Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen

Type Verdrag
Publication 1955-02-03
State In force
Source BWB
artikelen 166
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Feiten welke krijgstuchtelijke vergrijpen inhouden, zullen onmiddellijk worden onderzocht.

Onverminderd de bevoegdheid van gerechten en hoge militaire autoriteiten, mag een krijgstuchtelijke straf alleen worden opgelegd door een officier die krijgstuchtelijke strafbevoegdheden heeft in zijn hoedanigheid van kampcommandant, of door een verantwoordelijk officier die hem vervangt, of aan wie hij zijn krijgstuchtelijke bevoegdheden heeft gedelegeerd.

In geen geval mogen deze bevoegdheden worden gedelegeerd aan of worden uitgeoefend door een krijgsgevangene.

Voordat een krijgstuchtelijke straf wordt opgelegd, moet aan de verdachte nauwkeurig worden medegedeeld van welke feiten hij wordt beschuldigd. Hem zal de gelegenheid worden gegeven uitleg te geven van zijn gedrag, zich te verdedigen, getuigen te doen horen en, zo nodig, de hulp van een bevoegd tolk in te roepen. De beslissing; zal aan de krijgsgevangene en aan diens vertrouwensman worden aangezegd.

De kampcommandant moet een register van opgelegde krijgstuchtelijke straffen aanhouden, hetwelk ter inzage moet zijn voor vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid.

Artikel 97

In geen geval mogen krijgsgevangenen naar strafinrichtingen (huizen van bewaring, gevangenissen, tuchthuizen, inrichtingen voor dwangarbeid, enz.) worden overgebracht om daar krijgstuchtelijke straffen te ondergaan.

Alle lokaliteiten waarin krijgstuchtelijke straffen worden ondergaan, moeten aan de in artikel 25 bedoelde eisen van hygiëne beantwoorden. Een krijgsgevangene die een straf ondergaat, moet in de gelegenheid worden gesteld zich in een staat van zindelijkheid te houden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 29.

Officieren en met hen gelijkgestelden mogen niet in dezelfde verblijven worden ondergebracht als onderofficieren of manschappen.

Vrouwelijke krijgsgevangenen die een krijgstuchtelijke straf ondergaan, zullen in verblijven, afgescheiden van die der mannen, worden ondergebracht en onder rechtstreeks toezicht van vrouwen staan.

Artikel 98

Een krijgsgevangene die een vrijheidsstraf ondergaat als krijgstuchtelijke straf, zal de voordelen van de bepalingen van dit Verdrag blijven genieten, behoudens voor zover deze door het feit van zijn opsluiting noodzakelijkerwijze niet toegepast kunnen worden. In geen geval mogen hem de rechten, voortvloeiend uit de artikelen 78 en 126, worden onthouden.

Aan krijgstuchtelijk gestrafte krijgsgevangenen mogen de bijzondere rechten, verbonden aan hun rang, niet worden ontnomen.

Aan krijgstuchtelijk gestrafte krijgsgevangenen zal worden toegestaan dagelijks lichaamsbeweging te nemen en in de open lucht te vertoeven gedurende ten minste twee uur.

Op hun verzoek zal hun worden toegestaan zich op het dagelijks ziekenrapport te melden; zij zullen de verzorging ontvangen, welke hun gezondheidstoestand noodzakelijk maakt, en, zo nodig, worden opgenomen in het ziekenverblijf van het kamp of in een hospitaal.

Hun zal worden toegestaan te lezen en te schrijven, alsook brieven te verzenden en te ontvangen. Pakketten en geldzendingen kunnen hun echter worden onthouden tot na het einde van de straf; deze zullen intussen aan de vertrouwensman worden toevertrouwd, die aan het ziekenverblijf de aan bederf onderhevige levensmiddelen welke zich in die pakketten bevinden, zal overhandigen.

III. Rechtsvervolging

Artikel 99

Geen krijgsgevangene mag worden berecht of veroordeeld voor een feit dat niet verboden is door de wet van de gevangenhoudende Mogendheid of door het internationale recht, van kracht op het tijdstip waarop dit feit werd begaan.

Geen psychische of physieke dwang mag op een krijgsgevangene worden uitgeoefend om hem te bewegen zich schuldig te verklaren aan het feit dat hem ten laste is gelegd.

Geen krijgsgevangene mag worden veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben gehad zijn verdediging te voeren en door een bevoegde raadsman te zijn bijgestaan.

Artikel 100

De krijgsgevangenen en de beschermende Mogendheden zullen zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gebracht van de feiten waarop bij de wetten van de gevangenhoudende Mogendheid de doodstraf is gesteld.

Daarna mag op andere feiten de doodstraf niet worden gesteld zonder de goedkeuring van de Mogendheid tot welke de krijgsgevangenen behoren.

De doodstraf mag niet worden uitgesproken tegen een krijgsgevangene, tenzij, in overeenstemming met artikel 87, tweede lid, de aandacht van het gerecht in het bijzonder is gevestigd op het feit, dat de verdachte, geen onderdaan zijnde van de gevangenhoudende Mogendheid, niet door enige plicht van trouw jegens haar is gebonden en dat hij zich in haar macht bevindt door omstandigheden onafhankelijk van zijn eigen wil.

Artikel 101

Indien de doodstraf tegen een krijgsgevangene wordt uitgesproken, zal het vonnis niet worden tenuitvoergelegd, alvorens een termijn is verlopen van ten minste zes maanden van het tijdstip af, waarop de beschermende Mogendheid, op het door haar opgegeven adres, de in artikel 107 bedoelde gedetailleerde mededeling heeft ontvangen.

Artikel 102

Een vonnis tegen een krijgsgevangene heeft alleen rechtskracht indien dit is gewezen door dezelfde gerechten en volgens dezelfde procedure als gold het een zaak van leden van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid en indien bovendien de bepalingen van dit hoofdstuk in acht zijn genomen.

Artikel 103

Het gerechtelijk vooronderzoek betreffende een krijgsgevangene zal zo snel de omstandigheden zulks veroorloven worden gevoerd en op zodanige wijze, dat zijn berechting zo spoedig mogelijk plaats vindt. Een krijgsgevangene zal in afwachting van zijn berechting niet in voorlopig arrest worden genomen, tenzij een lid van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid, indien verdacht van een soortgelijk feit, evenzo in voorlopig arrest zou zijn gesteld, of indien de nationale veiligheid zulks vereist. In geen geval mag dit voorlopig arrest de duur van drie maanden overschrijden.

De tijd, door een krijgsgevangene in voorlopig arrest doorgebracht, zal op de hem opgelegde vrijheidsstraf in mindering worden gebracht en bij het bepalen van de straf in aanmerking worden genomen.

Zolang krijgsgevangenen zich in voorlopig arrest bevinden, zullen zij de voordelen van de bepalingen van de artikelen 97 en 98 van dit hoofdstuk blijven genieten.

Artikel 104

In alle gevallen waarin de gevangenhoudende Mogendheid heeft beslist een gerechtelijke vervolging tegen een krijgsgevangene in te stellen, zal zij de beschermende Mogendheid daarmede zo spoedig mogelijk en ten minste drie weken vóór de aanvang van de terechtzitting in kennis stellen. Deze termijn van drie weken gaat in op de dag waarop deze kennisgeving de beschermende Mogendheid bereikt op het adres dat de laatste tevoren aan de gevangenhoudende Mogendheid heeft opgegeven.

