Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten
De verzekeringsbelasting (Versicherungssteuer) moet worden betaald in die gevallen dat de verzekeringspremie wordt betaald aan een op het grondgebied van de Bondsrepubliek gevestigde verzekeraar of een aldaar gemachtigde vertegenwoordiger van een buitenlandse verzekeraar, maar niet indien de premie rechtstreeks aan een buitenlandse verzekeraar wordt betaald. Met betrekking tot de verzekering van eigen motorrijtuigen van leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of van gezinsleden, wordt betaling van verzekeringsbelasting evenmin vereist indien in individuele gevallen de verzekeringspremie die rechtstreeks betaalbaar is aan de buitenlandse verzekeraar, bij uitzondering aan de gemachtigde binnenlandse vertegenwoordiger van een zodanige buitenlandse verzekeraar wordt betaald.
Het feit dat leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst en gezinsleden overeenkomstig artikel X, eerste lid van het NAVO-Status Verdrag geen woonplaats binnen het Bondsgebied hebben, houdt niet in dat zij als buitenlandse kopers worden beschouwd in de zin van de wetgeving inzake de omzetbelasting.
Gezinsleden worden met betrekking tot de toepassing van artikel X van het NAVO-Status Verdrag op dezelfde wijze behandeld als leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst.
Artikel 69
De rechten van de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst, van de leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of van gezinsleden om betaalmiddelen en cheques in valuta van de Bondsrepubliek overeenkomstig de voorschriften bedoeld in artikel XIV van het NAVO-Status Verdrag in te voeren, uit te voeren en te bezitten, worden niet aangetast door de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van dit artikel.
De autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst zijn gerechtigd in te voeren, uit te voeren en te bezitten betaalmiddelen en cheques in andere valuta dan die van de Bondsrepubliek en militaire betalingsbonnen in de valuta van een staat van herkomst.
De autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst kunnen aan de leden van een krijgsmacht en de civiele dienst en aan gezinsleden verstrekken:
- a). betaalmiddelen en cheques in de valuta van
- i). de Bondsrepubliek,
- ii). de staat van herkomst,
- iii). iedere andere staat, voorzover zulks vereist is ten behoeve van goedgekeurde reizen, waaronder verlofreizen zijn begrepen;
- b). militaire betalingsbonnen in de valuta van een staat van herkomst;
onder voorbehoud echter dat een systeem volgens hetwelk de leden van de krijgsmacht of van de civiele dienst of gezinsleden worden betaald in de valuta van de staat van herkomst, slechts wordt ingevoerd door de autoriteiten van de krijgsmacht in samenwerking met de autoriteiten van de Bondsrepubliek.
Uitsluitend voorzover zulks is toegestaan krachtens regelingen die door de autoriteiten van een krijgsmacht worden uitgevaardigd en die aan de autoriteiten van de Bondsrepubliek ter kennis zijn gebracht, hebben een lid van de krijgsmacht of van de civiele dienst en zijn gezinsleden recht:
- a). tot invoer van betaalmiddelen en cheques in de valuta van de staat van herkomst en militaire betalingsbonnen in de valuta van een staat van herkomst;
- b). tot uitvoer van
- i). betaalmiddelen en cheques in andere valuta dan die van de Bondsrepubliek indien de desbetreffende leden of gezinsleden die betaalmiddelen of cheques, hetzij hebben ingevoerd, hetzij van de autoriteiten van de krijgsmacht of hun gemachtigden hebben ontvangen;
- ii). cheques door een zodanig lid of gezinslid op een financiële instelling of -dienst in de staat van herkomst getrokken;
- iii). militaire betalingsbonnen in de valuta van een staat van herkomst.
De autoriteiten van een krijgsmacht nemen in samenwerking met de autoriteiten van de Bondsrepubliek passende maatregelen om elk misbruik van de rechten toegekend ingevolge het tweede, derde en vierde lid van dit artikel te voorkomen en om het systeem van buitenlandse deviezenregelingen van de Bondsrepubliek te beveiligen, voorzover dit systeem, met inachtneming van de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van dit artikel, betrekking heeft op een krijgsmacht, een civiele dienst, hun leden en gezinsleden.
Artikel 70
Aan een krijgsmacht of een civiele dienst wordt, overeenkomstig te sluiten bijzondere overeenkomsten, een rente vergoed over tegoeden in Duitse marken die met valuta van de staat van herkomst zijn verworven en die op rekeningen bij de Duitse Bondsbank (Deutsche Bundesbank) als daggeld zijn gedeponeerd.
Artikel 71
De niet-Duitse niet-commerciële organisaties vermeld in het tweede lid van de op dit artikel betrekking hebbende afdeling van het Protocol van Ondertekening, worden beschouwd en behandeld als integrerende delen van de krijgsmacht.
- a). De niet-Duitse niet-commerciële organisaties vermeld in het derde lid van de op dit artikel betrekking hebbende afdeling van het Protocol van Ondertekening genieten de voorrechten en vrijstellingen die aan de krijgsmacht ingevolge het NAVO-Status Verdrag en dit Verdrag zijn toegekend, voorzover zulks noodzakelijk is voor de vervulling van de doeleinden, omschreven in het derde lid van die afdeling van het Protocol van Ondertekening. De voorrechten en vrijstellingen met betrekking tot de invoer, de leveranties en de diensten ten behoeve van deze organisaties worden echter slechts toegekend indien die invoer, leveranties en diensten worden verkregen door tussenkomst van de autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst, dan wel door tussenkomst van door deze autoriteiten aangewezen aanschaffingsdiensten.
- b). De organisaties bedoeld onder a van dit lid hebben niet de bevoegdheden die de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst ingevolge het NAVO-Status Verdrag en deze Overeenkomst genieten.
Wat hun werkzaamheden als niet-commerciële organisaties betreft, zijn de organisaties vermeld in het tweede en derde lid van de op dit artikel betrekking hebbende paragraaf van het Protocol van Ondertekening niet onderworpen aan de Duitse voorschriften inzake handel en nijverheid (Handel und Gewerbe). De voorschriften inzake de arbeidsomstandigheden (Arbeitsschutzrecht) zijn niettemin van toepassing met inachtneming van de op dit artikel betrekking hebbende paragraaf van het Protocol van Ondertekening.
Aan andere niet-Duitse niet-commerciële organisaties kan, in bijzondere gevallen, bij administratieve overeenkomsten dezelfde behandeling worden toegekend als aan de organisaties vermeld in het tweede of derde lid van de op dit artikel betrekking hebbende afdeling van het Protocol van Ondertekening, indien zij:
- a). noodzakelijk zijn om aan de militaire behoeften van een krijgsmacht te voldoen, en
- b). handelen naar richtlijnen en onder toezicht van de krijgsmacht.
- a). Onder voorbehoud van het gestelde in het zesde lid worden de werknemers die uitsluitend in dienst zijn van de organisaties vermeld in het tweede of derde lid van de op dit artikel betrekking hebbende afdeling van het Protocol van Ondertekening beschouwd en behandeld als leden van een civiele dienst. Zij worden vrijgesteld van belastingheffing in het gebied van de Bondsrepubliek over salarissen en emolumenten die aan hen door de organisaties worden betaald, indien deze salarissen en emolumenten:
- i). onderworpen zijn aan belastingheffing in de staat van herkomst of
- ii). berekend zijn op basis van de veronderstelling dat geen verplichting tot belastingbetaling zal ontstaan.
- b). Het onder a gestelde is eveneens van toepassing op werknemers van organisaties aan welke overeenkomstig het gestelde in het vierde lid, een zelfde behandeling is toegekend als aan de organisaties vermeld in het tweede of derde lid van de op dit artikel betrekking hebbende afdeling van het Protocol van Ondertekening.
Het vijfde lid is niet van toepassing op:
- a). statenloze personen,
- b). onderdanen van een staat die geen Partij is bij het Noordatlantische Verdrag;
- c). Duitsers,
- d). personen die hun gewone verblijfplaats in het gebied van de Bondsrepubliek hebben.
Artikel 72
De niet-Duitse commerciële ondernemingen vermeld in het eerste lid van de op dit artikel betrekking hebbende afdeling van het Protocol van Ondertekening genieten:
- a). de vrijstellingen die aan een krijgsmacht ingevolge het NAVO-Status Verdrag en deze Overeenkomst zijn toegekend inzake douanerechten, belastingen, in- en heruitvoerbeperkingen en douanecontrole voorzover zulks noodzakelijk is voor de vervulling van hun doeleinden;
- b). vrijstelling van de Duitse voorschriften inzake handel en nijverheid (Handel und Gewerbe), met uitzondering van voorschriften inzake de arbeidsomstandigheden (Arbeitsschutz);
- c). die voorrechten die eventueel bij administratieve overeenkomsten worden vastgesteld.
Het eerste lid is alleen van toepassing indien
- a). de onderneming uitsluitend ten dienste staat van de krijgsmacht, de civiele dienst, hun leden of gezinsleden; en
- b). de werkzaamheden van de onderneming zijn beperkt tot commerciële transacties die niet door Duitse ondernemingen kunnen worden verricht zonder dat aan de militaire behoeften van de krijgsmacht afbreuk wordt gedaan.
Indien de werkzaamheden van een onderneming transacties omvatten die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden vastgesteld in het tweede lid, worden de vrijstellingen en voorrechten bedoeld in het eerste lid toegekend onder voorwaarde dat een duidelijk juridisch of administratief onderscheid wordt gemaakt tussen de werkzaamheden die uitsluitend worden verricht ten behoeve van de krijgsmacht en die waarmede dat niet het geval is.
In overeenstemming met de Duitse autoriteiten en onder de voorwaarden omschreven in het tweede en derde lid kunnen aan andere niet-Duitse commerciële ondernemingen alle of enkele vrijstellingen en voorrechten bedoeld in het eerste lid worden toegekend.
- a). Werknemers van ondernemingen aan wie ingevolge dit artikel vrijstellingen en voorrechten zijn toegekend, genieten, indien zij uitsluitend in dienst zijn bij zulke ondernemingen, dezelfde vrijstellingen en voorrechten als die welke zijn toegekend aan leden van een civiele dienst, tenzij zulke vrijstellingen en voorrechten door de staat van herkomst zijn beperkt.
- b). Het onder a gestelde is niet van toepassing op:
- i). statenloze personen;
- ii). onderdanen van een staat die geen Partij is bij het Noordatlantische Verdrag;
- iii). Duitsers;
- iv). personen die hun gewone verblijfplaats in het gebied van de Bondsrepubliek hebben.
Indien de autoriteiten van een krijgsmacht alle of enkele vrijstellingen en voorrechten die aan deze ondernemingen of aan hun werknemers ingevolge dit artikel zijn toegekend intrekken, stellen zij de Duitse autoriteiten hiervan in kennis.
