid die de Bank onder haar berusting heeft in haar gewone kapitaalmiddelen, in haar interregionale kapitaalmiddelen of in de middelen van het Fonds, op welke wijze ook verkregen, kan door de Bank en door een gemachtigde van de Bank, zonder een door het lid opgelegde beperking, worden gebruikt voor betaling van op het grondgebied van een zodanig lid vervaardigde goederen en verleende diensten.
  • (b). Leden mogen geen beperkingen handhaven of opleggen aan het gebruiken door de Bank of door een gemachtigde van de Bank voor betalingen in enig land van:
  • (i). door de Bank ontvangen goud en dollars als betaling van de 50 procent van de inschrijving van ieder lid op aandelen van het gewone kapitaal van de Bank en van de 50 procent van de quota van ieder lid als bijdrage aan het Fonds, ingevolge de bepalingen van onderscheidenlijk artikel II en artikel IV en door de Bank ontvangen valuta's als betaling van het daarmee overeenkomende deel van de inschrijving van ieder lid op aandelen van het interregionaal kapitaal ingevolge de bepalingen van artikel IIA;
  • (ii). valuta's van leden die met de middelen vermeld onder (i) van deze sectie zijn gekocht;
  • (iii). valuta's verkregen uit leningen die zijn aangegaan ingevolge de bepalingen van artikel VII, sectie 1 (i), ter opneming in de kapitaalmiddelen van de Bank;
  • (iv). goud en dollars die de Bank heeft ontvangen als betaling van de hoofdsom, de rente en andere kosten, van leningen die zijn verstrekt uit de goud- en dollarfondsen, vermeld onder (i) van letter (b); valuta's die de Bank heeft ontvangen als betaling van de hoofdsom, de rente en andere kosten van leningen die zijn verstrekt uit het onder (i) van letter (b) bedoelde deel van het interregionale kapitaal; valuta's ontvangen als betaling van de hoofdsom, de rente en andere kosten van leningen die zijn verstrekt met onder (ii) en (iii) van letter (b) vermelde valuta's; en valuta's ontvangen als betaling van provisies en vergoedingen verband houdende met alle door de Bank gegeven garanties; en
  • (v). valuta's, met uitzondering van die van het lid zelf, die het lid heeft ontvangen van de Bank ingevolge artikel VII, sectie 4 (d), en artikel IV, sectie 10 bij de verdeling van de netto-winsten.
  • (c). De valuta van een lid die de Bank, in haar gewone kapitaalmiddelen, in haar interregionale kapitaalmiddelen, of in de middelen van het Fonds onder haar berusting heeft en die niet valt onder letter (b) van deze sectie, kan door de Bank of een gemachtigde van de Bank tevens worden gebruikt voor betalingen in enig land zonder enige beperking, tenzij het lid de Bank in kennis stelt van zijn wens het gebruik van die valuta of van een deel daarvan te beperken tot de onder letter (a) van deze sectie vermelde doeleinden.
  • (d). Leden mogen geen beperkingen opleggen aan het houden en gebruiken door de Bank ter aflossing of voor het doen van vervroegde betalingen of voor het geheel of ten dele terugkopen van de eigen schuldverplichtingen van de Bank, van valuta's die de Bank heeft ontvangen als terugbetaling van rechtstreekse leningen die zijn verstrekt uit in de gewone of interregionale kapitaalmiddelen van de Bank opgenomen geleende fondsen.
  • (e). Goud of valuta's die de Bank in haar gewone kapitaalmiddelen, in haar interregionale kapitaalmiddelen of in de middelen van het Fonds onder haar berusting heeft, worden niet door de Bank gebruikt om andere valuta's te kopen tenzij zij hiertoe wordt gemachtigd met een twee derde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen. Ingevolge de bepalingen onder deze letter gekochte valuta's zijn niet onderworpen aan de handhaving van de waarde krachtens sectie 3 van dit artikel.

Sectie 2. Waardebepaling van valuta's

Wanneer het krachtens deze Overeenkomst nodig is de waarde van een valuta uit te drukken in een andere valuta of in goud, wordt die waardebepaling door de Bank na overleg met het Internationale Monetaire Fonds vastgesteld.

Sectie 3. Handhaving van de waarde van de valutabezittingen van de Bank

  • (a). Steeds wanneer de pari-waarde in het Internationale Monetaire Fonds van de valuta van een lid wordt verminderd of de wisselkoers van de valuta van een lid, naar het oordeel van de Bank, in aanmerkelijke mate is gedeprecieerd, betaalt het lid binnen een redelijke termijn een aanvullend bedrag van zijn eigen valuta aan de Bank, dat voldoende is om de waarde te handhaven van het totale bedrag aan valuta van dat lid dat de Bank onder haar berusting heeft in haar gewone kapitaalmiddelen, in haar interregionale kapitaalmiddelen of in de middelen van het Fonds, met uitzondering van de valuta die de Bank heeft verkregen uit leningen. Voor dit doel is de waardenorm de VS dollar van het gewicht en met het gehalte zoals deze golden op 1 januari 1959.
  • (b). Steeds wanneer de pari-waarde in het Internationale Monetaire Fonds van de valuta van een lid wordt verhoogd of de buitenlandse waarde van de valuta van een lid, naar het oordeel van de Bank, aanmerkelijk in waarde is gestegen, betaalt de Bank aan die sectie binnen een redelijke termijn een bedrag van de valuta van dat lid terug dat gelijk is aan de stijging van de waarde van het bedrag van die valuta dat de Bank onder haar berusting heeft in haar gewone kapitaalmiddelen, in haar interregionale kapitaalmiddelen of in de middelen van het Fonds, met uitzondering van de valuta die de Bank heeft verkregen uit leningen. Voor dit doel is de waardenorm dezelfde als die welke onder letter (a) is vastgesteld.
  • (c). De Bank kan de bepalingen van dit lid terzijde stellen, wanneer een uniforme proportionele wijziging in de pari-waarde van de valuta's van al haar leden wordt aangebracht door het Internationale Monetaire Fonds.
  • (d). Onverminderd alle andere bepalingen van deze sectie kunnen de voorwaarden van een verhoging van de middelen van het Fonds ingevolge artikel 4, sectie 3 (g), andere bepalingen voor handhaving van de waarde dan in deze sectie omvatten, welke van toepassing zouden zijn op de door een zodanige verhoging bijgedragen middelen van het Fonds.

