Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden
De staten die dit Verdrag hebben ondertekend,
Geleid door de wens de samenwerking tussen staten ten behoeve van de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden te verbeteren,
Zich bewust van de noodzaak van resultaatgerichte procedures die toegankelijk, snel, efficiënt, kosteneffectief en rechtvaardig zijn en tegemoetkomen aan de behoeften,
Geleid door de wens voort te bouwen op de sterke punten van bestaande Haagse verdragen en andere internationale instrumenten, met name het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud van 20 juni 1956,
Ernaar strevend gebruik te maken van de technologische vooruitgang en een flexibel systeem te creëren dat verder kan worden ontwikkeld naarmate de behoeften veranderen en kan worden aangepast aan verdere ontwikkelingen op technologisch gebied die nieuwe mogelijkheden creëren,
Eraan herinnerend dat op grond van de artikelen 3 en 27 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,
bij alle maatregelen betreffende kinderen het belang van het kind een eerste overweging vormt,
elk kind recht heeft op een levensstandaard die toereikend is voor zijn lichamelijke, geestelijke, intellectuele, morele en maatschappelijke ontwikkeling,
de ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, de primaire verantwoordelijkheid hebben voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind, en
de staten die partij zijn alle passende maatregelen nemen, met inbegrip van het sluiten van internationale overeenkomsten, om de inning te waarborgen van het levensonderhoud van het kind bij de ouder(s) of andere personen die de verantwoordelijkheid voor het kind dragen, met name wanneer deze personen in een andere staat wonen dan het kind,
Hebben besloten dit Verdrag te sluiten en hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:
HOOFDSTUK I. DOELSTELLING, TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHIJVINGEN
Artikel 1. Doelstelling
Doelstelling van dit Verdrag is de effectieve internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden te waarborgen, in het bijzonder door:
- a. een allesomvattend systeem van samenwerking tussen de autoriteiten van de verdragsluitende staten in te stellen;
- b. verzoeken met het oog op de vaststelling van beslissingen inzake levensonderhoud mogelijk te maken;
- c. te zorgen voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud; en
- d. effectieve maatregelen te eisen voor de snelle tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud.
Artikel 2. Toepassingsgebied
Dit Verdrag is van toepassing op:
- a. onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie jegens een persoon jonger dan 21 jaar;
- b. de erkenning en tenuitvoerlegging dan wel de tenuitvoerlegging van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten en ex-echtgenoten wanneer het verzoek wordt ingediend samen met een vordering die valt binnen het toepassingsgebied van onderdeel a; en
- c. met uitzondering van de hoofdstukken II en III, op onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten en ex-echtgenoten.
Elke verdragsluitende staat kan zich in overeenstemming met artikel 62 het recht voorbehouden de toepassing van het Verdrag, wat het eerste lid, onderdeel a), betreft, te beperken tot personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Een verdragsluitende staat die een dergelijk voorbehoud maakt, heeft niet het recht de toepassing te verlangen van het Verdrag op personen die vanwege hun leeftijd door zijn voorbehoud zijn uitgesloten.
Elke verdragsluitende staat kan in overeenstemming met artikel 63 verklaren dat hij de toepassing van het gehele Verdrag of een deel ervan uitbreidt tot andere onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, waaronder in het bijzonder verplichtingen jegens kwetsbare personen. Een dergelijke verklaring doet alleen verplichtingen ontstaan tussen twee verdragsluitende staten indien hun verklaringen betrekking hebben op dezelfde onderhoudsverplichtingen en dezelfde delen van het Verdrag.
De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op kinderen ongeacht de burgerlijke staat van de ouders.
Artikel 3. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „onderhoudsgerechtigde”: een persoon aan wie levensonderhoud is verschuldigd of van wie wordt gesteld dat levensonderhoud aan hem is verschuldigd;
- b. „onderhoudsplichtige”: een persoon die levensonderhoud is verschuldigd of ten aanzien van wie wordt gesteld dat hij levensonderhoud is verschuldigd;
- c. „rechtsbijstand”: de bijstand die verzoekers nodig hebben om hun rechten te kennen en te doen gelden en om te waarborgen dat verzoeken volledig en effectief worden behandeld in de aangezochte staat. Deze bijstand kan in voorkomend geval worden verleend in de vorm van juridisch advies, bijstand om een zaak bij een autoriteit aanhangig te maken, vertegenwoordiging in rechte en vrijstelling van proceskosten;
- d. „schriftelijke overeenkomst”: een overeenkomst die is vastgelegd in een gegevensdrager, waarvan de inhoud toegankelijk en bruikbaar is voor inzage op een later tijdstip;
- e. „regeling inzake levensonderhoud”: een schriftelijke overeenkomst met betrekking tot de betaling van levensonderhoud die: en door een bevoegde autoriteit kan worden getoetst en gewijzigd;
- i. als authentieke akte formeel is verleden of geregistreerd door een bevoegde autoriteit; of
- ii. authentiek is verklaard of is geregistreerd door, of gesloten, met of nedergelegd bij een bevoegde autoriteit;
- f. „kwetsbare persoon”: een persoon die vanwege een aantasting of ontoereikendheid van zijn persoonlijke vermogens niet in staat is zichzelf te onderhouden.
HOOFDSTUK II. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING
Artikel 4. Aanwijzing van centrale autoriteiten
Elke verdragsluitende staat wijst een centrale autoriteit aan die is belast met de haar door dit Verdrag oplegde taken.
Federale staten, staten met meer dan één rechtsstelsel of staten die autonome territoriale eenheden omvatten, staat het vrij meer dan één centrale autoriteit aan te wijzen, en de territoriale of personele reikwijdte van hun taken aan te geven. Een staat die meer dan één centrale autoriteit heeft aangewezen, wijst de centrale autoriteit aan waaraan alle mededelingen kunnen worden gericht met het oog op doorgeleiding daarvan aan de bevoegde centrale autoriteit binnen deze staat.
De verdragsluitende staat stelt het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht in kennis van de aanwijzing van de centrale autoriteit of centrale autoriteiten, hun contactgegevens en, indien van toepassing, de reikwijdte van hun taken zoals omschreven in het tweede lid, op het tijdstip waarop de akte van bekrachtiging of toetreding wordt nedergelegd of wanneer een verklaring in overeenstemming met artikel 61 wordt afgelegd. De verdragsluitende staten stellen het Permanent Bureau onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen.
Artikel 5. Algemene taken van de centrale autoriteiten
De centrale autoriteiten:
- a. werken onderling samen en bevorderen de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten in hun staten teneinde de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken;
- b. zoeken zoveel mogelijk naar oplossingen voor moeilijkheden die zich voordoen bij de toepassing van het Verdrag.
Artikel 6. Specifieke taken van de centrale autoriteiten
De centrale autoriteiten verlenen bijstand met betrekking tot verzoeken in de zin van hoofdstuk III. In het bijzonder door:
- a. dergelijke verzoeken te verzenden en te ontvangen;
- b. procedures in verband met dergelijke verzoeken in te stellen of het instellen ervan te vergemakkelijken.
