Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds
Het Koninkrijk België,
de Republiek Bulgarije,
de Tsjechische Republiek,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Republiek Estland,
Ierland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
de Italiaanse Republiek,
de Republiek Cyprus,
de Republiek Letland,
de Republiek Litouwen,
het Groothertogdom Luxemburg,
de Republiek Hongarije,
Malta,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Republiek Polen,
de Portugese Republiek,
Roemenië,
de Republiek Slovenië,
de Slowaakse Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd,
en
de Europese Unie,
enerzijds, en
de Republiek Korea, hierna „Korea” genoemd,
anderzijds,
Erkennende dat zij een langdurig en sterk partnerschap hebben, dat is gebaseerd op de gemeenschappelijke beginselen en waarden die zijn weergegeven in de Kaderovereenkomst,
Geleid door de wens, consistent met het kader van hun algemene betrekkingen, hun nauwe economische banden verder aan te halen, en ervan overtuigd dat deze overeenkomst een nieuw klimaat voor de ontwikkeling van de wederzijdse handel en investeringen door de partijen tot stand zal brengen,
Ervan overtuigd dat deze overeenkomst een uitgebreidere en betrouwbare markt voor goederen en diensten alsmede een stabiel en voorspelbaar investeringsklimaat tot stand zal brengen, en aldus het concurrentievermogen van hun ondernemingen op mondiale markten zal versterken,
Opnieuw bevestigende dat zij het Handvest van de Verenigde Naties, ondertekend te San Francisco op 26 juni 1945, en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties vastgesteld op 10 december 1948, ten volle onderschrijven,
Opnieuw bevestigende dat zij zich inzetten voor een duurzame ontwikkeling, en ervan overtuigd dat de internationale handel bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht, met inbegrip van de economische ontwikkeling, het terugdringen van armoede, volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen, alsmede de bescherming en het behoud van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen,
Erkennende dat de partijen, zoals in deze overeenkomst is vastgelegd, het recht hebben om op basis van het door hen passend geachte beschermingsniveau maatregelen te treffen die nodig zijn ter verwezenlijking van legitieme doelstellingen van overheidsbeleid, mits dergelijke maatregelen geen middel tot ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de internationale handel vormen,
Vastbesloten transparantie te bevorderen ten aanzien van alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van de particuliere sector en organisaties van het maatschappelijk middenveld,
Geleid door de wens de levensstandaard te verhogen, economische groei en stabiliteit te bevorderen, nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid te scheppen en het algemene welzijn te verbeteren door liberalisering en uitbreiding van de wederzijdse handel en investeringen,
Met het oog op de vaststelling van duidelijke en over en weer tot voordeel strekkende regels voor hun handel en investeringen en ter vermindering of afschaffing van de belemmeringen voor de wederzijdse handel en investeringen,
Vastbesloten bij te dragen aan de harmonische ontwikkeling en de uitbreiding van de wereldhandel door met deze overeenkomst handelsbelemmeringen weg te nemen en tussen hun grondgebieden nieuwe handels- of investeringsbelemmeringen die de voordelen van deze overeenkomst zouden kunnen beperken, te vermijden,
Geleid door de wens de arbeids- en milieuwetgeving alsmede het werkgelegenheids- en milieubeleid verder te ontwikkelen en te handhaven, fundamentele rechten van werknemers en een duurzame ontwikkeling te bevorderen en deze overeenkomst ten uitvoer te leggen op een wijze die strookt met deze doelstellingen, en
Voortbouwend op hun respectieve rechten en verplichtingen ingevolge de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie van 15 april 1994, hierna „WTO-Overeenkomst” genoemd, en andere multilaterale, regionale en bilaterale overeenkomsten en uitvoeringsregelingen waarbij zij partij zijn,
Zijn het volgende overeengekomen1)[Red: De Bijlagen, Aanhangsels en Aantekeningen bij de Overeenkomst liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.]:
HOOFDSTUK EEN. DOELSTELLINGEN EN ALGEMENE DEFINITIES
Artikel 1.1. Doelstellingen
De partijen brengen hiermee overeenkomstig deze overeenkomst een vrijhandelsgebied met betrekking tot goederen, diensten en vestiging alsmede bijbehorende regels tot stand.
De doelstellingen van deze overeenkomst zijn:
- a. de handel in goederen tussen de partijen te liberaliseren en te bevorderen, in overeenstemming met artikel XXIV van de Algemene overeenkomst inzake tarieven en handel 1994, hierna „GATT 1994” genoemd;
- b. de wederzijdse handel in diensten en investeringen door de partijen te liberaliseren, in overeenstemming met artikel V van de Algemene overeenkomst betreffende handel en diensten, hierna „GATS 1994” genoemd;
- c. de mededinging in hun economieën te bevorderen, met name op het gebied van de economische betrekkingen tussen de partijen;
- d. de markten voor overheidsopdrachten van de partijen op wederzijdse basis verder te liberaliseren;
- e. intellectuele-eigendomsrechten adequaat en doeltreffend te beschermen;
- f. bij te dragen aan de harmonische ontwikkeling en uitbreiding van de wereldhandel, door het wegnemen van handelsbelemmeringen en door een omgeving te ontwikkelen die een toename van investeringsstromen bevordert;
- g. erkennende dat duurzame ontwikkeling een overkoepelende doelstelling is, een zodanige ontwikkeling van de internationale handel na te streven dat aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling wordt bijgedragen, alsmede dat met deze doelstelling rekening wordt gehouden en dat zij tot uitdrukking komt op elk niveau van de handelsbetrekkingen tussen de partijen; en
- h. buitenlandse directe investeringen aan te moedigen zonder dat, bij de toepassing en handhaving van milieu- en arbeidswetgeving van de partijen, milieunormen, arbeidsnormen of normen inzake gezondheid en veiligheid op het werk naar beneden worden bijgesteld of worden afgezwakt.
Artikel 1.2. Algemene definities
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
de partijen: de Europese Unie of haar lidstaten of de Europese Unie en haar lidstaten, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden zoals deze voortvloeien uit het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „EU” genoemd), enerzijds, en Korea anderzijds;
de kaderovereenkomst: de Kaderovereenkomst inzake handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, ondertekend te Luxemburg op 28 oktober 1996 dan wel enige overeenkomst waarbij die kaderovereenkomst wordt geactualiseerd, gewijzigd of vervangen; en onder
de douaneovereenkomst: de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Korea betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, ondertekend te Brussel op 10 april 1997.
HOOFDSTUK TWEE. NATIONALE BEHANDELING EN MARKTTOEGANG VOOR GOEDEREN
AFDELING A. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
Artikel 2.1. Doel
Gedurende een overgangsperiode die aanvangt bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst, wordt de handel in goederen door de partijen geleidelijk en wederzijds geliberaliseerd, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst en in overeenstemming met artikel XXIV van de GATT 1994.
Artikel 2.2. Toepassingsgebied
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de handel in goederen1)In deze overeenkomst wordt onder goederen verstaan producten als bedoeld in de GATT 1994, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald.tussen de partijen.
Artikel 2.3. Douanerechten
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder douanerechten verstaan alle rechten en heffingen ter zake van of in verband met de invoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende belastingen of heffingen ter zake van dergelijke invoer2)De partijen zijn het erover eens dat deze definitie de behandeling door de partijen, in overeenstemming met de WTO-Overeenkomst, van handel op basis van de meestbegunstigingsclausule, onverlet laat.. Onder douanerechten worden niet verstaan:
- a. heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 2.8 worden geheven ter zake van soortgelijke interne goederen of ter zake van goederen waaruit de ingevoerde goederen geheel of gedeeltelijk zijn vervaardigd of geproduceerd;
- b. rechten die overeenkomstig hoofdstuk drie (Handelsmaatregelen) worden opgelegd ingevolge de wet- en regelgeving van een partij;
- c. vergoedingen die worden verlangd of andere heffingen die worden opgelegd in overeenstemming met artikel 2.10, ingevolge de wet- en regelgeving van een partij; of
- d. rechten opgelegd ingevolge de wet- en regelgeving van een partij in overeenstemming met artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst.