Sectie 4. Methoden ter bewaring van valuta's

De Bank aanvaardt van een lid promessen of soortgelijke waardepapieren, uitgegeven door de regering van het lid of door de door dat lid aangewezen depositaris, ter vervanging van enig deel van de valuta van het lid dat de 50 procent uitmaakt van zijn inschrijving op het gewoon maatschappelijk kapitaal van de Bank en de 50 procent van zijn inschrijving op de middelen van het Fonds, welke ingevolge de bepalingen van onderscheidenlijk artikel II en artikel IV, door ieder lid moeten worden betaald in zijn nationale valuta, mits die valuta niet benodigd is door de Bank voor het uitvoeren van haar werkzaamheden. Dergelijke promessen of waardepapieren zijn niet-verhandelbaar, niet-rentedragend en op verzoek betaalbaar aan de Bank tegen hun pari-waarde. Op dezelfde voorwaarden aanvaardt de Bank ook zodanige promessen als waardepapieren ter vervanging van enig deel van de inschrijving van een lid op het interregionale kapitaal ten aanzien van welk deel de voorwaarden van de inschrijving geen betaling in gereed geld vereisen.

Artikel VI. TECHNISCHE BIJSTAND

Sectie 1. Verlening van technische adviezen en bijstand

De Bank kan op verzoek van een lid of van leden of van particuliere ondernemingen die leningen bij haar kunnen aangaan, technische adviezen en bijstand verlenen op het terrein van haar werkzaamheden, in het bijzonder inzake:

  • (i). de voorbereiding, financiering en uitvoering van ontwikkelingsplannen en -projecten, met inbegrip van het afwegen van prioriteiten, en het formuleren van leningsvoorstellen betreffende specifieke nationale of regionale ontwikkelingsprojecten; en
  • (ii). de ontwikkeling en voortgezette opleiding, door middel van studiebijeenkomsten en andere vormen van onderricht, van personeel dat zich in het bijzonder bekwaamt in het formuleren en uitvoeren van ontwikkelingsplannen en -projecten.

Sectie 2. Samenwerkingsovereenkomsten inzake technische bijstand

Ten einde de doeleinden van dit artikel te verwezenlijken, kan de Bank overeenkomsten inzake technische bijstand sluiten met andere nationale of internationale overheidsinstellingen dan wel particuliere instellingen.

Sectie 3. Kosten

  • (a). De Bank kan met technische bijstand ontvangende lid-landen of firma's regelingen treffen voor vergoeding van de kosten die voortvloeien uit het verlenen van zodanige bijstand en wel op voorwaarden die de Bank passend acht.
  • (b). De uit het verlenen van technische bijstand voortvloeiende kosten die niet worden betaald door de ontvangers, worden gedekt uit het netto-inkomen van de gewone kapitaalmiddelen, de interregionale kapitaalmiddelen, of het Fonds. Gedurende de eerste drie jaar van de werkzaamheden van de Bank kan echter een bedrag van in totaal maximaal 3 procent van de oorspronkelijke middelen van het Fonds worden gebruikt om zodanige kosten te dekken.

Artikel VII. DIVERSE BEVOEGDHEDEN EN VERDELING VAN WINSTEN

Sectie 1. Diverse bevoegdheden van de Bank

Naast de elders in deze Overeenkomst omschreven bevoegdheden, is de Bank bevoegd:

  • (i). fondsen te lenen en in verband hiermee zodanig zakelijk of ander onderpand te verschaffen als de Bank bepaalt, met dien verstande dat de Bank, alvorens zij haar schuldbrieven op de markt van een land verkoopt, hiervoor toestemming heeft gekregen van dat land en van het lid in wiens valuta de verplichtingen worden aangeduid. In geval van leningen van fondsen voor opneming in de gewone kapitaalmiddelen of de interregionale kapitaalmiddelen van de Bank, dient de Bank bovendien van zodanige landen toestemming te krijgen voor het zonder enige beperking omwisselen van de opbrengst in de valuta van een ander land;
  • (ii). waardepapieren die de Bank heeft uitgegeven of gegarandeerd of waarin zij haar middelen heeft belegd, te kopen en te verkopen, met dien verstande dat de Bank daartoe toestemming krijgt van het land op welks grondgebied de waardepapieren zullen worden gekocht of verkocht;
  • (iii). met de goedkeuring van een twee derde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, fondsen die niet benodigd zijn voor haar werkzaamheden te beleggen in door haar zelf te bepalen schuldbrieven;
  • (iv). waardepapieren waarin zij heeft belegd, te garanderen ten einde de verkoop daarvan te vergemakkelijken; en
  • (v). alle andere bevoegdheden uit te oefenen die nodig of wenselijk zijn voor de bevordering van haar doel en taken overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst.

Sectie 2. Waarschuwing die dient te worden geplaatst op de waardepapieren

Ieder waardepapier dat door de Bank is uitgegeven of gegarandeerd, draagt op de voorzijde duidelijk zichtbaar een verklaring, inhoudende dat het geen schuldverplichting van enige regering is, tenzij dit wel het geval is, in welk geval het dient te worden vermeld.

Sectie 3. Wijzen waarop de Bank haar verplichtingen nakomt in geval van in gebreke blijven

