Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

Type Verdrag
Publication 1964-02-01
State In force
Source BWB
artikelen 109
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen van België, Denemarken, Finland, Frankrijk, IJsland, Nederland, Noorwegen en Zweden;

Overwegende, dat verschillen in de voorschriften voor de meting van zeeschepen en in de toepassing van zodanige voorschriften tot ernstig ongerief kunnen leiden, bestaande in een ongelijke behandeling van de schepen en belemmerende formaliteiten en onnodige kosten veroorzaken;

Verlangende derhalve praktische uitwerking te geven aan het voorbereidende werk gedurende een aantal jaren ondernomen met betrekking tot het opheffen van dergelijke verschillen door het vaststellen van eenvormige voorschriften voor de meting van zeeschepen, gebaseerd op het stelsel, toegepast door de meeste zeevarende landen;

Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben als hun Gevolmachtigden de volgende personen aangewezen:

De Regering van België:

G. de Winne, Hoofd-Ingenieur, Directeur bij de Marine-Administratie;

De Regering van Denemarken:

P. Fischer, Scheepvaartkundig Hoofd-Ingenieur bij de Scheepvaartafdeling van het Ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart;

J. Christiansen, Afdelingshoofd bij het Ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart;

De Regering van Finland:

W. K. Åström, Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting;

De Regering van Frankrijk:

Z.E. J. F. Blondel, Ambassadeur in Noorwegen;

De Regering van IJsland:

O. T. Sveinsson, Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart;

De Regering van Nederland:

A. van Driel, Hoofd-Ingenieur en Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting (afgetreden);

H. E. Scheffer, Administrateur bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (Directoraat-Generaal van Scheepvaart);

E. Smit Fzn., Hoofd-Ingenieur en Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting;

De Regering van Noorwegen:

K. Aall, Hoofd van de Afdeling Scheepsmeting van het Koninklijk Ministerie van Financiën en Douane;

V. Dunér, Afdelingshoofd bij het Koninklijk Ministerie van Financiën en Douane;

A. Sveen, Reder;

De Regering van Zweden:

G. M. E. Böös, Handelsraad, Hoofd van de Scheepvaartafdeling van het Koninklijk Ministerie van Handel;

A. J. Anderson, Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting bij het Koninklijk Ministerie van Handel;

G. J. Ambjörn, Hoogleraar aan de Technische Hogeschool te Chalmers,

die, na hun volmachten te hebben overgelegd, welke in goede orde zijn bevonden, tot overeenstemming zijn gekomen ten aanzien van de volgende bepalingen:

Artikel 1

Bij het meten van zeeschepen, met het doel hun inhoud vast te stellen en bij het merken van zeeschepen in verband met zodanige meting, verbinden de verdragsluitende Regeringen zich de voorschriften in acht te nemen, bekend onder de naam „Internationale Voorschriften voor de Meting van Zeeschepen”, vastgesteld vanwege de Volkenbond en gedateerd 30 Juni 1939, hierbij als Bijlage toegevoegd, en welke derhalve thans door alle verdragsluitende Regeringen bij dit Verdrag als de voorschriften voor het meten en merken van zeeschepen worden beschouwd.

Het Verdrag en de Bijlage kunnen worden gewijzigd overeenkomstig Artikel 12.

Artikel 2

Het meten en merken van zeeschepen geschiedt vanwege de bevoegde autoriteit door ambtenaren, die aan de noodzakelijke eisen van bekwaamheid voldoen. De betrokken Regering kan evenwel het meten en merken toevertrouwen aan een instelling, voor dit doel door de Regering officiëel erkend. In beide gevallen staat de betrokken Regering er ten volle voor in, dat het meten en merken volledig en doelmatig wordt verricht.

Artikel 3

Een certificaat, genoemd „Internationale Meetbrief, overeenkomstig het Verdrag, gesloten te Oslo op 10 Juni 1947” (hierna te noemen Internationale Meetbrief), wordt afgegeven voor elk schip, dat gemeten en gemerkt is overeenkomstig dit Verdrag. Zulk een certificaat mag voor geen ander schip worden afgegeven.

Een Internationale Meetbrief wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit of door een instelling, officiëel erkend overeenkomstig artikel 2. In beide gevallen aanvaardt de betrokken Regering de volle aansprakelijkheid voor het certificaat.

Artikel 4

De Regering van een land, waar dit Verdrag van toepassing is, kan op verzoek van of namens de Regering van elk ander land, waar dit Verdrag van toepassing is, elk zeeschip, dat thuis behoort in laatstgenoemd land, doen meten en merken op kosten van de eigenaar van het schip, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en een Internationale Meetbrief voor zulk een schip op haar eigen verantwoordelijkheid afgeven. Op dezelfde wijze kan het meten en merken geschieden van een schip, dat in aanbouw is voor rekening van een eigenaar in een ander land, waar dit Verdrag van toepassing is.

Elke meetbrief, op deze wijze afgegeven, bevat een verklaring, behelzende, dat hij is afgegeven op verzoek van de Regering van het land, waar het schip thuisbehoort of bestemd is thuis te behoren en een dergelijke meetbrief geniet dezelfde erkenning als een meetbrief, afgegeven krachtens artikel 3 van dit Verdrag.

De Regering, die een zodanige meetbrief heeft afgegeven, doet aan de Regering van het land, waar het schip thuis behoort, een gewaarmerkt afschrift toekomen van de Meetbrief en van de Metingstaten, waarop de meetbrief is gegrond.

Wanneer een schip wordt overgedragen van een land, waar dit Verdrag van toepassing is, naar enig ander land, waar dit Verdrag van toepassing is, doet de Regering van het eerstbedoelde land op verzoek van de Regering van het laatstbedoelde land aan deze Regering onverwijld een gewaarmerkt afschrift toekomen van de Meetbrief, geldig voor het schip en van de Metingstaten, waarop die meetbrief is gegrond.

Artikel 5

De Internationale Meetbrief wordt opgemaakt in de officiële taal van het land, waardoor hij wordt afgegeven. Indien dit niet de Engelse taal is, wordt de tekst vertaald in het Engels, geheel of gedeeltelijk al naar gelang zulks nodig voorkomt.

Het formulier van de Meetbrief is overeenkomstig het betreffende model, aangegeven in de aanhangsels 1 en 2 van de Bijlage.

Artikel 6

Een Internationale Meetbrief blijft van kracht zolang het schip, waarvoor hij is afgegeven, niet zodanig is veranderd, dat het niet overeenstemt met de bijzonderheden betreffende de inhoud of de omschrijving, vervat in de Meetbrief.

Indien zulk een verandering is aangebracht, wordt, nadat het schip in voldoende mate is hermeten, de Meetbrief dienovereenkomstig gewijzigd of wordt een nieuwe Meetbrief afgegeven, overeenkomstig de beslissing van de bevoegde autoriteit.

Indien een schip, voorzien van een Internationale Meetbrief, is overgedragen van een land, waar dit Verdrag van toepassing is, naar een ander land, waar dit Verdrag van toepassing is, wordt het schip, nadat het in voldoende mate is hermeten, zo spoedig mogelijk voorzien van een nieuwe Internationale Meetbrief, afgegeven door of namens het land, waarnaar het schip is overgedragen.

Artikel 7

Aan Internationale Meetbrieven, afgegeven op gezag van een verdragsluitende Regering, wordt door de andere verdragsluitende Regeringen dezelfde waarde toegekend als aan de Internationale Meetbrieven, door haar afgegeven voor schepen, thuisbehorende in haar onderscheidenlijke landen.

Artikel 8
1.

Een schip, voorzien van een Internationale Meetbrief, is, wanneer het zich bevindt in een haven van een land, waar het niet thuisbehoort, maar waar dit Verdrag van toepassing is, onderworpen aan contrôle met betrekking tot de meting van zeeschepen. Een dergelijke contrôle zal uitsluitend ten doel hebben zekerheid te verkrijgen:

  • (a). dat de netto inhoud, gemerkt op het schip, overeenstemt met de netto inhoud, vermeld op de Meetbrief;
  • (b). dat het schip niet is veranderd als bedoeld in artikel 6 van dit Verdrag.
2.

Slechts ambtenaren, die hiertoe bevoegd zijn, zijn gerechtigd vermelde contrôle uit te oefenen.

3.

In geen geval mag de uitoefening van zodanige contrôle kosten of vertraging voor het schip veroorzaken.

4.

Indien uit de contrôle blijkt, dat de werkelijke toestand op het schip verschilt van die, vermeld in de Meetbrief, wordt aan de Regering van het land, waar het schip thuisbehoort, onverwijld hiervan mededeling gedaan, teneinde tot een oplossing van de kwestie te komen.

Zodra verbetering is aangebracht, wordt de Regering van het land, waar de waarnemingen werden gedaan, hiervan in kennis gesteld.

Artikel 9

Op de rechten uit dit Verdrag kan geen aanspraak worden gemaakt ten behoeve van enig schip, dat niet in het bezit is van een Internationale Meetbrief.

Artikel 10

Indien een schip, thuisbehorend in een land, waar dit Verdrag van toepassing is, is gemeten overeenkomstig de beginselen, omschreven in de Bijlage bij dit Verdrag (algemeen bekend als het Engelse systeem), voordat het Verdrag van kracht is geworden in het betreffende land, geeft de meetbrief, aangevende de inhoud, gebaseerd op een dergelijke meting en afgegeven in het land, waar het schip thuisbehoort, aanspraak op dezelfde rechten als een Internationale Meetbrief.

Indien een schip, na de afgifte van een dergelijke meetbrief, verandering heeft ondergaan, als bedoeld in artikel 6 van dit Verdrag, wordt het schip voorzien van een Internationale Meetbrief, nadat het is hermeten in de mate als nodig wordt geacht.

Artikel 11

De verdragsluitende Regeringen verplichten zich elkaar mededeling te doen van:

    1. de tekst van wetten, besluiten, voorschriften en beschikkingen van algemene toepassing, welke worden uitgevaardigd met betrekking tot de verschillende onderwerpen, vallende binnen het kader van dit Verdrag;
    1. alle beschikbare officiële raporten of officiële samenvattingen van rapporten, voorzover zij het resultaat tonen van de bepalingen van dit Verdrag, mits dergelijke rapporten of samenvattingen van rapporten niet van vertrouwelijke aard zijn.

De Regering van Noorwegen wordt uitgenodigd haar bemiddeling te verlenen voor het verzamelen van deze gegevens en voor mededeling daarvan aan de andere verdragsluitende Regeringen.

Artikel 12
1.

Wijzigingen van dit Verdrag, welke nuttig of noodzakelijk worden geacht, alsmede van de hierbij gevoegde voorschriften, kunnen te allen tijde worden voorgesteld door iedere verdragsluitende Regering aan de Regering van Noorwegen; deze voorstellen worden door laatstgenoemde aan alle andere verdragsluitende Regeringen medegedeeld en, indien een zodanige wijziging wordt aangenomen door alle verdragsluitende Regeringen (inbegrepen de Regeringen, die oorkonden van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd, zonder dat het Verdrag te haren opzichte in werking is getreden), wordt dit Verdrag en/of worden de voorschriften dienovereenkomstig gewijzigd.

2.

Conferenties, beogende zodanige herziening, worden gehouden op zodanige tijden en plaatsen als door de verdragsluitende Regeringen wordt overeengekomen.

Een Conferentie met dit oogmerk wordt bijeengeroepen door de Regering van Noorwegen, telkens wanneer vijf of een/derde — welk aantal het kleinste is — van de verdragsluitende Regeringen haar verlangen daartoe kenbaar maken.

Artikel 13
1.

Een verdragsluitende Regering kan ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging, toetreding of daarna bij schriftelijke kennisgeving van de Regering van Noorwegen haar verlangen kenbaar maken, dat dit Verdrag toepasselijk zal zijn op alle of enkele van haar overzeese gebiedsdelen, koloniën, protectoraten of gebiedsdelen onder suzereiniteit of mandaat; het Verdrag zal toepasselijk zijn op alle gebiedsdelen, genoemd in een zodanige kennisgeving, twee maanden na de datum van de ontvangst daarvan, doch zonder zulk een kennisgeving is dit Verdrag op geen enkel zodanig gebiedsdeel van toepassing.