De genoemde kennisgeving moet de volgende gegevens bevatten:

    1. geslachtsnaam en voornamen van de krijgsgevangene, zijn rang, zijn leger-, stamboek- of ander contrôlenummer, zijn geboortedatum en zijn beroep, indien hij dat heeft;
    1. plaats van internering of bewaring;
    1. gespecificeerde telastlegging waarop de krijgsgevangene is gedagvaard, met vermelding van de toepasselijke wetsbepalingen;
    1. opgave van het gerecht dat de zaak zal behandelen, zomede van de datum en de plaats waarop de aanvang van de terechtzitting is vastgesteld.

Dezelfde kennisgeving zal door de gevangenhoudende Mogendheid worden gedaan aan de vertrouwensman van de krijgsgevangene.

Indien bij de aanvang van de terechtzitting geen bewijs wordt overgelegd, dat bovengenoemde kennisgeving ten minste drie weken voordien door de beschermende Mogendheid, de krijgsgevangene en de betrokken vertrouwensman is ontvangen, kan de terechtzitting geen voortgang vinden en moet deze worden geschorst.

Artikel 105

De krijgsgevangene heeft recht op bijstand van één van zijn medegevangenen, op verdediging door een bevoegd raadsman van zijn eigen keuze, op het doen oproepen van getuigen en, indien hij zulks nodig acht, op de diensten van een bevoegd tolk. Hij zal tijdig vóór de terechtzitting door de gevangenhoudende Mogendheid worden ingelicht omtrent deze rechten.

Indien de krijgsgevangene geen raadsman heeft gekozen, zal de beschermende Mogendheid daarin voorzien, waartoe zij ten minste één week de tijd moet hebben. De gevangenhoudende Mogendheid zal aan de beschermende Mogendheid op haar verzoek een lijst met namen van bevoegde raadslieden doen toekomen. Ingeval noch de krijgsgevangene noch de beschermende Mogendheid een raadsman heeft gekozen, zal de gevangenhoudende Mogendheid een bevoegd raadsman aanwijzen om de verdediging te voeren.

De raadsman die ten behoeve van de krijgsgevangene de verdediging voert, moet kunnen beschikken over een termijn van ten minste twee weken vóór de aanvang van de terechtzitting en zal tevens de nodige faciliteiten genieten om de verdediging van de verdachte voor te bereiden. Hij mag, in het bijzonder, de verdachte vrijelijk bezoeken en zich onder vier ogen met hem onderhouden. Hij mag zich eveneens onderhouden met alle getuigen à décharge, met inbegrip van krijgsgevangenen. Hij heeft recht op deze faciliteiten tot de termijnen voor hoger beroep zijn verlopen.

De dagvaarding, evenals de stukken welke in het algemeen ter kennis van een verdachte worden gebracht ingevolge de voor de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid van kracht zijnde wetten, zullen aan de krijgsgevangene, in een voor hem begrijpelijke taal en tijdig vóór de aanvang van de terechtzitting, worden medegedeeld. Dezelfde inlichtingen moeten onder dezelfde omstandigheden worden gegeven aan de raadsman die de verdediging van de krijgsgevangene voert.

De vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid hebben het recht de behandeling van de zaak ter terechtzitting bij te wonen, tenzij deze, bij uitzondering, met gesloten deuren plaats heeft in het belang van de veiligheid van de Staat. In dat geval zal de gevangenhoudende Mogendheid de beschermende Mogendheid dienaangaande inlichten.

Artikel 106

Iedere krijgsgevangene heeft, op dezelfde wijze als de leden van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid, het recht van appel, cassatie of revisie van ieder vonnis dat tegen hem is uitgesproken. Hij zal volledig worden ingelicht omtrent deze rechtsmiddelen en omtrent de termijnen waarbinnen deze kunnen worden aangewend.

Artikel 107

Ieder vonnis dat tegen een krijgsgevangene is uitgesproken, moet onmiddellijk aan de beschermende Mogendheid worden medegedeeld, in de vorm van een beknopte kennisgeving, waarin tevens wordt vermeld of de krijgsgevangene het recht heeft in appel te gaan of revisie aan te vragen. Deze mededeling zal eveneens aan de betrokken vertrouwensman van de krijgsgevangene worden gezonden; zij zal tevens aan de krijgsgevangene worden gezonden in een voor hem begrijpelijke taal, indien het vonnis niet in zijn tegenwoordigheid is uitgesproken. De gevangenhoudende Mogendheid zal bovendien onmiddellijk aan de beschermende Mogendheid mededeling doen van de beslissing van de krijgsgevangene of hij al dan niet van deze rechtsmiddelen gebruik zal maken.

Voorts zal, wanneer een vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of, in geval van de doodstraf, het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken, de gevangenhoudende Mogendheid zo spoedig mogelijk aan de beschermende Mogendheid een gedetailleerde mededeling zenden, inhoudende:

    1. de woordelijke tekst van het vonnis;
    1. een kort verslag van het vooronderzoek en van de behandeling ter terechtzitting, waarbij in het bijzonder aandacht wordt geschonken aan de hoofdzaken van het requisitoir en de verdediging;
    1. kennisgeving, in de daarvoor in aanmerking komende gevallen, van de plaats waar de straf zal worden ondergaan.

De in de voorgaande leden bedoelde mededelingen zullen aan de beschermende Mogendheid worden gezonden aan het adres dat tevoren aan de gevangenhoudende Mogendheid is opgegeven.

Artikel 108

De aan krijgsgevangenen opgelegde vrijheidsstraffen welke ten uitvoer kunnen worden gelegd, zullen worden ondergaan in dezelfde inrichtingen en onder dezelfde omstandigheden als bepaald voor leden van de gewapende macht van de gevangenhoudende Mogendheid. Deze omstandigheden moeten in alle gevallen beantwoorden aan de eisen van hygiëne en menselijkheid.

Vrouwelijke krijgsgevangenen tegen wie een zodanig vonnis is uitgesproken, zullen in afzonderlijke verblijven worden ondergebracht en onder toezicht van vrouwen staan.

In ieder geval zullen krijgsgevangenen die tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld, de rechten behouden, voortvloeiend uit de artikelen 78 en 126 van dit Verdrag. Bovendien hebben zij het recht brieven en briefkaarten te ontvangen en te verzenden, ten minste één pakket per maand te ontvangen, geregeld lichaamsbeweging in de open lucht te nemen, de geneeskundige verzorging te ontvangen, welke hun gezondheidstoestand noodzakelijk maakt, en de geestelijke bijstand te genieten, welke zij mochten verlangen. De straffen welke hun opgelegd mochten worden, moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 87, derde lid.

TITEL IV. Einde der gevangenschap

AFDELING I. Rechtstreekse terugzending naar het eigen land en onderbrenging op onzijdig gebied

Artikel 109

Onverminderd het bepaalde in het derde lid van dit artikel, zijn de Partijen bij het conflict gehouden de ernstig zieke en zwaar gewonde krijgsgevangenen, ongeacht hun aantal of rang, en na hen in staat gebracht te hebben om te worden vervoerd, naar hun land terug te zenden, overeenkomstig het eerste lid van het volgend artikel.

