Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht

Type Verdrag
Publication 2023-06-26
State In force
Source BWB
artikelen 127
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De overeenkomstsluitende lidstaten,

Overwegende dat samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie op het gebied van octrooien aanzienlijk bijdraagt aan het integratieproces in Europa, in het bijzonder door de totstandbrenging van een interne markt binnen de Europese Unie, die wordt gekenmerkt door het vrije verkeer van goederen en diensten, en de instelling van een systeem dat waarborgt dat de concurrentie op de interne markt niet wordt verstoord;

Overwegende dat de gefragmenteerde markt voor octrooien en de aanzienlijke verschillen tussen de nationale rechtspraaksystemen nadelig zijn voor innovatie, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, die moeilijkheden ondervinden hun octrooirechten te handhaven en zich te verdedigen tegen ongegronde vorderingen en vorderingen betreffende octrooien die nietig verklaard zouden moeten worden;

Overwegende dat het Europees Octrooiverdrag (hierna genoemd „EOV”), dat door alle lidstaten van de Europese Unie is bekrachtigd, in één enkele procedure voor het verlenen van Europese octrooien door het Europees Octrooibureau voorziet;

Overwegende dat octrooihouders krachtens Verordening (EU) nr. 1257/20121)Verordening (EU) Nr. 1257/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2012 tot het uitvoering geven aan nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming (PbEU L 361 van 31 december 2012, blz. 1), met inbegrip van latere wijzigingen. voor hun Europese octrooien kunnen verzoeken om eenheidswerking teneinde eenheidsoctrooibescherming te verkrijgen in de lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de nauwere samenwerking;

Geleid door de wens de handhaving van octrooien en het verweer tegen ongegronde vorderingen en octrooien die nietig verklaard zouden moeten worden te verbeteren en de rechtszekerheid te vergroten door het instellen van een eengemaakt octrooigerecht voor geschillen over inbreuken op en de geldigheid van octrooien;

Overwegende dat het Eengemaakt Octrooigerecht zodanig dient te worden opgezet dat het zeer snel deugdelijke beslissingen kan geven, waarbij de belangen van rechthebbenden en andere partijen zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen en rekening wordt gehouden met de vereiste proportionaliteit en flexibiliteit;

Overwegende dat het Eengemaakt Octrooigerecht een gerecht gemeenschappelijk aan alle overeenkomstsluitende lidstaten dient te zijn en zo onderdeel dient te worden van hun rechtssysteem, met uitsluitende bevoegdheid met betrekking tot Europese octrooien met eenheidswerking alsmede Europese octrooien die zijn verleend overeenkomstig de bepalingen van het EOV;

Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de eenheid van de rechtsorde van de Unie en het primaat van het recht van de Unie dient te waarborgen;

Herinnerend aan de verplichtingen die krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de overeenkomstsluitende lidstaten rusten, zoals de verplichting loyaal samen te werken als vervat in artikel 4, derde lid, VEU en de verplichting om via het Eengemaakt Octrooigerecht zorg te dragen voor de algehele uitvoering en eerbiediging van het recht van de Unie op hun onderscheiden grondgebieden en de rechtsbescherming van de in het recht van de Unie neergelegde individuele rechten;

Overwegende dat het Eengemaakt Octrooigerecht, zoals elk nationaal gerecht, het recht van de Unie dient te eerbiedigen en toe te passen en, in samenwerking met het Hof van Justitie van de Europese Unie als bewaker van het recht van de Unie, de correcte toepassing en uniforme uitlegging ervan dient te waarborgen; in het bijzonder dient het Eengemaakt Octrooigerecht met het Hof van Justitie van de Europese Unie samen te werken door het recht van de Unie correct uit te leggen door te steunen op de jurisprudentie van het Hof en overeenkomstig artikel 267 VWEU te verzoeken om prejudiciële beslissingen;

Overwegende dat de overeenkomstsluitende lidstaten, conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, aansprakelijk dienen te zijn voor schade ten gevolge van schendingen van het recht van de Unie door het Eengemaakt Octrooigerecht, met inbegrip van het verzuim het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken om prejudiciële beslissingen;