Artikel 73
Technische deskundigen wier diensten nodig zijn voor een krijgsmacht en die op het gebied van de Bondsrepubliek uitsluitend die krijgsmacht dienen hetzij in een adviserende hoedanigheid in technische zaken hetzij ten behoeve van de oprichting, het gebruik of het onderhoud van uitrusting, worden beschouwd en behandeld als leden van een civiele dienst.
Deze bepaling is echter niet van toepassing op:
- a). statenloze personen;
- b). onderdanen van een staat die geen Partij is bij het Noordatlantische Verdrag;
- c). Duitsers;
- d). personen die hun gewone verblijfplaats op het gebied van de Bondsrepubliek hebben.
Artikel 74
De artikelen XII en XIII van het NAVO-Status Verdrag zijn eveneens van toepassing op de regelingen die met betrekking tot de douanerechten en belastingen in deze Overeenkomst getroffen zijn.
De autoriteiten van een krijgsmacht en van een civiele dienst nemen alle passende maatregelen om misbruiken te voorkomen, die zouden kunnen voortkomen uit de toekenning van voorrechten en vrijstellingen op het gebied van de douanerechten en belastingen.
Zij werken nauw met de Duitse autoriteiten samen bij de voorkoming van overtredingen van douane- en belastingvoorschriften.
De bijzonderheden van de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel, met inbegrip van de ingevolge artikel XII, eerste lid van het NAVO-Status Verdrag in acht te nemen voorwaarden, worden vastgesteld bij administratieve overeenkomsten met de Duitse autoriteiten. Deze overeenkomsten houden met name rekening met de volgende punten:
- a). De autoriteiten van een krijgsmacht en van een civiele dienst dragen er in overeenstemming met de Duitse autoriteiten zorg voor dat bepaalde goederen alleen in redelijke hoeveelheden ter beschikking worden gesteld van de leden van de krijgsmacht, van de civiele dienst of van gezinsleden.
- b). De samenwerking tussen de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst en de Duitse autoriteiten omvat de uitwisseling van de terzake dienende inlichtingen betreffende de verkooporganisaties van de krijgsmacht en de organisaties en commerciële ondernemingen waarvan de krijgsmacht zich bedient en houden tevens in, voorzover noodzakelijk, de daarin uit te voeren in aanmerking komende inspecties.
De autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst delen - voorzover militaire noodzaak zich hiertegen niet verzet - aan de Duitse autoriteiten op hun verzoek de inlichtingen mede, die redelijkerwijze gevraagd kunnen worden en die noodzakelijk zijn om fiscale verplichtingen van personen of ondernemingen die onderworpen zijn aan belastingheffing op het gebied van de Bondsrepubliek, vast te stellen. De Duitse autoriteiten verzoeken de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst slechts om deze inlichtingen, indien zij de voor de vaststelling van het te heffen belastingbedrag noodzakelijke gegevens niet op andere wijze kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld uit officiële verklaringen (Abwicklungsscheine) betreffende de levering van goederen en diensten ten aanzien waarvan belastingfaciliteiten gelden indien zulke verklaringen aan de Duitse belastingautoriteiten (Finanzbehörden) zijn verstrekt, of uit inlichtingen die aan deze autoriteiten door andere Duitse autoriteiten kunnen worden gegeven.
De Duitse autoriteiten nemen maatregelen om de openbaarmaking van de inlichtingen aan onbevoegde derden te voorkomen.
Artikel 75
- a). Behalve in het geval dat de verdachte een Duitser is, is noch artikel 19 van deze Overeenkomst, noch artikel VII, eerste, tweede en derde lid, van het NAVO-Status Verdrag van toepassing op een voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst gepleegd strafbaar feit waarvan een lid van de krijgsmachten wordt beschuldigd, indien vóór dat tijdstip:
- i). de strafprocedures met betrekking tot een zodanig strafbaar feit zijn aangevangen of beëindigd door een autoriteit van een krijgsmacht die rechtsmacht uitoefent, of
- ii). de vervolging van het strafbaar feit is verjaard door verloop van een bepaalde termijn krachtens de wetgeving van de betrokken staat van herkomst.
- b). Indien strafprocedures aanhangig zijn op de datum van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst blijven de bepalingen van het Krijgsmachtenverdrag betreffende de uitoefening van rechtsmacht inzake door deze leden gepleegde strafbare feiten op deze procedures tot aan hun beëindiging van toepassing als ware het Krijgsmachtenverdrag nog van kracht, mits de Duitse autoriteiten binnen tien dagen na die datum mededeling van deze aanhangige zaken wordt gedaan.
Bij het bepalen van de strafmaat ten aanzien van een strafbaar feit gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst houdt de Duitse rechtbank of autoriteit naar behoren rekening met de straf voorzien bij de wetgeving van de staat van herkomst waaraan de verdachte onderworpen was op het moment van het plegen van het strafbare feit, indien blijkt dat deze straf lichter is dan die welke is voorgeschreven bij de Duitse wetgeving.
Artikel 76
Vervallen
Artikel 77
Vervallen
Artikel 78
De Gemengde Commissie ingesteld ingevolge artikel 44, achtste lid, van het Krijgsmachten verdrag blijft het bevoegde lichaam om te beslissen of een ontslag uit veiligheidsoverwegingen gewettigd was, mits een verzoek overeenkomstig die bepaling door de Commissie vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst werd ontvangen.
De beslissingen van de Gemengde Commissie blijven ook na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst van kracht voor Duitse rechtbanken in arbeidszaken.
Artikel 79
Vervallen
Artikel 80
De bepalingen van artikel XV van het NAVO-Status Verdrag zijn van toepassing op deze Overeenkomst, met dien verstande dat verwijzingen in dat artikel naar andere bepalingen van het NAVO-Status Verdrag worden geacht te zijn verwijzingen naar die bepalingen zoals die zijn aangevuld door deze Overeenkomst.
Artikel 80A
Indien zich een geschil voordoet betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst en er geen bijzondere procedure is geregeld, trachten de rechtstreeks betrokken partijen het geschil te beslechten door middel van overleg op het laagste daarvoor in aanmerking komende niveau. Een geschil dat niet op dat niveau kan worden beslecht, kan ter beslechting worden voorgelegd aan hogere bevoegde militaire of civiele autoriteiten.
- a. Indien het geschil niet binnen vijftien dagen is beslecht overeenkomstig het eerste lid, kan elke rechtstreeks betrokken partij daarna verzoeken om de instelling van een consultatieve Commissie, die de rechtstreeks betrokken partijen mogelijke oplossingen aanbeveelt. Uiterlijk binnen tien dagen na het verzoek wordt de consultatieve Commissie samengesteld en houdt zij haar eerste bijeenkomst. De consultatieve Commissie doet haar definitieve aanbevelingen binnen zestig dagen na haar eerste bijeenkomst.
- b. De consultatieve Commissie bestaat uit een passend aantal leden die de rechtstreeks betrokken partijen vertegenwoordigen. Indien de Bondsrepubliek partij bij het geschil is, is zij gerechtigd evenveel leden te benoemen als zijn benoemd door alle partijen bij het geschil gezamenlijk. De consultatieve Commissie kan externe bemiddelaars verzoeken de Commissie te adviseren. Op verzoek van een lid kan de Commissie ook het deskundig advies inwinnen van daarvoor in aanmerking komende personen of organisaties, zoals de Noordatlantische Verdragsorganisatie, de Westeuropese Unie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, wier advies vertrouwelijk wordt gegeven en behandeld.
Als eerste handeling beveelt de consultatieve Commissie, indien van toepassing, de partijen aan voorlopige maatregelen te nemen in afwachting van de beslechting van het geschil. Deze voorlopige maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de onderscheiden standpunten van de partijen of aan de definitieve oplossing voor het geschil. Indien de consultatieve Commissie het binnen de voorgeschreven termijn niet eens kan worden over de voorlopige maatregelen, wordt de kwestie van de voorlopige maatregelen via de daarvoor in aanmerking komende kanalen doorgeleid ter beslechting, indien noodzakelijk op ministersniveau.
Aan de door de consultatieve Commissie aanbevolen definitieve oplossing wordt uitvoering gegeven door de rechtstreeks betrokken partijen, tenzij één of meer van die partijen daartegen binnen vijftien dagen bezwaar maken. In geval van bezwaar, of indien de consultatieve Commissie het binnen de voorgeschreven termijn niet eens kan worden over definitieve aanbevelingen, wordt de aangelegenheid via diplomatieke kanalen doorgeleid met het oog op een spoedige oplossing.
In afwachting van een definitieve oplossing voor het geschil onthoudt elke partij zich van gedragingen die de essentiële belangen van andere rechtstreeks betrokken partijen zouden kunnen schaden, met name de belangen die het gastland eventueel naar voren brengt.
Artikel 81
Elke stationerende Partij kan, na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partijen, zich door middel van een schriftelijke kennisgeving uit deze Overeenkomst terugtrekken met inachtneming van een opzegtermijn van twee jaar. De Bondsrepubliek kan, na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partijen, deze Overeenkomst ten aanzien van één of meer Overeenkomstsluitende Partijen beëindigen door middel van een schriftelijke kennisgeving met inachtneming van een opzegtermijn van twee jaar.
Artikel 82
Deze Overeenkomst wordt herzien:
- a). wanneer de Overeenkomst inzake de aanwezigheid van buitenlandse krijgsmachten in de Bondsrepubliek Duitsland van 23 oktober 1954, overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van die Overeenkomst, wordt herzien;
- b). op verzoek van een van de Overeenkomstsluitende Partijen na verloop van een tijdvak van drie jaren, te rekenen van de datum van inwerkingtreding af;
- c).
- i). ten aanzien van een of meer bepalingen, indien de bepalingen van het NAVO-Status Verdrag waarmee zij rechtstreeks verband houden worden herzien ingevolge artikel XVII van dat Verdrag;
- ii). op elk moment op verzoek van een van de Overeenkomstsluitende Partijen ten aanzien van een of meer bepalingen indien de verdere toepassing daarvan naar de opvatting van de Partij die het verzoek indient, voor die Partij bijzonder bezwaarlijk zou zijn, of indien deze toepassing van die Partij redelijkerwijze niet zou kunnen worden verwacht; in deze gevallen worden niet later dan drie maanden na de indiening van het verzoek besprekingen geopend; indien na drie maanden van besprekingen geen overeenstemming is bereikt, kan elke Overeenkomstsluitende Partij zich wenden tot de Secretaris-Generaal van de Noordatlantische Verdragsorganisatie overeenkomstig de beslissing van de Noordatlantische Raad van 13 december 1956, met het verzoek zijn goede diensten te verlenen en een der in die beslissing genoemde procedures in te leiden; de Overeenkomstsluitende Partijen schenken de grootst mogelijke aandacht aan aanbevelingen die uit deze procedure voortvloeien;
- iii). op elk moment op verzoek van een van de Overeenkomstsluitende Partijen ten aanzien van een of meer bepalingen van zuiver technische of administratieve aard.