Gedurende de vijandelijkheden zullen de Partijen bij het conflict, met medewerking van de betrokken onzijdige Mogendheden, er naar streven de onderbrenging op onzijdig gebied te bewerkstelligen van gewonde of zieke krijgsgevangenen, bedoeld in het tweede lid van het volgend artikel; bovendien kunnen zij overeenkomsten sluiten tot rechtstreekse terugzending naar het eigen land of internering op onzijdig gebied van gezonde krijgsgevangenen die een lange gevangenschap hebben ondergaan.

Geen gewonde of zieke krijgsgevangene die krachtens het eerste lid van dit artikel in aanmerking komt voor repatriëring, mag tegen zijn wil naar het eigen land worden teruggezonden gedurende de vijandelijkheden.

Artikel 110

Naar het eigen land zullen rechtstreeks worden teruggezonden:

    1. ongeneeslijk gewonden en zieken wier geestelijke of lichamelijke toestand in ernstige mate blijkt achteruit te zijn gegaan;
    1. gewonden en zieken wier herstel, naar geneeskundig inzicht, niet binnen een jaar is te verwachten, wier toestand behandeling vereist en wier geestelijke of lichamelijke toestand in ernstige mate blijkt achteruit te zijn gegaan;
    1. herstelde gewonden en zieken wier geestelijke of lichamelijke toestand in ernstige mate en blijvend blijkt achteruit te zijn gegaan.

Op onzijdig gebied kunnen worden ondergebracht:

    1. gewonden en zieken wier herstel kan worden verwacht in het jaar, volgend op het tijdstip van verwonding of het begin van de ziekte, indien een behandeling op onzijdig gebied vooruitzicht op een zekerder en sneller genezing biedt;
    1. krijgsgevangenen wier geestelijke of lichamelijke gezondheid, naar geneeskundig inzicht, ernstig wordt bedreigd door het voortduren van de gevangenschap, doch wier onderbrenging op onzijdig gebied deze bedreiging zou kunnen afwenden.

De voorwaarden waaraan krijgsgevangenen die op onzijdig gebied zijn ondergebracht, moeten voldoen ten einde te worden gerepatrieerd, zullen, evenals hun status, bij overeenkomst tussen de betrokken Mogendheden worden vastgesteld. In het algemeen zullen van de op onzijdig gebied ondergebrachte krijgsgevangenen de volgende categorieën worden gerepatrieerd:

    1. zij wier gezondheidstoestand zozeer achteruit is gegaan, dat zij voldoen aan de voorwaarden, gesteld voor rechtstreekse terugzending naar het eigen land;
    1. zij wier geestelijke of lichamelijke gezondheidstoestand, zelfs na behandeling, ernstig aangetast blijft.

Indien geen bijzondere overeenkomsten worden gesloten tussen de betrokken Partijen bij het conflict voor het vaststellen van de gevallen van invaliditeit of ziekte, waarin rechtstreekse terugzending naar het eigen land of onderbrenging op onzijdig gebied plaats vindt, zullen deze gevallen worden bepaald overeenkomstig de beginselen, vervat in de model-overeenkomst betreffende rechtstreekse terugzending naar het eigen land en onderbrenging op onzijdig gebied van gewonde en zieke krijgsgevangenen, alsmede in het reglement betreffende gemengde geneeskundige Commissies, welke als bijlagen aan dit Verslag zijn gehecht.

Artikel 111

De gevangenhoudende Mogendheid, de Mogendheid tot welke de krijgsgevangenen behoren, en een door deze beide Mogendheden aanvaarde onzijdige Mogendheid zullen er naar streven overeenkomsten te sluiten, welke de internering van krijgsgevangenen op het gebied van genoemde onzijdige Mogendheid tot het einde van de vijandelijkheden mogelijk maken.

Artikel 112

Bij het uitbreken der vijandelijkheden zullen gemengde geneeskundige Commissies worden benoemd om zieke en gewonde krijgsgevangenen te onderzoeken en ten aanzien van hen alle gewenste beslissingen te nemen. De benoeming, taak en werkwijze van deze Commissies moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van het als bijlage aan dit Verdrag gehecht reglement.

Krijgsgevangenen die, naar de mening van de geneeskundige autoriteiten van de gevangenhoudende Mogendheid, kennelijk zwaar gewond of ernstig ziek zijn, kunnen echter worden gerepatrieerd zonder dat zij door een gemengde geneeskundige Commissie behoeven te worden onderzocht.

Artikel 113

Naast degenen die door de geneeskundige autoriteiten van de gevangenhoudende Mogendheid zijn aangewezen, zijn gewonde of zieke krijgsgevangenen, behorend tot de hieronder genoemde categorieën, gerechtigd zich voor onderzoek door de gemengde geneeskundige Commissies, bedoeld in het voorgaand artikel, aan te melden:

    1. gewonden en zieken, voorgedragen door een geneesheer die dezelfde nationaliteit bezit of onderdaan is van een Partij bij het conflict, bondgenoot van de Mogendheid tot welke zij behoren, en die zijn functie in het kamp uitoefent;
    1. gewonden en zieken, voorgedragen door hun vertrouwensman;
    1. gewonden en zieken, voorgedragen door de Mogendheid tot welke zij behoren, of door een door deze Mogendheid erkende organisatie tot hulpverlening aan de gevangenen.

Krijgsgevangenen die niet behoren tot één van de drie bovengenoemde categorieën, kunnen zich niettemin voor onderzoek door de gemengde geneeskundige Commissies aanmelden, maar zullen eerst worden onderzocht na degenen die tot bedoelde categorieën behoren.

De geneesheer van dezelfde nationaliteit als de krijgsgevangenen die aan het onderzoek van de gemengde geneeskundige Commissie worden onderworpen, en hun vertrouwensman zijn gerechtigd dit onderzoek bij te wonen.

Artikel 114

Krijgsgevangenen die het slachtoffer zijn van een ongeval, met uitzondering van hen die zich moedwillig hebben verwond, zullen, wat betreft repatriëring of eventueel onderbrenging op onzijdig gebied, de voordelen van de bepalingen van dit Verdrag genieten.

Artikel 115

Geen krijgsgevangene die krijgstuchtelijk is gestraft en wiens toestand hem in aanmerking doet komen voor repatriëring of onderbrenging op onzijdig gebied, mag worden achtergehouden op grond van het feit, dat hij zijn straf niet heeft ondergaan.

Gerechtelijk vervolgde of veroordeelde krijgsgevangenen die in aanmerking zouden komen voor repatriëring of onderbrenging op onzijdig gebied, kunnen van deze maatregelen genieten vóór het einde van het proces of van de tenuitvoerlegging van de straf, indien de gevangenhoudende Mogendheid daarin toestemt.

De Partijen bij het conflict zullen elkander de namen mededelen van degenen die zijn achtergehouden tot het einde van het proces of van de tenuitvoerlegging van de straf.

Artikel 116

De kosten van repatriëring van krijgsgevangenen of van hun vervoer naar een onzijdig land zullen van de grens van de gevangenhoudende Mogendheid af ten laste komen van de Mogendheid tot welke deze gevangenen behoren.