Artikel 2.4. Indeling van goederen
De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen geschiedt overeenkomstig de tariefnomenclatuur van elk van beide partijen, uitgelegd in overeenstemming met het geharmoniseerde systeem, hierna „GS” genoemd, dat is ingesteld bij het op 14 juni 1983 te Brussel ondertekende Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen.
AFDELING B. AFSCHAFFING VAN DOUANERECHTEN
Artikel 2.5. Afschaffing van douanerechten
Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, schaft elk van beide partijen haar douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij af, overeenkomstig haar lijst die is opgenomen in bijlage 2-A.
Voor elk goed is het basisdouanerecht waarop ingevolge lid 1 de achtereenvolgende verlagingen worden toegepast, het recht dat in de lijsten in bijlage 2-A is vermeld.
Indien een partij na de inwerkingtreding van deze overeenkomst op enig tijdstip het door haar toegepaste recht voor meest begunstigde natie (hierna „MBN” genoemd) verlaagt, dan geldt dat recht voor handel waarop deze overeenkomst van toepassing is, indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig haar lijst in bijlage 2-A berekende recht.
Drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst treden de partijen, indien een van hen daarom verzoekt, in overleg om te bezien of douanerechten ter zake van invoer tussen hen versneld en in ruimere mate kunnen worden afgeschaft. Met een besluit van de partijen in het Handelscomité, naar aanleiding van zulk overleg, dat een douanerecht op een goed versneld en in ruimere mate wordt afgeschaft, worden douanerechten of afbouwcategorieën die voor dat goed overeenkomstig hun lijsten in bijlage 2-A zijn vastgesteld, vervangen.
Artikel 2.6. Status-quo
Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, met inbegrip van hetgeen uitdrukkelijk in de in bijlage 2-A opgenomen lijst van elk van beide partijen is vermeld, mag geen van hen bestaande douanerechten verhogen of nieuwe douanerechten vaststellen op een goed van oorsprong uit de andere partij. Dit sluit niet uit dat elk van beide partijen een douanerecht na een eenzijdige verlaging mag verhogen tot het in haar lijst in bijlage 2-A vastgelegde niveau.
Artikel 2.7. Beheer en toepassing van tariefcontingenten
Elk van beide partijen beheert en past de tariefcontingenten toe die zijn vastgelegd in aanhangsel 2-A-1 van haar in bijlage 2-A opgenomen lijst, in overeenstemming met artikel XIII van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop en de in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen.
Elk van beide partijen waarborgt dat:
- a. haar procedures voor het beheer van haar tariefcontingenten transparant zijn, beschikbaar worden gesteld aan het publiek, tijdig voorhanden zijn en niet discrimineren, adeqaat op de marktomstandigheden inspelen, zo min mogelijk een last voor het handelsverkeer vormen, en rekening houden met de voorkeuren van de eindgebruikers;
- b. iedere persoon van een partij die aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de partij van invoer voldoet, een aanvraag voor een tariefcontingent kan indienen en voor toewijzing hiervan door de partij in aanmerking kan komen. Tenzij de partijen bij beslissing van het Comité voor de handel in goederen anders overeenkomen, kan elke verwerker, elke detailhandelaar, elk restaurant, elk hotel, elke maaltijdverstrekker of instelling, en elke andere persoon verzoeken om en in aanmerking komen voor toewijzing van een tariefcontingent. Elke vergoeding voor diensten in verband met een verzoek om toewijzing van een tariefcontingent wordt beperkt tot de daadwerkelijke kosten van de verleende diensten;
- c. zij, behoudens het bepaalde in aanhangsel 2-A-1 van haar lijst in bijlage 2-A, geen deel van een tariefcontingent aan een producentengroepering toewijst, de toewijzing van een tariefcontingent niet afhankelijk stelt van de aankoop van interne producten, en niet alleen verwerkers in aanmerking laat komen voor een tariefcontingent; en
- d. zij tariefcontingenten toewijst in commercieel haalbare ladingen en zoveel mogelijk in de hoeveelheden waarom importeurs verzoeken. Tenzij met betrekking tot elk tariefcontingent en de toepasselijke tarieflijn in aanhangsel 2-A-1 van de in bijlage 2-A opgenomen lijst van een partij anders is bepaald, geldt elke toewijzing van een tariefcontingent voor elk goed of elke mix van goederen waarvoor een bepaald tariefcontingent bestaat, ongeacht de omschrijving van het betrokken goed of de indeling ervan, en wordt deze niet afhankelijk gesteld van het voorgenomen eindgebruik of de verpakkingsgrootte van het goed of de mix.
Elk van beide partijen wijst de instanties aan die verantwoordelijk zijn voor het beheer van haar tariefcontingenten.
Elk van beide partijen stelt alles in het werk om haar tariefcontingenten op zodanige wijze te beheren dat importeurs deze ten volle kunnen benutten.
Geen van beide partijen mag de aanvraag voor of het gebruik van een toegewezen tariefcontingent afhankelijk stellen van de wederuitvoer van een goed.
Indien een van de partijen daar schriftelijk om verzoekt, plegen de partijen overleg met betrekking tot het beheer door een partij van haar tariefcontingenten.
Tenzij in aanhangsel 2-A-1 van haar in bijlage 2-A opgenomen lijst anders is bepaald, stelt elk van beide partijen de volledige, in dat aanhangsel vastgestelde hoeveelheid van het tariefcontingent beschikbaar voor aanvragers, met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst gedurende het eerste jaar en met ingang van de verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst wat elk opvolgend jaar betreft. In de loop van elk jaar maakt de beheersinstantie van de partij van invoer binnen een redelijke termijn de benuttingspercentages en resterende hoeveelheden voor elk tariefcontingent bekend op haar daartoe aangewezen, voor het publiek toegankelijke website.
AFDELING C. NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN
Artikel 2.8. Nationale behandeling
Elk van beide partijen behandelt goederen van de andere partij als nationale goederen, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen erop mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen.
Artikel 2.9. Invoer- en uitvoerbeperkingen
In overeenstemming met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop mag geen van beide partijen verboden of beperkingen invoeren of handhaven, tenzij het gaat om rechten, belastingen of andere heffingen, ter zake van de invoer van een goed uit de andere partij of van de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd. Hiertoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen.
Artikel 2.10. Vergoedingen en andere heffingen ter zake van de invoer
Elk van beide partijen draagt er zorg voor dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook (andere dan douanerechten en de items die niet onder de definitie van een douanerecht in de zin van artikel 2.3, onder a), b) en d), vallen) ter zake van of in verband met invoer worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten, niet op een ad-valorembasis worden berekend en geen indirecte bescherming van interne producten of een belasting op de invoer voor fiscale doeleinden vormen.
Artikel 2.11. Rechten, belastingen en andere vergoedingen en heffingen ter zake van de uitvoer
Geen van beide partijen mag rechten, belastingen of andere vergoedingen en heffingen handhaven of instellen ter zake van of in verband met de uitvoer van goederen naar de andere partij; hetzelfde geldt voor interne belastingen, vergoedingen en heffingen ter zake van de uitvoer van goederen naar de andere partij die hoger zijn dan de rechten of belastingen die op soortgelijke, voor verkoop in het binnenland bestemde producten worden geheven.
Artikel 2.12. Douanewaarde
De Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van GATT 1994, die zich in bijlage IA bij de WTO-Overeenkomst bevindt, hierna „Overeenkomst inzake de douanewaarde” genoemd, wordt mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen. De voorbehouden en opties van artikel 20 en de punten 2 tot en met 4 van bijlage III bij de Overeenkomst inzake de douanewaarde zijn niet van toepassing.
Artikel 2.13. Staatshandelsondernemingen
De partijen bevestigen hun bestaande rechten en verplichtingen ingevolge artikel XVII van de GATT 1994, de aantekeningen erop en het in bijlage IA bij de WTO-Overeenkomst opgenomen Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XVII van de GATT 1994, welke mutatis mutandis in deze overeenkomst zijn opgenomen.