Artikel 83
Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging of goedkeuring worden door de ondertekenende Staten nedergelegd bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, die elk der ondertekenende Staten in kennis stelt van de datum van nederlegging.
Deze Overeenkomst treedt in werking dertig dagen na de datum waarop de Bondsrepubliek bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, overeenkomstig de voorwaarden neergelegd in de beslissing van de Noordatlantische Raad van 5 oktober 1955, haar akte van toetreding tot het NAVO-Status Verdrag heeft nedergelegd.
Deze Overeenkomst wordt nedergelegd in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, die aan iedere ondertekenende Staat gewaarmerkte afschriften daarvan zal toezenden.
Bij de ondertekening van de Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten (hierna te noemen de „Aanvullende Overeenkomst”), bevestigen de ondergetekende vertegenwoordigers van
Het Koninkrijk België,
Canada,
De Bondsrepubliek Duitsland,
De Franse Republiek,
Het Koninkrijk der Nederlanden,
De Verenigde Staten van Amerika
en
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
dat zij over de volgende protocollen en verklaringen overeenstemming hebben bereikt:
DEEL I. Gemeenschappelijke protocollen en verklaringen betreffende het NAVO-Status Verdrag
Ad artikel I, eerste lid, onder a
Met het oog op de definitie van „krijgsmacht” beschouwt de Bondsrepubliek het NAVO-Status Verdrag en de Aanvullende Overeenkomst als mede van toepassing zijnde op krijgsmachten van een staat van herkomst, die zich tijdelijk op het gebied van de Bondsrepubliek bevinden in overeenstemming met artikel 1, derde lid van het Verdrag inzake het verblijf van vreemde krijgsmachten in de Bondsrepubliek Duitsland van 23 oktober 1954.
Militaire attachés van een staat van herkomst in de Bondsrepubliek, de leden van hun staven alsmede ander militair personeel die een diplomatieke of andere speciale status in de Bondsrepubliek genieten, worden niet geacht een „krijgsmacht” te vormen in de zin van het NAVO-Status Verdrag en de Aanvullende Overeenkomst, of daarvan deel uit te maken.
De regeringen van de staten van herkomst zullen al het mogelijke doen om - behalve in geval van militaire noodzaak - personen die uitsluitend Duitser zijn niet als lid van een krijgsmacht in het gebied van de Bondsrepubliek te stationeren.
- (a). De volgende financieel zelfstandige organisaties en diensten vormen een integrerend onderdeel van de Amerikaanse krijgsmacht:
- (i). European Exchange System (EES)
- (ii). Air Forces Europe Exchange (AFEX)
- (iii). USAREUR Class VI Agency
- (iv). USAFE Class VI Agency
- (v). European Motion Picture Service
- (vi). USAFE Motion Picture Service
- (vii). USAREUR Special Services Fund
- (viii). USAREUR Special Services Reimbursable Fund
- (ix). American Forces Network
- (x). Dependent Education Group (met inbegrip van scholen voor gezinsleden)
- (xi). Armed Forces Recreation Center Fund
- (xii). Association of American Rod and Gun Clubs in Europe
- (xiii). Stars and Stripes
- (xiv). Andere financieel zelfstandige organisaties met inbegrip van erkende clubs en messes (authorized clubs and messes).
- (b). De onder (a ) punt (xiv) bedoelde organisaties doen aanschaffingen die vrij van belastingen en rechten zijn door tussenkomst van de officieel aangewezen aanschaffingsdiensten van de krijgsmacht, in overeenstemming met de overeengekomen procedures.
- (c). De lijst van de onder (a ) vermelde organisaties en diensten kan worden gewijzigd voorzover zulks noodzakelijk is in verband met organisatorische veranderingen.
Leden van de in Berlijn gestationeerde strijdkrachten van een staat van herkomst, hun civiele diensten en gezinsleden worden beschouwd en behandeld als leden van de krijgsmacht of van de civiele dienst of als gezinsleden, wanneer zij zich als verlofganger op het gebied van de Bondsrepubliek bevinden.
Ad artikel V, eerste lid, tweede volzin
De autoriteiten van een staat van herkomst kunnen de leden van de krijgsmacht vergunning verlenen tot het dragen van burgerkleding in overeenstemming met de voorschriften van de staat van herkomst.
Het bepaalde in het eerste lid is mede van toepassing op Franse detachementen waarin individuele leden van de krijgsmacht (recruten die zich bij hun onderdelen in de Bondsrepubliek gaan voegen of uit de dienst ontslagenen die naar huis terugkeren) worden ingedeeld, indien de Franse voorschriften dit personeel toestaan in burgerkleding de grens te overschrijden.
Ad artikel VII
De Bondsrepubliek beschouwt vergrijpen die worden gestraft langs de weg van een administratieve strafprocedure (Verwaltungsstrafverfahren), en vergrijpen waartegen slechts een geldboete is bedreigd (Ordnungswidrigkeiten), als volgens het recht van de staat van verblijf strafbare vergrijpen in de zin van artikel VII en van de daarmede rechtstreeks samenhangende bepalingen van de Aanvullende Overeenkomst.
- (a). Met betrekking tot artikel VII, eerste lid, onder b, acht de Bondsrepubliek zich niet bevoegd te beslissen op verzoeken om uitlevering van leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst of van gezinsleden.
- (b). De staten van herkomst geven geen gevolg aan verzoeken om uitlevering van Duitsers die zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevinden als leden van een krijgsmacht of als gezinsleden.
Ad artikel IX, zesde lid
De Bondsrepubliek is bereid verzoeken om aan gezinsleden faciliteiten op het gebied van reizen en reducties op vervoerkosten te verlenen zeer welwillend te onderzoeken. Dit onderzoek wordt slechts uitgevoerd binnen het raam van de geldende tarieven en indien vergelijkbare omstandigheden bestaan.
Ad artikel XIX
De Bondsregering erkent dat het ongewenst zou zijn de rechtspositie van de krijgsmachten ongeregeld te laten. Zij oefent derhalve het haar volgens artikel XIX toekomende recht tot opzegging slechts uit in verband met dringende redenen en niet dan na overleg met de regeringen van de staten van herkomst. Ingeval van opzegging is de Bondsregering bereid onverwijld onderhandelingen met de regeringen van de staten van herkomst te openen over de sluiting van passende vervangende overeenkomsten. Tot de sluiting van zodanige overeenkomsten zou zij de krijgsmachten een positie garanderen die geen afbreuk doet aan de bestendigheid van hun essentiële legeringsvereisten.
DEEL II. Gemeenschappelijke protocollen en verklaringen betreffende de Aanvullende Overeenkomst
Ad artikel 1
Indien de Aanvullende Overeenkomst in werking mocht treden vóór het einde van de overgangsperiode, bedoeld in artikel 1, tweede lid, en in artikel 3 van het op 27 oktober 1956 tussen de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten verdrag ter regeling van de Saarkwestie, zijn de bepalingen van de Aanvullende Overeenkomst die betrekking hebben op aangelegenheden waartoe, ingevolge hoofdstuk II van het genoemde verdrag tussen de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland, de Duitse bevoegdheid zich niet uitstrekt, in Saarland niet van toepassing vóór het einde van de bovengenoemde periode.
Ad artikel 2
De autoriteiten van de krijgsmachten beperken het aantal naaste bloedverwanten in de zin van artikel 2, tweede lid, onder a, die in het grondgebied van de Bondsrepubliek worden toegelaten, zoveel mogelijk.
Ad artikel 4
Bij de toepassing van artikel 4 onderhandelen de Duitse autoriteiten uitsluitend met de autoriteiten van die staat van herkomst die de betreffende rechten en verplichtingen uitoefent, onderscheidenlijk vervult.
Ad artikel 5
Artikel 5 , eerste lid, onder a, is niet van toepassing op het binnenkomen in of verlaten van het grondgebied van de Bondsrepubliek.
Ad artikel 7
Bij de toepassing van de Duitse voorschriften inzake de dienstplicht wordt de tijd die iemand als lid van een krijgsmacht, van een civiele dienst of als gezinslid op het grondgebied van de Bondsrepubliek doorbrengt, buiten beschouwing gelaten.
Ad artikel 8
Uitwijzing kan slechts geschieden in overeenstemming met de bepalingen van de Duitse wetgeving inzake het toezicht van de politie op vreemdelingen (Ausländerpolizeirecht).
In hoeverre de bepalingen van de thans van kracht zijnde Duitse Politieverordening inzake vreemdelingen (Ausländerpolizeiverordnung) van 22 augustus 1938 inhoudsloos zijn geworden, wordt hieronder aangegeven:
- (a). De volgende in de tekst van de verordening voorkomende uitdrukkingen worden als volgt vervangen:
- (i). „Rijksgebied” door „Bondsgebied”;
- (ii). „Rijk” door „Bond”;
- (iii). „Rijksgrens” door „Bondsgrens”;
- (iv). „Districtspolitiebestuur” (Kreispolizeiverwaltung) door de overeenkomstig het recht van een Land ingestelde „Stads- of Districtsbesturen” (Stadt-, Kreisverwaltungen) voorzover zij de functies van het Districtspolitiebestuur hebben overgenomen;
- (v). „Rijksmark” door „Duitse Mark”;
- (vi). „Rijksminister van Binnenlandse Zaken” door „Bondsminister van Binnenlandse Zaken”.
- (b). ad artikel 5, eerste lid, onder (a ): De uitdrukking „volksgemeenschap” (Volksgemeinschaft) wordt geacht te zijn geschrapt krachtens artikel II van de Wet nr. 1 van de Controleraad, dat als volgt luidt: „Geen wettelijke Duitse maatregelen, ongeacht hoe of wanneer zij tot stand zijn gekomen, worden door een rechterlijke of bestuurlijke instantie toegepast, indien deze toepassing onrecht of een ongelijke behandeling tot gevolg zou hebben, hetzij
- (a). door een persoon op grond van zijn betrekkingen met nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij, haar afdelingen, met deze partij verbonden verenigingen of met door deze partij gecontroleerde organisaties te bevoordelen, hetzij
- (b). door een persoon wegens zijn ras, nationaliteit, religieuze overtuiging of oppositie tegen de Nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij of haar leerstellingen te benadelen.”
- (c). Ad artikel 5, eerste lid, onder (c): De wettelijke gronden om castratie te doen uitvoeren (artikel 42a, ten 5° en artikel 42k van het Wetboek van Strafrecht) zijn vervallen krachtens artikel I van de Wet nr. 11 van de Controleraad, Bovendien is castratie niet geoorloofd krachtens het gestelde in artikel 2, tweede lid, eerste volzin, van de Grondwet, die als volgt luidt: „Een ieder heeft recht op het leven en op lichamelijke onschendbaarheid.”