Artikel 117

Geen gerepatrieerde krijgsgevangene mag voor actieve militaire dienst worden gebruikt.

AFDELING II. Invrijheidstelling en repatriëring van krijgsgevangenen bij het einde der vijandelijkheden

Artikel 118

Krijgsgevangenen zullen na het staken der vijandelijkheden onverwijld in vrijheid worden gesteld en worden gerepatrieerd.

Bij afwezigheid van bepalingen dienaangaande in een overeenkomst welke tussen de Partijen bij het conflict wordt gesloten om een einde aan de vijandelijkheden te maken, of bij gebreke van een zodanige overeenkomst, zal ieder der gevangenhoudende Mogendheden zelf onverwijld een repatriëringsschema opstellen, overeenkomstig het in het voorgaand lid neergelegd beginsel, en dit ten uitvoer leggen.

In beide gevallen zullen de genomen maatregelen ter kennis van de krijgsgevangenen worden gebracht.

De kosten van repatriëring der krijgsgevangenen zullen in ieder geval op billijke wijze worden verdeeld tussen de gevangenhoudende Mogendheid en de Mogendheid tot welke de krijgsgevangenen behoren. Te dien einde zullen de volgende beginselen bij deze verdeling in acht worden genomen.

  • a. wanneer deze beide Mogendheden aan elkander grenzen, zal de Mogendheid tot welke de krijgsgevangenen behoren, de kosten dragen van hun repatriëring van de grens van de gevangenhoudende Mogendheid af;
  • b. wanneer deze beide Mogendheden niet aan elkander grenzen, zal de gevangenhoudende Mogendheid de kosten dragen van het vervoer van de krijgsgevangenen op haar grondgebied tot haar grens of tot haar inschepingshaven welke het dichtst gelegen is bij de Mogendheid tot welke zij behoren. De betrokken Partijen zullen onderling een overeenkomst sluiten tot billijke verdeling van de overige repatriëringskosten. Het sluiten van een zodanige overeenkomst zal nimmer enig oponthoud in de repatriëring van de krijgsgevangenen kunnen rechtvaardigen.
Artikel 119

Repatriëring zal plaats vinden onder omstandigheden, overeenkomend met die, bedoeld in de artikelen 46 tot en met 48 van dit Verdrag betreffende het overbrengen van krijgsgevangenen, en met inachtneming van de bepalingen van artikel 118 en van de hierna volgende bepalingen.

Bij repatriëring zullen alle voorwerpen van waarde welke overeenkomstig artikel 18 aan de krijgsgevangenen zijn ontnomen, en de bedragen in vreemd geld welke niet zijn omgerekend in de muntsoort van de gevangenhoudende Mogendheid, aan hen worden teruggegeven. Voorwerpen van waarde en bedragen in vreemd geld, welke, om welke reden ook, aan de krijgsgevangenen bij hun repatriëring niet zijn teruggegeven, zullen worden gezonden aan het Informatiebureau, bedoeld in artikel 122.

Het is de krijgsgevangenen geoorloofd hun persoonlijke bezittingen, hun correspondentie en de door hen ontvangen pakketten mede te nemen. Het gewicht van deze voorwerpen mag, indien de omstandigheden van de repatriëring zulks vereisen, worden beperkt tot hetgeen de krijgsgevangene redelijkerwijze kan dragen; in ieder geval is het iedere krijgsgevangene geoorloofd ten minste vijf en twintig kilogram mede te nemen.

De overige persoonlijke bezittingen van de gerepatrieerde krijgsgevangene zullen worden bewaard door de gevangenhoudende Mogendheid, die deze aan hem zal toezenden zodra zij met de Mogendheid tot welke de gevangene behoort, een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wijze van het vervoer en de betaling van de daaraan verbonden kosten.

Krijgsgevangenen die wegens een misdrijf strafrechtelijk worden vervolgd, mogen worden achtergehouden tot het einde van het proces, eventueel tot het einde van de straf. Hetzelfde zal gelden voor krijgsgevangenen die wegens een misdrijf zijn veroordeeld.

De Partijen bij het conflict zullen elkander de namen mededelen van de krijgsgevangenen die worden achtergehouden tot het einde van het proces of van de tenuitvoerlegging van de straf.

Bij overeenkomst tussen de Partijen bij het conflict zullen commissies worden ingesteld ten einde verspreide krijgsgevangenen op te sporen en hun repatriëring binnen de kortst mogelijke tijd te verzekeren.

AFDELING III. Overlijden van krijgsgevangenen

Artikel 120

Testamenten van krijgsgevangenen moeten zodanig worden opgemaakt, dat wordt voldaan aan de voorwaarden van geldigheid, vereist ingevolge de wetgeving van hun land van herkomst, hetwelk des nodige maatregelen zal nemen om deze voorwaarden ter kennis te brengen van de gevangenhoudende Mogendheid. Op verzoek van de krijgsgevangene en in ieder geval na zijn dood zal het testament onverwijld aan de beschermende Mogendheid en een gewaarmerkt afschrift aan het Centraal Informatiebureau worden toegezonden.

Verklaringen van overlijden, overeenkomstig het als bijlage aan dit Verdrag gehecht model, of door een verantwoordelijk officier gewaarmerkte lijsten van alle in gevangenschap overleden krijgsgevangenen zullen ten spoedigste worden toegezonden aan het Informatiebureau voor Krijgsgevangenen, opgericht overeenkomstig artikel 122. Deze verklaringen of lijsten moeten bevatten de in het derde lid van artikel 17 opgesomde identiteitsgegevens, de plaats en datum van overlijden, de doodsoorzaak, de plaats en datum van begraven, benevens alle voor de identificatie van de graven benodigde inlichtingen.

Het begraven of verbranden moet worden voorafgegaan door een geneeskundig onderzoek van het lichaam, ten einde de dood vast te stellen, het opstellen van een verslag mogelijk te maken en, zo nodig, de overledene te identificeren.

De gevangenhoudende autoriteiten zullen zorg dragen, dat de in gevangenschap overleden krijgsgevangenen op eerbiedige wijze, zo mogelijk volgens het ceremonieel van de godsdienst welke zij beleden, worden begraven en dat hun graven worden ontzien, behoorlijk onderhouden en zodanig aangeduid, dat zij te allen tijde kunnen worden teruggevonden. Indien mogelijk zullen overleden krijgsgevangenen die tot dezelfde Mogendheid behoorden, op eenzelfde plaats worden begraven.

Overleden krijgsgevangenen zullen ieder afzonderlijk worden begraven, tenzij overmacht een gemeenschappelijk graf noodzakelijk maakt. De lijken mogen alleen worden verbrand indien gebiedende hygiënische redenen of de godsdienst van de overledene zulks vereisen, dan wel deze de wens daartoe te kennen heeft gegeven. In geval van verbanding zal dit met opgave van redenen in de overlijdensakte worden vermeld.

Ten einde de graven te allen tijde te kunnen terugvinden, moeten alle gegevens betreffende begrafenissen en graven worden geregistreerd door een Gravendienst, ingesteld door de gevangenhoudende Mogendheid. De lijsten der graven en de gegevens over op kerkhoven of elders begraven krijgsgevangenen zullen worden toegezonden aan de Mogendheid tot welke deze krijgsgevangenen behoorden.

