Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

Type Verdrag
Publication 1964-02-01
State In force
Source BWB
artikelen 109
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • 1°. Indien zich in een van de eindschotten twee tonnage-openingen bevinden, aan elke zijde van het langsscheepse middenvlak één. Indien drempels zijn aangebracht, mogen zij niet hoger zijn dan 0.610 meter of 2 voet. De hoogte der opening mag in geen geval kleiner zijn dan 1.219 meter of 4 voet en de breedte moet tenminste 0.914 meter of 3 voet bedragen.
  • 2°. Indien zich in een van de eindschotten één enkele tonnageopening bevindt van tenminste 1.524 meter of 5 voet hoogte en 1.219 meter of 4 voet breedte, waarbij als voorwaarde geldt, dat, indien de ruimte zich van boord tot boord uitstrekt, de opening zoveel mogelijk in het midden van de desbetreffende ruimte of van het schip is aangebracht (zie de figuren 87, 88 en 89). Indien een drempel aanwezig is, mag hij niet hoger zijn dan 0.610 meter of 2 voet.
    1. De openingen mogen slechts gesloten worden hetzij door middel van geveling-planken, 1)In plaats van geveling-planken, mogen ook stukken kanaalijzer of gelijksoortige middelen gebruikt worden. welke zijn aangebracht tussen kanaalijzers, die aan het schot zijn gelast of geklonken, hetzij door middel van losse platen 2)De platen mogen bedekt zijn met een warmte isolerende bekleding. die op hun plaats gehouden worden met haakbouten op een onderlinge afstand van niet minder dan 0.305 meter of 1 voet, hart op hart, dan wel met bouten en losse knevelbalken, waarbij de bouten niet door het schot gaan. De schotten of de U-ijzers bij de openingen mogen niet zijn voorzien van gaten, scharnieren, oogbouten, klampen of enig ander middel dat zou kunnen worden benut tot sluiten of schalmen van de openingen.
    1. Indien de ruimte door schotten is onderverdeeld moeten deze schotten van openingen zijn voorzien, welke dezelfde afmetingen en middelen tot sluiting hebben als hierboven is aangegeven.
    1. Indien enig deel van de bovenbouw op grond van de aanwezigheid van een tonnage opening of openingen in het eindschot is vrijgesteld, mogen er geen andere toegangsmiddelen tot de vrijgestelde ruimte in het schot aanwezig zijn (zie figuur 90).
    1. Ruimten, welke van dek tot dek geheel open zijn zonder enig middel tot sluiting, zullen vrijgesteld worden onder voorbehoud, dat de breedte tenminste 0.914 meter of 3 voet bedraagt (zie figuur 91).
  • d. Algemene bepalingen.
    1. Alle tonnage openingen, op grond waarvan aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van meting in de bruto-inhoud, moeten zo gelegen zijn, dat zij aan weer en wind zijn blootgesteld.
    1. De afmetingen van bovengenoemde tonnage openingen dienen om het zuivere minimum oppervlak van een opening vast te stellen; derhalve moet de minimum lengte over de totale minimum breedte voorkomen (zie figuur 92) of de minimum hoogte over de totale minimum lengte (zie de figuren 85 en 86).
    1. Bij het bepalen van de afmetingen van tonnage-openingen, moet het gedeelte van de opening, dat door staven, stutten, potten of dergelijke onderdelen is bedekt, worden aangemerkt als een verkleining van het zuivere oppervlak van zulke openingen. In het geval van zij-openingen mogen echter de huidflenzen der spanten in het vrije oppervlak van de opening worden meegerekend (zie de figuren 85 en 86).
Artikel 59

Open bovenbouw en open shelterdekruimten, als omschreven in artikel 58, moeten steeds worden gemeten en in de metingstaten worden ingeschreven. Een nauwkeurige aantekening omtrent de afmetingen van de openingen moet hierbij worden gevoegd. De meting zal worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van artikel 481)In het algemeen zal een shelterdekruimte niet van de voorsteven tot het hek open zijn. In de meeste gevallen is in het voorschip en in het achterschip een gesloten schot aangebracht (zie figuur 83): derhalve zullen de voorschriften van artikel 48 alleen in zeer bijzondere gevallen van toepassing zijn. , c.q. artikel 53.

De berekening zal uitgevoerd worden, als in de artikelen 49 en 54 is aangegeven.

Indien zich binnen een open ruimte (zie figuur 83) bovenbouwen bevinden, welke in de bruto-inhoud moeten worden begrepen, luikhoofden of ruimten als bedoeld in artikel 57, dan wel ruimten welke worden geacht deel van de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing uit te maken (schachten, enz.), moeten al deze ruimten afzonderlijk worden gemeten en in de metingstaten worden vermeld. Elk dezer ruimten, zal wat het opnemen in of vrijstellen van de bruto inhoud betreft worden behandeld, als in de desbetreffende artikelen is aangegeven.

De afmetingen en de kubieke inhoud van elke open ruimte, als omschreven in artikel 58, moeten in de meetbrief onder een afzonderlijk hoofd worden vermeld. Van deze kubieke inhoud moeten de kubieke inhouden der ruimten gelegen binnen de open ruimte, als aangeduid in de voorgaande paragraaf, worden afgetrokken en het verschil vormt de netto kubieke inhoud van de desbetreffende open ruimte. In gevallen, waarbij er een belangrijk verschil bestaat tussen de uitwendige en inwendige afmetingen van een gesloten ruimte, die binnen een open ruimte is gelegen (b.v. in geval van een geïsoleerde proviandruimte), moeten bij het toepassen van bovenstaande regel de uitwendige afmetingen worden gebruikt.

Het volgende voorbeeld geeft met verwijzing naar figuur 93 aan op welke wijze de kubieke inhoud van een open deel van een shelterdekruimte op de meetbrief moet worden aangegeven.

Open deel van een shelterdekruimte 1)Indien dit verlangd wordt, mag deze ruimte tussen de tussenliggende stalen dwarsschotten in delen worden gemeten.

Totale kubieke inhoud:

H = 2.44 m.( 8 vt.); L = 109.73 m. (360 vt.);

B = { 10.36 m. (34 vt.) } = 4249.49 m3 (1497.60 t.)
{ 14.63 m. (48 vt.) } = 4249.49 m3 (1497.60 t.)
{ 17.07 m. (56 vt.) } = 4249.49 m3 (1497.60 t.)
{ 17.07 m. (56 vt.) } = 4249.49 m3 (1497.60 t.)
{ 17.07 m. (56 vt.) } = 4249.49 m3 (1497.60 t.)
{ 16.15 m. (53 vt.) } = 4249.49 m3 (1497.60 t.)
{ 15.24 m. (50 vt.) } = 4249.49 m3 (1497.60 t.)
af: gesloten deel (n), luikhoofd (o) en machineschacht ..... 424.93 m3 ( 150 00 t.)
______
Netto kubieke inhoud ........................................ 3817.56 m3 (1347.60 t.)

Open kuil

H = 2.44 m. ( 8 vt.); L = 2.44 m. ( 8 vt.);
{ 15.24 m. (50 vt.) } = 89.74 m3 (31.68 t.).
B = { 15.09 m. (49.5 vt.) } = 89.74 m3 (31.68 t.).
{ 14.93 m. (49 vt.) } = 89.74 m3 (31.68 t.).

Beschutting voor dekpassagiers

Artikel 60

Een gesloten bovenbouw mag, op schepen, die korte reizen maken — ongeacht de voorschriften van het eerste lid van artikel 51 — na machtiging van de betrokken nationale centrale scheepsmetingsautoriteit, van meting in de bruto-inhoud worden vrijgesteld, indien deze uitsluitend zonder extra heffing wordt gebruikt voor beschutting van dekpassagiers.

De meting en berekening moeten worden uitgevoerd als aangegeven is in de artikelen 53 en 54, en de kubieke inhoud (met uitzondering van de waterclosets, welke reeds zijn vrijgesteld volgens artikel 57) moet in de meetbrief onder een afzonderlijk hoofd worden vermeld.

HOOFDSTUK IV. Meting en berekening van de aftrek volgens Regel I

Ruimten voor de kapitein

Artikel 61

De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.

Ruimten voor de bemanning

Artikel 62

De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.

Gangen en andere ruimten gebruikt door de kapitein en de bemanning

Artikel 63

De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.