- (d). artikel 5, eerste lid, onder (g ): De uitdrukking „ras” (Rassezugehörigkeit) wordt geacht te zijn vervallen krachtens artikel II van de Wet nr. 1 van de Controleraad (vide onder (b )) en krachtens het gestelde in artikel 3, derde lid, van de Grondwet, dat als volgt luidt: „Niemand mag nadeel ondervinden van of bevoorrecht worden door zijn geslacht, afstamming, ras, taal, vaderland en herkomst, geloof of godsdienstige of politieke opvattingen.”
- (e). Ad artikel 5, eerste lid, onder (h ): De uitdrukking „zigeuner” wordt geacht te zijn vervallen krachtens artikel II van de Wet nr. 1 van de Controleraad (vide onder (b )) en krachtens artikel 3, derde lid, van de Grondwet (vide onder (d ).
- (f). Ad artikel 7, eerste lid, onder (c ): Ingevolge artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de Grondwet genieten personen die om politieke redenen worden vervolgd, het recht van asiel. Dit recht wordt niet aangetast door artikel 7, eerste lid van de Duitse Politieverordening inzake vreemdelingen. Hetzelfde is van toepassing op buitenlandse vluchtelingen in de zin van de Overeenkomst inzake de rechtspositie van vluchtelingen van 28 juli 1951 (Bundesgesetzblatt 1953, deel II, blz. 559).
- (g). Ad artikel 7, vierde lid en vijfde lid, tweede volzin: Zowel Duitsers als vreemdelingen kunnen slechts gevangen gehouden worden met inachtneming van de volgende bepalingen van artikel 104, tweede en vierde lid, van de Grondwet:
- „2. Over de toelaatbaarheid of het voortduren van een vrijheidsberoving kan alleen de rechter beslissen. Indien een vrijheidsberoving niet rust; op een bevel van een rechter, moet onverwijld een rechterlijke beslissing worden verkregen. De politie kan niemand op eigen gezag langer dan tot het einde van de dag na die van de arrestatie bij zich in arrest houden. Bijzonderheden worden bij de wet geregeld.
-
- Een bloedverwant of een vertrouwensman van de gearresteerde persoon moet onverwijld in kennis gesteld worden van elke rechterlijke beslissing inzake vrijheidsberoving of verlenging daarvan”.
- (h). Ad artikel 7, vijfde lid: Het gestelde onder (f ) en (g ) is van toepassing.
- (i). Ad artikel 9, tweede en vierde lid: Arrestatie voorafgaand aan uitwijzing is eveneens slechts toegestaan in overeenstemming met artikel 104, tweede en vierde lid, van de Grondwet (vide onder (g ).
- (j). Ad artikel 11, eerste lid, laatste volzin, tweede lid, laatste volzin, en vijfde en zesde lid: Deze bepalingen worden geacht te zijn vervallen of niet meer van toepassing te zijn krachtens het gestelde in artikel 19, vierde lid, van de Grondwet dat als volgt luidt: „Ieder wiens recht door het openbare gezag wordt geschonden, heeft het recht van beroep op de rechter. Indien geen andere rechter bevoegd is, kan beroep op de gewone rechter worden gedaan”. Dezelfde bepalingen zijn vervat in de wetten van de Länder inzake administratieve rechtspraak (bijvoorbeeld voor de Länder behorende tot de voormalige Britse bezettingszone - Verordening nr. 165 van het Britse Militair Gezag inzake Rechtsmacht van Administratieve Rechtbanken in de Britse zone - Verordnungsblatt, British Zone 1948, blz. 263).
- (k). Ad artikel 11, vierde lid: De werking van deze bepaling is beperkt voorzover - ingevolge artikel 19, vierde lid van de Grondwet (vide onder (j ) - het beroep kan worden gedaan op de Administratieve Rechtbank tegen weigering van de opschortende werking van een klacht.
- (l). Ad artikel 14: De bepaling is inhoudsloos door het verstrijken van de tijd.
- (m). Ad artikel 15, eerste lid: In verband met deze bepaling dient rekening te worden gehouden met het gestelde in artikel 116, eerste lid, van de Grondwet, dat als volgt luidt: „Tenzij anders bij de wet wordt bepaald, is een Duitser in de zin van de Grondwet een ieder die de Duitse nationaliteit bezit, of die is toegelaten in het gebied van het Duitse Rijk, zoals dat bestond op 31 december 1937, als vluchteling of verdrevene van Duitse herkomst (Volkszugehörigkeit) of als de echtgenoot of afstammeling van een zodanige persoon”.
- (n). Ad artikel 17, tweede lid: De machtiging om verordeningen niet kracht van wet of van algemene administratieve voorschriften uit te vaardigen is krachtens artikel 129, derde lid, van de Grondwet niet meer van kracht.
De bepalingen van de Duitse wetgeving betreffende uitwijzing en in het bijzonder artikel 5, eerste lid, van de Politieverordening inzake vreemdelingen is slechts van toepassing indien de daar vermelde gronden voor uitwijzing niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van het NAVO-Status Verdrag en van de Aanvullende Overeenkomst.
Ad artikel 12
De uitdrukking „Duitse wetgeving inzake noodweer (Notwehr)” in artikel 12, tweede lid, wordt uitgelegd overeenkomstig de volgende Duitse interpretatie van artikel 53 van het Duitse Wetboek van Strafrecht:
- (a). Artikel 53 van het Duitse Wetboek van Strafrecht luidt als volgt: „Niet strafbaar is hij die een feit begaat dat door noodweer geboden wordt”. Noodweer is die verdediging die noodzakelijk is om een onmiddellijk dreigende wederrechtelijke aanranding van zichzelf of een ander af te wenden. Noodweerexces is niet strafbaar indien de dader de grenzen van verdediging heeft overschreden als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, vrees of schrik.
- (b). Bij de interpretatie van artikel 53 van het Duitse Wetboek van Strafrecht heeft de jurisprudentie sinds lang enige vaste beginselen ontwikkeld, die als volgt kunnen worden samengevat:
- (i). Onder „aanranding” wordt begrepen iedere handeling die gericht is op schending van eens anders rechtsgoederen.
- (ii). De aard van de rechtsgoederen die door de aanranding worden bedreigd doet niet ter zake. Een aanranding kan niet slechts gericht zijn tegen lijf of leven doch ook tegen alle wettelijk beschermde belangen, zoals vrijheid, eerbaarheid, eer, eigendom, bezit of jachtrechten.
- (iii). De te verdedigen beschermde belangen behoeven niet toe te behoren aan de verdediger ervan; zij kunnen ook toebehoren aan een ander. In het laatstbedoelde geval spreekt men van hulp in geval van nood (Nothilfe).
- (iv). Iedere aanranding die de aangerande niet gehouden is te dulden, wordt beschouwd als een wederrechtelijke aanranding. Mitsdien is noodweer niet alleen geoorloofd tegenover een dader aan wie schuld kan worden verweten, doch ook tegen een ontoerekeningsvatbare, een geesteszieke, een kind of iemand die handelt in onvermijdbare dwaling.
- (v). Een aanranding wordt beschouwd als een dreigende aanranding indien zij onmiddellijk dreigende is of aan de gang is of voortduurt; een toekomstige of beëindigde aanranding wordt niet beschouwd als een dreigende aanranding. Of een aanranding al dan niet dreigend is, wordt bepaald door de objectieve feiten en niet door het subjectieve oordeel van de persoon die in noodweer handelt.
- (vi). Een aanranding wordt geacht voort te duren en is derhalve dreigende totdat het gevaar dat daaruit voortvloeit ten aanzien van de bedreigde wettelijk beschermde belangen, hetzij volledig voorbij is hetzij - omgekeerd - totdat de aanranding heeft geresulteerd in een onherstelbaar verlies van een zodanig belang. Bijvoorbeeld, indien een dief vlucht met een gestolen voorwerp of een stroper met het gestroopte wild, is noodweer geoorloofd gedurende de onmiddellijke achtervolging en zolang het voorwerp in kwestie, uit het oogpunt van de dader, niet in veiligheid is gebracht.
- (vii). Noodweer moet noodzakelijk zijn om een aanranding af te wenden. Deze noodzakelijkheid wordt van geval tot geval vastgesteld door toepassing van objectieve maatstaven. In beginsel wordt de mate van geoorloofde noodweer bepaald door de ernst en de hardnekkigheid van de aanranding en door de middelen die de aangerande persoon voor zijn verdediging ter beschikking staan.
- (viii). Een wettelijk beschermd belang van de aanrander wordt geacht zonder noodzaak te zijn aangetast, indien de door de aanranding bedreigde persoon in staat is de aanranding te ontwijken zonder van zijn eigen belangen afstand te doen.
- (ix). In het algemeen is het niet noodzakelijk dat de waarde van de wettelijk beschermde belangen van de aangerande persoon worden afgewogen tegen het verlies dat de aanrander zou kunnen lijden (beginsel van evenredigheid). Dit beginsel is echter onderworpen aan beperkingen. Het doden van een dief is niet een vereiste (noodzakelijke) daad van verdediging indien de voorwerpen die de aangerande persoon dreigt te verliezen slechts van geringe waarde zijn (over dit beginsel bestaat verschil van mening).
- (x). Het is voldoende dat de noodweer wordt vereist om een aanranding van de eigen of eens anders persoon af te wenden. Het is niet noodzakelijk dat de aanranding is gericht tegen een bloedverwant in de zin van artikel 52, tweede lid van het Duitse Wetboek van Strafrecht.
- (xi). Slechts voorzover een verdedigingshandeling is gericht tegen de aanrander, wordt een verdedigingshandeling beschouwd als noodweer ter afwering van een wederrechtelijke aanranding. Handelingen die rechtsgoederen van derden die er niet bij betrokken zijn schenden worden niet door noodweer als zodanig gedekt. Onder bepaalde omstandigheden kunnen de daders van zodanige handelingen ongestraft blijven op grond van overmacht (Notstand).
Ad artikel 18A
In de in het eerste lid van artikel 18A bedoelde gevallen verlenen de Duitse autoriteiten bijstand indien Duitse wettelijke bepalingen of door de Bondsrepubliek aanvaarde verdragsrechtelijke verplichtingen zulks vereisen.
In buitengewone omstandigheden, zoals in geval van de onmiddellijke dreiging van een gewapend conflict, kunnen de autoriteiten van een Staat van herkomst en de bevoegde Duitse autoriteiten akkoorden sluiten waarin rekening wordt gehouden met deze omstandigheden.
Ad artikel 19
Het verzoek om afstand van het recht van de Bondsrepubliek om bij voorrang rechtsmacht in strafzaken uit te oefenen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt door die staten van herkomst die reeds besloten hebben gebruik te maken van de afstand van dat voorrangsrecht, gedaan bij het inwerkingtreden van de Aanvullende Overeenkomst. De Bondsrepubliek doet ten gunste van die staten afstand van haar voorrangsrecht bij het inwerkingtreden van de Aanvullende Overeenkomst. Indien een staat van herkomst na het inwerkingtreden van de Aanvullende Overeenkomst besluit gebruik te maken van de afstand van het voorrangsrecht, verzoekt die staat hierom eerst nadat met de Bondsregering overeenstemming is bereikt omtrent de noodzakelijke overgangsregelingen.