  • (a). In geval van feitelijk of dreigend in gebreke blijven ten aanzien van leningen die de Bank heeft verstrekt of gegarandeerd met haar gewone kapitaalmiddelen of haar interregionale kapitaalmiddelen, neemt de Bank de haar daartoe als aangewezen voorkomende maatregelen met betrekking tot wijziging van de voorwaarden van de lening, met uitzondering van de valuta waarin terugbetaling moet plaatsvinden.
  • (b). Betalingen ter nakoming van de verplichtingen van de Bank ten aanzien van leningen of garanties krachtens artikel III, sectie 4 (ii) en (v), ten laste komende van de gewone kapitaalmiddelen van de Bank, worden ten laste gebracht van:
  • (i). ten eerste de bijzondere reserve, ingesteld bij artikel III, sectie 13; en
  • (ii). vervolgens voor zover nodig en naar goeddunken van de Bank, de andere reserves, de winst en de fondsen overeenkomend met het kapitaal dat is gestort voor de gewone kapitaalaandelen.
  • (c). Steeds wanneer dit nodig is om de contractuele betalingen van rente, andere lasten of aflossing op de door de Bank uit haar gewone kapitaalmiddelen te betalen leningen te voldoen of haar verplichtingen na te komen met betrekking tot overeenkomstige betalingen ten aanzien van leningen die door de Bank zijn gegarandeerd en die ten laste komen van haar gewone kapitaalmiddelen, kan de Bank in overeenstemming met artikel II, sectie 4 (a) (ii), van de leden betaling vorderen van een dienovereenkomstig deel van hun inschrijvingen op het niet-volgestorte gewone kapitaal. Bovendien kan de Bank, indien zij van mening is dat betaling lange tijd kan uitblijven, betaling vorderen van een aanvullend deel van die inschrijvingen dat echter in een bepaald jaar niet meer dan één procent van het totaal der inschrijvingen van de leden op de gewone kapitaalmiddelen mag bedragen, ten einde
  • (i). vóór de vervaldag over te gaan tot aflossing, of de verplichtingen van de Bank op andere wijze na te komen ten aanzien van het geheel of een gedeelte van de uitstaande hoofdsom van enige door haar gegarandeerde lening die ten laste komt van haar gewone kapitaalddelen, ten opzichte waarvan de schuldenaar in gebreke is; en
  • (ii). haar schuldverplichting af te kopen of op andere wijze na te komen, voor het geheel of een gedeelte van haar eigen uitstaande schuldverplichtingen die betaald dienen te worden uit haar gewone kapitaalmiddelen.
  • (d). De verplichtingen van de Bank ten aanzien van alle leningen van fondsen ter opneming in haar gewone kapitaalmiddelen die op 31 december 1974 uitstonden, dienen te worden betaald uit zowel de gewone kapitaalmiddelen als de interregionale kapitaalmiddelen, met inbegrip van, onverminderd het bepaalde in artikel IIA, sectie 3(c), de inschrijvingen op het niet-volgestort interregionaal kapitaal, met dien verstande echter dat de Bank al het mogelijke doet om haar verplichtingen ten aanzien van zodanige uitstaande leningen na te komen uit haar gewone kapitaalmiddelen ingevolge het bepaalde onder de letters (b) en (c) van deze sectie alvorens zodanige verplichtingen na te komen uit haar interregionale kapitaalmiddelen ingevolge het bepaalde onder de letters (e) en (f) van deze sectie, voor welk doel onder die letters de term gewoon kapitaal op passende wijze wordt vervangen door interregionaal kapitaal
  • (e). Betalingen ter nakoming van de verplichtingen van de Bank ten aanzien van leningen of garanties krachtens artikel III, sectie 4 (iv) en (v), ten laste komende van de interregionale kapitaalmiddelen van de Bank, worden ten laste gebracht van:
  • (i). ten eerste een voor dit doel ingestelde reserve; en
  • (ii). vervolgens, voor zover nodig en naar goeddunken van de Bank, de andere reserves, de winst en de fondsen overeenkomend met het kapitaal dat is gestort voor interregionale kapitaalaandelen.
  • (f). Steeds wanneer dit nodig is om de contractuele betalingen van rente, andere lasten of aflossing op de door de Bank opgenomen leningen die betaald dienen te worden uit haar interregionale kapitaalmiddelen te voldoen of haar verplichtingen na te komen met betrekking tot overeenkomstige betalingen ten aanzien van leningen die door de Bank zijn gegarandeerd en die ten laste komen van haar interregionale kapitaalmiddelen, kan de Bank in overeenstemming met artikel IIA, sectie 3(c), van de leden betaling vorderen van een dienovereenkomstig bedrag van hun inschrijvingen op het niet-volgestorte interregionale kapitaal. Bovendien kan de Bank, indien zij van mening is dat betaling lange tijd kan uitblijven, betaling vorderen van een extra deel van die inschrijvingen, dat echter in een bepaald jaar niet meer dan een procent van het totaal der inschrijvingen van de leden op de interregionale kapitaalmiddelen mag bedragen, ten einde:
  • (i). vóór de vervaldag over te gaan tot aflossing, of de verplichting van de Bank op andere wijze na te komen ten aanzien van het geheel of een gedeelte van de uitstaande hoofdsom van enige door haar gegarandeerde lening die ten laste komt van haar interregionale taalmiddelen, ten opzichte waarvan de schuldenaar in gebreke is; en
  • (ii). haar schuldverplichting af te kopen of op andere wijze na te komen voor het geheel of een gedeelte van haar eigen uitstaande schuldverplichtingen die betaald dienen te worden uit haar interregionale kapitaalmiddelen.

Sectie 4. Verdeling of overdracht van netto-winsten en surplus

  • (a). De Raad van Bestuur kan periodiek bepalen welk deel van de netto-winsten en van het surplus van de gewone kapitaalmiddelen en van de interregionale kapitaalmiddelen wordt uitgekeerd. Zodanige uitkeringen kunnen slechts plaatsvinden wanneer de reserves naar het oordeel van de Raad van Bestuur een voldoende niveau hebben bereikt.
  • (b). Na goedkeuring van de winst- en verliesrekeningen ingevolge artikel VIII, sectie 2(b) (viii), kan de Raad van Bestuur bij besluit van een twee derde meerderheid van het totaal aantal bestuurders die ten minste drie vierde van het totaal aantal stemmen van de lid-landen vertegenwoordigen, een deel van de netto-winsten over het desbetreffende boekjaar van de gewone kapitaalmiddelen of van de interregionale kapitaalmiddelen overdragen aan het Fonds. Alvorens de Raad van Bestuur besluit over te gaan tot een zodanige overdracht aan het Fonds, dient hij een rapport te hebben ontvangen van de Raad van Bewindvoerders inzake de wenselijkheid van een zodanige overdracht waarbij onder andere wordt overwogen (1) of de reserves een niveau hebben bereikt dat voldoende is; (2) of de overgedragen fondsen benodigd zijn voor de werkzaamheden van het Fonds; en (3) de eventuele invloed op de mogelijkheden voor de Bank om leningen aan te gaan.
  • (c). De onder letter (a) van deze sectie bedoelde uitkeringen worden gedaan uit de gewone kapitaalmiddelen naar verhouding van het aantal gewone kapitaalaandelen dat ieder lid in zijn bezit heeft en uit de interregionale kapitaalmiddelen naar verhouding van het aantal interregionale kapitaal aandelen dat ieder lid in zijn bezit heeft en evenzo worden de ingevolge het bepaalde onder letter (b) van deze sectie aan het Fonds overgedragen netto-winsten toegevoegd aan de totale bijdragenquota's van ieder lid in het Fonds in de hiervoor vermelde verhoudingen.
  • (d). Betalingen ingevolge het bepaalde onder letter (a) van deze sectie worden gedaan op de wijze en in de valuta of valuta's die de Raad van Bestuur bepaalt. Indien zodanige betalingen aan een lid worden gedaan in andere valuta's dan zijn eigen valuta, mag geen enkel lid beperkingen opleggen aan de overdracht van zodanige valuta's en het gebruik ervan door het ontvangende land.

Artikel VIII. ORGANISATIE EN BESTUUR

Sectie 1. Structuur van de Bank

De Bank heeft een Raad van Bestuur, een Raad van Bewindvoerders, een President, een Uitvoerend Vice-President, een Vice-President die het beheer voert over het Fonds en al de andere leidinggevende functionarissen en employés die noodzakelijk worden geoordeeld.

