Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds
het Koninkrijk België,
de Republiek Bulgarije,
de Tsjechische Republiek,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Republiek Estland,
Ierland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
de Italiaanse Republiek,
de Republiek Cyprus,
de Republiek Letland,
de Republiek Litouwen,
het Groothertogdom Luxemburg,
Hongarije,
Malta,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Republiek Polen,
de Portugese Republiek,
Roemenië,
de Republiek Slovenië,
de Slowaakse Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en
de Europese Unie,
enerzijds, en
de Republiek Costa Rica,
de Republiek El Salvador,
de Republiek Guatemala,
de Republiek Honduras,
de Republiek Nicaragua,
de Republiek Panama,
hierna „Midden-Amerika”,
anderzijds,
gelet op de traditionele historische, culturele, politieke, economische en sociale banden tussen de partijen en de wens om de betrekkingen op basis van gemeenschappelijke beginselen en waarden te versterken, voortbouwend op de bestaande mechanismen die de betrekkingen tussen de partijen bepalen, alsmede de wens om de biregionale banden op gebieden van gemeenschappelijk belang te consolideren, te verdiepen en te diversifiëren in een sfeer van wederzijds respect, gelijkheid, non-discriminatie, solidariteit en wederzijds profijt;
gelet op de positieve ontwikkelingen in beide regio’s gedurende de laatste twee decennia, waardoor bij de bevordering van gemeenschappelijke doelen en belangen een nieuwe fase kan worden ingeluid met diepgaandere, modernere en permanentere betrekkingen, met als doel een biregionale associatie tot stand te brengen die beantwoordt aan zowel de huidige binnenlandse uitdagingen als de nieuwe internationale realiteit;
de nadruk leggend op het belang dat de partijen hechten aan de consolidatie van de politieke dialoog en het economisch samenwerkingsproces dat tot op heden bestaat tussen de partijen op grond van de Dialoog van San José, die is gestart in 1984 en die sindsdien bij diverse gelegenheden is hervat;
herinnerend aan de conclusies van de Top van Wenen van 2006, met inbegrip van de toezeggingen die door Midden-Amerika zijn gedaan met betrekking tot verdieping van de regionale economische integratie;
erkennend de vooruitgang die is geboekt in het Midden-Amerikaanse economische integratieproces, zoals de ratificatie van de Convenio Marco para el Establecimiento de la Unión Aduanera Centroamericana en het Tratado sobre Inversión y Comercio de Servicios, alsmede de implementatie van een gerechtelijk mechanisme dat moet zorgen voor handhaving van de regionale economische wetgeving in de gehele Midden-Amerikaanse regio;
herbevestigend dat zij de democratische beginselen en fundamentele mensenrechten zoals verwoord in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens respecteren;
herinnerend aan hun engagement voor de beginselen van de rechtsstaat en goed bestuur;
uitgaand van het beginsel van gedeelde verantwoordelijkheid en in de overtuiging van het belang van het voorkomen van illegaal drugsgebruik en van het beperken van de schadelijke effecten daarvan, met inbegrip van de strijd tegen de verbouwing, de productie, de verwerking en het verhandelen van drugs en hun precursoren, alsmede tegen witwaspraktijken;
er nota van nemend dat de bepalingen van deze overeenkomst die binnen het toepassingsgebied van het derde deel, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland binden als afzonderlijke overeenkomstsluitende partijen, en niet als deel van de Europese Unie, tenzij de Europese Unie tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland de republieken van de MA-partij ervan in kennis heeft gesteld dat het Verenigd Koninkrijk of Ierland gebonden zijn als deel van de Europese Unie, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht. Indien het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland overeenkomstig artikel 4 bis van Protocol nr. 21 niet langer gebonden zijn als deel van de Europese Unie, moet de Europese Unie tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland de republieken van de MA-partij onmiddellijk in kennis stellen van iedere wijziging in hun positie; in dat geval blijven zij op zichzelf gebonden door de bepalingen van deze overeenkomst. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig het aan die verdragen gehechte Protocol betreffende de positie van Denemarken;
onderstrepend hun engagement om samen te werken aan het verwezenlijken van de doeleinden van armoedebestrijding, werkgelegenheidsschepping, rechtvaardige en duurzame ontwikkeling, met inachtneming van de kwetsbaarheid voor natuurrampen, milieubehoud, milieubescherming en biodiversiteit, en de geleidelijke integratie van de republieken van de MA-partij in de wereldeconomie;
herbevestigend het belang dat de partijen hechten aan de beginselen en regels ten aanzien van de internationale handel, met name diegene die zijn opgenomen in de overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie van 15 april 1994 (hierna „WTO-Overeenkomst” genoemd), en de multilaterale overeenkomsten die zijn gehecht aan de WTO-Overeenkomst, alsmede aan de noodzaak om deze op een transparante en niet-discriminerende wijze toe te passen;
overwegend het verschil in economische en sociale ontwikkeling dat bestaat tussen de republieken van de MA-partij en de EU-partij en de gedeelde doelstelling om het proces van economische en sociale ontwikkeling in Midden-Amerika kracht bij te zetten;
de wens uitdrukkend hun economische betrekkingen te versterken, in het bijzonder handel en investeringen, ter versterking en verbetering van de huidige mate van toegang van de republieken van de MA-partij tot de markt van de Europese Unie, om zo bij te dragen aan de economische groei in Midden-Amerika en de vermindering van de ongelijkheden tussen de twee regio’s;
ervan overtuigd dat deze overeenkomst een klimaat zal creëren dat bevorderlijk is voor groei binnen duurzame economische betrekkingen tussen de partijen, met name in de sectoren handel en investeringen, die essentieel zijn voor de verwezenlijking van de economische en sociale ontwikkeling en van technologische innovatie en modernisering;
onderstrepend de noodzaak om voort te bouwen op de beginselen, doelstellingen en mechanismen die de betrekkingen tussen de twee regio’s bepalen, in het bijzonder de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds, en de Republiek Costa Rica, de Republiek El Salvador, de Republiek Guatemala, de Republiek Honduras, de Republiek Nicaragua en de Republiek Panama anderzijds, ondertekend in 2003 (hierna „de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking van 2003”), alsmede de Raamovereenkomst inzake samenwerking van 1993 die door dezelfde partijen is ondertekend;
zich bewust van de noodzaak om in beide regio’s duurzame ontwikkeling te bevorderen door middel van een ontwikkelingspartnerschap waar alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, bij zijn betrokken, overeenkomstig de beginselen van de Consensus van Monterrey en de Verklaring van Johannesburg, en het bijbehorende Uitvoeringsplan;
herbevestigend dat de staten bij de uitoefening van hun soevereine bevoegdheid om hun natuurlijke hulpbronnen overeenkomstig hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid te exploiteren, duurzame ontwikkeling moeten bevorderen;
indachtig de noodzaak om een uitgebreide dialoog over migratie te ontwikkelen ter versterking van de biregionale samenwerking inzake migratievraagstukken in het kader van die delen van deze overeenkomst welke betrekking hebben op politieke dialoog en samenwerking, en om te zorgen voor effectieve bevordering en bescherming van de mensenrechten van alle migranten;
erkennend dat geen enkele bepaling van deze overeenkomst in welk opzicht ook mag verwijzen naar of geïnterpreteerd of uitgelegd mag worden als de bepaling van een standpunt van de partijen in lopende of toekomstige bilaterale of multilaterale handelsbesprekingen;
de nadruk leggend op de wil om samen te werken in internationale fora inzake kwesties van wederzijds belang;
lettend op het strategisch partnerschap dat tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied in het kader van de topontmoeting van Rio in 1999 tot stand is gekomen en dat op de topontmoetingen van Madrid in 2002, Guadalajara in 2004, Wenen in 2006, Lima in 2008 en Madrid in 2010 opnieuw is bevestigd;
rekening houdend met de verklaring van Madrid van mei 2010;
hebben besloten deze overeenkomst te sluiten:
DEEL I. ALGEMENE EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN
TITEL I. AARD EN TOEPASSINGSGEBIED VAN DEZE OVEREENKOMST
Artikel 1. Beginselen
Respect voor de democratische beginselen en fundamentele mensenrechten zoals verwoord in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en voor de rechtsstaat, vormt het fundament van het binnenlandse en internationale beleid van beide partijen en vormt een essentieel onderdeel van deze overeenkomst.
De partijen bevestigen hun verbintenis om duurzame ontwikkeling te bevorderen, hetgeen een leidend beginsel vormt voor de uitvoering van deze overeenkomst, waarbij met name rekening wordt gehouden met de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. De partijen zorgen voor een passend evenwicht tussen de economische, sociale en milieuaspecten van duurzame ontwikkeling.
De partijen bevestigen opnieuw hun gehechtheid aan goed bestuur en de rechtsstaat, hetgeen in het bijzonder het primaat van het recht, de scheiding der machten, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, duidelijke besluitvormingsprocedures op het niveau van de overheidsinstellingen, transparante en verantwoordelijke instellingen, goed en transparant beheer van de publiekszaken op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau, en de uitvoering van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van corruptie behelst.