- (a). Belangen van de Duitse rechtspleging in de zin van artikel 19, derde lid, kunnen uitoefening van rechtsmacht door Duitse autoriteiten in het bijzonder in de volgende gevallen noodzakelijk maken:
- i. delicten waarvan in eerste aanleg wordt kennisgenomen door een Oberlandesgericht, of delicten die kunnen worden vervolgd door de Generalbundesanwalt bij het Bundesgerichtshof;
- ii. delicten die de dood van een mens veroorzaken, beroving en verkrachting, voor zover niet gepleegd tegen een lid van een krijgsmacht, van een civiele dienst of een gezinslid;
- iii. poging tot zodanige delicten of deelneming daaraan.
- (b). De betrokken autoriteiten werken met betrekking tot de onder (a) genoemde delicten zeer nauw samen van de aanvang van het voorbereidende onderzoek af, teneinde de in artikel VII, zesde lid, van het NAVO-Status Verdrag bedoelde wederzijdse hulp te verlenen.
Ad artikel 22
De staten van herkomst behouden het recht de gearresteerde, hetzij in een eigen inrichting voor de bewaring van arrestanten, hetzij bij haar krijgsmacht in bewaring te houden. Teneinde een soepele vervulling van hun verplichtingen ingevolge artikel 22, derde lid, tweede volzin, te verzekeren, houden de autoriteiten van de staten van herkomst de gearresteerde voorzover mogelijk in bewaring in de nabijheid van de standplaats van de Duitse autoriteit die de zaak behandelt, zonder dat echter de verplichting bestaat de gearresteerde buiten het eigen gebied van de krijgsmacht onder te brengen.
Ad artikel 26, eerste lid, onder (b)
De uitdrukking „militaire noodzaak” kan ook worden toegepast op gevallen waarin het delict werd gepleegd door een persoon die zich in verband met oefeningen of manoeuvres tijdelijk op het grondgebied van de Bondsrepubliek ophield.
Ad artikel 31
De artikelen 17 tot en met 24 van het Haagse Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 17 juli 1905 worden in de betrekkingen tussen de Bondsrepubliek en de Franse Republiek beschouwd als een overeenkomst in de zin van artikel 31, tot het tijdstip waarop het Haagse Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954 in werking treedt.
Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor fouten begaan door ambtenaren in functie, geldt zowel tussen de Bondsrepubliek en de Franse Republiek als tussen de Bondsrepubliek en het Koninkrijk België het volgende:
- De aansprakelijkheid van de staat (Bund of Land) of van een publiekrechtelijk lichaam voor schade geleden door een lid van Belgische of Franse krijgsmacht, van hun civiele diensten of door hun gezinsleden als gevolg van fouten, door personen die in de Bondsrepubliek in Duitse openbare dienst zijn als zodanig begaan, wordt beheerst door de voor Duitse onderdanen (Inländer) geldende voorschriften.
Ad artikel 41
Artikel 41 is niet van toepassing op aanspraken wegens schade die voortvloeit uit contracten of daaraan verwante rechtsverhoudingen.
- (a).
- (i). Ingeval van schade aan openbare wegen en van schade aan eigendommen van de Bondsrepubliek - met uitzondering van schade aan eigendommen van de Duitse Bondsspoorwegen en van de Duitse Bondsposterijen - die veroorzaakt is door manoeuvres en andere oefeningen, en waarvoor schadevergoeding zou moeten worden betaald ingevolge artikel 41, kan de krijgsmacht, in plaats van schadevergoeding te betalen, zelf die schade herstellen,
- (ii). Indien een krijgsmacht schade aan openbare wegen zelf wenst te herstellen, raadpleegt zij de bevoegde Duitse autoriteiten en ziet zij af van haar voornemen zelf het herstel uit te voeren, indien deze autoriteiten daartegen bezwaar maken op grond van gewichtige redenen van wegenbouwtechnische aard of verband houdende met de uitoefening van het politietoezicht op het verkeer. In deze gevallen en in de andere gevallen van schade, genoemd onder (i), is het niet noodzakelijk in individuele gevallen de Duitse autoriteiten te raadplegen, indien vooraf een algemene gedragslijn is vastgesteld ten aanzien van het uitvoeren van herstellingen door de krijgsmacht.
- (b). Het staat de krijgsmacht vrij in andere dan de onder (a ) genoemde gevallen de schade zelf te herstellen, in overleg met de benadeelde.
- (c). In de onder (a ) en (b ) bedoelde gevallen staat het de benadeelde vrij hem eventueel toekomende aanspraken op schadeloosstelling geldend te maken, indien hij van mening is dat de schade niet volledig of niet behoorlijk is hersteld.
Teneinde een snelle afwikkeling van schadeloosstellingsprocedures mogelijk te maken verdient het aanbeveling een redelijke termijn vast te stellen, binnen welke aanspraken op schadeloosstelling op de voet van artikel VIII van het NAVO-Status Verdrag, in verband met artikel 41, moeten worden geldend gemaakt. Te dien einde treft de Bondsrepubliek passende wettelijke voorzieningen.
De afstand van aanspraken door de Bondsrepubliek, bedoeld in artikel 41, derde lid, onder (a), is niet van toepassing op schade, voortvloeiende uit niet-nakoming van de aanvaarde verantwoordelijkheid voor herstel en onderhoud. Voorzover de betreffende overeenkomsten (Überlassungsvereinbarungen) geen voorzieningen voor de afwikkeling van zodanige schade behelzen, wordt de procedure ter afwikkeling daarvan neergelegd in administratieve overeenkomsten.
Voorzover eigendommen van rechtspersonen waarvan de aandelen zich in handen van de Bond (Bund) bevinden, kosteloos aan een krijgsmacht of een civiele dienst ter beschikking zijn gesteld om uitsluitend door die krijgsmacht of civiele dienst te worden gebruikt, vrijwaart de Bondsrepubliek de staat van herkomst tegen aanspraken op grond van schade aan die eigendommen in dezelfde mate als de Bondsrepubliek overeenkomstig artikel 41, derde lid, onder (a), afstand heeft gedaan van haar aanspraken op vergoeding van schade aan haar eigendommen.
- (a). Indien in de gevallen, bedoeld in artikel 41, derde lid,onder (a), laatste volzin, en vijfde lid, laatste volzin, tussen de bevoegde Duitse autoriteiten en de autoriteiten van een krijgsmacht verschil van mening bestaat ten aanzien van de vraag of de schade al dan niet opzettelijk of door grove nalatigheid is veroorzaakt, treden de autoriteiten van beide partijen in onderhandeling.
- (b). Blijft er verschil van mening bestaan, dat niet kan worden opgelost door verdere onderhandelingen tussen de partijen op hoger niveau, dan wordt de beslissing genomen door de arbiter, bedoeld in artikel VIII, tweede lid, onder (a), van het NAVO-Status Verdrag.
Met betrekking tot eigendommen van een Land, die aan een krijgsmacht voor gebruik ter beschikking zijn gesteld (artikel 41, vierde lid), stellen de autoriteiten van de krijgsmacht en de Duitse autoriteiten gemeenschappelijk vast in welke toestand die eigendommen zich bevinden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullende Overeenkomst. Een zodanige vaststelling vindt eveneens plaats op het tijdstip waarop de betreffende eigendommen worden vrijgegeven. Eventuele vorderingen terzake van schade of verlies worden afgewikkeld op basis van de toestand waarin de eigendommen zich op genoemde tijdstippen bevonden.
Het Amerikaanse Rode Kruis en de Universiteit van Maryland worden niet beschouwd of behandeld als integrerende onderdelen van de krijgsmacht in de zin van artikel 41, zevende lid, en zijn met betrekking tot de afwikkeling van vorderingen terzake van schade niet onttrokken aan de Duitse rechtsmacht.
De administratieve overeenkomsten, bedoeld in artikel 41, dertiende lid, kunnen ook regelingen behelzen die afwijken van de procedure-regelingen, vervat in artikel VIII van het NAVO-Status Verdrag.
Ad Artikel 46
Duitse voorschriften inzake het binnenvliegen en het gebruik van het Duitse luchtruim en het gebruik van luchtvaartinstallaties en -inrichtingen, alsmede de toepasselijke procedures betreffende kennisgeving, goedkeuring en coördinering als vervat in de desbetreffende wetten, voorschriften en bekendmakingen omvatten mede de wet inzake het luchtverkeer (Luftverkehrsgesetz) in de dan van kracht zijnde versie, en de uit hoofde daarvan uitgevaardigde voorschriften, civiele en militaire administratieve regels en procedures, alsook relevante procedures en nationale voorschriften als bekendgemaakt in het AFCENT Low Flying Handbook of latere publikaties. Naast de bepalingen van artikel 46 zijn overeenkomsten – en eventuele toekomstige wijzigingen daarop – inzake het uitvoeren van manoeuvres en andere oefeningen in het Duitse luchtruim die de Bondsrepubliek en één of meer Staten van herkomst hebben gesloten of zullen sluiten van toepassing, totdat deze worden vervangen of opgezegd.
De in het tweede lid van artikel 46 bedoelde bevoegde organisaties omvatten mede de AFCENT Low Flying Working Group of een organisatie waardoor deze wordt opgevolgd.
Ad artikel 47
In de administratieve overeenkomsten, bedoeld in artikel 47, vijfde lid onder (g), wordt de volgende clausule opgenomen:
- „Teneinde de Duitse autoriteiten in staat te stellen de Duitse begrotingsvoorschriften na te leven, wordt in de schriftelijke toestemming, bedoeld in artikel 47, vijfde lid onder (c) van de Aanvullende Overeenkomst, de officiële verklaring opgenomen, dat de vereiste middelen op de begroting beschikbaar zijn.”
Ad artikel 48
- (a). Indien ter uitvoering van artikel 48, eerste lid onder (c), derde volzin, gebruikscontracten (Nutzungsverträge), duidingscontracten (Duldungsverträge) of dergelijke contracten gesloten worden, sluiten de Duitse autoriteiten overeenkomsten inzake de omvang van de te betalen schadeloosstelling, in overleg met de autoriteiten van de krijgsmacht of de civiele dienst, behalve in zoverre die schadeloosstelling door de Bondsrepubliek moet worden gedragen ingevolge artikel 63, vijfde lid, onder (a). Hetzelfde geldt, ingeval op grond van de wet inzake de verwerving van terreinen een onroerend goed wordt gevorderd, ten aanzien van overeenkomsten inzake de omvang van een schadeloosstelling voor voorlopige inbezitneming (Besitzeinweisungsentschädigung) of een andersoortige schadeloosstelling. Artikel 63 is onverminderd van kracht.