Sectie 2. Raad van Bestuur

  • (a). Alle bevoegdheden van de Bank berusten bij de Raad van Bestuur. Ieder lid benoemt één bestuurder en een plaatsvervanger die gedurende vijf jaar de belangen behartigen van het lid dat hen heeft benoemd, behoudens beëindiging van de benoeming op enig tijdstip of herbenoeming. Een plaatsvervanger heeft geen stemrecht, behalve bij afwezigheid van zijn principaal. De Raad kiest één van de bestuurders tot voorzitter; deze bekleedt zijn functie tot de volgende gewone vergadering van de Raad.
  • (b). De Raad van Bestuur kan aan de Raad van Bewindvoerders al zijn bevoegdheden overdragen, met uitzondering van de bevoegdheid:
  • (i). nieuwe leden toe te laten en de voorwaarden van hun toelating vast te stellen;
  • (ii). het gewoon maatschappelijk kapitaal en het interregionaal kapitaal van de Bank en de bijdragen aan het Fonds te verhogen of te verlagen;
  • (iii). de President van de Bank te verkiezen en zijn beloning vast te stellen;
  • (iv). een lid te schorsen ingevolge artikel IX, sectie 2;
  • (v). de beloning van de Bewindvoerders en hun plaatsvervangers vast te stellen;
  • (vi). te horen en te beslissen omtrent beroepen die zijn ingesteld naar aanleiding van uitleggingen van deze Overeenkomst afkomstig van de Raad van Bewindvoerders;
  • (vii). machtiging te verlenen tot het aangaan van overeenkomsten van algemene aard tot samenwerking met andere internationale organisaties;
  • (viii). de balansen en de winst- en verliesrekeningen van de instelling goed te keuren na kennisneming van de rapporten der accountants;
  • (ix). de reserves en de verdeling van de netto-winsten van de gewone kapitaalmiddelen en van de interregionale kapitaalmiddelen en van het Fonds vast te stellen;
  • (x). externe accountants aan te stellen ter controlering van de balansen en de winst- en verliesrekeningen van de instelling;
  • (xi). deze Overeenkomst te wijzigen; en
  • (xii). te besluiten de werkzaamheden van de Bank te beëindigen en haar activa te verdelen.
  • (c). De Raad van Bestuur behoudt de volledige bevoegdheid gezag uit te oefenen over aangelegenheden die ingevolge het bepaalde onder letter (b) hierboven zijn overgedragen aan de Raad van Bewindvoerders.
  • (d). De Raad van Bestuur houdt als regel een jaarvergadering. Andere vergaderingen kunnen worden gehouden wanneer de Raad van Bestuur zulks nodig acht of wanneer deze door de Raad van Bewindvoerders worden bijeengeroepen. Vergaderingen van de Raad van Bestuur worden eveneens door de Raad van Bewindvoerders bijeengeroepen, wanneer daarom door vijf leden van de Bank of door leden die een vierde van het totaal aantal stemmen van de lid-landen hebben, wordt verzocht.
  • (e). Een quorum voor iedere vergadering van de Raad van Bestuur wordt gevormd door een absolute meerderheid van het totaal aantal bestuurders, met inbegrip van een absolute meerderheid van de bestuurders van regionale leden die ten minste twee derde van het totaal aantal stemmen van de lid-landen vertegenwoordigen.
  • (f). De Raad van Bestuur kan een procedure vaststellen waarbij de Raad van Bewindvoerders wanneer hij zulks passend acht, een bepaalde kwestie ter stemming aan de bestuurders kan voorleggen zonder een vergadering van de Raad van Bestuur bijeen te roepen.
  • (g). De Raad van Bestuur en voor zover hij daartoe is gemachtigd, de Raad van Bewindvoerders, kunnen de regels en voorschriften goedkeuren die nodig of dienstig kunnen zijn voor de uitoefening door de Bank van haar werkzaamheden.
  • (h). Bestuurders en plaatsvervangers bekleden hun functies zonder beloning van de Bank, doch de Bank mag hun een redelijke vergoeding geven voor de kosten gemaakt in verband met het bijwonen der vergaderingen van de Raad van Bestuur.

Sectie 3. Raad van Bewindvoerders

  • (a). De Raad van Bewindvoerders is verantwoordelijk voor de uitvoering van de werkzaamheden van de Bank en mag daartoe alle bevoegdheden uitoefenen die door de Raad van Bestuur aan hem zijn overgedragen.
  • (b).
  • (i). Bewindvoerders dienen personen te zijn die een erkende bekwaamheid en ruime ervaring bezitten in economische en financiële zaken, maar mogen niet tevens bestuurders zijn.
  • (ii). Eén Bewindvoerder wordt benoemd door het lid-land die het grootste aantal aandelen in de Bank bezit, twee Bewindvoerders worden gekozen door de bestuurders der niet-regionale lid-landen, en ten minste acht anderen worden gekozen door de bestuurders van de resterende lid-landen. Het aantal in de laatste categorie te verkiezen Bewindvoerders en de verkiezingsprocedure voor alle verkiesbare Bewindvoerders wordt bepaald in regels die zijn vastgesteld door de Raad van Bestuur met een drie vierde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, waaronder begrepen, ten aanzien van de bepalingen die uitsluitend betrekking hebben op de verkiezing van Bewindvoerders door niet-regionale lid-landen, een twee derde meerderheid van de bestuurders der niet-regionale leden, en, ten aanzien van de bepalingen die uitsluitend betrekking hebben op het aantal en de verkiezing van Bewindvoerders door de resterende lid-landen, met een twee derde meerderheid van de bestuurders der regionale leden. Voor de goedkeuring van enige wijziging in de bovenvermelde regels is dezelfde meerderheid van stemmen vereist.
  • (iii). Bewindvoerders worden benoemd of gekozen voor ambtsperioden van drie jaar en kunnen voor opeenvolgende ambtsperioden worden herbenoemd of herkozen.
  • (c). Iedere Bewindvoerder wijst een plaatsvervanger aan met volledige bevoegdheid voor hem op te treden, wanneer hij niet aanwezig is. De Bewindvoerders en hun plaatsvervangers dienen onderdanen van de lid-landen te zijn. Geen van de gekozen Bewindvoerders en hun plaatsvervangers mag dezelfde nationaliteit hebben, met uitzondering van landen die geen leningnemers zijn. Plaatsvervangers mogen deelnemen aan vergaderingen, doch mogen alleen hun stem uitbrengen wanneer zij optreden in de plaats van hun principalen.
  • (d). Bewindvoerders blijven hun functie uitoefenen totdat hun opvolgers zijn benoemd of gekozen. Indien de functie van een gekozen Bewindvoerder meer dan 180 dagen voor het einde van zijn ambtsperiode openvalt, wordt door de bestuurders die de vorige Bewindvoerder hebben gekozen een opvolger gekozen voor het resterende deel van de ambtsperiode. Voor deze verkiezing is een absolute meerderheid van de uitgebrachte stemmen nodig. Zolang de functie onvervuld blijft, oefent de plaatsvervanger alle bevoegdheden van de vorige bewindvoerder uit, behalve de bevoegdheid een plaatsvervanger aan te wijzen.
  • (e). De Raad van Bewindvoerders oefent bij voortduring op het hoofdkantoor van de Bank zijn functie uit en vergadert zo vaak als de werkzaamheden van de Bank dit vereisen.
  • (f). Een quorum voor iedere vergadering van de Raad van Bewindvoerders wordt gevormd door een absolute meerderheid van het totaal aantal Bewindvoerders waaronder begrepen een absolute meerderheid van de Bewindvoerders der regionale leden, die ten minste twee derde van het totaal aantal stemmen van de lid-landen vertegenwoordigen.
  • (g). Een lid van de Bank kan een vertegenwoordiger zenden naar iedere vergadering van de Raad van Bewindvoerders wanneer wordt beraadslaagd over een vraagstuk waarbij dat lid ten nauwste is betrokken. De Raad van Bestuur stelt regels vast voor dit recht van vertegenwoordiging.
  • (h). De Raad van Bewindvoerders kan de commissies benoemen die hij raadzaam acht. Het lidmaatschap van die commissies behoeft niet te worden beperkt tot bestuurders, Bewindvoerders of plaatsvervangers.
  • (i). De Raad van Bewindvoerders stelt de hoofdlijnen voor de organisatie van de Bank vast, waaronder begrepen het aantal en de algemene verantwoordelijkheden van de belangrijkste administratieve en door deskundigen te bekleden functies der stafleden en keurt de begroting van de Bank goed.

