Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen

Type Verdrag
Publication 1955-02-03
State In force
Source BWB
artikelen 166
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De ondergetekenden, Gevolmachtigden van de Regeringen, vertegenwoordigd op de Diplomatieke Conferentie welke te Genève van 21 April tot 12 Augustus 1949 is bijeengekomen tot herziening van het Verdrag, gesloten te Genève op 27 Juli 1929, betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich dit Verdrag onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te doen eerbiedigen.

Artikel 2

Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing ingeval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend.

Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet.

Indien één der in conflict zijnde Mogendheden geen partij is bij dit Verdrag, blijven de Mogendheden die wel partij zijn, niettemin in haar onderlinge betrekkingen hierdoor gebonden. Bovendien zullen zij door het Verdrag gebonden zijn ten opzichte van bedoelde Mogendheid, indien deze de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast.

Artikel 3

In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen:

    1. Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond op ras, huidkleur, godsdienst of geloof, geslacht, geboorte of maatschappelijke welstand of enig ander soortgelijk criterium. Te dien einde zijn en blijven te allen tijde en overal ten aanzien van bovengenoemde personen verboden:
  • a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling;
  • b. het nemen van gijzelaars;
  • c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;
  • d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend.
    1. De gewonden en zieken moeten worden verzameld en verzorgd.

Een onpartijdige humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, kan haar diensten aan de Partijen bij het conflict aanbieden.

De Partijen bij het conflict zullen er verder naar streven door middel van bijzondere overeenkomsten de andere of een deel der andere bepalingen van dit Verdrag van kracht te doen worden.

De toepassing van bovenstaande bepalingen zal niet van invloed zijn op de juridische status van de Partijen bij het conflict.

Artikel 4
  • A. Krijgsgevangenen, in de zin van dit Verdrag, zijn de personen die, behorend tot één der volgende categorieën, in handen van de vijand zijn gevallen:
    1. leden van de gewapende macht van een Partij bij het conflict, alsmede leden van de militiën en vrijwilligers-korpsen welke deel uitmaken van deze gewapende macht;
    1. leden van andere militiën en leden van andere vrijwilligerskorpsen, met inbegrip van die van georganiseerde verzetsgroepen, behorend tot een Partij bij het conflict en optredend binnen of buiten het eigen grondgebied, zelfs indien dit grondgebied is bezet, mits deze militiën of vrijwilligers-korpsen, de georganiseerde verzetsgroepen inbegrepen, voldoen aan de volgende voorwaarden:
  • a. onder bevel te staan van een persoon die verantwoordelijk is voor zijn ondergeschikten;
  • b. een vast en op enige afstand herkenbaar onderscheidingsteken te hebben;
  • c. de wapens openlijk te dragen;
  • d. zich in hun handelingen te gedragen naar de wetten en gebruiken van de oorlog;
    1. leden van de geregelde strijdkrachten die er zich op beroepen in dienst te staan van een regering of van een autoriteit die niet worden erkend door de gevangenhoudende Mogendheid;
    1. personen die de gewapende macht volgen zonder daarvan rechtstreeks deel uit te maken, zoals burgerleden van bemanningen van militaire luchtvaartuigen, oorlogscorrespondenten, leveranciers, leden van werkeenheden of van diensten, belast met de verzorging van het welzijn der militairen, mits zij daartoe machtiging hebben ontvangen van de strijdmacht die zij begeleiden, welke strijdmacht hun te dien einde een identiteitskaart zal verstrekken overeenkomstig het als bijlage aan dit Verdrag gehecht model;
    1. leden van de bemanningen van de koopvaardijvloot, met inbegrip van gezagvoerders, stuurlieden en leerlingen, en de bemanningen van de burgerluchtvaartuigen van de Partijen bij het conflict, die niet een gunstiger behandeling op grond van andere bepalingen van het internationale recht genieten;
    1. de bevolking van een niet-bezet gebied die, bij het naderen van de vijand, uit eigen beweging de wapens opneemt om de invallende troepen te bestrijden, zonder tijd gehad te hebben zich tot geregelde gewapende eenheden te organiseren, mits zij de wapens openlijk draagt en de wetten en gebruiken van de oorlog eerbiedigt.
  • B. Evenzo zullen als krijgsgevangenen overeenkomstig dit Verdrag worden behandeld:
    1. personen, behorend of behoord hebbend tot de gewapende macht van het bezette land, indien op grond daarvan de bezettende Mogendheid het noodzakelijk oordeelt hen te interneren - zelfs indien zij hen aanvankelijk heeft vrijgelaten terwijl de vijandelijkheden nog voortgang vinden buiten het door haar bezet gebied - in het bijzonder na een niet-geslaagde poging van die personen om zich te voegen bij de gewapende macht waartoe zij behoren en welke aan de strijd deelneemt, dan wel wanneer zij geen gevolg geven aan een sommatie, tot hen gericht met het oogmerk hen te interneren;
    1. personen, behorend tot één van de in dit artikel opgesomde categorieën, die door onzijdige of niet-oorlogvoerende Mogendheden op haar grondgebied zijn toegelaten en die deze Mogendheden op grond van het internationale recht verplicht zijn te interneren, onverminderd iedere gunstiger behandeling welke deze Mogendheden mochten goedvinden hun toe te kennen en met uitzondering van de bepalingen der artikelen 8, 10, 15, 30, vijfde lid, 58 tot en met 67, 92, 126 en van de bepalingen betreffende de beschermende Mogendheid, wanneer tussen de Partijen bij het conflict en de betrokken onzijdige of niet-oorlogvoerende Mogendheid diplomatieke betrekkingen bestaan. Wanneer zodanige diplomatieke betrekkingen bestaan, zijn de Partijen bij het conflict, tot welke deze personen behoren, bevoegd ten aanzien van hen de taak uit te oefenen welke ingevolge dit Verdrag op de beschermende Mogendheden rust, onverminderd de functies, welke deze Partijen overeenkomstig de diplomatieke en consulaire gebruiken en verdragen normaal reeds uitoefenen.
  • C. Dit artikel laat de status van het geneeskundig personeel en van de geestelijken, als bepaald in artikel 33 van dit Verdrag, onverlet.
Artikel 5

Dit Verdrag is van toepassing op de in artikel 4 bedoelde personen, zodra zij in handen van de vijand zijn gevallen en tot op het ogenblik waarop hun definitieve invrijheidstelling en repatriëring is voltooid.

In geval van twijfel, of personen die een oorlogshandeling hebben verricht en in handen van de vijand zijn gevallen, behoren tot één van de in artikel 4 opgesomde categorieën, zullen deze personen de bescherming van dit Verdrag genieten in afwachting van de vaststelling van hun status door een bevoegd gerecht.

Artikel 6

Onverminderd de overeenkomsten, uitdrukkelijk voorzien in de artikelen 10, 23, 28, 33, 60, 65, 66, 67, 72, 73, 75, 109, 110, 118, 119, 122 en 132, kunnen de Hoge Verdragsluitende Partijen andere bijzondere overeenkomsten sluiten betreffende alle aangelegenheden waarvoor zij afzonderlijke regelingen wenselijk achten. Geen bijzondere overeenkomst mag de positie van krijgsgevangenen, zoals in dit Verdrag geregeld, ongunstig beïnvloeden, noch de rechten welke dit hun toekent, beperken.

Krijgsgevangenen zullen de voordelen van zodanige overeenkomsten blijven genieten zolang het Verdrag op hen van toepassing is, tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald in bovenbedoelde of nadien gesloten overeenkomsten, dan wel gunstiger maatregelen door één der Partijen bij het conflict ten aanzien van hen zijn genomen.

Artikel 7

Krijgsgevangenen mogen onder geen enkele omstandigheid geheel of gedeeltelijk afstand doen van de rechten welke dit Verdrag en eventueel de bijzondere overeenkomsten, bedoeld in het voorgaand artikel, hun waarborgen.

Artikel 8

Dit Verdrag zal worden toegepast met de medewerking en onder het toezicht van de beschermende Mogendheden die belast zijn met het behartigen van de belangen van de Partijen bij het conflict. Te dien einde kunnen de beschermende Mogendheden, naast haar diplomatiek of consulair personeel, gedelegeerden benoemen uit haar eigen onderdanen of uit die van andere onzijdige Mogendheden. De benoeming van deze gedelegeerden moet worden onderworpen aan de goedkeuring van de Mogendheid bij welke zij hun taak zullen vervullen.

De Partijen bij het conflict zullen zo veel mogelijk de taak van de vertegenwoordigers of gedelegeerden van de beschermende Mogendheden vergemakkelijken.

De vertegenwoordigers of gedelegeerden van de beschermende Mogendheden mogen in geen geval de grenzen van de hun krachtens dit Verdrag opgedragen taak overschrijden; zij moeten in het bijzonder rekening houden met de gebiedende eisen van veiligheid van de Staat bij welke zij hun taak vervullen.

Artikel 9

De bepalingen van dit Verdrag vormen geen belemmering voor de menslievende werkzaamheden welke, met toestemming van de betrokken Partijen bij het conflict, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere onpartijdige humanitaire organisatie op zich neemt voor de bescherming van krijgsgevangenen, alsmede voor aan hen te verlenen hulp.

Artikel 10

De Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen te allen tijde overeenkomen de taak welke krachtens dit Verdrag op de beschermende Mogendheden rust, toe te vertrouwen aan een organisatie die alle waarborgen van onpartijdigheid en doeltreffendheid biedt.

Indien krijgsgevangenen, om welke reden ook, niet of niet meer de voordelen genieten van de werkzaamheden van een beschermende Mogendheid of van een organisatie, aangewezen overeenkomstig het eerste lid, moet de gevangenhoudende Mogendheid een onzijdige Staat of een organisatie, als bovenbedoeld, verzoeken de taak op zich te nemen, welke krachtens dit Verdrag rust op door de Partijen bij het conflict aangewezen beschermende Mogendheden.

Indien op deze wijze niet in de bescherming kan worden voorzien, moet de gevangenhoudende Mogendheid een humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, verzoeken de menslievende taak, anders krachtens dit Verdrag door beschermende Mogendheden uitgeoefend, op zich te nemen, dan wel, behoudens de bepalingen van dit artikel, het aanbod van de diensten door een zodanige organisatie aanvaarden.

Iedere onzijdige Mogendheid of iedere organisatie die door de belanghebbende Mogendheid wordt aangezocht dan wel zich met het bovenbedoeld oogmerk aanbiedt, moet zich bij haar optreden bewust blijven van haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de Partij bij het conflict, tot welke de door dit Verdrag beschermde personen behoren, en moet voldoende waarborgen bieden, dat zij in staat is de betreffende taak op zich te nemen en deze op onpartijdige wijze uit te voeren.

Van de voorgaande bepalingen mag niet worden afgeweken bij bijzondere overeenkomst tussen Mogendheden van welke zich één ten gevolge van het verloop der krijgsverrichtingen, zelfs tijdelijk, ten opzichte van de andere Mogendheid of haar bondgenoten in haar vrijheid van onderhandelen beperkt ziet, in het bijzonder ingeval het grondgebied van eerstbedoelde Mogendheid, of een belangrijk gedeelte daarvan, is bezet.

Waar in dit Verdrag wordt gesproken van een beschermende Mogendheid, wordt daaronder begrepen een vervangende organisatie in de zin van dit artikel.

Artikel 11

In alle gevallen waarin zij zulks in het belang van de beschermde personen raadzaam achten, in het bijzonder bij meningsverschil tussen de Partijen bij het conflict over de toepassing of uitlegging van de bepalingen van dit Verdrag, zullen de beschermende Mogendheden haar goede diensten verlenen tot oplossing van het geschil.

Te dien einde kan ieder der beschermende Mogendheden, op uitnodiging van één Partij of op eigen initiatief, aan de Partijen bij het conflict een bijeenkomst voorstellen van haar vertegenwoordigers, in het bijzonder van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor krijgsgevangenen, eventueel op passend gekozen onzijdig gebied. De Partijen bij het conflict zijn gehouden gevolg te geven aan de voorstellen welke haar tot dit doel worden gedaan. De beschermende Mogendheden kunnen, zo nodig, de Partijen bij het conflict voorstellen de benoeming van een bepaald persoon, behorend tot een onzijdige Mogendheid of afgevaardigd door het Internationale Comité van het Rode Kruis, die zal worden uitgenodigd aan een zodanige bijeenkomst deel te nemen, goed te keuren.