2.

Een verdragsluitende Regering kan te allen tijde, bij schriftelijke kennisgeving aan de Regering van Noorwegen zijn verlangen kenbaar maken, dat dit Verdrag zal ophouden toepasselijk te zijn op alle of enkele van haar overzeese gebiedsdelen, koloniën, protectoraten of gebiedsdelen onder suzereiniteit of mandaat, waarop dit Verdrag krachtens de bepalingen van het voorafgaande lid toepasselijk zal zijn geweest voor een periode van niet minder dan vijf jaar en in een zodanig geval zal dit Verdrag twaalf maanden na de datum van de ontvangst van zulk een kennisgeving door de Regering van Noorwegen ophouden van toepassing te zijn op alle gebiedsdelen, daarin genoemd.

3.

De Regering van Noorwegen stelt alle andere verdragsluitende Regeringen in kennis van de toepasselijkheid van dit Verdrag op enig overzees gebied, kolonie, protectoraat of gebied onder suzereiniteit of mandaat, krachtens de bepalingen van lid 1 van dit artikel en van de beëindiging van elke toepasselijkheid krachtens lid 2, onder vermelding bij elk geval van de datum, te rekenen waarvan dit Verdrag toepasselijk is geworden of zal ophouden toepasselijk te zijn.

Artikel 14

Dit Verdrag, waarvan de Engelse en Franse teksten beide authentiek zijn, wordt bekrachtigd.

De bekrachtigingsoorkonden worden nedergelegd in de archieven van de Regering van Noorwegen, die alle andere Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, in kennis stelt van alle bekrachtigingen en van de datum van de nederlegging der oorkonden.

Artikel 15

Een Regering (uitgezonderd de Regering van een gebied, waarop Artikel 13 van toepasing is), namens welke dit Verdrag niet is getekend, zal tot dit Verdrag mogen toetreden te allen tijde, nadat het Verdrag in werking is getreden.

Toetredingen geschieden door middel van schriftelijke kennisgeving aan de Regering van Noorwegen en worden van kracht drie maanden na de ontvangst ervan.

De Regering van Noorwegen stelt alle Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend en alle Regeringen, die tot dit Verdrag zijn toegetreden, in kennis van alle toetredingen en van de datum van ontvangst der kennisgeving.

Artikel 16

Dit Verdrag treedt in werking op 1 Juni 1948 tussen de Regeringen, die hun bekrachtigingsoorkonden op die datum hebben nedergelegd, mits tenminste vijf bekrachtigingsoorkonden zijn nedergelegd bij de Regering van Noorwegen. Mochten er op die datum geen vijf bekrachtigingsoorkonden zijn nedergelegd, dan treedt dit Verdrag in werking drie maanden na de datum, waarop de vijfde bekrachtigingsoorkonde is nedergelegd. Bekrachtigingen na de datum, waarop dit Verdrag in werking is getreden, worden van kracht drie maanden na naderlegging der oorkonde.

Artikel 17

Dit Verdrag kan worden opgezegd door elke verdragsluitende Regering op elk tijdstip na het verloop van vijf jaar na de datum, waarop het Verdrag in werking treedt ten aanzien van die Regering. Opzegging geschiedt door schriftelijke kennisgeving aan de Regering van Noorwegen, die alle andere verdragsluitende Regeringen in kennis stelt van alle opzeggingen en van de datum van de ontvangst ervan.

Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na de datum, waarop kennisgeving daarvan is ontvangen door de Regering van Noorwegen.

DEEL I. VOORSCHRIFTEN

HOOFDSTUK I. Administratieve bepalingen

Aanvraag door de eigenaar

Artikel 1

Indien een schip moet worden gemeten of hermeten moet de eigenaar een aanvraag hiertoe inzenden bij de daartoe bevoegde scheepsmetingsautoriteit.

Bij deze aanvraag moeten, zo mogelijk, tekeningen gevoegd zijn.

Indien voor bepaalde ruimten aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van meting in de bruto inhoud, moeten tekeningen worden overgelegd, welke in onderdelen de bijzonderheden aangeven, op grond waarvan zodanige vrijstelling wordt gevraagd.

Meting volgens Regel I of Regel II

Artikel 2

De meting en de hermeting geschieden overeenkomstig Regel I (Inwendige Meting) of Regel II (Uitwendige Meting), waarvan de bijzonderheden zijn gegeven in de Hoofdstukken II tot en met VI van deze Voorschriften.

De toepassing van Regel II wordt beperkt tot gevallen, waarbij de toepassing van Regel I praktisch onuitvoerbaar is — b.v., bij een geladen schip — en is afhankelijk gesteld van de beslissing van de betrokken nationale centrale scheepsmetingsautoriteit.

Het schip moet echter zo spoedig mogelijk overeenkomstig Regel I worden hermeten.

Metingstaten

Artikel 3

Bij het meten zullen de genomen afmetingen, zowel als andere aantekeningen, welke dienen voor het vaststellen van de bruto- en de netto inhoud, als omschreven in Hoofdstuk II, artikel 7, en nader aangegeven in de Hoofdstukken III tot en met VI, worden ingeschreven in de door elke nationale autoriteit te gebruiken metingstaten. Wanneer de meting voltooid is, moeten de metingsmaten behoorlijk ondertekend ter contrôle en goedkeuring opgezonden worden aan een nationale centrale scheepmetingsautoriteit.

Deze nationale centrale scheepsmetingsautoriteit moet bij het uitoefenen van de contrôle in alle gevallen voorzover hij dit nodig oordeelt (behalve wanneer een schip volgens Regel II gemeten is) gebruik maken van de contrôlekrommen in overeenstemming met de bepalingen van Hoofdstuk III, artikel 44. Genoemde autoriteit zal ook, indien nodig, de meting door middel van de contrôlekrommen vervolledigen.

Meetbrieven

Artikel 4

Nadat de meting gecontroleerd en voorzover nodig vervolledigd is, zal de nationale centrale scheepsmetingsautoriteit de meetbrieven doen afgeven, al naar het geval is, volgens Regel I of Regel II.

De meetbrieven moeten geheel overeenkomen met de modellen aangegeven in de Aanhangsels 2 en 3, en de bijzonderheden bevatten, welke daarin zijn vermeld.

Het merken

Artikel 5

De ruimten, genoemd in de artikelen 61 tot en met 63 en 66 tot en met 71, moeten, indien zij ingevolge artikel 7 afgetrokken zijn van de bruto inhoud, behoorlijk gemerkt zijn, waarbij in ieder geval hun juiste bestemming vastgesteld wordt.

De netto inhoud, als omschreven in artikel 7, moet in onuitwisbare merken worden aangegeven op de luikbalk of op de binnenzijde van de luikhoofdplaat van een van de bovenste luikhoofden (bij voorkeur luikhoofd no. 2 gerekend van het voorschip) of, indien zulks onmogelijk is, op een andere geschikte plaats.

HOOFDSTUK II. Bepaling en omschrijving van de inhoud

Eenheden van meting; graad van nauwkeurigheid; omschrijving van lengte en breedte

Artikel 6

Bij het vaststellen van de inhoud van een schip wordt de kubieke inhoud van alle ruimten berekend in kubieke meters of in kubieke Engelse voeten. Indien kubieke Engelse voeten worden gebruikt, worden deze omgerekend in registertonnen van 100 kubieke voeten, overeenkomend met 1/0.353 kubieke meter. Indien Engelse voeten worden gebruikt, moeten deze in decimalen worden verdeeld.

Tenzij anders is bepaald in deze voorschriften:

  • I. moeten de afmetingen genomen worden tot op het naaste twintigste deel van een Engelse voet of tot op de naaste centimeter nauwkeurig;
  • II. moeten de berekeningen worden uitgevoerd tot de volgende graad van nauwkeurigheid:
  • a. De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.
  • b. De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.

Voor de aanvang der meting moeten alle te gebruiken instrumenten zorgvuldig gecontroleerd worden.

In langsrichting genomen afmetingen worden lengten genoemd en in dwarsrichting genomen afmetingen worden breedten genoemd, onafhankelijk van de vorm der gemeten ruimte.

Bruto inhoud en netto inhoud

Artikel 7

De inhoud wordt onderscheiden in bruto inhoud en netto inhoud.

Behoudens de later genoemde uitzonderingen omvat de bruto inhoud de volgende inhouden:

    1. de kubieke inhoud van de ruimte onder het meetdek (onderdeksinhoud);
    1. de kubieke inhoud van elke tussendeksruimte boven het meetdek en onder het bovendek;
    1. de kubieke inhoud van de zich al of niet van boord tot boord uitstrekkende bovenbouw; 1)Een bovenbouw wordt geacht zich van boord tot boord uit te strekken, indien de zijden strokend verlopen met de huid van het schip.
    1. de overmaat der luikhoofden.

De netto inhoud wordt verkregen door de bruto inhoud te verminderen met de aftrekposten zoals aangegeven in deze voorschriften met betrekking tot:

    1. de ruimten voor de kapitein en de bemanning (zie artikelen 61 tot en met 64);
    1. de ruimten voor besturing en behandeling van het schip (zie artikelen 65 tot en met 71);
    1. de ruimten voor werktuigelijke voortstuwing indien het een schip met zodanige voortstuwing betreft (zie artikelen 74 tot en met 81).

HOOFDSTUK III. Meting en berekening van de bruto inhoud volgens Regel I

Artikel 8

De kubieke inhoud van elk der onderdelen, waaruit de bruto inhoud als genoemd in aritkel 7 is samengesteld, wordt vastgesteld door afzonderlijke meting en berekening in overeenstemming met de hierna genoemde bepalingen.

Meetdek en bovendek

Artikel 9

Bij meting van overdekte schepen, moet eerst het meetdek vastgesteld worden.

Het meetdek is het bovendek in schepen met niet meer dan 2 dekken en het tweede dek van beneden afgerekend in schepen met meer dan twee dekken.

Het bovendek is het bovenste doorlopende dek voorzien van permanente middelen tot sluiting van alle openingen in aan weer en wind blootgestelde delen van het dek, mits daaronder geen openingen in de boorden van het schip voorkomen als aangeduid in de bepalingen van artikel 58 II (b).

Doorlopende dekken

Artikel 10

De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.

Luikhoofden, schijnlichten, trapopeningen, schachten, enz. worden niet beschouwd als onderbrekingen van een dek (zie de figuren 1, 2, 3 en 4).

Een dek onder het bovendek wordt nog als doorlopend beschouwd, indien het over een deel van zijn lengte op een enigszins hoger of lager vlak ligt (zie figuur 3).

Artikel 11

Bij meting van de ruimte onder het meetdek wordt de vast te stellen kubieke inhoud begrensd door de onderkant van het meetdek, de bovenkant van de vrangen of van de dubbele bodem en de binnenkant van de spanten, c.q. de wegering, ongeacht balken, stutten, stringers, zaathouten of andere naar binnen uitstekende delen.

Wegering (dichte of open)

Artikel 12

Tenzij in deze voorschriften anders is bepaald, moeten de maten genomen worden tot de binnenkant van de spanten en tot de bovenkant van de vrangen of van de dubbele bodem, waarbij deze maten verminderd moeten worden met de gemiddelde dikte van de dichte wegering, voorzover deze aanwezig is en onmiddellijk tegen de spanten, de vrangen of de dubbele bodem is aangebracht. Indien een open wegering van balken of latten tegen de binnenkant der spanten is aangebracht en de buikdenning op de vrangen of op de dubbele bodem op liggers is aangebracht en niet onmiddellijk op de bovenkant van de vrangen of van de dubbele bodem, zijn de volgende voorschriften van toepassing.