Sectie 4. Stemrecht

  • (a). Ieder lid-land heeft 135 stemmen plus één stem voor ieder aandeel van het gewone kapitaal en voor ieder aandeel van het interregionale kapitaal van de Bank dat dat land in zijn bezit heeft, met dien verstande echter dat in verband met enige verhoging van het gewoon of het interregionaal maatschappelijk kapitaal, de Raad van Bestuur kan bepalen dat het zodanig verhoogde aandelenkapitaal geen stemrechten inhoudt en niet onderworpen is aan de in artikel II, sectie 3(b) vastgelegde voorkeursrechten.
  • (b). Een verhoging van de inschrijving van een lid op hetzij het gewone kapitaal hetzij het interregionale kapitaal wordt niet van kracht en het recht om daarop in te schrijven wordt hierbij ter zijde gesteld, wanneer deze verhoging een vermindering tot gevolg zou hebben van het aantal stemmen (i) van de regionale ontwïkkelingsleden tot minder dan 53,5 procent van het totaal aantal stemmen van de lid-landen; (ii) van het lid dat het grootste aantal aandelen bezit tot minder dan 34,5 procent van een zodanig totaal aantal stemmen; of (iii) van Canada tot minder dan 4 procent van een zodanig totaal aantal stemmen.
  • (c). Bij stemming in de Raad van Bestuur is iedere bestuurder gerechtigd de stemmen uit te brengen van het lid-land dat hij vertegenwoordigt. Voor zover in deze Overeenkomst niet uitdrukkelijk anders is bepaald, worden alle besluiten van de Raad van Bestuur met een meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen genomen.
  • (d). Bij stemming in de Raad van Bewindvoerders:
  • (i). is de benoemde Bewindvoerder gerechtigd het aantal stemmen uit te brengen van het lid-land dat hem benoemde;
  • (ii). is iedere gekozen Bewindvoerder gerechtigd het aantal stemmen uit te brengen dat hij bij zijn verkiezing op zich heeft verenigd, welke stemmen als een eenheid worden uitgebracht; en
  • (iii). voor zover in deze Overeenkomst niet uitdrukkelijk anders is bepaald, worden alle besluiten van de Raad van Bewindvoerders met een meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen genomen.

Sectie 5. President, Uitvoerend Vice-President en stafleden

  • (a). De Raad van Bestuur kiest met een meerderheid van het totaal antal stemmen van de lid-landen, waaronder begrepen een absolute meerderheid van de bestuurders der regionale leden, een President van de Bank die, tijdens het bekleden van zijn functie, geen bestuurder noch Bewindvoerder noch plaatsvervanger van een van beiden mag zijn. Volgens de aanwijzingen van de Raad van Bewindvoerders leidt de President van de Bank de lopende zaken van de Bank en hij is het hoofd van de staf. Tevens is hij voorzitter bij vergaderingen van de Raad van Bewindvoerders maar heeft, behoudens een beslissende stem in geval van staking der stemmen, geen stemrecht. De President van de Bank is de vertegenwoordiger van de Bank in rechten. De ambtstermijn van de President van de Bank is vijf jaar en hij kan worden herkozen voor opeenvolgende ambtstermijnen. Hij treedt af wanneer de Raad van Bestuur zulks beslist met een meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, waaronder begrepen een meerderheid van het totaal aantal stemmen van de regionale lid-landen.
  • (b). De Uitvoerend Vice-President wordt benoemd door de Raad van Bewindvoerders op aanbeveling van de President van de Bank. Volgens de aanwijzingen van de Raad van Bewindvoerders en de President van de Bank oefent de Uitvoerend Vice-President de bevoegdheid en de taken bij het besturen van de Bank uit die zijn bepaald door de Raad van Bewindvoerders. Bij afwezigheid of onvermogen van de President van de Bank oefent de Uitvoerend Vice-President de bevoegdheden van de President uit en vervult hij diens taak. De Uitvoerend Vice-President neemt deel aan de vergaderingen van de Raad van Bewindvoerders maar heeft op die vergaderingen geen stemrecht, zij het dan dat hij, zoals bepaald onder letter (a) van deze sectie, een beslissende stem uitbrengt wanneer hij optreedt in de plaats van de President van de Bank.
  • (c). Naast de in artikel IV, sectie 8(b) bedoelde Vice-President, kan de Raad van Bewindvoerders op aanbeveling van de President van de Bank andere Vice-Presidenten benoemen die de bevoegdheden uitoefenen en de functies vervullen die de Raad van Bewindvoerders kan bepalen.
  • (d). De President, het leidinggevend personeel en het andere personeel van de Bank staan bij het uitoefenen van hun functies geheel in dienst van de Bank en erkennen geen enkele andere autoriteit. Ieder lid van de Bank eerbiedigt het internationale karakter van deze dienstbetrekking.
  • (e). De belangrijkste overweging bij de tewerkstelling van het personeel en bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden is de noodzaak een zo hoog mogelijk peil van doelmatigheid, bekwaamheid en integriteit te waarborgen. Tevens dient de nodige aandacht te worden geschonken aan het belang van het aantrekken van personeel op een zo breed mogelijke geografische basis, waarbij het regionale karakter van de Bank in aanmerking dient te worden genomen.
  • (f). De Bank, haar leidinggevend personeel en ander personeel dienen zich niet in de politieke aangelegenheden van een lid te mengen, noch zich bij hun beslissingen door het politieke karakter van het betrokken lid of de betrokken leden te laten beïnvloeden. Bij het nemen van hun beslissingen mogen zij zich uitsluitend door economische overwegingen laten leiden en deze overwegingen worden onpartijdig tegen elkaar afgewogen ten einde het doel en de taken zoals omschreven in artikel I te verwezenlijken.