Artikel 2. Doelstellingen
De partijen komen overeen dat deze overeenkomst de volgende doelstellingen heeft:
- a. versterking en consolidatie van de betrekkingen tussen de partijen door middel van een associatie op basis van drie onderling afhankelijke en fundamentele delen: politieke dialoog, samenwerking en handel, op basis van wederzijds respect, wederkerigheid en gemeenschappelijk belang; bij de uitvoering van deze overeenkomst wordt volledig gebruik gemaakt van de institutionele overeenkomsten en mechanismen die de partijen zijn overeengekomen;
- b. ontwikkeling van een geprivilegieerd politiek partnerschap op basis van waarden, beginselen en gemeenschappelijke doelstellingen, met name respect voor en bevordering van de democratie en de mensenrechten, duurzame ontwikkeling, goed bestuur en de rechtsstaat, met het engagement deze waarden en beginselen op het wereldtoneel te bevorderen en te beschermen op zodanige wijze dat dit bijdraagt aan de versterking van het multilateralisme;
- c. versterking van de biregionale samenwerking op alle gebieden van gemeenschappelijk belang met als doel een duurzamere en rechtvaardigere sociale en economische ontwikkeling in beide regio’s te verwezenlijken;
- d. uitbreiding en diversifiëring van de biregionale handelsbetrekkingen van de partijen conform de WTO-Overeenkomst en de specifieke doelstellingen en bepalingen die zijn opgenomen in deel IV van deze overeenkomst, hetgeen moet bijdragen aan meer economische groei, geleidelijke verbetering van de levenskwaliteit in beide regio’s en betere integratie van beide regio’s in de wereldeconomie;
- e. versterking en verdieping van het progressieve proces van regionale integratie op gebieden van gemeenschappelijk belang, als een manier om de uitvoering van deze overeenkomst te bevorderen;
- f. versterking van betrekkingen van goed nabuurschap en van het beginsel van een vreedzame oplossing van geschillen;
- g. op zijn minst behoud, maar bij voorkeur ontwikkeling van het niveau van goed bestuur en de bestaande sociale, arbeids- en milieunormen door middel van de doelmatige uitvoering van de internationale verdragen die door de partijen zijn ondertekend op het moment van inwerkingtreding van deze overeenkomst; en
- h. aanmoediging van meer handel en investeringen tussen de partijen, waarbij rekening wordt gehouden met de speciale en differentiële behandeling teneinde de structurele ongelijkheden tussen de beide regio’s te verkleinen.
Artikel 3. Toepassingsgebied
De partijen behandelen elkaar als gelijken. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat deze de soevereiniteit van een republiek van de MA-partij ondermijnt.
TITEL II. INSTITUTIONEEL KADER
Artikel 4. Associatieraad
Er wordt een Associatieraad ingesteld, die toezicht houdt op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en de uitvoering daarvan. De Associatieraad komt op ministerieel niveau bijeen met regelmatige tussenpozen van niet meer dan twee jaar, en wanneer de omstandigheden zulks vereisen in buitengewone vergadering, indien de partijen daartoe gezamenlijk besluiten. De Associatieraad komt, indien nodig en overeengekomen door beide partijen, bijeen op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders. Om de politieke dialoog te versterken en efficiënter te maken, zullen tevens ad-hocvergaderingen op werkniveau worden aangemoedigd.
De Associatieraad behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van deze overeenkomst voordoen en alle andere bilaterale, multilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang.
De Associatieraad behandelt tevens voorstellen en aanbevelingen van de partijen die strekken tot verbetering van de betrekkingen die worden gevestigd op grond van deze overeenkomst.
Artikel 5. Samenstelling en reglement van orde
De Associatieraad bestaat uit vertegenwoordigers op ministerieel niveau van de EU-partij en van elk van de republieken van de MA-partij, overeenkomstig de respectieve interne regelingen van de partijen en rekening houdend met de specifieke kwesties (politieke dialoog, samenwerking en/of handel) die tijdens een bepaalde sessie worden behandeld.
De Associatieraad stelt zijn eigen reglement van orde vast.
De leden van de Associatieraad kunnen zich doen vertegenwoordigen, overeenkomstig de daartoe in het reglement van orde van de Associatieraad vastgestelde voorwaarden.
De Associatieraad wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de EU-partij enerzijds en een vertegenwoordiger van één republiek van de MA-partij anderzijds, zulks overeenkomstig het bepaalde in het reglement van orde van de Associatieraad.
Artikel 6. Beslissingsbevoegdheid
Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst heeft de Associatieraad beslissingsbevoegdheid in de gevallen die in deze overeenkomst worden genoemd.
De besluiten van de Associatieraad zijn bindend voor de partijen, die voor de uitvoering ervan de nodige maatregelen treffen overeenkomstig de interne regelgeving en de wettelijke procedures van elke partij.
De Associatieraad kan tevens passende aanbevelingen doen.
De Associatieraad stelt besluiten en aanbevelingen vast in onderling overleg tussen de partijen. In het geval van de republieken van de MA-partij is voor de vaststelling van besluiten en aanbevelingen hun consensus vereist.
De in lid 4 vastgestelde procedure geldt tevens voor alle andere bij deze overeenkomst ingestelde bestuursorganen.
Artikel 7. Associatiecomité
De Associatieraad wordt bij de uitvoering van zijn taken bijgestaan door een Associatiecomité, dat bestaat uit vertegenwoordigers op het niveau van hoge ambtenaren van de EU-partij en van elk van de republieken van de MA-partij, rekening houdend met de specifieke kwesties (politieke dialoog, samenwerking en/of handel) die tijdens een bepaalde sessie worden behandeld.
Het Associatiecomité wordt belast met de algemene uitvoering van deze overeenkomst.
De Associatieraad stelt het reglement van orde van het Associatiecomité vast.
Het Associatiecomité heeft beslissingsbevoegdheid in de gevallen waarin deze overeenkomst voorziet of in de gevallen waarin de Associatieraad die bevoegdheid aan het Associatiecomité heeft gedelegeerd. In dat geval neemt het Associatiecomité zijn besluiten overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 4 tot en met 6.
Het Associatiecomité komt in het algemeen eenmaal per jaar bijeen voor een algehele evaluatie van de uitvoering van deze overeenkomst, beurtelings in Brussel en in Midden-Amerika; de datum en de agenda worden van tevoren door de partijen in onderling overleg vastgesteld. Bij onderling akkoord kunnen er op verzoek van een van de partijen speciale vergaderingen worden bijeengeroepen. Het voorzitterschap van het Associatiecomité wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van elk van de partijen.
Artikel 8. Subcomités
Het Associatiecomité wordt bij de uitvoering van zijn taken bijgestaan door de bij deze overeenkomst ingestelde subcomités.
Het Associatiecomité kan besluiten tot instelling van aanvullende subcomités. Het kan besluiten de aan een subcomité toegewezen taak te wijzigen of een subcomité te ontbinden.
Subcomités komen op een passend niveau eenmaal per jaar of op verzoek van een van de partijen of van het Associatiecomité bijeen. Vergaderingen in persoon worden beurtelings in Brussel en in Midden-Amerika gehouden. Vergaderingen kunnen ook worden gehouden met alle voor de partijen beschikbare technologische middelen.
Subcomités worden beurtelings voor een periode van één jaar voorgezeten door een vertegenwoordiger van de EU-partij enerzijds en een vertegenwoordiger van één republiek van de MA-partij anderzijds.
De oprichting of het bestaan van een subcomité staat er niet aan in de weg dat de partijen een aangelegenheid direct aan het Associatiecomité kunnen voorleggen.
De Associatieraad stelt het reglement van orde vast waarin de samenstelling en de taken van dergelijke subcomités en hoe deze functioneren worden bepaald, voor zover niet reeds bepaald door deze overeenkomst.
Er wordt een subcomité Samenwerking ingesteld. Dit zal het Associatiecomité bijstaan bij de uitvoering van zijn taken met betrekking tot deel III van deze overeenkomst. Het subcomité heeft ook de volgende taken:
- a. zorg voor alle aan samenwerking gerelateerde aangelegenheden waarvoor het Associatiecomité mandaat heeft verleend;
- b. toezicht op de algehele uitvoering van deel III van deze overeenkomst;
- c. bespreking van alle aan samenwerking gerelateerde kwesties die van invloed kunnen zijn op de werking van deel III van deze overeenkomst.
Artikel 9. Parlementair Associatiecomité
Er wordt een Parlementair Associatiecomité opgericht. Dit comité bestaat uit enerzijds leden van het Europees Parlement en anderzijds leden van het Parlamento Centroamericano (PARLACEN), en in het geval van republieken van de MA-partij die geen lid zijn van PARLACEN, vertegenwoordigers die worden aangewezen door hun respectieve Nationale Congres; de leden van het comité zullen bijeenkomen en van gedachten wisselen. Het comité bepaalt zelf de frequentie van zijn bijeenkomsten en wordt beurtelings voorgezeten door een van beide zijden.
Het Parlementair Associatiecomité stelt zijn reglement van orde vast.
Het Parlementair Associatiecomité kan de Associatieraad om relevante inlichtingen over de uitvoering van deze overeenkomst verzoeken. De Associatieraad verstrekt het Parlementair Associatiecomité de gevraagde informatie.