Indien de buikdenning op liggers en niet onmiddellijk op de vrangen of op de dubbele bodem is gelegd, mag de dikte van de liggers niet in mindering worden gebracht bij het meten van de hoogten der dwarsdoorsneden. Indien een open wegering van balken of latten (hout of staal) onmiddellijk tegen de binnenkant der spanten is aangebracht en de afstand tussen de balken of latten niet meer dan 0,305 meter of 1 voet bedraagt, moet de dikte van de open wegering van de gemeten breedten worden afgetrokken tot ten hoogste 0,076 meter of 0,25 voet aan elk boord van het schip. Indien echter de afstand groter is dan 0,305 meter of 1 voet, moeten de breedten genomen worden tot de binnenkant der spanten. In schepen met balkknieën van gewone grootte mag de bovenste afstand, gerekend van de onderkant van de dekbalk 0,305 meter of 1 voet overschrijden, mits de bovenste wegerlat tegen de balkknie aansluit. Zijstringers worden bij het bepalen van de afstand dier latten als wegerlatten beschouwd.

Wanneer de ruimen geïsoleerd zijn (b.v. in koelruimen) en de bekleding is aangebracht binnen de binnenkant der spanten, of boven de bovenkant der vrangen of van de dubbele bodem, mag bij het meten van breedten en hoogten der dwarsdoorsneden een maximum aftrek van 0,08 meter of 0,25 voet genomen worden. Indien echter de dikte der bekleding minder is dan 0,076 meter of 0,25 voet wordt slechts de werkelijke dikte als aftrek toegestaan.

Artikel 13

In het algemeen behoren de metingstaten of de tekeningen aan te geven; de spantdiepten, de dikten van de wegering en van de buikdenning, indien nodig de dikte van de liggers onder de buikdenning en voorts of de afmetingen zijn genomen tot de spanten, tot de bovenkant van de dubbele bodem of van de vrangen, ter plaatse waar geen wegering is aangebracht. Bovendien behoort de nationale centrale scheepsmetingsautoriteit volledig te worden ingelicht wat betreft de hoogte der vrangen of de hoogte van de dubbele bodem in het langsscheepse middenvlak ter plaatse van de middelste dwarsdoorsnede of, indien de ruimte beneden het meetdek in delen gemeten is, ter plaatse van de middelste doorsnede in elk deel.

Artikel 14

De kubieke inhoud van de ruimte onder het meetdek wordt verkregen uit de lengte der ruimte — „meetlengte” — in verband met de oppervlakken van een aantal dwarsdoorsneden op onderling gelijke afstanden, wier aantal volgens artikel 21 van de lengte afhankelijk is.

Het oppervlak van elke doorsnede wordt verkregen uit hare hoogte en een aantal breedten op onderling gelijke afstanden volgens artikel 32 in de hoogte genomen.

Meetlengte

Artikel 15

De meetlengte is de afstand tussen twee punten, waarvan het voorste het punt is, waar de onderkant van het meetdek bij de voorsteven het binnenvlak van de wegering of van de spanten snijdt en het achterste het punt is, waar de onderkant van het meetdek het binnenvlak van de wegering of van de spanten in het langsscheepse middenvlak bij het dek snijdt.1)Indien het meetdek aan de eindpunten van de meetlengte dekrondte heeft bij een schip met een vierkante boeg- of hekvorm of in een rechte lijn van de zijden naar het langsscheepse middenvlak oploopt, moeten deze punten onderscheidenlijk op een derde van de dekrondte of op de helft van de dekschuinte beneden de onderkant van het meetdek in het langsscheepse middenvlak worden genomen.

Bepaling van de eindpunten van de meetlengte

Artikel 16

Bij het bepalen van de eindpunten van de meetlengte overeenkomstig het beginsel neergelegd in artikel 15, behoort men de volgende werkwijze te volgen:

    1. Bij schepen met een vertikale boeg (of voorsteven) en een vertikaal hek zowel onder als boven het meetdek, meet men horizontaal de diepte der spanten en de dikte van de wegering (indien aanwezig) vóór en achter, onmiddellijk onder het meetdek. Deze afmetingen zet men boven op het dek uit van de huidbeplating af in de richting, waarin de spanten zijn gemeten, en trekt door de aldus verkregen punten lijnen evenwijdig met de huid. De snijpunten van deze lijnen vóór en achter zijn de eindpunten van de meetlengte (zie de figuren 5 en 6).
    1. Bij schepen, die geen vertikale boeg (of voorsteven) of geen vertikaal hek ter hoogte van het meetdek hebben, worden de eindpunten van de meetlengte, indien zulks practisch mogelijk is, bepaald aan de onderzijde van het meetdek. De afstand van deze punten tot een luikhoofd, schot, enz., dient gemeten en naar de bovenzijde van het dek overgebracht te worden op de wijze als in figuur 7 is aangegeven. Wanneer het practisch niet uitvoerbaar blijkt, de eindpunten der meetlengte aan de onderkant van het meetdek te bepalen en wanneer de dikte van dit dek aanmerkelijk is (b.v. bij een houten dek) moet de valling van de boeg (of van de voorsteven) of van het hek over de dikte van het dek in rekening worden gebracht. Dit wordt gedaan, nadat eerst is gehandeld als is aangegeven in lid 1 en verduidelijkt is in de figuren 5 en 6, door meting van de dikte van het meetdek en door het bepalen van de hoek, die de boeg (of voorsteven) of het hek maakt met het meetdek door middel van een zweihaak. Hierna brenge men deze hoek over op een vlak (b.v. een schot of op het dek) door de lijnen a, b, c te trekken (zie figuur 8), en verder handele men, zoals de verklarende noot aangeeft. Men moet bedenken, dat toepassing van de methode van uitzetten der hoeken aan de bovenzijde van het meetdek slechts mogelijk is, wanneer de voorsteven en het hek boven en onmiddellijk onder het meetdek dezelfde vallingshoek hebben. Indien b.v. de vallingshoeken op- en onmiddellijk onder het meetdek ongelijk zijn, moet de laatstgenoemde hoek gebruikt worden.
    1. Heeft een schip als bedoeld in lid 2 een vierkante boeg- of hekvorm, dan zal het nodig zijn een correctie voor dekrondte toe te passen, waar deze aanwezig is. Dit dient gedaan te worden door de dikte van het dek in figuur 8 te vermeerderen met een derde van de dekrondte aan het einde van de meetlengte.1)Zie ook noot bij artikel 15.

Dekrondte

Artikel 17

De dekrondte verkrijgt men door dwarsscheeps van boord tot boord op de verlangde punten in de meetlengte een lijn te spannen, zodat de lijn aan beide zijden van het schip op dezelfde hoogte boven het dek is. De afstand van de lijn tot het dek in de zijden, verminderd met de afstand van de lijn tot het dek in het langsscheepse middenvlak is de gezochte dekrondte (zie figuur 9).

Onderbreking van het meetdek

Artikel 18

Indien het meetdek over een deel van zijn lengte (zie figuur 10) in de zin van artikel 10, 3de lid, wordt onderbroken, moet de meetlengte worden gemeten langs een denkbeeldige lijn in het verlengde van het werkelijke dek.

In het geval als aangegeven in figuur 10 kan het aanbeveling verdienen de eindpunten van de meetlengte naar de bovenkant van de bovenbouw over te brengen en de lengte hierover heen te meten. Waar de afstand van de onderzijde van het dek, dat de bovenbouw overdekt, tot de lijn in het verlengde van het dek, gelijk is aan de hoogte van de bovenbouw, worden de eindpunten van de meetlengte gevonden door deze hoogte omlaag uit te zetten. Daarbij is het natuurlijk nodig rekening te houden met de spanten, de wegering en de dekrondte, voor zover deze aanwezig zijn.

Meting van de meetlengte

Artikel 19

Wanneer het, zoals meestal het geval is, onmogelijk is de meetlengte rechtstreeks tussen de eindpunten te meten, nadat deze punten bepaald en op het meetdek aangetekend zijn, dienen de voorste en achterste delen van de lengte van de eindpunten af tot een schot, luikhoofd, enz., zoals het beste uitkomt, gemeten te worden.

Bij schepen met een normale zeeg wordt het overblijvende deel van de lengte gemeten door een meetlint op het meetdek te leggen, of door middel van een lijn welke zo strak mogelijk van voor tot achter wordt gespannen. Deze lengte wordt gemeten tussen de schotten, luikhoofden, enz., tot waartoe de voorste en achterste delen van de lengte zijn gemeten. Het meetlint wordt gelegd of de lijn wordt gespannen vrij van alle beletselen, en evenwijdig met het langsscheeps middenvlak, op of boven het meetdek of de lijn in het verlengde van dit dek. Wanneer een lijn gebruikt wordt (hetgeen altijd gedaan moet worden als er veel zeeg is), moet deze van voor tot achter gespannen worden. De lengte van de lijn wordt gemeten door middel van meetlatten of een meetlint. De meetlengte verkrijgt men door bij de lengte van het voorste deel de lengte van het deel dat gemeten is met het meetlint of op de lijn, en de lengte van het achterste deel te voegen.

Bepaling van de middelste dwarsdoorsnede

Artikel 20

Nadat de meetlengte is vastgesteld, moet de plaats van de middelste dwarsdoorsnede bepaald worden. Dit geschiedt door de halve meetlengte van het achterste punt der lengte af naar voren of van het voorste punt af naar achteren uit te zetten, op dezelfde manier als in artikel 19 is aangegeven. Het midden van de lengte wordt op de lijn en op het dek aangetekend en de afstand van dit midden tot een schot, luikhoofd, enz. bepaald. Men controleert een en ander nu door op dezelfde manier van het middenpunt af de tweede helft der lengte te meten. Indien het eind van de halve lengte samenvalt met het eindpunt van de meetlengte, is de lengte zuiver gemeten en de plaats van de middelste dwarsdoorsnede goed aangetekend. Indien de twee punten niet samenvallen, moet de meetlengte hermeten worden.

Een andere methode is de plaatsen van de verschillende dwarsdoorsneden, als aangegeven in artikel 21, te bepalen door op het dek de afstanden der deelpunten van elk eindpunt der meetlengte af uit te zetten. De plaats van de middelste dwarsdoorsnede wordt gevonden, waar de plaatsen van de aldus bepaalde doorsneden midscheeps samenvallen.

Dwarsdoorsneden

Artikel 21

De meetlengte moet verdeeld worden in een aantal gelijke delen, als aangegeven in de volgende tabel:

Aantal delen
15,24 meter = 50 voet, of minder.......................... 4
meer dan 15,24 meter = 50 voet, doch niet meer dan 36,58 meter = 120 voet.......... 6
meer dan 36,58 meter = 120 voet, doch niet meer dan 54,86 meter = 180 voet......... 8
meer dan 54,86 meter = 180 voet, doch niet meer dan 68,58 meter = 225 voet......... 10
meer dan 68,58 meter = 225 voet......................................................................... 12

De afstand tussen de doorsneden wordt verkregen door de meetlengte te delen door de aldus bepaalde deler.

Nu worden vertikale doorsneden gemaakt op de deelpunten en op de eindpunten van de meetlengte, welke doorsneden rechthoekig op het langsscheepse middenvlak van het schip liggen. Zij worden genummerd 1, 2, 3, enz., waarbij no. 1 de doorsnede op het voorste en het hoogste nummer de doorsnede op het achterste punt van de meetlengte is.

Artikel 22

De plaats van de middelste dwarsdoorsnede, als aangetekend op het meetdek, moet nu loodrecht op de kiellijn van het schip naar het ruim (machinekamer, bunkers en dergelijke) overgebracht worden, door gebruik te maken van de afstand tot een schot, een luikhoofd, en dergelijke, gemeten als aangegeven in artikel 20.

Door de afstand tussen de deelpunten naar voren en naar achteren, van de middelste doorsnede af, zoals deze in het ruim bepaald is, uit te zetten, worden de plaatsen van de andere doorsneden bepaald en aangetekend op de buikdenning, de tunnel, het zaathout of een ander geschikt onderdeel. De afstand der deelpunten wordt evenwijdig aan de kiellijn in het langsscheepse middenvlak of hieraan evenwijdig uitgezet. De juistheid van de plaatsen der verschillende dwarsdoorsneden wordt gecontroleerd door het meten van afstanden tot schotten, luikhoofden en dergelijke, en door vergelijking van deze afstanden op het meetdek.

