Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds
De partijen komen overeen op verzoek en zo snel mogelijk een overeenkomst te sluiten tot vaststelling van de specifieke verplichtingen voor de lidstaten van de Europese Unie en de republieken van de MA-partij inzake terugname. Die overeenkomst betreft ook de terugname van onderdanen van andere landen en staatloze personen.
TITEL V. MILIEU, NATUURRAMPEN EN KLIMAATVERANDERING
Artikel 50. Samenwerking inzake het milieu
De partijen komen overeen de kwaliteit van het milieu op plaatselijk, regionaal en mondiaal niveau te beschermen en te verbeteren teneinde te komen tot duurzame ontwikkeling, zoals vastgelegd in de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling van 1992.
Rekening houdend met het beginsel van gezamenlijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, de prioriteiten en nationale ontwikkelingsstrategieën, besteden de partijen de nodige aandacht aan de relatie tussen armoede en het milieu en het effect van economische activiteit op het milieu, met inbegrip van het potentiële effect van deze overeenkomst.
De samenwerking betreft in het bijzonder:
- a. de bescherming en het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen, met inbegrip van bossen en visgronden;
- b. de strijd tegen de vervuiling van zoete en zeewateren, lucht en bodem, onder andere door middel van goed beheer van afval, rioolwater, chemicaliën en andere gevaarlijke stoffen en materialen;
- c. mondiale kwesties als klimaatverandering, aantasting van de ozonlaag, woestijnvorming, ontbossing, behoud van de biodiversiteit, en bioveiligheid;
- d. in deze context zal de samenwerking gezamenlijke initiatieven trachten te bevorderen op het gebied van beperking van de klimaatverandering en aanpassing aan de nadelige effecten daarvan, met inbegrip van versterking van de koolstofmarktmechanismen.
De samenwerking kan maatregelen omvatten als:
- a. bevordering van de beleidsdialoog en de uitwisseling van beste milieupraktijken en ervaringen, en bevordering van capaciteitsopbouw, met inbegrip van institutionele versterking;
- b. overdracht en gebruik van duurzame technologie en knowhow, met inbegrip van het creëren van stimuleringsmaatregelen en mechanismen voor innovatie en milieubescherming;
- c. integratie van milieuoverwegingen met andere beleidsterreinen, met inbegrip van beheer van het grondgebruik;
- d. bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen, onder meer door het duurzame gebruik van ecosystemen, diensten en goederen;
- e. bevordering van milieubewustzijn en -voorlichting, alsmede grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, met name plaatselijke gemeenschappen, bij inspanningen ten behoeve van milieubescherming en duurzame ontwikkeling;
- f. stimulering en bevordering van regionale samenwerking op het gebied van milieubescherming;
- g. ondersteuning bij de uitvoering en handhaving van de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij de partijen partij zijn;
- h. versterking van het milieubeheer, alsmede de toezicht- en controlesystemen.
Artikel 51. Beheer van natuurrampen
De partijen komen overeen dat de samenwerking op dit vlak gericht is op vermindering van de kwetsbaarheid van de Midden-Amerikaanse regio voor natuurrampen door ondersteuning van de nationale inspanningen, alsmede van het regionale kader voor het verminderen van de kwetsbaarheid voor en voor het reageren op natuurrampen, versterking van het regionale onderzoek, verspreiding van beste praktijken, het trekken van lessen uit de inspanningen inzake risicobeperking, en verder paraatheid, planning, monitoring, preventie, schadebeperking, respons en herstel. De samenwerking ondersteunt tevens inspanningen met betrekking tot harmonisatie van het rechtskader met de internationale normen, en de verbetering van de institutionele coördinatie en de overheidssteun.
De partijen stimuleren strategieën ter vermindering van de maatschappelijke en ecologische kwetsbaarheid en ter versterking van de capaciteiten van plaatselijke gemeenschappen en instellingen voor risicobeperking.
De partijen besteden specifieke aandacht aan verbetering van risicobeperking in al hun beleidsmaatregelen, waaronder territoriaal beheer, herstel en wederopbouw.
TITEL VI. ECONOMISCHE EN HANDELSONTWIKKELING
Artikel 52. Samenwerking en technische bijstand op het vlak van mededingingsbeleid
Technische bijstand is onder andere gericht op institutionele capaciteitsopbouw en opleiding van medewerkers van de mededingingsautoriteiten, rekening houdend met de regionale dimensie, teneinde deze te ondersteunen bij het aanscherpen en effectief handhaven van de mededingingswetgeving op het gebied van kartelbestrijding en fusies, met inbegrip van het stimuleren van mededinging.
Artikel 53. Samenwerking douane en wederzijdse ondersteuning
De partijen bevorderen en faciliteren de samenwerking tussen elkaars douanediensten, teneinde te zorgen voor de verwezenlijking van de in hoofdstuk 3 (Douane en handelsbevordering) van titel II van deel IV van deze overeenkomst genoemde doelstellingen, met name met het oog op vereenvoudiging van de douaneprocedures en facilitering van de rechtmatige handel, met behoud van hun mogelijkheden tot controle.
De samenwerking moet onder meer leiden tot:
- a. het uitwisselen van informatie aangaande de douanewetgeving en -procedures, in het bijzonder op de volgende gebieden:
- i. vereenvoudiging en modernisering van de douaneprocedures;
- ii. vergemakkelijking van doorvoer;
- iii. handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douaneautoriteiten;
- iv. betrekkingen met het bedrijfsleven;
- v. vrij verkeer van goederen en regionale integratie;
- b. het ontplooien van gezamenlijke initiatieven op onderling overeen te komen gebieden;
- c. het bevorderen van de coördinatie tussen alle betrokken grensinstanties, zowel intern als grensoverschrijdend.
De partijen bieden elkaar wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden overeenkomstig de bepalingen van bijlage III bij deel IV van deze overeenkomst.
Artikel 54. Samenwerking en technische bijstand inzake douane en handelsbevordering
De partijen erkennen het belang van technische bijstand op het vlak van douane en handelsbevordering teneinde de maatregelen die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 (Douane en handelsbevordering) van titel II van deel IV van deze overeenkomst uit te voeren. De partijen komen overeen onder meer op de volgende gebieden samen te werken:
- a. het verbeteren van de institutionele samenwerking ter versterking van het proces van regionale integratie;
- b. het verstrekken van expertise en capaciteitsopbouw inzake douaneaangelegenheden aan de bevoegde autoriteiten (onder andere certificering en verificatie van oorsprong) en technische aangelegenheden ten behoeve van de handhaving van regionale douaneprocedures;
- c. het toepassen van mechanismen en moderne douanetechnieken, zoals risicobeoordeling, bindende uitspraken vooraf, vereenvoudigde procedures voor binnenkomst en vrijgave van goederen, douanecontroles en bedrijfsauditmethodes;
- d. het invoeren van procedures en praktijken die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met internationale instrumenten en normen op het gebied van douane en handel, met inbegrip van de WTO-regels en de instrumenten en normen van de Werelddouaneorganisatie (hierna de „WDO”), zoals de Internationale overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, zoals gewijzigd (herziene overeenkomst van Kyoto) en het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van de WDO; en
- e. het invoeren van informatiesystemen en het automatiseren van douane en andere handelsprocedures.
Artikel 55. Samenwerking en technische bijstand inzake de overdracht van intellectuele eigendom en technologie
De partijen erkennen het belang van samenwerking en technische bijstand op het vlak van intellectuele eigendom en komen overeen onder andere op de volgende gebieden samen te werken:
- a. versterking van de institutionele samenwerking (bijvoorbeeld tussen bureaus voor intellectuele eigendom in de republieken van de MA-partij) en derhalve bevordering van de uitwisseling van informatie inzake rechtskaders voor intellectuele-eigendomsrechten en andere relevante beschermings- en handhavingsregels;
- b. stimulering en bevordering van de ontwikkeling van contacten en samenwerking op het gebied van intellectuele eigendom, met inbegrip van bevordering en verspreiding van informatie tussen bedrijfskringen, het maatschappelijk middenveld, consumenten en onderwijsinstellingen;
- c. het verstrekken van capaciteitsopbouw en opleiding (bijvoorbeeld voor rechters, aanklagers, douanebeambten en politieagenten) inzake handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
- d. samenwerking ten aanzien van de ontwikkeling en verbetering van elektronische systemen van de bureaus voor intellectuele eigendom in de republieken van de MA-partij;
- e. samenwerking inzake informatie-uitwisseling en het verlenen van expertise en technische bijstand over regionale integratie op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten.