Indien een partij de andere partij verzoekt om inlichtingen over individuele staatshandelsondernemingen, hun activiteiten en de gevolgen daarvan voor de bilaterale handel, houdt de partij aan wie inlichtingen zijn gevraagd, rekening met de noodzaak een zo groot mogelijke transparantie te waarborgen, onverminderd artikel XVII, lid 4, onder d), van de GATT 1994 betreffende vertrouwelijke inlichtingen.
Artikel 2.14. Afschaffing van sectorspecifieke niet-tarifaire maatregelen
De partijen komen hun verbintenissen na ten aanzien van sectorspecifieke niet-tarifaire maatregelen met betrekking tot goederen overeenkomstig de bijlagen 2-B tot en met 2-E.
Drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst treden de partijen, indien een van hen daarom verzoekt, in overleg om te bezien of hun verbintenissen met betrekking tot sectorspecifieke niet-tarifaire maatregelen ten aanzien van goederen kunnen worden uitgebreid.
AFDELING D. SPECIFIEKE UITZONDERINGEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN
Artikel 2.15. Algemene uitzonderingen
De partijen bevestigen dat hun bestaande rechten en verplichtingen ingevolge artikel XX van de GATT 1994 en de aantekeningen erop, die in deze overeenkomst zijn opgenomen, van overeenkomstige toepassing zijn op de onder deze overeenkomst vallende handel in goederen.
De partijen komen overeen dat alvorens een onder i) en j) van artikel XX van de GATT 1994 bedoelde maatregel te nemen, de partij die voornemens is maatregelen te nemen de andere partij alle relevante informatie verstrekt, teneinde een oplossing te zoeken die voor beide partijen aanvaardbaar is. De partijen kunnen besluiten tot elke maatregel die aan de moeilijkheden een einde maakt. Indien binnen 30 dagen na het verstrekken van dergelijke informatie geen overeenstemming is bereikt, kan de partij krachtens dit artikel ten aanzien van het betrokken goed maatregelen toepassen. Wanneer door uitzonderlijke, kritieke omstandigheden die onmiddellijk handelen vereisen, voorafgaande informatieverstrekking of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de partij die voornemens is de maatregelen te nemen, onmiddellijk de voorzorgsmaatregelen nemen die nodig zijn om de situatie aan te pakken, en stelt zij de andere partij hiervan onmiddellijk in kennis.
AFDELING E. INSTITUTIONELE BEPALINGEN
Artikel 2.16. Comité voor de handel in goederen
Het Comité voor de handel in goederen dat is opgericht krachtens lid 1 van artikel 15.2 (Gespecialiseerde comités), komt bijeen indien een partij of het Handelscomité hierom verzoekt, teneinde alle aangelegenheden te behandelen waarop dit hoofdstuk van toepassing is, en bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen.
Het Comité heeft onder meer de volgende taken:
- a. bevorderen van de handel in goederen tussen de partijen, met inbegrip van overleg over versnelde en verdergaande rechtenafschaffing, over verdergaande verbintenissen met betrekking tot niet-tarifaire maatregelen ingevolge deze overeenkomst, alsmede, in voorkomend geval, over andere kwesties; en
- b. tarifaire en niet-tarifaire maatregelen ten aanzien van de handel in goederen tussen de partijen treffen en, in voorkomend geval, zulke aangelegenheden voorleggen aan het Handelscomité, opdat dit zich hierover buigt,
voor zover deze taken niet zijn opgelegd aan de desbetreffende, krachtens lid 1 van artikel 15.3 opgerichte werkgroepen, hierna „werkgroepen” genoemd.
Artikel 2.17. Bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking
De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking van essentieel belang is voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële tariefbehandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en zij benadrukken dat zij gebonden zijn om onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.
Indien een partij op grond van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, komt, indien die partij daarom verzoekt, het Douanecomité binnen 20 dagen nadat een dergelijk verzoek is gedaan bijeen teneinde met spoed een oplossing voor de situatie te vinden. Het overleg in het kader van het Douanecomité wordt geacht dezelfde functie te hebben als overleg op grond van artikel 14.3 (Overleg).
HOOFDSTUK DRIE. HANDELSMAATREGELEN
AFDELING A. BILATERALE VRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 3.1. Toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregelen
Indien, wegens de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, goederen van oorsprong uit een partij naar het grondgebied van een andere partij in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige voorwaarden worden ingevoerd dat de interne industrie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, ernstige schade lijdt of dreigt te lijden, kan de partij van invoer in overeenstemming met de in deze afdeling vervatte voorwaarden en procedures maatregelen vaststellen als bedoeld in lid 2.
De partij van invoer kan een bilaterale vrijwaringsmaatregel treffen tot:
- a. opschorting van de in deze overeenkomst voorziene verdere verlaging van het douanerecht ter zake van het betrokken goed; of
- b. verhoging van het douanerecht ter zake van het goed tot een niveau dat niet hoger ligt dan het laagste van de volgende rechten:
- i. het ter zake van het goed toegepaste meestbegunstigingsrecht dat van kracht is op het tijdstip waarop de maatregel wordt getroffen; of
- ii. het basisdouanerecht dat overeenkomstig lid 2 van artikel 2.5 (Afschaffing van douanerechten) is vastgelegd in de lijsten in bijlage 2-A (Afschaffing van douanerechten).
Artikel 3.2. Voorwaarden en beperkingen
Een partij stelt de andere partij schriftelijk in kennis van de opening van een onderzoek als omschreven in lid 2, en overlegt met haar zo vroeg mogelijk vóór de toepassing van een bilaterale vrijwaringsmaatregel, teneinde de informatie die uit het onderzoek naar voren komt, te toetsen en standpunten over de maatregel uit te wisselen.
Een partij treft een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts nadat haar bevoegde autoriteiten een onderzoek hebben verricht in overeenstemming met artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, hierna „Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen” genoemd, waartoe artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst worden opgenomen.
Bij het in lid 2 omschreven onderzoek voldoet een partij aan de vereisten van artikel 4, lid 2, onder a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, waartoe dat artikel mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst wordt opgenomen.
Elk van beide partijen waarborgt dat haar bevoegde autoriteiten dit onderzoek afsluiten binnen een jaar na de datum waarop het is geopend.
De partijen mogen een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts toepassen met inachtneming van de volgende beperkingen:
- a. de maatregel mag enkel worden toegepast voor zover en zo lang zij noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en om aanpassing te vergemakkelijken;
- b. de maatregel mag niet langer dan twee jaar worden toegepast, maar deze periode kan met maximaal twee jaar worden verlengd indien de bevoegde autoriteiten van de partij van invoer overeenkomstig de in dit artikel gespecificeerde procedures vaststellen dat de maatregel noodzakelijk blijft om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en aanpassing te vergemakkelijken, en er bewijs is dat de industrie zich aanpast, waarbij de totale toepassingsperiode van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de initiële toepassingsperiode en elke verlenging daarvan, niet langer mag zijn dan vier jaar; en
- c. na afloop van de overgangsperiode mag de maatregel enkel met instemming van de andere partij worden toegepast.
Wanneer een partij een bilaterale vrijwaringsmaatregel niet langer toepast, is het douanerecht het recht dat overeenkomstig de lijst van die partij in bijlage 2-A (Afschaffing van douanerechten) bij ontbreken van de maatregel van kracht zou zijn geweest.
Artikel 3.3. Voorlopige maatregelen
In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, mag een partij een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen nadat voorlopig is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn voor een toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de andere partij als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, en dat dergelijke invoer ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de interne industrie. De duur van een voorlopige maatregel mag niet meer bedragen dan 200 dagen, gedurende welke periode de partij aan de voorschriften van artikel 3.2, leden 2 en 3, moet voldoen. De partij betaalt tariefverhogingen onverwijld terug indien het in artikel 3.2, lid 2, omschreven onderzoek niet uitwijst dat de voorwaarden van artikel 3.1 zijn vervuld. De duur van een voorlopige maatregel wordt gerekend als een deel van de in artikel 3.2, lid 5, onder b), vastgelegde periode.