Met betrekking tot deze verzoeken nemen zij alle passende maatregelen om:
- a. wanneer de omstandigheden het vereisen, rechtsbijstand te verlenen of de verkrijging van rechtsbijstand te vergemakkelijken;
- b. de onderhoudsplichtige of onderhoudsgerechtigde te helpen lokaliseren;
- c. de verkrijging van relevante informatie over het inkomen en, indien nodig, andere financiële omstandigheden van de onderhoudsplichtige of de onderhoudsgerechtigde te vergemakkelijken, met inbegrip van het lokaliseren van vermogensbestanddelen;
- d. indien passend door de gebruikmaking van bemiddeling, verzoening of soortgelijke methoden een minnelijke schikking te bevorderen met het oog op het bewerkstelligen van vrijwillige betaling van levensonderhoud;
- e. de doorlopende tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud, met inbegrip van achterstallige bedragen, te vergemakkelijken;
- f. de inning en snelle overmaking van betalingen van levensonderhoud te vergemakkelijken;
- g. de verkrijging van bewijsstukken of ander bewijs te vergemakkelijken;
- h. bijstand te verlenen bij de vaststelling van de afstamming wanneer dat noodzakelijk is voor de inning van levensonderhoud;
- i. procedures in te stellen of het instellen ervan te vergemakkelijken, ter verkrijging van voorlopige maatregelen van territoriale aard die ten doel hebben de uitkomst van een aanhangig verzoek inzake levensonderhoud zeker te stellen;
- j. de betekening en de kennisgeving van stukken te vergemakkelijken.
De taken van de centrale autoriteit krachtens dit artikel kunnen, voor zover het recht van de betrokken staat dit toestaat, worden uitgeoefend door overheidslichamen of andere lichamen die onder toezicht staan van de bevoegde autoriteiten van die staat. De verdragsluitende staat stelt het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht in kennis van de aanwijzing van dergelijke overheidslichamen of andere lichamen, van hun contactgevens alsmede van de reikwijdte van hun taken. De verdragsluitende staten stellen het Permanent Bureau onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen.
Niets in dit artikel of in artikel 7 mag aldus worden uitgelegd, dat een centrale autoriteit de verplichting wordt opgelegd bevoegdheden uit te oefenen die krachtens het recht van de aangezochte staat slechts door gerechtelijke autoriteiten kunnen worden uitgeoefend.
Artikel 7. Verzoeken om specifieke maatregelen
Indien geen verzoek op grond van artikel 10 aanhangig is, kan een centrale autoriteit aan een andere centrale autoriteit een met redenen omkleed verzoek richten om passende specifieke maatregelen te treffen in de zin van artikel 6, tweede lid, onderdeel b), c), g), h), i) en j). De aangezochte centrale autoriteit treft passende maatregelen indien zij deze noodzakelijk acht om een mogelijke verzoeker bij te staan bij het indienen van een in artikel 10 bedoeld verzoek of bij het bepalen of een dergelijk verzoek moet worden ingediend.
Een centrale autoriteit kan op verzoek van een andere centrale autoriteit tevens specifieke maatregelen treffen in verband met een in de verzoekende staat aanhangige zaak met een internationaal aspect die betrekking heeft op de inning van levensonderhoud.
Artikel 8. Kosten van de centrale autoriteit
Elke centrale autoriteit draagt haar eigen kosten voor de toepassing van dit Verdrag.
Centrale autoriteiten mogen de verzoeker voor de krachtens dit Verdrag verleende diensten geen kosten in rekening brengen, afgezien van uitzonderlijke kosten die voortvloeien uit een verzoek om specifieke maatregelen in de zin van artikel 7.
De aangezochte centrale autoriteit mag zich de kosten van de in het tweede lid bedoelde dientsverlening niet doen vergoeden zonder dat de verzoeker heeft ingestemd met die dienstverlening tegen zodanige kosten.
HOOFDSTUK III. VERZOEKEN VIA CENTRALE AUTORITEITEN
Artikel 9. Verzoek via centrale autoriteiten
Een verzoek in de zin van dit hoofdstuk wordt via de centrale autoriteit van de verdragsluitende staat waar de verzoeker verblijft, ingediend bij de centrale autoriteit van de aangezochte staat. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder verblijf niet de enkele aanwezigheid verstaan.
Artikel 10. Beschikbare verzoeken
Een onderhoudsgerechtigde die op grond van dit Verdrag levensonderhoud wil innen, kan in een verzoekende staat de volgende soorten verzoeken indienen:
- a. erkenning dan wel erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing;
- b. tenuitvoerlegging van een in de aangezochte staat gegeven of erkende beslissing;
- c. vaststelling van een beslissing in de aangezochte staat, indien er nog geen beslissing voorhanden is, zo nodig met inbegrip van de vaststelling van de afstamming;
- d. vaststelling van een beslissing in de aangezochte staat indien erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing niet mogelijk is, dan wel wordt geweigerd vanwege het ontbreken van een in artikel 20 vermelde grondslag voor erkenning en tenuitvoerlegging of om de in artikel 22, onderdeel b) of e), vermelde redenen;
- e. wijziging van een in de aangezochte staat gegeven beslissing;
- f. wijziging van een in een andere dan de aangezochte staat gegeven beslissing.
Een onderhoudsplichtige tegen wie een beslissing inzake levensonderhoud is gegeven, kan in een verzoekende staat de volgende soorten verzoeken indienen:
- a. erkenning van een beslissing of een vergelijkbare procedure die leidt tot opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging van een eerdere beslissing in de aangezochte staat;
- b. wijziging van een in de aangezochte staat gegeven beslissing;
- c. wijziging van een in een andere dan de aangezochte staat gegeven beslissing.
Tenzij anders is bepaald in dit Verdrag, worden de in het eerste en tweede lid bedoelde verzoeken behandeld overeenkomstig het recht van de aangezochte staat en worden de in het eerste lid, onderdeel c) tot en met f), en tweede lid, onderdeel b) en c), bedoelde verzoeken onderworpen aan de bevoegdheidsregels die van toepassing zijn in de aangezochte staat.
Artikel 11. Inhoud van het verzoek
Alle verzoeken in de zin van artikel 10 bevatten ten minste:
- a. een verklaring omtrent de aard van het verzoek of de verzoeken;
- b. de naam en contactgegevens, met inbegrip van het adres en de geboortedatum van de verzoeker;
- c. de naam en, indien bekend, het adres en de geboortedatum van de verweerder;
- d. de naam en geboortedatum van de persoon voor wie om levensonderhoud wordt verzocht;
- e. de gronden waarop het verzoek berust;
- f. indien het verzoek afkomstig is van de onderhoudsgerechtigde, gegevens over de plaats waar de betalingen moeten worden gedaan of elektronisch moeten worden overgemaakt;
- g. behalve bij het verzoek in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel a), en tweede lid, onderdeel a), alle informatie of stukken die zijn vermeld in een door de aangezochte staat in overeenstemming met artikel 63 afgelegde verklaring;
- h. de naam en contactgegevens van de persoon of de afdeling van de centrale autoriteit van de verzoekende staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
Zo nodig en voor zover bekend bevat het verzoek tevens:
- a. gegevens over de financiële omstandigheden van de onderhoudsgerechtigde;
- b. gegevens over de financiële omstandigheden van de onderhoudsplichtige, met inbegrip van de naam en het adres van zijn werkgever, alsmede de aard en locatie van de vermogensbestanddelen van de onderhoudsplichtige;
- c. alle andere informatie die van nut kan zijn bij het lokaliseren van de verweerder.
Het verzoek gaat vergezeld van alle noodzakelijke ondersteunende informatie of documenten, waaronder stukken waaruit blijkt dat de verzoeker recht heeft op kosteloze rechtsbijstand. Verzoeken in de zin van artikel 10, eerste lid 1, onderdeel a), en tweede lid, onderdeel a), gaan alleen vergezeld van de in artikel 25 vermelde stukken.
Verzoeken in de zin van artikel 10 kunnen worden gedaan middels het door de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht aanbevolen en bekendgemaakte formulier.