De partijen erkennen het belang van samenwerking ten aanzien van douaneaangelegenheden en zullen daarom de samenwerking bevorderen en vergemakkelijken teneinde grensmaatregelen met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten toe te passen, en in het bijzonder de informatie-uitwisseling en coördinatie tussen de relevante douaneadministraties uit te breiden. Deze samenwerking streeft naar versterking en modernisering van de prestaties van de douanes in de republieken van de MA-partij.
De partijen erkennen tevens het belang van technische bijstand op het vlak van technologieoverdracht met als doel intellectuele eigendom beter te beschermen, en komen overeen onder meer bij de volgende activiteiten samen te werken:
- a. de partijen bevorderen de overdracht van technologie, hetgeen zal geschieden op basis van programma’s voor academische, professionele en/of zakelijke uitwisselingen die gericht zijn op de overdracht van kennis van de EU-partij naar de republieken van de MA-partij;
- b. de partijen erkennen het belang van het creëren van mechanismen ter versterking en bevordering van buitenlandse directe investeringen in de republieken van de MA-partij, met name in innovatieve en hightechsectoren. De EU stelt alles in het werk om instellingen en ondernemingen op haar grondgebied prikkels te bieden die gericht zijn op bevordering en aanmoediging van de overdracht van technologie aan instellingen en ondernemingen in de republieken van de MA-partij op zodanige wijze dat deze landen een levensvatbaar technologisch platform kunnen opbouwen;
- c. evenzo zal de EU-partij programma’s faciliteren en bevorderen die gericht zijn op het creëren van activiteiten op het vlak van onderzoek en ontwikkeling in Midden-Amerika, teneinde aan de behoeften van de regio’s te voldoen, zoals toegang tot medicijnen, infrastructuur en technologische ontwikkeling ten behoeve van onder andere de ontwikkeling van hun bevolking.
Artikel 56. Samenwerking inzake vestiging, handel in diensten en elektronische handel
De partijen erkennen het belang van technische samenwerking en ondersteuning ten behoeve van de uitvoering van verbintenissen en de optimalisatie van de mogelijkheden die worden gecreëerd op grond van Titel III (Vestiging, handel in diensten en elektronische handel) van deel IV, en de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst.
De samenwerking omvat ondersteuning voor technische bijstand, opleiding en capaciteitsopbouw op onder andere de volgende gebieden:
- a. verbetering van het vermogen van dienstverleners van de republieken van de MA-partij om informatie te verzamelen over en te voldoen aan de regels en normen van de EU-partij op het niveau van de Europese Unie en op nationaal en subnationaal niveau;
- b. verbetering van de exportcapaciteit van dienstverleners van de republieken van de MA-partij, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen;
- c. bevordering van interactie en dialoog tussen dienstverleners van de EU-partij en de republieken van de MA-partij;
- d. voorziening in de behoeften aan kwalificatie en normen in die sectoren waarvoor in deze overeenkomst verbintenissen worden aangegaan;
- e. bevordering van de uitwisseling van informatie en ervaring en verlening van technische bijstand ten aanzien van de ontwikkeling en uitvoering van regels op nationaal en regionaal niveau, waar van toepassing;
- f. instelling van mechanismen ter bevordering van investeringen tussen de EU-partij en de republieken van de MA-partij, en vergroting van de capaciteiten van agentschappen ter bevordering van investeringen in de republieken van de MA-partij.
Artikel 57. Samenwerking en technische bijstand op het vlak van technische handelsbelemmeringen
De partijen erkennen het belang van technische bijstand op het vlak van technische handelsbelemmeringen en komen overeen onder andere op de volgende gebieden samen te werken:
- a. verstrekking van expertise, capaciteitsopbouw, met inbegrip van de ontwikkeling en versterking van de relevante infrastructuur, opleiding en technische bijstand op het gebied van technische regelgeving, normalisatie, conformiteitsbeoordeling, accreditatie en metrologie. Dit kan tevens activiteiten omvatten ter bevordering van het begrip en de naleving van de voorschriften van de Europese Unie, met name door kleine en middelgrote ondernemingen;
- b. ondersteuning van de harmonisatie van de wetgeving en -procedures inzake technische handelsbelemmeringen binnen Midden-Amerika en bevordering van het verkeer van goederen binnen de regio;
- c. bevordering van de actieve participatie van de vertegenwoordigers van de republieken van de MA-partij aan de werkzaamheden van relevante internationale organisaties met het oog op een bredere toepassing van internationale normen;
- d. uitwisseling van informatie, ervaring en goede praktijken ter bevordering van de uitvoering van hoofdstuk 4 (Technische handelsbelemmeringen) van titel II van deel IV van deze overeenkomst. Dit kan programma’s omvatten ter bevordering van de handel op vlakken van gezamenlijk belang, zoals omschreven in hoofdstuk 4.
Artikel 58. Samenwerking en technische bijstand op het vlak van overheidsopdrachten
De partijen erkennen het belang van samenwerking en technische bijstand op het vlak van overheidsopdrachten en komen overeen als volgt samen te werken:
- a. in overeenkomst tussen de desbetreffende partijen, verbetering van de institutionele samenwerking en bevordering van de informatie-uitwisseling ten aanzien van rechtskaders aangaande overheidsopdrachten, aangevuld met de mogelijke introductie van een dialoogmechanisme;
- b. op verzoek van een van de partijen, levering van capaciteitsopbouw en opleiding, met inbegrip van opleiding voor de particuliere sector inzake innovatieve middelen voor overheidsopdrachten in een concurrentiesituatie;
- c. ondersteuning van publieksvoorlichtingsactiviteiten in de republieken van de MA-partij ten behoeve van de openbare sector, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld met betrekking tot de bepalingen van titel V (Overheidsopdrachten) van deel IV van deze overeenkomst, in verband met de systemen van de Europese Unie voor overheidsopdrachten, en de kansen die Midden-Amerikaanse leveranciers kunnen krijgen in de Europese Unie;
- d. ondersteuning voor het ontwikkelen, vestigen en laten functioneren van één enkel contactpunt voor informatie met betrekking tot overheidsopdrachten voor de gehele Midden-Amerikaanse regio. Dit contactpunt functioneert overeenkomstig de bepalingen van artikel 212, lid 1, onder d), artikel 213, artikel 215, lid 4, en artikel 223, lid 2, van titel V (Overheidsopdrachten) van deel IV van deze overeenkomst;
- e. verbetering van de technologische mogelijkheden voor overheidsdiensten op centraal en subcentraal niveau of voor andere aanbestedende diensten.
Artikel 59. Samenwerking en technische bijstand inzake visserij en aquacultuur
De partijen erkennen het belang van economische, technische en wetenschappelijke samenwerking ten behoeve van een duurzame ontwikkeling van de visserij- en aquacultuursector. De doelstellingen van een dergelijke samenwerking zijn met name:
- a. bevordering van een duurzame exploitatie en een duurzaam beheer van de visserij;
- b. bevordering van beste praktijken ten aanzien van visserijbeheer;
- c. verbetering van de gegevensverzameling teneinde rekening te kunnen houden met de best beschikbare wetenschappelijke informatie voor beoordeling en beheer van de visbestanden;
- d. verbetering van de systemen van toezicht, controle en bewaking;
- e. bestrijding van illegale, niet-gemelde of ongereglementeerde visserijactiviteiten.
Deze samenwerking kan onder meer het volgende betreffen:
- a. het beschikbaar stellen van technische expertise, ondersteuning en capaciteitsopbouw voor duurzaam beheer van de visbestanden, met inbegrip van de ontwikkeling van alternatieve viskwekerijen;
- b. het uitwisselen van informatie, ervaring en capaciteitsopbouw voor duurzame sociale en economische ontwikkeling van de visserij- en aquacultuursector, waarbij specifieke aandacht uitgaat naar de verantwoordelijke ontwikkeling van ambachtelijke en kleinschalige visserij en aquacultuur en de diversificatie van hun producten en activiteiten, met inbegrip van met name de verwerkingsindustrie;
- c. het ondersteunen van de institutionele samenwerking en het bevorderen van de informatie-uitwisseling inzake rechtskaders voor visserij en aquacultuur, met inbegrip van relevante internationale instrumenten;
- d. het versterken van de samenwerking binnen internationale organisaties en met nationale en regionale organisaties voor visserijbeheer, waarbij technische bijstand wordt geboden, onder meer in de vorm van workshops en studies, om te zorgen voor een beter inzicht in de toegevoegde waarde van internationale rechtsinstrumenten voor de verwezenlijking van goed beheer van de mariene hulpbronnen.