Het Parlementair Associatiecomité wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Associatieraad.
Het Parlementair Associatiecomité kan aanbevelingen doen aan de Associatieraad.
Artikel 10. Gemengd Raadgevend Comité
Er wordt een Gemengd Raadgevend Comité opgericht, dat als raadgevend orgaan dient voor de Associatieraad. De werkzaamheden bestaan in het indienen bij de Associatieraad van zienswijzen van organisaties uit het maatschappelijk middenveld met betrekking tot de uitvoering van deze overeenkomst, onverminderd andere processen overeenkomstig artikel 11. Verder is het de taak van het Gemengd Raadgevend Comité om bij te dragen aan de bevordering van de dialoog en de samenwerking tussen organisaties uit het maatschappelijk middenveld in de Europese Unie en die in Midden-Amerika.
Het Gemengd Raadgevend Comité bestaat uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van enerzijds het Europees Economisch en Sociaal Comité en anderzijds het Comité Consultivo del Sistema de la Integración Centroamericana (CC-SICA) en het Comité Consultivo de Integración Económica (CCIE).
Het Gemengd Raadgevend Comité stelt zijn reglement van orde vast.
Artikel 11. Maatschappelijk middenveld
De partijen bevorderen bijeenkomsten van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in de Europese Unie en in Midden-Amerika, waaronder de academische gemeenschap, de sociale en economische partners, en non-gouvernementele organisaties.
De partijen komen op regelmatige basis bijeen met deze vertegenwoordigers zodat zij hen kunnen informeren over de uitvoering van deze overeenkomst en kennis kunnen nemen van hun suggesties in dit verband.
DEEL II. POLITIEKE DIALOOG
Artikel 12. Doelstellingen
De partijen komen overeen dat de doelstellingen van de politieke dialoog tussen de republieken van de MA-partij en de EU-partij als volgt zijn:
- a. totstandbrenging van een geprivilegieerd politiek partnerschap op basis van met name respect voor en bevordering van democratie, vrede, mensenrechten, de rechtsstaat, goed bestuur en duurzame ontwikkeling;
- b. verdediging van gemeenschappelijke waarden, beginselen en doelstellingen door deze te bevorderen op internationaal niveau, in het bijzonder bij de Verenigde Naties;
- c. versterking van de Verenigde Naties als centrum van het multilaterale systeem, met als doel mondiale problemen doelmatig aan te pakken;
- d. uitbreiding van de politieke dialoog om ten behoeve van gezamenlijke initiatieven op internationaal niveau een brede uitwisseling van opvattingen, standpunten en informatie te bewerkstelligen;
- e. samenwerking op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid, met als doel hun standpunten te coördineren en gezamenlijke initiatieven van wederzijds belang te nemen in het kader van de relevante internationale fora.
Artikel 13. Terreinen
De partijen komen overeen dat de politieke dialoog alle aspecten van wederzijds belang op regionaal dan wel internationaal niveau betreft.
De politieke dialoog tussen de partijen maakt de weg vrij voor nieuwe initiatieven ten behoeve van gemeenschappelijke doelstellingen en voor het vaststellen van gemeenschappelijke standpunten op terreinen als: regionale integratie; de rechtsstaat; goed bestuur; democratie; mensenrechten; bevordering en bescherming van de rechten en fundamentele vrijheden van inheemse volkeren en personen, zoals erkend door de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de Rechten van Inheemse Volkeren; gelijke kansen en gendergelijkheid; de structuur en oriëntatie van internationale samenwerking; migratie; armoedebestrijding en sociale cohesie; fundamentele arbeidsnormen; bescherming van het milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen; regionale veiligheid en stabiliteit, met inbegrip van de strijd tegen onveiligheid van burgers; corruptie; drugs; transnationale georganiseerde misdaad; de handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor; de strijd tegen terrorisme; het voorkomen en vreedzaam oplossen van conflicten.
De dialoog op grond van deel II omvat overeenkomstig de internationale verbintenissen van de partijen tevens de internationale verdragen inzake mensenrechten, goed bestuur, fundamentele arbeidsnormen en het milieu, en richt zich in het bijzonder op de effectieve uitvoering daarvan.
De partijen kunnen op elk moment overeenkomen een extra onderwerp als terrein voor politieke dialoog toe te voegen.
Artikel 14. Ontwapening
De partijen komen overeen samen te werken en bij te dragen aan de versterking van het multilateraal systeem op het vlak van conventionele ontwapening door volledige naleving en uitvoering op nationaal vlak van hun bestaande verplichtingen op grond van internationale verdragen en overeenkomsten en overige relevante internationale instrumenten op het vlak van conventionele ontwapening.
De partijen bevorderen in het bijzonder de volledige uitvoering en universalisatie van het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens, en het Verdrag inzake bepaalde conventionele wapens en de bijbehorende protocollen.
De partijen erkennen verder dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, en de excessieve accumulatie en ongecontroleerde verspreiding ervan een ernstige bedreiging vormen voor de vrede en de internationale veiligheid. Zij komen daarom overeen samen te werken in de strijd tegen de illegale handel in en het excessief accumulatie van handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, en komen tevens overeen gezamenlijk te werken aan de regulering van de legale handel in conventionele wapens.
De partijen komen daarom overeen hun verplichtingen ten aanzien van de handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor op grond van de bestaande internationale overeenkomsten en de geldende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, alsmede hun verbintenissen in het kader van andere op dit gebied geldende internationale instrumenten, zoals het Actieprogramma van de Verenigde Naties inzake handvuurwapens en lichte wapens, na te leven en volledig uit te voeren.
Artikel 15. Massavernietigingswapens
De partijen zijn van oordeel dat de proliferatie van kern-, chemische en biologische massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel overheids- als niet-overheidsactoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt.
De partijen komen daarom overeen samen te werken en bij te dragen aan de strijd tegen de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor door de volledige naleving en uitvoering op nationaal niveau van hun bestaande verplichtingen op grond van de ontwapenings- en non-proliferatieverdragen en -overeenkomsten en andere relevante internationale verplichtingen.
De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van deze overeenkomst vormt.
De partijen komen bovendien overeen om samen te werken en bij te dragen aan het doel van non-proliferatie door:
- a. maatregelen te nemen die gericht zijn op de ondertekening of ratificatie van of de toetreding tot, naargelang het geval, alle andere relevante internationale instrumenten, en op de volledige uitvoering en naleving daarvan;
- b. een doeltreffend systeem van nationale exportcontroles op te zetten om de uitvoer en doorvoer van met massavernietigingswapens verband houdende goederen te controleren, met inbegrip van de controle van technologieën voor tweeërlei gebruik op eindgebruik voor massavernietigingswapens, met doeltreffende sancties op inbreuken op deze exportcontroles.
De partijen komen overeen een regelmatige politieke dialoog in te stellen ter begeleiding en consolidatie van hun samenwerking op dit vlak.
Artikel 16. Terrorismebestrijding
De partijen herbevestigen het belang van terrorismebestrijding en komen overeen samen te werken om terrorisme te voorkomen en te bestrijden, overeenkomstig de internationale mensenrechten, het internationale humanitaire recht en het internationaal vluchtelingenrecht, de relevante internationale verdragen en instrumenten, de relevante VN-resoluties, en hun respectieve wet- en regelgeving, alsmede de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de Verenigde Naties, die is vervat in Resolutie 60/288 van de Algemene Vergadering van de VN van 8 september 2006.
Zij doen dit in het bijzonder:
- a. in het kader van de volledige uitvoering van de internationale verdragen en instrumenten, met inbegrip van alle relevante resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- b. door informatie uit te wisselen over terroristische groeperingen en de netwerken die hen ondersteunen, overeenkomstig het nationale en internationale recht;
- c. door samen te werken ten aanzien van middelen en methoden om terrorisme te bestrijden, onder meer op technisch gebied en wat betreft opleiding, en door ervaring uit te wisselen met betrekking tot het voorkomen van terrorisme en de bescherming in het kader van de strijd tegen het terrorisme;
- d. door meningen over wetgevingskaders en beste praktijken uit te wisselen, alsmede technische en bestuurlijke ondersteuning te bieden;
- e. door overeenkomstig hun respectieve wetgevingen gegevens uit te wisselen;
- f. door technische bijstand en opleiding inzake onderzoeksmethoden, informatietechnologie, ontwerp van preventieprotocollen, waarschuwingen en effectieve reacties op terroristische dreigingen of daden; en
- g. door van gedachten te wisselen over preventiemodellen met betrekking tot overige illegale activiteiten die verband houden met terrorisme, zoals witwaspraktijken, handel in vuurwapens, vervalsing van identiteitsdocumenten en mensensmokkel.
Artikel 17. Ernstige misdaden waarmee de internationale gemeenschap wordt geconfronteerd
De partijen bevestigen opnieuw dat de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat de vervolging ervan moet worden gewaarborgd door maatregelen op intern en waar nodig internationaal niveau, onder meer in het Internationaal Strafhof.