Artikel 12. Verzending, ontvangst en behandeling van verzoeken en zaken door centrale autoriteiten
De centrale autoriteit van de verzoekende staat staat de verzoeker bij teneinde te verzekeren dat het verzoek vergezeld gaat van alle informatie en stukken die, voor zover haar bekend, voor de behandeling van het verzoek noodzakelijk zijn.
Na zich ervan te hebben vergewist dat het verzoek voldoet aan de vereisten van het Verdrag, verzendt de centrale autoriteit van de verzoekende staat het verzoek namens en met instemming van de verzoeker aan de centrale autoriteit van de aangezochte staat. Het verzoek gaat vergezeld van het in bijlage 1 opgenomen verzendformulier. Op verzoek van de centrale autoriteit van de aangezochte staat verstrekt de centrale autoriteit van de verzoekende staat een volledig afschrift, gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst, van elk stuk in de zin van artikel 16, derde lid, artikel 25, eerste lid, onderdeel a), b) en d), en derde lid, onderdeel b), en artikel 30, derde lid.
De aangezochte centrale autoriteit bevestigt de ontvangst binnen zes weken na de datum van ontvangst van het verzoek met behulp van het in bijlage 2 opgenomen formulier en stelt de centrale autoriteit van de verzoekende staat in kennis van de eerste stappen die zijn of zullen worden genomen voor de behandeling van het verzoek, en kan verdere stukken en informatie opvragen die zij noodzakelijk acht. Binnen deze termijn van zes weken verstrekt de aangezochte centrale autoriteit de verzoekende centrale autoriteit de naam en contactgegevens van de persoon of afdeling die is belast met de beantwoording van vragen met betrekking tot de voortgang van het verzoek.
Binnen drie maanden na de ontvangstbevestiging stelt de aangezochte centrale autoriteit de verzoekende centrale autoriteit in kennis van de stand van zaken omtrent het verzoek.
De verzoekende en de aangezochte centrale autoriteit stellen elkaar in kennis van:
- a. de persoon of afdeling die verantwoordelijk is voor een bepaalde zaak;
- b. de voortgang van de zaak,
en zij antwoorden tijdig op verzoeken om inlichtingen.
De centrale autoriteiten behandelen een zaak zo spoedig als een gedegen onderzoek van de inhoud ervan het toelaat.
De centrale autoriteiten maken gebruik van de snelste en meest efficiënte communicatiemiddelen waarover zij beschikken.
Een aangezochte centrale autoriteit kan de behandeling van een verzoek alleen weigeren als kennelijk niet aan de vereisten van het Verdrag is voldaan. In dat geval stelt de centrale autoriteit de verzoekende centrale autoriteit onverwijld in kennis van de redenen voor haar weigering.
De aangezochte centrale autoriteit kan een verzoek niet weigeren op de enkele grond dat aanvullende stukken of informatie nodig zijn. De aangezochte centrale autoriteit kan de verzoekende centrale autoriteit evenwel verzoeken deze aanvullende stukken of informatie te verstrekken. Indien de verzoekende centrale autoriteit hierop niet binnen drie maanden of binnen een langere door de aangezochte centrale autoriteit vermelde termijn ingaat, kan de aangezochte centrale autoriteit beslissen het verzoek niet verder te behandelen. In dat geval stelt zij de verzoekende centrale autoriteit in kennis van deze beslissing.
Artikel 13. Communicatiemiddelen
Een verzoek via de centrale autoriteiten van de verdragsluitende staten in overeenstemming met dit hoofdstuk en elk daarbij gevoegd of door een centrale autoriteit verstrekt stuk of informatie, kan door de verweerder niet op de enkele grond van het tussen de betrokken centrale autoriteiten gebruikte communicatiemedium of -middel worden betwist.
Artikel 14. Effectieve toegang tot procedures
De aangezochte staat verstrekt verzoekers effectieve toegang tot procedures, waaronder tenuitvoerleggings- en beroepsprocedures, die voortvloeien uit verzoeken op grond van dit hoofdstuk.
Tenzij het derde lid van toepassing is, verleent de aangezochte staat ten behoeve van deze effectieve toegang, kosteloze rechtsbijstand in overeenstemming met de artikelen 14 tot en met 17.
De aangezochte staat is niet verplicht deze kosteloze rechtsbijstand te verlenen indien en voor zover de procedures van die staat de verzoeker in staat stellen de zaak aanhangig te maken zonder dergelijke bijstand en de centrale autoriteit kosteloos de noodzakelijke diensten verleent.
De voorwaarden voor verkrijging van kosteloze rechtsbijstand mogen niet restrictiever zijn dan de voorwaarden gesteld in soortgelijke binnenlandse zaken.
Geen zekerheid, borgtocht of depot, ongeacht de omschrijving, kan worden vereisr om de betaling van de kosten en uitgaven in verband met procedures op grond van het Verdrag te verzekeren.
Artikel 15. Kosteloze rechtsbijstand voor verzoeken om levensonderhoud voor kinderen
De aangezochte staat verleent kosteloze rechtsbijstand voor elk door een onderhoudsgerechtigde op grond van dit hoofdstuk ingediend verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie jegens een persoon jonger dan 21 jaar.
In afwijking van het eerste lid kan de aangezochte staat met betrekking tot andere verzoeken dan de in artikel 10, eerste lid, onderdeel a) en b), bedoelde verzoeken en met betrekking tot de onder artikel 20, vierde lid, vallende zaken, de verlening van kosteloze rechtsbijstand weigeren indien hij van oordeel is dat het verzoek of enig beroep kennelijk ongegrond is.
Artikel 16. Verklaring houdende toestemming voor het gebruik van een op het kind gerichte toetsing van de middelen
In afwijking van artikel 15, eerste lid, kan een staat in overeenstemming met artikel 63 verklaren dat hij met betrekking tot andere verzoeken dan de in artikel 10, eerste lid, onderdeel a) en b), bedoelde verzoeken en met betrekking tot de onder artikel 20, vierde lid, vallende zaken, kosteloze rechtsbijstand verleent op voorwaarde van een toetsing gebaseerd op een raming van de middelen van het kind.
Op het ogenblik van het afleggen van een dergelijke verklaring, verstrekken staten het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht informatie over de wijze waarop de raming van de middelen van het kind zal worden verricht, met inbegrip van de financiële criteria waaraan moet worden voldaan.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, gericht aan een staat die de in dat lid bedoelde verklaring heeft afgelegd, dient een formele verklaring van de verzoeker te omvatten waarin wordt vermeld dat de middelen van het kind voldoen aan de in het tweede lid bedoelde criteria. De aangezochte staat kan alleen om nader bewijs van de middelen van het kind verzoeken indien hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de door de verzoeker verstrekte informatie onjuist is.
Indien de gunstigste rechtsbijstand die is vastgesteld in het recht van de aangezochte staat voor op grond van dit hoofdstuk ingediende verzoeken betreffende onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie jegens een kind, gunstiger is dan die welke wordt vastgesteld in overeenstemming met het eerste tot en met derde lid, dient de gunstigste rechtsbijstand te worden verleend.
Artikel 17. Niet onder artikel 15 of artikel 16 vallende verzoeken
Voor de verzoeken op grond van dit Verdrag die niet onder artikel 15 of artikel 16 vallen:
- a. kan de verlening van kosteloze rechtsbijstand afhankelijk worden gesteld van een draagkrachttoets of een onderzoek naar de gegrondheid van het verzoek;
- b. een verzoeker die in de staat van herkomst kosteloze rechtsbijstand heeft genoten, heeft in alle erkenning- of tenuitvoerleggingsprocedures recht op kosteloze rechtsbijstand in ten minste dezelfde mate als vastgesteld in het recht van de aangezochte staat in dezelfde omstandigheden.