Overwegende dat schendingen van het recht van de Unie door het Eengemaakt Octrooigerecht, met inbegrip van het verzuim het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing te verzoeken, rechtstreeks worden toegerekend aan de overeenkomstsluitende lidstaten, waartegen op grond van de artikelen 258, 259 en 260 VWEU bijgevolg tegen elke overeenkomstsluitende lidstaat een inbreukprocedure kan worden ingesteld, teneinde het primaat van het recht van de Unie en de correcte toepassing ervan te waarborgen;

Herinnerend aan het primaat van het recht van de Unie, met inbegrip van het VEU, het VWEU, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de algemene beginselen van het recht van de Unie zoals ontwikkeld door het Hof van Justitie van de Europese Unie en in het bijzonder het recht op een doeltreffend rechtsmiddel en op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het secundaire recht van de Unie;

Overwegende dat elke lidstaat van de Europese Unie tot deze overeenkomst dient te kunnen toetreden. Lidstaten die hebben besloten niet deel te nemen aan de nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming mogen aan deze overeenkomst deelnemen met betrekking tot Europese octrooien die voor hun onderscheiden grondgebied zijn verleend;

Overwegende dat deze overeenkomst op 1 januari 2014 in werking dient te treden of op de eerste dag van de vierde maand na de dertiende nederlegging, mits de drie staten met het grootste aantal geldende Europese octrooien in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de overeenkomst wordt ondertekend tot de overeenkomstsluitende lidstaten behoren die hun akte van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd, of op de eerste dag van de vierde maand na de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen in Verordening (EU) nr. 1215/20122)Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEU L 351 van 20 december 2012, blz. 1), met inbegrip van latere wijzigingen. inzake de verhouding van de verordening tot deze overeenkomst, al naar gelang welke datum het laatst valt;

Zijn het volgende overeengekomen:

DEEL I. ALGEMENE EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Eengemaakt Octrooigerecht

Bij deze overeenkomst wordt een eengemaakt octrooigerecht voor de beslechting van geschillen over Europese octrooien en Europese octrooien met eenheidswerking ingesteld.

Het Eengemaakt Octrooigerecht is een gerecht gemeenschappelijk aan de overeenkomstsluitende lidstaten en is derhalve aan dezelfde verplichtingen uit hoofde van het recht van de Unie onderworpen als elk nationaal gerecht van de overeenkomstsluitende lidstaten.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

  • a. „Gerecht”: het Eengemaakt Octrooigerecht dat bij deze overeenkomst wordt ingesteld;
  • b. „lidstaat”: een lidstaat van de Europese Unie;
  • c. „overeenkomstsluitende lidstaat”: een lidstaat die partij is bij deze overeenkomst;
  • e. „Europees octrooi”: een octrooi verleend overeenkomstig de bepalingen van het EOV dat geen eenheidswerking geniet krachtens Verordening (EU) nr. 1257/2012;
  • f. „Europees octrooi met eenheidswerking”: een octrooi verleend overeenkomstig de bepalingen van het EOV dat krachtens Verordening (EU) nr. 1257/2012 eenheidswerking geniet;
  • g. „octrooi”: een Europees octrooi en/of een Europees octrooi met eenheidswerking;
  • h. „aanvullend beschermingscertificaat”: een aanvullend beschermingscertificaat verleend op grond van Verordening (EG) nr. 469/20093)Verordening (EG) Nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PbEU L 152, 16 juni 2009, blz. 1), met inbegrip van latere wijzigingen. of van Verordening (EG) nr. 1610/964)Verordening (EG) Nr. 1610/96 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen, (PbEG L 198 van 8 augustus 1996, blz. 30), met inbegrip van latere wijzigingen.;
  • i. „statuut”: het in bijlage I vervatte statuut van het Octrooigerecht, dat een integraal onderdeel van deze overeenkomst vormt;
  • j. „procesreglement”: het procesreglement van het Gerecht, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 41.

Artikel 3. Toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing op:

  • a. elk Europees octrooi met eenheidswerking;
  • b. elk aanvullend beschermingscertificaat dat is verleend voor een door een octrooi beschermd product;
  • c. elk Europees octrooi dat nog niet is vervallen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst of dat na die datum is verleend, onverminderd artikel 83; en
  • d. elke Europese octrooiaanvraag die op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst nog in behandeling is of na die datum is ingediend, onverminderd artikel 83.