De partijen zijn van oordeel dat de oprichting van een doeltreffend functionerend Internationaal Strafhof een belangrijke ontwikkeling is voor internationale vrede en gerechtigheid en dat het Strafhof een effectief instrument is om de ernstigste misdaden waarmee de internationale gemeenschap wordt geconfronteerd, te onderzoeken en de daders ervan te vervolgen indien nationale gerechtshoven niet bereid of in staat zijn dit te doen, zulks gelet op de complementariteit van het Internationaal Strafhof ten aanzien van nationale rechtspraak in strafzaken.
De partijen komen overeen samen te werken aan de bevordering van de universele onderschrijving van het Statuut van Rome door:
- a. verder stappen te nemen om het Statuut van Rome uit te voeren en gerelateerde instrumenten te ratificeren en uit te voeren (zoals het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof);
- b. ervaring uit te wisselen met de regionale partners ten aanzien van de vaststelling van wetswijzigingen die vereist zijn om de ratificatie en uitvoering van het Statuut van Romemogelijk te maken; en
- c. maatregelen te treffen om de integriteit van het Statuut van Rome te waarborgen.
Het blijft het soevereine besluit van elke staat om te bepalen wat het meest geschikte moment is om het Statuut van Rome te onderschrijven.
Artikel 18. Financiering voor ontwikkeling
De partijen komen overeen internationale inspanningen te ondersteunen ter bevordering van beleidsmaatregelen en regels voor de financiering van ontwikkeling en ter versterking van de samenwerking om internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen te verwezenlijken, waaronder de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, de verbintenissen van de Consensus van Monterrey en andere verwante fora.
Ten behoeve hiervan, en met het doel meer inclusieve samenlevingen te bevorderen, erkennen de partijen de noodzaak om nieuwe en innovatieve financiële mechanismen te ontwikkelen.
Artikel 19. Migratie
De partijen bevestigen opnieuw het belang dat zij hechten aan gezamenlijke beheersing van de migratiestromen tussen hun grondgebieden. In het besef dat armoede een van de grondoorzaken van migratie is en om de onderlinge samenwerking te versterken, zetten de partijen een brede dialoog op over alle kwesties in verband met migratie, waaronder illegale migratie, vluchtelingenstromen, mensensmokkel en mensenhandel. Het thema migratie, met inbegrip van braindrain, moet geïntegreerd worden in de nationale strategieën met betrekking tot economische en sociale ontwikkeling van de gebieden van herkomst van de migranten, mede rekening houdend met de historische en culturele banden tussen beide regio’s.
De partijen komen overeen te zorgen voor de daadwerkelijke uitoefening, bescherming en bevordering van mensenrechten voor alle migranten en voor de naleving van de beginselen van eerlijkheid en transparantie bij de gelijke behandeling van migranten, en benadrukken het belang van de strijd tegen racisme, discriminatie, vreemdelingenhaat en andere vormen van intolerantie.
Artikel 20. Milieu
Met erkenning van het beginsel van gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid, zoals vastgelegd in de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling van 1992, bevorderen de partijen een dialoog op het vlak van het milieu en duurzame ontwikkeling door informatie uit te wisselen en initiatieven aan te moedigen betreffende plaatselijke en mondiale milieukwesties.
Deze dialoog is onder andere gericht op de strijd tegen de bedreiging van klimaatverandering; het behoud van biodiversiteit; de bescherming en het duurzame beheer van bossen, onder meer om de door ontbossing en aantasting van bossen veroorzaakte uitstoot te verminderen; de bescherming van de water- en mariene hulpbronnen, stroomgebieden en waterrijke gebieden; het onderzoek naar en de ontwikkeling van alternatieve brandstoffen en technologieën voor hernieuwbare energie; en de hervorming van het milieubestuur met het oog op verhoging van de efficiëntie ervan.
Artikel 21. Veiligheid van burgers
De partijen gaan een dialoog aan over de veiligheid van burgers, die fundamenteel is om menselijke ontwikkeling, democratie, goed bestuur en respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te bevorderen. Zij erkennen dat de veiligheid van burgers de nationale en regionale grenzen overschrijdt en derhalve de ondersteuning van een bredere dialoog en samenwerking op dit vlak vereist.
Artikel 22. Goed fiscaal bestuur
Om de economische activiteit te versterken en te ontwikkelen, met inachtneming van de noodzaak een passend regelgevingskader te ontwikkelen, erkennen de partijen gemeenschappelijke en internationaal overeengekomen beginselen van goed fiscaal bestuur en verbinden zij zich ertoe deze toe te passen.
Artikel 23. Gemeenschappelijk economisch-financieel kredietfonds
De partijen zijn het eens over het belang om de inspanningen te vergroten om de armoede terug te dringen en de ontwikkeling van Midden-Amerika te ondersteunen, in het bijzonder die van de armste gebieden en bevolkingsgroepen.
Daarom komen de partijen overeen te onderhandelen over de instelling van een Gemeenschappelijk economisch en financieel mechanisme, met inbegrip van onder meer interventie door de Europese Investeringsbank (EIB), de Latijns-Amerikaanse investeringsfaciliteit (LAIF) en technische bijstand door het regionale samenwerkingsprogramma voor Midden-Amerika. Dit mechanisme dient ter ondersteuning van de armoedebestrijding, ter bevordering van de ontwikkeling en het algehele welzijn van Midden-Amerika, alsmede ter bevordering van de sociaaleconomische groei en ter bevordering van een evenwichtige relatie tussen beide regio’s.
Ten behoeve hiervan is een biregionale werkgroep ingesteld. Het mandaat van deze groep bestaat erin de instelling van een dergelijk mechanisme te onderzoeken, alsmede de modaliteiten van het functioneren daarvan.
DEEL III. SAMENWERKING
Artikel 24. Doelstellingen
De algemene doelstelling van samenwerking is de uitvoering van deze overeenkomst te ondersteunen teneinde tot een effectief partnerschap tussen de twee regio’s te komen door de daarvoor benodigde middelen, mechanismen, instrumenten en procedures ter beschikking te stellen.
De prioriteit ligt bij de volgende doelstellingen, die nader uiteen worden gezet in de titels I tot en met IX van dit deel:
- a. het bevorderen van vrede en veiligheid;
- b. het bijdragen aan het versterken van democratische instellingen, goed bestuur en de volledige toepasselijkheid van de rechtsstaat, gendergelijkheid, alle vormen van non-discriminatie, culturele diversiteit, pluralisme, bevordering van en respect voor mensenrechten, fundamentele vrijheden, transparantie en betrokkenheid van burgers;
- c. het bijdragen aan sociale cohesie door middel van verlichting van armoede, ongelijkheid, sociale uitsluiting en alle vormen van discriminatie, met als doel de levenskwaliteit voor de volkeren van Midden-Amerika en de Europese Unie te verbeteren;
- d. het bevorderen van economische groei met het oog op stimulering van duurzame ontwikkeling, vermindering van de ongelijkheden tussen en binnen de partijen en ontwikkeling van synergieën tussen de twee regio’s;
- e. het verdiepen van het proces van regionale integratie in Midden-Amerika door uitbreiding van de mogelijkheden om deze overeenkomst uit te voeren en om van de voordelen ervan te profiteren, teneinde zo bij te dragen aan de economische, sociale en politieke ontwikkeling van geheel Midden-Amerika;
- f. het versterken van de productie- en beheerscapaciteit en het verbeteren van de concurrentiepositie, teneinde handels- en investeringsmogelijkheden te openen voor alle economische en sociale spelers in de twee regio’s.
De partijen streven bij het opstellen van hun beleid en beleidsmaatregelen naar de verwezenlijking van de hiervoor genoemde doelstellingen. Deze maatregelen kunnen innovatieve financiële mechanismen omvatten, die bedoeld zijn om bij te dragen aan de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en andere internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen, overeenkomstig de verbintenissen van de Consensus van Monterrey en daaropvolgende fora.
Artikel 25. Beginselen
De samenwerking tussen de partijen gaat uit van de volgende beginselen:
- a. de samenwerking ondersteunt en is complementair aan de inspanningen van de geassocieerde landen en regio’s om uitvoering te geven aan de prioriteiten die zijn bepaald door hun eigen ontwikkelingsbeleid en -strategieën, onverminderd de activiteiten die worden verricht tezamen met hun maatschappelijk middenveld;
- b. de samenwerking is het resultaat van een dialoog tussen de geassocieerde landen en regio’s;
- c. de partijen bevorderen de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke autoriteiten bij het ontwikkelingsbeleid en bij hun samenwerking;
- d. de samenwerkingsactiviteiten worden ontplooid op zowel nationaal als regionaal niveau op een wederzijds complementaire wijze teneinde de in deze overeenkomst opgenomen algemene en specifieke doelstellingen te ondersteunen;
- e. bij de samenwerking wordt rekening gehouden met horizontale kwesties zoals democratie en mensenrechten, goed bestuur, inheemse volkeren, gender, milieu – met inbegrip van natuurrampen – en regionale integratie;
- f. de partijen vergroten de doelmatigheid van hun samenwerking door binnen wederzijds overeengekomen kaders te opereren. Zij bevorderen harmonisatie, afstemming en coördinatie tussen donoren, en vervullen alle wederzijdse verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van de samenwerkingsactiviteiten;
- g. de samenwerking omvat de technische en financiële steun als middel om bij te dragen aan de totstandbrenging van de doelstellingen van deze overeenkomst;
- h. de partijen zijn het eens over het belang om rekening te houden met de verschillende niveaus van ontwikkeling bij de opzet van de samenwerkingsactiviteiten;
- i. de partijen zijn het eens over het belang van voortdurende steun aan beleidsmaatregelen en strategieën van de middeninkomenslanden inzake armoedebestrijding, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de landen met middellage inkomens;
- j. de samenwerking in het kader van deze overeenkomst doet niets af aan de deelname van de republieken van de MA-partij, als ontwikkelingslanden, aan de activiteiten van de EU-partij op het vlak van onderzoek ten behoeve van ontwikkeling of andere programma’s voor ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie die gericht zijn op derde landen, met inachtneming van de regels en procedures van die programma’s.