HOOFDSTUK IV. BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN HET INSTELLEN VAN PROCEDURES
Artikel 18. Beperking ten aanzien van procedures
Indien een beslissing is gegeven in een verdragsluitende staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, kan de onderhoudsplichtige in een andere verdragsluitende staat geen procedure instellen tot wijziging van de beslissing of tot het geven van een nieuwe beslissing zolang de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft in de staat waar de beslissing is gegeven.
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
- a. de partijen schriftelijk overeenstemming hebben bereikt over de bevoegdheid van die andere verdragsluitende staat, evenwel met uitzondering van geschillen inzake onderhoudsverplichtingen jegens kinderen;
- b. de onderhoudsgerechtigde zich onderwerpt aan de bevoegdheid van die andere verdragsluitende staat, hetzij uitdrukkelijk hetzij door zich ten gronde te verweren zonder zich bij de eerste gelegenheid te verzetten tegen die bevoegdheid;
- c. de bevoegde autoriteit in de staat van herkomst haar bevoegdheid tot wijziging van de beslissing of tot het geven van een nieuwe beslissing niet kan uitoefenen of weigert deze uit te oefenen; of
- d. de in de staat van herkomst gegeven beslissing niet kan worden erkend of niet uitvoerbaar kan worden verklaard in de verdragsluitende staat waar procedures tot wijziging van de beslissing of tot het geven van een nieuwe beslissing worden overwogen.
HOOFDSTUK V. ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING
Artikel 19. Toepassingsgebied van het hoofdstuk
Dit hoofdstuk is van toepassing op beslissingen met betrekking tot onderhoudsverplichtingen die zijn gegeven door gerechtelijke of administratieve autoriteiten. Onder de term „beslissing” wordt mede verstaan een schikking of overeenkomst gesloten ten overstaan van of goedgekeurd door een dergelijke autoriteit. Een beslissing kan automatische indexering omvatten en de verplichting achterstallige bedragen, levensonderhoud met terugwerkende kracht of interest te betalen, alsook de vaststelling van kosten of uitgaven.
Indien een beslissing niet alleen betrekking heeft op een onderhoudsverplichting, beperkt de werking van dit hoofdstuk zich tot de delen van de beslissing die betrekking hebben op onderhoudsverplichtingen.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder „administratieve autoriteit” een overheidslichaam waarvan de beslissingen krachtens het recht van de staat waar het is gevestigd:
- a. onderworpen kunnen worden aan een beroep bij of toetsing door een gerechtelijke autoriteit; en
- b. dezelfde kracht en uitwerking hebben als een beslissing van een gerechtelijke autoriteit over dezelfde aangelegenheid.
Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op regelingen inzake levensonderhoud in overeenstemming met artikel 30.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging die in overeenstemming met artikel 37 rechtstreeks worden gedaan aan een bevoegde autoriteit van de aangezochte staat.
Artikel 20. Gronden voor erkenning en tenuitvoerlegging
Een beslissing gegeven in een verdragsluitende staat („de staat van herkomst”) wordt in de andere verdragsluitende staten erkend en ten uitvoer gelegd indien:
- a. de verweerder zijn gewone verblijfplaats had in de staat van herkomst op het tijdstip waarop de procedure werd ingesteld;
- b. de verweerder zich heeft onderworpen aan de bevoegdheid, hetzij uitdrukkelijk hetzij door zich ten gronde te verweren zonder zich bij de eerste gelegenheid te verzetten tegen de bevoegdheid;
- c. de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats had in de staat van herkomst op het tijdstip waarop de procedure werd ingesteld;
- d. het kind voor wie levensonderhoud is toegekend zijn gewone verblijfplaats had in de staat van herkomst op het tijdstip waarop de procedure werd ingesteld, mits de verweerder met het kind in die staat heeft gewoond of in die staat heeft verbleven en aldaar voorzag in het levensonderhoud van het kind;
- e. de partijen schriftelijk overeenstemming hebben bereikt over de bevoegdheid, met uitzondering van geschillen inzake onderhoudsverplichtingen jegens kinderen; of
- f. de beslissing is gegeven door een autoriteit die bevoegd is inzake een kwestie van de persoonlijke staat of van ouderlijke verantwoordelijkheid, tenzij deze bevoegdheid alleen was gebaseerd op de nationaliteit van een van de partijen.
Een verdragsluitende staat kan in overeenstemming met artikel 62 ten aanzien van het eerste lid, onderdeel c), e) of f), een voorbehoud maken.
Een verdragsluitende staat die een voorbehoud maakt krachtens het tweede lid zorgt voor de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing, indien zijn autoriteiten krachtens zijn recht in soortgelijke feitelijke omstandigheden bevoegd zijn of zouden zijn om een dergelijke beslissing te geven.
Indien erkenning van een beslissing onmogelijk is ten gevolge van een voorbehoud krachtens het tweede lid, en de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats in een verdragsluitende staat heeft, neemt deze staat alle passende maatregelen teneinde ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde een beslissing vast te stellen. De voorgaande volzin is niet van toepassing op rechtstreekse verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging krachtens artikel 19, vijfde lid, en evenmin op de in artikel 2, eerste lid, onderdeel b), bedoelde vorderingen tot levensonderhoud.
Beslissingen ten gunste van een kind jonger dan 18 jaar die niet kunnen worden erkend alleen vanwege een voorbehoud ten aanzien van het eerste lid, onderdeel c), e) of f), worden aanvaard als vaststelling dat het kind in aanmerking komt voor levensonderhoud in de aangezochte staat.
Een beslissing wordt alleen erkend wanneer zij in de staat van herkomst effect sorteert, en wordt alleen ten uitvoer gelegd wanneer zij in de staat van herkomst voor tenuitvoerlegging vatbaar is.
Artikel 21. Deelbaarheid en gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging
Indien de aangezochte staat een beslissing niet volledig kan erkennen of ten uitvoer leggen, gaat hij over tot erkenning of tenuitvoerlegging van de delen van de beslissing die wel kunnen worden erkend of ten uitvoer gelegd.
Te allen tijde kan worden verzocht om gedeeltelijke erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing.
Artikel 22. Gronden voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging
Erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing kunnen worden geweigerd indien:
- a. erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde („ordre public”) van de aangezochte staat;
- b. de beslissing is verkregen door middel van bedrog begaan in de procedure;
- c. een procedure tussen dezelfde partijen en met hetzelfde doel aanhangig is bij een autoriteit van de aangezochte staat en deze procedure als eerste aanhangig is gemaakt;
- d. de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die tussen dezelfde partijen met hetzelfde doel is gegeven hetzij in de aangezochte staat hetzij in een andere staat, mits de laatstbedoelde beslissing voldoet aan de vereisten voor erkenning en tenuitvoerlegging in de aangezochte staat;
- e. in een zaak waarin de verweeder niet is verschenen en niet werd vertegenwoordigd in procedures in de staat van herkomst:
- i. indien het recht van de staat van herkomst voorziet in inkennisstelling van procedures en de verweerder niet naar behoren in kennis is gesteld en niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord; of
- ii. indien het recht van de staat van herkomst niet voorziet in een inkennisstelling van procedures en de verweerder niet naar behoren in kennis is gesteld van de beslissing en niet de mogelijkheid heeft gehad om daartegen bezwaar aan te tekenen of ertegen beroep in te stellen op grond van de feiten of het recht; of
- f. de beslissing is gegeven in strijd met artikel 18.
Artikel 23. Procedure voor verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging
Onder voorbehoud van de bepalingen van het Verdrag is het recht van de aangezochte staat van toepassing op erkennings- en tenuitvoerleggingsprocedures.