Artikel 4. Rechtspositie

1.

In elke overeenkomstsluitende lidstaat bezit het Gerecht rechtspersoonlijkheid en de ruimste handelingsbevoegdheid die bij de wetgeving van die staat aan rechtspersonen wordt toegekend.

2.

Het Gerecht wordt vertegenwoordigd door de president van het Hof van Beroep, die overeenkomstig het statuut wordt gekozen.

Artikel 5. Aansprakelijkheid

1.

De contractuele aansprakelijkheid van het Gerecht wordt beheerst door het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 593/20085)Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PbEU L 177 van 4 juli 2008, blz. 6), met inbegrip van latere wijzigingen. (Rome I) op het contract toepasselijke recht, indien van toepassing, of anders overeenkomstig het recht van de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt.

2.

De niet-contractuele aansprakelijkheid van het Gerecht voor schade veroorzaakt door het Gerecht of door het personeel bij de uitvoering van zijn taken, voor zover het geen burgerlijke- of handelsrechtelijke aangelegenheid in de zin van Verordening (EG) nr. 864/20076)Verordening (EG) Nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PbEU L 199 van 31 juli 2007, blz. 40), met inbegrip van latere wijzigingen. (Rome II) betreft, wordt beheerst door het recht van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de schade zich voordoet. Deze bepaling laat de toepassing van artikel 22 onverlet.

3.

De bevoegdheid te beslissen over de in het tweede lid bedoelde geschillen ligt bij een rechterlijke instantie van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de schade zich heeft voorgedaan.

HOOFDSTUK II. INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 6. Het Gerecht

1.

Het Gerecht bestaat uit een Gerecht van Eerste Aanleg, een Hof van Beroep en een Griffie.

2.

Het Gerecht vervult de hem bij deze overeenkomst toegekende taken.

Artikel 7. Het Gerecht van Eerste Aanleg

1.

Het Gerecht van Eerste Aanleg bestaat uit een centrale divisie alsmede uit lokale en regionale divisies.

2.

De centrale afdeling zetelt in Parijs en heeft afdelingen in Milaan en München. De zaken voor de centrale afdeling worden verdeeld overeenkomstig bijlage II, die integraal onderdeel is van deze overeenkomst.

3.

Overeenkomstig het statuut wordt op verzoek van een overeenkomstsluitende lidstaat op zijn grondgebied een lokale divisie opgericht. Een overeenkomstsluitende lidstaat waar een lokale divisie wordt gevestigd, wijst de zetel van die divisie aan.

4.

Op verzoek van een overeenkomstsluitende lidstaat wordt op zijn grondgebied een extra lokale divisie opgericht voor elke honderd octrooizaken die in die overeenkomstsluitende staat zijn ingesteld gedurende drie opeenvolgende kalenderjaren voor of na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Het aantal lokale divisies in een overeenkomstsluitende lidstaat zal niet meer bedragen dan vier.

5.

Overeenkomstig het statuut wordt voor twee of meer overeenkomstsluitende lidstaten op hun verzoek een regionale divisie opgericht. Deze overeenkomstsluitende lidstaten wijzen de zetel van de desbetreffende regionale divisie aan. De regionale divisie kan op meerdere locaties zaken behandelen.

Artikel 8. Samenstelling van de panels van het Gerecht van Eerste Aanleg

1.

Elk panel van het Gerecht van Eerste Aanleg heeft een multinationale samenstelling. Onverminderd het vijfde lid van dit artikel en artikel 33, derde lid, onder a), bestaat zij uit drie rechters.

2.

Elk panel van een lokale divisie in een overeenkomstsluitende lidstaat waar gedurende een periode van drie opeenvolgende jaren voor of na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst gemiddeld minder dan vijftig octrooizaken per kalenderjaar zijn ingesteld, bestaat uit één juridisch geschoolde rechter die onderdaan is van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de desbetreffende lokale divisie gevestigd is, en twee juridisch geschoolde rechters die geen onderdaan zijn van die overeenkomstsluitende lidstaat en die overeenkomstig artikel 18, derde lid, per zaak uit de pool van rechters worden toegewezen.