Artikel 64

Reservehutten mogen niet afgetrokken worden. De aanwezigheid echter van twee reservehutten voor het gebruik b.v., van loodsen of boventallige officieren zal niet geacht worden het schip te veranderen in een passagiersschip, mits genoemde reservehutten met niet meer dan in totaal vier bedden, sofabedden inbegrepen, zijn uitgerust.

In passagiersschepen zonder eetsalon, rooksalon, aanrechtkamer, kombuis, bakkerij, proviandruim, drinkwaterfilter- of distilleer-installatie, badkamer, wasplaats, watercloset, privaat of urinoir bestemd voor uitsluitend gebruik door passagiers, vervalt de aftrek van de desbetreffende ruimten voor kapitein en bemanning. Voor schepen echter, welke dekpassagiers, zoals pelgrims vervoeren en welke in het geheel niet zijn ingericht voor hutpassagiers, is deze regel niet van toepassing, behalve met betrekking tot water-closets, privaten of urinoirs.

Volgens dit artikel wordt onder de uitdrukking „passagiersschip” elk schip verstaan, dat betalende passagiers vervoert en elk schip (zelfs indien het zonder passagiers vaart), dat meer dan twee reservehutten heeft, welke zijn ingericht als bovenomschreven.

Artikel 65

De ruimten, genoemd in de artikelen 66 tot en met 71, zullen volgens de letter van deze voorschriften geacht worden te zijn „ruimten voor de besturing en de bediening van het schip”, als omschreven in artikel 7 onder no. 2, en zullen, rekening houdende met de voorwaarden in deze artikelen neergelegd en mits zij nog niet van de meting zijn vrijgesteld krachtens de voorschriften van artikel 57, van de bruto inhoud worden afgetrokken.

De ruimten voor besturing en bediening van het schip zijn de volgende:

  • a. Ruimten voor de besturing (behalve hulpketels en hoofdpompen) (artikel 66).
  • b. Ruimten voor hulpketels en voor hoofdpompen (artikel 67).
  • c. Ruimten voor pomp-installaties in schepen, welke vloeibare lading in de ruimen vervoeren (artikel 68).
  • d. Ruimten voor bootsmansgoed (artikel 69).
  • e. Ruimten voor de berging van zeilen (artikel 70).
  • f. Ruimten voor waterballast (artikel 71).

Ruimten voor besturing (behalve hulpketels en hoofdpompen)

Artikel 66

Ruimten, die uitsluitend worden gebruikt voor de besturing van het schip en welke nog niet vrijgesteld zijn volgens artikel 57, moeten van de bruto inhoud worden afgetrokken tot een grootte als redelijk geacht wordt.

De voor aftrek in aanmerking komende ruimten voor besturing zullen in de regel omvatten de ruimten voor het bergen en het gebruik van kaarten en zeevaartkundige instrumenten, ruimten voor draadloze telegrafie en telefonie 1)Echter niet een wachtkamer voor passagiers., ruimten voor het bergen van seinlantaarns, vlaggen, vuurpijlen, enz., ruimten voor onderwaterkloksignaal- en lodingstoestellen, ruimten voor automatische stuurkompassen, gyrostabilisators of gelijksoortige toestellen en ruimten voor de helmstok, het stuurgerei, de kaapstand en het ankergerei met inbegrip van kettingbakken.

In schepen, waarbij een deel van het stuurhuis als kaartenkamer wordt gebruikt zal dit deel worden afgetrokken

In gevallen waarbij de helmstok, het stuurgerei, de kaapstand, het ankergerei of gelijksoortige inrichtingen zich bevinden in ruimten, welke groter zijn dan voor het doel wordt vereischt, zal de werkelijke ruimte door elk van deze inrichtingen ingenomen, worden afgetrokken en daarbij zal aan elke zijde van het toestel de ruimte, welke nodig is voor de bediening (in het algemeen niet meer dan 0.610 meter of 2 voet aan alle zijden), worden toegevoegd. De totale hoogte, welke wordt toegestaan, behoort in de regel de hoogte van een normale tussendeksruimte niet te overschrijden.

Hulpketels en hoofdpompen

Artikel 67

Onverminderd de voorschriften van artikel 79 betreffende de behandeling van hulpketelruimten, welke beschouwd mogen worden als een deel van de ruimte voor de werktuigelijke voortstuwing, zal de door de hulpketels werkelijk ingenomen ruimte, indien zij met de hoofdpompen van het schip zijn verbonden, worden afgetrokken, zelfs indien de hulpketels tegelijkertijd gebruikt worden voor bediening van de laad- en loslieren of voor gelijksoortige doeleinden.

Indien de hulpketels niet met de hoofdpompen verbonden zijn, maar uitsluitend dienen voor het werken met de kaapstand, het ankergerei, het stuurgerei of gelijksoortige middelen voor besturings-doeleinden, mag de door haar ingenomen ruimte beschouwd worden als ruimte voor besturing en als zodanig worden afgetrokken.

Ruimten, welke worden ingenomen door- en nodig zijn voor de bediening van lenspompen en voor toegang uitsluitend daarheen, worden afgetrokken.

Hetzelfde voorschrift geldt voor waterballastpompen, welke tevens het schip kunnen lenzen.

Indien een hulpketel, een lenspomp of een waterballastpomp, welke aan bovenstaande voorwaarden voldoet, gelegen is binnen de begrenzing van de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing en niet als een deel van de werktuiglijke voortstuwing kan worden beschouwd, zal slechts de ruimte, welke strikt door genoemde middelen wordt ingenomen worden afgetrokken en op de metingstaten onder ruimten voor besturen en bedienen van het schip worden vermeld.

Pompinstallaties in schepen, welke vloeibare lading in de ruimen vervoeren

Artikel 68

In schepen, welke vloeibare lading in de ruimen vervoeren, zal aftrek gegeven worden voor ruimten, welke ingenomen zijn door- en bepaald nodig zijn voor toegang en bediening van pompen, welke dienen als ladingpompen, of, krachtens de bepalingen van artikel 78 onder A 6, n, trimpompen voor vloeibare brandstof en buiten de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing geplaatst, mits al zulke pompen tevens geschikt zijn om het schip te lenzen.

De af te trekken pompkamerruimte zal als volgt worden bepaald:

De ruimte, welke wordt ingenomen door- en bepaald nodig is voor de bediening van een pomp, wordt geacht een hoogte te hebben gelijk aan die van de pomp, doch tenminste van 2.134 meter of 7 voet en een horizontaal oppervlak gelijk aan de ingenomen bodemruimte met voldoende ruimte daaromheen voor behoorlijke bediening.

De ruimte benodigd voor toegang wordt geacht een hoogte te hebben gelijk aan de afstand tussen de bovenkant van bovengenoemde ruimte en het bovendek en een horizontale doorsnede met één afmeting gelijk aan de breedte van de ladder en de andere afmeting 0.914 meter of 3 voet, echter niet groter dan 0.557 vierkante meter, of 6 vierkante voet.

De totaal verleende aftrek voor pompkamers mag niet meer bedragen dan in de navolgende tabel is aangegeven:

Bruto inhoud Percentage van de bruto inhoud Totaal aantal kubieke meters of tonnen
meer dan 8498,58 m3 (3000 t.) .............. 0.9
meer dan 4249,29 m3(1500 t.) tot en met 8498,58 m3 (3000 t.)........................ 1.2 76,49 m3 (27 t.)
meer dan 1416,43 m3 (500 t.) tot en met 4249,29 m3 (1500t.)............................... 2 50,99 m3 (18 t.)
1416,43 m3 (500 t.) of minder............. 4 28,33 m3 (10 t.)

Bootsmansgoed

Artikel 69

Behoudens de hieronder bepaalde beperkingen moet elke ruimte, welke uitsluitend voor de berging van bootsmansgoed is ingericht en wordt gebruikt, van de bruto inhoud worden afgetrokken.

De benaming „bootsmansgoed” omvat alle goederen, welke voor bediening en onderhoud van het schip nodig zijn en onder het beheer van de bootsman staan.

In het algemeen zal het bootsmansgoed bestaan uit staaldraden, trossen, touwwerk, teer, verf, blokken, sluitingen, tentzeilen, presenningen, takels, bezems, zwabbers, emmers, enz.