Artikel 60. Samenwerking en technische bijstand op het vlak van ambachtelijke goederen
De partijen erkennen het belang van samenwerkingsprogramma’s ter bevordering van acties die ertoe bijdragen dat ambachtelijke goederen die in de republieken van de MA-partij worden geproduceerd, profiteren van deze overeenkomst. Meer in het bijzonder kan de samenwerking op de volgende gebieden worden gericht:
- a. ontwikkeling van de mogelijkheden ter bevordering van de markttoegang van ambachtelijke goederen uit Midden-Amerika;
- b. capaciteitsopbouw van de entiteiten in Midden-Amerika met verantwoordelijkheid voor de bevordering van de export, met name ter ondersteuning van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (hierna „mkmo’s”) uit stedelijke en plattelandsregio’s, die nodig zijn voor de productie en export van ambachtelijke goederen, onder meer met betrekking tot douaneprocedures en technische voorschriften die gelden in de EU-markt;
- c. bevordering van het behoud van deze culturele producten;
- d. ondersteuning van de ontwikkeling van de infrastructuur die vereist is om mkmo’s te ondersteunen die zich bezighouden met de productie van ambachtelijke goederen;
- e. capaciteitsopbouw ter verbetering van de bedrijfsprestaties van producenten van ambachtelijke goederen door middel van opleidingsprogramma’s.
Artikel 61. Samenwerking en technische bijstand op het vlak van biologische goederen
De partijen erkennen het belang van samenwerkingsprogramma’s ter bevordering van de voordelen die biologische goederen die worden geproduceerd in de republieken van de MA-partij, kunnen hebben van deze overeenkomst. Meer in het bijzonder is de samenwerking onder andere op de volgende gebieden gericht:
- a. ontwikkeling van de mogelijkheden ter bevordering van de markttoegang voor biologische goederen uit Midden-Amerika;
- b. capaciteitsopbouw van de entiteiten in Midden-Amerika met verantwoordelijkheid voor de bevordering van de export, met name ter ondersteuning van mkmo’s uit stedelijke en plattelandsregio’s, die nodig zijn voor de productie en export van biologische goederen, onder meer met betrekking tot douaneprocedures, technische voorschriften en kwaliteitsnormen die gelden in de EU-markt;
- c. ondersteuning van de ontwikkeling van de infrastructuur die vereist is om mkmo’s te ondersteunen bij de productie van biologische goederen;
- d. capaciteitsopbouw ter verbetering van de bedrijfsprestaties van de producenten van biologische goederen door middel van opleidingsprogramma’s;
- e. samenwerking bij de ontwikkeling van distributienetwerken in de EU-markt.
Artikel 62. Samenwerking en technische bijstand ten aanzien van voedselveiligheid, sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden, en vraagstukken van dierenwelzijn
De samenwerking op dit vlak wordt toegespitst op versterking van de capaciteiten van de partijen ten aanzien van sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden en vraagstukken van dierenwelzijn, teneinde de toegang tot de markt van de andere partij te verbeteren en tegelijk de mate van bescherming van mensen, dieren en planten, alsmede het dierenwelzijn te waarborgen.
Dit kan onder andere het volgende betreffen:
- a. ondersteuning van de harmonisatie van sanitaire en fytosanitaire wetgeving en procedures binnen Midden-Amerika en bevordering van het verkeer van goederen binnen de regio;
- b. beschikbaarstelling van expertise inzake de wettelijke en technische capaciteit om wetgeving op te stellen en te handhaven, alsmede om sanitaire en fytosanitaire controlesystemen te ontwikkelen (met inbegrip van uitroeiingsprogramma’s, voedselveiligheidssystemen en waarschuwingsmeldingen), en expertise inzake dierenwelzijn;
- c. ondersteuning van de ontwikkeling en versterking van institutionele en administratieve capaciteiten in Midden-Amerika, zowel op regionaal als nationaal niveau, teneinde de sanitaire en fytosanitaire status te verbeteren;
- d. ontwikkeling van capaciteiten in elk van de republieken van de MA-partij om aan de sanitaire en fytosanitaire voorschriften te voldoen teneinde de toegang tot de markt van de andere partij te verbeteren en tegelijk het beschermingsniveau te waarborgen;
- e. verlening van advies en technische bijstand inzake de sanitaire en fytosanitaire regelgeving van de Europese Unie en de toepassing van de normen die vereist zijn voor de EU-markt.
Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden, zoals ingesteld uit hoofde van hoofdstuk 5 (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen) van titel II (Handel in goederen), deel IV van deze overeenkomst, doet voorstellen inzake de behoeften aan samenwerking om een werkprogramma op te stellen.
Het Associatiecomité controleert de voortgang van de samenwerking die wordt opgezet op grond van dit artikel en legt de resultaten van deze controle voor aan het subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden.
Artikel 63. Samenwerking en technische bijstand inzake handel en duurzame ontwikkeling
De partijen erkennen het belang van samenwerking en technische bijstand op het gebied van handel en arbeid, alsmede handel en milieu voor de verwezenlijking van de doelstellingen van titel VIII (Handel en duurzame ontwikkeling) van deel IV van deze overeenkomst.
In aanvulling op de activiteiten die zijn omschreven in titel III (Sociale ontwikkeling en sociale cohesie) en titel V (Milieu, natuurrampen en klimaatverandering) van deel III van deze overeenkomst, komen de partijen overeen samen te werken, onder meer door acties inzake technische bijstand, opleiding en capaciteitsopbouw op onder andere de volgende gebieden te ondersteunen:
- a. ondersteuning bij het opzetten van stimuleringsmaatregelen ten behoeve van milieubescherming en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met name door middel van bevordering van legale en duurzame handel, bijvoorbeeld door middel van programma’s voor eerlijke en ethische handel, met inbegrip van programma’s die maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoordingsplicht impliceren, alsmede gerelateerde etiketterings- en marketinginitiatieven;
- b. bevordering van handelsgerelateerde samenwerkingsmechanismen, zoals overeengekomen door de partijen, om bij te dragen aan de uitvoering van de huidige en toekomstige internationale klimaatveranderingsregeling;
- c. bevordering van handel in producten die verkregen zijn uit duurzaam beheerde natuurlijke hulpbronnen, onder andere door middel van effectieve maatregelen met betrekking tot dieren in het wild en visgronden, en certificering van legaal en duurzaam geproduceerd hout. Hierbij gaat specifieke aandacht uit naar vrijwillige en flexibele mechanismen en marketinginitiatieven gericht op bevordering van ecologisch duurzame productiesystemen;
- d. versterking van institutionele kaders, ontwikkeling en uitvoering van beleidsmaatregelen en programma’s met betrekking tot de uitvoering en handhaving van multilaterale milieuovereenkomsten en milieuwetgeving, zoals overeengekomen door de partijen, en ontwikkeling van maatregelen ter bestrijding van illegale handel die voor het milieu van belang is, onder andere door handhavingsactiviteiten en douanesamenwerking;
- e. versterking van institutionele kaders, ontwikkeling en uitvoering van beleidsmaatregelen en programma’s met betrekking tot fundamentele beginselen en rechten op het werk (de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen, het recht op collectieve onderhandelingen, dwangarbeid, kinderarbeid, geen discriminatie op de arbeidsmarkt), en uitvoering en handhaving van de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna de „ILO”) en de arbeidswetgeving, zoals overeengekomen door de partijen;
- f. bevordering van gedachtewisselingen over de ontwikkeling van methoden en indicatoren voor duurzaamheidsbeoordeling en ondersteuning van initiatieven om gezamenlijk de bijdrage aan duurzame ontwikkeling van deel IV van deze overeenkomst te evalueren, te monitoren en te beoordelen;
- g. versterking van de institutionele capaciteit ten aanzien van handels- en duurzame-ontwikkelingskwesties, en ondersteuning van de organisatie en bevordering van de overeengekomen kaders voor dialoog met het maatschappelijk middenveld over dergelijke zaken.
Artikel 64. Industriële samenwerking
De partijen komen overeen dat industriële samenwerking de modernisering en herstructurering van de Midden-Amerikaanse industrie en de afzonderlijke sectoren bevordert, alsmede de industriële samenwerking tussen marktdeelnemers, met als doel de versterking van de particuliere sector op basis van voorwaarden die ten goede komen aan bescherming van het milieu.
In initiatieven voor industriële samenwerking komen de door de partijen bepaalde prioriteiten tot uiting. Daarbij wordt rekening gehouden met regionale aspecten van industriële ontwikkeling en worden, waar van toepassing, transnationale partnerschappen bevorderd. De initiatieven zijn met name gericht op het instellen van een passend kader voor beter beheer van de knowhow en bevordering van de transparantie met betrekking tot de markten en voorwaarden voor zakelijke ondernemingen.
Artikel 65. Energie (met inbegrip van hernieuwbare energie)
De partijen komen overeen dat het hun gezamenlijke doelstelling is om samenwerking te bevorderen op het vlak van energie, met name duurzame schone en hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie, energiebesparingstechnologie, elektriciteitsvoorziening op het platteland en regionale integratie van de energiemarkten, onder meer zoals vastgesteld door de partijen en overeenkomstig de interne wetgeving.