TITEL II. Algemene bescherming van krijgsgevangenen

Artikel 12

Krijgsgevangenen bevinden zich in de macht van de vijandelijke Mogendheid, maar niet in die van de personen of troepen afdelingen die hen gevangen hebben genomen. Afgezien van de persoonlijke aansprakelijkheid welke mocht bestaan, is de gevangenhoudende Mogendheid verantwoordelijk voor de behandeling welke hun wordt aangedaan.

Krijgsgevangenen mogen door de gevangenhoudende Mogendheid slechts aan een Mogendheid die partij is bij het Verdrag worden overgedragen, en dan alleen nadat de gevangenhoudende Mogendheid zich ervan heeft vergewist, dat die andere Mogenheid bereid en in staat is het Verdrag toe te passen. Wanneer krijgsgevangenen onder die omstandigheden worden overgedragen, berust de verantwoordelijkheid voor de toepassing van het Verdrag bij de Mogendheid die zich bereid heeft verklaard hen op te nemen, gedurende de tijd dat zij aan haar zijn toevertrouwd.

Niettemin moet, ingeval deze Mogendheid in gebreke blijft op enig belangrijk punt de bepalingen van het Verdrag uit te voeren, de Mogendheid die de krijgsgevangenen heeft overgedragen, op mededeling daarvan door de beschermende Mogendheid, doeltreffende maatregelen nemen om in de toestand afdoende verbetering te brengen dan wel verzoeken haar de krijgsgevangenen terug te zenden. Aan dit verzoek moet worden voldaan.

Artikel 13

Krijgsgevangenen moeten te allen tijde menslievend worden behandeld. Iedere onrechtmatige handeling of nalatigheid van de zijde van de gevangenhoudende Mogendheid, welke de dood van een krijgsgevangene die zich in haar macht bevindt, ten gevolge heeft dan wel zijn gezondheid ernstig in gevaar brengt, is verboden en wordt beschouwd als een ernstige inbreuk op dit Verdrag. In het bijzonder mag geen krijgsgevangene lichamelijk worden verminkt of onderworpen aan geneeskundige of wetenschappelijke proefnemingen van welke aard ook, welke door de geneeskundige behandeling van de betrokken krijgsgevangene niet gerechtvaardigd noch in diens belang zouden zijn.

Evenzo moeten krijgsgevangenen te allen tijde worden beschermd, in het bijzonder tegen iedere daad van geweld of vreesaanjaging, tegen beledigingen en de nieuwsgierigheid van het publiek.

Represaillemaatregelen ten aanzien van krijgsgevangenen zijn verboden.

Artikel 14

Krijgsgevangenen hebben onder alle omstandigheden recht op eerbiediging van hun persoon en van hun eer.

Vrouwen moeten met alle aan haar sekse verschuldigde voorkomendheid en in ieder geval even gunstig als mannen worden behandeld.

Krijgsgevangenen behouden de volle burgerlijke bevoegdheid welke zij op het tijdstip van hun gevangenneming genoten. De gevangenhoudende Mogendheid mag de gebruikmaking daarvan, zowel op haar grondgebied als daarbuiten, slechts beperken voor zover de krijgsgevangenschap zulks vereist.

Artikel 15

De gevangenhoudende Mogendheid is gehouden kosteloos te voorzien in het onderhoud der krijgsgevangenen en in de geneeskundige verzorging welke hun gezondheidstoestand noodzakelijk maakt.

Artikel 16

Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot rang en sekse, en onverminderd iedere bevoorrechte behandeling welke aan krijgsgevangenen mocht worden toegekend op grond van hun gezondheidstoestand, leeftijd of vakkundigheid, moeten alle krijgsgevangenen door de gevangenhoudende Mogendheid op dezelfde wijze worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond op ras, nationaliteit, godsdienst, politieke overtuiging of enig ander soortgelijk criterium.

TITEL III. Gevangenschap

AFDELING I. Aanvang der gevangenschap

Artikel 17

Iedere krijgsgevangene is, bij ondervraging op dit punt, slechts gehouden mededeling te doen van zijn geslachtsnaam, voornamen en rang, geboortedatum en leger- of stamboeknummer of, bij gebreke daarvan, van een daarmede overeenkomende aanwijzing.

Ingeval hij opzettelijk deze regel overtreedt, zou hij zich kunnen blootstellen aan een beperking van de voorrechten, toegekend aan gevangenen van zijn rang of status.

Iedere Partij bij het conflict is verplicht aan een ieder die onder haar jurisdictie staat en krijgsgevangene zou kunnen worden, een identiteitskaart te verstrekken, houdende zijn geslachtsnaam, voornamen en rang, leger- of stamboeknummer of daarmede overeenkomende aanwijzing, en geboortedatum. Deze identiteitskaart kan bovendien dragen de handtekening of vingerafdrukken van de betrokkene dan wel beide, zomede alle verdere aanwijzingen welke de Partijen bij het conflict mochten wensen toe te voegen met betrekking tot de personen die tot haar gewapende macht behoren. Voor zover mogelijk, zullen de afmetingen 6.5 x 10 cm. bedragen en zal de kaart in tweevoud worden opgemaakt. De krijgsgevangene moet de identiteitskaart op verzoek vertonen, maar deze mag hem in geen geval worden ontnomen.

Geen lichamelijke of geestelijke marteling, noch enige andere vorm van dwang, mag worden toegepast op krijgsgevangenen om van hen inlichtingen te verkrijgen van welke aard ook. Krijgsgevangenen die weigeren te antwoorden, mogen niet worden bedreigd, noch beschimpt, noch blootgesteld aan enige onaangename of nadelige behandeling van welke aard ook.

Krijgsgevangenen die uit hoofde van hun lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat zijn zich te identificeren, zullen worden overgegeven aan de Geneeskundige Dienst. De identiteit van deze krijgsgevangenen zal worden vastgesteld met behulp van alle mogelijke middelen, met inachtneming van de bepalingen van het voorgaand lid.

Het ondervragen van krijgsgevangenen moet geschieden in een voor hen begrijpelijke taal.

Artikel 18

Alle goederen en voorwerpen voor persoonlijk gebruik - uitgezonderd wapens, paarden, militaire uitrusting en militaire papieren - zullen in het bezit blijven van de krijgsgevangenen, evenals hun metalen helmen, gasmaskers en alle andere voorwerpen welke hun zijn verstrekt voor hun persoonlijke bescherming. Eveneens zullen in hun bezit blijven de goederen en voorwerpen, dienend tot hun kleding en voeding, ook indien deze goederen en voorwerpen tot hun modeluitrusting behoren.

Nimmer mogen krijgsgevangenen zonder identiteitsbewijs zijn. Aan degenen die er geen bezitten, zal de gevangenhoudende Mogendheid er een verstrekken.

Onderscheidingstekenen van rang en nationaliteit, decoraties en voorwerpen welke bovenal een persoonlijke of gevoelswaarde hebben, mogen krijgsgevangenen niet worden ontnomen.

Geldbedragen welke krijgsgevangenen bij zich hebben, mogen hun slechts op bevel van een officier worden ontnomen en alleen nadat het bedrag en het signalement van de bezitter in een speciaal register zijn vastgelegd en nadat aan laatstgenoemde een gespecificeerd ontvangstbewijs is ter hand gesteld, hetwelk, goed leesbaar, de naam, rang en troepenafdeling vermeldt van de persoon die het ontvangstbewijs heeft afgegeven. Geldbedragen in de muntsoort van de gevangenhoudende Mogendheid, of op verzoek van de krijgsgevangene daarin omgerekend, zullen op de rekening van de gevangene worden tegoedgeschreven, overeenkomstig artikel 64.

De gevangenhoudende Mogendheid mag slechts op grond van veiligheidsoverwegingen voorwerpen van waarde aan krijgsgevangenen ontnemen. In dat geval zal dezelfde gedragslijn worden gevolgd als ten aanzien van het ontnemen van geldbedragen.

Deze voorwerpen, evenals de afgenomen geldbedragen in een andere muntsoort dan die van de gevangenhoudende Mogendheid en waarvan de bezitter niet de omrekening heeft verzocht, moeten door de gevangenhoudende Mogendheid worden bewaard en in de oorspronkelijke vorm worden teruggegeven aan de krijgsgevangene bij het einde van zijn gevangenschap.

Artikel 19

Krijgsgevangenen zullen, binnen de kortst mogelijke tijd na hun gevangenneming, worden afgevoerd naar kampen, ver genoeg van de gevechtszone gelegen om er zich buiten gevaar te bevinden.

In een gevaarlijke zone mogen slechts die krijgsgevangenen tijdelijk worden gehouden die, wegens hun verwondingen of ziekten, groter gevaar zouden lopen indien zij werden afgevoerd, dan indien zij ter plaatse zouden blijven.

Krijgsgevangenen mogen, in afwachting van hun afvoer uit een gevechtszone, niet onnodig aan gevaar worden blootgesteld.

Artikel 20

Het afvoeren van krijgsgevangenen moet steeds op menslievende wijze geschieden en onder omstandigheden, gelijk aan die waaronder troepen van de gevangenhoudende Mogendheid worden verplaatst.

De gevangenhoudende Mogendheid moet gedurende het afvoeren aan de krijgsgevangenen in voldoende hoeveelheid drinkwater en voedsel verschaffen, zomede de nodige kleding en geneeskundige verzorging; zij zal alle vereiste voorzorgen nemen om hun veiligheid gedurende het afvoeren te waarborgen en zo spoedig mogelijk een lijst opstellen van de krijgsgevangenen die worden afgevoerd.

Indien de krijgsgevangenen, gedurende het afvoeren, in een doorgangskamp moeten verblijven, moet dit verblijf zo kort mogelijk zijn.

AFDELING II. Internering van krijgsgevangenen

HOOFDSTUK I. Algemene Bepalingen

Artikel 21

De gevangenhoudende Mogendheid mag krijgsgevangenen aan internering onderwerpen. Zij mag hun de verplichting opleggen zich niet verder dan tot op een bepaalde afstand van het kamp waarin zij zijn geïnterneerd, te verwijderen dan wel, indien het kamp is afgesloten, zich niet buiten de afsluiting te begeven. Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag betreffende de strafrechtelijke en krijgstuchtelijke sancties, mogen deze krijgsgevangenen slechts worden opgesloten of geconsigneerd indien deze maatregel noodzakelijk blijkt ter bescherming van hun gezondheid en dan alleen zolang de omstandigheden welke het nemen van die maatregel noodzakelijk hebben gemaakt, voortduren.

Krijgsgevangenen kunnen op erewoord of belofte in algehele of gedeeltelijke vrijheid worden gesteld, voor zover de wetten van de Mogendheid tot welke zij behoren, hun zulks veroorloven. Deze maatregel zal in het bijzonder worden genomen in de gevallen waarin deze kan strekken tot verbetering van de gezondheidstoestand der krijgsgevangenen. Geen gevangene zal worden gedwongen zijn vrijheid op erewoord of belofte te aanvaarden.

Bij het uitbreken der vijandelijkheden zal iedere Partij bij het conflict de tegenpartij in kennis stellen met de wetten en reglementen welke haar onderdanen veroorloven of verbieden vrijheid op erewoord of belofte te aanvaarden. Krijgsgevangenen, vrijgelaten op erewoord of belofte overeenkomstig de aldus medegedeelde wetten en reglementen, zijn op eigen eer verplicht zowel tegenover de Mogendheid tot welke zij behoren, als tegenover de Mogendheid die hen gevangen heeft genomen, nauwgezet de verplichtingen na te komen, waartoe zij zich hebben verbonden. In zodanige gevallen is de Mogendheid tot welke zij behoren, gehouden van hen geen enkele, dienst te eisen of te aanvaarden, welke in strijd zou zijn met hun gegeven woord of belofte.

Artikel 22

Krijgsgevangenen mogen alleen worden geïnterneerd in lokaliteiten welke op de vaste wal zijn gelegen en alle waarborgen bieden voor hygiëne en gezondheid; behoudens in bijzondere gevallen waarin het belang van de krijgsgevangenen zelf zulks rechtvaardigt, mogen zij niet in strafinrichtingen worden geïnterneerd.