Indien een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing via de centrale autoriteiten in overeenstemming met hoofdstuk III is gedaan, zal de aangezochte centrale autoriteit onverwijld:
- a. het verzoek doorzenden naar de bevoegde autoriteit die de beslissing onverwijld uitvoerbaar verklaart of voor tenuitvoerlegging registreert; of
- b. deze maatregelen zelf nemen, indien zij zelf de bevoegde autoriteit is.
Indien het verzoek rechtstreeks aan een bevoegde autoriteit in de aangezochte staat is gericht in overeenstemming met artikel 19, vijfde lid, verklaart deze autoriteit de beslissing onverwijld uitvoerbaar of registreert zij de beslissing voor tenuitvoerlegging.
Een verklaring of registratie kan alleen worden geweigerd op de in artikel 22, onderdeel a), vermelde grond. In dit stadium kan noch de verzoeker noch de verweerder bezwaar aantekenen.
De verzoeker en de verweerder worden onverwijld in kennis gesteld van de verklaring of registratie op grond van het tweede en derde lid, of de weigering daarvan in overeenstemming met het vierde lid, en kunnen daartegen bezwaar aantekenen of beroep instellen op feitelijke of rechtsgronden.
Bezwaar of beroep dient binnen 30 dagen na de kennisgeving krachtens het vijfde lid te worden aangetekend. Indien de partij die bezwaar of beroep aantekent niet in de verdragsluitende staat verblijft waar de verklaring of registratie is gedaan of is geweigerd, dient het bezwaar of beroep binnen 60 dagen na de kennisgeving te worden aangetekend.
Een bezwaar of beroep kan alleen worden gebaseerd op:
- a. de in artikel 22 vermelde gronden voor het weigeren van erkenning en tenuitvoerlegging;
- b. de gronden voor erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van van artikel 20;
- c. de authenticiteit of integriteit van een in overeenstemming met artikel 25, eerste lid, onderdeel a), b), of d), of derde lid, onderdeel b), verzonden stuk.
Een bezwaar of beroep van een verweerder kan ook worden gebaseerd op voldoening van de schuld indien de erkenning en tenuitvoerlegging betrekking hebben op vervallen termijnen van betalingen.
De verzoeker en verweerder worden onverwijld in kennis gesteld van de beslissing op het bezwaar of beroep.
Behalve in buitengewone omstandigheden heeft een hoger beroep, indien wettelijk toegestaan in de aangezochte staat, niet tot gevolg dat de tenuitvoerlegging van de beslissing wordt opgeschort.
De bevoegde autoriteit treedt voortvarend op bij het geven van beslissingen inzake erkenning en tenuitvoerlegging, met inbegrip van beroep.
Artikel 24. Alternatieve procedure voor een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging
In afwijking van artikel 23, tweede tot en met elfde lid, kan een staat in overeenstemming met artikel 63 verklaren de in dit artikel vastgestelde procedure voor erkenning en tenuitvoerlegging toe te passen.
Indien een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing via de centrale autoriteiten in overeenstemming met hoofdstuk III is gedaan, dient de aangezochte centrale autoriteit onverwijld:
- a. het verzoek door te zenden naar de bevoegde autoriteit die beslist over het verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging; of
- b. deze beslissing zelf te nemen, indien zij zelf de bevoegde autoriteit is.
Beslissingen inzake erkenning en tenuitvoerlegging worden door de bevoegde autoriteit gegeven zodra de verweerder naar behoren en onverwijld in kennis is gesteld van de procedure en beide partijen voldoende in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord.
De bevoegde autoriteit kan de in artikel 22, onderdeel a), c) en d), bedoelde gronden voor het weigeren van erkenning en tenuitvoerlegging ambtshalve toetsen. Zij kan de in de artikelen 20, 22, en 23, zevende lid, onderdeel c), bedoelde gronden toetsen indien de verweerder deze aanvoert of indien er, op basis van de in overeenstemming met artikel 25 ingediende stukken, twijfel bestaat omtrent deze gronden.
Weigering van erkenning en tenuitvoerlegging kan ook worden gebaseerd op voldoening van de schuld indien de erkenning en tenuitvoerlegging betrekking hebben op vervallen termijnen van betalingen.
Behalve in buitengewone omstandigheden heeft beroep, indien wettelijk toegestaan in de aangezochte staat, niet tot gevolg dat de tenuitvoerlegging van de beslissing wordt opgeschort.
De bevoegde autoriteit treedt voortvarend op bij het geven van beslissingen inzake erkenning en tenuitvoerlegging, met inbegrip van beroep.
Artikel 25. Stukken
Verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging op grond van artikel 23 of artikel 24 gaan vergezeld van:
- a. de volledige tekst van de beslissing;
- b. een stuk waarin wordt verklaard dat de beslissing uitvoerbaar is in de staat van herkomst en, in het geval van beslissingen door administratieve autoriteiten, een stuk waarin wordt verklaard dat aan de vereisten van artikel 19, derde lid, is voldaan, tenzij die staat in overeenstemming met artikel 57 heeft aangegeven dat beslissingen van zijn administratieve autoriteiten altijd voldoen aan die vereisten;
- c. indien de verweerder niet was verschenen en niet was vertegenwoordigd in de procedure in de staat van herkomst, een stuk of stukken, naargelang het geval, waarin wordt bevestigd dat de verweerder naar behoren in kennis is gesteld van de procedure en in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord of dat de verweerder naar behoren in kennis is gesteld van de beslissing en in de gelegenheid is gesteld bezwaar of beroep aan te tekenen op feitelijke of rechtsgronden;
- d. indien noodzakelijk, een stuk met het bedrag aan achterstallige betalingen en de datum waarop dat bedrag is berekend;
- e. indien noodzakelijk, in het geval van een beslissing die in een automatische indexering voorziet, een stuk met de vereiste inlichtingen voor het maken van de desbetreffende berekeningen;
- f. indien noodzakelijk stukken waaruit blijkt in welke mate de verzoeker kosteloze rechtsbijstand heeft ontvangen in de staat van herkomst.
Bij bezwaar of beroep ingevolge artikel 23, zevende lid, onderdeel c), of op verzoek van de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat, wordt een volledig afschrift van het desbetreffende stuk, gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst, onverwijld verstrekt:
- a. door de centrale autoriteit van de verzoekende staat waar het verzoek is gedaan in overeenstemming met hoofdstuk III;
- b. door de verzoeker indien het verzoek rechtstreeks aan een bevoegde autoriteit van de aangezochte staat is gedaan.
Een verdragsluitende staat kan in overeenstemming met artikel 57 bepalen dat:
- a. een volledig afschrift van de beslissing, gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst, het verzoek moet vergezellen;
- b. er omstandigheden zijn waarin hij in plaats van de volledige tekst van de beslissing een samenvatting of uittreksel van de beslissing opgesteld door de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst aanvaardt, die of dat kan worden opgesteld met behulp van het door de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht aanbevolen en bekendgemaakte formulier; of
- c. hij geen stuk vereist waarin wordt verklaard dat is voldaan aan de vereisten van artikel 19, derde lid.
Artikel 26. Procedure voor een verzoek om erkenning
Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om erkenning van een beslissing, zij het dat het vereiste van uitvoerbaarheid is vervangen door het vereiste dat de beslissing in de staat van herkomst effect sorteert.
Artikel 27. Vaststelling van de feiten
De bevoegde autoriteit van de aangezochte staat is gebonden aan de vaststelling van de feiten waarop de autoriteit van de staat van herkomst haar bevoegdheid heeft gebaseerd.