De samenwerking kan onder andere het volgende betreffen:
- a. formulering en planning van het energiebeleid, met inbegrip van onderling verbonden infrastructuren van regionaal belang, verbetering en diversifiëring van de energievoorziening en verbetering van de energiemarkten, waaronder vergemakkelijking van de doorvoer, transmissie en distributie binnen de republieken van de MA-partij;
- b. management en opleiding voor de energiesector en overdracht van technologie en kennis, met inbegrip van de lopende werkzaamheden inzake normen met betrekking tot emissies bij energieopwekking en energie-efficiëntie;
- c. bevordering van energiebesparing, energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en onderzoek naar het milieueffect van energieproductie en -verbruik, in het bijzonder de effecten op biodiversiteit, bosbouw en veranderingen in grondgebruik;
- d. bevordering van de toepassing van schone ontwikkelingsmechanismen ter ondersteuning van klimaatveranderingsinitiatieven en de variabiliteit daarvan.
Artikel 66. Samenwerking op het gebied van de mijnbouw
De partijen komen overeen samen te werken op het gebied van de mijnbouw, waarbij rekening wordt gehouden met de respectieve wetgevingen en interne procedures, alsmede aspecten van duurzame ontwikkeling, met inbegrip van milieubescherming en -behoud, door middel van initiatieven zoals bevordering van de uitwisseling van informatie, deskundigen, ervaring en ontwikkeling en overdracht van technologie.
Artikel 67. Eerlijk en duurzaam toerisme
De partijen erkennen het belang van de toerismesector voor de armoedebestrijding door middel van de sociale en economische ontwikkeling van plaatselijke gemeenschappen, en het grote economische potentieel van beide regio’s om ondernemingsactiviteiten op dit gebied te ontwikkelen.
Om deze reden komen zij overeen eerlijk en duurzaam toerisme te bevorderen, en met name het volgende te ondersteunen:
- a. de ontwikkeling van beleidsmaatregelen om de sociaaleconomische voordelen van het toerisme te optimaliseren;
- b. de creatie en consolidatie van toeristische producten door middel van het bieden van niet-financiële diensten, opleiding en technische bijstand en diensten;
- c. de verwerking van milieu-, culturele en sociale overwegingen in de ontwikkeling van de toerismesector, onder andere door bescherming en bevordering van cultureel erfgoed en natuurlijke hulpbronnen;
- d. de betrokkenheid van plaatselijke gemeenschappen bij het proces van toeristische ontwikkeling, met name plattelands- en gemeenschapstoerisme en ecotoerisme;
- e. marketing- en promotiestrategieën, de ontwikkeling van institutionele capaciteit en menselijke hulpbronnen, en de bevordering van internationale normen;
- f. de bevordering van publiek-private samenwerking en associatie;
- g. de ontwikkeling van beheersplannen voor nationale en regionale toeristische ontwikkeling;
- h. de bevordering van informatietechnologie op het gebied van toerisme.
Artikel 68. Samenwerking op vervoersgebied
De partijen komen overeen dat de samenwerking op dit gebied wordt geconcentreerd op herstructurering en modernisering van de systemen voor vervoer en de daarmee samenhangende infrastructuur, met inbegrip van grensovergangen, op bevordering en verbetering van het verkeer van personen en goederen, en op verbetering van de toegang tot de markten voor stads-, lucht-, zee-, spoor- en wegvervoer en vervoer over de binnenwateren, door verbetering van het operationele en administratieve beheer van het vervoer en bevordering van strenge exploitatienormen.
De samenwerking kan onder meer inhouden:
- a. uitwisseling van informatie over het beleid van de partijen, met name wat betreft het stadsvervoer en de koppeling en interoperabiliteit van multimodale vervoersnetwerken, alsmede andere terreinen van wederzijds belang;
- b. het beheer van binnenwateren, wegen, spoorwegen, havens en luchthavens, met inbegrip van passende samenwerking tussen de relevante autoriteiten;
- c. projecten gericht op overdracht van Europese technologie op het gebied van het wereldwijde satellietnavigatiesysteem GNSS en centra voor openbaar stadsvervoer;
- d. verbetering van de normen voor veiligheid en voorkoming van verontreiniging, onder meer door samenwerking in passende internationale fora, gericht op betere handhaving van de internationale normen;
- e. activiteiten die de ontwikkeling van het lucht- en zeevervoer bevorderen.
Artikel 69. Goed bestuur op belastinggebied
Overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden verbeteren de partijen de internationale samenwerking op fiscaal gebied teneinde het innen van rechtmatige belastingopbrengsten te bevorderen en maatregelen te ontwikkelen voor de daadwerkelijke uitvoering van gemeenschappelijke en internationaal geaccepteerde beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, zoals genoemd in artikel 22, deel II, van deze overeenkomst.
Artikel 70. Micro-, kleine en middelgrote ondernemingen
De partijen komen overeen de concurrentiepositie en de integratie van rurale en stedelijke mkmo’s en hun vertegenwoordigende organisaties in de internationale markten te bevorderen, in het besef van hun bijdrage aan sociale cohesie door middel van armoedevermindering en het creëren van banen. De partijen doen dit door niet-financiële diensten, opleiding en technische bijstand te verstrekken, en door onder andere de volgende samenwerkingsactiviteiten te verrichten:
- a. technische bijstand en overige bedrijfsontwikkelingsdiensten;
- b. versterking van de plaatselijke en regionale institutionele kaders met het oog op het opzetten en de exploitatie van mkmo’s;
- c. ondersteuning van mkmo’s, zodat zij kunnen deelnemen aan de goederen- en dienstenmarkten op plaatselijk en internationaal niveau, door middel van deelneming aan beurzen, handelsmissies en andere promotiemechanismen;
- d. bevordering van productieve koppelingsprocessen;
- e. bevordering van de uitwisseling van ervaring en beste praktijken;
- f. stimulering van gezamenlijke investeringen, partnerschappen en bedrijfsnetwerken;
- g. vaststelling en vermindering van belemmeringen voor mkmo’s om toegang tot financiële bronnen te krijgen, en totstandbrenging van nieuwe financieringsmechanismen;
- h. bevordering van de overdracht van zowel technologie als kennis;
- i. ondersteuning voor innovatie, alsmede onderzoek en ontwikkeling;
- j. ondersteuning van het gebruik van kwaliteitsbeheerssystemen.
Artikel 71. Samenwerking inzake microkrediet en microfinanciering
De partijen zijn het erover eens dat, om de inkomensongelijkheid te reduceren, microfinanciering, met inbegrip van programma’s voor microkrediet, zelfstandige activiteiten genereert en een doelmatig instrument is om armoede te overwinnen en de kwetsbaarheid in tijden van economische crisis te verminderen, doordat gezorgd wordt voor een bredere deelname aan de economie. De samenwerking betreft het volgende:
- a. uitwisseling van ervaringen en deskundigheid op het gebied van ethisch bankieren en bankieren op basis van een vereniging of een zelfbestuurde gemeenschap, en de versterking van duurzame programma’s voor microfinanciering, met inbegrip van certificerings-, toezicht- en validatieprogramma’s;
- b. toegang tot microkrediet door de toegang tot door banken en financiële instellingen geboden financiële diensten te bevorderen door middel van stimuleringsmaatregelen en risicobeheersingsprogramma’s;
- c. uitwisseling van ervaring op het vlak van beleidsmaatregelen en alternatieve wetgeving ter bevordering van het creëren van volksbankieren en ethisch bankieren.
TITEL VII. REGIONALE INTEGRATIE
Artikel 72. Samenwerking inzake regionale integratie
De partijen komen overeen dat in het kader van de samenwerking op dit gebied het proces van regionale integratie in Midden-Amerika op alle vlakken wordt versterkt, in het bijzonder door de ontwikkeling en invoering van een gemeenschappelijke markt, met als doel geleidelijk een economische unie te creëren.
De samenwerking steunt de activiteiten met betrekking tot het integratieproces van Midden-Amerika, in het bijzonder de ontwikkeling en versterking van gemeenschappelijke instellingen met als doel deze doelmatiger, controleerbaarder en transparanter te maken, en van hun interinstitutionele betrekkingen.
De samenwerking versterkt de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het integratieproces onder de voorwaarden die door de partijen zijn bepaald, en omvat ondersteuning van de overlegmechanismen en bewustmakingscampagnes.