De verleende aftrek voor bootsmansgoed moet beperkt worden overeenkomstig de volgende schaal:

Bruto inhoud Percentage van de bruto inhoud Totaal aantal kubieke meters of tonnen
meer dan 56657,22 m3 (20000 t.)...... ½ 354,11 m3 (125 t.)
meer dan 28328,61 m3 (10000 t.) tot en met 56657,22 m3 (20000 t.)....................... ¾ 283,29 m3 (100 t.)
meer dan 5665,72 m3 (2000 t.) tot en met 28328,61 m3 (10000 t.)............................. 1 212,46 m3 (75 t.)
meer dan 2832,86 m3 (1000 t.) tot en met 5665,72 m3 (2000 t.)................................. 56,66 m3 (20 t.)
meer dan 1416,43 m3 (500 t.) tot en met 2832,86 m3 (1000 t.)................................. 2 42,49 m3 (15 t.)
meer dan 424,93 m3 (150 t.) tot en met 1416,43 m3 (500 t.)................................... 28,33 m3 (10 t.)
424,93 m3 (150 t.) of minder............. 8,50 m3 (3 t.)

Indien in schepen met een bruto inhoud van niet meer dan 424.93 kubieke meter of 150 registertonnen, het bootsmansgoed wordt geborgen in een ruimte, welke niet uitsluitend tot dit doel is ingericht wordt de aftrek voor bootsmansgoed volgens bovenstaande schaal toch verleend.

In vissersschepen en jagersschepen (b.v. walvisvangers en robbenjagers) met een bruto inhoud van groter dan 424.93 kubieke meter of 150 registertonnen zonder afzonderlijke ruimte voor bootsmansgoed wordt een passende aftrek van ten hoogste 8.50 kubieke meter of 3 tonnen in rekening gebracht voor het bootsmansgoed, dat in de ruimte voor vis- en jachtgerei is geborgen.

Zeilkooien

Artikel 70

In schepen, welke door zeilen worden voortbewogen, wordt de ruimte, die uitsluitend voor de berging van zeilen is ingericht en wordt gebruikt, afgetrokken van de bruto inhoud overeenkomstig de volgende bepalingen:

    1. Bij schepen, welke uitsluitend door zeilen worden voortbewogen, mag deze aftrek niet meer zijn dan 4 % van den bruto inhoud.
    1. Indien de zeilkooi en de bootsmansbergplaats in dezelfde ruimte zijn verenigd, zal eerst de ruimte voor de zeilen worden afgetrokken tot de in het voorgaande lid aangegeven grens, en zal daarna ten aanzien van de overblijvende ruimte een aftrek voor bootsmansgoed worden verleend overeenkomstig de in artikel 69 gegeven tabel.

Waterballastruimten

Artikel 71

De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.

Artikel 72

Geen aftrek zal worden verleend voor een in de artikelen 61 tot en met 71 behandelde ruimte, tenzij zij eerst in de bruto inhoud is begrepen (zie de figuren 96 en 97, aangevende de methode van meting der breedten en holten van een voorpiektank).

Bruto inhoud in reg. ton Percentage Bruto inhoud in reg. ton Percentage Bruto inhoud in reg. ton Percentage Bruto inhoud in reg. ton Percentage
1 0002 19,00 3 300 15,85 6 200 12,59 10 800 9,03
1 100 18,85 3 400 15,73 6 400 12,39 11 000 8,92
1 200 18,71 3 500 15,60 6 600 12,20 11 200 8,82
1 300 18,56 3 600 15,48 6 800 12,01 11 400 8,71
1 400 18,42 3 700 15,35 7 000 11,83 11 600 8,61
1 500 18,27 3 800 15,23 7 200 11,65 11 800 8,52
1 600 18,12 3 900 15,11 7 400 11,47 12 000 8,43
1 700 17,99 4 000 14,99 7 600 11,30 12 200 8,34
1 800 17,85 4 100 14,87 7 800 11,13 12 400 8,26
1 900 17,71 4 200 14,75 8 000 10,96 12 600 8,18
2 000 17,57 4 300 14,64 8 200 10,80 12 800 8,10
2 100 17,43 4 400 14,52 8 400 10,64 13 000 8,03
2 200 17,29 4 500 14,41 8 600 10,48 13 200 7,96
2 300 17,16 4 600 14,29 8 800 10,33 13 400 7,90
2 400 17,02 4 700 14,18 9 000 10,19 13 600 7,84
2 500 16,89 4 800 14,06 9 200 10,04 13 800 7,78
2 600 16,76 4 900 13,95 9 400 9,91 14 000 7,73
2 700 16,62 5 000 13,84 9 600 9,77 14 200 7,68
2 800 16,49 5 200 13,62 9 800 9,64 14 400 7,64
2 900 16,36 5 400 13,41 10 000 9,51 14 600 7,59
3 000 16,23 5 600 13,20 10 200 9,38 14 800 7,55
3 100 16,11 5 800 12,99 10 400 9,26 15 0003 7,50
3 200 15,98 6 000 12,79 10 600 9,14 —-

1) Voor tussenliggende waarden van de bruto inhoud worden de percentages door interpolatie verkregen. 2) Of minder. 3) Of meer.

Artikel 73

De meting en de berekening van de kubieke inhoud der in artikel 61 tot en met 63 en 66 tot en met 70 behandelde ruimten moet worden uitgevoerd als in de artikelen 53 en 54 is aangegeven. Bijgevolg worden de hoogten tot de onderzijde van het daarover gaande dek gemeten, door de plafond beschieting heen, indien deze is aangebracht. De horizontale afmetingen van deze ruimten moeten genomen worden tussen de schotten en de beschietingen, voorzover deze aanwezig zijn, tot de binnenkant der spanten, of tot de binnenkant van de op normale afstand uit elkaar geplaatste schotstijlen tot waar de afmetingen bij de meting van de bruto inhoud zijn genomen. Elke ruimte moet afzonderlijk worden gemeten en op de metingstaat moet het doel worden aangegeven, waartoe de ruimte is bestemd. Indien slechts gedeelten van een ruimte zijn afgetrokken, moeten de afmetingen van de gehele ruimte en tevens die van het afgetrokken gedeelte op de metingstaten worden vermeld (zie figuur 98).

De meting van piektanks en andere waterballastruimten, welke zich van boord tot boord uitstrekken, buiten de dubbele bodem en onder het meetdek of het doorgestrookte vlak van dit dek gelegen, moet worden uitgevoerd volgens de voorschriften voor meting van de ruimte onder het meetdek. De lengte moet aan de bovenzijde van de tank worden gemeten (zie de figuren 96 en 97). Dwarsdoorsneden moeten op de gewone wijze op het midden van de lengte en haar eindpunten worden gemeten, doch men neemt slechts vijf breedten in elke doorsnee. Indien een waterballastruimte gedeeltelijk onder en gedeeltelijk boven het meetdek of het doorgestrookte vlak van dit dek is gelegen (b.v. een achterpiektank, welke doorloopt tot de onderkant van een verhoogd achterdek), moet het deel onder het meetdek of het doorgetrookte vlak van dit dek gelegen, worden gemeten, als boven is aangegeven; het overblijvende deel wordt als een bovenbouw gemeten.

Van alle tanks, die zich van boord tot boord uitstrekken, moet de afstand van het eindschot of de schotten tot de juiste plaats van de dichtstbijzijnde dwarsdoorsnede der ruimte onder het meetdek worden bepaald en op de metingsstaten worden vermeld.

De meting van waterballastruimten, die zich niet van boord tot boord uitstrekken en onder het meetdek en buiten de dubbele bodem zijn gelegen, zal als volgt uitgevoerd worden. Meet eerst de lengte van de tank. Deze lengte moet verdeeld worden, als in artikel 21 is aangegeven, doch indien deze lengte niet meer dan 9.14 meter of 30 voet bedraagt, zal zij slechts in twee gelijke delen worden verdeeld.

Dwarsdoorsneden worden in dit geval aan de eindpunten van de lengte en op haar deelpunten gemeten. Indien de hier bedoelde ruimten betrekkelijk niet hoog zijn en door nagenoeg rechte vlakken worden begrensd, mogen zij ook worden gemeten als bepaald is in artikel 53. Indien een tank onregelmatig van vorm is, zal zij in delen worden gemeten.

Waterballastruimten boven het meetdek of het doorstrookte vlak van dit dek gelegen, moeten worden gemeten als aangegeven in artikel 53.

De kubieke inhoud van elke waterballastruimte wordt verkregen door toepassing van de desbetreffende bepalingen, in deze voorschriften gegeven voor de vaststelling van de kubieke inhoud der ruimte onder het meetdek en van de bovenbouw.