Sectie 6. Openbaarmaking van verslagen en verschaffing van informatie

  • (a). De Bank publiceert een jaarverslag, bevattende een afzonderlijke door accountants gecertificeerde balans en winst- en verliesrekening van de gewone kapitaalmiddelen en van de interregionale kapitaalmiddelen. Zij doet haar leden voorts ieder kwartaal beknopte overzichten van de financiële positie toekomen, alsmede opgaven van winst en verlies waarin de resultaten van haar gewone werkzaamheden en die van haar werkzaamheden met betrekking tot de interregionale middelen afzonderlijk worden vermeld.
  • (b). De Bank kan ook andere verslagen publiceren die zij voor de vervulling van haar doel en functies wenselijk acht.

Artikel IX. OPZEGGING EN SCHORSING VAN LEDEN

Sectie 1. Recht van opzegging

Ieder lid kan uit de Bank treden door middel van een aan het hoofdkantoor van de Bank gerichte schriftelijke kennisgeving van zijn voornemen daartoe. Een zodanige uittreding gaat definitief in op de in de kennisgeving vermelde datum, doch in geen geval eerder dan zes maanden na het tijdstip waarop de kennisgeving door de Bank is ontvangen. Het lid kan evenwel, zolang de opzegging niet definitief van kracht is geworden, de Bank, door middel van een schriftelijke kennisgeving, ervan verwittigen dat het zijn voorgenomen opzegging intrekt.

Na uittreding blijft het lid verantwoordelijk voor alle directe en voorwaardelijke verplichtingen tegenover de Bank, waaraan het was gebonden op het tijdstip waarop de kennisgeving van opzegging werd ontvangen, met inbegrip van die welke zijn vermeld in sectie 3 van dit artikel. Indien de opzegging echter definitief van kracht wordt, is het lid niet verantwoordelijk voor verplichtingen voortvloeiende uit werkzaamheden van de Bank die zijn verricht na het tijdstip waarop de kennisgeving van opzegging door de Bank werd ontvangen.

Sectie 2. Schorsing van leden

Indien een lid zijn verplichtingen tegenover de Bank niet nakomt, kan de Bank hem als lid schorsen bij besluit van de Raad van Bestuur met een drie vierde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, waaronder begrepen een twee derde meerderheid van het totaal aantal bestuurders welke in geval van schorsing van een regionaal lid-land een twee derde meerderheid van de bestuurders van regionale leden dient te omvatten en in geval van schorsing van een niet-regionaal lid-land een twee derde meerderheid van de bestuurders van niet-regionale leden.

Een op deze wijze geschorst lid houdt een jaar na de datum van zijn schorsing automatisch op lid te zijn van de Bank, tenzij de Raad van Bestuur met dezelfde meerderheid besluit de schorsing te beëindigen.

Zolang de schorsing duurt, is een lid niet bevoegd enig recht ingevolge deze Overeenkomst uit te oefenen, behalve het recht van opzegging, doch het blijft gebonden aan al zijn verplichtingen.

Sectie 3. Vereffening van rekeningen

  • (a). Na het tijdstip waarop een land ophoudt lid te zijn, deelt het niet langer in de winsten of verliezen van de Bank, noch wordt het betrokken bij verplichtingen ten aanzien van leningen en garanties die daarna door de Bank worden verstrekt. Het blijft echter verantwoordelijk voor alle bedragen die het de Bank verschuldigd is en voor zijn voorwaardelijke verplichtingen jegens de Bank zolang enig deel van de leningen of garanties die door de Bank werden aangegaan voordat het ophield lid te zijn, nog uitstaat.
  • (b). Wanneer een land ophoudt lid te zijn, treft de Bank maatregelen voor de terugkoop van het kapitaal van dat land als onderdeel van de vereffening der rekeningen ingevolge de bepalingen van dit lid; het land heeft echter geen andere rechten krachtens deze Overeenkomst met uitzondering van die welke zijn bepaald in deze sectie en in artikel XIII, sectie 2.
  • (c). De Bank en het land dat ophoudt lid te zijn kunnen overeenstemming bereiken over de terugkoop van het kapitaal op voorwaarden die onder de omstandigheden passend worden geacht, zonder de bepalingen van letter (d) in aanmerking te nemen. Een zodanige overeenstemming kan onder andere voorzien in een definitieve regeling voor de nakoming van alle verplichtingen van het land jegens de Bank.
  • (d). Indien de in de vorige sectie bedoelde overeenstemming niet is bereikt binnen zes maanden nadat het land ophoudt lid te zijn of binnen een zodanige andere termijn als de Bank en dat land overeenkomen, is de terugkoopprijs van het kapitaal van dat land de boekwaarde ervan overeenkomstig de boeken van de Bank op de datum waarop het land ophield lid te zijn. Een zodanige terugkoop geschiedt op de volgende voorwaarden:
  • (i). Als eerste vereiste voor betaling dient het land dat ophoudt lid te zijn zijn aandelen-certificaten in te leveren en deze betaling dient te geschieden in de termijnen, op de tijdstippen en in de beschikbare valuta's die de Bank bepaalt, waarbij rekening wordt gehouden met de financiële positie van de Bank.
  • (ii). Bedragen die de Bank het land verschuldigd is voor de terugkoop van zijn kapitaal worden ingehouden voor zover het land of een van zijn instanties verantwoordelijk blijft jegens de Bank als gevolg van de verstrekte leningen of garanties. Het ingehouden bedrag kan, ter keuze van de Bank, op de vervaldag voor iedere verplichting van die aard worden aangewezen. Er wordt echter geen bedrag ingehouden uit hoofde van de voorwaardelijke verplichting van het land voortspruitende uit zijn inschrijvingin gevolge artikel II, sectie 4 (a) (ii) of artikel IIA, sectie 3 (c).
  • (iii). Indien de Bank netto-verliezen lijdt op enige lening of deelname in een lening of als gevolg van enige garantie die uitstond op de datum waarop het land ophield lid te zijn en het bedrag van deze verliezen het bedrag der met het oog hierop gevormde reserves op die datum te boven gaat, betaalt het desbetreffende land desgevraagd het bedrag terug waarmee de terugkoopprijs van zijn aandelen verminderd zou zijn indien met de verliezen rekening zou zijn gehouden bij de vaststelling van de boekwaarde der aandelen overeenkomstig de boeken van de Bank. Bovendien blijft het gewezen lid aansprakelijk voor iedere oproep ingevolge artikel II, sectie 4 (a) (ii) of artikel IIA, sectie 3 (c) tot hetzelfde bedrag waarvoor het verplicht zou zijn op te komen indien het kapitaalverlies en de oproep zouden hebben plaatsgevonden op het ogenblik dat de terugkoopprijs van zijn aandelen werd vastgesteld.
  • (e). In een geval wordt enig aan een land voor zijn aandelen krachtens deze sectie verschuldigd bedrag eerder betaald dan zes maanden na de datum waarop het land ophoudt lid te zijn. Indien de Bank binnen die termijn haar werkzaamheden beëindigt, worden alle rechten van het destreffende land vastgesteld volgens de bepalingen van artikel X en zulk een land wordt ter zake van dat artikel als een lid van de Bank beschouwd, doch heeft geen stemrecht.