Krijgsgevangenen die geïnterneerd zijn in ongezonde streken of in streken waar het klimaat voor hen schadelijk is, moeten zo spoedig mogelijk worden overgebracht naar streken met een gunstiger klimaat.

De gevangenhoudende Mogendheid zal de krijgsgevangenen in de kampen of kampafdelingen indelen naar hun nationaliteit, taal en gewoonten, met dien verstande, dat zij niet worden gescheiden van de krijgsgevangenen, behorend tot de gewapende macht waarbij zij dienden op het tijdstip van hun gevangenneming, tenzij zij daarin mochten toestemmen.

Artikel 23

Geen krijgsgevangene mag, op welk tijdstip ook, worden gezonden naar of vastgehouden in een streek waar hij zou zijn blootgesteld aan het vuur van de gevechtszone; evenmin mag hij worden gebruikt om door zijn aanwezigheid bepaalde punten of streken te vrijwaren voor militaire operaties.

Krijgsgevangenen moeten, in dezelfde mate als de burgerbevolking ter plaatse, kunnen beschikken over schuilplaatsen tegen luchtbombardementen en andere oorlogsgevaren; met uitzondering van hen die mochten deelnemen aan de bescherming van hun verblijven tegen bovengenoemde gevaren, moeten zij zich zo spoedig mogelijk na het alarmsignaal naar de schuilplaatsen kunnen begeven. Iedere andere beschermende maatregel welke ten behoeve van de bevolking wordt genomen, zal evenzeer op hen van toepassing zijn.

De gevangenhoudende Mogendheden zullen, door tussenkomst van de beschermende Mogendheden, aan de belanghebbende Mogendheden mededeling doen van alle vereiste gegevens betreffende de aardrijkskundige ligging der krijgsgevangenkampen.

Telkens wanneer overwegingen van militaire aard zulks veroorloven, zullen krijgsgevangenkampen overdag kenbaar worden gemaakt door de letters PG of PW, zodanig aangebracht, dat zij uit de lucht duidelijk zichtbaar zijn; echter kunnen de belanghebbende Mogendheden een ander middel van aanduiding overeenkomen. Alleen krijgsgevangenkampen mogen op deze wijze worden aangeduid.

Artikel 24

Doorgangs- of indelingskampen van blijvende aard zullen op soortgelijke wijze als in deze Afdeling voorgeschreven worden ingericht; de krijgsgevangenen zullen daar dezelfde behandeling als in andere kampen ontvangen.

HOOFDSTUK II. Huisvesting, voeding en kleding van krijgsgevangenen

Artikel 25

De huisvesting van krijgsgevangenen moet voldoen aan voorwaarden, even gunstig als die voor de in dezelfde streek gelegerde troepen van de gevangenhoudende Mogendheid. Deze voorwaarden moeten rekening houden met de zeden en gewoonten der krijgsgevangenen en mogen in geen geval schadelijk zijn voor hun gezondheid.

De voorgaande bepalingen gelden in het bijzonder voor de slaapzalen van de krijgsgevangenen, zowel wat betreft de totaaloppervlakte en minimum luchtinhoud als de algemene inrichting en het nachtleger, dekens inbegrepen.

De lokaliteiten, zowel die bestemd voor individueel als voor collectief gebruik door krijgsgevangenen, moeten geheel vochtvrij zijn en voldoende verwarmd en verlicht, in het bijzonder tussen het invallen van de duisternis en het doven van de lichten. Alle voorzorgen tegen brandgevaar moeten worden genomen.

In alle kampen waarin behalve mannelijke ook vrouwelijke krijgsgevangenen zijn ondergebracht, moet in afzonderlijke slaapzalen worden voorzien.

Artikel 26

Het dagelijks voedselrantsoen moet, wat hoeveelheid, hoedanigheid en afwisseling betreft, voldoende zijn om de krijgsgevangenen in goede gezondheid te houden en gewichtsverlies of stoornissen door gemis aan bepaalde stoffen te voorkomen. Rekening moet ook worden gehouden met de voeding waaraan de krijgsgevangenen gewend waren.

De gevangenhoudende Mogendheid zal aan krijgsgevangenen die arbeid verrichten, de extra voeding verstrekken, nodig om de arbeid waarvoor zij worden gebruikt, te kunnen verrichten.

Voldoende drinkwater moet aan de krijgsgevangenen worden verstrekt. Het gebruik van tabak is geoorloofd.

Krijgsgevangenen zullen zoveel mogelijk deel hebben aan de bereiding van hun maaltijden; zij mogen daartoe te werk worden gesteld in de keukens. Zij zullen bovendien de middelen ontvangen om zelf het extra voedsel waarover zij mochten beschikken, toe te bereiden.

Behoorlijke lokaliteiten voor het nuttigen der maaltijden moeten beschikbaar zijn.

Alle collectieve krijgstuchtelijke maatregelen met betrekking tot de voeding zijn verboden.

Artikel 27

Boven- en onderkleding en schoeisel moeten in voldoende hoeveelheid aan krijgsgevangenen worden verstrekt door de gevangenhoudende Mogendheid, die rekening moet houden met het klimaat van de streek waar de gevangenen zich bevinden. De uniformen van de vijandelijke krijgsmacht, buitgemaakt door de gevangenhoudende Mogendheid, zullen, indien deze geschikt zijn voor het klimaat van het land, worden gebruikt voor het kleden van krijgsgevangenen.

In de vervanging en herstelling van deze goederen zal de gevangenhoudende Mogendheid geregeld voorzien. Bovendien zullen krijgsgevangenen die arbeid verrichten, overal waar de aard van de arbeid zulks vereist, daartoe geschikte kleding ontvangen.

Artikel 28

In alle kampen zullen cantines worden ingericht, waar de krijgsgevangenen zich levensmiddelen, voorwerpen voor dagelijks gebruik, zeep en tabak kunnen aanschaffen, waarvan de verkoopsprijs in geen geval de handelsprijs ter plaatse mag te boven gaan.

De winsten van de cantines zullen worden aangewend ten behoeve van de krijgsgevangenen; een speciaal fonds zal daartoe worden gesticht. De vertrouwensman heeft het recht mede te werken aan de administratie van de cantine en aan het beheer van het fonds.

Bij de opheffing van een kamp zal het batig saldo van het speciale fonds aan een internationale humanitaire organisatie worden overgedragen, ten einde te worden gebruikt ten behoeve van krijgsgevangenen van dezelfde nationaliteit als degenen die hebben bijgedragen tot de vorming van het fonds. In geval van algemene repatriëring zullen de saldi door de gevangenhoudende Mogendheid worden behouden, tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken Mogendheden.

HOOFDSTUK III. Hygiëne en geneeskundige verzorging

Artikel 29

De gevangenhoudende Mogendheid is gehouden alle maatregelen op hygiënisch gebied te nemen, welke nodig zijn om de zindelijkheid der kampen en een goede gezondheidstoestand daarin te verzekeren en epidemieën te voorkomen.

Krijgsgevangenen moeten dag en nacht kunnen beschikken over privaten en urinoirs welke in overeenstemming zijn met de regels der hygiëne en in een voortdurende staat van zindelijkheid worden gehouden. Kampen waarin vrouwelijke krijgsgevangenen verblijf houden, moeten van afzonderlijke privaten voor haar zijn voorzien.

Bovendien moeten, onafhankelijk van de baden en douches waarvan de kampen moeten zijn voorzien, aan de krijgsgevangenen water en zeep in voldoende hoeveelheid worden verstrekt voor hun dagelijkse lichaamsverzorging en voor het wassen van hun linnengoed; daartoe zullen de nodige installaties te hunner beschikking worden gesteld, alsmede de nodige gelegenheid en tijd worden gegeven.

Artikel 30

Ieder kamp moet voorzien zijn van een behoorlijk ziekenverblijf, waar de krijgsgevangenen alle verzorging welke zij nodig mochten hebben, zomede een passende dieetvoeding kunnen ontvangen. Zo nodig zullen isolatie-vertrekken worden bestemd voor gevallen van besmettelijke of geestesziekten.

Krijgsgevangenen, lijdende aan een ernstige ziekte of wier toestand een bijzondere behandeling, operatief ingrijpen of verzorging in een ziekenhuis noodzakelijk maakt, moeten worden opgenomen in een militaire of burgerinrichting welke geschikt is om hen te behandelen, ook indien het in de bedoeling ligt hen spoedig te repatriëren. Bijzondere faciliteiten zullen worden verleend voor de verzorging van gebrekkigen, in het bijzonder van blinden, en voor hun revalidatie, in afwachting van hun repatriëring.

Bij voorkeur zullen krijgsgevangenen worden behandeld door geneeskundig personeel van de Mogendheid tot welke zij behoren, en, zo mogelijk, van hun eigen nationaliteit.

Krijgsgevangenen mag niet worden verhinderd zich bij de geneeskundige autoriteiten voor onderzoek aan te melden. De gevangenhoudende autoriteiten zullen aan iedere behandelde krijgsgevangene op diens verzoek een officiële verklaring verstrekken, welke de aard van zijn verwondingen of ziekte, en de duur en aard van zijn behandeling vermeldt. Een duplicaat van deze verklaring zal aan het Centraal Bureau voor Krijgsgevangenen worden gezonden.

De kosten van behandeling, waaronder begrepen die van ieder apparaat dat nodig is om de krijgsgevangenen in goede gezondheid te houden, in het bijzonder tand- of andere prothesen en brillen, zullen ten laste komen van de gevangenhoudende Mogendheid.

Artikel 31

Ten minste éénmaal per maand zullen geneeskundige inspecties van de krijgsgevangenen worden gehouden. Daarbij zal tevens het lichaamsgewicht van iedere krijgsgevangene worden nagegaan en geregistreerd. Deze inspecties hebben in het bijzonder ten doel de algemene gezondheids- en voedingstoestand en staat van zindelijkheid der krijgsgevangenen te contrôleren, zomede besmettelijke ziekten, in het bijzonder tuberculose, malaria en geslachtsziekten, op te sporen. Te dien einde zal gebruik worden gemaakt van de meest doelmatige methoden waarover kan worden beschikt, zoals het periodiek radiografisch kleinbeeldonderzoek tot ontdekking van tuberculose in haar eerste stadium.

Artikel 32

Van krijgsgevangenen die, hoewel niet aan de Geneeskundige Dienst der gewapende macht verbonden, geneesheer, tandheelkundige, verpleger of verpleegster zijn, mag door de gevangenhoudende Mogendheid worden verlangd, dat zij hun geneeskundige of verplegende functie uitoefenen in het belang van de krijgsgevangenen die tot dezelfde Mogendheid als zij zelf behoren. In dat geval blijven zij krijgsgevangenen, maar moeten zij op dezelfde wijze worden behandeld als de overeenkomstige leden van het geneeskundig personeel, die door de gevangenhoudende Mogendheid zijn aangehouden. Zij zijn dan vrijgesteld van iedere andere arbeid welke hun op grond van artikel 49 zou kunnen worden opgelegd.

HOOFDSTUK IV. Geneeskundig personeel en geestelijken, aangehouden voor hulp en bijstand aan krijgsgevangenen

Artikel 33

Leden van het geneeskundig personeel en geestelijken, aangehouden door de gevangenhoudende Mogendheid ten einde hulp en bijstand te verlenen aan krijgsgevangenen, zullen niet als krijgsgevangenen worden beschouwd. Niettemin zullen zij ten minste alle voordelen en de bescherming van dit Verdrag genieten, alsmede alle faciliteiten welke nodig zijn voor het verlenen van hun geneeskundige hulp en geestelijke bijstand aan de krijgsgevangenen.