Aftrek voor de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing

Artikel 74

Bij schepen met werktuiglijke voortstuwing, waarvoor ruimte vereist wordt, zal een aftrek worden verleend voor werktuiglijke voortstuwing volgens de bepalingen van artikel 75 en de aldus toegestane ruimte zal van de bruto inhoud van het schip worden afgetrokken.

De ruimte, welke wordt ingenomen door- en benodigd is voor het behoorlijk werken van de hoofd-voortstuwingswerktuigen en de daarbij op grond van de artikelen 78 en 79 behorende hulpwerktuigen, met of c.q. zonder ruimten voor het toetreden van licht en lucht als genoemd in artikel 77, zullen naar de bedoeling van deze voorschriften worden beschouwd als ruimte voor de werktuiglijke voortstuwing.

Afgezien van het verschil in methode tussen het bepalen van de kubieke inhoud der ruimten onder het meetdek en die der ruimten voor werktuiglijke voortstuwing, als aangegeven in de artikelen 41, 80, onder 1 en 82, mag bij het vaststellen van de toelaatbare aftrek voor werktuiglijke voortstuwing, geen ruimte in de kubieke inhoud van de werktuiglijke voortstuwingsruimte begrepen worden, tenzij deze eerst in de bruto inhoud van het schip is begrepen. 1)Zie figuur 99, welke de methode van meting der hoogte van een astunnel aangeeft, indien de meetholten daar ter plaatse gemeten zijn tot de bovenkant der buikdenning, waarvan wordt verondersteld, dat zij onmiddellijk op de bovenkant van de dubbele bodem is aangebracht.

Alle ruimten voor werktuiglijke voortstuwing zullen worden gemeten en hun kubieke inhoud zal worden berekend volgens de bepalingen der artikelen 80, 81 en 82.

Vaststelling van de aftrek voor werktuiglijke voortstuwing

Artikel 75

De aftrek voor werktuiglijke voortstuwing moet als volgt worden vastgesteld:

    1. Schepen voortbewogen door werktuigen, andere dan raderen.
  • a. Indien de kubieke inhoud der ruimte voor werktuiglijke voortstuwing, verkregen overeenkomstig de bepalingen der artikelen 77 tot en met 82, 13 percent of meer, doch minder dan 20 percent van de bruto-inhoud is, bedraagt de aftrek 32 percent van de bruto-inhoud.
  • b. Indien de kubieke inhoud der ruimte voor werktuiglijke voortstuwing minder is dan 13 percent van de bruto-inhoud, bedraagt de aftrek 32 percent van de bruto-inhoud naar evenredigheid verminderd.
  • c. Indien de kubieke inhoud der ruimte voor werktuiglijke voortstuwing 20 percent of meer van de bruto-inhoud bedraagt, is de aftrek gelijk aan de kubieke inhoud der ruimte vermeerderd met 75 percent.
    1. Schepen voortbewogen door raderen.
  • a. Indien de kubieke inhoud der ruimte voor werktuiglijke voortstuwing, verkregen overeenkomstig de bepalingen der artikelen 77 tot en met 82, 20 percent of meer, doch minder dan 30 percent van de bruto-inhoud is, bedraagt de aftrek 37 percent van de bruto-inhoud.
  • b. Indien de kubieke inhoud der ruimte voor werktuiglijke voortstuwing minder is dan 20 percent van de bruto-inhoud, bedraagt de aftrek 37 percent van de bruto-inhoud naar evenredigheid verminderd.
  • c. Indien de kubieke inhoud der ruimte voor werktuiglijke voortstuwing 30 percent of meer van de bruto-inhoud bedraagt, is de aftrek gelijk aan de kubieke inhoud der ruimte vermeerderd met 50 percent.
    1. Behalve voor schepen, welke uitsluitend gebezigd worden als sleepboot1)Bergings-sleepboten en drijvende brandspuiten moeten niet als sleepboten worden aangemerkt., en voor schepen, welke uitsluitend geconstrueerd en bestemd zijn voor ijsbreken, is de grootste aftrek voor werktuiglijke voortstuwing in geen geval groter dan 55 percent van de bruto-inhoud, welke overblijft, indien men de bruto-inhoud vermindert met alle aftrekposten behalve die voor werktuiglijke voortstuwing.

Onderdelen der ruimte voor werktuiglijke voortstuwing

Artikel 76

De ruimte voor werktuiglijke voortstuwing omvat de volgende onderdelen:

  • a. ruimten onder de bovenkant van de hoofdruimte;
  • b. astunnels of trunken in schroefschepen en vluchtkokers;
  • c. ruimten tussen de bovenkant van de hoofdruimte en het bovendek; en kan omvatten:
  • d. ruimten op of boven het bovendek, bestemd voor het toetreden van licht en lucht.

Ad a, b en c. Deze onderdelen omvatten alle ruimten onder het bovendek gelegen, welke krachtens de bepalingen van artikel 78 en 79 mogen worden beschouwd als ruimten voor werktuiglijke voortstuwing.

De „hoofdruimte” is de ruimte, welke de hoofdvoortstuwingswerktuigen bevat, behalve de ruimten genoemd onder b. Haar bovenbegrenzing is de onderkant van het er boven liggende dek.

Indien echter de aldus omschreven ruimte zich in hoogte uitstrekt tot de onderzijde van een verspringing in hoogte van het dek of een verhoogd halfdek, moet het deel der ruimte, binnen de bovenbouw gelegen, gebracht worden onder onderdeel d (zie de figuren 100 en 101).

Ad d. Dit onderdeel omvat licht- en luchtschachten, gebouwd voor het toetreden van licht en lucht tot het ketelruim en de machinekamer. Tevens omvat het alle andere afgeschoten ruimten ten behoeve van werktuigen, welke volgens de bepalingen der artikelen 78 en 79 beschouwd mogen worden als voortstuwingswerktuigen. 1)Bij voorbeeld zal een deel van een vluchtkoker, op- of boven het bovendek gelegen, onder dit onderdeel gerangschikt, moeten worden (zie figuur 102).

Het brengen van de onder onderdeel d genoemde ruimten in de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing, hangt van de in artikel 77 gestelde voorwaarden af.

Ruimten voor het toetreden van licht en lucht

Artikel 77

Ruimten of delen van ruimten genoemd onder onderdeel d van artikel 76 en bestemd voor het toetreden van licht en lucht, worden op aanvraag van de eigenaar gevoegd bij de bruto inhoud van het schip en bij de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing, waarop de aftrek voor werktuiglijke voortstuwing wordt gegrond, mits zij:

  • a. een redelijke grootte hebben;
  • b. volgens deskundig oordeel voldoende sterk en zeewaardig zijn;
  • c. zodanig gemaakt zijn, dat zij voor geen ander doel kunnen worden gebruikt dan voor het toetreden van licht en lucht tot de ruimte voor de voortstuwingswerktuigen of voor het bevatten van werktuigen, installaties en toestellen, welke geacht worden deel uit te maken van de inrichting tot werktuiglijke voortstuwing overeenkomstig de bepalingen der artikelen 78 en 79.

Op de metingstaten dient vermeld te worden of de bedoelde ruimten aan bovengenoemde voorwaarden voldoen.