De Mogendheid die het grondgebied in haar macht heeft, is, indien zij partij is bij dit Verdrag, verantwoordelijk voor de verzorging van deze graven en voor de registratie van iedere latere overbrenging der stoffelijke overschotten. Deze bepalingen zijn, in geval van verbranding, eveneens van toepassing op de as, welke door de Gravendienst zal worden bewaard tot het land van herkomst zijn wensen te kennen geeft ten aanzien van de uiteindelijk te nemen maatregelen.

Artikel 121

Ieder geval van dood of ernstige verwonding van een krijgsgevangene, veroorzaakt of vermoed te zijn veroorzaakt door een schildwacht, een andere krijgsgevangene of enig ander persoon, evenals ieder overlijden waarvan de oorzaak onbekend is, zal onmiddellijk worden gevolgd door een officieel onderzoek van de zijde van de gevangenhoudende Mogendheid.

Een mededeling daaromtrent zal terstond aan de beschermende Mogendheid worden gezonden. De verklaringen van getuigen, in het bijzonder van krijgsgevangenen, zullen worden verzameld; een rapport, bevattende deze verklaringen, zal aan genoemde Mogendheid worden gezonden.

Indien door het onderzoek de schuld van één of meer personen wordt vastgesteld, zal de gevangenhoudende Mogendheid alle maatregelen nemen voor de gerechtelijke vervolging van de verantwoordelijke persoon of personen.

TITEL V. Informatiebureaux en verenigingen tot hulpverlening aan krijgsgevangenen

Artikel 122

Bij het uitbreken van een conflict en in alle gevallen van bezetting zal ieder der Partijen bij het conflict een officieel Informatiebureau betreffende zich in haar macht bevindende krijgsgevangenen oprichten; onzijdige of niet-oorlogvoerende Mogendheden die op haar grondgebied personen, behorend tot één van de in artikel 4 genoemde categorieën, hebben toegelaten, zullen op dezelfde wijze ten aanzien van deze personen handelen. De betrokken Mogendheid zal zorg dragen, dat het Informatiebureau de beschikking heeft over de nodige lokaliteiten, materiaal en personeel ten einde het Bureau doeltreffend te doen werken. Het staat haar vrij daarbij krijgsgevangenen tewerk te stellen met inachtneming van de bepalingen, neergelegd in de Afdeling van dit Verdrag betreffende arbeid van krijgsgevangenen.

Binnen de kortst mogelijke tijd zal ieder der Partijen bij het conflict aan haar Informatiebureau verstrekken de in het vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel bedoelde inlichtingen betreffende ieder in zijn handen gevallen vijandelijk persoon die behoort tot één van de in artikel 4 genoemde categorieën. Onzijdige of niet-oorlogvoerende Mogendheden zullen op dezelfde wijze handelen ten aanzien van tot deze categorieën behorende personen die zij op haar grondgebied hebben toegelaten.

Het Bureau zal met spoed en met de snelste middelen deze inlichtingen doen toekomen aan de belanghebbende Mogendheden, door tussenkomst zowel van de beschermende Mogendheden als van het Centraal Bureau, bedoeld in artikel 123.

Deze inlichtingen moeten het mogelijk maken de belanghebbende verwanten spoedig te verwittigen. Voor zover deze inlichtingen in het bezit van het Informatiebureau zijn en onverminderd de bepalingen van artikel 17, zullen zij voor iedere krijgsgevangene inhouden zijn geslachtsnaam, voornamen, rang, leger-, stamboek- of ander contrôlenummer, plaats en volledige datum van geboorte, aanduiding van de Mogendheid tot welke hij behoort, voornaam van zijn vader en geslachtsnaam van zijn moeder, naam en adres van de in te lichten persoon, alsmede het adres waarheen correspondentie aan de gevangene kan worden gericht.

Het Informatiebureau zal van de verschillende betrokken overheidsdiensten de inlichtingen ontvangen aangaande gevallen van overplaatsing, invrijheidstelling, repatriëring, ontvluchting, opneming in een hospitaal en overlijden en deze op de hierboven in het derde lid vermelde wijze doorgeven.

Evenzo zullen geregeld, zo mogelijk wekelijks, inlichtingen over de gezondheidstoestand van ernstig zieke of zwaar gewonde krijgsgevangenen worden doorgegeven.

Het Informatiebureau zal tevens belast zijn met de beantwoording van alle tot dit Bureau gerichte vragen betreffende krijgsgevangenen, het inbegrip van de in gevangenschap overledenen; het zal ieder onderzoek instellen, nodig ter verkrijging van de gevraagde gegevens welke het niet tot zijn beschikking mocht hebben.

Alle schriftelijke mededelingen van het Bureau zullen worden gewaarmerkt door een handtekening of een stempelafdruk.

Het Informatiebureau zal bovendien belast zijn met het verzamelen en verzenden van alle persoonlijke voorwerpen van waarde, waaronder begrepen geldbedragen in een andere muntsoort dan die van de gevangenhoudende Mogendheid en voor de naaste verwanten van belang zijnde bescheiden, door de krijgsgevangenen achtergelaten bij hun repatriëring, invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden. Deze voorwerpen zullen worden verzonden in door het Bureau verzegelde pakketten, vergezeld van verklaringen, houdende nauwkeurige opgave van de identiteit der personen aan wie deze voorwerpen toebehoorden, alsmede van de volledige inhoud van het pakket. De overige persoonlijke bezittingen van deze gevangenen zullen overeenkomstig tussen de belanghebbende Partijen bij het conflict getroffen regelingen worden teruggezonden.

Artikel 123

Een Centraal Informatiebureau betreffende Krijgsgevangenen zal op onzijdig gebied worden opgericht. Het Internationale Comité van het Rode Kruis zal, indien het zulks noodzakelijk acht, aan de belanghebbende Mogendheden voorstellen doen met betrekking tot de organisatie van een zodanig Bureau.

Dit Bureau zal belast zijn met het verzamelen van alle inlichtingen betreffende krijgsgevangenen, welke het langs officiële of particuliere wegen kan verkrijgen; het zal deze inlichtingen zo snel mogelijk doorgeven aan het land van herkomst van de gevangenen of aan de Mogendheid tot welke zij behoren. Het Bureau zal van de Partijen bij het conflict alle faciliteiten ontvangen om het doorgeven van deze inlichtingen mogelijk te maken.

De Hoge Verdragsluitende Partijen, en in het bijzonder zij wier onderdanen genieten van de diensten van het Centraal Bureau, worden uitgenodigd daaraan de geldelijke steun te verlenen, welke het nodig mocht hebben.

Deze bepalingen mogen niet worden uitgelegd als zouden zij de menslievende werkzaamheden van het Internationale Comité van het Rode Kruis en van de verenigingen tot hulpverlening, bedoeld in artikel 125, beperken.

Artikel 124

De nationale Informatiebureaux en het Centraal Informatiebureau zullen vrijdom van port voor poststukken genieten, alsmede alle in artikel 74 bedoelde vrijstellingen en, voor zover mogelijk, vrijdom van telegraafkosten of ten minste belangrijk verlaagde tarieven.