In het kader van de militaire wetten en reglementen van de gevangenhoudende Mogendheid en onder het toezicht van de bevoegde diensten van deze Mogendheid, zullen zij, in overeenstemming met hun ethische opvattingen omtrent hun beroep, hun geneeskundige of geestelijke werkzaamheden voortzetten ten behoeve van de krijgsgevangenen, bij voorkeur van de strijdkrachten waartoe zij behoren. Voor de vervulling van hun geneeskundige of geestelijke taak genieten zij bovendien de volgende faciliteiten:

  • a. Zij zijn gemachtigd op geregelde tijden de krijgsgevangenen die zich in werkgroepen of hospitalen buiten het kamp bevinden, te bezoeken. De gevangenhoudende Mogendheid zal voor dit doel de benodigde vervoermiddelen te hunner beschikking stellen.
  • b. In ieder kamp is de oudste militaire arts in de hoogste rang tegenover de militaire autoriteiten van het kamp verantwoordelijk voor de werkzaamheden van het aangehouden geneeskundig personeel. Te dien einde zullen de Partijen bij het conflict zich van het uitbreken der vijandelijkheden af met elkander verstaan omtrent de overeenstemming van de rangen van haar geneeskundig personeel, met inbegrip van het personeel van de verenigingen, bedoeld in artikel 26 van het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, van 12 Augustus 1949. Voor alle aangelegenheden, voortvloeiende uit hun taak, hebben deze arts en de geestelijken rechtstreeks toegang tot de bevoegde autoriteiten van het kamp. Deze zullen hun alle faciliteiten verlenen, nodig voor de met deze aangelegenheden verband houdende correspondentie.
  • c. Het aangehouden personeel, hoewel onderworpen aan de interne discipline van het kamp waarin het zich bevindt, mag niet tot enige werkzaamheid, buiten zijn geneeskundige of geestelijke taak vallend, worden gedwongen.

Gedurende de vijandelijkheden zullen de Partijen bij het conflict zich met elkander verstaan omtrent een mogelijke aflossing van het aangehouden personeel en de regeling daarvan vaststellen.

Geen der voorgaande bepalingen ontheft de gevangenhoudende Mogendheid van de verplichtingen welke op haar rusten met betrekking tot de geneeskundige en geestelijke verzorging van de krijgsgevangenen.

HOOFDSTUK V. Godsdienst, studie en lichaamsoefeningen

Artikel 34

Krijgsgevangenen genieten volledige vrijheid om hun godsdienstplichten te vervullen, waaronder begrepen het bijwonen van hun eredienst, mits zij zich gedragen naar de door de militaire autoriteiten voorgeschreven maatregelen van orde.

Behoorlijke lokaliteiten zullen voor de godsdienstoefeningen ter beschikking worden gesteld.

Artikel 35

De tot de strijdkrachten behorende geestelijken die in handen van de vijandelijke Mogendheid vallen en die gebleven of aangehouden zijn om krijgsgevangenen bij te staan, zijn bevoegd hun geestelijke bijstand te verlenen en hun ambt vrijelijk onder hun geloofsgenoten uit te oefenen overeenkomstig hun godsdienstige gewetensplicht. Zij zullen worden verdeeld over de verschillende kampen en werkgroepen waarin zich krijgsgevangenen bevinden, die tot dezelfde krijgsmacht behoren, dezelfde taal spreken of dezelfde godsdienst belijden. Zij zullen de nodige faciliteiten genieten en in het bijzonder gebruik kunnen maken van de in artikel 33 bedoelde vervoermiddelen, ten einde de krijgsgevangenen buiten hun kamp te bezoeken. Onverminderd de censuur, genieten zij voor hun ambtelijke aangelegenheden vrijheid van correspondentie met de kerkelijke autoriteiten van het gevangenhoudende land en internationale godsdienstige organisaties. De brieven en briefkaarten welke zij tot dat doel verzenden, vallen buiten de aantallen, bedoeld in artikel 71.

Artikel 36

Krijgsgevangenen die bedienaars van een eredienst zijn, zonder aan hun eigen strijdkrachten als geestelijken verbonden te zijn geweest, zijn bevoegd, welke hun gezindte ook moge zijn, hun ambt vrijelijk onder hun geloofsgenoten uit te oefenen. Zij zullen te dien einde op dezelfde wijze worden behandeld als de door de gevangenhoudende Mogendheid aangehouden geestelijken. Zij mogen niet tot enige andere arbeid worden verplicht.

Artikel 37

Wanneer krijgsgevangenen niet beschikken over de bijstand van een aangehouden geestelijke der strijdkrachten of van een krijgsgevangen bedienaar van hun eredienst, zal, op verzoek van de belanghebbende krijgsgevangenen, een geestelijke die hun eigen dan wel een aanverwant geloof belijdt, of, bij gebreke daarvan, een daartoe bekwame leek, indien zulks uit confessioneel oogpunt mogelijk is, worden aangewezen om deze taak te vervullen. Deze aanwijzing, welke onderworpen is aan de goedkeuring van de gevangenhoudende Mogendheid, zal geschieden met instemming van de gemeenschap der betrokken krijgsgevangenen en, waar nodig, met goedkeuring van de plaatselijke geestelijke overheid van dezelfde geloofsbelijdenis. De aldus aangewezene moet zich gedragen naar alle voorschriften, door de gevangenhoudende Mogendheid vastgesteld in het belang van de orde en tucht en de militaire veiligheid.

Artikel 38

Vrijheid latend aan de persoonlijke voorkeur van iedere krijgsgevangene, zal de gevangenhoudende Mogendheid bezigheden van intellectuele, opvoedende, ontspannende en sportieve aard onder de krijgsgevangenen aanmoedigen; zij zal de nodige maatregelen nemen om de uitoefening daarvan te verzekeren door geschikte lokaliteiten en het benodigd materieel te hunner beschikking te stellen.

Krijgsgevangenen moeten gelegenheid hebben zich aan lichaamsoefeningen, sport en spel inbegrepen, te wijden en van de buitenlucht te genieten. Daartoe zal in alle kampen worden voorzien in voldoende open ruimten.

HOOFDSTUK VI. Krijgstucht

Artikel 39

Ieder krijgsgevangenkamp zal worden geplaatst onder het rechtstreeks gezag van een verantwoordelijk officier, die behoort tot de geregelde krijgsmacht van de gevangenhoudende Mogendheid. Deze officier moet in het bezit zijn van de tekst van dit Verdrag, moet zorg dragen, dat de bepalingen daarvan bekend zijn aan het personeel dat onder zijn bevelen staat, en zal, onder toezicht van zijn Regering, verantwoordelijk zijn voor de toepassing van het Verdrag.

Met uitzondering van officieren, zijn krijgsgevangenen de militaire groet en de uiterlijke eerbewijzen, voorgeschreven in de voor hun eigen gewapende macht van kracht zijnde reglementen, verschuldigd aan alle officieren van de gevangenhoudende Mogendheid.

Krijgsgevangen officieren zijn alleen gehouden de militaire groet te brengen aan officieren van hogere rang van de gevangenhoudende Mogendheid; echter zijn zij die groet verschuldigd aan de kampcommandant, onverschillig welke rang hij bekleedt.

Artikel 40

Het dragen van onderscheidingstekenen van rang en nationaliteit, evenals van decoraties, is geoorloofd.

Artikel 41

In ieder kamp zal de tekst van dit Verdrag en van de bijlagen, zomede de inhoud van alle bijzondere overeenkomsten, bedoeld in artikel 6, in de taal van de krijgsgevangenen, worden aangeslagen op plaatsen waar alle krijgsgevangenen deze kunnen lezen. Op verzoek zullen afschriften worden verstrekt aan de krijgsgevangenen die niet in de gelegenheid zijn van de aangeslagen tekst kennis te nemen.

Voorschriften, orders, waarschuwingen en bekendmakingen van iedere aard, betrekking hebbend op het gedrag der krijgsgevangenen, zullen hun worden medegedeeld in een voor hen begrijpelijke taal; zij zullen op de hierboven voorgeschreven wijze worden aangeslagen en exemplaren daarvan zullen aan de vertrouwensman ter hand worden gesteld. Alle orders en bevelen, tot krijgsgevangenen persoonlijk gericht, moeten eveneens worden gegeven in een voor hen begrijpelijke taal.

Artikel 42

Het gebruik van wapens tegen krijgsgevangenen, in het bijzonder tegen krijgsgevangenen die ontvluchten of pogen te ontvluchten, mag niet dan als uiterst middel worden toegepast en moet steeds worden voorafgegaan door sommaties welke in overeenstemming zijn met de omstandigheden.

HOOFDSTUK VII. Rangen van krijgsgevangenen

Artikel 43

Bij het uitbreken der vijandelijkheden zullen de Partijen bij het conflict elkander mededeling doen van de titels en rangen van alle personen, vermeld in artikel 4 van dit Verdrag, ten einde gelijkheid in de behandeling van gevangenen van overeenkomstige rang te verzekeren; indien titels en rangen later worden ingesteld, zal daarvan op gelijke wijze mededeling worden gedaan.

De gevangenhoudende Mogendheid zal de bevorderingen in rang erkennen, welke aan krijgsgevangenen zijn toegekend en waarvan haar behoorlijk mededeling is gedaan door de Mogendheid tot welke zij behoren.

Artikel 44

Officieren en met hen gelijkgestelde krijgsgevangenen moeten worden behandeld met de aan hun rang en leeftijd verschuldigde achting.

Ten einde de bediening in officierskampen te verzekeren, zullen daarbij krijgsgevangen soldaten van dezelfde krijgsmacht, en zoveel mogelijk dezelfde taal sprekend, in voldoend aantal worden gedetacheerd, met inachtneming van de rang der officieren en met hen gelijkgestelden; aan deze oppassers mag geen andere arbeid worden opgedragen.

Het voeren van de huishouding door de officieren zelf moet zoveel mogelijk worden bevorderd.

Artikel 45

Krijgsgevangenen, niet behorend tot de officieren of met hen gelijkgestelden, moeten worden behandeld met de aan hun rang en leeftijd verschuldigde achting.

Het voeren van de huishouding door de krijgsgevangenen zelf moet zoveel mogelijk worden bevorderd.

HOOFDSTUK VIII. Overbrengen van krijgsgevangenen na hun aankomst in een kamp

Artikel 46

Wanneer de gevangenhoudende Mogendheid besluit krijgsgevangenen over te brengen, moet zij rekening houden met de belangen van de krijgsgevangenen zelf, ten einde in het bijzonder de moeilijkheden van hun repatriëring niet te vergroten.

Het overbrengen van krijgsgevangenen moet steeds op menslievende wijze geschieden en onder omstandigheden welke niet minder gunstig mogen zijn dan die waaronder troepen van de gevangenhoudende Mogendheid worden verplaatst. Er moet steeds rekening worden gehouden met de klimatologische omstandigheden waaraan de krijgsgevangenen gewend zijn, en de omstandigheden waaronder de overbrenging plaats vindt, mogen in geen geval schadelijk zijn voor hun gezondheid.

De gevangenhoudende Mogendheid moet gedurende de overbrenging drinkwater en voedsel in voldoende hoeveelheid aan de krijgsgevangenen verschaffen om hen in goede gezondheid te houden, zomede de nodige kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging. Zij zal alle vereiste voorzorgen nemen om hun veiligheid gedurende het overbrengen te waarborgen, in het bijzonder ingeval de reis over zee of door de lucht geschiedt, en zal vóór hun vertrek een volledige lijst opstellen van de gevangenen die worden overgebracht.

Artikel 47

Zieke of gewonde krijgsgevangenen mogen niet worden overgebracht zolang hun herstel door de reis in gevaar zou kunnen worden gebracht, tenzij hun veiligheid zulks gebiedend vereist.

Indien het gevechtsfront een kamp nadert, mogen de krijgsgevangenen in dit kamp alleen dan worden overgebracht indien hun overbrenging kan plaats vinden onder omstandigheden welke voldoende kans op veiligheid bieden, of indien zij groter gevaar lopen door ter plaatse te blijven dan door te worden overgebracht.

Artikel 48

In geval van overbrenging zullen krijgsgevangenen officieel in kennis worden gesteld met hun vertrek en nieuw postadres; deze mededeling zal hun zo tijdig worden gedaan, dat zij hun bagage kunnen pakken en hun familie waarschuwen.

Hun zal worden toegestaan hun persoonlijke bezittingen, hun correspondentie en de door hen ontvangen pakketten mede te nemen; het gewicht van deze goederen mag, indien de omstandigheden van de overbrenging zulks vereisen, worden beperkt tot hetgeen de krijgsgevangene redelijkerwijze kan dragen; in geen geval mag het gewicht vijf en twintig kilogram te boven gaan.