- (b). De onder (a) bedoelde procedure is van overeenkomstige toepassing, indien in het kader van de wet beperking grondeigendom of de Luchtverkeerswet gebruikscontracten, duidingscontracten of dergelijke contracten worden gesloten in het belang van een krijgsmacht, of indien overeenkomsten worden gesloten inzake de omvang van schadeloosstellingen terzake van beperkingen in de eigendom van onroerende goederen (Schutzbereichentschädigungen).
Met betrekking tot artikel 48, tweede lid, en onverminderd de regelingen neergelegd in het vijfde lid, onder (a) en (b), van dat artikel, treden de autoriteiten van een staat van herkomst in bijzondere gevallen, op verzoek van de Bondsregering, in onderhandeling over de teruggave of omruiling van onroerende goederen die zich reeds op 5 mei 1955, te 12.00 uur, in het bezit van een krijgsmacht of een civiele dienst bevonden, teneinde rekening te houden met essentiële Duitse civiele belangen en met name met de eisen van ruimtelijke ordening en stedebouw (Raumordnung und Städtebau), natuurbescherming en met de belangen van landbouw en economie. De autoriteiten van de staat van herkomst nemen verzoeken van de Bondsregering hierbij in welwillende overweging.
Met betrekking tot artikel 48, tweede lid en vijfde lid onder (c), geldt het volgende: Ter vermijding van moeilijkheden in gevallen waarin met betrekking tot onroerende goederen die aan een krijgsmacht of civiele dienst voor gebruik ter beschikking zijn gesteld, de rechtsverhouding met de eigenaar of andere rechthebbende eindigt, en om de Bondsrepubliek de vervulling van haar verplichting neergelegd in artikel 48, tweede lid eerste volzin, te vergemakkelijken, onderhouden de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht een voortdurend en nauw contact met elkander. De autoriteiten van de krijgsmacht lichten de Duitse autoriteiten zo vroegtijdig mogelijk in, indien in een zodanig geval de behoefte aan onroerende goederen ook na de datum waarop de rechtsverhouding eindigt, voortduurt. Teneinde de autoriteiten van de krijgsmacht in staat te stellen zich in die zin uit te spreken, stellen de Duitse autoriteiten de autoriteiten van de krijgsmacht zo vroegtijdig mogelijk en voorzover noodzakelijk er van op de hoogte, dat de rechtsverhouding met de eigenaar of andere rechthebbende eindigt onder mededeling van het tijdstip waarop dit zal geschieden; dit geldt in het bijzonder in gevallen waarin de rechtsverhouding eindigt om een andere reden dan door de afloop van een huur- of pachtcontract.
Als bijzonderheden in de zin van artikel 48, derde lid, onder (a), eerste volzin, met betrekking tot het gebruik van een onroerend goed worden met name aangemerkt de duur van de beschikbaarheid, de wijze van gebruik, de aansprakelijkheid voor herstellingen, onderhoud en maatregelen met het oog op de verkeersveiligheid, alsmede alle eventueel in het kader van het NAVO-Status Verdrag en de Aanvullende Overeenkomst noodzakelijke financiële regelingen.
- (a). In de op de voet van artikel 48, derde lid onder (b), te sluiten overeenkomsten hebben de gegevens inzake de inventaris van de rechtens in eigendom aan de Bond of een Land toebehorende (rechtlich im Eigentum des Bundes oder eines Landes stehende) onroerende goederen - met uitzondering van onroerende goederen van de Duitse Bondsspoorwegen en de Duitse Bondsposterijen - slechts betrekking op voorwerpen voor de verwijdering waarvan op grond van artikel 50 toestemming van, of voorafgaande kennisgeving aan, de Duitse autoriteiten vereist is. De staat van onderhoud, waarin het onroerend goed verkeert, wordt op verzoek van de autoriteiten van de betrokken krijgsmacht uitgedrukt in algemene termen, zoals „goed”, „middelmatig” of „slecht”.
- (b). Technische bijzonderheden en bijzonderheden inzake de procedure worden, voorzover noodzakelijk, nader geregeld bij administratieve overeenkomst.
De op grond van artikel 48, vierde lid, bestaande verplichting tot het uitvoeren van herstel- en onderhoudswerkzaamheden omvat niet de herbouw van een gebouw dat geheel of grotendeels is verwoest als gevolg van een geval van overmacht.
De onderhandelingen die ingevolge artikel 48, vijfde lid, onder (a), tussen de autoriteiten van een krijgsmacht en de Duitse autoriteiten worden gevoerd over de vraag of een onroerend goed dat door de Bondsrepubliek ter vervanging is aangeboden voldoet aan de vereisten van de krijgsmacht of de civiele dienst, strekken zich, voorzover noodzakelijk, uit tot financiële vraagstukken die in dit verband rijzen.
Ad artikel 50
Artikel 50 mag in geen geval zo worden uitgelegd, dat het toegestaan is goederen die geen eigendom van de Bond zijn en behoren tot de inrichting en de inboedel van een onroerend goed, zonder toestemming van de eigenaar van het ene onroerende goed over te brengen naar het andere.
Indien de bouwtechnische gegevens niet meer ter beschikking staan, stellen de autoriteiten van de krijgsmacht en de Duitse autoriteiten volgens de criteria die op gelijksoortige gebouwen toepasselijk zijn, gemeenschappelijk vast welke voorwerpen vallen onder het bepaalde in artikel 50, onder (a).
Ad artikel 51
Indien het oneconomisch is een voorwerp naar het grondgebied van de Bondsrepubliek terug te brengen, bijvoorbeeld indien de transportkosten de waarde van het voorwerp te boven gaan, geven de Duitse autoriteiten toestemming tot verkoop van dat voorwerp in het buitenland.
De overbrenging van roerende goederen, die zijn aangeschaft ten laste van de middelen ter bestrijding van de bezettingskosten, van de begroting van de Bondsrepubliek of van middelen ter bestrijding van onderhoudskosten, van het grondgebied van de Bondsrepubliek naar Berlijn (West) voor het gebruik door de aldaar gelegerde strijdkrachten van de staat van herkomst, wordt niet beschouwd als verwijdering uit de Bondsrepubliek in de zin van artikel 51. Op naar Berlijn (West) overgebrachte roerende goederen zijn de bepalingen van het eerste en het tweede lid van dat artikel van toepassing. Op verdere overbrenging naar een andere plaats van bestemming dan het grondgebied van de Bondsrepubliek zijn de bepalingen van het derde en het vierde lid van dat artikel van toepassing.
Ongeacht de bijzondere status van Saarland op het gebied van douane, belastingen en vreemde valuta, gedurende de overgangsperiode, bedoeld in artikel 1, tweede lid en artikel 3 van het Verdrag tussen de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de Saarkwestie, van 27 oktober 1956, is artikel 51 van toepassing op roerende goederen die zijn aangeschaft ten laste van de middelen ter bestrijding van de bezettingskosten, van de begroting van de Bondsrepubliek of van middelen ter bestrijding van onderhoudskosten en die zich in Saarland bevinden, evenals op de overbrenging van die goederen van Saarland naar plaatsen buiten de Bondsrepubliek. Artikel 51 is tot het einde van de bovengenoemde overgangsperiode van overeenkomstige toepassing op de overbrenging van zodanige goederen van andere delen van de Bondsrepubliek naar Saarland.
De woorden „noodzakelijk in verband met de vervulling van de verdedigingstaak van de Noordatlantische Verdragsorganisatie”, die voorkomen in artikel 51, derde lid, mogen niet zo worden uitgelegd, dat een speciale richtlijn van de NAVO vereist is.
Contracten inzake het gebruik van spoorwagons, gesloten krachtens artikel 57, tweede lid, van de Aanvullende Overeenkomst, blijven, tenzij anders wordt overeengekomen, van kracht zelfs indien die wagons op grond van artikel 51, derde lid, uit het grondgebied van de Bondsrepubliek verwijderd worden.
De overeenkomsten bedoeld in artikel 51, vierde lid, worden gesloten in de geest van de wederzijdse hulp bedoeld in artikel 3 van het Noordatlantische Verdrag.
Ad artikel 52
Bij het bereiken van overeenstemming over de restwaarde gaan de Duitse autoriteiten uit van het militaire of economische nut, dat de achtergelaten inrichtingen, uitrustingsstukken of voorraden voor henzelf hebben, of van de eventuele netto-opbrengst van de verkoop.
Ad artikel 53
Tenzij anders is bepaald, is een krijgsmacht niet gerechtigd onroerende goederen die haar voor gebruik ter beschikking zijn gesteld, te exploiteren ter verkrijging van economisch voordeel.
1bis. De in de eerste volzin van het eerste lid van artikel 53 bedoelde maatregelen omvatten mede maatregelen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan nationale opleidingsnormen van een krijgsmacht.
De exploitatie door de rechthebbende wordt slechts beperkt voorzover zulks noodzakelijk is om het doel, vermeld in artikel 53, eerste lid, eerste volzin, te verwerkelijken.
De uitdrukking „gebieden waarin de rechten van de grondeigenaar kunnen worden beperkt (Schutzbereich)” wordt overeenkomstig de Duitse wetgeving geïnterpreteerd. Met de uitdrukking „passende maatregelen” in de zin van artikel 53, zesde lid, worden alleen bedoeld die maatregelen die door de Duitse autoriteiten in het kader van hun wettelijke bevoegdheid kunnen worden getroffen.
Indien de Duitse wetgeving ter uitvoering van artikel 53 onvoldoende blijkt te zijn om te verzekeren, dat de verdedigingsverplichtingen van een krijgsmacht op bevredigende wijze kunnen worden vervuld, bespreken de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht de wenselijkheid of de noodzakelijkheid om een wijziging van die wetgeving te bevorderen.
- a. De autoriteiten van een krijgsmacht verlenen de bevoegde Duitse autoriteiten op federaal, deelstaat- en plaatselijk niveau alle redelijke bijstand die noodzakelijk is om de Duitse belangen te waarborgen, waaronder toegang tot onroerende goederen na voorafgaande kennisgeving, opdat zij hun diensttaken kunnen vervullen. De voor de onroerende goederen verantwoordelijke Duitse federale autoriteiten verlenen de autoriteiten van de krijgsmacht op verzoek bijstand. In noodgevallen en bij dreigend gevaar maken de autoriteiten van de krijgsmacht onmiddellijk toegang mogelijk zonder voorafgaande kennisgeving. De autoriteiten van de krijgsmacht besluiten per geval of zij de Duitse autoriteiten zullen begeleiden.
- b. In alle gevallen van toegang wordt rekening gehouden met overwegingen van militaire veiligheid, in het bijzonder de onschendbaarheid van zones, uitrusting en documenten waarvoor geheimhouding geldt.
- c. De autoriteiten van de krijgsmacht en de Duitse autoriteiten regelen de toegang zodanig, dat daardoor noch het waarborgen van de Duitse belangen, noch aan de gang of ophanden zijnde militaire oefeningen op onredelijke wijze worden belemmerd.