De samenwerking bevordert ook de ontwikkeling van gezamenlijk beleid en de harmonisering van de wetgevingskaders, voor zover deze onder de instrumenten voor de integratie van Midden-Amerika vallen. Dit geldt voor economisch beleid, zoals handel, douane, landbouw, energie, vervoer, communicatie en mededinging, maar ook voor de coördinatie van het macro-economisch beleid, zoals het monetaire en fiscale beleid en de overheidsfinanciën. De samenwerking bevordert verder de coördinatie van sectoraal beleid op gebieden zoals consumentenbescherming, milieu, sociale cohesie, veiligheid, voorkoming van en respons op natuurrisico’s en -rampen. Specifieke aandacht gaat uit naar de genderdimensie.
De samenwerking kan ook investeringen bevorderen in gemeenschappelijke infrastructuur en netwerken, in het bijzonder aan de grenzen van de republieken van de MA-partij.
Artikel 73. Regionale samenwerking
De partijen komen overeen alle beschikbare samenwerkingsinstrumenten te gebruiken om activiteiten te bevorderen op alle gebieden van samenwerking die onder deze overeenkomst vallen en die gericht zijn op de ontwikkeling van actieve samenwerking tussen de EU-partij en de republieken van de MA-partij, zonder de samenwerking tussen hen, tussen de republieken van de MA-partij en andere landen en/of gebieden in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied te ondermijnen. Er wordt naar gestreefd regionale en bilaterale samenwerkingsactiviteiten complementair te maken.
TITEL VIII. CULTURELE EN AUDIOVISUELE SAMENWERKING
Artikel 74. Culturele en audiovisuele samenwerking
De partijen verbinden zich ertoe de culturele samenwerking te bevorderen met als doel het wederzijdse begrip te vergroten en evenwichtige culturele uitwisselingen, alsmede de verspreiding van culturele activiteiten, goederen en diensten en het verkeer van artiesten en beroepsmensen uit de culturele sector aan te moedigen, waarbij overeenkomstig hun respectieve wetgeving ook organisaties uit het maatschappelijk middenveld van de EU-partij en de republieken van de MA-partij worden betrokken.
De partijen stimuleren de interculturele dialoog tussen personen, culturele instellingen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld van de EU-partij en de republieken van de MA-partij.
De partijen stimuleren de coördinatie in het kader van de UNESCO met het oog op bevordering van de culturele diversiteit, onder andere via overleg inzake de ratificatie en uitvoering van het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen door de EU-partij en de republieken van de MA-partij. De samenwerking omvat ook de bevordering van de culturele diversiteit, met inbegrip van die van inheemse volkeren, en de culturele praktijken van andere specifieke groepen, met inbegrip van het onderwijs in inheemse talen.
De partijen komen overeen de samenwerking in de audiovisuele en mediasector, met inbegrip van radio en pers, te bevorderen door middel van gezamenlijke initiatieven op het vlak van opleiding, alsmede audiovisuele ontwikkeling en productie- en distributieactiviteiten, onder andere op het educatieve en culturele vlak.
De samenwerking vindt plaats overeenkomstig de relevante nationale auteursrechtelijke bepalingen en de toepasselijke internationale overeenkomsten.
De samenwerking op dit gebied omvat tevens de waarborging en bevordering van natuurlijk en cultureel erfgoed (materieel en immaterieel), met inbegrip van het voorkomen van en optreden tegen illegale handel in cultureel erfgoed, overeenkomstig de relevante internationale instrumenten.
Aan deze overeenkomst is een protocol betreffende culturele samenwerking gehecht dat betrekking heeft op deze titel.
TITEL IX. KENNISMAATSCHAPPIJ
Artikel 75. Informatiemaatschappij
De partijen komen overeen dat informatie- en communicatietechnologieën essentiële sectoren in een moderne samenleving zijn en van cruciaal belang zijn voor de economische en sociale ontwikkeling en een soepele overgang naar een informatiemaatschappij. De samenwerking op dit gebied dient ertoe om bij te dragen tot de totstandbrenging van een degelijk regelgevings- en technologisch kader, om de ontwikkeling van deze technologieën te bevorderen, om beleidsmaatregelen te ontwikkelen die bijdragen aan vermindering van de digitale kloof en ontwikkeling van menselijke capaciteit, om rechtvaardige en inclusieve toegang te bieden tot informatietechnologie, en om optimaal gebruik te maken van deze technologieën voor de levering van diensten. In dit opzicht dient de samenwerking ook de uitvoering van deze beleidsmaatregelen te ondersteunen en bij te dragen aan betere interoperabiliteit van de elektronische communicatiediensten.
De samenwerking op dit gebied is ook gericht op bevordering van:
- a. de dialoog over en de uitwisseling van ervaringen ten aanzien van regelgevings- en beleidsmatige aangelegenheden met betrekking tot de informatiemaatschappij, waaronder het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën zoals e-overheidsdiensten, e-learning en e-gezondheidszorg, en beleidsmaatregelen gericht op verkleining van de digitale kloof;
- b. uitwisseling van ervaring en beste praktijken ten aanzien van de ontwikkeling en introductie van toepassingen voor e-overheidsdiensten;
- c. dialoog over en uitwisseling van ervaring ten aanzien van de ontwikkeling van e-commerce, de digitale handtekening en telewerken;
- d. uitwisseling van informatie over normen, conformiteitsbeoordeling en typegoedkeuring;
- e. gezamenlijke onderzoek- en ontwikkelingsprojecten inzake informatie- en communicatietechnologieën;
- f. ontwikkeling van het gebruik van het Academic Advanced Network, dat wil zeggen zoeken naar oplossingen op de lange termijn om RedCLARA zelfvoorzienend te maken.
Artikel 76. Wetenschappelijke en technologische samenwerking
De samenwerking op dit gebied is gericht op de ontwikkeling van wetenschappelijke, technologische en innovatieve capaciteit die alle activiteiten beslaat die binnen de onderzoekskaderprogramma’s vallen. Daartoe zullen de partijen een beleidsdialoog op regionaal niveau bevorderen, alsmede informatie-uitwisseling en de participatie van hun onderzoeksinstellingen en instellingen voor technologische ontwikkeling ten aanzien van de volgende wetenschappelijke en technologische samenwerkingsactiviteiten, overeenkomstig hun interne regels:
- a. gezamenlijke initiatieven om mensen bewust te maken van de programma’s voor wetenschappelijke en technologische capaciteitsopbouw, alsmede de Europese programma’s op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie;
- b. initiatieven ter bevordering van de deelname aan kaderprogramma’s en aan andere relevante programma’s van de Europese Unie;
- c. gezamenlijke onderzoeksacties op vlakken van gemeenschappelijk belang;
- d. gezamenlijke wetenschappelijke bijeenkomsten ter bevordering van informatie-uitwisseling en om gezamenlijke onderzoeksgebieden vast te stellen;
- e. bevordering van geavanceerde wetenschappelijke en technologische studies die bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van de partijen op de lange termijn;
- f. totstandbrenging van koppelingen tussen de openbare en particuliere sector, waarbij speciale nadruk wordt gelegd op de overdracht van wetenschappelijke en technologische resultaten naar nationale productieve systemen en sociale beleidsmaatregelen, en rekening wordt gehouden met milieuaspecten en de behoefte om schonere technologieën te gebruiken;
- g. evaluatie van wetenschappelijke samenwerking en verspreiding van de resultaten;
- h. bevordering, verspreiding en overdracht van technologie;
- i. ondersteuning bij het opzetten van nationale innovatiesystemen, met als doel technologie te ontwikkelen en innovatie te bevorderen om passende antwoorden te vinden op de vraag van kleine en middelgrote ondernemingen en om onder andere de plaatselijke productie te stimuleren; en verder ondersteuning bij het opzetten van uitmuntendheidscentra en hightechgroepen;
- j. bevordering van opleiding, onderzoek, ontwikkeling en toepassingen van kernwetenschap en -technologie voor medische toepassingen, waardoor de overdracht van technologie mogelijk wordt naar de republieken van de MA-partij op gebieden als gezondheidszorg, met name radiologie en nucleaire geneeskunde voor radiodiagnostiek en behandeling met radiotherapie, en die gebieden die de partijen overeenkomen vast te stellen, overeenkomstig de bestaande internationale verdragen en regels en met inachtneming van de jurisdictie van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie.
Speciale aandacht zal uitgaan naar de opbouw van menselijk potentieel als langdurige basis voor wetenschappelijke en technologische uitmuntendheid en naar het creëren van duurzame banden tussen de wetenschappelijke en technologische gemeenschappen van de partijen, zowel op nationaal als regionaal niveau. Daartoe wordt de uitwisseling van onderzoekers en beste praktijken in onderzoeksprojecten bevorderd.
In deze samenwerking worden op gepaste wijze onderzoekscentra, hogeronderwijsinstellingen en overige belanghebbenden, met inbegrip van mkmo’s, betrokken die gevestigd zijn op het grondgebied van de partijen.