Bijzonderheden omtrent de ruimten, welke mogen worden beschouwd als werktuiglijke voortstuwingsruimten

Artikel 78
  • A. De volgende ruimten worden beschouwd als ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing:
    1. Ruimten voor de hoofdketels;
    1. Ruimten voor de hoofdwerktuigen;
    1. Ruimten voor hulpwerktuigen, welke nodig zijn voor het werken van hoofdketels of hoofdwerktuigen;
    1. Astunnels of asnissen en vluchtkokers;
    1. Magazijnen en werkplaatsen voor machinisten tot een maximum van drie vierde percent van de bruto inhoud, indien zij gelegen zijn binnen de begrenzingen van de voortstuwingsruimte onder het bovendek;
    1. Ruimten voor de volgende werktuigen, installaties en toestellen:
  • a. bezinktanksvan redelijke grootte 1)Voor schepen, welke lange reizen maken, mag de kubieke inhoud van de bezinktanks niet groter zijn dan de inhoud van een voorraad brandstofolie voor twee dagen; anders zullen zij uitsluitend als brandstofruimten beschouwd worden. in oliestokende schepen, indien aanwezig binnen de begrenzingen van de voortstuwingsruimte, in de daarboven gelegen schachten of onmiddellijk grenzend, aan zulk een ruimte of schacht;
  • b. dynamos, schakelborden en schakelkasten, behalve die genoemd onder B, 4, f van dit artikel;
  • c. knaldempers (met inbegrip van knaldempers in schoorstenen);
  • d. warmwaterbakken, indien zij zich binnen de begrenzingen van de voortstuwingsruimte onder het bovendek bevinden;
  • e. as-ejecteuren;
  • f. inrichtingen voor kunstmatige trek voor ketels;
  • g. oliereinigers en oliekoelers voor brandstofolie en smeerolie (met inbegrip van reinigings- en zuiveringstanks);
  • h. voedingwater-voorverwarmingsinstallaties en andere gelijksoortige installaties, benodigd voor het werken van de hoofdmachine;
  • i. verdampers, uitsluitend voor ketelvoedingwater;
  • j. smeeroliepompen;
  • k. ventilatie inrichtingen gelegen in de voortstuwingsruimte en benodigd voor haar ventilatie;
  • l. accumulatoren batterijen, uitsluitend indien zij gebruikt worden in verband met de werktuiglijke voortstuwing;
  • m. stoom- en electrisch gedreven compressoren en luchtketels, welke gebruikt worden in verband met de werktuiglijke voortstuwing;
  • (n). brandstofoliepompen, uitsluitend gebruikt voor het verplaatsen van brandstofolie, mits zij zich bevinden binnen de begrenzingen van de voortstuwingsruimte, in de daarboven gelegen schachten of onmiddellijk grenzend aan zulk een ruimte of schacht.
  • B. De volgende ruimten mogen niet beschouwd worden als ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing:
    1. brandstofruimten;
    1. voedingwaterruimten;
    1. smeerolievoorraadtanks;
    1. Ruimten door de volgende werktuigen, installaties of toestellen ingenomen:
  • a. hulpcondensor-inrichting, welke niet gebruikt wordt in verband met de werktuiglijke voortstuwing;
  • b. brandblus-inrichting;
  • c. koel- en vriesinrichting;
  • d. Inrichtingen voor ventilatie en verwarming der verblijven van bemanning en passagiers;
  • e. Sanitaire- en andere pompen, welke niet gebruikt worden in verband met de werktuiglijke voortstuwing;
  • f. Dynamos, schakelborden en schakelkasten, uitsluitend ten dienste van verlichtings- of navigatiedoeleinden, ladingbedrijf, enz., geheel onafhankelijk van de werktuiglijke voortstuwing van het schip;
  • g. Hulpketels, andere dan die genoemd in artikel 79.

Hulpketelruimte

Artikel 79

Hulpketels, welke — naar het oordeel van de betrokken nationale centrale scheepsmetingsautoriteit — nodig zijn voor- en gebruikt worden in verband met de hoofdvoortstuwingsinrichting of een daarbij behorende hulpmachineinstallatie, worden beschouwd deel van de werktuiglijke voortstuwingsinrichting te vormen.

Indien zij zich onder het bovendek bevinden binnen of buiten de begrenzingen van de voortstuwingsruimte, wordt de ruimte, die zulke hulpketels innemen en die nodig is voor hun bediening, in de ruimte voor de werktuiglijke voortstuwing begrepen. Indien zij zich bevinden boven het bovendek, zal de ruimte, die zulke hulpketels innemen en die nodig is voor hun bediening, worden beschouwd als nodig voor het toetreden van licht en lucht, bedoeld in artikel 77.

Meting der ruimten voor werktuiglijke voorstuwing

Artikel 80

De meting van ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing moet als volgt worden uitgevoerd:

    1. Ruimten onder de bovenkant van de hoofdruimte, bedoeld in artikel 76 onder onderdeel a, worden gemeten door het bepalen van: De lengte der ruimte tussen haar eindschotten wordt gemeten; deze lengte wordt dan in twee, vier of zes gelijke delen verdeeld al naar gelang er drie, vijf of zeven holten gemeten moeten worden. De holte wordt in het langsscheepse middenvlak gemeten van de bovenkant der hoofdruimte tot de bovenkant van de dubbele bodem,c.q. bovenkant vrang of buikdenning, aan de eindpunten van de lengte en op haar deelpunten. Elke hoogte wordt zo nodig gecorrigeerd wegens tilling of valling van de dubbele bodem, als bedoeld in artikel 28. Vervolgens wordt op het midden van elke holte, de breedte gemeten tussen de zijschotten (of tussen de binnenkanten der spanten in de zijden van het schip, c.q. daarop aangebrachte wegering) in de zijden van het schip. Het aantal te nemen holten en breedten hangt af van de lengte der ruimte en haar ligging. Voor een grote machineruimte, welke in het achterschip is gelegen en zich van boord tot boord uitstrekt, zal de meting van vijf en zeven holten en vijf of zeven breedten nodig zijn. Indien de machineruimte midscheeps is gelegen, zullen echter in de regel drie holten en drie breedten voldoende zijn. Indien in de ruimte voor de voortstuwing een of meer onderbrekingen in de dubbele bodem voorkomen of indien bij een schip met enkele bodem een plotselinge verandering in de vranghoogte optreedt of indien de zijschotten van de machineruimte een gebogen of gebroken grenslijn hebben (b.v. zijschotten van brandstofruimten) of in het algemeen indien de ruimte voor de voortstuwing onregelmatig gevormd is, moet zij in delen gemeten worden, waarbij elke ruimte behandeld wordt, zoals voor de meting van de gehele ruimte is vastgesteld. Indien de ruimte een rechthoekige parallelopipedum is, kan volstaan worden met de meting van één holte en één breedte. Alle gemeten holten en breedten moeten ingeschreven worden op de metingstaten met een aantekening tot waar zij gemeten zijn, tot de bovenkant van de dubbele bodem of tot de bovenkant der normale vrangen, tot de binnenkant der spanten of tot de wegering. Bij meting van ruimten onder de bovenkant van de hoofdruimte moet voldoende aandacht geschonken worden aan aanwezige verzonken of verhoogde gedeelten van de dubbele bodem of van de vrangen, zoals in artikel 29, paragraaf 1 is vermeld. De figuren 103 tot en met 110 laten bijzonderheden zien van de meting van ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing.
  • 1°. de lengte;
  • 2°. drie, vijf of zonodig zeven holten;
  • 3°. drie, vijf of zonodig zeven breedten;
    1. De in artikel 76 onder de onderdelen b, c en d bedoelde ruimten worden wat betreft lengte, breedte en hoogte gemeten, zoals onder 1 van dit artikel is aangegeven. In de meeste gevallen zal echter de meting van één hoogte en één breedte voldoende zijn, tenzij de desbetreffende ruimte van boord tot boord gaat (b.v. een uitbouw aan de achterzijde van de machineruimte onder een verblijf bij de schroefaskoker op een klein schip), in welk geval drie of vijf breedten gemeten moeten worden. Ruimten, welke boven de bovenkant van de hoofdruimte gelegen zijn, zullen laag voor laag gemeten worden. Elke ruimte wordt afzonderlijk gemeten en de afmetingen worden tussen hare begrenzingsschotten genomen zonder rekening te houden met de stijlen.
    1. Bij het vaststellen van de kubieke inhoud van de in dit artikel behandelde ruimten, dient men er op te letten, dat ruimten, welke niet geacht worden tot die voor de werktuiglijke voortstuwing te behoren, of ruimten, als bedoeld in artikel 78 A, 5, waarvan de gehele of gedeeltelijke bijvoeging niet kan geschieden, voordat de bruto-inhoud van het schip is bepaald, niet moeten worden medegerekend. Teneinde dit te bereiken, is het in de meeste gevallen het eenvoudigste, afzonderlijk de uiterste uitwendige afmetingen te meten van de ruimten, welke door zulke, niet tot de werktuiglijke voortstuwing behorende machines, installaties of toestellen worden ingenomen en daarna hare kubieke inhouden van de kubieken inhoud der gehele ruimte af te trekken (zie figuren 103 en 110). Indien zulke werktuigen, inrichtingen, toestellen enz. door schotten zijn omgeven, wordt de kubieke inhoud der gehele afgeschoten ruimte bepaald. De afmetingen van de ruimten, ingenomen door werktuigen, inrichtingen, toestellen, enz., welke niet tot de werktuiglijke voortstuwing behoren, hetzij zij door schotten zijn omgeven of niet, behoren op de metingstaten te worden ingeschreven. Indien het nodig is de afmetingen van de werktuiglijke voortstuwingsruimte overeenkomstig de bepalingen van artikel 81 te beperken, moeten de beperkte, zowel als de werkelijke afmetingen van de ruimte op de metingstaten worden ingeschreven.