3.

Onverminderd het tweede lid, bestaat elk panel van een lokale divisie in een overeenkomstsluitende lidstaat waar gedurende een periode van drie opeenvolgende jaren voor of na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst gemiddeld vijftig of meer octrooizaken per kalenderjaar zijn ingesteld, uit twee juridisch geschoolde rechters die onderdaan zijn van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de desbetreffende lokale divisie gevestigd is, en één juridisch geschoolde rechter die geen onderdaan is van die overeenkomstsluitende lidstaat en die overeenkomstig artikel 18, derde lid, uit de pool van rechters wordt toegewezen. Deze derde rechter blijft langdurig aan de lokale divisie verbonden, indien dat noodzakelijk is voor het efficiënt functioneren van divisies met een hoge werklast.

4.

Elk panel van een regionale divisie bestaat uit twee juridisch geschoolde rechters die worden gekozen uit een regionale lijst van rechters en die onderdaan zijn van de betrokken overeenkomstsluitende lidstaten, en één juridisch geschoolde rechter die geen onderdaan van een van die lidstaten is en die overeenkomstig artikel 18, derde lid uit de pool van rechters wordt toegewezen.

5.

Op verzoek van een van de partijen verzoekt een panel van een lokale of regionale divisie de president van het Gerecht van Eerste Aanleg overeenkomstig artikel 18, derde lid, uit de pool van rechters een additionele technisch geschoolde rechter met kwalificaties en ervaring op het desbetreffende gebied van de technologie toe te wijzen. Voorts kan een panel van een lokale of regionale divisie, na de partijen te hebben gehoord, een dergelijk verzoek ambtshalve doen indien het panel dit aangewezen acht.

In geval van toewijzing van een dergelijke technisch geschoolde rechter mag niet nog een technisch geschoolde rechter op grond van artikel 33, derde lid, onder a), worden toegewezen.

6.

Elk panel van de centrale divisie bestaat uit twee juridisch geschoolde rechters die onderdaan zijn van verschillende overeenkomstsluitende lidstaten, en één technisch geschoolde rechter die overeenkomstig artikel 18, derde lid uit de pool van rechters wordt toegewezen en kwalificaties en ervaring op het desbetreffende gebied van de technologie bezit. Elk panel van de centrale divisie die vorderingen in de zin van artikel 32, eerste lid, onder i), behandelt, bestaat echter uit drie juridisch geschoolde rechters die onderdaan zijn van verschillende overeenkomstsluitende lidstaten.

7.

Onverminderd het eerste tot en met zesde lid kunnen de partijen, overeenkomstig het procesreglement, overeenkomen dat hun zaak door één juridisch geschoolde rechter wordt behandeld.

8.

Elk panel van het Gerecht van Eerste Aanleg wordt voorgezeten door een juridisch geschoolde rechter.

Artikel 9. Het Hof van Beroep

1.

Elk panel van het Hof van Beroep heeft een multinationale samenstelling en bestaat uit vijf rechters. Het panel telt drie juridisch geschoolde rechters die onderdaan zijn van verschillende overeenkomstsluitende lidstaten en twee technisch geschoolde rechters met kwalificaties en ervaring op het desbetreffende gebied van de technologie. Die technisch geschoolde rechters worden overeenkomstig artikel 18 door de president van het Hof van Beroep uit de pool van rechters aan het panel toegewezen.

2.

Onverminderd het eerste lid bestaat elk panel die vorderingen in de zin van artikel 32, eerste lid, onder i), behandelt, uit drie juridisch geschoolde rechters die onderdaan zijn van verschillende overeenkomstsluitende lidstaten.

3.

Elk panel van het Hof van Beroep wordt voorgezeten door een juridisch geschoolde rechter.

4.

De panels van het Hof van Beroep worden ingesteld overeenkomstig het statuut.

5.

Het Hof van Beroep heeft zijn zetel in Luxemburg.

Artikel 10. De Griffie

1.