Artikel 26. Modaliteiten en methodologie
Voor de uitvoering van de samenwerkingsactiviteiten komen de partijen het volgende overeen:
- a. instrumenten kunnen een breed vlak aan bilaterale, horizontale of regionale activiteiten beslaan, zoals programma’s en projecten, met inbegrip van infrastructuurprojecten, budgettaire ondersteuning, sectorale beleidsdialoog, uitwisseling en overdracht van apparatuur, studies, effectbeoordelingen, statistieken en gegevensbestanden, uitwisseling van ervaring en deskundigen, opleiding, voorlichtings- en bewustmakingscampagnes, congressen en publicaties;
- b. de uitvoerende instanties kunnen plaatselijke, nationale en regionale autoriteiten en organisaties uit het maatschappelijk middenveld en internationale organisaties omvatten;
- c. de partijen stellen passende administratieve en financiële middelen ter beschikking om de uitvoering van de overeengekomen samenwerkingsactiviteiten conform hun eigen wet- en regelgeving en procedures mogelijk te maken;
- d. alle bij de samenwerking betrokken entiteiten zijn gehouden aan een transparant en verantwoordelijk beheer van de middelen;
- e. zij bevorderen innovatieve samenwerkings- en financieringsmodaliteiten en -instrumenten teneinde de efficiëntie van de samenwerking te vergroten, en zo optimaal gebruik te maken van deze overeenkomst;
- f. uit hoofde van de samenwerking tussen de partijen worden innovatieve samenwerkingsprogramma’s voor de republieken van MA-partij vastgesteld en ontwikkeld;
- g. de partijen stimuleren en bevorderen particuliere financiering en directe buitenlandse investeringen, met name aan de hand van financiering van de Europese Investeringsbank in Midden-Amerika overeenkomstig haar eigen procedures en financiële criteria;
- h. de deelname van elke partij als geassocieerd partner in de kaderprogramma’s, specifieke programma’s en andere activiteiten van de andere partij wordt overeenkomstig de eigen regels en procedures bevorderd;
- i. de deelname van de republieken van de MA-partij aan de thematische en horizontale samenwerkingsprogramma’s van de EU-partij voor Latijns-Amerika wordt bevorderd, onder andere door middel van mogelijke specifieke loketten;
- j. de partijen bevorderen overeenkomstig hun eigen regels en procedures de trilaterale samenwerking op vlakken van gemeenschappelijk belang tussen de twee regio’s en met derde landen;
- k. de partijen dienen alle praktische mogelijkheden voor samenwerking in hun wederzijds belang te onderzoeken.
De partijen komen overeen overeenkomstig hun behoeften en in het kader van hun respectieve programma’s en wetgeving, de samenwerking tussen financiële instellingen te bevorderen.
Artikel 27. Evolutieve clausule
Het feit dat een gebied of samenwerkingsactiviteit niet wordt vermeld in deze overeenkomst, wordt niet als zodanig uitgelegd dat dit een belemmering vormt voor de partijen om overeenkomstig hun respectieve wetgevingen te beslissen om op dat vlak of ten aanzien van die activiteit samen te werken.
Er worden op voorhand geen mogelijkheden voor samenwerking uitgesloten. De partijen kunnen gebruikmaken van het Associatiecomité om praktische mogelijkheden voor samenwerking in wederzijds belang te onderzoeken.
Wat de uitvoering van deze overeenkomst betreft, kunnen de partijen voorstellen op elk gebied de samenwerking uit te breiden, waarbij rekening wordt gehouden met de ervaring die is opgedaan gedurende de uitvoering daarvan.
Artikel 28. Statistische samenwerking
De partijen komen overeen samen te werken met als doel overeenkomstig internationaal geaccepteerde normen betere statistische methoden en programma’s te ontwikkelen, met inbegrip van de verzameling van, verwerking van, kwaliteitscontrole op en verspreiding van statistieken, gericht op het genereren van indicatoren met een betere vergelijkbaarheid tussen de partijen, zodat de partijen gebruik kunnen maken van elkaars statistieken inzake handel in goederen en diensten, buitenlandse directe investeringen en meer in het algemeen alle gebieden die onder deze overeenkomst vallen en waarover statistieken kunnen worden opgesteld. De partijen erkennen het nut van bilaterale samenwerking ter ondersteuning van deze doelstellingen.
De samenwerking op dit gebied is ook gericht op:
- a. de ontwikkeling van een regionaal statistisch systeem ter ondersteuning van de door de partijen overeengekomen prioriteiten voor regionale integratie;
- b. werkzaamheden op het vlak van statistieken over wetenschap, technologie en innovatie.
Deze samenwerking kan onder meer het volgende betreffen: technische uitwisseling tussen statistische bureaus in de republieken van de MA-partij en in de lidstaten van de Europese Unie en Eurostat, met inbegrip van de uitwisseling van wetenschappers; ontwikkeling van verbeterde, en waar van toepassing, consistente methoden voor de verzameling, uitsplitsing, analyse en interpretatie van gegevens; en organisatie van congressen, werkgroepen en opleidingsprogramma’s op het gebied van statistiek.
TITEL I. DEMOCRATIE, MENSENRECHTEN EN GOED BESTUUR
Artikel 29. Democratie en mensenrechten
De partijen werken samen met het oog op de verwezenlijking van de volledige naleving van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, die universeel, ondeelbaar, onderling verbonden en onderling samenhangend zijn, alsmede met het oog op het instellen en versterken van democratie.
Deze samenwerking betreft onder andere het volgende:
- a. effectieve uitvoering van de internationale instrumenten ten behoeve van de mensenrechten, alsmede de aanbevelingen die uitgaan van Verdragsorganen en Speciale Procedures;
- b. integratie van de bevordering en bescherming van mensenrechten in nationaal beleid en ontwikkelingsplannen;
- c. versterking van de mogelijkheden om democratische beginselen en praktijken toe te passen;
- d. ontwikkeling en uitvoering van actieplannen inzake democratie en mensenrechten;
- e. bewustmaking en onderwijs op het vlak van mensenrechten, democratie en een cultuur van vrede;
- f. versterking van de democratische en aan mensenrechten gerelateerde instellingen, alsmede de wettelijke en institutionele kaders voor de bevordering en bescherming van mensenrechten;
- g. ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven in wederzijds belang in het kader van relevante multilaterale fora.
Artikel 30. Goed bestuur
De partijen komen overeen dat samenwerking op dit gebied moet dienen tot actieve ondersteuning van de regeringen door middel van acties die gericht zijn op met name:
- a. respect voor de rechtsstaat;
- b. waarborging van de scheiding der machten;
- c. waarborging van de onafhankelijkheid en doelmatigheid van de rechterlijke macht;
- d. bevordering van transparante, verantwoordelijke, efficiënte, stabiele en democratische instellingen;
- e. bevordering van beleidsmaatregelen voor de waarborging van verantwoordelijkheid en transparant beheer;
- f. bestrijding van corruptie;
- g. versterking van goed en transparant bestuur op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau;
- h. instellen en behouden van duidelijke besluitvormingsprocedures voor publieke autoriteiten op alle niveaus;
- i. ondersteuning van de deelname van het maatschappelijk middenveld.
Artikel 31. Modernisering van staat en openbaar bestuur, met inbegrip van decentralisatie
De partijen komen overeen dat het doel van samenwerking op dit gebied erin bestaat de wettelijke en institutionele kaders te verbeteren op basis van met name beste praktijken. Dit omvat de hervorming en modernisering van openbaar bestuur, met inbegrip van capaciteitsopbouw, ter ondersteuning en versterking van de processen van decentralisatie en om de organisatorische wijzigingen als gevolg van regionale integratie kracht bij te zetten, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de organisatorische efficiëntie en de levering van diensten aan burgers, alsmede naar goed en transparant bestuur van de publieke middelen en verantwoordingsplicht.
Deze samenwerking kan nationale en regionale programma’s en projecten omvatten die gericht zijn op de capaciteitsopbouw voor beleidsontwerp en de uitvoering en beoordeling van publieke beleidsmaatregelen, alsmede het versterken van de rechterlijke macht, en tegelijk het bevorderen van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld.