Indien het niet mogelijk is een dwarsdoorsnede nauwkeurig op haar plaats te meten, moet zij zo dicht bij deze plaats, als mogelijk is, worden gemeten. 1)Het kan zelfs raadzaam zijn om twee hulpdwarsdoorsneden te meten, onderscheidenlijk vóór en achter de juiste plaats gelegen (zie artikel 44). Zeer nauwkeurig dient bepaald te worden, hoe ver voor of achter de juiste plaats de doorsnede gemeten is en volledige bijzonderheden hieromtrent moeten zo nodig in de metingstaat worden vermeld.

In schepen met werktuiglijke voortstuwing dient de afstand van het machinekamerschot tot de juiste plaats van de dichtst bij zijnde doorsnede vastgesteld te worden, zowel wat het voorste als wat het achterste schot betreft. De afstanden moeten op de metingstaten worden vermeld.

Artikel 23

Vóór de aanvang van de meting van de dwarsdoorsneden is het nodig op de plaatsen, waar deze doorsneden gemeten moeten worden, te onderzoeken of het vlak, tot waar de meetholten worden bepaald, hetzij de top van de normale vrangen, van de langsspanten, van de dubbele bodem of van de buikdenning in een houten schip dwarsscheeps horizontaal is, dan wel van het langsscheepse middenvlak naar de zijden op- of afloopt. 1)Te dien einde spant men een lijn dwars over de bodem op gelijke hoogte in de zijden. Het verschil tussen de hoogte van de lijn boven de bodem in het langsscheepse middenvlak en haar hoogte boven de bodem in de zijden is de tilling of het afschot van de bodem.

Artikel 24

Ten einde de meetholten te bepalen, moet de dekrondte voor elke dwarsdoorsnede worden vastgesteld volgens hetgeen in artikel 17 is voorgeschreven en zoals in figuur 9 is aangeduid.

Omschrijving van de meetholte

Artikel 25

De meetholte van een dwarsdoorsnede is de afstand van de onderkant van het meetdek tot de bovenkant van de hoofdvrangen of van de dubbele bodem, als bepaald in artikel 26, verminderd met de dikte van de buikdenning, indien deze is aangebracht en met een derde van de dekrondte. Zo nodig wordt deze hoogte, ingeval de bovenzijde van de dubbele bodem niet horizontaal is, nog gewijzigd als is aangegeven in artikel 28. 2)Wanneer de dekbalken van het meetdek in een rechte lijn van de zijden naar het langscheepse middenvlak oplopen, zal de correctie voor de tilling van het dek, de helft zijn in plaats van een derde van deze tilling. Deze tilling wordt op de zelfde wijze vastgesteld en in rekening gebracht als in de artikelen 24, 25, 30 en 43 voor de dekrondte is aangegeven.

Wanneer een dwarsdoorsnede op een plaats valt, waar het dek onderbroken is, is de holte de afstand van de lijn in het verlengde van het meetdek tot de bovenkant van de vrang of van de dubbele bodem, verminderd en gewijzigd als boven is aangegeven.

Hoofdvrangen en bovenkant dubbele bodem

Artikel 26

Bij het vaststellen, wat hoofdvrangen van het schip zijn of wat de bovenkant van de dubbele bodem is, als bedoeld in artikel 25, moeten de hieronder gegeven aanwijzingen gevolgd worden:

  • a. Ten aanzien van het deel van het schip, dat gelegen is tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot: Schepen met enkele bodem Schepen met dubbele bodem
    1. De bouw van de bodem met dichte dwarsscheepse vrangen op elk spant, wordt beschouwd als een normale constructie en wanneer deze vrangen zijn aangebracht, moeten zij als de hoofdvrangen aangemerkt worden (zie figuur 11).
    1. Indien de bodem is gebouwd met dichte vrangen op een onderlinge afstand van twee of meer spantafstanden en met open vrangen van dezelfde hoogte op de tussenliggende spanten vormen deze vrangen de hoofdvrangen (zie de figuren 12 en 13).
    1. Indien de bodem is gebouwd met dichte vrangen om het andere spant geplaatst en tussenliggende lage vrangen of spanten, moet de meetholte gemeten worden op de hoge vrangen (zie figuur 14).
    1. Indien de bodem is gebouwd met vrangen van verschillende hoogte, moet worden vastgesteld of de hogere, dan wel de lagere vrangen als de hoofdvrangen moeten worden beschouwd. Als een algemene regel geldt, dat de lage vrangen worden aangemerkt als de hoofdvrangen, indien de hoge vrangen meer dan twee spantafstanden uit elkaar geplaatst zijn (zie figuur 15).
    1. Indien in de bodem langsspanten van gelijke hoogte zijn toegepast, moet de bovenkant van de langsspanten aangemerkt worden als de bovenkant van de hoofdvrangen (zie figuur 16).
    1. Indien bij de bouw met langsspanten, langsspanten van verschillende hoogte zijn toegepast, geldt hetzelfde als onder 3 en 4 (zie de figuren 17 en 18).
    1. Gemengde constructies van dwars- en langsspanten moeten bij het bepalen van de hoofdvrangen vergeleken worden met de onderscheidene constructies als genoemd in de voorgaande leden.
    1. Indien een dubbele bodem is aangebracht, hetzij met dwarsspanten, of met langsspanten, welke uitsluitend is ingericht voor het vervoer van waterballast, moet de meetholte gemeten worden tot de bovenkant van de dubbele bodem, maar indien hij geschikt is voor het vervoer van lading, voorraden of brandstof, moet de meetholte gemeten worden tot de bovenkant van de hoofdvrangen als bepaald onder 1 tot en met 7 voor schepen met enkele bodem (zie de figuren 19, 20, 21 en 22). In het geval dat de bovenkant van de hoofdvrangen aansluit tegen de bovenbeplating van de dubbele bodem, mag de bovenkant van deze beplating aangemerkt worden als de bovenkant van de hoofdvrangen.
    1. De dikte van een buikdenning, als bedoeld in artikel 25, wordt afgetrokken, zelfs indien zulk een buikdenning gelegd is op een dubbele bodem of op vrangen, tot welke de meetholte overeenkomstig bovengenoemde bepalingen niet wordt gemeten.
  • b. Ten aanzien van de delen van het schip vóór het aanvaringsschot en achter het achterpiekschot gelegen:
    1. Indien de vrangen gelijk in hoogte zijn met of lager dan de vrangen of de dubbele bodem, welke onmiddellijk aan het aanvaringsschot c.q. het achterpiekschot grenzen, vormen deze vrangen de hoofdvrangen (zie figuur 23).
    1. Indien de vragen hoger zijn dan de vrangen of de dubbele bodem, welke onmiddellijk grenzen aan het aanvaringsschot c.q. het achterpiekschot, moet de meethoogte gemeten worden tot een denkbeeldige lijn, die evenwijdig aan de kiellijn is getrokken op een hoogte overeenkomend met de hoogte van eerstgenoemde vrangen of van de dubbele bodem (zie de figuren 24 1)Piektanks worden niet beschouwd als dubbele bodemtanks, zelfs al lopen de vrangen tot de tanktopbeplating door.en 25).

Meting van meetholten

Artikel 27

De meetholten worden gemeten door middel van latten op of nabij het langsscheeps middenvlak in de dwarsdoorsnede geplaatst op de plaatsen, als in artikel 22 is bepaald. De holten worden gemeten tot de bovenkant van de vrangen of van de dubbele bodem en verminderd met de dikte der buikdenning, indien deze is aangebracht (zie figuur 26).

Bij houten schepen worden de holten tot de bovenkant van de buikdenning gemeten, mits deze buikdenning onmiddellijk op de vrangen is aangebracht (zie de figuren 27 en 28).

De uitstekende delen van zijzaathouten of andere uitstekende constructiedelen worden niet als buikdenning aangemerkt.

Correcties op de gemeten holten

Artikel 28
1.

Voor schepen met een dubbele bodem, waarbij de lijn van de bovenkant van de dubbele bodem ter plaatse van een dwarsdoorsnede van het langsscheepse middenvlak naar de zijden afloopt, wordt de in het langsscheepse middenvlak gemeten holte vermeerderd met de helft van het afschot, indien de lijn recht is en met een derde, indien zij een bolle kromme vormt (zie figuur 29).

2.

Voor schepen met een dubbele bodem waarbij de lijn van de bovenkant van de dubbele bodem ter plaatse van een dwarsdoorsnede van het langsscheepse middenvlak naar de zijden oploopt, wordt de in het langsscheepse middenvlak gemeten holte verminderd met de helft van de tilling, wanneer de lijn recht is, en met een derde wanneer zij een holle kromme vormt (zie figuur 30).

3.

Voor schepen met een enkele bodem, waarbij de bovenkant der vrangen van het langsscheepse middenvlak naar de zijden op- of afloopt, zijn de correcties omschreven in de leden 1 en 2 niet van toepassing.

Ruimten welke bij de onderdeksinhoud worden gevoegd of daarvan worden afgetrokken

Artikel 29
1.

Indien zich in de dubbele bodem of in het bovenvlak van gewone vrangen een of meer verzonken of verhoogde gedeelten bevinden, welke zich niet van boord tot boord uitstrekken, worden deze inzinkingen of verhogingen afzonderlijk gemeten en wordt haar inhoud onderscheidenlijk gevoegd bij- of afgetrokken van de onderdeksinhoud, mits in het laatste geval de verhoging één geheel met de bodemconstructie van het schip vormt. De holte van de dwarsdoorsnede wordt gemeten tot de doorgestrookte bovenkant van de dubbele bodem of van de vrangen (zie de figuren 31 en 32).

2.

Indien de buikdenning uitsluitend onder de luikhoofden aanwezig is, behoort deze buikdenning afzonderlijk gemeten en haar inhoud van de onderdeksinhoud te worden afgetrokken. Echter heeft geen aftrek plaats voor de dikte van de buikdenning bij het bepalen van de meetholten van de verschillende dwarsdoorsneden ter plaatse van een luikhoofd (zie figuur 33).

3.

Indien er uitbouwsels, zoals schroefasbroeken aan de zijden van het schip aanwezig zijn, moeten de breedten, welke ter plaatse van deze uitbouwsels vallen tot de normale spantlijn worden gemeten. De kubieke inhoud van de uitbouwsels moet worden bepaald en bij de onderdeksinhoud worden gevoegd.

4.

Indien bij schepen met een kruiserhek het deel achter het eindpunt van de meetlengte van belang is, wordt de inhoud van deze ruimte bepaald en bij de onderdeksinhoud gevoegd (zie figuur 34).

Artikel 30

Indien een dwarsdoorsnede ter plaatse van een dekopening (b.v. luikhoofd, machineschacht, enz.) valt:

    1. kan de holte worden genomen bij de zijhoofdplaat en deze moet dan worden vermeerderd met het deel van de dekrondte gemeten over de breedte van de opening;
    1. of kan de holte in de zijde van het schip worden bepaald en moet dan worden vermeerderd met de gehele dekrondte (zie figuur 35). Voor deze dekrondte wordt het gemiddelde genomen van de dekrondten der eindhoofden van de opening.

Nadat bovenbedoelde holte gemeten is, wordt de meetholte van de dwarsdoorsnede bepaald door toepassing van de in artikel 25 genoemde voorschriften.

Artikel 31

Indien het meetdek onderbroken wordt, en het dek naar een hoger of lager vlak verspringt, moeten de holten van de dwarsdoorsneden ter plaatse van het verhoogde of verzonken dek tot de onderzijde van dit dek worden gemeten. De aldus verkregen holten behoren daarna met de hoogte van de sprong te worden verminderd of vermeerderd (zie figuur 36).

Indien zich onder het meetdek een inspringend deel bevindt, dat naar buitenboord geheel open is en daardoor niet in de bruto inhoud kan worden begrepen (b.v. de bun van een walvisvaarder) moet zulk een deel afzonderlijk berekend en van de onderdeksinhoud afgetrokken worden.