Beperkingen der ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing

Artikel 81
  • a. Lengte der ruimten onder de bovenkant van de hoofdruimte.
    1. Indien bij het meten der ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing blijkt, dat de lengte van zulk een ruimte meer bedraagt dan nodig is voor het behoorlijk werken van de hoofdvoortstuwingsinrichting en voor de daarbij behorende hulpwerktuigen, zal deze lengte, behoudens het bepaalde onder 4, worden beperkt.
    1. Bij stoomschepen moet de volgende werkwijze in acht worden genomen:
  • 1°. Indien de vuurroosters in langsscheepse richting liggen, kan een lengte gelijk aan die van de vuurroosters vermeerderd met ongeveer 0.305 meter of 1 voet aan de voorzijde van de vuurroosters worden toegelaten voor het stoken en bedienen van de vuren doch er is geen extra lengte nodig, indien de ketels met de vuurroosters dwarsscheeps geplaatst zijn. 1)Hetzelfde voorbehoud geldt, indien de hoofdketels geheel of gedeeltelijk boven het bovendek zijn gelegen.
  • 2°. Bij schepen, voortbewogen door overige machines, ligt het punt tot waar de achterste begrenzing van de lengte der ruimte voor de voortstuwing mag worden gemeten, niet verder achter de achterste cilinder, schuifkast of ander deel van de hoofdvoortstuwingsinrichting dan voor goede bediening nodig is, doch, zonder bijzondere opdracht van de nationale centrale scheepsmetingsautoriteit mag in geen geval het werkelijke punt, van waar gemeten wordt, meer dan 1.219 meter of 4 voet achter een dergelijk machinedeel, als bovengenoemd, zijn gelegen.
    1. Voor turbineschepen zullen de beperkingen volgens paragraaf a, onder 2 op de meting van ketelruimten van toepassing zijn.
    1. De beperkingen, genoemd in de leden 1, 2 en 3 van paragraaf a zijn slechts van toepassing in de gevallen, waarbij de kubieke inhoud van de ruimte voor de werktuiglijke voortstuwing — waarop de aftrek voor werktuiglijke voortstuwing is gebaseerd — bij schroefschepen 20 % of meer van de bruto inhoud bedraagt of bij raderschepen 30 % of meer van de bruto inhoud, doch deze beperkingen zullen in geen geval, hoe groot de ruimte voor de werktuiglijke voortstuwing ook moge zijn, van toepassing zijn op vissers- en walvisjachtschepen, sleepboten als omschreven in artikel 75, schepen die uitsluitend gebouwd en ingericht zijn als ijsbreker of jachten.
    1. Indien het in verband met het grote vermogen der machines of tengevolge van een of andere bijzonderheid in de opstelling der werktuigen noodzakelijk blijkt van een der bovengenoemde voorschriften betreffende de lengte af te wijken, moet de betrokken nationale centrale scheepsmetingsautoriteit, aan wie alle benodigde bijzonderheden en plannen moeten worden aangeboden, beslissen welke lengte voor de berekening van de kubieke inhoud, gebruikt moet worden.
  • b. Astunnels in schroefschepen, vluchtkokers. Alle twijfelachtige gevallen zullen met de nodige bijzonderheden ter beslissing aan de nationale centrale scheepsmetingsautoriteit worden voorgelegd.
    1. Stuwblokruimte. Indien het stuwblok zich niet in een gewone stuwblokruimte bevindt en indien krachtens dit artikel de lengte van de voortstuwingsruimte beperkt is, en voorts het stuwblok zich bevindt binnen de hoofdruimte en buiten het beperkte deel, zal de hoogte, welke wordt toegelaten voor de ruimte van het stuwblok in geen geval meer zijn dan nodig geacht wordt voor inspectie en kleine herstellingen (zie figuur 111).
    1. Indien er geen ingebouwde tunnel is:
  • 1°. mag bij enkelschroefschepen de als tunnel toe te laten ruimte niet groter zijn dan gebruikelijk is; indien het achterschot van de voortstuwingsruimte een nis vormt, mag de hoogte van de toe te laten ruimte boven de as niet groter zijn dan nodig is voor de bediening, de inspectie en kleine herstellingen (zie de figuren 111 en 112).
  • 2°. Zijn bij schepen met twee of meer schroeven, in het algemeen dezelfde voorschriften van kracht; doch indien onmiddellijk achter de hoofdruimte een grote ruimte of nis, welke van boord tot boord reikt, aanwezig is, mag de bij de voortstuwingsruimte te voegen ruimte niet groter zijn, dan nodig geweest zou zijn voor elk der asleidingen met astunnels van normale afmetingen (zie figuur 113).
    1. In schepen met twee of meer schroeven en ingebouwde astunnels, mag de achtertunnel onmiddellijk voor de schroefaskokers gelegen, niet groter zijn dan redelijk geacht wordt voor onderzoek en uitnemen der asleiding, waarbij rekening gehouden moet worden met de algemene inrichting van dat deel van het schip (zie figuur 114).
    1. Vluchtkokers moeten beschouwd worden als zijnde een deel van de voortstuwingsruimte, mits zij niet groter zijn dan nodig is voor toegang tot en het verlaten van de tunnel.
  • c. Ruimten tussen de bovenkant van de hoofdruimten en het bovendek. In het algemeen mogen uitsluitend de onder a genoemde beperkingen worden toegepast.
  • d. Ruimten op- of boven het bovendek. Teneinde te bepalen of deze ruimten „redelijk van grootte” zijn, dient men er op te letten, dat:
    1. Voorzover het ruimten betreft, welke buiten de grenzen van de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing zijn gelegen, of buiten de daarboven gelegen schachten, en zijn ingericht met werktuigen, welke overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 78 en 79 beschouwd mogen worden als deel van de werktuiglijke voortstuwing, dergelijke ruimten niet groter mogen zijn dan nodig is voor behoorlijk behandelen van genoemde werktuigen.
    1. Voorzover het ruimten betreft, welke dienen voor het toetreden van licht en lucht tot de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing:
  • 1°. hun totale lengte niet groter is dan de lengte van de daaronder gelegen voortstuwingsruimte (zie figuur 115), en indien enig deel door een gesloten platform is overdekt, de lengte van het beplate deel in de desbetreffende laag van de volle lengte wordt afgetrokken (zie figuur 116);
  • 2°. de breedte, welke in rekening wordt gebracht, niet groter is dan de helft van de grootste onderdeks gemeten breedte, waarbij deze beperking met betrekking tot de breedte echter niet van toepassing is op het deel onder een verhoogd dek of verhoogd achterdek als bedoeld in artikel 76 (zie de figuren 100 en 101).

Berekening van de kubieke inhoud van de ruimten voor de voortstuwing

Artikel 82

Indien de ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing zijn gemeten, als in artikel 80 is aangegeven en de beperkingen, als bedoeld in artikel 81 zo nodig zijn toegepast, wordt de kubieke inhoud van de ruimten voor de voortstuwing als volgt verkregen:

De kubieke inhoud van elke ruimte (of c.q. deel van een ruimte) wordt afzonderlijk berekend door eerst haar lengte met haar breedte te vermenigvuldigen. Het aldus verkregen oppervlak wordt dan vermenigvuldigd met de hoogte, en dit laatste product vormt de kubieke inhoud van de ruimte (of c.q. het deel van de ruimte) in kubieke meters of kubieke voet.

Indien meer dan één breedte is gemeten, moet het rekenkundig gemiddelde der breedten bij de berekening worden gebruikt; dezelfde bepaling is van toepassing op de hoogten.

Artikel 83

De twee voorbeelden, betrekking hebbende op twee schroefschepen, geven meer gedetailleerde aanwijzingen, wat de toepassing van de bepalingen nopens de aftrek voor voortstuwingsruimten betreft.

Het schema der berekening (blz. 66) geeft aan hoe het deel der licht- en luchtschachten, nodig voor het verkrijgen van een aftrek voor werktuiglijke voortstuwing van 32 % van de bruto inhoud kan worden bepaald.