Bij de zetel van het Hof van Beroep wordt een Griffie ingesteld. De Griffie staat onder leiding van de griffier en vervult de haar overeenkomstig het statuut toegewezen taken. Het door de Griffie bijgehouden register is voor het publiek toegankelijk onder de voorwaarden vervat in deze overeenkomst en het procesreglement.

2.

Bij elke divisie van het Gerecht van Eerste Aanleg wordt een subgriffie ingesteld.

3.

De Griffie houdt een register bij van alle zaken voor het Gerecht. Na het indienen zal elke zaak door de desbetreffende subgriffie ter kennis worden gebracht aan de Griffie.

4.

Het Gerecht benoemt overeenkomstig artikel 22 van het statuut de griffier en stelt de voorschriften voor zijn ambtsuitoefening vast.

Artikel 11. Comités

Teneinde toe te zien op de feitelijke invoering en toepassing van deze overeenkomst worden een Bestuurscomité, een Begrotingscomité en een Raadgevend Comité ingesteld. Zij verrichten met name de in deze overeenkomst en het statuut voorziene taken.

Artikel 12. Het Bestuurscomité

1.

Het Bestuurscomité bestaat uit één vertegenwoordiger van elke overeenkomstsluitende lidstaat. De Europese Commissie wordt tijdens de vergaderingen van het Bestuurscomité als waarnemer vertegenwoordigd.

2.

Elke overeenkomstsluitende lidstaat heeft één stem.

3.

Het Bestuurscomité besluit bij meerderheid van drie vierde van de vertegenwoordigde en hun stem uitbrengende overeenkomstsluitende lidstaten, tenzij in deze overeenkomst of het statuut anders is bepaald.

4.

Het Bestuurscomité stelt zijn reglement van orde vast.

5.

Het Bestuurscomité kiest uit zijn midden de voorzitter voor een termijn van drie jaar. Deze termijn kan worden verlengd.

Artikel 13. Het Begrotingscomité

1.

Het Begrotingscomité bestaat uit één vertegenwoordiger van elke overeenkomstsluitende lidstaat.

2.

Elke overeenkomstsluitende lidstaat heeft één stem.

3.

Het Begrotingscomité besluit bij gewone meerderheid van de vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende lidstaten. De begroting wordt evenwel vastgesteld bij een meerderheid van drie vierde van de vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende lidstaten.

4.

Het Begrotingscomité stelt zijn reglement van orde vast.

5.

Het Begrotingscomité kiest uit zijn midden de voorzitter voor een termijn van drie jaar. Deze termijn kan worden verlengd.

Artikel 14. Het Raadgevend Comité

1.

Het Raadgevend Comité:

  • a. ondersteunt het Bestuurscomité bij de voorbereiding van de benoeming van rechters van het Gerecht;
2.

Het Raadgevend Comité bestaat uit octrooirechters en juristen die als uiterst kundig op het gebied van het octrooirecht en de beslechting van octrooigeschillen bekend staan. Zij worden overeenkomstig de in het statuut neergelegde procedure voor een termijn van zes jaar benoemd. Deze termijn kan worden verlengd.

3.

De samenstelling van het Raadgevend Comité dient een breed spectrum aan relevante deskundigheid en de vertegenwoordiging van elk van de overeenkomstsluitende lidstaten te waarborgen. De leden van het Raadgevend Comité verrichten hun taken geheel onafhankelijk en zijn niet gebonden aan aanwijzingen.

4.

Het Raadgevend Comité stelt zijn reglement van orde vast.

5.

Het Raadgevend Comité kiest uit zijn midden de voorzitter voor een termijn van drie jaar. Deze termijn kan worden verlengd.

HOOFDSTUK III. RECHTERS VAN HET GERECHT

Artikel 15. Selectiecriteria voor de benoeming van rechters

1.

Het Gerecht bestaat uit zowel juridisch als technisch geschoolde rechters. De rechters moeten aan de hoogste bekwaamheidsnormen voldoen en beschikken over bewezen ervaring op het gebied van de beslechting van octrooigeschillen.

2.

De juridisch geschoolde rechters beschikken over de vereiste kwalificaties om benoemd te worden in een rechterlijk ambt in een overeenkomstsluitende lidstaat.

3.