Aantal breedten

Artikel 32

De meetholte van elke dwarsdoorsnede wordt verdeeld in:

  • a. vier gelijke delen, indien de meetholte in het midden van de meetlengte niet groter is dan 4,88 meter of 16 voet;
  • b. zes gelijke delen, indien de meetholte in het midden van de meetlengte groter is dan 4,88 meter of 16 voet.
Artikel 33

Wanneer de meetholte is vastgesteld, wordt de afstand tussen de breedten bepaald door deling van de holte door de in artikel 32 aangegeven deler. De deelpunten worden nu op één der meetstokken uitgezet, bij het laagste punt beginnende, door van dit punt af de afstanden uit te zetten. Bij het aftekenen van het laagste deelpunt moet men zorgen, dat dit punt op de juiste hoogte boven het laagste punt van de meetholte is gelegen. 1)Bij een schip met een dubbele bodem, waarvan de bovenkant dwarsscheeps horizontaal is en de buikdenning op liggers is aangebracht, moet de meetstok op de buikdenning worden geplaatst. Het onderste deelpunt wordt nu gevonden door de afstand der deelpunten, verminderd met de hoogte der liggers, uit te zetten.

Meting van breedten

Artikel 34

De breedten van elke dwarsdoorsnede worden van boven naar beneden genummerd, waarbij de bovenste breedte (ter hoogte van het bovenste eindpunt van de meetholte) no. 1 wordt en de onderste breedte no. 5 of no. 7 naar gelang van de grootte der meetholte.

De breedten worden loodrecht op het langsscheepse middenvlak gemeten op de deelpunten en de eindpunten van de meetholte van weger tot weger, indien deze aanwezig is en zo deze er niet is, tussen de binnenkanten der spanten. De dikte van de wegering wordt eveneens gemeten. De uitstekende delen van stringers, balken of andere uitstekende verbanddelen worden niet als wegering beschouwd (zie figuren 37 en 38).

Indien een lattenwegering in stalen schepen niet onmiddellijk tegen de spanten is aangebracht, is het raadzaam tot de spanten te meten en van de aldus verkregen breedte de dikte van de wegering, horizontaal gemeten, af te trekken.

Indien zich op de plaats, waar een breedte wordt bepaald, geen spant bevindt, wordt deze breedte tot de huid genomen en de horizontale breedte van het dichtsbij zijnde spant aan elke zijde hiervan afgetrokken.

Indien het onmogelijk is een breedte op haar juiste plaats te meten, behoort zij zo dicht daarbij te worden gemeten als mogelijk is. Zeer nauwkeurig moet worden vastgesteld hoe ver boven of onder de juiste plaats de breedte wordt gemeten, en indien nodig, dienen volledige bijzonderheden hieromtrent in de metingstaten te worden vermeld.

Bij meting van de bovenste en onderste breedten, moet rekening worden gehouden met de voorschriften van artikel 37 en 38.

Spanten van verschillende diepte

Artikel 35

Bij schepen met spanten van verschillende diepte (zie figuren 39 en 40) worden de breedten genomen tot de lichte spanten, indien de zware spanten verder dan twee spantafstanden van elkaar geplaatst zijn. Waar een wegering aanwezig is, wordt haar dikte afgetrokken van de aldus verkregen breedte, dan wel worden de breedten gemeten van weger tot weger, als aangegeven in artikel 34.

Bovenvermelde voorschriften zijn niet van toepassing op schepen met langsspanten welker diepte van beneden naar boven onder het meetdek afneemt (zie figuur 41). In zulke gevallen moeten de voorschriften van het vierde lid van artikel 34 worden toegepast. Indien echter een wegering aanwezig is, wordt haar dikte afgetrokken.

Artikel 36

Op schepen met gegolfde zijden, worden de breedten gemeten tot een aangenomen spantlijn (zie figuur 42), teneinde het juiste oppervlak van de dwarsdoorsneden met inbegrip van de golvingen te verkrijgen. Indien een wegering is aangebracht, wordt haar dikte van de aldus verkregen breedten afgetrokken.

Bovenste breedte

Artikel 37

De bovenste breedte, gelegen ter hoogte van het bovenste eindpunt van de meetholte, moet onmiddellijk onder het meetdek gemeten worden. Indien deze breedte moeilijk onder dek gemeten kan worden, mag deze afmeting ook boven het dek genomen worden, maar in dat geval moet nagegaan worden of de spantdiepte onder en boven het dek gelijk is en de zijden van het schip ter hoogte van het dek vertikaal zijn. Wanneer de spantdiepte boven het dek verschilt van die onder het dek, moet de gemeten breedte worden gecorrigeerd als aangegeven in figuur 43. Indien het boord naar binnen of naar buiten uitwijkt, moet de gemeten breedte gecorrigeerd worden, als figuur 44 aangeeft.

Onderste breedte

Artikel 38

De onderste breedte ter hoogte van het laagste eindpunt van de meetholte moet op de bovenkant van de vrangen of van de buikdenning, indien deze is aangebracht, c.q. van de dubbele bodem gemeten worden, in overeenstemming met de volgende voorschriften:

    1. In schepen met een dubbele bodem, waarvan de bovenkant horizontaal is dan wel van het langsscheepse middenvlak naar de zijden op- of afloopt wordt de breedte gemeten tussen de kniklijnen van. de kantplaten (zie de figuren 45, 46, 47 en 48). Indien echter de bovenkant van de kimknieën, welke de dubbele bodem met de spanten verbinden in het verlengde van de bovenkant van de dubbele bodem ligt (zie figuur 49), wordt de breedte tot de binnenkant van de spanten, c.q. van de wegering, gemeten. Deze methode moet ook worden toegepast, indien de bovenkant van de dubbele bodem doorloopt tot de zijden van het schip en de knieeën op meer dan twee spantafstanden van elkaar zijn geplaatst (zie figuur 50): indien echter de knieën dichter bij elkaar geplaatst zijn, moet de breedte gemeten worden tot de snijpunten van de knieën met de bovenkant van de dubbele bodem (zie figuur 51).
    1. Bij schepen met een enkele bodem moet de onderste breedte worden genomen tussen de punten tot waar de bovenkant van de vrangen, c.q. van de buikdenning, horizontaal is (zie de figuren 52, 53, 54, 55 en 56.

Oppervlak der dwarsdoorsneden

Artikel 39

De oppervlakten der dwarsdoorsneden worden berekend door toepassing van de regel van Simpson. Derhalve wordt het oppervlak van een dwarsdoorsnede als volgt verkregen:

  • a. Indien vijf breedten zijn genomen, vermenigvuldigt men:
  • breedten nos. 1 en 5 met 1;
  • breedten nos. 2 en 4 met 4;
  • breedte no. 3 met 2.
  • b. Indien zeven breedten zijn genomen, vermenigvuldigt men:
  • breedten nos. 1 en 7 met 1;
  • breedten nos. 2, 4 en 6 met 4;
  • breedten nos. 3 en 5 met 2.

De som van de aldus verkregen producten wordt vermenigvuldigd met een derde van de afstand tussen de breedten. Dit laatste product is het oppervlak van de doorsnede.

Artikel 40

Indien het niet mogelijk is een doorsnede op haar juiste plaats te meten, zoals in artikel 22 is bepaald, kan het oppervlak van de juiste doorsnede worden bepaald door gebruik te maken van de contrôlekrommen, zoals in artikel 44 is aangegeven.

Kubieke inhoud van de ruimte onder het meetdek

Artikel 41

Nadat het oppervlak van elke dwarsdoorsnede op haar juiste plaats is bepaald, wordt de kubieke inhoud van de ruimte onder het meetdek als volgt verkregen:

  • de oppervlakten van de eerste en laatste dwarsdoorsneden worden vermenigvuldigd met 1;
  • de oppervlakten van de dwarsdoorsneden met even nummers worden vermenigvuldigd met 4;
  • de oppervlakten van de dwarsdoorsneden met oneven nummers worden met uitzondering van de eerste en laatste vermenigvuldigd met 2;

De som van deze producten wordt vermenigvuldigd met een derde van de afstand tussen de dwarsdoorsneden. Dit laatste product is de kubieke inhoud van de ruimte onder het meetdek in kubieke meters of kubieke voeten. De onderdeksinhoud in registertonnen verkrijgt men door het aantal kubieke voeten door 100 te delen. Indien kubieke meters worden gebezigd, moeten deze door vermenigvuldiging met 0.353 in registertonnen worden omgerekend.

Nadat de kubieke inhoud van de ruimte onder het meetdek is berekend, moeten de kubieke inhouden van de ruimten, als bedoeld in artikel 29 of 31, lid 2, daar bijgevoegd, c.q. daarvan worden afgetrokken en het overblijvende geeft dan de onderdeksinhoud van het schip.

Onderbreking in de dubbele bodem

Artikel 42

Indien de bovenkant van de dubbele bodem op een of meer plaatsen verspringt, wordt de ruimte onder het meetdek in delen gemeten. Elk deel wordt gemeten, alsof het een afzonderlijk schip ware, met een meetlengte gelijk aan de lengte van het deel. Derhalve moet de lengte van elk deel worden verdeeld, als vastgesteld in artikel 21, behoudens dat, indien de lengte niet meer dan 9.14 meter of 30 voet bedraagt, zij slechts in twee delen verdeeld wordt.

Volgens dit artikel wordt de bovenkant van de dubbele bodem geacht te verspringen:

  • a. waar een plotselinge verandering in hoogte van de dubbele bodem voorkomt,
  • b. waar de bovenkant van de dubbele bodem in een lager vlak begint te verlopen en
  • c. waar, aan het einde van een gedeeltelijke dubbele bodem, de aangrenzende vrangen een hoogte hebben, die verschilt met die van de dubbele bodem.

Deze laatste bepaling geldt niet ten aanzien van vrangen in pieken, indien deze hoger zijn dan het aangrenzende deel van de dubbele bodem (zie figuren 57, 58 en 59).

Aan de einden en op de deelpunten van elk deel worden dwarsdoorsneden gemeten. De meetholte in het midden van de meetlengte van het schip is maatgevend voor de vaststelling van het aantal gelijke delen, 4 dan wel 6, waarin de andere meetholten volgens artikel 32 worden verdeeld.

Het oppervlak van elke dwarsdoorsnede en de kubieke inhoud van elk deel van de ruimte onder het meetdek worden berekend volgens de voorschriften, als vastgesteld in de artikelen 39, 40 en 41. De som van de verschillende delen vormt de onderdeksinhoud van het schip.

Behoudens het bepaalde onder c in het tweede lid is de in dit artikel voorgeschreven werkwijze niet van toepassing, waar een verandering in de hoogte der vrangen voorkomt in een schip met een enkele bodem of met een gedeeltelijke dubbele bodem (zie figuur 60).

Artikel 43

In schepen met een dek onder het meetdek moeten de dwarsdoorsneden gedeeltelijk boven en gedeeltelijk onder het lager gelegen dek gemeten worden. Dit wordt op de volgende wijze uitgevoerd.

De plaatsen van de dwarsdoorsneden worden op het lagere dek aangetekend, daar wordt de afstand van de bovenkant van het lagere dek tot de onderkant van het meetdek in het langsscheepse middenvlak op elke doorsnede gemeten en de dikte van het lagere dek bepaald.

De plaatsen van de dwarsdoorsneden worden vervolgens onder het lagere dek aangetekend en de hoogten van onderkant tussendek gemeten. De som van de hoogte in het onderruim, de dikte van het lagere dek en de hoogte tussen het meetdek en het lagere dek, geeft na het aanbrengen van de nodige correcties (zie artikel 25) de totale meetholte. Deze holte wordt op de gewone wijze verdeeld, ten einde de deelpunten te verkrijgen waarop de breedten bepaald worden.

Contrôle krommen

Artikel 44

De aan boord genomen afmetingen moeten door middel van contrôle krommen worden gecontroleerd, welke bij voorbeeld kunnen worden gemaakt zoals hieronder is aangegeven (zie figuur 61).