- d. Mocht in de gevallen bedoeld in de letters a tot en met c van dit lid geen overeenstemming worden bereikt, dan wordt de aangelegenheid aan beide zijden voorgelegd aan de bevoegde hogere autoriteiten.
De samenwerking tussen de autoriteiten van een krijgsmacht en de Duitse autoriteiten in overeenstemming met artikel 53, en, indien van toepassing, in samenhang met artikel 53A, strekt zich met name uit tot de volgende gebieden:
- (a). vaststelling van de grenzen van terreinen, de opstelling van situatieschetsen en kadastrale bewijsstukken van percelen land (Grundstücke);
- (b). de opstelling van lijsten vermeldende de goederen, inventarisatie, taxatie van de goederen;
- (c). de openbare orde en veiligheid, met inbegrip van brandbeveiliging (bescherming tegen brand en hulpverlening) bescherming tegen rampen, arbeidsomstandigheden (Arbeitsschutz), voorkoming van ongevallen en veiligheidsmaatregelen, zoals die betreffende schietbanen, munitieopslagplaatsen, brandstoffendepots en gevaarlijke installaties;
- (d). gezondheidszorg (overeenkomstig artikel 54);
- (e). arbeidsinspectie (Gewerbeaufsicht);
- (f). water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, drainering en de voer van afvalwater;
- (g). eigendomsbeperking, burenrecht, stadsplanning en ruimtelijke ordening, bescherming van monumenten en natuurreservaten, alsook milieubescherming, met inbegrip van het inventariseren en evalueren van terreinen die een gevaar vormen wegens bodemverontreiniging;
- (h). instandhouding van terreinen en gebouwen;
- (i). openbare nutsbedrijven en inrichtingen voor de levering van verwarming, indien deze bedrijven of inrichtingen niet slechts ten dienste staan van de krijgsmacht maar ook van Duitse diensten of de burgerbevolking;
- (k). gebruik van terreinen en gebouwen door de burgerbevolking of de Duitse autoriteiten voor industriële, landbouwkundige of huisvestingsdoeleinden;
- (l). exploitatie van bossen, de jacht en visserij;
- (m). exploitatie van bodemschatten;
- (n). verkeersveiligheid, evenals onderhoud en reiniging van voor het openbare verkeer openstaande wegen;
- (o). exploitatie en onderhoud van spoorwegverbindingen;
- (p). verreberichtgeving.
Bij de samenwerking tussen de autoriteiten van een krijgsmacht en de Duitse federale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het beheer van onroerende goederen wordt gehandeld in overeenstemming met de volgende procedures:
- a. De autoriteiten van de krijgsmacht en de Duitse autoriteiten wijzen hun onderscheiden vertegenwoordigers aan voor een of meer onroerende goederen. Deze vertegenwoordigers werken samen met betrekking tot het beheer van onroerende goederen om te verzekeren dat naar behoren rekening wordt gehouden met de belangen van de krijgsmacht en de Duitse belangen. De bevoegdheden van de Duitse gespecialiseerde autoriteiten, met name die op grond van lid 4bis van deze paragraaf, blijven onverlet.
- b. De voor de onroerende goederen verantwoordelijke militaire bevelhebber of andere daarvoor in aanmerking komende autoriteit van de krijgsmacht verleent de Duitse vertegenwoordigers alle redelijke bijstand in overeenstemming met lid 4bis van deze paragraaf.
- c. Onverminderd de bepalingen van de letters a en b van dit lid, is de volgende procedure van toepassing:
- i. De in het vijfde lid, letter b, van deze paragraaf bedoelde lijsten betreffende de zaken en de inventarisatie daarvan, worden in de regel opgemaakt en gecontroleerd aan het begin en het einde van de periode waarvoor een onroerend goed voor gebruik aan de krijgsmacht ter beschikking is gesteld.
- ii. Ten behoeve van de samenwerking op het gebied van veiligheidsmaatregelen met betrekking tot schietbanen, munitieopslagplaatsen en brandstofdepots kunnen gemengde commissies worden ingesteld. Bijzonderheden worden geregeld in administratieve overeenkomsten.
Indien bepalingen van de Aanvullende Overeenkomst of bijzondere NAVO-regelingen voor bepaalde onroerende goederen een andere procedure voorschrijven ten aanzien van de samenwerking op de gebieden bedoeld in het vijfde lid, prevaleren deze bepalingen of bijzondere regelingen.
Ad artikel 54, eerste lid
Indien het voor een krijgsmacht of een civiele dienst om wettelijke of technische redenen onmogelijk is tot in bijzonderheden te voldoen aan een Duits voorschrift inzake de gezondheid, komen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht onverwijld andere maatregelen overeen ter bereiking van het in het voorschrift beoogde doel.
Ad artikel 56, eerste lid
De toepassing van de voorschriften inzake de arbeidsomstandigheden door de krijgsmacht en de civiele dienst wordt beheerst door:
- a. artikel 53, derde en vierde lid, alsmede het vijfde en zesde lid van de paragraaf van het Protocol van Ondertekening ad artikel 53, in het bijzonder in aangelegenheden betreffende samenwerking;
- b. lid 4bis van de paragraaf van het Protocol van Ondertekening ad artikel 53, in het bijzonder in aangelegenheden betreffende ondersteuning, met inbegrip van toegang tot onroerende goederen; en
- c. artikel 53A, in het bijzonder met betrekking tot administratieve beslissingen.
Voor zover door de Bondsminister van Defensie aangewezen instanties taken van de inspecties voor de arbeidsomstandigheden (Gewerbeaufsichtsämter) verrichten met betrekking tot de Duitse strijdkrachten, zijn die diensten, in samenwerking met de autoriteiten van de krijgsmacht en van de civiele dienst in overeenstemming met het eerste lid van deze paragraaf, ook bevoegd voor burgerpersoneel bij een krijgsmacht of een civiele dienst.
Ontheffingen die gelden voor inrichtingen van de Duitse strijdkrachten gelden ook voor inrichtingen van een krijgsmacht of van een civiele dienst.
Op inrichtingen die zijn gebouwd of geïnstalleerd vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst van 18 maart 1993 tot wijziging van deze Overeenkomst blijven de tot dusver geldende voorschriften inzake technische vereisten van toepassing. Dit geldt niet indien de inrichtingen wezenlijke veranderingen ondergaan of indien het gebruik ervan aanzienlijk wordt gewijzigd of indien er, gezien de aard van de exploitatie, vermijdbare risico's voor het leven of de gezondheid van derden, met name burgerpersoneel te verwachten zijn.
Ad artikel 56, derde lid
De voorschriften van het Duitse recht inzake de voorkoming van ongevallen dienen slechts in aanmerking te worden genomen voor zover een krijgsmacht of een civiele dienst geen overeenkomstige richtlijnen inzake de voorkoming van ongevallen heeft uitgevaardigd. Bij de uitvaardiging van richtlijnen inzake de voorkoming van ongevallen, en met betrekking tot andere vraagstukken betreffende de voorkoming van ongevallen, wint de krijgsmacht of de civiele dienst advies in bij de bevoegde Duitse autoriteiten. Indien deze autoriteiten van oordeel zijn dat de richtlijnen inzake de voorkoming van ongevallen ontoereikend lijken te zijn, vindt overleg plaats in overeenstemming met de derde volzin van het eerste lid van artikel 53.
Ad artikel 56, vijfde lid
De bevoegdheid van de Duitse autoriteiten om de wijze van uitbetalen vast te stellen, sluit niet uit dat er overeenkomsten worden gesloten tussen deze autoriteiten en de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst, waarbij de berekening en de uitbetaling van de bezoldiging van burgerpersoneel geschiedt door andere instanties dan de Duitse autoriteiten.
Ad artikel 56, negende lid
De individuele administratieve onderdelen en inrichtingen (Betriebe) van een krijgsmacht of van een civiele dienst op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, zoals deze door de betrokken krijgsmacht zijn omschreven, worden beschouwd als diensten in de zin van de federale Wet inzake de vertegenwoordiging van het personeel (Bundespersonalvertretungsgesetz) van 15 maart 1974 (Bundesgesetzblatt 1974, Teil I, blz. 693) met latere wijzigingen, met inbegrip van de wijziging van 16 januari 1991 (Gesetz über die Beteiligung der Soldaten und der Zivildienstleistenden - BG - van 16 januari 1991, Bundesgesetzblatt 1991, Teil I, blz. 47), hierna te noemen „de Wet". De hoofdkwartieren die administratief rechtstreeks ondergeschikt zijn aan de hoogste commandant van een krijgsmacht en waaraan andere diensten administratief ondergeschikt zijn, zijn de bemiddelingsautoriteiten. De hoogste commandant is het hoofdkwartier van een krijgsmacht, als zodanig aangewezen door de betrokken Staat van herkomst, bij wie de eindbeslissing berust in aangelegenheden waarbij de ondernemingsraden betrokken zijn. Indien beslissingen worden genomen op niveaus boven dat van de hoogste commandant, draagt de krijgsmacht er zorg voor dat tijdig inlichtingen worden verstrekt aan de ondernemingsraad.
Voor dienstreizen van leden van een ondernemingsraad (Betriebsvertretung) wordt een reiskostenvergoeding toegekend overeenkomstig de tariefregelingen voor reiskostenvergoedingen voor betaalde burgerwerknemers van de krijgsmacht, doch tenminste volgens de op een na hoogste schaal.
Bij besprekingen met de ondernemingsraad kan het hoofd van de dienst zich laten vertegenwoordigen door een persoon die in de leiding van de dienst een verantwoordelijke positie bekleedt en die terzake van het onderhandelen met de ondernemingsraad dezelfde bevoegdheid bezit als het hoofd van de dienst.
De toepassing van de bepalingen in de Wet die de verkiesbaarheid voor het zitting nemen in de ondernemingsraad regelen en betrekking hebben op de duur van het dienstverband met een dienst, kan terzijde worden gesteld indien de meerderheid van de werknemers van een bepaalde dienst en het hoofd van deze dienst zulks overeenkomen.
Het hoofd van de dienst is niet verplicht aan de leden van de ondernemingsraad, het in artikel 93 van de Wet bedoelde comite´ en de verzoeningscommissie bescheiden over te leggen die uit veiligheidsoverwegingen zijn geclassificeerd; hetzelfde geldt voor informatie daaruit. Ten einde zijn taken te kunnen verrichten, kan de ondernemingsraad, voor zover noodzakelijk, toegang worden verleend tot beveiligde zones. Voor zover de voorschriften van de hoogste commandant van de krijgsmacht betreffende de militaire veiligheid zich tegen bedoelde toegang verzetten of deze beperken, wordt toegang verleend onder dezelfde voorwaarden als die waaronder toegang wordt verleend aan burgerpersoneel.
- a.