Artikel 28. Verbod van inhoudelijke toetsing
De bevoegde autoriteit van de aangezochte staat toetst beslissingen niet inhoudelijk.
Artikel 29. Fysieke aanwezigheid van het kind of de verzoeker niet vereist
De fysieke aanwezigheid van het kind of de verzoeker is niet vereist in de op grond van dit hoofdstuk ingestelde procedures in de aangezochte staat.
Artikel 30. Regelingen inzake levensonderhoud
Een in een verdragsluitende staat getroffen regeling inzake levensonderhoud moet in aanmerking komen voor erkenning en tenuitvoerlegging als een beslissing op grond van dit hoofdstuk, mits zij in de staat van herkomst uitvoerbaar is als een beslissing.
Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, onderdeel a) en b), en tweede lid, onderdeel a), wordt onder de term „beslissing” mede verstaan een regeling inzake levensonderhoud.
Verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging van een regeling inzake levensonderhoud gaan vergezeld van:
- a. de volledige tekst van de regeling inzake levensonderhoud; en
- b. een stuk waarin wordt verklaard dat de desbetreffende regeling inzake levensonderhoud in de staat van herkomst uitvoerbaar is als een beslissing.
Erkenning en tenuitvoerlegging van een regeling inzake levensonderhoud kan worden geweigerd indien:
- a. de erkenning en tenuitvoerlegging kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde van de aangezochte staat;
- b. de regeling inzake levensonderhoud is verkregen door fraude of vervalsing;
- c. de regeling inzake levensonderhoud onverenigbaar is met een beslissing die tussen dezelfde partijen en met hetzelfde doel is gegeven, hetzij in de aangezochte staat hetzij in een andere staat, mits de laatstbedoelde beslissing voldoet aan de vereisten voor erkenning en tenuitvoerlegging in de aangezochte staat.
De bepalingen van dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 20, 22, 23, zevende lid, en artikel 25, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van een regeling inzake levensonderhoud, met dien verstande dat:
- a. een verklaring of registratie in overeenstemming met artikel 23, tweede en derde lid, alleen kan worden geweigerd op de in het vierde lid, onderdeel a), vermelde grond;
- b. een in artikel 23, zesde lid, bedoeld bezwaar of beroep alleen kan worden gebaseerd op:
- i. de in het vierde lid vermelde gronden voor het weigeren van erkenning en tenuitvoerlegging;
- ii. de authenticiteit of integriteit van een in overeenstemming met het derde lid verzonden stuk;
- c. de bevoegde autoriteit kan met betrekking tot de procedure op grond van artikel 24, vierde lid, de in het vierde lid, onderdeel a), van dit artikel bedoelde grond voor het weigeren van erkenning en tenuitvoerlegging ambtshalve toetsen. Zij kan alle in het vierde lid van dit artikel vermelde gronden toetsen alsook de authenticiteit of integriteit van elk in overeenstemming met het derde lid verzonden stuk, indien de verweerder daarom verzoekt of indien er, op basis van die stukken, twijfel bestaat omtrent deze gronden.
Procedures tot erkenning en tenuitvoerlegging van een regeling inzake levensonderhoud worden opgeschort indien een bezwaar betreffende de regeling aanhangig is bij een bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat.
Een staat kan in overeenstemming met artikel 63 verklaren dat verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging van een regeling inzake levensonderhoud alleen via centrale autoriteiten mogen worden gedaan.
Een verdragsluitende staat kan zich in overeenstemming met artikel 62 het recht voorbehouden een regeling inzake levensonderhoud niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen.
Artikel 31. Beslissingen die tot stand komen door het gecombineerde effect van voorlopige bevelen en bevelen tot bevestiging
Indien een beslissing tot stand komt door het gecombineerde effect van een voorlopig bevel in de ene staat en van een bevel van een autoriteit in een andere staat („de bevestigende staat”) waarmee het voorlopige bevel wordt bevestigd:
- a. worden voor de toepassing van dit hoofdstuk beide staten beschouwd als staat van herkomst;
- b. wordt voldaan aan de vereisten van artikel 22, onderdeel e), indien de verweerder naar behoren in kennis is gesteld van de procedure in de bevestigende staat en in de gelegenheid is gesteld bezwaar aan te tekenen tegen de bevestiging van het voorlopige bevel;
- c. wordt aan het vereiste van artikel 20, zesde lid, dat een beslissing uitvoerbaar moet zijn in de staat van herkomst voldaan indien de beslissing uitvoerbaar is in de bevestigende staat; en
- d. belet artikel 18 niet dat een procedure tot wijziging van de beslissing wordt ingesteld in een van beide staten.
HOOFDSTUK VI. TENUITVOERLEGGING DOOR DE AANGEZOCHTE STAAT
Artikel 32. Tenuitvoerlegging krachtens het nationale recht
Met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk geschiedt tenuitvoerlegging in overeenstemming met het recht van de aangezochte staat.
Tenuitvoerlegging geschiedt onverwijld.
In het geval van verzoeken via de centrale autoriteiten, indien een beslissing uitvoerbaar is verklaard of geregistreerd voor tenuitvoerlegging op grond van hoofdstuk V, geschiedt tenuitvoerlegging zonder dat verdere stappen door de verzoeker zijn vereist.
Gevolg wordt gegeven aan de in de staat van herkomst toepasselijke voorschriften betreffende de duur van de onderhoudsverplichting.
Elke beperking van de termijn waarvoor achterstallige bedragen ten uitvoer kunnen worden gelegd, wordt bepaald op grond van het recht van de staat van herkomst van de beslissing of op grond van het recht van de aangezochte staat, al naargelang welk recht voorziet in de langste termijn.
Artikel 33. Non-discriminatie
De aangezochte staat voorziet in ten minste dezelfde methoden voor tenuitvoerlegging voor zaken uit hoofde van dit Verdrag als die welke beschikbaar zijn voor nationale zaken.
Artikel 34. Tenuitvoerleggingsmaatregelen
De verdragsluitende staten stellen in hun nationale recht effectieve maatregelen beschikbaar voor de uitvoerlegging van beslissingen waarop dit Verdrag van toepassing is.
Deze maatregelen kunnen omvatten:
- a. inhouding van loon;
- b. beslaglegging op bankrekeningen en andere bronnen;
- c. inhoudingen van socialezekerheidsuitkeringen;
- d. verpanding of gedwongen verkoop van bezittingen;
- e. inhouding van belastingteruggaven;
- f. inhouding van of beslaglegging op pensioenuitkeringen;
- g. melding aan kredietinformatiebureaus;
- h. ontzegging, opschorting of intrekking van diverse vergunningen (bijvoorbeeld rijbewijzen);
- i. toepassing van bemiddeling, verzoening of soortgelijke processen om vrijwillige nakoming te bewerkstelligen.
Artikel 35. Overmaking van gelden
De verdragsluitende staten worden aangemoedigd het gebruik te stimuleren, onder meer met behulp van internationale overeenkomsten, van de meest kosteneffectieve en de meest efficiënte methoden die beschikbaar zijn voor het overmaken van verschuldigde levensonderhoudsgelden.
Een verdragsluitende staat waarvan het recht de overmaking van gelden beperkt, verleent de hoogste prioriteit aan de overmaking van krachtens dit Verdrag verschuldigde gelden.
HOOFDSTUK VII. OVERHEIDSLICHAMEN
Artikel 36. Overheidslichamen in de hoedanigheid van verzoeker
Ten behoeve van verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging krachtens artikel 10, eerste lid, onderdeel a) en b), en van onder artikel 20, vierde lid, vallende zaken, wordt onder „onderhoudsgerechtigde” tevens verstaan een overheidslichaam dat optreedt in plaats van een persoon aan wie levensonderhoud is verschuldigd of een lichaam waaraan terugbetaling is verschuldigd van uitkeringen die bij wijze van levensonderhoud zijn verstrekt.