VOORBEELD 1 De kubieke inhoud van de werkelijke voortstuwingsruimte = 453.26 m3 (160 ton). De totale kubieke inhoud van de op- of boven het bovendek gelegen ruimte (licht- en luchtschachten, enz.) = 184.14 m3 (65 ton). Gezamenlijke kubieke inhoud van de luikhoofden = 70.82 m3 (25 ton) A. De eigenaar doet geen verzoek om enige op- of boven het bovendek gelegen ruimte te begrijpen in de bruto-inhoud en te voegen bij de werkelijke voortstuwingsruimte. B. De eigenaar verzoekt zoveel mogelijk ruimte op- of boven het bovendek gelegen te voegen bij de werkelijke voortstuwingsruimte en te begrijpen in de bruto-inhoud, waarbij de laatste niet groter mag zijn dan 4532.58 m3 (1600.00 ton) C. De eigenaar verzoekt de kubieke inhoud van de op- en boven het bovendek gelegen ruimten te begrijpen in de bruto-inhoud en te voegen bij de werkelijke voortstuwingsruimte, teneinde 32% aftrek te verkrijgen.
VOORBEELD 1 De kubieke inhoud van de werkelijke voortstuwingsruimte = 453.26 m3 (160 ton). De totale kubieke inhoud van de op- of boven het bovendek gelegen ruimte (licht- en luchtschachten, enz.) = 184.14 m3 (65 ton). Gezamenlijke kubieke inhoud van de luikhoofden = 70.82 m3 (25 ton) De kubieke inhoud van de werkelijke voortstuwingsruimte is 10,21 % van de bruto-inhoud. Dientengevolge zal de aftrek voor werktuigelijke voortstuwing 10,21/13 X 32/100 X 4.439,80 = 1.115,82 m3 (10,21/13 X 32/100 x 1.567,25 = 393,89 ton) bedragen. 93.17 m3(32.89 ton) van de op- of boven het bovendek gelegen ruimte wordt bij de werkelijke machineruimte gevoegd en begrepen in de bruto-inhoud, 453,26 + 93,17 = 546,43 m3(160,00 + 32,89 = 192,89 ton). De kubieke inhoud van de werkelijke voortstuwingsruimte is 12,06 % van de bruto-inhoud. Dientengevolge zal de aftrek voor werktuiglijke voortstuwing 12,06/13 X 32/100 X 4.532,51 = 1.345,52 m3 (12,06/13 X 32/100 X 1.599,98 = 474,97 ton) bedragen. 142.44 m3(50.28 ton) van de op- of boven het bovendek gelegen ruimte wordt begrepen in de bruto-inhoud en gevoegd bij de werkelijke voortstuwingsruimte 453.26 + 142.44 = 595.70 m3 (160.000 + 50.28 = 210.28 ton). 13% van de bruto-inhoud = 595.60 m3 (210.28 ton). Dientengevolge zal de aftrek voor de werktuiglijke voortstuwing 32% van de bruto-inhoud bedragen
Onderdeksinhoud..... 3824.36 m3(1350.00 ton) 3824.36 m3 (1350.00 ton) 3824.36 m3 (1350.00 ton)
Ruimte boven het meetdek........................ 566.57 m3(200.00 ton) 566.57 m3 (200.00 ton) 566.57 m3(200.00 ton)
Ruimte op- of boven het bovendek (licht- en luchtschachten, enz.)..... 93.17 m3 (32.89 ton) 142.44 m3 (50.28 ton)
Overmaat van luikhoofden.................... 48.87 m3 (17.25 ton) 48.41 m3 (17.09 ton) 48.16 m3 (17.00 ton)
Bruto-inhoud 4439.80 m3(1567.25 ton) 4532.51 m3(1599.98 ton) 4581.53 m3 (1617.28 ton)
Aftrekposten buiten die voor de werktuiglijke voortstuwingsruimte........ 339.94 m3 (120.00 ton) 339.94 m3 (120.00 ton) 339.94 m3 (120.00 ton)
Overschot............. 4099.86 m3 (1447.25 ton) 4192.57 m3 (1479.98 ton) 4241.59 m3 (1497.28 ton)
Aftrek voor werktuiglijke voortstuwingsruimte........ 1.115,82 m3 (393,89 ton) 1.345,52 m3(474,97 ton) 1466.09 m3 (517.53 ton)
Netto-inhoud......... 2.984,04 m3 (1.053,36 ton) 2.847,05 m3 (1.005,01 ton) 2775.50 m3 (979.75 ton)
VOORBEELD 2 De kubieke inhoud van de werkelijke voortstuwingsruimte = 1019.83 m3 (360 ton). De totale kubieke inhoud van de op- of boven het bovendek gelegen ruimte (licht- en luchtschachten, enz.) = 297.45 m3 (105 ton). Gezamenlijke kubieke inhoud van de luikhoofden = 84.99 m3 (30 ton). A. De eigenaar doet geen verzoek om enige op- of boven het bovendek gelegen ruimte te begrijpen in de bruto-inhoud en te voegen bij de werkelijke voortstuwingsruimte. B. De eigenaar verzoekt zoveel mogelijk op- of boven het bovendek gelegen ruimte bij de werkelijke voortstuwingsruimte te voegen en te begrijpen in de bruto-inhoud, doch zodanig dat deze niet groter wordt dan 5665.72 m3 (2000.00 C. De eigenaar verzoekt de totale kubieke inhoud van de op- of boven het bovendek gelegen ruimte te begrijpen in de bruto-inhoud en te voegen bij de werkelijke voortstuwingsruimte.
--- --- --- ---
VOORBEELD 2 De kubieke inhoud van de werkelijke voortstuwingsruimte = 1019.83 m3 (360 ton). De totale kubieke inhoud van de op- of boven het bovendek gelegen ruimte (licht- en luchtschachten, enz.) = 297.45 m3 (105 ton). Gezamenlijke kubieke inhoud van de luikhoofden = 84.99 m3 (30 ton). De kubieke inhoud van de werkelijke voortstuwingsruimte is 13% of meer, doch minder dan 20% van de bruto-inhoud. Dientengevolge zal de aftrek voor de werktuiglijke voortstuwing 32% van de bruto-inhoud bedragen. 197.96 m3(69.88 ton) van de op- of boven de bovendek gelegen ruimte wordt bij de werkelijke voortstuwingsruimte gevoegd en begrepen in de bruto-inhoud 1019.83 + 197.96 = 1217.79 m3 (360.00 + 69.88 = 429.88 ton). Dit is meer dan 20% van de bruto-inhoud. Dientengevolge zal de aftrek voor werktuiglijke voortstuwing 1217.79 x 1.75 = 2131.13 m3 (429.88 x 1.75 = 752.29 ton) bedragen. 297.45 m3(105 ton) wordt begrepen in de bruto-inhoud en gevoegd bij de werkelijke voortstuwingsruimte 1019.83 + 297.45 = 1317.28 m3 (360.00 + 105.00 = 465.00 ton) is groter dan 20% van de bruto-inhoud. Dientengevolge zal de aftrek voor werktuiglijke voortstuwing 1317.28 x 1.75 = 2305.24 m3 (465 x 1.75 = 813.75 ton) bedragen.
Onderdeksinhoud.. 4617.56 m3(1630.00 ton) 4617.56 m3 (1630.00 ton) 4617.56 m3(1630.00 ton)
Ruimte boven het meetdek........................ 793.20 m3 (280.00 ton) 793.20 m3 (280.00 ton) 793.20 m3 (280.00 ton)
Ruimte op- of boven het bovendek (licht- en luchtschachten, enz.)..... 197.96 m3 (69.88 ton) 297.45 m3 (105.00 ton)
Overmaat van luikhoofden.................... 57.93 m3 (20.45 ton) 56.94 m3 (20.10 ton) 56.43 m3 (19.92 ton)
Bruto-inhoud......... 5468.69 m3 (1930.45 ton) 5665.66 m3(1999.98 ton) 5764.64 m3 (2034.92 ton)
Aftrekposten buiten die voor de werktuiglijke voortstuwingsruimte........ 538.24 m3 (190.00 ton) 538.24 m3(190.00 ton) 538.24 m3(190.00 ton)
Overschot............. 4930.45 m3(1740.45 ton) 5127.42 m3 (1809.98 ton) 5226.40 m3 (1844.92 ton)
Aftrek voor werktuiglijke voortstuwingsruimte........ 1749.98 m3 (617.74 ton) 2131.13 m3 (752.29 ton 2305.24 m3 (813.75 ton)
Netto-inhoud......... 3180.47 m3(1122.71 ton) 2996.29 m3 (1057.69 ton) 2921.16 m3 (1031.17 ton)