Artikel 3.4. Compensatie
Een partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast, treedt in overleg met de andere partij, teneinde overeenstemming te bereiken over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel die de vorm heeft van concessies met in wezen gelijkwaardige gevolgen voor de handel of die gelijkwaardig is aan de bijkomende rechten die de vrijwaringsmaatregel naar verwachting met zich zal brengen. De partij biedt uiterlijk 30 dagen na de toepassing van de bilaterale vrijwaringsmaatregel gelegenheid voor dergelijk overleg.
Indien het overleg als bedoeld in lid 1 niet binnen 30 dagen na aanvang ervan leidt tot overeenstemming over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel, mag de partij wiens goederen voorwerp van de vrijwaringsmaatregel zijn, de toepassing opschorten van in wezen gelijkwaardige concessies aan de partij die de vrijwaringsmaatregel toepast.
Het in lid 2 bedoelde opschortingsrecht wordt niet uitgeoefend in de eerste 24 maanden waarin een bilaterale vrijwaringsmaatregel van kracht is, mits de vrijwaringsmaatregel in overeenstemming is met deze overeenkomst.
Artikel 3.5. Definities
Voor de toepassing van deze afdeling:
hebben ernstige schade en dreiging van ernstige schade dezelfde betekenis als in artikel 4, lid 1, onder a) en b), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Hiertoe worden de punten a) en b) van artikel 4, lid 1, mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen; en
wordt onder overgangsperiode verstaan een periode met betrekking tot een goed vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst tot 10 jaar na de datum waarop de tariefverlaging of -afschaffing voor het betrokken goed is voltooid.
AFDELING B. LANDBOUWVRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 3.6. Landbouwvrijwaringsmaatregelen
Een maatregel in de vorm van een hoger invoerrecht op een landbouwproduct van oorsprong dat in de in bijlage 3 opgenomen lijst van een partij wordt vermeld, kan door die partij in overeenstemming met de leden 2 tot en met 8 worden toegepast, indien het totale invoervolume voor dat product in een jaar een drempelvolume als vastgelegd in haar lijst in bijlage 3 overstijgt.
Het in lid 1 bedoelde recht is niet hoger dan het laagste van de volgende tarieven: het gebruikelijke meestbegunstigingstarief, het meestbegunstigingstarief dat van kracht is op de datum die direct aan de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst voorafgaat, of het tarief dat in de lijst van een partij in bijlage 3 is vermeld.
De rechten die elk van beide partijen ingevolge lid 1 toepast, worden vastgesteld overeenkomstig de lijsten van elk van beide partijen in bijlage 3.
Geen van beide partijen mag met betrekking tot hetzelfde product tegelijkertijd een landbouwvrijwaringsmaatregel krachtens dit artikel en één van de volgende maatregelen toepassen of handhaven:
- a. een bilaterale vrijwaringsmaatregel overeenkomstig artikel 3.1;
- b. een maatregel overeenkomstig artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen; of
- c. een bijzondere vrijwaringsmaatregel op grond van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw.
Een partij legt landbouwvrijwaringsmaatregelen op een transparante wijze ten uitvoer. Binnen 60 dagen na het opleggen van een landbouwvrijwaringsmaatregel stelt de partij die de maatregel toepast, de andere partij daarvan schriftelijk in kennis en verstrekt zij haar relevante data aangaande de maatregel. Indien de partij van uitvoer hier schriftelijk om verzoekt, plegen de partijen overleg over de toepassing van de maatregel.
De tenuitvoerlegging en de werking van dit artikel kunnen binnen het in artikel 2.16 (Comité voor de handel in goederen) bedoelde Comité voor de handel in goederen voorwerp van discussie en onderzoek zijn.
Geen van beide partijen mag een landbouwvrijwaringsmaatregel ten aanzien van een landbouwproduct van oorsprong toepassen of handhaven indien:
- a. de periode die is omschreven in de landbouwvrijwaringsbepalingen van haar in bijlage 3 opgenomen lijst, is verstreken; of
- b. de maatregel het contingentrecht verhoogt ter zake van een product waarvoor een tariefcontingent geldt als vermeld in aanhangsel 2-A-1 van haar in bijlage 2-A opgenomen lijst (Afschaffing van douanerechten).
Leveranties van de betrokken producten die onderweg waren op grond van een contract dat is afgesloten voordat het aanvullende recht op grond van de leden 1 tot en met 4 is ingevoerd, worden van dat recht vrijgesteld, met dien verstande dat die leveranties met het oog op toepassing van de bepalingen van lid 1 in het volgende jaar mogen worden gerekend tot het invoervolume van de betrokken producten in dat jaar.
AFDELING C. ALGEMENE VRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 3.7. Algemene vrijwaringsmaatregelen
Elk van beide partijen behoudt haar rechten en verplichtingen ingevolge artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Tenzij in het onderhavige artikel anders is bepaald, verleent de onderhavige overeenkomst de partijen geen aanvullende rechten en legt hen geen aanvullende verplichtingen op met betrekking tot maatregelen getroffen op grond van artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.
De partij die voornemens is vrijwaringsmaatregelen te treffen, geeft op verzoek van de andere partij en op voorwaarde dat deze daar aanmerkelijk belang bij heeft, onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennis van alle relevante informatie over de opening van een vrijwaringsonderzoek, alsmede van de voorlopige en de definitieve resultaten van dat onderzoek.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een partij geacht aanmerkelijk belang te hebben wanneer zij, uitgedrukt in absoluut volume of waarde, in de meest recente periode van drie jaar tot de vijf grootste leveranciers van het ingevoerde goed behoorde.
Geen van beide partijen mag met betrekking tot hetzelfde goed tegelijkertijd:
- a. een bilaterale vrijwaringsmaatregel overeenkomstig artikel 3.1 toepassen; en
- b. een maatregel als bedoeld in artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen toepassen.
Geen van beide partijen kan voor geschillen die in het kader van deze afdeling ontstaan, een beroep doen op hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen).
AFDELING D. ANTIDUMPINGRECHTEN EN COMPENSERENDE RECHTEN
Artikel 3.8. Algemene bepalingen
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, behouden de partijen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel VI van de GATT 1994, de in bijlage IA bij de WTO-Overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT 1994, hierna „Antidumpingovereenkomst” genoemd, en de in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, hierna „SCM-overeenkomst” genoemd.
De partijen komen overeen dat bij gebruikmaking van antidumpingrechten en compenserende rechten de relevante WTO-voorschriften volledig moeten worden gerespecteerd en dat die rechten op een eerlijk en doorzichtig systeem moeten worden gebaseerd ten aanzien van procedures die van invloed zijn op goederen van oorsprong uit de andere partij. Hiertoe waarborgen de partijen dat onmiddellijk nadat voorlopige maatregelen zijn ingesteld en in elk geval vóór de uiteindelijke vaststelling ervan, de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, volledig en duidelijk worden meegedeeld, onverminderd artikel 6.5 van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12.4 van de SCM-Overeenkomst. Informatie moet schriftelijk worden verstrekt, en er moet belanghebbenden voldoende tijd worden gelaten om hun opmerkingen in te dienen.
Teneinde de grootst mogelijke doelmatigheid bij antidumping- of antisubsidieonderzoeken te waarborgen, en in het bijzonder gelet op een adequaat recht van verweer, aanvaarden de partijen het gebruik van de Engelse taal voor documenten die in het kader van antidumping- of antisubsidieonderzoeken in het dossier worden opgenomen. Niets in dit lid belet Korea te verzoeken om een in het Koreaans geschreven verduidelijking, indien:
- a. de betekenis van de in het dossier opgenomen documenten door Korea's onderzoeksautoriteiten niet voldoende duidelijk wordt geacht voor het antidumping- of antisubsidieonderzoek; en
- b. het verzoek strikt beperkt is tot het deel dat niet voldoende duidelijk is voor het antidumping- of antisubsidieonderzoek.
Belanghebbenden krijgen, mits zulks het onderzoek niet onnodig vertraagt, de gelegenheid te worden gehoord opdat zij gedurende het antidumping- of antisubsidieonderzoek hun standpunt kenbaar kunnen maken.