Artikel 32. Preventie en oplossing van conflicten
De partijen komen overeen dat de samenwerking op dit gebied een integraal vredesbeleid moet bevorderen en onderhouden, met inbegrip van de preventie en oplossing van conflicten. Dit beleid is gestoeld op het beginsel van betrokkenheid en deelname van de samenleving, en is primair gericht op het ontwikkelen van regionale, subregionale en nationale capaciteiten. Het beleid waarborgt gelijke politieke, economische, sociale en culturele mogelijkheden voor alle onderdelen van de samenleving, zet de democratische legitimiteit kracht bij, bevordert de sociale cohesie en vormt een effectief mechanisme voor vreedzame verzoening van de belangen van de verschillende groepen, en stimuleert een actief en georganiseerd maatschappelijk middenveld, met name door gebruik te maken van de bestaande regionale instellingen.
De samenwerking dient ter uitbreiding van de capaciteiten om conflicten op te lossen en kan onder meer het bieden van steun omvatten voor bemiddelings-, onderhandelings- en verzoeningsprocessen, voor strategieën ter bevordering van vrede, voor inspanningen om op regionaal niveau het vertrouwen en de veiligheid te verbeteren, voor inspanningen die worden geleverd om kinderen, vrouwen en ouderen te helpen, en voor maatregelen in de strijd tegen antipersoneelsmijnen.
Artikel 33. Versterking van de instellingen en de rechtsstaat
De partijen schenken bijzondere aandacht aan de consolidering van de rechtsstaat en de versterking van de instellingen op alle niveaus op het gebied van met name rechtshandhaving en rechtsbedeling. De samenwerking is met name gericht op de versterking van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de verbetering van de doeltreffendheid daarvan.
TITEL II. JUSTITIE, VRIJHEID EN VEILIGHEID
Artikel 34. Bescherming van persoonsgegevens
De partijen komen overeen samen te werken om het niveau van de bescherming van persoonsgegevens te verbeteren, zodat deze voldoet aan de hoogste internationale normen, zoals de „Guidelines for the Regulation of Computerized Personal Data Files”, zoals gewijzigd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 14 december 1990, en om te werken aan het vrije verkeer van persoonsgegevens tussen de partijen, met inachtneming van hun interne wetgeving.
De samenwerking inzake de bescherming van persoonsgegevens kan onder andere technische bijstand in de vorm van de uitwisseling van informatie en expertise omvatten, rekening houdend met de wet- en regelgeving van de partijen.
Artikel 35. Illegale drugs
De partijen werken samen met het oog op een integrale, geïntegreerde en evenwichtige aanpak op basis van doeltreffende actie en coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten, onder meer uit de gezondheidszorg, het onderwijs, de rechtshandhaving, de douane, sociale zaken, justitie en binnenlandse zaken, met als doel vraag en aanbod van illegale drugs en het effect daarvan op drugsgebruikers en de samenleving in haar geheel zo veel mogelijk te beperken, alsmede om meer vat te krijgen op omleggingen naar chemische precursoren die worden gebruikt voor de illegale productie van drugs en psychotrope stoffen, met inbegrip van omleggingen naar illegaal gebruik van drugs en psychotrope stoffen voor medisch en wetenschappelijk gebruik, en deze beter te kunnen voorkomen.
Deze samenwerking gaat uit van het beginsel van gedeelde verantwoordelijkheid en de relevante internationale verdragen, alsmede de politieke verklaring en de speciale verklaring inzake richtsnoeren om de vraag naar drugs te verminderen en de overige belangrijke documenten die zijn aangenomen door de twintigste speciale zitting inzake drugs van juni 1998 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
De samenwerking is gericht op coördinatie en uitbreiding van de gezamenlijke inspanningen om het probleem van de illegale drugshandel aan te pakken. Behoudens de overige samenwerkingsmechanismen, komen de partijen overeen dat op interregionaal niveau het coördinatie- en samenwerkingsmechanisme inzake drugs dat door de Europese Unie en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied is ingesteld, ook voor dit doel zal worden gebruikt, en dat zij zullen samenwerken om de efficiëntie hiervan te vergroten.
De partijen komen verder overeen samen te werken in de strijd tegen misdaad in verband met drugshandel, door middel van betere coördinatie met de relevante internationale organen en instellingen.
De partijen werken samen met het oog op een integrale en evenwichtige aanpak via doeltreffende actie en coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten op het vlak van sociale zaken, justitie en binnenlandse zaken, met als doel:
- a. uitwisseling van standpunten ten aanzien van wettelijke regelingen en beste praktijken;
- b. bestrijding van het aanbod van, de handel in en de vraag naar drugs en psychotrope stoffen;
- c. versterking van de justitiële en politionele samenwerking in de strijd tegen drugshandel;
- d. versterking van de samenwerking op zee met het oog op een doelmatige strijd tegen drugshandel;
- e. oprichting van informatie- en toezichtcentra;
- f. omschrijving en toepassing van maatregelen om drugshandel, medische recepten (van drugs en psychotrope stoffen) en chemische precursoren te verminderen;
- g. opzetten van gezamenlijke onderzoeksprogramma’s en -projecten, alsmede wederzijdse juridische bijstand;
- h. stimulering van alternatieve ontwikkeling, in het bijzonder de bevordering van legale gewassen voor kleine producenten;
- i. bevordering van opleiding en onderwijs van menselijke hulpbronnen met als doel het drugsgebruik en de drugshandel te voorkomen, alsmede de bestuurlijke controlesystemen te versterken;
- j. ondersteuning van jeugdpreventieprogramma’s en onderwijs binnen en buiten schoolverband;
- k. betere preventie alsmede behandeling, rehabilitatie en re-integratie van drugsgebruikers op basis van een breed scala aan modaliteiten, met inbegrip van schadebeperking met betrekking tot drugsmisbruik.
Artikel 36. Witwaspraktijken, met inbegrip van de financiering van terrorisme
De partijen komen overeen samen te werken aan de preventie van het gebruik van hun financiële stelsels en ondernemingen voor het witwassen van opbrengsten die voortvloeien uit ernstige misdrijven en met name uit misdrijven in verband met illegale drugs en psychotrope stoffen en in verband met terroristische daden.
Deze samenwerking omvat, waar van toepassing, overeenkomstig de normen die zijn vastgesteld door de Financial Action Task Force (FATF), administratieve en technische bijstand gericht op de ontwikkeling en uitvoering van regelgeving en het efficiënte functioneren van passende normen en mechanismen. De samenwerking zorgt met name voor de uitwisseling van relevante informatie en voor de vaststelling van passende normen ter bestrijding van witwaspraktijken en financiering van terrorisme overeenkomstig de normen die zijn aangenomen door internationale organen die actief zijn op dit gebied, en in overeenstemming met beste praktijken die in de internationale context worden gehanteerd.
Artikel 37. Georganiseerde misdaad en veiligheid van burgers
De partijen komen overeen samen te werken bij de preventie en bestrijding van georganiseerde en financiële criminaliteit. Daartoe zorgen zij voor de bevordering en uitwisseling van goede praktijken en voor de toepassing van relevante overeengekomen internationale normen en instrumenten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en de protocollen daarbij, en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie. Zij bevorderen met name getuigenbeschermingsprogramma’s.
De partijen komen tevens overeen samen te werken aan een betere veiligheid van burgers, met name door ondersteuning van veiligheidsbeleid en -strategieën. Deze samenwerking dient bij te dragen aan de preventie van criminaliteit en kan activiteiten omvatten zoals regionale samenwerkingsprojecten tussen politionele en justitiële autoriteiten, opleidingsprogramma’s, en uitwisseling van beste praktijken voor het profileren van criminelen. Zij omvat verder onder meer gedachtewisselingen over wettelijke kaders, alsmede administratieve en technische bijstand gericht op versterking van de institutionele en operationele mogelijkheden van rechtshandhavingsinstanties.
Artikel 38. Bestrijding van corruptie
De partijen erkennen het belang van het voorkomen en bestrijden van corruptie in de private en publieke sector en bevestigen opnieuw hun bezorgdheid over de ernst van de corruptie en de dreigingen die daarvan uitgaan voor de stabiliteit en veiligheid van democratische instellingen. Daartoe werken de partijen samen met het oog op de toepassing en bevordering van relevante internationale normen en instrumenten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.
De partijen werken met name samen aan het volgende:
- a. verbetering van de organisatorische doelmatigheid en waarborging van transparant beheer van de publieke middelen en verantwoordingsplicht;
- b. versterking van de relevante instellingen, met inbegrip van rechtshandhavingsinstanties en de rechterlijke macht;
- c. preventie van corruptie en omkoping in internationale transacties;
- d. monitoring en beoordeling van beleidsmaatregelen ter bestrijding van corruptie op plaatselijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau;
- e. stimulering van acties ter bevordering van de waarden van een cultuur van transparantie, wettelijkheid en een wijziging in de houding van mensen ten aanzien van corrupte praktijken;
- f. verdere ontwikkeling van de samenwerking ter aanmoediging van maatregelen om bezit terug te winnen, waarbij goede praktijken en capaciteitsopbouw worden bevorderd.
Artikel 39. Illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens
De partijen werken samen aan de preventie en bestrijding van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en de munitie daarvoor. Zij streven naar het coördineren van acties ter versterking van de wettelijke en institutionele samenwerking, alsmede het inzamelen en vernietigen van illegale handvuurwapens en lichte wapens en de munitie daarvoor in handen van burgers.