Het recht van een overheidslichaam om op te treden in plaats van een persoon aan wie levensonderhoud is verschuldigd of om terugbetaling te vragen van uitkeringen die bij wijze van levensonderhoud aan de onderhoudsgerechtigde zijn verstrekt, wordt beheerst door het recht dat op het orgaan van toepassing is.
Een overheidslichaam kan de erkenning of de tenuitvoerlegging vragen van:
- a. een beslissing die tegen een onderhoudsplichtige is gegeven op verzoek van een overheidslichaam dat betaling vordert van bij wijze van levensonderhoud verstrekte uitkeringen;
- b. een tussen een onderhoudsgerechtigde en een onderhoudsplichtige gegeven beslissing, ten belope van de bij wijze van levensonderhoud aan de onderhoudsgerechtigde verstrekte uitkeringen.
Het overheidslichaam dat om erkenning verzoekt of tenuitvoerlegging vordert van een beslissing, verstrekt op verzoek elk stuk aan de hand waarvan zijn recht uit hoofde van het tweede lid en de aan de onderhoudsgerechtigde verstrekte uitkeringen, kan worden vastgesteld.
HOOFDSTUK VIII. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 37. Rechtstreekse verzoeken aan bevoegde autoriteiten
Het Verdrag sluit de mogelijkheid niet uit dat gebruik wordt gemaakt van eventueel krachtens het nationale recht van een verdragsluitende staat beschikbare procedures waarbij een persoon (een verzoeker) zich rechtstreeks kan wenden tot een bevoegde autoriteit van die staat betreffende een aangelegenheid waarop het Verdrag van toepassing is, waaronder, met inachtneming van artikel 18, de vaststelling of wijziging van een beslissing inzake levensonderhoud.
Artikel 14, vijfde lid, en artikel 17, onderdeel b), en de bepalingen van de hoofdstukken V, VI, VII en dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 40, tweede lid, artikel 42, artikel 43, derde lid, artikel 44, derde lid, en de artikelen 45 en 55, zijn van toepassing op verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging die rechtstreeks worden ingediend bij een bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat.
Voor de toepassing van het tweede lid, is artikel 2, eerste lid, onderdeel a), van toepassing op een beslissing tot toekenning van levensonderhoud aan een kwetsbare persoon ouder dan de in dat onderdeel vermelde leeftijd, indien deze beslissing is gegeven voordat die persoon die leeftijd had bereikt en indien zij, gelet op de aantasting van zijn vermogens, voorziet in levensonderhoud boven die leeftijd.
Artikel 38. Bescherming van persoonsgegevens
Persoonsgegevens die in het kader van het Verdrag zijn verzameld of verzonden mogen slechts worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of verzonden.
Artikel 39. Vertrouwelijkheid
Elke autoriteit die gegevens verwerkt, waarborgt de vertrouwelijkheid daarvan in overeenstemming met het recht van haar staat.
Artikel 40. Niet-bekendmaking van informatie
Autoriteiten maken geen informatie die voor de toepassing van dit Verdrag is verzameld of verzonden, bekend noch bevestigen zij deze, indien zij vaststellen dat zulks ten koste zou kunnen gaan van de gezondheid, veiligheid of vrijheid van een persoon.
Indien een centrale autoriteit tot een dergelijke vaststelling komt, wordt daar door andere centrale autoriteiten rekening mee gehouden, met name in het geval van huiselijk geweld.
Niets in dit artikel belet de verzameling en verzending van informatie door en tussen autoriteiten, voor zover zulks noodzakelijk is voor het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag.
Artikel 41. Geen legalisatie
Legalisatie of soortgelijke formaliteiten worden niet vereist in het kader van dit Verdrag.
Artikel 42. Volmacht
De centrale autoriteit van de aangezochte staat kan van de verzoeker alleen een volmacht eisen indien zij namens hem in gerechtelijke procedures of ten overstaan van andere autoriteiten optreedt, of teneinde daartoe een vertegenwoordiger aan te wijzen.
Artikel 43. Inning van kosten
De inning van kosten ontstaan bij de toepassing van dit Verdrag krijgt geen voorrang boven de inning van levensonderhoud.
Staten kunnen kosten verhalen op in het ongelijk gestelde partijen.
Ten behoeve van een verzoek krachtens artikel 10, eerste lid, onderdeel b), wordt om kosten te verhalen op een in het ongelijk gestelde partij in overeenstemming met het tweede lid, onder de term „onderhoudsgerechtigde” in artikel 10, eerste lid, mede verstaan een staat.
Dit artikel laat artikel 8 onverlet.
Artikel 44. Taalvoorschriften
Verzoeken en bijbehorende stukken worden opgesteld in de oorspronkelijke taal en gaan vergezeld van een vertaling in een officiële taal van de aangezochte staat of in een andere taal die de aangezochte staat in een verklaring in overeenstemming met artikel 63 heeft aangegeven te aanvaarden, tenzij de bevoegde autoriteit van die staat vrijstelling verleent van vertaling.
Een verdragsluitende staat met meerdere officiële talen die op grond van zijn nationale recht stukken in een van die talen niet voor zijn gehele grondgebied kan aanvaarden, vermeldt in een verklaring in overeenstemming met artikel 63 de taal waarin dergelijke stukken of vertalingen daarvan dienen te worden opgesteld voor indiening in de omschreven delen van zijn grondgebied.
Tenzij anders is overeengekomen door de centrale autoriteiten geschieden overige mededelingen tussen deze autoriteiten in een officiële taal van de aangezochte staat of in de Engelse of de Franse taal. Een verdragsluitende staat kan echter, door het maken van een voorbehoud in de zin van artikel 62, bezwaar maken tegen het gebruik van hetzij de Engelse, hetzij de Franse taal.
Artikel 45. Middelen en kosten van vertalingen
In het geval van verzoeken in de zin van hoofdstuk III, kunnen de centrale autoriteiten in afzonderlijke gevallen of in het algemeen overeenkomen dat vertalingen uit de oorspronkelijke taal of uit een andere overeengekomen taal in een officiële taal van de aangezochte staat worden gemaakt in de aangezochte staat. Indien er geen overeenstemming is en het voor de verzoekende centrale autoriteit niet mogelijk is te voldoen aan de vereisten van artikel 44, eerste en tweede lid, mogen het verzoek en de bijbehorende stukken samen met een vertaling in de Engelse of de Franse taal worden verzonden voor verdere vertaling in een officiële taal van de aangezochte staat.
Tenzij anders is overeengekomen door de centrale autoriteiten van de betrokken staten, worden de kosten van vertaling die voortvloeien uit de toepassing van het eerste lid gedragen door de verzoekende staat.
In afwijking van artikel 8 kan de verzoekende centrale autoriteit een verzoeker de kosten van de vertaling van een verzoek en van de bijbehorende stukken in rekening brengen, tenzij deze kosten vallen onder haar stelsel van rechtsbijstand.