Artikel 3.9. Kennisgeving
Nadat de bevoegde autoriteiten van een partij een naar behoren gestaafd verzoek tot instelling van antidumpingmaatregelen ter zake van invoer uit de andere partij hebben ontvangen, stelt die partij uiterlijk 15 dagen voor opening van een onderzoek de andere partij er schriftelijk van in kennis dat zij het verzoek heeft ontvangen.
Na ontvangst door de bevoegde autoriteiten van een partij van een naar behoren gestaafd verzoek tot instelling van compenserende maatregelen ter zake van invoer uit de andere partij, en alvorens een onderzoek te openen, stelt die partij de andere partij er schriftelijk van in kennis dat zij het verzoek heeft ontvangen, en biedt zij de andere partij gelegenheid haar bevoegde autoriteiten voor overleg over het verzoek te ontmoeten.
Artikel 3.10. Algemene belangen
De partijen trachten rekening te houden met de algemene belangen alvorens antidumping- of compenserende maatregelen in te stellen.
Artikel 3.11. Onderzoek na beëindiging van een maatregel naar aanleiding van een nieuw onderzoek
De partijen komen overeen om elk verzoek tot opening van een antidumpingonderzoek met betrekking tot een goed van oorsprong uit de andere partij ten aanzien waarvan antidumpingmaatregelen in de voorafgaande 12 maanden naar aanleiding van een nieuw onderzoek zijn beëindigd, met bijzondere aandacht te onderzoeken. Tenzij hierbij blijkt dat de omstandigheden zijn gewijzigd, vindt het antidumpingonderzoek niet plaats.
Artikel 3.12. Cumulatieve beoordeling
Indien invoer uit meer dan één land gelijktijdig voorwerp is van een antidumping- of antisubsidieonderzoek, gaat een partij bijzonder zorgvuldig na of het in het licht van de concurrentievoorwaarden tussen de ingevoerde goederen en die tussen de ingevoerde en de soortgelijke interne goederen passend is, de gevolgen van de invoer van de andere partij cumulatief te beoordelen.
Artikel 3.13. De-minimisnorm voor nieuw onderzoek
Een maatregel die ingevolge artikel 11 van de Antidumpingovereenkomst voorwerp van een nieuw onderzoek is, wordt beëindigd wanneer wordt vastgesteld dat de dumpingmarge die zich waarschijnlijk weer zal voordoen, lager is dan de de-minimisdrempel die in artikel 5.8 van de Antidumpingovereenkomst is vastgelegd.
Indien individuele marges worden vastgesteld overeenkomstig artikel 9.5 van de Antidumpingovereenkomst, wordt geen recht opgelegd aan de exporteurs of producenten in de partij van uitvoer voor wie op basis van de representatieve exportverkoop wordt vastgesteld dat de dumpingmarge lager is dan de de-minimisdrempel die is vastgelegd in artikel 5.8 van de Antidumpingovereenkomst.
Artikel 3.14. Regel van het laagste recht
Indien een partij besluit om een antidumping- of compenserend recht in te stellen, overschrijdt het bedrag van dit recht niet de dumping- of subsidiemarge, en is het lager dan die marge wanneer door een lager recht de schade voor de interne industrie kan worden opgeheven.
Artikel 3.15. Beslechting van geschillen
Geen van beide partijen kan voor geschillen die in het kader van deze afdeling ontstaan, een beroep doen op hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen).
AFDELING E. INSTITUTIONELE BEPALINGEN
Artikel 3.16. Werkgroep samenwerking bij handelsmaatregelen
De Werkgroep samenwerking bij handelsmaatregelen, die is opgericht krachtens lid 1 van artikel 15.3 (Werkgroepen), is een forum voor dialoog over samenwerking bij handelsmaatregelen.
De werkgroep heeft tot taak:
- a. de kennis van een partij over en diens inzicht in de wet- en regelgeving inzake handelsmaatregelen, het handelsbeleid en de handelspraktijken van de andere partij te vergroten;
- b. toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van het bepaalde in dit hoofdstuk;
- c. de samenwerking te verbeteren tussen de voor aangelegenheden betreffende handelsmaatregelen verantwoordelijke autoriteiten van de partijen;
- d. de partijen een forum te bieden voor de uitwisseling van informatie over kwesties die verband houden met antidumpingmaatregelen, subsidies en compenserende maatregelen alsmede vrijwaringsmaatregelen;
- e. de partijen een forum te bieden voor het bespreken van andere relevante onderwerpen van wederzijds belang, waaronder:
- i. internationale kwesties die verband houden met handelsmaatregelen, met inbegrip van kwesties die verband houden met de onderhandelingen over WTO-regels in het kader van de Doha-ronde; en
- ii. praktijken van de bevoegde autoriteiten van de partijen met betrekking tot antidumping- en antisubsidieonderzoeken zoals het hanteren van „beschikbare feiten” en verificatieprocedures; en
- f. samen te werken bij andere aangelegenheden ten aanzien waarvan de partijen het eens zijn dat zij samenwerking behoeven.
De werkgroep komt normaalgesproken jaarlijks bijeen en, indien noodzakelijk, kunnen op verzoek van een van de partijen aanvullende vergaderingen worden georganiseerd.
HOOFDSTUK VIER. TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN
Artikel 4.1. Bevestiging van de TBT-Overeenkomst
De partijen bevestigen hun bestaande wederzijdse rechten en verplichtingen ingevolge de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, hierna „TBT-Overeenkomst” genoemd, die zich bevindt in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst en mutatis mutandis in deze overeenkomst is opgenomen.
Artikel 4.2. Toepassingsgebied en definities
Dit hoofdstuk is van toepassing op het opstellen, het aannemen en de toepassing van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de TBT-Overeenkomst, die de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.
Onverminderd het bepaalde in lid 1 is dit hoofdstuk niet van toepassing op:
- a. technische specificaties die door overheidsorganen zijn opgesteld ter voorziening in de productie- of verbruiksbehoeften van die organen; of
- b. sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „SPS-Overeenkomst” genoemd, die in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst is opgenomen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage 1 bij de TBT-Overeenkomst.
Artikel 4.3. Samenwerking
De partijen versterken hun samenwerking op het gebied van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectieve systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectieve markten te vergemakkelijken. Hiertoe kunnen zij zowel op horizontaal als op sectorniveau dialogen over regelgeving tot stand brengen.
Bij hun bilaterale samenwerking streven de partijen ernaar om handelsbevorderende initiatieven in kaart te brengen, te ontwikkelen en te bevorderen die met name, doch niet uitsluitend, het volgende kunnen inhouden:
- a. versterking van de samenwerking op regelgevingsgebied door, bijvoorbeeld, de uitwisseling van informatie, ervaringen en gegevens alsmede door wetenschappelijke en technische samenwerking, teneinde de kwaliteit en het niveau van hun technische voorschriften te verbeteren en beter gebruik te maken van de beschikbare middelen op regelgevingsgebied;
- b. vereenvoudiging, in voorkomend geval, van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures;
- c. wanneer de partijen het hier over eens zijn in voorkomend geval, bijvoorbeeld wanneer er geen internationale norm bestaat, vermijden van onnodig uiteenlopende benaderingen van voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, en ernaar streven dat technische vereisten kunnen convergeren of op elkaar kunnen worden afgestemd; en
- d. bevordering en aanmoediging van bilaterale samenwerking tussen hun respectieve openbare of particuliere instellingen voor metrologie, normalisatie, beproeving, certificering en accreditatie.
Indien een partij voorstellen doet voor samenwerking in het kader van dit hoofdstuk, zal de andere partij deze desgevraagd naar behoren in overweging nemen.