Correspondentie en postpakketten, aan hun vroeger kamp geadresseerd, zullen hun onverwijld worden nagezonden. De kampcommandant zal, in overleg met de vertrouwensman, de nodige maatregelen nemen om te voorzien in het vervoer van de gemeenschappelijke goederen der krijgsgevangenen en van de bagage welke zij niet kunnen medenemen ten gevolge van beperkingen, opgelegd op grond van het tweede lid van dit artikel.

De vervoerkosten zullen ten laste komen van de gevangenhoudende Mogendheid.

AFDELING III. Arbeid van krijgsgevangenen

Artikel 49

De gevangenhoudende Mogendheid mag gezonde krijgsgevangenen voor arbeid gebruiken, rekening houdend met hun leeftijd, sekse, rang en lichamelijke geschiktheid, en in het bijzonder met het doel om hen lichamelijk en geestelijk in goede gezondheid te houden.

Aan krijgsgevangen onderofficieren mogen alleen toeziende werkzaamheden worden opgedragen. Degenen die daartoe niet zijn aangewezen, kunnen om andere passende arbeid vragen, welke hun dan, voor zover mogelijk, zal worden verschaft.

Indien officieren of met hen gelijkgestelden om passende arbeid vragen, zal hun die, voor zover mogelijk, worden verschaft. In geen geval mogen zij tot het verrichten van arbeid worden verplicht.

Artikel 50

Naast werkzaamheden in verband met de administratie, de inrichting of het onderhoud van hun kamp, mogen krijgsgevangenen tot geen andere werkzaamheden worden verplicht dan die welke behoren tot één van de volgende categorieën:

  • a. landbouw;
  • b. grondstoffen-winnende of -bewerkende industrieën; verwerkende industrieën, met uitzondering van metaal-, machine- en chemische industrieën; openbare werken en bouwwerken welke geen militaire aard of bestemming hebben;
  • c. vervoer en opslag van goederen, zonder militair karakter of militaire bestemming;
  • d. werkzaamheden op het gebied van de handel, ambacht of kunstnijverheid;
  • e. huishoudelijke diensten;
  • f. openbare nutsbedrijven zonder militair karakter of militaire bestemming.

In geval van schending van bovenstaande bepalingen, zijn de krijgsgevangenen bevoegd hun recht van beklag uit te oefenen, overeenkomstig artikel 78.

Artikel 51

De arbeidsvoorwaarden voor krijgsgevangenen moeten behoorlijk zijn, in het bijzonder wat betreft huisvesting, voeding, kleding en materiaal; deze voorwaarden mogen niet achterstaan bij die waaronder soortgelijke arbeid wordt verricht door onderdanen van de gevangen gehouden Mogendheid; eveneens moet rekening worden gehouden met klimatologische omstandigheden.

De gevangenhoudende Mogendheid die van de arbeid van krijgsgevangenen gebruik maakt, zal in de streken waar deze gevangenen arbeiden, zorg dragen, dat de nationale wetten op het gebied van de arbeidsbescherming en, meer in het bijzonder, de voorschriften ter beveiliging van arbeiders behoorlijk worden toegepast.

De krijgsgevangenen moeten voor het werk worden opgeleid en worden voorzien van de beveiligingsmiddelen, passend bij de door hen te verrichten arbeid en overeenkomend met die welke voorgeschreven zijn voor de onderdanen van de gevangenhoudende Mogendheid. Onverminderd de bepalingen van artikel 52, mogen krijgsgevangenen worden blootgesteld aan de normale risico's welke burgerwerklieden lopen.

In geen geval mogen de arbeidsomstandigheden worden verzwaard door krijgstuchtelijke maatregelen.

Artikel 52

Geen krijgsgevangene mag worden gebruikt voor werkzaamheden van ongezonde of gevaarlijke aard, tenzij vrijwillig.

Geen krijgsgevangene mag worden gebruikt voor arbeid welke als vernederend zou worden beschouwd voor een lid van de gewapende macht der gevangenhoudende Mogendheid.

Het ruimen van mijnen en ander, soortgelijk oorlogstuig wordt beschouwd als gevaarlijk werk.

Artikel 53

De duur van de dagelijkse arbeid der krijgsgevangenen, waaronder begrepen de tijd voor de heen- en terugweg, mag niet overmatig lang zijn en in geen geval langer dan die welke geoorloofd is voor burgerwerklieden ter plaatse, onderdanen van de gevangenhoudende Mogendheid die dezelfde arbeid verrichten.

Aan krijgsgevangenen moet, in het midden van de dagelijkse arbeidstijd, een rusttijd van ten minste één uur worden toegestaan; deze rusttijd zal gelijk zijn aan die welke is vastgesteld voor de arbeiders van de gevangenhoudende Mogendheid, indien deze van langere duur is. Ook zal hun wekelijks een rusttijd van vier en twintig uur aan één stuk worden toegestaan, bij voorkeur op Zondag of op de in hun land van herkomst geldende rustdag. Bovendien zal iedere krijgsgevangene die een jaar heeft gewerkt, acht achtereenvolgende dagen rust genieten, gedurende welke tijd zijn werkvergoeding hem zal worden uitbetaald.

Indien werkmethoden zoals stukwerk worden toegepast, mogen deze de werkduur niet overmatig lang maken.

Artikel 54

De aan krijgsgevangenen verschuldigde werkvergoeding zal worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 62 van dit Verdrag.

Krijgsgevangenen die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval of ziek worden gedurende of ten gevolge van hun arbeid, zullen alle verzorging ontvangen welke hun toestand noodzakelijk maakt. Bovendien zal de gevangenhoudende Mogendheid hun een geneeskundig attest verstrekken om hen in staat te stellen hun rechten te doen gelden bij de Mogendheid tot welke zij behoren, en een duplicaat daarvan doen toekomen aan het Centraal Bureau voor Krijgsgevangenen, bedoeld in artikel 123.

Artikel 55

De geschiktheid van krijgsgevangenen om te arbeiden moet op gezette tijden en ten minste éénmaal per maand door geneeskundig onderzoek worden gecontroleerd. Bij dat onderzoek moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de aard der werkzaamheden welke van de krijgsgevangenen worden verlangd.

Indien een krijgsgevangene zich niet in staat acht te arbeiden, zal hem worden toegestaan zich te melden bij de geneeskundige autoriteiten van zijn kamp; de geneesheren kunnen aanbevelen, dat krijgsgevangenen die naar hun mening niet geschikt zijn om te arbeiden, daarvan worden vrijgesteld.

Artikel 56

De organisatie en administratie van werkgroepen moeten overeenstemmen met die van krijgsgevangenkampen.

Iedere werkgroep zal onder het toezicht van een krijgsgevangenkamp en daarvan administratief afhankelijk blijven. De militaire autoriteiten en de commandant van dat kamp zullen, onder leiding van hun Regering, verantwoordelijk zijn voor de naleving van de bepalingen van dit Verdrag in de werkgroepen.

De kampcommandant zal dagelijks een lijst bijhouden van de werkgroepen welke tot zijn kamp behoren, en daarvan mededeling doen aan de gedelegeerden van de beschermende Mogendheid, het Internationale Comité van het Rode Kruis of andere organisaties tot hulpverlening aan krijgsgevangenen, die het kamp mochten bezoeken.

Artikel 57

De behandeling van krijgsgevangenen die voor particulieren arbeiden, zal, ook indien deze hen onder eigen verantwoordelijkheid bewaken en beschermen, ten minste gelijk zijn aan die welke dit Verdrag voorschrijft; de gevangenhoudende Mogendheid, de militaire autoriteiten en de commandant van het kamp waartoe deze gevangenen behoren, zullen de volle verantwoordelijkheid dragen voor het onderhoud, de verzorging, de behandeling en de betaling van de werkvergoeding van deze krijgsgevangenen.

Deze krijgsgevangenen hebben het recht in verbinding te blijven met de vertrouwensmannen in de kampen waartoe zij behoren.

AFDELING IV. Geldmiddelen van krijgsgevangenen

Artikel 58

Bij het uitbreken der vijandelijkheden en in afwachting van een overeenkomst dienaangaande met de beschermende Mogendheid, kan de gevangenhoudende Mogendheid vaststellen welk bedrag krijgsgevangenen ten hoogste aan contant geld of in een soortgelijke vorm bij zich mogen hebben. Alle daarbovengaande bedragen welke op wettige wijze in hun bezit waren en welke hun ontnomen of onthouden zijn, zullen, evenals alle door hen in bewaring gegeven bedragen, op hun rekening worden geboekt en mogen zonder hun toestemming niet in een andere muntsoort worden omgerekend.

Wanneer het krijgsgevangenen geoorloofd is tegen contante betaling buiten het kamp inkopen te doen of voor zich diensten te doen verrichten, zullen deze betalingen worden gedaan door de krijgsgevangenen zelf of door de kampadministratie, die deze ten laste van de rekening van de betrokken krijgsgevange zal brengen. De gevangenhoudende Mogendheid zal terzake de nodige voorschriften geven.

Artikel 59

Contante bedragen in de muntsoort van de gevangenhoudende Mogendheid, welke aan krijgsgevangenen, overeenkomstig artikel 18, op het ogenblik van hun gevangenneming zijn ontnomen, zullen op de rekening van ieder afzonderlijk worden tegoedgeschreven, overeenkomstig de bepalingen van artikel 64 van deze Afdeling.

Op deze rekening zullen eveneens worden toegoedgeschreven de contante bedragen in de muntsoort van de gevangenhoudende Mogendheid, welke verschuldigd zijn op grond van de omrekening van contante bedragen in andere muntsoorten, welke tegelijkertijd aan de krijgsgevangenen zijn ontnomen.

Artikel 60

De gevangenhoudende Mogendheid zal aan alle krijgsgevangenen een maandelijks voorschot verstrekken op de bezoldiging, waarvan het bedrag zal worden vastgesteld door omrekening in de muntsoort van genoemde Mogendheid van de volgende bedragen:

  • Groep I:. krijgsgevangenen beneden de rang van sergeant: acht Zwitserse francs;
  • Groep II:. sergeanten en andere onderofficieren of krijgsgevangenen van overeenkomstige rang: twaalf Zwitserse francs;
  • Groep III:. officieren tot en met de rang van kapitein of krijgsgevangenen van overeenkomstige rang: vijftig Zwitserse francs;1)Volgens de Engelse tekst behoren ook de „warrant officers” tot deze groep.
  • Groep IV:. majoors, luitenant-kolonels, kolonels of krijgsgevangenen van overeenkomstige rang: zestig Zwitserse francs;
  • Groep V:. opperofficieren of krijgsgevangenen van overeenkomstige rang: vijf en zeventig Zwitserse francs.

De betrokken Partijen bij het conflict kunnen echter bij bijzondere overeenkomst wijziging brengen in het bedrag van de voorschotten op de bezoldiging welke aan krijgsgevangenen van de verschillende hierboven opgesomde groepen verschuldigd is.

Indien de bedragen, genoemd in het eerste lid van dit artikel, te hoog zouden zijn vergeleken bij de bezoldiging welke wordt betaald aan de leden van de krijgsmacht van de gevangenhoudende Mogendheid, of indien zij, om welke reden ook, deze Mogendheid in ernstige moeilijkheden mochten brengen, zal de gevangenhoudende Mogendheid bovendien, in afwachting van het sluiten van een bijzondere overeenkomst met de Mogendheid tot welke de krijgsgevangenen behoren, ten einde deze bedragen te wijzigen:

  • a. voortgaan de in het eerste lid genoemde bedragen op de rekeningen van de krijgsgevangenen tegoed te schrijven;
  • b. tijdelijk de bedragen welke van de voorschotten op de bezoldiging worden uitbetaald, mogen beperken tot een redelijk bedrag, hetwelk zij de krijgsgevangenen ten eigen gebruike ter beschikking zal stellen; voor de krijgsgevangenen van groep I mogen deze bedragen echter nimmer minder zijn dan die welke de gevangenhoudende Mogendheid aan de leden van haar eigen krijgsmacht betaalt.

De redenen van een zodanige beperking zullen onverwijld aan de beschermende Mogenheid worden medegedeeld.