De technisch geschoolde rechters bezitten een universitaire graad en beschikken over bewezen deskundigheid op een bepaald gebied van de technologie. Zij hebben tevens aantoonbare kennis van het voor octrooigeschillen relevante burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht.

Artikel 16. Benoemingsprocedure

1.

Het Raadgevend Comité stelt een lijst op van de kandidaten die het meest geschikt zijn om overeenkomstig het statuut tot rechter van het Gerecht te worden benoemd.

2.

Op basis van deze lijst benoemt het Bestuurscomité in onderlinge overeenstemming de rechters van het Gerecht.

3.

De uitvoeringsbepalingen voor de benoeming van de rechters zijn vervat in het statuut.

Artikel 17. Rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid

1.

Het Gerecht, zijn zittende rechters en de griffier genieten rechterlijke onafhankelijkheid. Bij de uitoefening van hun taken zijn zij aan geen enkele aanwijzing gebonden.

2.

Juridisch geschoolde en technisch geschoolde rechters die voltijd rechter zijn bij het Gerecht mogen geen andere, al dan niet bezoldigde werkzaamheden verrichten, tenzij het Bestuurscomité een uitzondering heeft toegestaan.

3.

Onverminderd het tweede lid sluit de uitoefening van het ambt van rechter de uitoefening van andere rechterlijke functies op nationaal niveau niet uit.

4.

De uitoefening van het ambt van technisch geschoolde rechter in deeltijd sluit de uitoefening van andere functies niet uit, mits er geen belangenconflict bestaat.

5.

In geval van een belangenconflict neemt de betrokken rechter niet deel aan de procedure. De regels inzake belangenconflicten zijn vervat in het statuut.

Artikel 18. Pool van rechters

1.

Overeenkomstig het statuut wordt een pool van rechters gevormd.

2.

De pool van rechters bestaat uit alle juridisch geschoolde rechters en technisch geschoolde rechters van het Gerecht van Eerste Aanleg die in voltijd of deeltijd rechter bij het Gerecht zijn. De pool van rechters bevat per gebied van de technologie ten minste één technisch geschoolde rechter met relevante kwalificaties en ervaring. De technisch geschoolde rechters uit de pool van rechters staan ook ter beschikking van het Hof van Beroep.

3.

In de gevallen waarin zulks in deze overeenkomst of het statuut is bepaald, worden de rechters door de president van het Gerecht van Eerste Aanleg uit de pool van rechters aan de desbetreffende divisie toegewezen. De toewijzing van rechters geschiedt op basis van hun juridische of technische deskundigheid, talenkennis en relevante ervaring. De toewijzing van rechters garandeert dat in alle panels van het Gerecht van Eerste Aanleg dezelfde hoge kwaliteit van werken en hetzelfde hoge niveau van juridische en technische deskundigheid bestaat.

Artikel 19. Opleidingsprogramma

1.

Een opleidingsprogramma voor rechters, waarvan de nadere gegevens zijn vervat in het statuut, wordt opgezet opdat de beschikbare deskundigheid op het gebied van octrooigeschillen wordt verbeterd en uitgebreid, en deze specifieke kennis en ervaring over een groot geografisch gebied worden verspreid. De voor het programma benodigde voorzieningen bevinden zich in Boedapest.

2.

Het opleidingsprogramma omvat in het bijzonder:

  • a. stages bij nationale octrooigerechten of divisies van het Gerecht van Eerste Aanleg waarin een aanzienlijk aantal octrooigeschillen wordt behandeld;
  • b. verbetering van de talenkennis;
  • c. technische aspecten van het octrooirecht;
  • d. verspreiding van kennis en ervaring op het gebied van burgerlijke rechtsvordering ten behoeve van technisch geschoolde rechters;
  • e. voorbereiding van kandidaat-rechters.
3.

Het opleidingsprogramma zal voorzien in permanente opleiding. Regelmatig worden bijeenkomsten voor alle rechters van het Gerecht georganiseerd teneinde ontwikkelingen in het octrooirecht te bespreken en de consistentie in de jurisprudentie van het Gerecht te waarborgen.