Artikel 4.4. Technische voorschriften
De partijen komen overeen dat zij optimaal gebruik maken van goede regelgevingspraktijken als bedoeld in de TBT-Overeenkomst. De partijen komen met name overeen:
- a. hun transparantieverplichtingen als aangegeven in de TBT-Overeenkomst na te komen;
- b. relevante internationale normen te gebruiken als basis voor technische voorschriften, met inbegrip van conformiteitsbeoordelingsprocedures, tenzij dergelijke internationale normen ondoelmatig of ongeschikt zijn voor de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstellingen, en indien internationale normen niet als basis zijn gebruikt, aan de andere partij desgevraagd uit te leggen waarom dergelijke normen ondoelmatig of ongeschikt voor het nagestreefde doel zijn geacht;
- c. indien een partij een technisch voorschrift heeft vastgesteld of voornemens is vast te stellen, aan de andere partij desgevraagd beschikbare informatie over het doel, de rechtsgrondslag en de grondgedachte van het technische voorschrift te verstrekken;
- d. mechanismen vast te stellen voor het verstrekken van betere informatie over technische voorschriften (onder meer via een openbare website) aan de martkdeelnemers uit de andere partij, en in het bijzonder schriftelijke informatie te verstrekken alsmede, in voorkomend geval en voor zover beschikbaar, desgevraagd onverwijld aan de andere partij of de marktdeelnemers uit die partij schriftelijke aanwijzingen te verstrekken over de wijze waarop aan hun technische voorschriften kan worden voldaan;
- e. naar behoren rekening te houden met de standpunten van de andere partij indien een onderdeel van het proces voor de ontwikkeling van een technisch voorschrift aan een openbare raadpleging is onderworpen, en op de opmerkingen van de andere partij desgevraagd schriftelijk te antwoorden;
- f. indien overeenkomstig de TBT-Overeenkomst kennisgevingen worden gedaan, te voorzien in een periode van ten minste 60 dagen na de kennisgeving, gedurende welke de andere partij schriftelijke opmerkingen over het voorstel kan indienen; en
- g. aan marktdeelnemers uit de andere partij tussen de bekendmaking van technische voorschriften en de inwerkingtreding ervan voldoende tijd voor aanpassing te laten, tenzij er zich dringende problemen inzake veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen, en, voor zover mogelijk, redelijke verzoeken tot verlenging van de termijn waarbinnen opmerkingen kunnen worden gemaakt, in overweging te nemen.
Elk van beide partijen waarborgt dat marktdeelenemers en andere belanghebbenden uit de andere partij aan elke formele openbare raadpleging inzake de ontwikkeling van technische voorschriften kunnen deelnemen, op voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke voor haar eigen natuurlijke of rechtspersonen gelden.
Elk van beide partijen streeft ernaar om technische voorschriften op haar gehele grondgebied op eenvormige wijze en consequent toe te passen. Indien Korea de EU in kennis stelt van een handelskwestie die lijkt voort te vloeien uit afwijkingen tussen de wet- en regelgevingen van de lidstaten van de Europese Unie, die Korea niet verenigbaar met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie acht, zal de EU alles in het werk stellen om tijdig aandacht aan deze kwestie te besteden.
Artikel 4.5. Normen
De partijen herbevestigen dat zij ingevolge artikel 4.1 van de TBT-Overeenkomst dienen te waarborgen dat hun normalisatie-instellingen de in bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst opgenomen praktijkrichtlijn voor het opstellen, het aannemen en de toepassing van normen aanvaarden en naleven, en zij slaan tevens acht op de beginselen die sinds 1 januari 1995 zijn uiteengezet in de Besluiten en aanbevelingen van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen, G/TBT/1/rev. 8, van 23 mei 2002, Afdeling IX (Besluit van de Commissie inzake de beginselen voor de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen met betrekking tot de artikelen 2 en 5 en bijlage 3 [bij] de overeenkomst).
De partijen verbinden zich ertoe informatie uit te wisselen over:
- a. hun gebruik van normen in samenhang met technische voorschriften;
- b. hun normalisatieprocessen, en in hoeverre zij internationale normen als basis voor hun nationale en regionale normen gebruiken; en
- c. samenwerkingsovereenkomsten die door een van de partijen in het kader van normalisatie ten uitvoer worden gelegd, bijvoorbeeld wisselen zij informatie uit over normalisatiekwesties in het kader van vrijhandelsovereenkomsten met derden.
Artikel 4.6. Conformiteitsbeoordeling en accreditatie
De partijen erkennen dat er een brede verscheidenheid aan mechanismen bestaat die ervoor zorgen dat de resultaten van de op het grondgebied van de andere partij verrichte conformiteitsbeoordelingen gemakkelijker worden aanvaard, waaronder:
- a. overeenkomsten betreffende wederzijdse aanvaarding van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen die specifieke technische voorschriften betreffen en door op het grondgebied van de andere partij gevestigde instanties zijn verricht;
- b. accreditatieprocedures voor het toelaten van conformiteitsbeoordelingsinstanties die op het grondgebied van de andere partij zijn gevestigd;
- c. aanwijzing van overheidswege van op het grondgebied van de andere partij gevestigde conformiteitsbeoordelingsinstanties;
- d. erkenning door een partij van de resultaten van op het grondgebied van de andere partij verrichte conformiteitsbeoordelingen;
- e. vrijwillige regelingen tussen conformiteitsbeoordelingsinstanties op het grondgebied van elk van beide partijen; en
- f. aanvaarding, door de partij van invoer, van een conformiteitsverklaring van een leverancier.
Gelet op met name deze aspecten verbinden de partijen zich ertoe:
- a. hun uitwisseling van informatie over deze en soortgelijke mechanismen te intensiveren, teneinde de aanvaarding van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen te vergemakkelijken;
- b. informatie over conformiteitsbeoordelingsprocedures uit te wisselen, met name over de criteria die worden gehanteerd om voor specifieke producten passende conformiteitsbeoordelingsprocedures te kiezen;
- c. informatie uit te wisselen over het accreditatiebeleid, en te beoordelen hoe optimaal gebruik kan worden gemaakt van internationale accreditatienormen en van internationale overeenkomsten waarbij de accreditatie-instellingen van de partijen betrokken zijn, bijvoorbeeld met behulp van de mechanismen van de International Laboratory Accreditation Co-operation en het International Accreditation Forum; en
- d. overeenkomstig artikel 5.1.2 van de TBT-Overeenkomst conformiteitsbeoordelingsprocedures te verlangen die niet strikter zijn dan noodzakelijk is.
Principes en procedures die in verband met de ontwikkeling en de vaststelling van technische voorschriften in artikel 4.4 zijn neergelegd om onnodige handelsbelemmeringen te vermijden en transparantie en non-discriminatie te waarborgen, zijn tevens op verplichte conformiteitsbeoordelingsprocedures van toepassing.
Artikel 4.7. Markttoezicht
De partijen wisselen van gedachten over markttoezicht en handhavend optreden.
Artikel 4.8. Vergoedingen voor conformiteitsbeoordeling
De partijen herbevestigen dat zij ingevolge artikel 5.2.5 van de TBT-Overeenkomst erop moeten toezien dat vergoedingen voor de verplichte conformiteitsbeoordeling van ingevoerde producten billijk zijn in vergelijking met de vergoedingen die voor de conformiteitsbeoordeling van soortgelijke producten van nationale oorsprong of van producten van oorsprong uit andere landen worden gevraagd, met inachtneming van de kosten van communicatie, vervoer en andere kosten die het gevolg zijn van het feit dat de bedrijfsruimten van de aanvrager en die van de conformiteitsbeoordelingsinstantie op verschillende plaatsen zijn gevestigd, en zij verbinden zich ertoe, dit beginsel op de door dit hoofdstuk bestreken gebieden toe te passen.
Artikel 4.9. Merktekens en etikettering
De partijen nemen nota van punt 1 van bijlage 1 bij de TBT-Overeenkomst, waarin is vermeld dat een technisch voorschrift geheel of ten dele betrekking kan hebben op merktekens of etikettering, en zij zijn het erover eens dat voor zover hun technische voorschriften voorzien in verplichte merktekens of etikettering, zij de beginselen van artikel 2.2 van de TBT-Overeenkomst zullen eerbiedigen dat technische voorschriften niet worden opgesteld met het doel onnodige belemmeringen voor de internationale handel te creëren en dat zij evenmin tot het ontstaan van dergelijke belemmeringen mogen leiden, en dat die voorschriften niet meer beperkingen voor het handelsverkeer mogen inhouden dan nodig is om een legitiem doel te bereiken.