De partijen komen overeen alle mechanismen te gebruiken ter vergroting van de kwantiteit en kwaliteit van hooggekwalificeerde menselijke hulpbronnen, onder meer door opleiding, onderzoek in samenwerkingsverband, studiebeurzen en uitwisselingen.
In het streven naar wetenschappelijke topprestaties tot wederzijds voordeel bevorderen de partijen de deelname van hun respectieve entiteiten aan elkaars wetenschappelijke en technologische programma’s, overeenkomstig hun bepalingen inzake de deelname van juridische entiteiten uit derde landen.
DEEL IV. HANDEL
TITEL I. INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 77. Oprichting van een vrijhandelszone en verband met de WTO-Overeenkomst
Overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 1994 (hierna „GATT 1994” genoemd) en artikel V van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (hierna „GATS” genoemd), komen de partijen bij deze overeenkomst overeen een vrijhandelszone op te richten.
De partijen herbevestigen hun bestaande1)De term „bestaande” impliceert dat het lid uitsluitend van toepassing is op bestaande bepalingen van de WTO-Overeenkomst en niet op wijzigingen of bepalingen die na het definitief worden van deze overeenkomst zijn overeengekomen. rechten en verplichtingen ten opzichte van elkaar op grond van de WTO-Overeenkomst.
Artikel 78. Doelstellingen
De doelstellingen van deel IV van deze overeenkomst zijn:
- a. de uitbreiding en diversifiëring van de handel in goederen tussen de partijen door middel van vermindering of afschaffing van tarifaire en niet-tarifaire handelsbelemmeringen;
- b. de bevordering van de handel in goederen, met name door middel van de overeengekomen bepalingen inzake douane en handelsbevordering, normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures alsmede sanitaire en fytosanitaire maatregelen;
- c. de liberalisering van de handel in diensten overeenkomstig artikel V van de GATS;
- d. de bevordering van economische regionale integratie op het gebied van douaneprocedures, technische voorschriften en sanitaire en fytosanitaire maatregelen ter bevordering van het goederenverkeer tussen en binnen de partijen;
- e. de ontwikkeling van een klimaat dat bevorderlijk is voor grotere investeringsstromen, betere vestigingsvoorwaarden tussen de partijen op basis van het beginsel van niet-discriminatie, en vergemakkelijking van handel en investeringen tussen de partijen aan de hand van lopende betalingen en kapitaalverkeer met betrekking tot directe investeringen;
- f. het daadwerkelijk, wederzijds en geleidelijk openstellen van de markten voor overheidsopdrachten van de partijen;
- g. de adequate en effectieve bescherming van intellectuele-eigendomsrechten overeenkomstig de internationale verplichtingen die gelden voor de partijen, met als doel te zorgen voor een evenwicht tussen de rechten van de rechthebbenden en het openbaar belang, rekening houdend met de verschillen tussen de partijen en de bevordering van technologieoverdracht tussen de regio’s;
- h. de bevordering van vrije en onvervalste mededinging in de economische en handelsbetrekkingen tussen de partijen;
- i. de invoering van een effectieve, eerlijke en voorspelbare regeling inzake geschillenbeslechting; en
- j. de bevordering van internationale handel en investeringen tussen de partijen op een wijze die bijdraagt aan het doel van duurzame ontwikkeling door gezamenlijke werkzaamheden in samenwerkingsverband.
Artikel 79. Algemeen toepasselijke definities
Tenzij anders bepaald, hebben onderstaande termen voor de toepassing van deel IV van deze overeenkomst de volgende betekenis:
- –. „Midden-Amerika”: de republieken Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Panama;
- –. „douanerechten”: alle soorten rechten en heffingen die worden opgelegd op of in verband met de invoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen die worden opgelegd op of in verband met die invoer. Daaronder vallen niet:
- a. heffingen die gelijkwaardig zijn aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 85 van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel II worden opgelegd;
- b. rechten die ingevolge de interne wetgeving van een partij worden opgelegd en die stroken met hoofdstuk 2 (Handelsmaatregelen) van titel II;
- c. vergoedingen of andere heffingen die ingevolge het interne recht van een partij worden opgelegd en die stroke met artikel 87 van hoofdstuk 1 van titel II;
- –. „dagen”: kalenderdagen, met inbegrip van weekenden en feestdagen, tenzij anders gedefinieerd in deze overeenkomst;
- –. „geharmoniseerd systeem” of „GS”: het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen, met inbegrip van de bijbehorende algemene interpretatieregels en de aantekeningen op afdelingen en hoofdstukken, zoals aangenomen en ten uitvoer gelegd door de partijen in hun respectieve tarifaire wetgeving;
- –. „rechtspersoon”: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, ongeacht of zij eigendom van particulieren of van de overheid is, met inbegrip van alle vennootschappen, trusts, maatschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;
- –. „maatregel”: elke handeling of nalatigheid, met inbegrip van alle wetten, regels, procedures, voorschriften en praktijken;
- –. „onderdaan”: elke natuurlijke persoon die de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een republiek van de MA-partij heeft overeenkomstig hun respectieve wetgeving;
- –. „persoon”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon;
- –. „preferentiële tariefbehandeling”: het tarief van douanerechten dat op grond van deze overeenkomst van toepassing is op goederen van oorsprong.
TITEL II. HANDEL IN GOEDEREN
HOOFDSTUK 1. NATIONALE BEHANDELING EN MARKTTOEGANG VOOR GOEDEREN
AFDELING A. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 80. Doel
De partijen liberaliseren geleidelijk de handel in goederen overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst en overeenkomstig artikel XXIV van de GATT 1994.
Artikel 81. Toepassingsgebied
Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op de handel in goederen tussen de partijen.
AFDELING B. AFSCHAFFING VAN DOUANERECHTEN
Artikel 82. Indeling van goederen
De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen is die welke is opgenomen in de respectieve tariefnomenclatuur van elke partij overeenkomstig het geharmoniseerd systeem.
Artikel 83. Afschaffing van douanerechten
Elke partij schaft de douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij af overeenkomstig de lijsten die zijn opgenomen in bijlage I (Afschaffing van douanerechten). Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „van oorsprong” verstaan conform de oorsprongsregels die zijn opgenomen in bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking)2)Voor de toepassing van deze overeenkomst hebben de termen „goed” en „product” dezelfde betekenis, tenzij anders vermeld..
Voor elk goed is het basistarief van de douanerechten waarop ingevolge lid 1 de achtereenvolgende verlagingen moeten worden toegepast, het basistarief dat in de lijsten staat vermeld.
Indien een partij na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst op enig tijdstip het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt, dan geldt dat recht, indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig de lijst van die partij berekende recht.
Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst treden de partijen, indien een van hen daarom verzoekt, in overleg om te bezien of de afschaffing van douanerechten op invoer tussen de partijen kan worden bespoedigd en een breder toepassingsgebied kan krijgen. Een overeenkomst tussen de partijen waarbij de afschaffing van een douanerecht op een goed wordt bespoedigd of dat douanerecht wordt afgeschaft, prevaleert op een douanerecht dat of een afbouwcategorie die overeenkomstig hun lijsten voor dat goed is vastgesteld.
Artikel 84. Status-quo
Geen van beide partijen verhoogt bestaande douanerechten of stelt nieuwe douanerechten vast op een goed van oorsprong uit de andere partij3)Voor goederen die niet profiteren van de preferentiële behandeling, wordt onder „douanerecht” verstaan het „basistarief” zoals opgenomen in de lijsten van elk van de partijen.. Dit weerhoudt geen van de partijen ervan:
- a. een douanerecht na een eenzijdige verlaging te verhogen tot het in haar lijst vastgestelde niveau;
- b. een douanerecht te handhaven of te verhogen, voor zover toegestaan door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO; of
- c. de basistarieven van uitgesloten goederen te verhogen met als doel een gemeenschappelijk buitentarief te bereiken.
AFDELING C. NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN
Artikel 85. Nationale behandeling
Elke partij verleent de nationale behandeling aan de goederen van de andere partij, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen daarop in deze overeenkomst opgenomen4)De partijen erkennen dat artikel 158 van hoofdstuk 6 (Uitzonderingen met betrekking tot goederen) van titel II eveneens op dit artikel van toepassing is..
Artikel 86. Invoer- en uitvoerbeperkingen
Behalve voor zover anders bepaald in deze overeenkomst of in overeenstemming met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen daarop, mag geen van beide partijen verboden of beperkingen vaststellen of handhaven op de invoer van een goed uit de andere partij of de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd. Hiertoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen daarop in deze overeenkomst opgenomen5)De partijen erkennen dat artikel 158 van hoofdstuk 6 (Uitzonderingen met betrekking tot goederen) van titel II eveneens op dit artikel van toepassing is..