- i. Voor zover in afzonderlijke gevallen het in de Wet geregelde recht van medezeggenschap onverenigbaar is met militaire belangen die een bijzondere bescherming verdienen, kan de omvang van het recht van medezeggenschap worden beperkt. De hoogste commandant deelt de redenen voor de beperking van het recht van medezeggenschap schriftelijk mede en geeft de omvang van de beperking aan. Indien onthulling van de redenen een risico van ernstige schade voor de veiligheid van de Staat van herkomst of van zijn krijgsmacht zou kunnen veroorzaken, kan de hoogste commandant dit doen vaststellen door middel van een formele verklaring, te bevestigen door de President van het Bondsarbeidshof (Bundesarbeitsgericht).
- ii. In gevallen waarin onroerende goederen worden teruggeven aan de Bondsregering, belet de toepassing van het recht van medezeggenschap niet de teruggave van die onroerende goederen op de geplande datum die door de krijgsmacht is medegedeeld aan de desbetreffende Duitse autoriteiten. In die gevallen sluiten de desbetreffende Duitse autoriteiten bijzondere akkoorden inzake de overname van onroerende goederen, zelfs indien deze niet volledig zijn ontruimd.
- iii.
- aa. Het in de Wet geregelde recht van medezeggenschap met betrekking tot de oprichting, het beheer en de ontbinding van sociale instellingen, ongeacht hun rechtsvorm, is slechts van toepassing op sociale instellingen die uitsluitend zijn bedoeld voor burgerpersoneel.
- bb. Het in de Wet geregelde recht van medezeggenschap met betrekking tot de inrichting van de werkplek is niet van toepassing indien leden van zowel de krijgsmacht als de civiele dienst werkzaam zijn in dezelfde inrichting of bezig zijn met hetzelfde programma en het aantal van de leden van het burgerpersoneel niet overheersend is.
- iv. Voor zover de inhoud van personeelsenqueˆtes voor werknemers en arbeiders betrekking heeft op aangelegenheden betreffende de militaire veiligheid, is in plaats van het in de Wet geregelde recht van medezeggenschap de samenwerkingsprocedure van toepassing.
- v. Het in de Wet geregelde recht van medezeggenschap met betrekking tot toewijzing in overeenstemming met artikel 123a van de Raamwet Ambtenarenrecht (Beamtenrechtsrahmengesetz) is niet van toepassing.
- vi. Voor zover zaken bij wet of in een tariefovereenkomst zijn geregeld, of normaliter zijn geregeld bij overeenkomst in overeenstemming met artikel 56, vijfde lid, letter a, vallen zij niet onder de medezeggenschap.
- vii. Medezeggenschap is niet van toepassing ten aanzien van artikel 75, eerste lid, punten 1 en 2, en artikel 75, derde lid, punt 13, alsmede artikel 76, tweede lid, punten 5 en 7 van de Wet. Deze uitzondering wordt onmiddellijk na 31 december 1994 opnieuw bestudeerd.
- b. In de gevallen waarin het recht op medezeggenschap niet van toepassing is op grond van letter a hierboven, is de samenwerkingsprocedure van toepassing.
- c. De in de medezeggenschapsprocedure voorziene verzoeningscommissie bestaat uit twee leden, van wie er één wordt benoemd door de hoogste commandant en de andere door de desbetreffende ondernemingsraad, alsmede uit een onderling overeen te komen onpartijdige voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt omtrent de voorzitter, geschiedt de benoeming door de Secretaris-Generaal van de Noordatlantische Verdragsorganisatie, tenzij de partijen gezamenlijk de President van het Bundesverwaltungsgericht of de Secretaris-Generaal van de Westeuropese Unie verzoeken tot benoeming over te gaan. De hoogste commandant kan verlangen dat de leden van de verzoeningscommissie zijn gemachtigd inzage te verkrijgen in geclassificeerde bescheiden. Op verzoek van de betrokken krijgsmacht of ondernemingsraad kunnen, wanneer de omstandigheden zulks vereisen, permanente verzoeningscommissies of verzoeningscommissies ad hoc worden ingesteld.
- d. De verzoeningscommissie neemt een beslissing in de vorm van een besluit (Beschluß). Zij kan slechts ten dele tegemoet komen aan de verzoeken van de betrokken partijen. Besluiten worden genomen met een meerderheid van stemmen. Besluiten van de verzoeningscommissie worden genomen binnen het kader van de wettelijke bepalingen, met inbegrip van de begrotingswetten en -voorschriften van de Staat van herkomst die bindend zijn voor de hoogste commandant van de krijgsmacht.
Het hoofd van de dienst legt administratieve aanwijzingen voor de samenwerking in overeenstemming met artikel 78 van de Wet voor aan de ondernemingsraad voordat deze worden uitgevaardigd, behalve in omstandigheden waarin artikel 72, zesde lid, van toepassing is in samenhang met de vijfde volzin van artikel 69 van de Wet.
Vervallen.
Indien de Wet voorziet in rechterlijke beslissingen, beslissen Duitse rechtbanken in arbeidszaken de zaken in overeenstemming met de procedure ingevolge de Duitse wetgeving (Beschlussverfahren) en de Bondsrepubliek handelt in de procedures op verzoek van een krijgsmacht of een civiele dienst in hun naam.
Op verzoek van een krijgsmacht of een civiele dienst maakt de door de Bondsrepubliek aangewezen dienst een strafvervolging aanhangig wegens schending van geheimhouding (Verletzung der Schweigepflicht) overeenkomstig artikel 203, tweede lid, nummer 3, en artikel 353b, eerste lid, nummer 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Ad artikel 57, derde lid
Gedurende de dooiperiode worden door de Duitse autoriteiten geplaatste speciale verkeerstekens, of door deze autoriteiten uitgegeven speciale voorschriften, opgevolgd, behalve in geval van ongelukken, rampen of noodtoestand.
Ad artikel 58
De militaire vervoersdiensten van een krijgsmacht kunnen in beperkte mate de door Duitse diensten in bedrijf gehouden bijzondere interne telefoonnetten blijven gebruiken, onder voorbehoud van het sluiten van administratieve overeenkomsten, mits:
- (a). het aantal bestaande aansluitingen niet wordt verhoogd;
- (b). dit aantal onmiddellijk na de inwerkingtreding van de Aanvullende Overeenkomst gemeenschappelijk wordt onderzocht en zoveel mogelijk wordt verminderd;
- (c). vervolgens het aantal aansluitingen bij wederzijdse overeenkomst in toenemende mate wordt verminderd en deze aansluitingen tenslotte worden opgeheven, zodra de technische ontwikkeling van het openbare telefoonnet of een daarvoor in de plaats tredend militair net een zodanig uitzonderlijk gebruik overbodig maakt.
Ad artikel 60
Vervallen.
Diensten ten behoeve van de luchtvaart en meteorologische diensten maken deel uit van de radiocommunicatiemiddelen vallend onder artikel 60, tweede lid, onder (b) en (c).
Vervallen.
Het recht bedoeld in artikel 60, vijfde lid, onder (a), om radio- en televisiezendstations te installeren en in bedrijf te stellen heeft geen invloed op aangelegenheden betreffende auteursrecht.
- a. Een krijgsmacht gebruikt slechts de haar door de Duitse autoriteiten toegewezen frequenties. De autoriteiten van de krijgsmacht stellen de Duitse autoriteiten in kennis van frequenties die zij niet langer nodig hebben. Indien op grond van internationale verplichtingen, internationale betrekkingen of essentiële Duitse belangen de Duitse autoriteiten het noodzakelijk achten een toegewezen frequentie te wijzigen of in te trekken, plegen zij, alvorens zulks te doen, overleg met de autoriteiten van de krijgsmacht.
- b. De procedure voor de toewijzing van frequenties, voor het wijzigen of intrekken van reeds toegewezen frequenties en voor een versnelde toewijzing van frequenties ten behoeve van tijdelijk gebruik bij manoeuvres wordt vastgesteld in een bijzondere overeenkomst tussen de Duitse federale autoriteiten en de autoriteiten van een krijgsmacht die zijn vertegenwoordigd in de Consultative Working Group on Radio Frequencies (CWG) of een orgaan waardoor deze wordt opgevolgd. Een zodanige overeenkomst wordt gesloten in overeenstemming met de van kracht zijnde procedures, richtlijnen en aanbevelingen van de Noordatlantische Verdragsorganisatie.
- c. De betrokken krijgsmacht neemt, in overleg met de Bondsminister van Defensie, de maatregelen die nodig zijn om de bevoegde autoriteit van de Noordatlantische Verdragsorganisatie in staat te stellen de frequenties te beschermen. De Duitse autoriteiten nemen slechts op verzoek van de autoriteiten van de betrokken krijgsmacht maatregelen die nodig zijn om andere internationale organisaties, in het bijzonder de Internationale Telecommunicatie-Unie (ITU), in staat te stellen de frequenties te beschermen.
- d. De Duitse autoriteiten verstrekken andere diensten en organisaties slechts met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmacht inlichtingen omtrent frequenties die door een krijgsmacht worden gebruikt.
- e. Indien radio-installaties van een krijgsmacht radio-installaties die buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek zijn gevestigd storen of door dergelijke installaties zelf worden gestoord, handelen de Duitse autoriteiten overeenkomstig het op dat moment van kracht zijnde Internationale Verdrag betreffende de Telecommunicatie en het daarbij behorende Radioreglement.
Ad artikel 63
De regeling neergelegd in artikel 63 sluit de mogelijkheid niet uit dat overeenkomsten worden gesloten inzake financiële vraagstukken tijdens besprekingen of onderhandelingen die voorzien zijn in de Aanvullende Overeenkomst of in het NAVO-Status Verdrag en waarbij financiële vraagstukken een rol spelen.
Goederen en diensten die ingevolge artikel 63, tweede, derde en vierde lid, onder (a) en (b), kosteloos door een krijgsmacht of een civiele dienst gebruikt of aan hen verstrekt worden, kunnen door de krijgsmacht of de civiele dienst officieel ter beschikking worden gesteld aan de gezinsleden van leden van de krijgsmacht of van de civiele dienst op dezelfde wijze als zij officieel aan deze leden zelf ter beschikking kunnen worden gesteld.
Diensten geleverd door de Duitse strijdkrachten op het gebied van de meteorologie, topografie, en cartografie blijven aan bijzondere regelingen voorbehouden.
Onder goederen die rechtens eigendom zijn van de Bond of van een Land (rechtlich im Eigentum des Bundes oder eines Landes stehend) worden niet begrepen goederen die het eigendom zijn van andere rechtspersonen zelfs niet indien de aandelen hiervan in handen zijn van de Bond of van een Land.
De Bondsrepubliek is bereid op grond van bijzondere in individuele gevallen te sluiten overeenkomsten te verzekeren, dat bepaalde goederen in eigendom van rechtspersonen waarvan de aandelen in handen zijn van de Bond of van een Land, voor gebruik ter beschikking worden gesteld aan een krijgsmacht of een civiele dienst zonder verplichting hunnerzijds om daarvoor huur of pacht te betalen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)