Artikel 46. Niet-geünificeerde rechtsstelsels – uitlegging
Ten aanzien van een staat die met betrekking tot bij dit Verdrag geregelde aangelegenheden twee of meer rechtsstelsels of juridische regelingen heeft die binnen verschillende territoriale eenheden van toepassing zijn:
- a. wordt elke verwijzing naar het recht of de procedure van een staat in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar het in de desbetreffende territoriale eenheid geldende recht of de daar geldende procedure;
- b. wordt elke verwijzing naar een beslissing gegeven, erkend, erkend en ten uitvoer gelegd of ten uitvoer gelegd en gewijzigd in die staat in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar een in de desbetreffende territoriale eenheid gegeven, erkende, erkende en ten uitvoer gelegde of ten uitvoer gelegde en gewijzigde beslissing;
- c. wordt elke verwijzing naar een gerechtelijke of administratieve autoriteit in die staat in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar een gerechtelijke of administratieve autoriteit in de desbetreffende territoriale eenheid;
- d. wordt elke verwijzing naar bevoegde autoriteiten, overheidslichamen en andere lichamen van die staat, anders dan de centrale autoriteiten, in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar autoriteiten of lichamen die bevoegd zijn op te treden in de desbetreffende territoriale eenheid;
- e. wordt elke verwijzing naar woonplaats of gewone verblijfplaats in die staat in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar een woonplaats of gewone verblijfplaats in de desbetreffende territoriale eenheid;
- f. wordt elke verwijzing naar een locatie van vermogensbestanddelen in die staat in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar een locatie van vermogensbestanddelen in de desbetreffende territoriale eenheid;
- g. wordt elke verwijzing naar een wederkerige regeling die in die staat van kracht is in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar een wederkerige regeling in de desbetreffende territoriale eenheid;
- h. wordt elke verwijzing naar kosteloze rechtsbijstand in die staat in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar kosteloze rechtsbijstand in de desbetreffende territoriale eenheid;
- i. wordt elke verwijzing naar een regeling inzake levensonderhoud getroffen in een staat in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar een regeling inzake levensonderhoud in de desbetreffende territoriale eenheid;
- j. wordt elke verwijzing naar de inning van kosten door een staat in voorkomend geval uitgelegd als een verwijzing naar de inning van kosten door de desbetreffende territoriale eenheid.
Dit artikel is niet van toepassing op regionale organisaties voor economische integratie.
Artikel 47. Niet-geünificeerde rechtsstelsels - materiële regels
Een verdragsluitende staat met twee of meer territoriale eenheden waarin verschillende rechtsstelsels gelden, is niet gehouden dit Verdrag toe te passen op situaties waarbij alleen die verschillende territoriale eenheden zijn betrokken.
Een bevoegde autoriteit in een territoriale eenheid van een verdragsluitende staat met twee of meer territoriale eenheden waarin verschillende rechtsstelsels gelden, is niet gehouden een beslissing van een andere verdragsluitende staat te erkennen of ten uitvoer te leggen alleen omdat de beslissing uit hoofde van dit Verdrag in een andere territoriale eenheid van dezelfde verdragsluitende staat is erkend of ten uitvoer is gelegd.
Dit artikel is niet van toepassing op regionale organisaties voor economische integratie.
Artikel 48. Samenloop met eerdere Haagse verdragen inzake levensonderhoud
In de betrekkingen tussen de verdragsluitende staten vervangt dit Verdrag, met inachtneming van artikel 56, tweede lid, het Haags Verdrag van 2 oktober 1973 inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen en het Haags Verdrag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, voor zover het toepassingsgebied daarvan tussen deze staten samenvalt met het toepassingsgebied van dit Verdrag.
Artikel 49. Samenloop met het Verdrag van New York van 1956
In de betrekkingen tussen de verdragsluitende staten vervangt dit Verdrag het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud van 20 juni 1956, voor zover het toepassingsgebied daarvan tussen deze staten samenvalt met het toepassingsgebied van dit Verdrag.
Artikel 50. Relatie tot eerdere Haagse verdragen inzake de betekening en de kennisgeving van stukken en de verkrijging van bewijs
Dit Verdrag laat onverlet het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering, het Verdrag van ’s-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, en het Verdrag van ’s-Gravenhage 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken.
Artikel 51. Samenloop met instrumenten en aanvullende verdragen
Dit Verdrag laat onverlet alle vóór dit Verdrag gesloten internationale instrumenten waarbij de verdragsluitende partijen partij zijn en die bepalingen bevatten die van toepassing zijn op in dit Verdrag geregelde aangelegenheden.
Elke verdragsluitende staat kan met een of meer verdragsluitende staten verdragen sluiten die bepalingen bevatten inzake in dit Verdrag geregelde aangelegenheden teneinde de toepassing van het Verdrag tussen hen te verbeteren, mits deze verdragen verenigbaar zijn met de doelstellingen van het Verdrag en de toepassing van de bepalingen van het Verdrag in de betrekkingen van deze staten met andere verdragsluitende staten onverlet laten. De staten die een dergelijk verdrag hebben gesloten, zenden een afschrift daarvan aan de depositaris van het Verdrag.
Het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing op wederkerige regelingen en op eenvormige wetten die zijn gebaseerd op het bestaan van bijzondere banden tussen de betrokken staten.
Dit Verdrag laat de toepassing onverlet van instrumenten van een regionale organisatie voor economische integratie die partij is bij dit Verdrag, die zijn aangenomen na het sluiten van het Verdrag inzake in het Verdrag geregelde aangelegenheden, mits deze instrumenten de toepassing van de bepalingen van het Verdrag in de betrekkingen van lidstaten van de regionale organisatie voor economische integratie met andere verdragsluitende staten onverlet laten. Wat de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen tussen lidstaten van de regionale organisatie voor economische integratie betreft, laat het Verdrag de regels van de regionale organisatie voor economische integratie onverlet, ongeacht of deze voor of na het sluiten van het Verdrag zijn aangenomen.
Artikel 52. Meest doeltreffende regel
Dit Verdrag belet niet de toepassing van verdragen, regelingen of internationaal instrumenten die van kracht zijn tussen de verzoekende staat en de aangezochte staat noch van wederkerige regelingen die van kracht zijn in de aangezochte staat, die voorzien in:
- a. ruimere gronden voor erkenning van beslissingen inzake levensonderhoud, onverminderd artikel 22, onderdeel f), van het Verdrag;
- b. vereenvoudigde, snellere procedures voor verzoeken om erkenning of erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud;
- c. gunstiger rechtsbijstand dan vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 17; of
- d. procedures die verzoekers van een verzoekende staat in staat stellen hun verzoek rechtstreeks bij de centrale autoriteit van de aangezochte staat in te dienen.
Dit Verdrag belet niet de toepassing van een in de aangezochte staat van kracht zijnde wet die voorziet in doeltreffender voorschriften in de zin van het eerste lid, onderdeel a) tot en met c). Wat betreft vereenvoudigde, snellere procedures, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel b), moeten zij evenwel verenigbaar zijn met de bescherming die de partijen wordt geboden krachtens de artikelen 23 en 24, in het bijzonder wat betreft het recht van de partijen naar behoren in kennis te worden gesteld van de procedures en voldoende in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord, alsmede wat betreft de gevolgen van een bezwaar of beroep.
Artikel 53. Uniforme uitlegging
Bij de uitlegging van dit Verdrag dient rekening te worden gehouden met het internationale karakter ervan en met de noodzaak de uniforme toepassing ervan te bevorderen.
Artikel 54. Toetsing van de werking van het Verdrag in de praktijk
De Secretaris-Generaal van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht roept op gezette tijden een bijzondere commissie bijeen teneinde de werking van het Verdrag in de praktijk te toetsen en de ontwikkeling van beproefde methoden krachtens dit Verdrag aan te moedigen.
Ten behoeve van deze toetsing werken de verdragsluitende staten samen met het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht bij het verzamelen van informatie, met inbegrip van statistieken en jurisprudentie, betreffende de werking van het Verdrag in de praktijk.
Artikel 55. Wijziging van formulieren
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)