Artikel 125

Behoudens de maatregelen welke de gevangenhoudende Mogendheden noodzakelijk mochten achten om haar veiligheid te waarborgen of uit hoofde van enige andere redelijke noodzaak, zullen zij aan godsdienstige organisaties, verenigingen tot hulpverlening of enige andere organisatie die de krijgsgevangenen te hulp mocht komen, evenals aan haar gevolmachtigde gedelegeerden, alle nodige faciliteiten verlenen voor het bezoeken van de gevangenen, voor het verdelen onder hen van zendingen tot hulpverlening of van materiaal van iedere herkomst, bestemd voor godsdienstige, opvoedkundige of ontspanningsdoeleinden, of om hen te helpen bij het besteden van hun vrije tijd in de kampen. Deze verenigingen of organisaties kunnen worden opgericht hetzij op het grondgebied van de gevangenhoudende Mogendheid, hetzij in een ander land, terwijl zij ook een internationaal karakter kunnen hebben.

De gevangenhoudende Mogendheid mag het aantal der verenigingen of organisaties wier gedelegeerden toestemming hebben om hun werkzaamheden op haar grondgebied en onder haar toezicht uit te oefenen, beperken, mits echter een zodanige beperking niet belet, dat aan alle krijgsgevangenen doeltreffende en voldoende hulp wordt geboden.

De bijzondere positie van het Internationale Comité van het Rode Kruis op dit gebied zal te allen tijde worden erkend en geëerbiedigd.

Op het ogenblik waarop aan krijgsgevangenen zendingen tot hulpverlening of materiaal voor de bovenaangegeven doeleinden worden verstrekt, of ten minste spoedig daarna, zullen voor iedere zending door de vertrouwensman van deze gevangenen getekende ontvangstbewijzen worden gezonden aan de zendende vereniging tot hulpverlening of organisatie. Tegelijkertijd zullen door de administratieve autoriteiten, belast met de bewaking der gevangenen, ontvangstbewijzen betreffende deze zendingen worden afgegeven.

TITEL VI. Tenuitvoerlegging van het Verdrag

AFDELING I. Algemene bepalingen

Artikel 126

De vertegenwoordigers of gedelegeerden van de beschermende Mogendheden zijn gerechtigd zich naar alle plaatsen waar zich krijgsgevangenen bevinden, te begeven, in het bijzonder naar plaatsen waar deze geïnterneerd, gevangen of werkzaam zijn; zij zullen toegang hebben tot alle bij de gevangenen in gebruik zijnde lokaliteiten. Zij zijn eveneens gerechtigd zich te begeven naar de plaatsen van vertrek, doortocht of aankomst van gevangenen die worden overgebracht. Zij mogen zich zonder getuigen met de gevangenen, en in het bijzonder met hun vertrouwensman, onderhouden, zo nodig door tussenkomst van een tolk.

De vertegenwoordigers en gedelegeerden van de beschermende Mogendheden zullen alle vrijheid genieten in de keuze van de plaatsen welke zij wensen te bezoeken; de duur en de frequentie van deze bezoeken mogen niet worden beperkt. Bezoeken mogen slechts om redenen van dwingende militaire noodzaak worden verboden en dan alleen bij uitzondering en als tijdelijke maatregel.

De gevangenhoudende Mogendheid en de Mogendheid tot welke de te bezoeken krijgsgevangenen behoren, kunnen, zo nodig, overeenkomen, dat het aan landgenoten van deze gevangenen zal worden toegestaan aan deze bezoeken deel te nemen.

De gedelegeerden van het Internationale Comité van het Rode Kruis zullen dezelfde voorrechten genieten. De benoeming van deze gedelegeerden is onderworpen aan de goedkeuring van de Mogendheid in wier macht de te bezoeken krijgsgevangenen zich bevinden.

Artikel 127

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich de tekst van dit Verdrag, zowel in tijd van vrede als in tijd van oorlog, zo ruim mogelijk in haar onderscheiden landen te verspreiden en in het bijzonder de bestudering daarvan in de programma's van de militaire en, zo mogelijk, burgerlijke opleiding op te nemen, zodat de beginselen daarvan aan al haar strijdkrachten en de gehele bevolking bekend worden.

De militaire of andere autoriteiten die in tijd van oorlog de verantwoordelijkheid voor krijgsgevangenen op zich nemen, moeten in het bezit zijn van de tekst van het Verdrag en speciaal omtrent zijn bepalingen zijn onderricht.

Artikel 128

De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen elkander door tussenkomst van de Zwitserse Bondsraad en, tijdens de vijandelijkheden, door tussenkomst van de beschermende Mogendheden de officiële vertalingen van dit Verdrag mededelen, benevens de wetten en voorschriften welke zij mochten aannemen om de toepassing daarvan te verzekeren.

Artikel 129

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich alle wettelijke regelingen tot stand te brengen, nodig om doeltreffende strafbepalingen vast te stellen voor personen die één der ernstige inbreuken op dit Verdrag, omschreven in het volgend artikel, hebben gepleegd, dan wel bevel tot het plegen daarvan hebben gegeven.

Iedere Hoge Verdragsluitende Partij is verplicht personen die ervan verdacht worden één van deze ernstige inbreuken te hebben gepleegd, dan wel bevel tot het plegen daarvan te hebben gegeven, op te sporen en moet hen, ongeacht hun nationaliteit, voor haar eigen gerechten brengen. Zij kan hen ook, indien zij daaraan de voorkeur geeft, en overeenkomstig de bepalingen van haar eigen wetgeving, ter berechting overleveren aan een andere bij de vervolging belang hebbende Hoge Verdragsluitende Partij, mits deze Verdragsluitende Partij een met voldoende bewijzen gestaafde telastlegging welke een vervolging rechtvaardigt, tegen de betrokken personen inbrengt.

Iedere Hoge Verdragsluitende Partij zal maatregelen nemen, nodig om de met de bepalingen van dit Verdrag strijdige handelingen welke niet vallen onder de in het volgend artikel omschreven ernstige inbreuken, tegen te gaan.

Onder alle omstandigheden zullen de verdachten de waarborgen genieten voor een behoorlijke berechting en verdediging, welke niet minder gunstig mogen zijn dan die, voorgeschreven in artikel 105 en volgende van dit Verdrag.

Artikel 130

De ernstige inbreuken, bedoeld in het voorgaand artikel, zijn die welke één der volgende handelingen in zich sluiten, indien deze worden gepleegd tegen door het Verdrag beschermde personen of goederen: opzettelijke levensberoving, marteling of onmenselijke behandeling, waaronder begrepen biologische proefnemingen, het opzettelijk veroorzaken van hevig lijden, van ernstig lichamelijk letsel, dan wel van ernstige schade aan de gezondheid, een krijgsgevangene te dwingen om te dienen bij de strijdkrachten van de vijandelijke Mogendheid, of opzettelijk een krijgsgevangene het recht te onthouden op een regelmatige en onpartijdige berechting overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 131

Geen der Hoge Verdragsluitende Partijen mag zich zelf of een andere Hoge Verdragsluitende Partij onttrekken aan enige op haar of op een andere Hoge Verdragsluitende Partij rustende aansprakelijkheid op grond van de in het voorgaand artikel bedoelde inbreuken.