Artikel 61

De gevangenhoudende Mogendheid zal ter verdeling de geldzendingen in ontvangst nemen, welke de Mogendheid tot welke de krijgsgevangenen behoren, hun als aanvulling op hun bezoldiging mocht doen toekomen, mits de bedragen voor iedere krijgsgevangene van dezelfde groep gelijk zijn, mits zij aan alle krijgsgevangenen van deze groep, die tot die Mogendheid behoren, worden verstrekt en mits zij zo spoedig mogelijk op de persoonlijke rekening van de krijgsgevangene worden tegoedgeschreven, overeenkomstig de bepalingen van artikel 64. Deze aanvullingen op de bezoldiging zullen de gevangenhoudende Mogendheid niet ontheffen van enige verplichting krachtens dit Verdrag.

Artikel 62

Krijgsgevangenen zullen rechtstreeks van de gevangenhoudende autoriteiten een billijke werkvergoeding ontvangen, waarvan het bedrag door genoemde autoriteiten zal worden vastgesteld, maar welke nooit minder mag zijn dan een kwart Zwitserse franc voor een volle werkdag. De gevangenhoudende Mogendheid zal aan de krijgsgevangenen, alsmede aan de Mogendheid tot welke deze behoren, door tussenkomst van de beschermende Mogendheid, mededeling doen van het bedrag van de werkvergoeding per dag dat zij heeft vastgesteld.

Evenzo zal een werkvergoeding door de gevangenhoudende autoriteiten worden verstrekt aan krijgsgevangenen die vast belast zijn met een functie of als handwerksman worden gebruikt in verband met de administratie, de interne inrichting of het onderhoud van de kampen, alsmede aan de gevangenen die aangewezen zijn om geestelijke of geneeskundige werkzaamheden ten bate van hun kameraden te verrichten.

De werkvergoeding van de vertrouwensman, van zijn medewerkers en van zijn eventuele raadslieden zal worden betaald uit het fonds dat uit de winsten van de cantine wordt gevormd. Het bedrag daarvan zal worden vastgesteld door de vertrouwensman en goedgekeurd door de kampcommandant. Indien een zodanig fonds niet bestaat, zullen de gevangenhoudende autoriteiten aan deze gevangenen een billijke werkvergoeding verstrekken.

Artikel 63

Krijgsgevangenen zijn gerechtigd geldzendingen te ontvangen, welke aan hen persoonlijk of gezamenlijk zijn gericht.

Iedere krijgsgevangene zal de beschikking hebben over het batig saldo van zijn rekening, zoals bepaald in het volgend artikel, binnen de grenzen, vastgesteld door de gevangenhoudende Mogendheid die de gevraagde betalingen zal doen. Onverminderd de financiële of monetaire beperkingen welke de gevangenhoudende Mogendheid noodzakelijk acht, zijn krijgsgevangenen gerechtigd betalingen in het buitenland te doen verrichten. In dat geval zal de gevangenhoudende Mogendheid in het bijzonder voorrang verlenen aan de betalingen welke de gevangenen doen aan de personen voor wie zij moeten zorgen.

In ieder geval mogen krijgsgevangenen, indien de Mogendheid tot welke zij behoren, daarin toestemt, betalingen doen verrichten in hun eigen land op de volgende wijze: de gevangenhoudende Mogendheid zal aan genoemde Mogendheid, door tussenkomst van de beschermende Mogendheid, een kennisgeving doen toekomen, welke alle noodzakelijke bijzonderheden bevat omtrent de krijgsgevangenen en de begunstigden, alsmede de grootte van het te betalen bedrag, uitgedrukt in de muntsoort van de gevangenhoudende Mogendheid; deze kennisgeving zal worden ondertekend door de betrokken krijgsgevangene en gecontrasigneerd door de kampcommandant. De gevangenhoudende Mogendheid zal dit bedrag van de rekening van de gevangene afschrijven; de aldus afgeschreven bedragen zal zij tegoedschrijven op de rekening van de Mogendheid tot welke de gevangenen behoren.

Voor de toepassing van de voorgaande bepalingen kan de gevangenhoudende Mogendheid met vrucht het model-reglement in bijlage V van dit Verdrag raadplegen.

Artikel 64

De gevangenhoudende Mogendheid zal voor iedere krijgsgevangene een rekening aanhouden, welke ten minste de volgende gegevens zal bevatten:

    1. de bedragen, aan de gevangene verschuldigd of door hem ontvangen als voorschot op de bezoldiging, als werkvergoeding of uit welke anderen hoofde ook; de bedragen in de muntsoort van de gevangenhoudende Mogendheid, welke aan de gevangene zijn ontnomen; de bedragen welke aan de gevangene zijn ontnomen en op zijn verzoek zijn omgerekend in de muntsoort van genoemde Mogendheid;
    1. de in contant geld of in een soortgelijke vorm aan de krijgsgevangene gedane betalingen; de voor zijn rekening en op zijn verzoek gedane betalingen; de volgens het derde lid van het voorgaand artikel overgemaakte bedragen.
Artikel 65

Iedere op de rekening van een krijgsgevangene ingeschreven post zal worden gecontrasigneerd of geparafeerd door hem zelf of door de vertrouwensman die in zijn naam handelt.

De krijgsgevangenen zullen te allen tijde redelijke faciliteiten genieten om hun rekening te raadplegen of daarvan een afschrift te verkrijgen; de rekening mag eveneens worden gecontroleerd door de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid tijdens hun bezoeken aan het kamp.

Bij het overbrengen van krijgsgevangenen van het ene kamp naar het andere, zal hun persoonlijke rekening hen volgen. In geval van overdracht van de ene gevangenhoudende Mogendheid aan een andere Mogendheid zullen hen de bedragen volgen, welke hun toebehoren en niet luiden in de muntsoort van de gevangenhoudende Mogendheid; voor alle andere bedragen welke op het tegoed van hun rekening mochten blijven staan, zal hun een bewijs worden gegeven.

De betrokken Partijen bij het conflict kunnen overeenkomen elkander, door tussenkomst van de beschermende Mogendheid en met bepaalde tussenpozen, in kennis te stellen met de stand van de rekeningen der krijgsgevangenen.

Artikel 66

Bij het einde der krijgsgevangenschap, door invrijheidstelling of repatriëring, zal de gevangenhoudende Mogendheid aan de krijgsgevangene een door een bevoegd officier ondertekende verklaring afgeven, waaruit het hem toekomend batig saldo blijkt. Bovendien zal de gevangenhoudende Mogendheid aan de Mogendheid tot welke de krijgsgevangenen behoren, door tussenkomst van de beschermende Mogendheid, lijsten doen toekomen, welke alle bijzonderheden bevatten over de gevangenen wier gevangenschap is geëindigd door repatriëring, invrijheidstelling, ontvluchting, overlijden of op enige andere wijze, en waaruit in het bijzonder blijkt het batig saldo van hun rekeningen. Iedere bladzijde van deze lijsten zal worden gewaarmerkt door een bevoegd vertegenwoordiger van de gevangenhoudende Mogendheid.

De betrokken Mogendheden kunnen bij bijzondere overeenkomst bovenstaande bepalingen geheel of gedeeltelijk wijzigen.

De Mogendheid tot welke de krijgsgevangene behoort, is er voor verantwoordelijk het batig saldo dat hem door de gevangenhoudende Mogendheid bij het einde van zijn gevangenschap is verschuldigd, met hem af te rekenen.

Artikel 67

De overeenkomstig artikel 60 aan krijgsgevangenen verstrekte voorschotten op hun bezoldiging zullen worden geacht te zijn gedaan namens de Mogendheid tot welke zij behoren; inzake deze voorschotten op de bezoldiging, benevens inzake alle krachtens artikel 63, derde lid, en artikel 68 door genoemde Mogendheid gedane betalingen, zullen tussen de betrokken Mogendheden bij het einde der vijandelijkheden regelingen worden getroffen.

Artikel 68

Ieder door een krijgsgevangene gedaan verzoek om schadevergoeding wegens enig letsel of enige invaliditeit, veroorzaakt door arbeid, zal worden medegedeeld aan de Mogendheid tot welke hij behoort, door tussenkomst van de beschermende Mogendheid. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 54 zal de gevangenhoudende Mogendheid in alle gevallen aan de krijgsgevangene een verklaring afgeven, waaruit blijkt de aard van de verwonding of invaliditeit, de omstandigheden waaronder deze is ontstaan, en de bijzonderheden over de geneeskundige of hospitaalbehandeling welke hem is verleend. Deze verklaring zal door een verantwoordelijk officier van de gevangenhoudende Mogendheid worden ondertekend en de bijzonderheden van medische aard zullen door een arts van de Geneeskundige Dienst worden gewaarmerkt.

De gevangenhoudende Mogendheid zal eveneens aan de Mogendheid tot welke de krijgsgevangenen behoren, mededeling doen van ieder verzoek om schadevergoeding dat door een gevangene is ingediend terzake van persoonlijke bezittingen, geldbedragen of voorwerpen van waarde, welke hem krachtens artikel 18 zijn ontnomen en hem bij zijn repatriëring niet zijn teruggegeven, alsmede van ieder verzoek om schadevergoeding in verband met een verlies dat de krijgsgevangene aan een fout van de gevangenhoudende Mogendheid of van één van haar ondergeschikten toeschrijft. Niettemin zal de gevangenhoudende Mogendheid op haar kosten de persoonlijke bezittingen vervangen, welke de gevangene tijdens zijn gevangenschap nodig heeft. In alle gevallen zal de gevangenhoudende Mogendheid aan de gevangene een door een verantwoordelijk officier ondertekende verklaring afgeven, welke alle nodige inlichtingen bevat omtrent de redenen waarom deze bezittingen, geldbedragen of voorwerpen van waarde hem niet zijn teruggegeven. Een afschrift van deze verklaring zal worden gezonden aan de Mogendheid tot welke de gevangene behoort, door tussenkomst van het Centraal Bureau voor Krijgsgevangenen, bedoeld in artikel 123.

AFDELING V. Betrekkingen der krijgsgevangenen met de buitenwereld

Artikel 69

Zodra zij krijgsgevangenen in haar macht heeft, zal de gevangenhoudende Mogendheid aan hen en aan de Mogendheid tot welke zij behoren, door tussenkomst van de beschermende Mogendheid, de maatregelen ter kennis brengen, welke zij tot uitvoering van de bepalingen van deze Afdeling heeft genomen. Evenzo zal zij iedere wijziging in deze maatregelen ter kennis van de betrokken Partijen brengen.

Artikel 70

Zodra hij gevangen genomen is of uiterlijk één week na aankomst in een kamp, zelfs indien het een doorgangskamp betreft, en evenzo in geval van ziekte of overbrenging naar een ziekenverblijf of naar een ander kamp, zal iedere krijgsgevangene in de gelegenheid worden gesteld enerzijds aan zijn familie en anderzijds aan het Centraal Bureau voor Krijgsgevangenen, bedoeld in artikel 123, rechtstreeks een briefkaart te zenden, zo mogelijk overeenkomstig het als bijlage aan dit Verdrag gehecht model, welke hen inlicht over zijn gevangenneming, adres en gezondheidstoestand. Bedoelde briefkaarten moeten met de grootst mogelijke spoed worden doorgezonden en mogen op geen enkele wijze worden opgehouden.

Artikel 71

Krijgsgevangenen zijn gerechtigd zowel brieven en briefkaarten te verzenden als te ontvangen. Indien de gevangenhoudende Mogendheid het noodzakelijk acht deze correspondentie te beperken, moet zij maandelijks de verzending toestaan van ten minste twee brieven en vier briefkaarten, zoveel mogelijk overeenkomstig de als bijlage aan dit Verdrag gehechte modellen, ongerekend de briefkaarten, bedoeld in artikel 70. Verdere beperkingen mogen alleen worden opgelegd indien de beschermende Mogendheid alle reden heeft deze in het belang van de krijgsgevangenen zelf te achten, gezien de moeilijkheden welke de gevangenhoudende Mogendheid ontmoet bij het vinden van een voldoend aantal bevoegde vertalers voor het uitoefenen van de noodzakelijke censuur. Indien de aan krijgsgevangenen gerichte correspondentie moet worden beperkt, mag deze beslissing slechts worden genomen door de Mogendheid tot welke zij behoren, eventueel op verzoek van de gevangenhoudende Mogendheid. Deze brieven en briefkaarten moeten met de snelste middelen waarover de gevangenhoudende Mogendheid beschikt, worden vervoerd; zij mogen niet worden opgehouden of achtergehouden bij wijze van tuchtmaatregel.