    1. De meetlengte wordt op een horizontale lijn AB op schaal uitgezet. De deelpunten van deze lengte worden aangetekend en van voor naar achter genummerd. In elk deelpunt wordt een loodlijn opgericht, waarop de meethoogte van de betreffende dwarsdoorsnede op schaal wordt uitgezet. De bovenste punten van deze holten worden nu door middel van een mal of strooklat door een kromme lijn verbonden. De aldus verkregen kromme cd is bij benadering gelijk aan de zeeglijn van het dek, indien de bovenkant van de dubbele bodem of van de normale vrangen in langsrichting horizontaal is. Indien deze kromme lijn strokend verloopt, kan men aannemen, dat de verschillende meetholten juist zijn. De deelpunten van elke holte moeten worden uitgezet langs elk der loodlijnen op AB, waarop de holten aangetekend zijn. Horizontale lijnen moeten door de deelpunten getrokken worden en hierop moeten de halve breedten, gemeten op het desbetreffende deelpunt, op de aangenomen schaal worden uitgezet. Indien de metingen nauwkeurig verricht zijn, zullen de eindpunten van de halve breedten op een strokende lijn liggen; indien dit niet het geval is, tonen de onregelmatigheden van de kromme onzuiverheden van de metingen aan.
  • 2.
  • a. Waar de onderste punten van de meetholten der verschillende dwarsdoorsneden op een rechte lijn of op een regelmatig strokende kromme zijn gelegen, moeten langsscheepse krommen van de breedten met het zelfde nummer op de volgende wijze getekend worden. Beginnende bij de basislijn worden de halve breedten van de verschillende dwarsdoorsneden op vertikale lijnen, overeenkomend met deze dwarsdoorsneden, uitgezet. Indien het mogelijk is de punten behorende bij de breedten met hetzelfde nummer door strokende lijnen te verbinden, is de nauwkeurigheid van de metingen verzekerd.
  • b. Waar de onderste punten van de meetholten van de verschillende dwarsdoorsneden op een gebroken lijn zijn gelegen, worden langsscheepse krommen in horizontale doorsneden (waterlijnen) gelegen op de volgende wijze getekend. Men neemt een zeker aantal horizontale vlakken op gelijke afstand van elkaar (b.v. zeven, van I tot VII genummerd) en evenwijdig aan de lijn AB. Om verwarring met de breedten der dwarsdoorsneden te voorkomen, zijn deze doorsneden in het voorbeeld (figuur 61) slechts in het voorste en achterste deel getekend. Elke aldus bepaalde horizontale doorsnede snijdt de dwarsdoorsneden in punten, welke gemakkelijk kunnen worden gevonden. Voor de halve doorsneden 3 en 7 zijn de snijpunten onderscheidenlijk h, i, j , k, l, m en n, en h', i', j ' , k', l', m' en n'. Vervolgens worden de afstanden hg, ig, jg enz. tot en met ng, h'g', i'g', j'g' enz. tot en met n'g' bepaald, d.w.z. de onderscheidene afstanden van elk der punten h, i, j enz. tot en met n, en h', i', j ' enz. tot en met n' tot de hartlijnen der doorsneden 3 en 7. Deze afstanden moeten in een horizontaal vlak worden uitgezet beginnende van een basislijn xy evenwijdig aan AB, langs loodlijnen ter plaatse van de verschillende dwarsdoorsneden op de basislijn opgericht. De eindpunten van de uitgezette afstanden h, i, j , k, l, m en n, en h', i', j ', k', l', m' en n' zijn zodoende bepaald. Hetzelfde moet bij de andere doorsneden worden gedaan. Door de bij elkaar behorende punten h, i, j enz. tot en met n en h', i', j ' enz. tot en met n' te verbinden, worden de krommen, welke de horizontale doorsneden I, II, II enz. tot en met VII voorstellen, verkregen. Indien de meting zuiver is, zullen de krommen stroken.
    1. Op de vertikale lijnen, in de deelpunten van de lengte opgericht, moeten afstanden op schaal worden uitgezet, welke in een bepaalde verhouding, staan tot de oppervlakken der doorsneden. Indien de kromme door de eindpunten van deze afstanden een strokende lijn vormt, heeft men een aanwijzing, dat de doorsneden juist gemeten en berekend zijn. Fouten treden aan het licht door corresponderende onregelmatigheden in het verloop van deze kromme.
    1. De contrôle krommen verschaffen niet alleen een onmisbare methode tot het controleren van de metingen en berekeningen, doch zij maken het ook mogelijk, zo nodig, een dwarsdoorsnede, waarvan de meting door materiële beletselen verhinderd is, te reconstrueren. In zulke gevallen is het raadzaam bij meting twee hulpdwarsdoorsneden te nemen, een vóór en een achter de moeilijk te meten doorsnede gelegen, en zo dicht daarbij als mogelijk is (zie artikel 22). Deze twee hulpdoorsneden kunnen tezamen met de gewone doorsneden, die normaal gemeten kunnen worden, worden benut bij het vaststellen van de krommen der breedten met hetzelfde nummer, c.q. krommen der horizontale doorsneden. Op de vertikale lijn, gaande door het deelpunt van de niet-gemeten dwarsdoorsnede, moeten de afstanden bepaald worden tussen de basislijn xy en de snijpunten van de vertikale lijn met de krommen (zie het onderste deel van figuur 61). Deze werkwijze kan gevolgd worden in de beide gevallen, genoemd onder 2 a en 2 b van dit artikel, en maakt het eenvoudig om de dwarsdoorsnede vast te stellen. Indien de methode is toegepast, waarbij de krommen van breedten met hetzelfde nummer worden uitgezet, zullen de verkregen breedten overeenstemmen met de helft van de werkelijke breedten der doorsnede.

Kubieke inhoud van dubbele bodemtanks

Artikel 45

De kubieke inhoud van elke dubbele bodemtank, welke bekend moet zijn bij het vaststellen van de grootste toegelaten aftrek voor waterballast ruimte (zie artikel 71), wordt verkregen óf van het laadplan, verschaft voor gebruik aan boord 1)Indien de getallen op het laadplan in gewichtstonnen gegeven zijn (Engelse of metrische), dient de juiste herleidingsfactor gebruikt te worden om registertonnen te verkrijgen. Indien de inhouden van het laadplan zijn overgenomen en er enige twijfel ontstaat omtrent de nauwkeurigheid van deze inhouden, moeten de tanks op de voorgeschreven wijze worden gemeten., óf zoals hieronder is aangeduid.

Indien de lengte van de tank niet groter is dan 15.24 meter of 50 voet, worden drie breedten en drie hoogten genomen, maar indien zij 15.24 meter of 50 voet overschrijdt, bedraagt het aantal te nemen breedten en hoogten vijf.

De lengte van elke tank wordt gemeten tussen de vrangen aan de einden van de tank. Op de deelpunten en aan de einden van de lengte worden de hoogten nu gemeten op een afstand van een vierde van de breedte van de bovenkant van de dubbele bodem, gemeten uit het langsscheepse middenvlak. De breedte wordt gemeten op elke doorsnede, waar een hoogte genomen is en wel op het midden van deze hoogte. Indien een tank een onregelmatige vorm heeft, behoort zij in delen te worden gemeten.

Alle afmetingen worden tot de huid, de kantplaat of de onderkant van de tanktopbeplating genomen, zonder rekening te houden met verstijvingsprofielen of spanten (zie figuren 62, 63, 64 en 65).

De kubieke inhoud van elke tank wordt op de volgende wijze bepaald:

De som van de twee eindbreedten en vier maal de middelste breedte, in het geval met drie breedten, of de som van de twee eindbreedten en viermaal de even genummerde breedten en tweemaal de middelste breedte, in het geval met vijf breedten, wordt vermenigvuldigd met een derde van de afstand tussen de breedten. Het aldus verkregen oppervlak wordt vermenigvuldigd met de gemiddelde hoogte (d.w.z. het rekenkundig gemiddelde van de verschillende gemeten hoogten) en 95 percent van dit laatste product geeft de kubieke inhoud van de tank in kubieke meters of kubieke voeten. De inhoud in registertonnen verkrijgt men door vermenigvuldiging van het aantal kubieke meters met 0,353 of door deling van het aantal kubieke voeten door 100.

De kubieke inhoud in kubieke meters of registertonnen van elke dubbele bodemtank of elke afzonderlijke afdeling van de dubbele bodem, behoort op de meetbrief te worden vermeld.

De kubieke inhoud van elke ruimte in een dubbele bodem, welke niet is ingericht en bestemd voor het vervoer van waterballast, voorraden, brandstofolie of lading behoort niet te worden begrepen in de kubieke inhoud van de dubbele bodemtanks.

Tussendeksruimten

Artikel 46

De ruimten tussen het meetdek en het bovendek gelegen, welke hierna aangeduid worden als tussendeksruimten moeten gemeten en in de bruto inhoud worden begrepen. Elke tussendeksruimte wordt gemeten tussen twee opeenvolgende dekken.

Artikel 47

De bepalingen van de artikelen 11, 12 en 13 zijn met de nodige veranderingen ook van toepassing op de meting van tussendeksruimten.

Methoden voor meting van tussendeksruimten

Artikel 48

De meting van een tussendeksruimte moet overeenkomstig één der hierna genoemde methoden worden uitgevoerd.

Methode 1.

  • a. De lengte van de ruimte wordt gemeten in twee delen. Lengte 1 wordt genomen in het langsscheepse middenvlak op het midden van de hoogte van de wegering, c.q. van de spanten bij de voorsteven tot de voorkant van de achtersteven. Lengte 2 wordt genomen in het langsscheepse middenvlak op het midden van de hoogte van de voorkant van de achtersteven tot de binnenkant van het hekspant, of de daarop aangebrachte wegering (zie figuur 66).
  • b. Lengte 1 wordt in een aantal gelijke delen verdeeld, volgens de bepalingen van artikel 21 en lengte 2 wordt in vier gelijke delen verdeeld. Aan de eindpunten van beide lengten en op hun verschillende deelpunten worden dan de inwendige breedten gemeten op de helft van de hoogte volgens de bepalingen van de artikelen 34, 35 en 36. In de meeste gevallen bedragen de breedte bij de voorsteven en de breedte aan het uiteinde van lengte 2 nul.
  • c. De hoogte wordt in het langsscheepse middenvlak op elk deelpunt gemeten. Indien echter de beide dekken, waartussen de ruimte gemeten wordt, in dekrondte verschillen, zal de hoogte op een vierde van de desbetreffende breedte worden gemeten. De hoogte zal worden gemeten van de bovenkant van het laagste dek (of van de bovenkant van de daarop aangebrachte vaste dekbekleding — zoals dekdelen, cement, rubber, enz.) tot de onderkant van het dek, dat er direct boven is gelegen. 1)Indien het tussendek eindigt tegen de achtersteven of in de nabijheid daarvan, zal de hoogte bij de achtersteven gerekend worden de hoogte van het achterdeel te zijn. Indien aan de onderkant van dit dek paneelwerk of gelijksoortige beschieting aanwezig is, moet de hoogte hier doorheen gemeten worden.

Methode 2.

  • a. De gehele lengte 2)Wanneer eenmaal de meetlengte bekend is, kan de gehele lengte van de tussendeksruimte gemakkelijk gevonden worden door deze meetlengte te vermeerderen, c.q. te verminderen met de lengte van de horizontale afstand, in het langsscheepse middenvlak gemeten, tussen de eindpunten van de meetlengte en de bovengenoemde punten aan de voorsteven en de achtersteven (zie figuur 66). van de ruimte in het langsscheepse middenvlak op halve hoogte wordt tussen dezelfde punten aan de voorsteven en de achtersteven bepaald, als is aangegeven in methode 1.
  • b. De gehele lengte wordt volgens de bepalingen van artikel 21 in een aantal gelijke delen verdeeld en de twee laatste afstanden worden elk in twee gelijke delen verdeeld. De breedte wordt daarna gemeten op het beginpunt van de gehele lengte, op de deelpunten en ook op de deelpunten van de laatste twee afstanden. Elke breedte wordt op het midden van haar hoogte gemeten volgens de bepalingen der artikelen 34, 35 en 36.
  • c. De hoogte wordt gemeten op elk deelpunt van de gehele lengte. Deze hoogte zal worden bepaald als aangegeven is in methode 1 c.