Artikel 132

Op verzoek van een Partij bij het conflict moet, op een door de belanghebbende Partijen overeen te komen wijze, een onderzoek worden ingesteld naar iedere beweerde schending van het Verdrag.

Indien geen overeenstemming over de procedure van het onderzoek wordt bereikt, zullen de Partijen zich met elkander verstaan over de keuze van een scheidsrechter, die omtrent de te volgen procedure zal beslissen.

Wanneer de schending is vastgesteld, zullen de Partijen bij het conflict daaraan een einde maken en deze zo spoedig mogelijk bestraffen.

AFDELING II. Slotbepalingen

Artikel 133

Dit Verdrag is opgesteld in de Franse en de Engelse taal. Beide teksten zijn gelijkelijk authentiek.

De Zwitserse Bondsraad zal officiële vertalingen van het Verdrag in de Russische en de Spaanse taal doen opstellen.

Artikel 134

Dit Verdrag vervangt in de betrekkingen tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen het Verdrag van 27 Juli 1929.

Artikel 135

In de betrekkingen tussen de Mogendheden die gebonden zijn door het Haagse Verdrag nopens de wetten en gebruiken van den oorlog te land, hetzij dan van 29 Juli 1899, hetzij dat van 18 October 1907, en die partij zijn bij dit Verdrag, zal dit Verdrag Hoofdstuk II van het als bijlage aan voornoemde Haagse Verdragen gehecht Reglement aanvullen.

Artikel 136

Dit Verdrag, hetwelk de datum van deze dag draagt, kan tot 12 Februari 1950 worden ondertekend uit naam van alle Mogendheden die vertegenwoordigd waren op de Conferentie welke te Genève op 21 April 1949 werd geopend, zomede uit naam van de niet op deze Conferentie vertegenwoordigde Mogendheden die partij zijn bij het Verdrag van 27 Juli 1929.

Artikel 137

Dit Verdrag zal zo spoedig mogelijk worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd te Bern.

Van de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging zal een proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift door de Zwitserse Bondsraad zal worden toegezonden aan alle Mogendheden uit wier naam het Verdrag is ondertekend of de toetreding is medegedeeld.

Artikel 138

Dit Verdrag zal in werking treden zes maanden nadat ten minste twee akten van bekrachtiging zijn nedergelegd.

Daarna zal het Verdrag voor iedere Hoge Verdragsluitende Partij in werking treden zes maanden na het nederleggen van haar akte van bekrachtiging.

Artikel 139

Van de datum van zijn inwerkingtreding af zal dit Verdrag openstaan voor toetreding door iedere Mogendheid, uit wier naam het Verdrag niet is ondertekend.

Artikel 140

Toetredingen zullen schriftelijk worden medegedeeld aan de Zwitserse Bondsraad en worden zes maanden na de datum waarop zij de Bondsraad hebben bereikt, van kracht.

De Zwitserse Bondsraad zal de toetredingen mededelen aan alle Mogendheden uit wier naam het Verdrag is ondertekend of de toetreding is medegedeeld.

Artikel 141

De in de artikelen 2 en 3 bedoelde omstandigheden zullen de door de Partijen bij het conflict voor of na het begin van de vijandelijkheden of van de bezetting nedergelegde akten van bekrachtiging en medegedeelde toetredingen onmiddellijk in werking doen treden. De Zwitserse Bondsraad zal langs de snelste weg mededeling doen van de van Partijen bij het conflict ontvangen akten van bekrachtiging of toetredingen.

Artikel 142

Ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid dit Verdrag op te zeggen.

Opzegging zal schriftelijk ter kennis worden gebracht van de Zwitserse Bondsraad. Deze zal daarvan mededeling doen aan de Regeringen van alle Hoge Verdragsluitende Partijen.

De opzegging wordt van kracht één jaar nadat daarvan kennis is gegeven aan de Zwitserse Bondsraad. Echter zal een opzegging waarvan kennis is gegeven terwijl de opzeggende Mogendheid in een conflict is betrokken, in geen enkel opzicht gevolg hebben, zolang de vrede niet is gesloten en in ieder geval niet zolang de werkzaamheden voor de invrijheidsstelling en repatriëring van de door dit Verdrag beschermde personen niet zijn beëindigd.

De opzegging zal slechts gelden ten aanzien van de opzeggende Mogendheid. Zij zal geen enkele invloed hebben op de verplichtingen welke de Partijen bij het conflict gehouden zijn te blijven vervullen krachtens de beginselen van het volkenrecht, zoals deze voortvloeien uit de tussen beschaafde volken gevestigde gebruiken, de wetten der menselijkheid en de eisen van het openbaar rechtsbewustzijn.

Artikel 143

De Zwitserse Bondsraad zal dit Verdrag doen registreren bij het Secretariaat van de Verenigde Naties. De Zwitserse Bondsraad zal eveneens aan het Secretariaat van de Verenigde Naties mededeling doen van alle bekrachtigingen, toetredingen en opzeggingen welke de Bondsraad ontvangt in verband met dit Verdrag.

I. - BEGINSELEN VOOR DE RECHTSTREEKSE TERUGZENDING NAAR HET EIGEN LAND OF DE ONDERBRENGING OP ONZIJDIG GEBIED

A. Rechtstreekse terugzending naar het eigen land

B. Onderbrenging op onzijdig gebied

II. - ALGEMENE OPMERKINGEN

Artikel 1

De gemengde geneeskundige Commissies, bedoeld in artikel 112 van het Verdrag, zullen worden samengesteld uit drie leden, van wie twee behoren tot een onzijdig land en het derde wordt benoemd door de gevangenhoudende Mogendheid. Eén van de onzijdige leden zal voorzitter zijn.

Artikel 2

De twee onzijdige leden zullen worden benoemd door het Internationale Comité van het Rode Kruis, in overleg met de beschermende Mogendheid, op verzoek van de gevangenhoudende Mogendheid. Zij kunnen gevestigd zijn in hun eigen land, in een ander onzijdig land of op het grondgebied van de gevangenhoudende Mogendheid.

Artikel 3

De onzijdige leden moeten worden aanvaard door de betrokken Partijen bij het conflict, die van haar aanvaarding kennis zullen geven aan het Internationale Comité van het Rode Kruis en aan de beschermende Mogendheid. Terstond na deze kennisgeving wordt de benoeming van de onzijdige leden geacht te zijn ingegaan.

Artikel 4

Ook zal een voldoend aantal plaatsvervangende leden worden benoemd om de vaste leden in geval van nood te vervangen. Zij zullen tegelijk met de vaste leden, of ten minste zo spoedig mogelijk, worden benoemd.

Artikel 5

Indien, om welke reden ook, het Internationale Comité van het Rode Kruis niet kan overgaan tot de benoeming van onzijdige leden, zal daartoe worden overgegaan door de Mogendheid die de belangen van de te onderzoeken krijgsgevangenen beschermt.

Artikel 6

Voor zover mogelijk moet één van de twee onzijdige leden chirurg zijn en de ander algemeen geneesheer.

Artikel 7

De onzijdige leden zullen volkomen onafhankelijk zijn van de Partijen bij het conflict, die hun alle faciliteiten voor de vervulling van hun taak moeten verlenen.