De partijen werken samen aan de bevordering van gezamenlijke initiatieven in de strijd tegen handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor. De partijen werken met name samen aan gezamenlijke initiatieven gericht op de uitvoering van de nationale, regionale en internationale programma’s, alsmede verdragen op dat gebied, zowel in een multilateraal als interregionaal kader.
Artikel 40. Terrorismebestrijding met volledig respect voor de mensenrechten
Samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding behelst de toepassing van het kader en de normen zoals overeengekomen in artikel 16 van deel II.
De partijen werken ook samen om ervoor te zorgen dat personen die deelnemen aan het financieren, plannen, voorbereiden of plegen van terroristische daden of die terroristische daden ondersteunen, voor het gerecht worden gebracht. De partijen komen overeen dat de strijd tegen het terrorisme wordt verricht op basis van de volledige naleving van alle resoluties van de Verenigde Naties, respect voor de soevereiniteit van de staten, alsmede respect voor een eerlijke rechtsgang, mensenrechten en fundamentele vrijheden.
De partijen komen overeen samen te werken aan de preventie en onderdrukking van terroristische daden door middel van politionele en justitiële samenwerking.
TITEL III. SOCIALE ONTWIKKELING EN SOCIALE COHESIE
Artikel 41. Sociale cohesie met inbegrip van bestrijding van armoede, ongelijkheid en uitsluiting
Erkennend dat sociale ontwikkeling en economische ontwikkeling hand in hand gaan, komen de partijen overeen dat de samenwerking gericht is op verbetering van de sociale cohesie door vermindering van armoede, onrechtvaardigheid, ongelijkheid en sociale uitsluiting, in het bijzonder met het oog op de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en het internationaal overeengekomen doel van bevordering van eerlijke globalisering en fatsoenlijk werk voor iedereen. Voor de verwezenlijking van deze doelstellingen worden aanzienlijke financiële middelen beschikbaar gesteld, zowel uit samenwerkingsbudgetten als nationale middelen.
Daartoe werken de partijen samen aan de bevordering en ondersteuning van de uitvoering van:
- a. economische beleidsmaatregelen met een sociale visie gericht op een meer inclusieve samenleving met een betere verdeling van de inkomsten teneinde de ongelijkheid en onrechtvaardigheid te verminderen;
- b. handels- en investeringsmaatregelen, rekening houdend met de koppeling tussen handel en duurzame ontwikkeling, eerlijke handel, de ontwikkeling van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen op het platteland en in de stad en hun representatieve organisaties, en maatschappelijk verantwoord ondernemen;
- c. een rechtvaardig en gezond fiscaal beleid ten behoeve van een betere herverdeling van rijkdom, toereikende niveaus van sociale uitgaven en inkrimping van de informele economie;
- d. efficiënte publieke sociale uitgaven gekoppeld aan duidelijk vastgestelde sociale doelstellingen, teneinde tot een meer resultaatgeoriënteerde benadering te komen;
- e. effectieve sociale beleidsmaatregelen en eerlijke toegang tot sociale diensten voor iedereen op tal van vlakken zoals onderwijs, gezondheid, voeding, sanitair, huisvesting, justitie en sociale zekerheid;
- f. werkgelegenheidsbeleid gericht op fatsoenlijk werk voor iedereen en het creëren van economische kansen met specifieke aandacht voor de armste en kwetsbaarste groepen en de meest achtergestelde regio’s, en specifieke maatregelen ter bevordering van tolerantie voor culturele diversiteit op het werk;
- g. sociale beschermingsregelingen op het gebied van onder andere pensioenen, gezondheid, ongevallen en werkloosheid, die uitgaan van het beginsel van solidariteit en toegankelijk zijn voor iedereen;
- h. strategieën en beleidsmaatregelen ter bestrijding van vreemdelingenhaat en discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, geloofsovertuiging of etniciteit;
- i. specifieke beleidsmaatregelen en programma’s gericht op de jeugd.
De partijen komen overeen de uitwisseling te stimuleren van informatie over socialecohesieaspecten van nationale plannen of strategieën, alsmede van ervaringen met succes of mislukkingen met betrekking tot het opstellen en uitvoeren daarvan.
De partijen trachten tevens gezamenlijk de bijdrage van de uitvoering van deze overeenkomst aan sociale cohesie te beoordelen.
Artikel 42. Werkgelegenheid en sociale bescherming
De partijen komen overeen samen te werken aan de bevordering van werkgelegenheid en sociale bescherming door middel van acties en programma’s, die in het bijzonder gericht zijn op:
- a. het zorgen voor fatsoenlijk werk voor iedereen;
- b. het creëren van meer inclusieve en goed functionerende arbeidsmarkten;
- c. het uitbreiden van de dekking van sociale bescherming;
- d. het uitwisselen van beste praktijken op het gebied van werknemersmobiliteit en overdracht van pensioenrechten;
- e. het bevorderen van de sociale dialoog;
- f. het zorgen voor respect voor de fundamentele beginselen en rechten op het werk zoals vastgesteld door de Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie, de zogeheten fundamentele arbeidsnormen, met name met betrekking tot de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen, het recht op collectieve onderhandelingen en non-discriminatie, de afschaffing van gedwongen en kinderarbeid, en gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
- g. het aanpakken van kwesties met betrekking tot de informele economie;
- h. het geven van speciale aandacht aan achtergestelde groepen en aan de strijd tegen discriminatie;
- i. het ontwikkelen van de kwaliteit van menselijke hulpbronnen door beter onderwijs en betere opleiding, met inbegrip van effectieve beroepsopleiding;
- j. het verbeteren van de gezondheids- en veiligheidsomstandigheden op het werk, met name door krachtigere arbeidsinspectiediensten;
- k. het stimuleren van werkgelegenheidsschepping en ondernemerschap door versterking van het institutionele kader dat nodig is voor het opzetten van kleine en middelgerote ondernemingen en het bevorderen van toegang tot krediet en microfinanciering.
De activiteiten kunnen worden verricht op nationaal, regionaal en interregionaal niveau, met inbegrip van netwerken, wederzijds leren, vaststelling en verspreiding van goede praktijken, uitwisseling van informatie op basis van vergelijkbare statistische instrumenten en indicatoren en contacten tussen organisaties van sociale partners.
Artikel 43. Onderwijs en opleiding
De partijen komen overeen dat de samenwerking gericht is op:
- a. bevordering van rechtvaardige toegang tot onderwijs voor iedereen, met inbegrip van jongeren, vrouwen, oudere burgers, inheemse volkeren en minderheidsgroepen, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de meest kwetsbare en gemarginaliseerde segmenten van de samenleving;
- b. verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, waarbij de prioriteit uitgaat naar basisonderwijs;
- c. betere afronding van het basisonderwijs en vermindering van voortijdig schoolverlaten in het verplicht middelbaar onderwijs;
- d. verbetering van niet-formeel leren;
- e. verbetering van de infrastructuur en uitrusting van de bestaande onderwijscentra;
- f. bevordering van het onderwijs voor inheemse volkeren, met inbegrip van intercultureel tweetalig onderwijs;
- g. bevordering van hoger onderwijs, alsmede beroepsopleiding en een leven lang leren.
De partijen komen tevens overeen het volgende aan te moedigen:
- a. samenwerking tussen hogeronderwijsinstellingen van de partijen en uitwisseling van studenten, onderzoekers en academici door middel van bestaande programma’s;
- b. synergiëen tussen hogeronderwijsinstellingen en de private en publieke sector op overeengekomen gebieden teneinde de overgang naar de werksituatie te vergemakkelijken.
De partijen komen overeen speciale aandacht te blijven besteden aan de ontwikkeling van de EU-LAC-kennisruimte en initiatieven zoals de gezamenlijke ruimte voor hoger onderwijs van de EU en Latijns-Amerika/Caraïben, in het bijzonder met het oog op stimulering van het delen en uitwisselen van ervaring en technische middelen.
Artikel 44. Volksgezondheid
De partijen komen overeen samen te werken aan de ontwikkeling van efficiënte zorgstelsels, competent en toereikend medisch personeel, eerlijke financieringsmechanismen en socialebeschermingsregelingen.
Speciale aandacht gaat uit naar sectorale hervormingen en de zorg voor eerlijke toegang tot hoogwaardige gezondheidsdiensten, voedsel- en voedingsveiligheid, met name voor kwetsbare groepen zoals gehandicapten, ouderen, vrouwen, kinderen en inheemse volkeren.
De partijen richten zich verder op samenwerking ter bevordering van primaire gezondheidszorg en preventie door middel van geïntegreerde benaderingen en acties waarbij ook andere beleidsterreinen worden betrokken, met name ter bestrijding van hiv/aids, malaria, tuberculose, knokkelkoorts, de ziekte van Chagas en andere prioritaire overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten, alsmede chronische ziekten; om kindersterfte te verminderen; om de gezondheid tijdens de zwangerschap te verbeteren; en om prioritaire gebieden zoals seksuele en voortplantingsgezondheid en de zorg voor en preventie van seksueel overdraagbare aandoeningen en ongewenste zwangerschappen aan te pakken, zolang deze doelstellingen niet in strijd zijn met de nationale rechtskaders. Bovendien werken de partijen samen op het gebied van onderwijs, waterzuivering en gezondheidsgerelateerde thema’s.