Schema van de berekening

Bruto inhoud zonder licht- en luchtschachten en luikhoofden ................................................................ 1550.00
Overmaat luikhoofden (gebaseerd op bovenstaande bruto inhoud) ............................................................. 17.25
---------
Bruto inhoud, met overmaat luikhoofden en zonder lichten luchtschachten ............................................... 1567.25
13% van 1567.25 ton ........................................ 203.74
Voortstuwingsruimte onder het bovendek ............ 160.00
---------
Verschil............................................................ 43.74
14.95 % van het verschil .................................... 6.54
---------
Verschil plus 14.95 % van het verschil ................ 50.28 50.28
---------
Bruto inhoud met licht- en luchtschachten en voorlopige overmaat luikhoofden.................................................. 1617.53
Aanvullende vrijstelling voor luikhoofden door toevoeging licht- en luchtschachten = ½% van 50.28 = .................. 0.25
---------
1617.28
13 % van de bruto inhoud ad 1617.28 .................. 210.25
---------
Voortstuwingsruimte onder het bovendek ............. 160.00
Licht- en luchtschachten .................................... 50.28
---------
Som.............. 210.28

HOOFDSTUK V. Meting en berekening van de inhoud volgens Regel II

Meting van de ruimte onder het bovenste dek

Artikel 84

Indien overeenkomstig het tweede lid van artikel 2 Regel II wordt toegepast moet de meting van de ruimte onder het bovenste dek 1)Bij toepassing van Regel II op open shelterdekschepen wordt het shelterdek als het bovenste dek aangemerkt. worden uitgevoerd door op de volgende wijze de lengte, de grootste breedte buitenwerks en de omvang te bepalen:

    1. De lengte wordt gemeten op het bovenste dek van de achterzijde van de voorsteven tot de achterzijde van de achtersteven. Indien geen achtersteven aanwezig is, of indien deze niet tot het bovenste dek doorloopt, moet de lengte worden genomen tot de voorzijde van de roerkoning, waarbij de laatste, zonodig denkbeeldig tot het bovenste dek wordt doorgedacht (zie figuur 117).
    1. De grootste breedte buitenwerks wordt bepaald door meting van de grootste breedte van het bovenste dek buitenwerks over de huid ter hoogte van de plaats, waar de bovenkant van het dek moet worden aangetekend. Daarna wordt zo nodig het naar binnen vallen van de huid door middel van een schietlood of een ander middel gemeten. De som van de breedte en het binnenvallen aan beide zijden vormt de grootste breedte buitenwerks (zie figuur 118). Berghouten behoren niet in deze breedte te worden begrepen. In gevallen, waar het mogelijk is door binnenwerkse meting de grootste breedte buitenwerks te bepalen (b.v. in de machinekamer van een stalen schip), wordt de grootste breedte tot de binnenkant van de huid gemeten en de dikte van de huid aan beide zijden daarbij gevoegd.
    1. De omvang moet bij voorkeur worden gemeten door middel van een ketting van buiten onderlangs het schip gespannen op de plaats waar de grootste breedte is gemeten (zie de figuren 119 en 120). De ketting moet in een vlak loodrecht op de kiellijn strak worden aangehaald en de bovenkant van het bovenste dek wordt er aan beide zijden op aangetekend. De omvang wordt nu gevonden door het meten van de afstand tussen de op de ketting aangetekende punten.

Berekening van de kubieke inhoud van de ruimte onder het bovenste dek

Artikel 85

De kubieke inhoud der ruimte onder het bovenste dek wordt berekend door de halve omvang en de halve grootste breedte buitenwerks bij elkaar op te tellen. Het kwadraat der aldus verkregen som wordt met de lengte vermenigvuldigd. Dit product wordt daarna vermenigvuldigd bij toepassing van de meting in meters met de factoren 0.17, in het geval van houten of composietschepen, en 0.18 in het geval van stalen schepen, en bij toepassing van de meting in voeten met de factoren 0.0017 en 0.0018. Het aldus verkregen product wordt geacht de kubieke inhoud te zijn van de ruimte onder het bovenste dek in kubieke meters of registertonnen.

Artikel 86

Bij toepassing van Regel II zal geen meting van dubbele bodemtanks plaats hebben.

Bovenbouw, enz.

Artikel 87

Behoudens de bepalingen van artikel 88 zullen ruimten op- of boven het bovenste dek (bak, verhoogd dek, dekhuizen, luikhoofden enz.) overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk III worden behandeld.

Meting en berekening van de kubieke inhoud van de bovenbouw

Artikel 88

De meting van alle afzonderlijke delen van de bovenbouw en van luikhoofden op- of boven het bovenste dek zal geschieden door bepaling van hun gemiddelde breedte, gemiddelde lengte en gemiddelde hoogte, indien dit uitvoerbaar is, volgens de bepalingen vervat in hoofdstuk III. In geen geval zal echter meer dan één breedte gebruikt worden. Indien binnenwerkse meting onuitvoerbaar is, moeten de maten buitenwerks genomen worden.

De kubieke inhoud van deze ruimten wordt verkregen door vermenigvuldiging van de lengte met de breedte en het aldus verkregen oppervlak met de hoogte. Dit laatste product wordt geacht de kubieke inhoud in kubieke meters of kubieke voeten te zijn.

Meting en berekening van de ruimten, welke voor aftrek in aanmerking komen

Artikel 89

De inhoud van de ruimten, welke voor aftrek in aanmerking komen, genoemd in artikel 7, moeten volgens het bepaalde in artikel 88 worden vastgesteld. Alle aftrekposten zijn onderhevig aan de in hoofdstuk IV opgelegde begrenzingen en beperkingen en indien het onmogelijk is deze begrenzingen en beperkingen voor enige ruimte te berekenen (b.v. in het geval van waterballastruimten) mag geen aftrek voor bedoelde ruimte worden toegestaan.

HOOFDSTUK VI. Signalements-afmetingen

Signalements-afmetingen bij toepassing van Regel I

Artikel 90
1.

De signalements-lengte 1) Indien de meetlengte bepaald is, kan de signalementslengte gemakkelijk gevonden worden door de meetlengte te vermeerderen, c.q. te verminderen met de lengte der horizontale afstanden in het langsscheepse middenvlak, gemeten tussen de eindpunten van de meetlengte en de bovenvermelde punten (zie figuur 117). is de lengte van de voorzijde van het bovenste uiteinde van de voorsteven (zie figuur 121) tot de achterzijde van het bovenste uiteinde van de achtersteven.

Indien geen achtersteven aanwezig is, wordt de lengte genomen tot het snijpunt van de voorzijde van de roerkoning (of het verlengde daarvan) met het bovenste dek.

2.

De signalements-breedte is de grootste breedte buitenwerks, welke op dezelfde wijze bepaald wordt als in artikel 84 voor de breedte onder Regel II is aangegeven (zie figuur 118).

Berghouten mogen niet in deze breedte worden begrepen.

3.

De signalements-holte is de vertikale afstand in het langsscheepse middenvlak gemeten op de helft van de signalements-lengte tussen de onderzijde van het meetdek en de bovenzijde van de dubbele bodembeplating of vrangen. In schepen met drie of meer dekken wordt een tweede signalements-holte tot de onderzijde van het bovendek gemeten (zie figuur 122).

Indien de signalements-holte ter plaatse van een verlaging of een verhoging van de dubbele bodem valt, moet de holte tot het grondvlak van de verlaging, c.q. de bovenkant van de verhoging worden gemeten. (zie figuur 123).

Signalements-afmetingen bij toepassing van Regel II

Artikel 91

De signalements-afmetingen voor schepen volgens Regel II gemeten zijn: de lengte, de breedte en de omvang, bepaald volgens artikel 84.

Lengte over alles

Artikel 92

De „lengte over alles” moet tevens worden vastgesteld. Zij moet van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de scheepsromp worden gemeten (zie figuur 124).

DEEL II. (FIGUREN)

In faith whereof, the Plenipotentiaries have signed hereafter.

Done at Oslo this tenth day of June 1947 in a single copy, which shall remain deposited in the archives of the Government of Norway which shall transmit certified true copies thereof to all signatory Governments.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)