Krijgsgevangenen die sedert lang zonder bericht van hun naaste familieleden zijn, of die niet in de gelegenheid zijn langs de gewone weg bericht van hen te ontvangen of aan hen te zenden, evenals degenen die zich zeer ver van de hunnen bevinden, zijn gerechtigd telegrammen te zenden, waarvan de kosten ten laste van hun rekening bij de gevangenhoudende Mogendheid zullen worden gebracht of betaald met het geld waarover zij beschikken. Deze maatregel zal eveneens voor hen van toepassing zijn in dringende gevallen.

In den regel zal de correspondentie van krijgsgevangenen in hun moedertaal worden gevoerd. De Partijen bij het conflict kunnen correspondentie in andere talen toestaan.

De zakken welke de post van krijgsgevangenen bevatten, moeten zorgvuldig verzegeld zijn en van etiketten voorzien, waaruit duidelijk hun inhoud blijkt, en moeten geadresseerd zijn aan de postkantoren van bestemming.

Artikel 72

Krijgsgevangenen zijn gerechtigd per post of op iedere andere wijze persoonlijke of collectieve zendingen te ontvangen, welke in het bijzonder bevatten levensmiddelen, kleding, geneeskundige benodigdheden en voorwerpen tot voorziening in hun behoeften op godsdienstig terrein of op het gebied van ontwikkeling of ontspanning, waaronder begrepen boeken, voorwerpen voor de eredienst, wetenschappelijk materiaal, examen-opgaven, muziekinstrumenten, sportbenodigdheden en al hetgeen de gevangenen in staat stelt hun studie voort te zetten of de kunst te beoefenen.

Deze zendingen zullen de gevangenhoudende Mogendheid in genen dele ontheffen van de verplichtingen welke krachtens dit Verdrag op haar rusten.

De enige beperkingen welke aan deze zendingen mogen worden opgelegd, zijn die welke worden voorgesteld door de beschermende Mogendheid in het belang van de krijgsgevangenen zelf, dan wel door het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie tot hulpverlening aan de krijgsgevangenen, uitsluitend met betrekking tot hun eigen zendingen, wegens buitengewone overbelasting van de vervoer- en verbindingsmiddelen.

De wijze van verzending van persoonlijke of collectieve zendingen zal, zo nodig, worden geregeld bij bijzondere overeenkomst tussen de betrokken Mogendheden, welke in geen geval vertraging in de uitreiking van zendingen tot hulpverlening aan de krijgsgevangenen mag veroorzaken. Zendingen van levensmiddelen of kleding mogen geen boeken bevatten; geneeskundige benodigdheden zullen in het algemeen in collectieve pakketten worden verzonden.

Artikel 73

Bij gebreke van bijzondere overeenkomsten tussen de betrokken Mogendheden over de wijze van ontvangst en verdeling van collectieve zendingen tot hulpverlening, zal het reglement betreffende collectieve zendingen, hetwelk als bijlage aan dit Verdrag is gehecht, van toepassing zijn.

Bovenbedoelde bijzondere overeenkomsten mogen in geen geval het recht van de vertrouwensman beperken om bezit te nemen van de voor krijgsgevangenen bestemde collectieve zendingen tot hulpverlening, over te gaan tot de verdeling daarvan en daarover te beschikken in het belang van de gevangenen.

Deze overeenkomsten mogen evenmin het recht beperken van de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid, het Internationaal Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie tot hulpverlening aan krijgsgevangenen, belast met het verzenden van deze collectieve zendingen, om toe te zien op de verdeling daarvan onder de geadresseerden.

Artikel 74

Alle zendingen tot hulpverlening aan krijgsgevangenen zullen vrijgesteld zijn van invoerrechten, accijnzen en andere rechten.

Correspondentie, zendingen tot hulpverlening en toegestane geldzendingen, gericht aan of verzonden door krijgsgevangenen, per post, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de Informatiebureaux, bedoeld in artikel 122, en van het Centraal Bureau voor Krijgsgevangenen, bedoeld in artikel 123, zullen vrijgesteld zijn van port, zowel in het land van herkomst en dat van bestemming, als in de landen van doorvoer.

De vervoerkosten van zendingen tot hulpverlening aan krijgsgevangenen, welke, ten gevolge van haar gewicht of om enige andere reden, hun niet per post kunnen worden toegezonden, zullen ten laste komen van de gevangenhoudende Mogendheid in alle gebieden welke zich onder haar gezag bevinden. De overige Mogendheden die partij zijn bij het Verdrag, zullen de vervoerkosten in haar onderscheiden gebieden dragen.

Bij gebreke van bijzondere overeenkomsten tussen de betrokken Mogendheden, zullen de uit het vervoer van deze zendingen voortvloeiende kosten welke niet worden gedekt door bovenbedoelde vrijstellingen, ten laste van de afzender komen.

De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen er zoveel mogelijk naar streven de tarieven, berekend voor telegrammen welke door krijgsgevangenen verzonden of aan hen gericht worden, te verlagen.

Artikel 75

Ingeval militaire operaties de betrokken Mogendheden zouden beletten de op haar rustende verplichting na te komen om het vervoer van de zendingen, bedoeld in de artikelen 70, 71, 72 en 77, te verzorgen, mogen de betrokken beschermende Mogendheden, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie welke daarvoor toestemming van de Partijen bij het conflict heeft ontvangen, trachten het vervoer van deze zendingen te doen plaats vinden met passende middelen (spoorwegwagons, vrachtauto's, vaartuigen of vliegtuigen, enz.). De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen trachten hun tot dat doel deze vervoermiddelen te verschaffen en het verkeer ervan toe te staan, in het bijzonder door het verstrekken van de noodzakelijke vrijgeleiden.

Deze vervoermiddelen mogen eveneens worden gebruikt om te vervoeren:

  • a. de correspondentie, lijsten en rapporten, uitgewisseld tussen het Centraal Informatiebureau, bedoeld in artikel 123, en de nationale Bureaux, bedoeld in artikel 122;
  • b. de correspondentie en rapporten betreffende krijgsgevangenen, welke de beschermende Mogendheden, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie tot hulpverlening aan de krijgsgevangenen, uitwisselen hetzij met hun eigen gedelegeerden, hetzij met de Partijen bij het conflict.

Deze bepalingen beperken in genen dele het recht van iedere Partij bij het conflict om, indien zij zulks verkiest, het vervoer op andere wijze te organiseren en vrijgeleiden te verstrekken op overeen te komen voorwaarden.

Bij gebreke van bijzondere overeenkomsten, zullen de kosten, veroorzaakt door het gebruik van deze vervoermiddelen, naar evenredigheid worden gedragen door de Partijen bij het conflict, wier onderdanen daarvan profijt trekken.

Artikel 76

De censuur van aan krijgsgevangenen gerichte of door hen verzonden correspondentie moet zo snel mogelijk geschieden. Deze mag slechts worden uitgevoerd door de Staat van verzending en van bestemming en slechts éénmaal door ieder van hen.

Het onderzoek van voor krijgsgevangenen bestemde zendingen mag niet op zodanige wijze geschieden, dat de daarin aanwezige levensmiddelen aan bederf worden blootgesteld en zal, behoudens in geval van geschreven of gedrukte stukken, worden uitgevoerd in tegenwoordigheid van de geadresseerde of van een door hem gevolmachtigd mede-krijgsgevangene. De uitreiking van persoonlijke of collectieve zendingen aan krijgsgevangenen mag niet worden vertraagd onder voorwendsel van moeilijkheden bij de censuur.

Ieder verbod om te corresponderen, door de Partijen bij het conflict om militaire of politieke redenen uitgevaardigd, mag slechts van tijdelijke aard en van zo kort mogelijke duur zijn.

Artikel 77

De gevangenhoudende Mogendheden zullen alle faciliteiten verlenen voor de verzending, door tussenkomst van de beschermende Mogendheid of van het Centraal Bureau voor Krijgsgevangenen, bedoeld in artikel 123, van akten, stukken en documenten, bestemd voor krijgsgevangenen of door hen verzonden, in het bijzonder van volmachten of testamenten.

In alle gevallen zullen de gevangenhoudende Mogendheden voor de krijgsgevangenen het opstellen van deze documenten vergemakkelijken; zij zullen hun in het bijzonder toestaan een rechtsgeleerde te raadplegen en de nodige maatregelen nemen om hun handtekening te doen legaliseren.

AFDELING VI. Betrekkingen tussen krijgsgevangenen en de autoriteiten

HOOFDSTUK I. Klachten van krijgsgevangenen over het regiem van de gevangenschap

Artikel 78

Krijgsgevangenen hebben het recht bij de militaire autoriteiten in wier macht zij zich bevinden, verzoeken in te dienen met betrekking tot het regiem van de gevangenschap, waaraan zij zijn onderworpen.

Evenzo hebben zij onbeperkt het recht, hetzij door tussenkomst van hun vertrouwensman, hetzij rechtstreeks indien zij zulks noodzakelijk achten, zich te wenden tot de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheden, om hun aandacht te vestigen op de punten waarover zij zich mochten hebben te beklagen met betrekking tot het regiem der gevangenschap.

Deze verzoeken en klachten mogen niet worden beperkt, noch worden geacht deel uit te maken van het aantal brieven en briefkaarten, bedoeld in artikel 71. Zij moeten met spoed worden doorgezonden. Zij mogen geen aanleiding geven tot enigerlei bestraffing, zelfs niet indien zij als ongegrond worden aangemerkt.

De vertrouwensmannen kunnen aan de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheden periodieke rapporten over de toestand in de kampen en de behoeften van de krijgsgevangenen zenden.

HOOFDSTUK II. Vertegenwoordigers van de krijgsgevangenen

Artikel 79

Op alle plaatsen waar zich krijgsgevangenen bevinden, met uitzondering van die waar zich officieren bevinden, zullen de gevangenen iedere zes maanden, en voorts in geval van een vacature, bij vrije en geheime stemming vertrouwensmannen kiezen, die tot taak zullen hebben hen te vertegenwoordigen bij de militaire autoriteiten, de beschermende Mogendheden, het Internationale Comité van het Rode Kruis en iedere andere organisatie tot hulpverlening aan de krijgsgevangenen. Deze vertrouwensmannen zijn herkiesbaar.

In kampen van officieren en met hen gelijkgestelden of in gemengde kampen, zal de oudste krijgsgevangen officier in de hoogste rang als vertrouwensman worden erkend. In de officierskampen zal hij worden bijgestaan door één of meer door de officieren gekozen raadslieden; in de gemengde kampen zullen zijn medewerkers worden uitgezocht onder de krijgsgevangenen die geen officier zijn, en door dezen worden gekozen.

In werkkampen voor krijgsgevangenen zullen krijgsgevangen officieren van dezelfde nationaliteit worden geplaatst, om de kampadministratie te voeren, waarvoor de krijgsgevangenen verantwoordelijk zijn. Bovendien kunnen deze officieren tot vertrouwensman worden gekozen overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid van dit artikel. In dat geval zullen de medewerkers van de vertrouwensman worden gekozen uit de krijgsgevangenen die geen officier zijn.

Iedere gekozen vertrouwensman moet door de gevangenhoudende Mogendheid worden aanvaard vóór hij zijn functie kan uitoefenen. Indien de gevangenhoudende Mogendheid weigert een krijgsgevangene die door zijn mede-gevangenen is gekozen, te aanvaarden, moet zij de redenen voor haar weigering aan de beschermende Mogendheid mededelen.

In alle gevallen moet de vertrouwensman dezelfde nationaliteit, taal en gewoonten hebben als de krijgsgevangenen die hij vertegenwoordigt. De krijgsgevangenen die naar hun nationaliteit, taal of gewoonten in verschillende afdelingen van een kamp zijn ingedeeld, zullen derhalve voor iedere afdeling hun eigen vertrouwensman hebben, overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande leden.

Artikel 80

Vertrouwensmannen moeten het lichamelijk, moreel en geestelijk welzijn der krijgsgevangenen bevorderen.

In het bijzonder ingeval de gevangenen mochten besluiten in hun midden een systeem van onderlinge bijstand te organiseren, zal deze organisatie tot de bevoegdheid van de vertrouwensman behoren, naast de bijzondere werkzaamheden waarmede hij ingevolge andere bepalingen van dit Verdrag is belast.