Artikel 87. Vergoedingen en andere heffingen op invoer en uitvoer
Overeenkomstig artikel VIII, lid 1, van de GATT 1994 en de aantekeningen daarop, zorgt elke partij dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook (andere dan douanerechten, heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen of overige interne heffingen die in overeenstemming met artikel 85 van dit hoofdstuk worden opgelegd, en antidumpingrechten en compenserende rechten die worden toegepast ingevolge het interne recht van een partij en overeenkomstig hoofdstuk 2 (Handelsmaatregelen) van deze titel), die worden ingesteld op of in verband met invoer of uitvoer, worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en geen indirecte bescherming van interne goederen of een belasting op de invoer of uitvoer voor fiscale doeleinden vormen.
Artikel 88. Uitvoerrechten of -belastingen
Tenzij anders is bepaald in deze overeenkomst, mag geen van beide partijen rechten of belastingen die worden ingesteld op of in verband met de uitvoer van goederen naar de andere partij, handhaven of vaststellen.
AFDELING D. LANDBOUW
Artikel 89. Uitvoersubsidies voor landbouwproducten
Voor de toepassing van dit artikel heeft de term „uitvoersubsidies” de betekenis die aan die term is gegeven in artikel 1, onder e), van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw (hierna „Landbouwovereenkomst” genoemd), met inbegrip van de wijzigingen op dat artikel.
De partijen stellen zich beide tot doel gezamenlijk binnen de WTO te werken om te zorgen voor parallelle afschaffing van alle vormen van uitvoersubsidie en de instelling van gedragscodes ten aanzien van alle uitvoermaatregelen van gelijke werking. Voor de toepassing hiervan omvatten uitvoermaatregelen van gelijke werking exportkredieten, regelingen voor exportkredietgarantie of -verzekering, uitvoerende staatshandelsondernemingen en voedselhulp.
Geen van de partijen mag uitvoersubsidies handhaven, introduceren of herintroduceren op landbouwgoederen die bestemd zijn voor het grondgebied van de andere partij en die:
- a. volledig en onmiddellijk geliberaliseerd zijn overeenkomstig bijlage I (Afschaffing van douanerechten); of
- b. volledig maar niet onmiddellijk geliberaliseerd zijn en genieten van een rechtenvrij contingent bij inwerkingtreding van deze overeenkomst conform bijlage I (Afschaffing van douanerechten); of
- c. onderworpen zijn aan een preferentiële behandeling, zoals vastgesteld op grond van deze overeenkomst, voor onder de posten 0402 en 0406 vallende producten, en genieten van een rechtenvrij contingent.
Indien een partij in de gevallen beschreven in lid 3, onder a), b) en c), een uitvoersubsidie handhaaft, introduceert of herintroduceert, kan de getroffen/invoerende partij een aanvullend tarief toepassen waardoor het douanerecht voor de invoer van een dergelijk goed wordt verhoogd tot het niveau van het toegepaste meestbegunstigingsrecht (MFN) of, indien dit lager is, het basistarief dat is opgenomen in bijlage I (Afschaffing van douanerechten), voor de periode die is vastgesteld voor handhaving van de uitvoersubsidie.
Voor producten die overeenkomstig bijlage I (Afschaffing van douanerechten) gedurende een overgangsperiode volledig geliberaliseerd worden en bij inwerkingtreding niet genieten van een rechtenvrij contingent, mag geen van de partijen aan het eind van die overgangsperiode uitvoersubsidies handhaven, introduceren of herintroduceren.
AFDELING E. VISSERIJ, AQUACULTUUR, AMBACHTELIJKE GOEDEREN EN BIOLOGISCHE PRODUCTEN
Artikel 90. Technische samenwerking
In de artikelen 59, 60 en 61 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst zijn maatregelen voor technische samenwerking vastgesteld om de handel in visserijproducten, aquacultuurproducten, ambachtelijke goederen en biologische producten tussen de partijen te verbeteren.
AFDELING F. INSTITUTIONELE BEPALINGEN
Artikel 91. Subcomité Markttoegang voor goederen
De partijen richten hierbij een subcomité Markttoegang voor goederen op overeenkomstig artikel 348 en zoals uiteengezet in bijlage XXI (Subcomités).
De taken van het subcomité zijn onder meer:
- a. toezien op de juiste toepassing en administratie van dit hoofdstuk;
- b. als forum dienen voor overleg aangaande de interpretatie en toepassing van dit hoofdstuk;
- c. de voorstellen beoordelen die door de partijen worden gedaan met betrekking tot de bespoediging van de afschaffing van tarieven en de opname van goederen in de lijsten;
- d. relevante aanbevelingen doen aan het Associatiecomité ten aanzien van aangelegenheden die binnen zijn bevoegdheid liggen; en
- e. alle overige zaken behandelen in opdracht van het Associatiecomité.
HOOFDSTUK 2. HANDELSMAATREGELEN
AFDELING A. ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE MAATREGELEN
Artikel 92. Algemene bepalingen
De partijen behouden hun rechten en verplichtingen op grond van de WTO-Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 (hierna de „Antidumpingovereenkomst” genoemd), de WTO-Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (hierna de „SCM-Overeenkomst” genoemd) en de WTO-Overeenkomst inzake oorsprongsregels (hierna de „Overeenkomst inzake oorsprongsregels” genoemd).
Wanneer een antidumpingmaatregel of een compenserende maatregel op zowel regionaal als nationaal niveau kan worden ingesteld, zorgen de partijen ervoor dat een dergelijke antidumping- of compenserende maatregel ten aanzien van hetzelfde product niet tegelijkertijd door regionale en nationale autoriteiten wordt toegepast.
Artikel 93. Transparantie en rechtszekerheid
De partijen komen overeen dat handelsmaatregelen volledig in overeenstemming met de WTO-voorschriften worden gehanteerd en uitgaan van een eerlijk en transparant systeem.
De partijen, die de voordelen van rechtszekerheid en de voorspelbaarheid voor de marktdeelnemers erkennen, zorgen ervoor dat, waar van toepassing, hun respectieve interne wetgeving op het gebied van antidumping- en compenserende maatregelen geharmoniseerd en volledig verenigbaar is en blijft met de WTO-wetgeving.
Niettegenstaande artikel 6, lid 9, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 8, van de SCM-Overeenkomst, is het wenselijk dat de partijen ervoor zorgen dat onmiddellijk nadat voorlopige maatregelen zijn ingesteld, de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, volledig en zinvol worden meegedeeld, onverminderd artikel 6, lid 5, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 4, van de SCM-Overeenkomst. De mededeling dient schriftelijk te geschieden en tijdig genoeg zodat de belanghebbenden voldoende tijd hebben om hun belangen te verdedigen.
Op verzoek van de belanghebbenden verlenen de partijen hen de mogelijkheid te worden gehoord, zodat zij gedurende het onderzoek naar de antidumping- of compenserende maatregelen hun standpunt naar voren kunnen brengen. Dit heeft geen onnodige vertraging van het onderzoek tot gevolg.
Artikel 94. Algemeen belang
Een partij kan ervoor kiezen geen antidumping- of compenserende maatregelen toe te passen indien op basis van de gedurende het onderzoek verstrekte informatie duidelijk kan worden geconcludeerd dat het niet in het algemeen belang is dergelijke maatregelen toe te passen.
Artikel 95. Regel van het laagste recht
Indien een partij besluit om een antidumping- of compenserend recht in te stellen, overschrijdt het bedrag van dit recht niet de dumping- of subsidiemarge, maar is het wenselijk dat dit recht lager is dan die marge wanneer door een lager recht de schade voor de interne industrie kan worden opgeheven.
Artikel 96. Oorzakelijk verband
Om antidumping- of compenserende maatregelen op te leggen dienen de onderzoekende autoriteiten overeenkomstig de bepalingen van artikel 3, lid 5, van de Antidumpingovereenkomst en de bepalingen van artikel 15, lid 5, van de SCM-Overeenkomst, als onderdeel van het aantonen van een oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schade voor de interne industrie, de schadelijke gevolgen van alle bekende factoren te scheiden en te onderscheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping of subsidies.
Artikel 97. Cumulatieve beoordeling
Indien invoer uit meer dan één land gelijktijdig onderwerp is van antidumping- of antisubsidieonderzoeken, gaat de onderzoekende autoriteit van de EU-partij bijzonder zorgvuldig na of het in het licht van de concurrentievoorwaarden tussen de ingevoerde producten en van de concurrentievoorwaarden tussen de ingevoerde producten en het soortgelijke interne product, passend is de gevolgen van de invoer uit een republiek van de MA-partij cumulatief te beoordelen.