Met name komen de partijen overeen dat wanneer een partij merktekens of etikettering van producten verplicht stelt:
- a. deze partij ernaar zal streven om haar vereisten voor merktekens of etikettering tot een minimum te beperken, tenzij het gaat om merktekens of etikettering die voor consumenten of gebruikers van belang zijn. Indien etikettering voor andere, bijvoorbeeld fiscale doeleinden wordt vereist, wordt een dergelijk vereiste zodanig geformuleerd dat het de handel niet meer beperkt dan nodig is om een legitiem doel te bereiken;
- b. deze partij de vorm van de etiketten of de merktekens mag specificeren, maar in dit verband geen voorafgaande goedkeuring, registratie of certificering mag verlangen. Deze bepaling doet niet af aan het recht van de partij om voorafgaande goedkeuring te verlangen voor de specifieke informatie die in het licht van het geldende interne voorschrift op het etiket of het merkteken moet worden vermeld;
- c. deze partij, indien zij verlangt dat marktdeelnemers een uniek identificatienummer gebruiken, zo een nummer onverwijld en op niet-discriminerende grondslag aan de marktdeelnemers van de andere partij toekent;
- d. het deze partij vrij blijft staan om te verlangen dat de informatie op de merktekens of etiketten in een bepaalde taal wordt gesteld. Wanneer de partijen een internationaal nomenclatuursysteem hebben aanvaard, mag ook dit worden gebruikt. Het gelijktijdige gebruik van andere talen wordt niet verboden, op voorwaarde dat de informatie in de andere talen identiek aan die in de bepaalde taal is, of de informatie in de bijkomende taal niet misleidend is ten aanzien van het product; en
- e. deze partij ernaar streeft om, wanneer zij meent dat legitieme doelstellingen van de TBT-Overeenkomst hierdoor niet in gevaar komen, niet-permanente of verwijderbare etiketten dan wel merktekens of etiketten in de begeleidende documentatie in plaats van op of aan het product zelf of aan het product verbonden te aanvaarden.
Artikel 4.10. Coördinatiemechanisme
De partijen komen overeen TBT-coördinatoren te benoemen en de andere partij naar behoren in kennis te stellen van eventuele wijzigingen terzake. De TBT-coördinatoren werken nauw samen om de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en samenwerking tussen de partijen bij alle aangelegenheden die met dit hoofdstuk verband houden, te vergemakkelijken.
De coördinator heeft onder meer tot taak:
- a. toezicht te houden op de tenuitvoerlegging en het beheer van dit hoofdstuk, waarbij hij onverwijld een onderzoek instelt wanneer door een van de partijen een kwestie wordt voorgelegd in verband met het ontwikkelen, het vaststellen, de toepassing of de handhaving van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, en op verzoek van een van beide partijen overleg pleegt over kwesties die met dit hoofdstuk verband houden;
- b. nauwer samen te werken bij de ontwikkeling en verbetering van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures;
- c. overeenkomstig artikel 4.3 er in voorkomend geval voor zorg te dragen dat dialogen over regelgeving tot stand komen;
- d. ervoor te zorgen dat werkgroepen worden opgericht die met niet in overheidsdienst zijnde deskundigen en met belanghebbenden kunnen overleggen of waarvan dezen deel kunnen uitmaken, al naar gelang dat door beide partijen onderling is overeengekomen;
- e. informatie uit te wisselen over ontwikkelingen in niet-gouvernementele, regionale en multilaterale fora die verband houden met normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures; en
- f. dit hoofdstuk in het licht van met de TBT-Overeenkomst verband houdende ontwikkelingen te toetsen.
De coördinatoren communiceren met elkaar via een overeengekomen, voor het doelmatig en daadwerkelijk vervullen van hun taken geëigende methode.
HOOFDSTUK VIJF. SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN
Artikel 5.1. Doel
Het doel van dit hoofdstuk is om de negatieve gevolgen van sanitaire en fytosanitaire maatregelen voor de handel te beperken en tegelijkertijd het leven of de gezondheid van mens, dier of plant op de grondgebieden van de partijen te beschermen.
Voorts heeft dit hoofdstuk tot doel de samenwerking tussen de partijen op het gebied van vraagstukken van dierenwelzijn te versterken, waarbij acht wordt geslagen op diverse factoren, zoals de voorwaarden waaronder op het grondgebied van de partijen veehouderij kan worden bedreven.
Artikel 5.2. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van een partij die de handel tussen de partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden.
Artikel 5.3. Definitie
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder sanitaire of fytosanitaire maatregel verstaan een maatregel als omschreven in punt 1 van bijlage A bij de SPS-Overeenkomst.
Artikel 5.4. Rechten en verplichtingen
De partijen bevestigen hun bestaande rechten en verplichtingen ingevolge de SPS-overeenkomst.
Artikel 5.5. Transparantie en uitwisseling van informatie
De partijen:
- a. streven doorzichtigheid na op het gebied van sanitaire en fytosanitaire maatregelen die op de handel van toepassing zijn;
- b. verbeteren het wederzijdse begrip van de sanitaire en fytosanitaire maatregelen van elk van beide partijen en de toepassing ervan;
- c. wisselen informatie uit over aangelegenheden die verband houden met de ontwikkeling en de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen die de handel tussen de partijen beïnvloeden of kunnen beïnvloeden, opdat de negatieve gevolgen ervan voor de handel zoveel mogelijk worden beperkt; en
- d. delen op verzoek van een partij de op de invoer van specifieke producten toepasselijke voorschriften mede.
Artikel 5.6. Internationale normen
De partijen:
- a. werken op verzoek van een partij samen voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke benadering van de toepassing van internationale normen op gebieden die de handel tussen hen beïnvloeden of kunnen beïnvloeden, teneinde de negatieve gevolgen op de handel tussen hen zoveel mogelijk te beperken; en
- b. werken samen aan de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen.
Artikel 5.7. Invoervereisten
De algemene invoervereisten van een partij gelden voor het gehele grondgebied van de andere partij.
De partij van invoer mag jegens de gehele of een deel van de partij van uitvoer specifieke invoervereisten opleggen op basis van de vaststelling van de dier- of plantgezondheidsstatus in de partij van uitvoer of een deel daarvan, overeenkomstig de richtsnoeren en normen van de SPS-Overeenkomst, de Codex Alimentarius Commissie, de Wereldorganisatie voor diergezondheid en het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten.
Artikel 5.8. Maatregelen in verband met de gezondheid van planten en dieren
De partijen aanvaarden het concept van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen overeenkomstig de normen van de SPS-Overeenkomst, de Wereldorganisatie voor diergezondheid alsmede het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten, en voeren een passende procedure in ter erkenning van die gebieden, waarbij met relevante internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen rekening wordt gehouden.
Bij de vaststelling van die gebieden wordt rekening gehouden met factoren als geografische ligging, ecosystemen, epidemiologisch toezicht en de doeltreffendheid van sanitaire of fytosanitaire controles in die gebieden.
Voor vaststelling van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen, brengen de partijen een nauwe samenwerking tot stand om vertrouwen in de door elk van beide partijen voor die vaststelling gevolgde procedures te verkrijgen. Zij streven ernaar dit opbouwen van vertrouwen binnen ongeveer twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst te voltooien. De succesvolle voltooiing van de vertrouwen opbouwende samenwerking wordt door het in artikel 5.10 bedoelde Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen bevestigd.
Bij de vaststelling van de desbetreffende gebieden baseert de partij van invoer haar eigen vaststelling van de veterinaire of plantgezondheidsstatus van de partij van uitvoer of gedeelten daarvan in beginsel op de door de partij van uitvoer overeenkomstig de normen van de SPS-Overeenkomst, de Wereldorganisatie voor diergezondheid en het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten verstrekte informatie, en houdt zij rekening met de vaststelling die de partij van uitvoer heeft gedaan. Indien een partij in dit verband niet de door de andere partij gedane vaststelling aanvaardt, zet zij de redenen hiervoor uiteen en is zij bereid in overleg te treden.