Artikel 8

In overleg met de gevangenhoudende Mogendheid, zal het Internationale Comité van het Rode Kruis bij de benoeming, bedoeld in de artikelen 2 en 4 van dit reglement, de voorwaarden vaststellen waarop de betrokkenen hun taak zullen vervullen.

Artikel 9

Zodra de onzijdige leden zijn aanvaard, zullen de gemengde geneeskundige Commissies zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen drie maanden na de datum der aanvaarding, hun werkzaamheden aanvangen.

Artikel 10

De gemengde geneeskundige Commissies zullen alle in artikel 113 van het Verdrag bedoelde gevangenen onderzoeken. Zij zullen repatriëring, afwijzing daarvan of uitstel tot een later onderzoek voorstellen. Haar beslissingen zullen bij meerderheid worden genomen.

Artikel 11

De door de Commissie in ieder afzonderlijk geval genomen beslissing zal in de maand, volgend op haar bezoek, aan de gevangenhoudende Mogendheid, de beschermende Mogendheid en het Internationale Comité van het Rode Kruis worden medegedeeld. De gemengde geneeskundige Commissie zal eveneens iedere krijgsgevangene die onderzocht is in kennis te stellen met de genomen beslissing en aan hen voor wie repatriëring is voorgesteld, een verklaring afgeven, overeenkomend met het als bijlage aan dit Verdrag gehecht model.

Artikel 12

De gevangenhoudende Mogendheid is gehouden de beslissingen van de gemengde geneeskundige Commissie uit te voeren binnen drie maanden nadat zij daarmede naar behoren in kennis is gesteld.

Artikel 13

Indien er geen onzijdig geneesheer is in een land waar de bemoeiingen van een gemengde geneeskundige Commissie noodzakelijk blijken, en indien het onmogelijk is, om welke reden ook, in een ander land gevestigde onzijdige geneesheren te benoemen, zal de gevangenhoudende Mogendheid, handelend in overleg met de beschermende Mogendheid, een geneeskundige Commissie instellen, die dezelfde taak als een gemengde geneeskundige Commissie op zich zal nemen, behoudens de bepalingen der artikelen 1, 2, 3, 4, 5 en 8 van dit reglement.

Artikel 14

De gemengde geneeskundige Commissies zullen permanent in functie blijven en ieder kamp met tussenpozen van ten hoogste zes maanden bezoeken.

Artikel 1

De vertrouwensmannen zijn gerechtigd de collectieve zendingen tot hulpverlening, waarvoor zij verantwoordelijk zijn, te verdelen onder alle krijgsgevangenen die administratief bij hun kamp zijn ingedeeld, met inbegrip van hen die zich in hospitalen, of in gevangenissen of andere strafinrichtingen bevinden.

Artikel 2

De verdeling van collectieve zendingen tot hulpverlening zal geschieden overeenkomstig de instructies van de schenkers en het door de vertrouwensmannen opgesteld schema; de verdeling van zendingen van geneeskundige voorraden zal echter bij voorkeur plaats vinden in overleg met de met de leiding belaste artsen; deze mogen, in hospitalen en ziekenverblijven, van voornoemde instructies afwijken voor zover de behoeften van hun patiënten zulks vereisen. Binnen de aldus bepaalde grenzen moet deze verdeling altijd billijk worden uitgevoerd.

Artikel 3

Ten einde de hoedanigheid en hoeveelheid van de ontvangen goederen te kunnen onderzoeken en dienaangaande in bijzonderheden te kunnen rapporteren aan de schenkers, zijn de vertrouwensmannen of hun medewerkers gerechtigd zich te begeven naar de in de nabijheid van hun kamp gelegen aankomstplaatsen van zendingen tot hulpverlening.

Artikel 4

De vertrouwensmannen zullen de nodige faciliteiten ontvangen om te onderzoeken of de verdeling van collectieve zendingen in alle onderafdelingen en dépendances van hun kamp overeenkomstig hun instructies is uitgevoerd.

Artikel 5

De vertrouwensmannen zijn gerechtigd formulieren of vragenlijsten, bestemd voor de schenkers en betrekking hebbend op collectieve zendingen (verdeling, behoeften, hoeveelheden, enz.), in te vullen, alsmede te doen invullen door de vertrouwensmannen van werkgroepen of door de met de leiding van ziekenverblijven en hospitalen belaste artsen. Deze formulieren en vragenlijsten zullen na invulling onverwijld aan de schenkers worden gezonden.

Artikel 6

Ten einde een geregelde uitdeling van collectieve zendingen aan de krijgsgevangenen van hun kamp te verzekeren en eventueel te voorzien in de behoeften welke door de aankomst van nieuwe groepen gevangenen mochten ontstaan, zijn de vertrouwensmannen gerechtigd passende voorraden van collectieve zendingen aan te leggen en in stand te houden. Te dien einde zullen zij de beschikking hebben over geschikte opslagplaatsen; iedere opslagplaats zal voorzien zijn van twee sloten; de vertrouwensman zal in het bezit zijn van de sleutels van het ene slot en de kampcommandant van die van het andere.

Artikel 7

Ingeval collectieve zendingen van kledingstukken beschikbaar zijn, zal iedere krijgsgevangene ten minste één volledig stel kleding in zijn bezit hebben. Indien een krijgsgevangene meer dan één stel kleding bezit, is de vertrouwensman gerechtigd aan hen die het best zijn bedeeld, de overtollige stellen kleding of bepaalde kledingstukken welke zij daarboven bezitten, te ontnemen, ingeval zulks noodzakelijk is om te voorzien in de behoeften van minder goed bedeelde gevangenen. Hij mag echter geen tweede stel onderkleding, sokken of schoenen afnemen, tenzij zulks de enige wijze is om een krijgsgevangene, die deze niet bezit, daarvan te voorzien.

Artikel 8

De Hoge Verdragsluitende Partijen, en de gevangenhoudende Mogendheden in het bijzonder, zullen, voor zover mogelijk en met inachtneming van de voorschriften betreffende de voedselvoorziening van de bevolking, alle aankopen toestaan, welke op haar grondgebied mochten worden gedaan ten einde collectieve zendingen aan krijgsgevangenen te doen toekomen; zij zullen op overeenkomstige wijze de overmaking van gelden en het nemen van andere financiële, technische of administratieve maatregelen met het oog op deze aankopen vergemakkelijken.

Artikel 9

De voorgaande bepalingen maken geen inbreuk op het recht van krijgsgevangenen om collectieve zendingen te ontvangen vóór hun aankomst in een kamp of gedurende overbrenging, noch op de mogelijkheid voor vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie tot hulpverlening aan gevangenen, die belast mocht zijn met het verzenden van deze zendingen, om de uitdeling daarvan aan de geadresseerden te verzekeren met alle andere middelen welke zij gegeschikt mochten achten.

A. IDENTITEITSKAART

B. KAART VAN GEVANGENNEMING

C. BRIEFKAART EN BRIEF

I. BRIEFKAART

2. BRIEF

D. VERKLARING VAN OVERLIJDEN

E. VERKLARING VOOR REPATRIËRING

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, having deposited their respective full powers, have signed the present Convention.

DONE at Geneva this twelfth day of August 1949, in the English and French languages. The original shall be deposited in the Archives of the Swiss Confederation. The Swiss Federal Council shall transmit certified copies thereof to each of the signatory and acceding States.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)