Vertrouwensmannen zijn, enkel uit hoofde van hun functie, niet verantwoordelijk voor vergrijpen, begaan door krijgsgevangenen.

Artikel 81

Vertrouwensmannen mogen niet tot enige andere arbeid worden verplicht, indien de uitoefening van hun functie daardoor zou worden bemoeilijkt.

Vertrouwensmannen kunnen onder de gevangenen de medewerkers aanwijzen, die zij nodig mochten hebben. Alle nodige faciliteiten zullen hun worden verleend, in het bijzonder een zekere mate van bewegingsvrijheid, vereist voor de vervulling van hun taak (bezoeken aan werkgroepen, het in ontvangst nemen van zendingen tot hulpverlening, enz.).

Vertrouwensmannen zijn gerechtigd de lokaliteiten waarin krijgsgevangenen zijn geïnterneerd, te bezoeken; iedere krijgsgevangene heeft het recht zijn vertrouwensman vrijelijk te raadplegen.

Evenzo zullen alle faciliteiten worden verleend aan de vertrouwensmannen voor hun correspondentie per post en telegraaf met de gevangenhoudende autoriteiten, de beschermende Mogendheden, het Internationale Comité van het Rode Kruis en hun gedelegeerden, met de gemengde geneeskundige Commissies, alsmede met de organisaties tot hulpverlening aan krijgsgevangenen. Vertrouwensmannen van werkgroepen zullen dezelfde faciliteiten genieten voor hun correspondentie met de vertrouwensman van het hoofdkamp. Deze correspondentie mag niet worden beperkt, noch worden beschouwd als een deel van het in artikel 71 genoemd aantal brieven en briefkaarten,.

Geen vertrouwensman mag worden overgeplaatst zonder dat hem een redelijke tijd is gelaten zijn opvolger op de hoogte te stellen van de lopende zaken.

In geval van ontheffing zullen de redenen daarvoor aan de beschermende Mogendheid worden medegedeeld.

HOOFDSTUK III. Strafrechtelijke en krijgstuchtelijke sancties

I. Algemene bepalingen

Artikel 82

Krijgsgevangenen zullen onderworpen zijn aan de bij de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid van kracht zijnde wetten, reglementen en orders; de gevangenhoudende Mogendheid is gerechtigd strafrechtelijke of krijgstuchtelijke maatregelen te nemen tegen een krijgsgevangene die deze wetten, reglementen of orders heeft overtreden. Evenwel is geen vervolging of bestraffing in strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk geoorloofd.

Indien een wet, reglement of order van de gevangenhoudende Mogendheid handelingen, begaan door een krijgsgevangene, strafbaar stelt, terwijl deze feiten niet strafbaar zijn wanneer zij worden begaan door een lid van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid, mogen zodanige handelingen slechts krijgstuchtelijke straffen ten gevolge hebben.

Artikel 83

De gevangenhoudende Mogendheid zal zorg dragen, dat de bevoegde autoriteiten de grootste lankmoedigheid betrachten bij haar beslissing of een vergrijp waarvan een krijgsgevangene wordt verdacht, strafrechtelijk of krijgstuchtelijk moet worden afgedaan en dat zij, waar mogelijk, eerder krijgstuchtelijke dan strafrechtelijke maatregelen nemen.

Artikel 84

Een krijgsgevangene zal uitsluitend door een militair gerecht worden berecht, tenzij de bestaande wetten van de gevangenhoudende Mogendheid uitdrukkelijk aan de burgerlijke rechter de bevoegdheid verlenen een lid van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid te berechten voor hetzelfde vergrijp als waarvoor de krijgsgevangene wordt vervolgd.

In geen geval mag een krijgsgevangene worden berecht door enig gerecht dat niet de essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt, welke algemeen worden erkend, en, in het bijzonder, in zijn procedure aan de verdachte niet de rechten en middelen van verdediging waarborgt, welke zijn voorzien in artikel 105.

Artikel 85

Krijgsgevangenen die worden vervolgd op grond van de wetten van de gevangenhoudende Mogendheid voor handelingen, begaan vóór hun gevangenneming, blijven, zelfs indien zij zijn veroordeeld, onder de bescherming van dit Verdrag.

Artikel 86

Een krijgsgevangene mag slechts éénmaal worden gestraft voor hetzelfde feit of op dezelfde telastlegging.

Artikel 87

Krijgsgevangenen mogen door de militaire autoriteiten en gerechten van de gevangenhoudende Mogendheid niet worden veroordeeld tot andere straffen dan die welke voor leden van de gewapende macht van deze Mogendheid zijn gesteld wanneer zij dezelfde feiten hebben begaan.

Bij het bepalen van de straf moeten de gerechten of autoriteiten van de gevangenhoudende Mogendheid, in zo ruim mogelijke mate, rekening houden met het feit, dat de verdachte, geen onderdaan zijnde van de gevangenhoudende Mogendheid, niet door enige plicht van trouw jegens haar is gebonden en dat hij zich in haar macht bevindt door omstandigheden onafhankelijk van zijn eigen wil. De genoemde gerechten en autoriteiten zijn vrij om de straf, gesteld op het vergrijp waarvan de krijgsgevangene wordt beschuldigd, te verminderen en zijn derhalve niet gehouden de voorgeschreven minimum-straf op te leggen.

Collectieve bestraffing wegens individuële handelingen, lijfstraffen, opsluiting in lokaliteiten zonder daglicht en, in het algemeen, iedere vorm van marteling of wreedheid zijn verboden.

Geen krijgsgevangene mag door de gevangenhoudende Mogendheid van zijn rang worden beroofd of worden verhinderd zijn onderscheidingstekenen te dragen.

Artikel 88

Krijgsgevangen officieren, onderofficieren en manschappen, die een krijgstuchtelijke of gerechtelijke straf ondergaan, mogen niet aan een strengere behandeling worden onderworpen dan die welke bij dezelfde straffen voor leden van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid van overeenkomstige rang wordt toegepast.

Vrouwelijke krijgsgevangenen mogen niet zwaarder worden gestraft, noch, wanneer zij een straf ondergaan, strenger worden behandeld dan voor een soortgelijk vergrijp gestrafte vrouwelijke leden van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid.

In geen geval mogen vrouwelijke krijgsgevangenen zwaarder worden gestraft, noch, wanneer zij een straf ondergaan, strenger worden behandeld dan voor een soortgelijk vergrijp gestrafte mannelijke leden van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid.

Krijgsgevangenen die een krijgstuchtelijke of gerechtelijke straf hebben ondergaan, mogen niet verschillend van de andere krijgsgevangenen worden behandeld.

II. Krijgstuchtelijke sancties

Artikel 89

De krijgstuchtelijke straffen welke op krijgsgevangenen mogen worden toegepast, zijn:

    1. een boete van ten hoogste 50 % van het voorschot op de bezoldiging en van de werkvergoeding, bedoeld in de artikelen 60 en 62, gedurende een tijdvak van niet meer dan dertig dagen;
    1. intrekking van voorrechten welke boven de in dit Verdrag voorgeschreven behandeling zijn verleend;
    1. corvéediensten tot ten hoogste twee uur per dag;
    1. arrest.

De onder 3 genoemde straf mag niet op officieren worden toegepast.

In geen geval mogen krijgstuchtelijke straffen onmenselijk, ruw of gevaarlijk voor de gezondheid van de krijgsgevangenen zijn.

Artikel 90

De duur van één enkele straf mag in geen geval dertig dagen overschrijden. De gehele tijd in voorlopig arrest doorgebracht, in afwachting van het verhoor inzake een krijgstuchtelijk vergrijp of van het opleggen van een krijgstuchtelijke straf, zal op de aan een krijgsgevangene opgelegde straf in mindering worden gebracht.

Het maximum van dertig dagen, als hierboven voorgeschreven, mag niet worden overschreden, zelfs niet indien een krijgsgevangene zich op het ogenblik dat hij wordt gestraft, voor meer dan één vergrijp mocht hebben te verantwoorden, onverschillig of deze feiten al dan niet met elkander in verband staan.

Tussen het aanzeggen van een krijgstuchtelijke straf en de tenuitvoerlegging daarvan mag niet meer dan één maand verlopen.

Wanneer aan een krijgsgevangene een nieuwe krijgstuchtelijke straf wordt opgelegd, zal tussen de tenuitvoerlegging van deze twee straffen een termijn van ten minste drie dagen verlopen, indien de duur van één dezer straffen tien dagen of meer bedraagt.

Artikel 91

De ontvluchting van een krijgsgevangene zal als geslaagd worden beschouwd wanneer:

    1. hij zich bij de gewapende macht van de Mogendheid tot welke hij behoort, of bij die van een bondgenoot heeft gevoegd;
    1. hij het grondgebied dat onder de macht staat van de gevangenhoudende Mogendheid of van een bondgenoot van deze Mogendheid, heeft verlaten;
    1. hij zich aan boord van een schip heeft begeven, dat de vlag voert van de Mogendheid tot welke hij behoort, of van een bondgenoot en hetwelk zich in de territoriale wateren van de gevangenhoudende Mogendheid bevindt, mits dit schip niet onder het gezag van laatstgenoemde Mogendheid staat.

Krijgsgevangenen wier ontvluchting in de zin van dit artikel is geslaagd en die wederom gevangen worden genomen, zullen op geen enkele wijze strafbaar zijn voor hun vroegere ontvluchting.

Artikel 92

Een krijgsgevangene die poogt te ontvluchten en wordt gegrepen voordat zijn ontvluchting is geslaagd in de zin van artikel 91, mag slechts krijgstuchtelijk worden gestraft, zelfs in geval van recidive.

Een krijgsgevangene die wederom gevangen wordt genomen, zal onverwijld ter beschikking van de bevoegde militaire autoriteiten worden gesteld.

In afwijking van het bepaalde in artikel 88, vierde lid, mogen krijgsgevangenen die wegens een niet-geslaagde ontvluchting worden gestraft, aan een speciale bewaking worden onderworpen, mits deze hun gezondheid niet ongunstig beïnvloedt, in een krijgsgevangenkamp wordt toegepast en geen enkele waarborg welke dit Verdrag hun biedt, teniet doet.

Artikel 93

Ontvluchting of poging daartoe zal, zelfs in geval van recidive, niet als een verzwarende omstandigheid worden beschouwd indien de krijgsgevangene wordt verwezen naar een gerecht wegens een tijdens deze ontvluchting of poging daartoe gepleegd vergrijp.

Overeenkomstig het beginsel, neergelegd in artikel 83, mogen vergrijpen welke door krijgsgevangenen zijn begaan uitsluitend met het oogmerk hun ontvluchting te vergemakkelijken en welke geen lichamelijke geweldpleging inhouden, zoals vergrijpen tegen publiek eigendom, het wegnemen van enig goed zonder het oogmerk zich te verrijken, het opmaken of gebruiken van valse papieren, het dragen van burgerkleding, slechts krijgstuchtelijk worden gestraft.

Krijgsgevangenen die behulpzaam zijn geweest bij een ontvluchting of poging daartoe, mogen uit dien hoofde slechts krijgstuchtelijk worden gestraft.

Artikel 94

Indien een ontvluchte krijgsgevangene wederom gevangen wordt genomen, zal de Mogendheid tot welke hij behoort, daarvan in kennis worden gesteld op de in artikel 122 omschreven wijze, voor zover van zijn ontvluchting kennis is gegeven.

Artikel 95

Krijgsgevangenen, verdacht van een vergrijp tegen de krijgstucht, zullen tijdens het onderzoek niet in voorlopig arrest worden gehouden, tenzij een lid van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid, indien verdacht van een soortgelijk vergrijp, evenzo in voorlopig arrest zou worden gehouden of indien de orde en krijgstucht in het kamp zulks vereisen.

De tijd welke een krijgsgevangene in afwachting van de afdoening van een krijgstuchtelijk vergrijp in voorlopig arrest doorbrengt, zal tot het uiterste minimum worden beperkt en de duur van veertien dagen niet overschrijden.

De bepalingen van de artikelen 97 en 98 van dit hoofdstuk zullen van toepassing zijn op krijgsgevangenen die zich in voorlopig arrest bevinden in afwachting van de afdoening van krijgstuchtelijke vergrijpen.

Artikel 96

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)