De partij van uitvoer levert aan de partij van invoer het nodige bewijs dat de desbetreffende gebieden ziekte- of plagenvrij, respectievelijk gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen zijn en dat waarschijnlijk ook blijven. Hiertoe wordt aan de partij van invoer desgevraagd redelijke toegang verleend voor inspectie, proeven en andere relevante procedures.
Artikel 5.9. Samenwerking op het gebied van dierenwelzijn
De partijen:
- a. wisselen informatie, deskundigheid en ervaringen op het gebied van dierenwelzijn uit en stellen voor dergelijke activiteiten een werkprogramma vast; en
- b. werken voor de ontwikkeling van normen voor dierenwelzijn in internationale fora samen, met name op het gebied van het verdoven en slachten van dieren.
Artikel 5.10. Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen
Het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen dat is opgericht overeenkomstig lid 1 van artikel 15.2 (Gespecialiseerde comités) kan:
- a. de procedures of regelingen ontwikkelen die voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk nodig zijn;
- b. toezicht houden op de voortgang bij de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk;
- c. bevestigen dat de vertrouwen opbouwende werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.8, lid 3, zijn voltooid;
- d. procedures ontwikkelen voor de erkenning van inrichtingen voor producten van dierlijke oorsprong en, in voorkomend geval, van productielocaties voor producten van plantaardige oorsprong; en
- e. een forum bieden voor discussie over problemen die zich voordoen door de toepassing van bepaalde sanitaire of fytosanitaire maatregelen, teneinde wederzijds aanvaardbare alternatieven te formuleren. Op verzoek van een partij komt het comité in dit verband met spoed bijeen voor overleg.
De Commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen en komt eens per jaar op een onderling afgesproken datum bijeen. De plaats van vergadering wordt in onderling overleg bepaald. De agenda wordt vóór de vergadering overeengekomen. Het voorzitterschap wordt door de partijen beurtelings vervuld.
Artikel 5.11. Beslechting van geschillen
Geen van beide partijen kan voor geschillen die in het kader van dit hoofdstuk ontstaan, een beroep doen op hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen)
HOOFDSTUK ZES. DOUANE EN HANDELSBEVORDERING
Artikel 6.1. Doelstellingen en beginselen
De partijen komen, ter vergemakkelijking van de handel en ter bevordering van douanesamenwerking op een bilaterale en multilaterale basis, overeen om samen te werken en hun invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures voor goederen op basis van de volgende doelstellingen en beginselen vast te stellen en toe te passen:
- a. om te waarborgen dat invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures voor goederen efficiënt en evenredig zijn,
- i. worden door elk van beide partijen versnelde douaneprocedures vastgesteld of gehandhaafd, waarbij zij passende douanecontrole- en -selectieprocedures blijven toepassen;
- ii. zijn invoer-, uitvoer- en doorvoervereisten en -procedures in administratief opzicht niet omslachtiger en niet beperkender voor de handel dan nodig is om legitieme doelstellingen te bereiken;
- iii. zorgt elk van beide partijen ervoor dat goederen met een minimum aan documentatie kunnen worden ingeklaard, en dat elektronische systemen voor gebruikers toegankelijk zijn;
- iv. maakt elk van beide partijen gebruik van informatietechnologie die procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen bespoedigt;
- v. waarborgt elk van beide partijen dat haar douaneautoriteiten en -instanties die met grenscontrole, met inbegrip van invoer-, uitvoer- en doorvoeraangelegenheden, zijn belast, samenwerken en hun werkzaamheden coördineren; en
- vi. voorziet elk van beide partijen erin dat inschakeling van douane-expediteurs facultatief is;
- b. invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures worden gebaseerd op door de partijen aanvaarde internationale instrumenten en normen op het gebied van de handel en van douane:
- i. indien er op handels- en douanegebied internationale instrumenten en normen bestaan, vormen deze de basis voor invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures, tenzij die instrumenten en normen niet passend of doeltreffend voor het bereiken van de legitieme doelstellingen zijn; en
- ii. voorschriften die betrekking hebben op data alsmede dataverwerkingsprocessen worden in toenemende mate in overeenstemming met het Customs Data Model en de bijbehorende aanbevelingen en richtsnoeren van de Werelddouaneorganisatie, hierna „WDO” genoemd, gebruikt en toegepast;
- c. voorschriften en procedures zijn voor importeurs, exporteurs en andere belanghebbenden transparant en voorspelbaar;
- d. elk van beide partijen treedt met vertegenwoordigers van de handelssector en andere belanghebbenden tijdig in overleg, onder meer over belangrijke nieuwe of gewijzigde voorschriften en procedures voordat deze worden vastgesteld;
- e. beginselen of procedures inzake risicobeheersing worden toegepast om handhavingsinspanningen te concentreren op transacties die speciale aandacht behoeven;
- f. elk van beide partijen verleent haar medewerking en wisselt informatie uit om eraan bij te dragen dat de handelsbevorderende maatregelen waarover in het kader van deze overeenkomst overeenstemming is bereikt, worden toegepast en nageleefd; en
- g. handelsbevorderende maatregelen ondermijnen niet het bereiken van legitieme beleidsdoelstellingen, zoals de bescherming van de nationale veiligheid, gezondheid en het milieu.
Artikel 6.2. In het vrije verkeer brengen van goederen
Elk van beide partijen stelt vereenvoudigde en doelmatige douane- en andere handelsgerelateerde voorschriften en procedures vast om de handel tussen de partijen te bevorderen.
Overeenkomstig het bepaalde in lid 1 draagt elk van beide partijen ervoor zorg dat haar douaneautoriteiten, grensdiensten en andere bevoegde autoriteiten toepassing geven aan voorschriften en procedures:
- a. die voorzien in de vrijgave van goederen binnen een tijdvak dat niet langer is dan vereist om te waarborgen dat aan haar douane- en andere handelsgerelateerde wetgeving en formaliteiten wordt voldaan. Elk van beide partijen werkt eraan de vrijgave van goederen verder te versnellen;
- b. die erin voorzien dat informatie vóór de fysieke aankomst van goederen elektronisch kan worden ingediend en vervolgens ook elektronisch kan worden verwerkt, zodat goederen bij aankomst in het vrije verkeer kunnen worden gebracht;
- c. waardoor importeurs goederen vrijgegeven kunnen krijgen vóór en onverminderd de definitieve vaststelling door haar douaneautoriteiten van de toepasselijke douanerechten, belastingen en heffingen3)Een partij mag een importeur verzoeken om voldoende garantie te stellen in de vorm van een zekerheid, een borgsom of een ander passend instrument, waardoor de uiteindelijke betaling van de douanerechten, heffingen en vergoedingen in verband met de invoer van de goederen is gewaarborgd.; en
- d. waardoor goederen in het vrije verkeer kunnen worden gebracht op de plaats van aankomst, zonder tijdelijke verplaatsing naar entrepots of andere faciliteiten.
Artikel 6.3. Vereenvoudigde douaneprocedure
De partijen streven ernaar voor handelaren of marktdeelnemers die aan specifieke, door een partij vastgestelde criteria voldoen, vereenvoudigde invoer- en uitvoerprocedures toe te passen waardoor in het bijzonder goederen sneller kunnen worden vrijgegeven en ingeklaard, met onder meer elektronische indiening en verwerking van informatie vóór de fysieke aankomst van zendingen, minder fysieke inspecties en bevordering van de handel door bijvoorbeeld vereenvoudigde aangiften met een minimum aan documentatie.
Artikel 6.4. Risicobeheersing
Elk van beide partijen maakt, voor zover mogelijk langs elektronische weg, gebruik van risicobeheersingsystemen voor de risicoanalyse en -oriëntatie zodat haar douaneautoriteiten hun inspectiewerkzaamheden kunnen concentreren op goederen met een hoog risico, en de inklaring en het in het verkeer brengen van goederen met een laag risico worden vereenvoudigd. Elk van beide partijen zal voor haar risicobeheersingprocedures de herziene Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures van 1999, hierna „Overeenkomst van Kyoto” genoemd, alsmede de WDO-Richtsnoeren voor risicobeheersing, als uitgangspunt nemen.
Artikel 6.5. Transparantie
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)