Artikel X. STAKING EN BEËINDIGING DER WERKZAAMHEDEN

Sectie 1. Staking der werkzaamheden

In geval van onvoorziene omstandigheden kan de Raad van Bewindvoerders de werkzaamheden ten aanzien van nieuwe leningen en garanties opschorten, tot het tijdstip waarop de Raad van Bestuur in de gelegenheid is de situatie te overwegen en maatregelen ter zake te nemen.

Sectie 2. Beëindiging der werkzaamheden

De Bank kan haar werkzaamheden beëindigen bij beslissing van de Raad van Bestuur, genomen met een drie vierde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, waaronder begrepen een twee derde meerderheid van de bestuurders der regionale leden. Na haar werkzaamheden aldus te hebben beëindigd, houdt de Bank onmiddellijk op met alle werkzaamheden, behalve die welke nodig zijn voor het in stand houden, het beschermen en het te gelde maken van haar activa en het vereffenen van haar schulden.

Sectie 3. Verplichtingen van leden en betaling van vorderingen

  • (a). De verplichting van alle leden voortspruitende uit de inschrijvingen op het kapitaal van de Bank en ten aanzien van de waardevermindering van hun valuta's blijft bestaan totdat alle directe en voorwaardelijke verplichtingen zijn voldaan.
  • (b). Alle krediteuren die directe vorderingen hebben, worden eerst betaald uit de activa van de Bank ten laste van welke deze vorderingen komen en vervolgens uit de aan de Bank verrichte betalingen wegens niet-betaalde of niet-volgestorte inschrijvingen ten laste van welke zodanige vorderingen komen. Voordat betalingen aan krediteuren die directe vorderingen hebben, plaatsvinden, treft de Raad van Bewindvoerders de naar zijn mening nodige maatregelen ter verzekering van een verdeling pro rata onder de houders van directe en voorwaardelijke vorderingen.

Sectie 4. Verdeling der activa

  • (a). Er vindt geen verdeling van activa aan de leden uit hoofde van hun inschrijving op het kapitaal van de Bank plaats voordat aan alle verplichtingen tegenover de krediteuren die ten laste van dat kapitaal komen, is voldaan of deze verplichtingen zijn geregeld. Bovendien dient deze verdeling te worden goedgekeurd bij beslissing van de Raad van Bestuur, genomen met een drie vierde meerderheid van het totaal aantal stemmen van de lid-landen, waaronder begrepen een twee derde meerderheid van de bestuurders der regionale leden.
  • (b). De verdeling der activa van de Bank onder de leden dient te geschieden naar verhouding van de deelneming van elk der leden in het kapitaal en wordt van kracht op het tijdstip en onder de voorwaarden die de Bank redelijk en billijk acht. De aandelen in de verdeelde activa behoeven niet gelijk te zijn naar soorten activa. Geen enkel lid is gerechtigd zijn aandeel in een verdeling van de activa te ontvangen, voordat het al zijn verplichtingen tegenover de Bank is nagekomen.
  • (c). Elk lid dat activa ontvangt die ingevolge dit artikel zijn verdeeld, geniet ten aanzien van deze activa dezelfde rechten als de Bank voor de verdeling daarvan genoot.

Artikel XI. RECHTSPOSITIE, IMMUNITEITEN EN VOORRECHTEN

Sectie 1. Strekking van het artikel

Ten einde de Bank in staat te stellen haar doeleinden te bereiken en de haar opgelegde taken te vervullen, worden op het grondgebied van elk lid aan de Bank de in dit artikel vermelde rechtspositie, immuniteiten en voorrechten toegekend.

Sectie 2. Rechtspositie

De Bank bezit rechtspersoonlijkheid en heeft in het bijzonder de bevoegdheid:

  • (a). overeenkomsten te sluiten;
  • (b). roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden; en
  • (c). rechtsgedingen te voeren.

Sectie 3. Rechtshandelingen

Vorderingen mogen tegen de Bank uitsluitend worden ingesteld voor een bevoegde rechter op het grondgebied van een lid-land waar de Bank een kantoor heeft of waar zij een vertegenwoordiger heeft aangewezen voor het aannemen van gerechtelijke aanzeggingen of waardepapieren heeft uitgegeven of gegarandeerd.

De Bank mag geen proces worden aangedaan door leden of personen die optreden voor of vorderingen hebben op leden. Ter regeling van geschillen tussen de Bank en haar leden dienen lid-landen evenwel gebruik te maken van daartoe in deze Overeenkomst, in de verordeningen en voorschriften van de Bank of in met de Bank gesloten overeenkomsten opgenomen bijzondere procedures.

Eigendommen en activa van de Bank zijn vrij van iedere vorm van inbeslagneming, beslaglegging of executie vóór het uitspreken van een eindvonnis tegen de Bank, onverschillig waar zij zich bevinden en wie daarvan de houder is.