Methode 3 (Bijzondere gevallen).

  • a. In schepen met een vierkanten hekvorm, waarvan de achterste breedte aan het eindpunt van de gehele lengte van de tussendeksruimte gemeten kan worden en in schepen met een tussendeksruimte, waarvan het achterste deel een vorm heeft, die overeenkomt met die van het voorste deel (zie figuur 67), wordt geen bijzondere meting van het achterste deel verlangd. In het laatste geval zal de breedte aan het eindpunt van de gehele lengte nul zijn of nagenoeg nul.
  • b. Nadat de gehele lengte gemeten en verdeeld is, als aangegeven in artikel 21, worden de breedten bij elk deelpunt en tevens aan de uiteinden van de gehele lengte gemeten. Deze breedten worden op de halve hoogte volgens de bepalingen van de artikelen 34, 35 en 36 gemeten.
  • c. De hoogte wordt bij elk deelpunt van de gehele lengte gemeten. Deze hoogte wordt vastgesteld als in methode 1 c is aangegeven.

Kubieke inhoud van een tussendeksruimte

Artikel 49

De kubieke inhoud van een tussendeksruimte wordt als volgt vastgesteld:

    1. Indien methode 1 als vermeld in artikel 48, wordt gevolgd, worden de breedten van het voorste deel van de ruimte genummerd, te beginnen aan de voorsteven met no. 1 en met het hoogste nummer aan de voorkant van de achtersteven. De eerste en de hoogste genummerde breedte worden nu vermenigvuldigd met één, de andere oneven genummerde breedten met twee en de even genummerde breedten met vier. De som van deze producten wordt vermenigvuldigd met een derde van de afstand tussen de breedten, waarna het aldus verkregen oppervlak wordt vermenigvuldigd met de gemiddelde hoogte (d.w.z. het rekenkundig gemiddelde van de hoogten bij elk deelpunt van lengte 1, zonder de hoogten aan het voorste en achterste eindpunt van deze lengte in aanmerking te nemen. 1)Indien de dekken verschillende zeeg hebben, moet de gemiddelde hoogte als volgt worden bepaald: De eerste en de hoogst-genummerde hoogten (werkelijke of denkbeeldige) worden vermenigvuldigd met één, de oneven-genummerde met twee en deeven-genummerde met vier. De som van deze producten gedeeld door de som van de factoren is de vereiste gemiddelde hoogte. Dit laatste product geeft de kubieke inhoud in kubieke meters of in kubieke voeten van het voorste deel van de ruimte aan. De bepalingen van artikel 41 zijn van toepassing ten aanzien van de herleiding tot registertonnen. De breedten van het achterste deel van de ruimten worden nu genummerd, beginnende met no. 1 aan de voorkant van de achtersteven, tot no. 5 aan het achterste eindpunt van lengte 2. De som van de eerste en laatste breedte, en viermaal de tweede en vierde breedte, en tweemaal de middelste breedte moet vermenigvuldigd worden met een derde van de afstand tussen de breedten. Het aldus verkregen oppervlak moet daarna vermenigvuldigd worden met de gemiddelde hoogte, als boven vastgesteld. Dit laatste product geeft de kubieke inhoud van het achterste deel van de tussendeksruimte in kubieke meters of kubieke voeten. De som van de kubieke inhouden van het voorste en het achterste deel vormt de kubieke inhoud van de gehele tussendeksruimte.
    1. Indien methode 2, genoemd in artikel 48, is gevolgd, moeten de breedten van de gehele ruimte van voor tot achter genummerd worden, beginnende met breedte no. 1 aan de voorsteven. De kubieke inhoud van de gehele tussendeksruimte wordt verkregen als in de eerste verklarende noot bij figuur 68 is aangegeven. Het is ook toegestaan op een andere wijze te werk te gaan n.l. door de achterste breedte te berekenen door het oppervlak gelegen achter het voorlaatste deelpunt door middel van een planimeter te bepalen, zoals in figuur 68 is aangeduid. Wanneer eenmaal de juiste achterste breedte bepaald is, wordt de kubieke inhoud van de gehele tussendekruimte verkregen als is aangegeven in de tweede verklarende noot bij figuur 68.
    1. Indien methode 3, genoemd in artikel 48, is gevolgd, moeten de breedten op de gewone manier van voor tot achter genummerd worden. De kubieke inhoud van de gehele ruimte wordt dan verkregen door toepassing van de bepalingen in lid 1 van dit artikel voor de vaststelling van de kubieke inhoud van het voorste deel van een tussendeksruimte.

Bovenbouw

Artikel 50

De bouwsels van blijvende aard, op of boven het bovendek gelegen, welke hierna bovenbouw zijn genoemd, moeten worden gemeten en, onverminderd de bepalingen van artikel 51 en behoudens de uitzonderingen vermeld in de artikelen 57 en 58, worden begrepen in de bruto-inhoud.

Artikel 51

Behoudens de uitzonderingen voorzien in artikel 57, moet elke gesloten bovenbouw (b.v. bak, kampanje, brug, dekhuizen, enz.) geschikt voor het vervoer van lading of voorraden, dan wel voor logies of gerief van passagiers of bemanning, in de bruto-inhoud worden begrepen.

Ruimten welke, krachtens artikel 58, als open moeten worden aangemerkt, moeten, indien zij voor logies en gerief van passagiers en bemanning zijn ingericht en worden gebruikt, in de bruto-inhoud worden begrepen. Met betrekking tot het in de bruto-inhoud begrijpen van ruimten, die gedeeltelijk gebruikt worden voor bemanning of passagiers, wordt verwezen naar figuur 69.

Indien de begrenzingen (bedekking, schotten, enz.) van een bovenbouw op een zodanige wijze 1)Bij voorbeeld door klemmen of vastkeggen. zijn geconstrueerd, dat twijfel zou kunnen ontstaan of zulk een bovenbouw behoort te worden aangemerkt als van blijvenden aard te zijn, zal een schets van de bovenbouw met nauwkeurige beschrijving van de constructie bij de metingsstaten worden gevoegd.

Artikel 52

De bepalingen van de artikelen 11, 12 en 13 zijn met de nodige veranderingen ook van toepassing op de meting van de bovenbouw.

Meting van de bovenbouw

Artikel 53

De meting van de bovenbouw moet op de volgende wijze laag voor laag uitgevoerd worden:

    1. De inwendige lengten en breedten moeten genomen worden tot de binnenkant van de op normale afstand van elkaar geplaatste schotstijlen of tot de binnenkant der spanten of tot de beschieting, indien deze aanwezig is en de hoogte van de bovenkant van het onderste dek (of van de bovenkant van de daarop aangebrachte vaste dekbedekking, zoals dekdelen, cement, rubber, enz.) tot de onderzijde van het dek. Indien aan de onderkant van dit dek enig paneelwerk of een gelijksoortige plafond beschieting aanwezig is, moet de hoogte hierdoorheen gemeten worden. Indien er enige twijfel zou bestaan in hoeverre de afstand tussen de schotstijlen als normaal moet worden beschouwd, moeten de diepte en de afstand van zulke stijlen op de metingstaat worden aangetekend, met een nauwkeurige beschrijving tot waar de maten zijn genomen. Indien in delen van een bovenbouw de dekbedekking verschillend in dikte is, wordt het verschil in dikte verwaarloosd als het oppervlak van het dek, dat bedekt is met een dikkere laag, klein is in verhouding tot het gehele oppervlak. In andere gevallen wordt een gemiddelde dikte van dekbedekking aangenomen.
    1. De bepalingen van artikel 48 betreffende tussendeksruimten zijn van toepassing op de meting van een kampanje of een verhoogd dek, welke zich tot het hek uitstrekt, behoudens de hierna genoemde bijzondere bepalingen. Lengte 1 bij toepassing van methode 1 of de gehele lengte bij toepassing van methode 2 of 3, moet in een aantal gelijke delen worden verdeeld overeenkomstig de volgende tabel: Indien lengte 1 of de gehele lengte slechts in twee gelijke delen verdeeld is, moeten de hoogten ook aan de eindpunten van deze lengten gemeten worden. 1)Zie noot bij artikel 48, methode 1c.
Lengte Aantal delen
15.24 meter = 50 voet, of minder................ 2
meer dan 15.24 meter = 50 voet, maar niet meer dan 68.58 meter = 225 voet 4
meer dan 68.58 meter = 225 voet ........................................................... 6
    1. De lengte van andere delen van de bovenbouw (b.v. bak, brug, enz.) moet ook volgens bovenstaande tabel in een aantal gelijke delen verdeeld worden. De lengte van een bak wordt gemeten van hetzelfde punt bij de voorsteven als in artikel 48, methode 1 is bepaald voor de meting van tussendeksruimten. De breedten zullen op elk deelpunt en aan de eindpunten van de lengte worden gemeten volgens de daarop toepasselijke bepalingen van artikel 48 en van lid 1 van dit artikel. 2)In geval een bovenbouw, op elk punt van zijn lengte de zelfde breedte heeft, is het voldoende slechts één breedte te meten. Indien de lengte slechts in twee gelijke delen verdeeld is, moeten de hoogten ook gemeten worden aan de eindpunten van de lengte en voor het overige zullen de desbetreffende bepalingen van artikel 48 en van lid 1 van dit artikel van toepassing zijn.
    1. Indien een bovenbouw zich niet van boord tot boord uitstrekt (b.v. dekhuizen en dergelijke) en de schotten zuiver of bij benadering een rechthoek vormen, zal het voldoende zijn om slechts één breedte in het midden van de lengte te meten. In dat geval zal de wijze, waarop de hoogte moet worden gemeten, afhangen van de plaats van de bovenbouw en van het verschil in dekrondte van het er boven gelegen dek en van het er onder gelegen dek (zie figuur 70).
    1. Indien een bovenbouw onregelmatig gevormd is, moet hij in delen worden gemeten.

Kubieke inhoud van de bovenbouw

Artikel 54

De kubieke inhoud van de bovenbouw wordt als volgt bepaald:

    1. De breedten zijn van voren naar achteren genummerd. De bepalingen van artikel 49 betreffende de vaststelling van de kubieke inhoud van tussendeksruimten zijn van toepassing voor het verkrijgen van de kubieke inhoud van de bovenbouw. Indien de lengte echter slechts in twee delen verdeeld is, moet de som van de twee eindbreedten en viermaal de middelste breedte met een derde van de afstand tussen de breedten worden vermenigvuldigd. Het aldus verkregen oppervlak wordt vermenigvuldigd met de gemiddelde hoogte, en dit laatste product vormt de kubieke inhoud van de bovenbouw in kubieke meters of kubieke voeten.
    1. In geval van een bovenbouw, bedoeld in noot 2 bij lid 3 van artikel 53 en in lid 4 van dat artikel, wordt de lengte vermenigvuldigd met de breedte en het aldus verkregen oppervlak vermenigvuldigd met de gemiddelde hoogte. Dit laatste product vormt de kubieke inhoud van de bovenbouw in kubieke meters of kubieke voeten.

Luikhoofden

Artikel 55

De kubieke inhoud van een luikhoofd wordt verkregen door vermenigvuldiging van de inwendige lengte met de gemiddelde inwendige breedte en het product met de gemiddelde hoogte (d.w.z. het rekenkundig gemiddelde van de hoogten, gemeten van de onderkant van het dek tot de onderkant van de luiken).

Indien de gezamenlijke inhoud van de luiken groter is dan ½ % van het deel van de bruto inhoud bestaande uit de onderdeksinhoud, de tussendeksruimten, de niet vrijgestelde bovenbouw en de in de meting begrepen licht- en luchtschachten van de machinekamer, moet de overmaat bij de bruto-inhoud gevoegd worden.