De samenwerking kan verder de ontwikkeling, uitvoering en bevordering stimuleren van het internationale gezondheidsrecht, met inbegrip van de Internationale Gezondheidsregeling en de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie ter bestrijding van tabaksgebruik.
De partijen streven naar de totstandbrenging van associaties buiten het volksgezondheidsstelsel door middel van strategische partnerschappen met het maatschappelijk middenveld en andere spelers, waarbij de prioriteit uitgaat naar ziektepreventie en bevordering van de gezondheid.
Artikel 45. Inheemse volkeren en andere etnische groepen
De partijen, die hun nationale, regionale en internationale verplichtingen nakomen en bevorderen, komen overeen dat hun samenwerkingsactiviteiten dienen bij te dragen tot grotere bescherming en bevordering van de rechten en fundamentele vrijheden van inheemse volkeren, zoals erkend door de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de rechten van inheemse volkeren. Deze samenwerkingsactiviteiten dragen tevens bij tot versterking en bevordering van de mensenrechten en fundamentele vrijheden van personen die behoren tot minderheden en etnische groepen.
Speciale aandacht moet uitgaan naar armoedevermindering en de strijd tegen ongelijkheid, uitsluiting en discriminatie. De ontwikkeling van samenwerkingsactiviteiten dient, overeenkomstig de nationale en internationale verplichtingen van de partijen, te worden gericht naar de relevante internationale documenten en instrumenten met betrekking tot de rechten van inheemse volkeren, zoals Resolutie 59/174 van de Verenigde Naties inzake het tweede decennium voor „s werelds inheemse volkeren en Verdrag 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie over inheemse volkeren en stammen in onafhankelijke staten, zoals geratificeerd.
De partijen komen verder overeen dat de samenwerkingsactiviteiten stelselmatig rekening houden met de sociale, economische en culturele identiteiten van deze volkeren en, waar nodig, voor effectieve deelname aan de samenwerkingsactiviteiten zorgen, met name op die gebieden die van groot belang voor hen zijn, zoals duurzaam beheer en gebruik van de grond en de natuurlijke hulpbronnen, het milieu, onderwijs, gezondheid, erfgoed en culturele identiteit.
De samenwerking dient bij te dragen tot de bevordering van de ontwikkeling van inheemse volkeren. De samenwerking dient tevens bij te dragen tot de bevordering van de ontwikkeling van personen die tot organisaties van minderheden en etnische groepen behoren. Een dergelijke samenwerking verbetert ook hun capaciteiten op het gebied van onderhandelingen, bestuur en beheer.
Artikel 46. Kwetsbare groepen
De partijen komen overeen dat de samenwerking ten gunste van kwetsbare groepen prioriteit geeft aan maatregelen, met inbegrip van innovatieve beleidsmaatregelen en projecten, waarbij dergelijke kwetsbare groepen worden betrokken. Deze moeten gericht zijn op bevordering van menselijke ontwikkeling, armoedevermindering en de strijd tegen sociale uitsluiting.
De samenwerking omvat de bescherming van de mensenrechten en de gelijke kansen van kwetsbare groepen, het creëren van economische mogelijkheden voor de armsten, alsmede specifieke sociale beleidsmaatregelen gericht op de ontwikkeling van menselijke capaciteiten door middel van onderwijs en opleiding, toegang tot de primaire sociale diensten, sociale veiligheidsnetten en justitie, waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar onder meer gehandicapten en hun families, kinderen, vrouwen en ouderen.
Artikel 47. Gendergelijkheid
De partijen komen overeen dat de samenwerking dient bij te dragen tot de versterking van beleidslijnen, programma’s en mechanismen die de gelijke participatie en kansen van mannen en vrouwen in alle sectoren van het politieke, economische, maatschappelijke en culturele leven beogen te garanderen, verbeteren en verbreden, met name met het oog op de doelmatige uitvoering van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. Waar nodig, worden positieve maatregelen ter ondersteuning van vrouwen overwogen.
De samenwerking bevordert de integratie van het genderperspectief op alle relevante terreinen van samenwerking, met inbegrip van overheidsbeleid en ontwikkelingsstrategieën en -acties, alsmede indicatoren om het effect daarvan te meten.
De samenwerking zou tevens moeten bijdragen tot gelijke toegang van mannen en vrouwen tot alle diensten en middelen op basis waarvan zij hun fundamentele rechten volledig kunnen uitoefenen, zoals met betrekking tot onderwijs, gezondheid, beroepsopleiding, arbeidsmogelijkheden, politieke besluitvorming, bestuursstructuren en private ondernemingen.
Specifieke aandacht zal uitgaan naar programma’s ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, met name door middel van preventie.
Artikel 48. Jeugd
De samenwerking tussen de partijen ondersteunt alle relevante sectorale beleidsmaatregelen met betrekking tot de jeugd, met als doel de overerving van armoede en marginaliteit te voorkomen. Dit omvat steun aan gezinsbeleid en onderwijs, alsmede het bieden van arbeidsmogelijkheden aan jongeren, met name in arme regio’s, en het bevorderen van sociale en justitiële programma’s voor de preventie van jeugdcriminaliteit en de herintegratie in het economische en sociale leven.
De partijen komen overeen de actieve deelname van jongeren aan de samenleving te bevorderen, met inbegrip van de vormgeving van beleidsmaatregelen die effect hebben op hun leven.
TITEL IV. MIGRATIE
Artikel 49. Migratie
Op basis van een specifieke analyse van de behoeften, die in onderling overleg door de partijen wordt verricht, werken de partijen samen overeenkomstig de desbetreffende vigerende EU-wetgeving en nationale wetgeving. De samenwerking richt zich met name op:
- a. de grondoorzaken van migratie;
- b. de ontwikkeling en uitvoering van nationale wetgeving en praktijken met betrekking tot internationale bescherming, teneinde te voldoen aan de bepalingen van het verdrag van Genève van 1951 inzake de status van vluchtelingen en het bijbehorende protocol van 1967 en andere relevante internationale instrumenten, en teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van non-refoulement gerespecteerd wordt;
- c. de toelatingscriteria, alsmede de rechten en de status van toegelaten personen, de eerlijke behandeling en integratie van legale ingezetenen in de samenleving, onderwijs en opleiding van legale migranten en maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat, en alle toepasselijke bepalingen met betrekking tot de mensenrechten van migranten;
- d. de invoering van een doeltreffend beleid om het overmaken van geld te vergemakkelijken;
- e. de tijdelijke en circulaire migratie, met inbegrip van het voorkomen van braindrain;
- f. de invoering van een doeltreffend en integraal beleid inzake immigratie, smokkel van migranten en mensenhandel, met inbegrip van de vraag hoe netwerken en criminele organisaties van handelaars en smokkelaars kunnen worden bestreden en de slachtoffers van deze praktijken kunnen worden beschermd en ondersteund; alsmede alle andere vormen van migratie die niet overeenstemmen met het rechtskader van het land van bestemming;
- g. de humane, veilige en waardige repatriëring van personen die geen legale verblijfsvergunning hebben, op grond van volledig respect voor de mensenrechten, alsmede de terugname van dergelijke personen overeenkomstig lid 2;
- h. de uitwisseling van beste integratiepraktijken ten aanzien van migratie tussen de Europese Unie en de republieken van de MA-partij;
- i. de ondersteunende maatregelen gericht op duurzame herintegratie van terugkerenden.
In het kader van de samenwerking ter voorkoming en beheersing van immigratie die in strijd is met het rechtskader van het land van bestemming, komen de partijen eveneens overeen hun onderdanen die in strijd met het desbetreffende rechtskader op het grondgebied van de andere partij hebben verbleven, terug te nemen. Daartoe:
- a. verbindt elke republiek van de MA-partij zich ertoe haar onderdanen die in strijd met het rechtskader van een lidstaat van de Europese Unie op het grondgebied van die lidstaat hebben verbleven, op verzoek en zonder verdere formaliteiten terug te nemen, deze onderdanen van passende identiteitsdocumenten te voorzien en hen alle administratieve faciliteiten die daartoe benodigd zijn, te verstrekken;
- b. verbindt elke lidstaat van de Europese Unie zich ertoe zijn onderdanen die in strijd met het rechtskader van een republiek van de MA-partij op het grondgebied van die republiek van de MA-partij hebben verbleven, op verzoek en zonder verdere formaliteiten terug te nemen, deze onderdanen van passende identiteitsdocumenten te voorzien en hen alle administratieve faciliteiten die daartoe benodigd zijn, te verstrekken.
Indien de terug te nemen persoon niet in het bezit is van documenten of andere bewijzen van zijn of haar nationaliteit, treffen de bevoegde diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordigers van de desbetreffende lidstaat van de Europese Unie of de republiek van de MA-partij op verzoek van de desbetreffende republiek van de MA-partij of de lidstaat van de Europese Unie regelingen om deze persoon te ondervragen teneinde zijn of haar nationaliteit vast te stellen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)