Sectie 4. Immuniteiten der activa

Eigendommen en activa van de Bank worden geacht openbaar internationaal bezit te zijn en zijn vrij van onderzoek, vordering, inbeslagneming, onteigening of andere vormen van beslagneming of uitsluiting op last van de uitvoerende of wetgevende macht, onverschillig waar zij zich bevinden en wie daarvan de houder is.

Sectie 5. Onschendbaarheid der archieven

De archieven van de Bank zijn onschendbaar.

Sectie 6. Vrijstelling der activa van beperkende bepalingen

Voor zover nodig voor de uitvoering van de doeleinden en functies alsmede van de werkzaamheden van de Bank overeenkomstig deze Overeenkomst, zijn alle eigendommen en andere activa van de Bank vrijgesteld van beperkingen, regelingen, controles en moratoria van welke aard ook, tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald.

Sectie 7. Geprivilegieerde behandeling van aanzeggingen van de Bank

Officiële aanzeggingen van de Bank worden door de leden op dezelfde wijze behandeld als de officiële aanzeggingen van andere leden.

Sectie 8. Persoonlijke immuniteiten en voorrechten

Alle bestuurders, Bewindvoerders, plaatsvervangers, het leidinggevend personeel en ander personeel van de Bank genieten de volgende voorrechten en immuniteiten:

  • (a). immuniteit voor rechtsvorderingen in verband met handelingen die zij uit hoofde van hun ambt hebben verricht, tenzij de Bank afstand doet van deze immuniteit;
  • (b). indien zij geen onderdanen zijn van het land waar zij zich bevinden, dezelfde onschendbaarheid ten aanzien van immigratiebeperkingen, registratieplichten voor buitenlanders en nationale dienstplicht en dezelfde faciliteiten ten aanzien van deviezenbepalingen als door de leden aan de vertegenwoordigers, ambtenaren en employés van vergelijkbare rang in dienst van andere leden worden toegekend;
  • (c). dezelfde voorrechten ten aanzien van reisfaciliteiten als door de leden aan vertegenwoordigers, ambtenaren en employés van vergelijkbare rang van andere leden worden toegekend.

Sectie 9. Vrijstelling van belasting

  • (a). De Bank, haar bezit, andere activa, inkomsten en de werkzaamheden en transacties die zij uitvoert ingevolge deze Overeenkomst, zijn vrijgesteld van alle belastingen en douanerechten. De Bank is eveneens vrijgesteld van iedere verplichting tot betaling, inhouding of inning van belastingen of heffingen.
  • (b). Er wordt geen belasting geheven op of ten aanzien van salarissen en vergoedingen betaald door de Bank aan Bewindvoerders, plaatsvervangers, leidinggevend of ander personeel van de Bank, die geen burgers of onderdanen zijn van het land waar zij zich bevinden.
  • (c). Er wordt geen belasting geheven van welke aard ook op door de Bank uitgegeven schuldbekentenissen of waardepapieren, met inbegrip van de dividenden of interesten daarvan, onverschillig wie daarvan de houder is:
  • (i). die een discriminatie inhoudt tegen zulk een schuldbekentenis of waardepapier, uitsluitend omdat deze door de Bank zijn uitgegeven; of
  • (ii). indien de plaats waar, of de valuta waarin de papieren zijn uitgegeven of waarin zij luiden of betaalbaar gesteld of betaald zijn, of de plaats waar een kantoor van de Bank is gevestigd of waar zij haar bedrijf uitoefent, de enige rechtsgrond voor een dergelijke belasting zou zijn.
  • (d). Er wordt geen belasting van welke aard ook geheven op door de Bank gegarandeerde schuldbekentenissen of waardepapieren, met inbegrip van de dividenden of interesten daarvan, onverschillig wie daarvan de houder is:
  • (i). die een discriminatie inhoudt tegen zulk een schuldbekentenis of waardepapier, uitsluitend uit hoofde van derzelfder garantie door de Bank; of
  • (ii). indien de plaats waar een kantoor van de Bank is gevestigd of waar zij haar bedrijf uitoefent, de enige rechtsgrond voor een dergelijke belasting zou zijn.

Sectie 10. Toepassing

Ieder lid neemt overeenkomstig zijn wetgeving de nodige stappen om op zijn grondgebied aan de bepalingen, neergelegd in dit artikel, uitvoering te geven en stelt de Bank van de genomen maatregelen in kennis.

Artikel XII. WIJZIGINGEN

  • (i). Deze Overeenkomst kan alleen worden gewijzigd bij besluit van de Raad van Bestuur genomen met een meerderheid van het totaal aantal bestuurders, waaronder begrepen twee derde van de bestuurders der regionale leden, die ten minste drie vierde van het totaal aantal stemmen der lid-landen vertegenwoordigen met dien verstande echter dat de meerderheden bij de stemming zoals bedoeld in artikel II, sectie 1 (b) slechts kunnen worden gewijzigd met de daarin vastgestelde meerderheden van het aantal stemmen.
  • (ii). De desbetreffende artikelen van de Overeenkomst kunnen worden gewijzigd zoals bepaald onder letter (a) (i) van deze sectie ten einde te voorzien in de samensmelting van het interregionale kapitaal en het gewone kapitaal op het tijdstip waarop de Bank haar verplichtingen uit hoofde van al haar leningen ten behoeve van het gewone kapitaal die uitstonden op 31 december 1974, is nagekomen.

(b). Niettegenstaande het bepaalde onder letter (a) van deze sectie, is de unanieme instemming van de Raad van Bestuur vereist wanneer het een voorstel betreft tot wijziging van:

  • (i). het recht uit de Bank te treden zoals bepaald in artikel IX, sectie 1;
  • (ii). het recht kapitaal van de Bank te kopen en bij te dragen aan het Fonds zoals bepaald onderscheidenlijk in artikel II, sectie 3 (b) en in artikel IV, sectie 3 (g); en
  • (iii). de beperking der aansprakelijkheid zoals bepaald in artikel II, sectie 3 (d), artikel IIA, sectie 2 (e) en artikel IV, sectie 5.

c. Ieder voorstel deze Overeenkomst te wijzigen, afkomstig hetzij van een lid hetzij van de Raad van Bewindvoerders, wordt ingediend bij de Voorzitter van de Raad van Bestuur, die het voorstel aan de Raad van Bestuur voorlegt. Wanneer een wijziging is aanvaard, legt de Bank dit in een officiële mededeling aan alle leden vast. Wijzigingen worden voor alle leden drie maanden na de datum van de officiële mededeling van kracht, tenzij de Raad van Bestuur daarvoor een andere periode vaststelt.

Artikel XIII. INTERPRETATIE EN ARBITRAGE

Sectie 1. Interpretatie

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)