Artikel 98. Uitsluiting van procedures voor geschillenbeslechting
De partijen doen geen beroep op geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst voor kwesties die in het kader van deze afdeling ontstaan.
AFDELING B. VRIJWARINGSMAATREGELEN
ONDERAFDELING B.1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 99. Administratie van vrijwaringsprocedures
Elke partij zorgt voor de consistente, onpartijdige en redelijke administratie van haar wet- en regelgeving, besluiten en uitspraken inzake de procedures voor de toepassing van vrijwaringsmaatregelen.
Elke partij vertrouwt de vaststellingen van ernstige schade, of de dreiging daarvan, in het kader van vrijwaringsprocedures op grond van deze afdeling toe aan een bevoegde onderzoekende autoriteit. Deze vaststellingen worden onderworpen aan een beoordeling door gerechtelijke of administratieve instanties, voor zover de interne wetgeving daarin voorziet.
Elke partij stelt rechtvaardige, tijdige, transparante en effectieve handelwijzen voor vrijwaringsprocedures op grond van deze afdeling vast, of handhaaft deze.
Artikel 100. Niet-cumulatie
Geen van beide partijen mag met betrekking tot hetzelfde product tegelijkertijd:
- a. een bilaterale vrijwaringsmaatregel overeenkomstig onderafdeling B.3 (Bilaterale vrijwaringsmaatregelen) van dit hoofdstuk toepassen; en
- b. een maatregel op grond van artikel XIX van de GATT 1994, de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen (hierna de „Vrijwaringsovereenkomst” genoemd) of van artikel 5 van de Landbouwovereenkomst toepassen.
ONDERAFDELING B.2. MULTILATERALE VRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 101. Algemene bepalingen
De partijen behouden hun rechten en verplichtingen op grond van artikel XIX van de GATT 1994, de Vrijwaringsovereenkomst, artikel 5 van de Landbouwovereenkomst en de Overeenkomst inzake oorsprongsregels.
Artikel 102. Transparantie
Niettegenstaande artikel 101 doet de partij die een onderzoek instelt of voornemens is vrijwaringsmaatregelen te nemen, op verzoek van de andere partij onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennisgeving van alle relevante informatie, inclusief, voor zover van toepassing, over de opening van een vrijwaringsonderzoek, de voorlopige en de definitieve bevindingen van het onderzoek.
Artikel 103. Uitsluiting van procedures voor geschillenbeslechting
De partijen doen geen beroep op geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst voor bepalingen betreffende WTO-rechten en -verplichtingen die in het kader van deze afdeling ontstaan.
ONDERAFDELING B.3. BILATERALE VRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 104. Toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregelen
Indien, niettegenstaande onderafdeling B.2 (Multilaterale vrijwaringsmaatregelen), als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht op grond van deze overeenkomst, een product van oorsprong uit een partij wordt ingevoerd in het grondgebied van de andere partij in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige voorwaarden dat interne producenten die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigen, ernstige schade lijden of dreigen te lijden, kan de invoerende partij in overeenstemming met de in deze onderafdeling vervatte voorwaarden en procedures passende maatregelen vaststellen.
Indien aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan, mogen de vrijwaringsmaatregelen van de invoerende partij slechts een van de volgende zijn:
- a. schorsing van de verdere verlaging van het douanerecht op het betrokken product, zoals bepaald in deze overeenkomst; of
- b. verhoging van het douanerecht op het betrokken product tot een niveau dat niet hoger ligt dan het laagste van de volgende rechten:
- i. het meestbegunstigingsrecht op het product dat van kracht is op het tijdstip waarop de maatregel wordt getroffen; of
- ii. het meestbegunstigingsrecht op het product dat van kracht is op de dag die direct voorafgaat aan de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt.
In het geval van producten die reeds voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst volledig geliberaliseerd waren naar aanleiding van tariefpreferenties die voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst waren toegekend, gaat de EU-partij bijzonder zorgvuldig na of de toegenomen invoer het gevolg is van de verlaging of afschaffing van douanerechten ingevolge deze overeenkomst.
Geen van voornoemde maatregelen wordt toegepast binnen de grenzen van de bij deze overeenkomst toegekende preferentiële rechtenvrije tariefcontingenten.
Artikel 105. Voorwaarden en beperkingen
Een bilaterale vrijwaringsmaatregel mag niet worden toegepast:
- a. behalve voor zover en zo lang hij noodzakelijk is om de in artikel 104 of 109 beschreven situatie te voorkomen of te herstellen;
- b. gedurende een periode van meer dan twee jaar, al kan deze periode met nog eens twee jaar worden verlengd indien de bevoegde autoriteiten van de invoerende partij overeenkomstig de in deze onderafdeling gespecificeerde procedures vaststellen dat de maatregel noodzakelijk blijft om de in artikel 104 of 109 beschreven situaties te voorkomen of te herstellen, waarbij de totale toepassingsperiode van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de initiële toepassingsperiode en elke verlenging daarvan, niet langer mag zijn dan vier jaar; of
- c. na afloop van de overgangsperiode, behalve met instemming van de andere partij, waarbij „overgangsperiode” staat voor een periode van tien jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. In het geval van een goed waarvoor op grond van de lijst in bijlage I (Afschaffing van douanerechten) van de partij die de maatregel toepast, wordt voorzien in een afschaffing van het tarief gedurende tien jaar of meer, staat overgangsperiode voor de periode van afschaffing van het tarief die voor dat goed in de lijst staat vermeld, aangevuld met drie jaar.
Wanneer een partij een bilaterale vrijwaringsmaatregel niet langer toepast, is het douanerecht het tarief dat overeenkomstig de lijst van die partij voor dat goed van kracht zou zijn geweest.
Artikel 106. Voorlopige maatregelen
In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, mag een partij, zonder te hoeven voldoen aan de vereisten van artikel 116, lid 1, van dit hoofdstuk, een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen nadat voorlopig is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn voor een toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de andere partij als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, en dat dergelijke invoer de in artikel 104 of 109 beschreven situaties veroorzaakt of dreigt te veroorzaken. De duur van een dergelijke voorlopige maatregel mag niet langer zijn dan tweehonderd dagen en de partij dient gedurende die tijd te voldoen aan de relevante procedurele voorschriften, zoals vastgelegd in onderafdeling B.4 (Procedurele voorschriften van toepassing op bilaterale vrijwaringsmaatregelen). De partij betaalt alle tariefverhogingen onverwijld terug indien het in onderafdeling B.4 omschreven onderzoek niet uitwijst dat de voorwaarden van artikel 104 zijn vervuld. De duur van een voorlopige maatregel wordt gerekend als een deel van de in artikel 105, lid 1, onder b), beschreven periode. Indien de betrokken invoerende partij dergelijke voorlopige maatregelen neemt, stelt zij de andere betrokken partij daarvan in kennis en verwijst zij, op verzoek van de andere partij, de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek naar het Associatiecomité.
Artikel 107. Compensatie en schorsing van concessies
Een partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast, treedt in overleg met de partij wier producten onder de maatregel vallen, teneinde overeenstemming te bereiken over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel die de vorm heeft van concessies met in wezen gelijkwaardige gevolgen voor de handel. De partij biedt uiterlijk dertig dagen na de toepassing van de bilaterale vrijwaringsmaatregel gelegenheid voor dergelijk overleg.
Indien het overleg als bedoeld in lid 1 niet binnen dertig dagen leidt tot overeenstemming over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel, mag de partij wier producten onder de vrijwaringsmaatregel vallen, de toepassing schorsen van in wezen gelijkwaardige handelsconcessies aan de partij die de vrijwaringsmaatregel toepast.
Artikel 108. Tijdsduur tussen twee maatregelen
Ten aanzien van de invoer van een product waarop al eerder een vrijwaringsmaatregel van toepassing was, mag voordat een periode is verstreken die gelijk is aan de helft van de duur van de direct daaraan voorafgaande periode waarin de vrijwaringsmaatregel werd toegepast, niet opnieuw een vrijwaringsmaatregel als bedoeld in deze onderafdeling worden toegepast.
Artikel 109. Ultraperifere regio’s
Wanneer een product van oorsprong uit een of meer republieken van de MA-partij in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd in het grondgebied van een of meer ultraperifere regio’s van de EU-partij, dat hierdoor een verslechtering van de economische situatie van de betrokken ultraperifere regio(’s) van de EU-partij ontstaat of dreigt te ontstaan, mag de EU-partij, na eerst alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, bij uitzondering vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt blijven tot het grondgebied van de betrokken regio(’s).
Onverminderd de bepalingen van lid 1, zijn andere regels die in deze onderafdeling met betrekking tot bilaterale vrijwaringsmaatregelen zijn vastgesteld, eveneens van toepassing op alle vrijwaringsmaatregelen die op grond van dit artikel worden genomen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)