Artikel 56

De gezamenlijke inhoud van de luikhoofden bestaat uit de som van de kubieke inhouden van alle luikhoofden, die toegang geven tot ruimten, welke in de bruto-inhoud begrepen zijn. Derhalve zal een luikhoofd, dat toegang geeft tot een vrijgestelde ruimte, als aangegeven in de artikelen 57 en 58, niet in deze gezamenlijke inhoud worden begrepen. Echter zal de kubieke inhoud van een luikhoofd, dat binnen een open ruimte is gelegen, maar toegang geeft tot een in de bruto-inhoud begrepen ruimte, wel deel uitmaken van genoemde gezamenlijke inhoud.

Luikhoofden, die toegang geven tot ruimten, welke niet in de bruto-inhoud begrepen zijn, moeten echter toch gemeten worden en met hun afmetingen vermeld worden in de metingstaten.

Het deel van een ingesloten schacht (b.v. een kolenstortkoker), binnen de begrenzing van een bovenbouw gelegen, moet worden behandeld als een gesloten bovenbouw en derhalve in de bruto-inhoud worden begrepen (zie figuur 71), tenzij genoemde schacht toegang geeft tot een vrijgestelde ruimte (zie figuur 72).

Gesloten ruimten, welke niet in de bruto inhoud begrepen worden

Artikel 57

De volgende op- en boven het bovendek gelegen ruimten, moeten niet in de bruto-inhoud begrepen worden, mits zij uitsluitend bestemd en ingericht zijn en geheel gebruikt worden voor de hieronder aangegeven doeleinden.

    1. Ruimten, welke beschouwd kunnen worden deel uit te maken van de ruimte voor de werktuiglijke voortstuwing of welke dienen voor de toetreding van licht en lucht in zulk een ruimte. De bepalingen van artikel 77 zijn van toepassing wat de behandeling van zulke ruimten betreft.
    1. Ruimten welke een soort van werktuigen bevatten, welke geen deel uitmaken van de werktuiglijke inrichting ten behoeve van de voortstuwing. Krachtens dit artikel wordt het volgende als werktuig beschouwd: ankergerei, kettingbak, kaapstand, stuurgerei, pompen, koelinrichtingen en distilleerinstallaties, liften, wasmachines, ketels en machines voor het bereiden van walvisolie of guano, dynamos, accumulatoren-batterijen, brandblusinrichtingen, enz. Hetzelfde voorschrift is van toepassing op hulpketels, welke volgens de artikelen 78 en 79 niet beschouwd worden deel van de werktuiglijke voortstuwing uit te maken.
    1. De ruimte voor beschutting van de roerganger (s) (stuurhuis). Indien een ruimte gedeeltelijk wordt gebruikt als stuurhuis en gedeeltelijk als kaartenkamer, moet het deel, dat als stuurhuis wordt gebruikt, vrijgesteld worden van meting in de bruto-inhoud.
    1. Ruimten, dienende als kombuizen en bakkerijen, uitgerust met fornuizen of ovens, zonder rekening te houden met de soort van personen, waarvoor zij dienen.
    1. Ruimten zoals schijnlichten, koepels en schachten dienende voor het toetreden van licht en lucht naar daaronder gelegen ruimten. Geen deel der ruimte onder de overkoepeling of bedekking in een bovenbouw gelegen zal echter worden vrijgesteld van meting in den bruto inhoud, tenzij er een opening is gelaten in de vloer van de bovenbouw onder het schijnlicht, de koepel of de schacht voor het toetreden van licht en lucht naar ruimten onder deze vloer gelegen (zie de figuren 73 en 74).
    1. Ruimten, zoals toegangskappen en toegangsluiken, dienende tot bescherming van traptoegangen, trappen en ladders, die naar beneden gelegen ruimten leiden. Indien een niet afgeschoten traptoegang gelegen is binnen een ruimte, welke voor andere doeleinden gebruikt wordt, zoals een rookkamer, zal slechts dat deel van de ruimte hetwelk onmiddellijk boven de trapopening is gelegen, vrijgesteld worden. Traptoegangen (trappen of ladders) onmiddellijk beneden toegangskappen of luiken gelegen, worden ook vrijgesteld van meting in de bruto inhoud (zie de figuren 75, 76, 77, 78 en 79).
    1. Ruimten ingenomen door waterclosets, privaten en urinoirs voor officieren, bemanning en passagiers. Deze vrijstelling zal echter noch verleend worden voor ruimten, voor welker gebruik door de passagiers afzonderlijk betaald moet worden, noch voor zulke ruimten indien zij deel uitmaken van bij elkaar behorende passagiers verblijven. Indien waterclosets en urinoirs met een wasplaats in één ruimte zijn verenigd, mag de ruimte, welke door de wasplaats is ingenomen, niet worden vrijgesteld, tenzij hare afmetingen klein zijn ten opzichte van de door de waterclosets en urinoirs ingenomen ruimte (zie figuur 80).
    1. De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.

De vrijstelling van de in de leden 2 tot en met 6 genoemde ruimten hangt af van de voorwaarde, dat zij niet groter zijn dan voor hun doel vereist wordt.

Alle in dit artikel opgesomde ruimten moeten worden gemeten en onder een afzonderlijk hoofd in de metingstaten worden ingeschreven.

De afmetingen van de in de leden 2 tot en met 8 genoemde ruimten moeten uitwendig genomen worden, behalve wanneer zulk een ruimte een gedeelte van de huid of van een schot gemeen heeft met een bovenbouw, waarvan zij deel uitmaken, in welk geval de lengte of breedte tot hetzelfde vlak moeten worden gemeten als bij de bovenbouw (zie de figuren 81 en 82). Voor het overige moeten de desbetreffende bepalingen der artikelen 53 en 54 toegepast worden, aangaande de meting en de berekening van de kubieke inhoud.

Indien zulke ruimten binnen een bovenbouw zijn gelegen, zal het in het algemeen het eenvoudigste zijn om eerst de gehele bovenbouw te meten en daarna afzonderlijk de genoemde ruimten, welke niet in de bruto inhoud worden begrepen (zie figuur 77). De kubieke inhoud van bedoelde ruimten moet van de kubieke inhoud van de gehele bovenbouw worden afgetrokken en de rest zal bij de bruto inhoud worden gevoegd.

In gevallen waarbij het, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, nodig wordt gevonden de vrij te stellen ruimte te verkleinen, omdat deze ruimte overdreven groot is, of omdat zij voor andere doeleinden kan worden benut dan onder 2 tot 6 genoemd, moet de vrijstelling beperkt worden tot de ruimte welke voor het doel strikt nodig is — bij voorbeeld, moet in het geval van werktuigen, de vrijstelling beperkt blijven tot de ruimte welke door deze werktuigen wordt ingenomen en voor hunne bediening strikt nodig is. In het algemeen zal echter de volle hoogte van de ruimte worden genomen.

Indien de vrijstelling beperkt is, moeten de beperkte afmetingen, zowel als de afmetingen van de gehele ruimte op de metingstaten worden vermeld.

Open ruimten welke niet in de bruto inhoud worden begrepen

Artikel 58

Behoudens de in artikel 51 genoemde voorwaarden zullen als een uitzondering op de in artikel 50 gegeven algemene regel de ruimte tussen het bovendek en het shelterdek gelegen — gewoonlijk shelterdekruimte genoemd — en andere delen van de bovenbouw van meting in de bruto-inhoud worden vrijgesteld, indien zij krachtens de volgende bepalingen worden geacht open te zijn.

  • I. Een ruimte zal voor de meting als open beschouwd worden, indien een schot of overkapping slechts bestaat uit metaalgaas of gelijksoortig rasterwerk, of planken met tussenruimten, bij een schot van meer dan 0.076 meter of 0.025 voet, en bij een overkapping 1)Indien zulk een ruimte als een magazijn, werkplaats, enz. wordt gebruikt, zal zij in de bruto inhoud begrepen worden. van meer dan 0.024 meter of 0.08 voet.
  • II.
  • a. Openingen in dekken of in overkappingen
    1. Een ruimte zal voor de meting als open worden beschouwd, wanneer zich een opening bevindt in het midden van het boven deze ruimte aangebracht dek of de overkapping boven deze ruimte. De lengte van deze opening mag niet minder zijn dan 1.219 meter of 4 voet en de breedte moet ten minste gelijk zijn aan de breedte van het dichtstbijzijnde ladingluik op hetzelfde dek of in de overkapping.
    1. Indien aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van meting in de bruto inhoud voor een shelterdekruimte of een deel ervan, mag de afstand tussen de achterzijde (achterste hoofdplaat) van de dekopening en de achterzijde van de achtersteven niet minder bedragen dan een twintigste van de signalementslengte van het schip, indien de opening zich op het achterschip bevindt. Indien de opening zich op het voorschip bevindt, mag de afstand tussen de voorzijde (voorste hoofdplaat) van de dekopening en de voorzijde van de voorsteven niet minder dan een vijfde van genoemde lengte bedragen.
    1. Indien hoofden worden aangebracht, mag hun gemiddelde hoogte boven het dek of de overkapping niet groter zijn dan 0.305 meter of 1 voet. Hekwerk, scepters of potten rondom de opening, moeten op een zodanige wijze worden aangebracht, dat zij elke wijze van schalmen van de opening verhinderen. Slechts wegneembare houten luiken mogen worden gebruikt en deze houten luiken mogen van onderen door middel van sjorringen van touwwerk (geen staaldraad) hennep of gelijksoortig materiaal op hun plaats gehouden worden (zie figuur 83).
    1. Tonnage openingen in het dek mogen niet onder een dek, een vast bordes of enige andere gelijksoortige constructie worden aangebracht (zie figuur 84).
  • b. Openingen in de zijden van het schip of in de zijschotten van een bovenbouw.
    1. Een ruimte wordt voor de meting als open beschouwd, indien er één of meer openingen aan beiden zijden in de huid of in de zijschotten aanwezig zijn. Indien er slechts één opening in elke zijde aanwezig is, mag de lengte niet kleiner dan 5.486 meter of 18 voet en de hoogte niet kleiner dan 0.762 meter of 2.5 voet zijn. Indien er meer dan één opening in elke zijde is, mag de hoogte van deze openingen niet kleiner dan 0.762 meter of 2.5 voet en hun totale oppervlak aan elke zijde niet kleiner dan 5.574 vierkante meter of 60 vierkante voet zijn. Geen opening mag in oppervlak kleiner zijn dan 2.323 vierkante meter of 25 vierkante voet. (zie de figuren 85 en 86).
    1. Indien tussen dwarsscheepse schotten een kuil aanwezig is, moeten de openingen in de huid of in de zijschotten zo mogelijk een lengte hebben van 5.486 meter of 18 voet of indien zulks niet mogelijk is, moeten zij niet kleiner zijn dan drie vierden van de lengte tussen de dwarsschotten. De hoogte mag niet kleiner zijn dan 0.762 meter of 2.5 voet. Het oppervlak van de opening moet aan elke zijde tenminste 4.181 vierkante meter of 45 vierkante voet bedragen.
    1. Alle zijopeningen moeten recht tegenover elkaar in beide zijden van het schip of van de bovenbouw zijn gelegen. Zij mogen van geen enkele vaste afsluiting voorzien worden. De enige toelaatbare middelen tot sluiting van zijopeningen zijn geveling-planken, welke zijn aangebracht tussen kanaalijzers, die aan de huid of de zijschotten zijn gelast of geklonken. Noch de huid of schotten nabij de opening, noch de kanaalijzers, noch de spanten welke ter plaatse van de opening doorlopen, mogen van gaten, scharnieren, oogbouten, klampen of enig ander middel tot sluiten of schalmen van de openingen zijn voorzien.
    1. Zijopeningen mogen niet door schotten of andere dergelijke middelen zijn omsloten.
  • c. Openingen in dwarsscheepse schotten.
    1. Een ruimte zal voor de meting als open worden beschouwd:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)