HOOFDSTUK IV. HET PRIMAAT VAN HET RECHT VAN DE UNIE, AANSPRAKELIJKHEID EN VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE LIDSTATEN

Artikel 20. Het primaat van het recht van de Unie en de eerbiediging ervan

Het Gerecht past het recht van de Unie in volle omvang toe en eerbiedigt het primaat ervan.

Artikel 21. Verzoeken om prejudiciële beslissingen

Als gerecht gemeenschappelijk aan alle overeenkomstsluitende lidstaten en als onderdeel van hun rechtssysteem, werkt het Gerecht, zoals ieder nationaal gerecht, samen met het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het bijzonder overeenkomstig artikel 267 VWEU, om de correcte toepassing en uniforme uitlegging van het recht van de Unie te verzekeren. De beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn bindend voor het Gerecht.

Artikel 22. Aansprakelijkheid voor schade als gevolg van inbreuken op het recht van de Unie

1.

De overeenkomstsluitende lidstaten zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor schade die door een inbreuk op het recht van de Unie door het Hof van Beroep is ontstaan, overeenkomstig het recht van de Unie inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid van de lidstaten voor schade veroorzaakt door hun nationale gerechten die het recht van de Unie schenden.

2.

Een vordering tot schadevergoeding tegen de overeenkomstsluitende lidstaat waar de eiser zijn woonplaats of zijn hoofdvestiging of, bij gebreke daarvan, zijn vestiging heeft, wordt ingesteld bij de bevoegde instantie van die overeenkomstsluitende lidstaat. Indien de eiser geen woonplaats of hoofdvestiging noch, bij gebreke daarvan, een vestiging heeft in een overeenkomstsluitende lidstaat, kan de vordering tegen de overeenkomstsluitende lidstaat waar het Hof van Beroep zetelt, worden ingesteld bij de bevoegde instantie van die overeenkomstsluitende lidstaat.

De bevoegde instantie past de lex fori, met uitzondering van het internationaal privaatrecht, toe op alle vragen die niet door het recht van de Unie of deze overeenkomst worden geregeld. De eiser heeft recht op het volledige bedrag aan schadevergoeding dat is toegekend door de bevoegde autoriteit van de overeenkomstsluitende lidstaat waartegen de vordering was ingesteld.

3.

De overeenkomstsluitende lidstaat die schadevergoeding heeft betaald, kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 37, derde en vierde lid, aanspraak maken op een evenredige bijdrage van de andere overeenkomstsluitende lidstaten. Het Bestuurscomité stelt nadere regels vast voor de bijdragen van de overeenkomstsluitende lidstaten uit hoofde van dit lid.

Artikel 23. Verantwoordelijkheid van de overeenkomstsluitende lidstaten

De handelingen van het Gerecht worden rechtstreeks toegerekend aan elk van de overeenkomstsluitende lidstaten afzonderlijk, ook voor de toepassing van de artikelen 258, 259 en 260 VWEU, alsmede aan alle overeenkomstsluitende lidstaten gezamenlijk.

HOOFDSTUK V. RECHTSBRONNEN EN MATERIEEL RECHT

Artikel 24. Rechtsbronnen

1.

Geheel in overeenstemming met artikel 20 baseert het Gerecht zijn beslissingen in zaken die uit hoofde van deze overeenkomst aanhangig zijn gemaakt op:

  • a. het recht van de Unie, met inbegrip van Verordening (EU) nr. 1257/2012 en Verordening (EU) nr. 1260/20127)Verordening (EU) Nr. 1260/2012 van de Raad tot het aangaan van nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming met betrekking tot de toepasselijke vertaalregelingen (PbEU L 361 van 31 december 2012, blz. 89), met inbegrip van latere wijzigingen.;
  • b. deze overeenkomst;
  • c. het EOV;
  • d. andere internationale overeenkomsten die van toepassing zijn op octrooien en bindend zijn voor alle overeenkomstsluitende lidstaten; en
  • e. nationaal recht.
2.

Voor zover het Gerecht beslist op grond van nationaal recht met inbegrip van, in voorkomend geval, het recht van niet-overeenkomstsluitende staten, wordt het toepasselijke recht bepaald:

  • a. door de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van het recht van de Unie die regels van internationaal privaatrecht bevatten, of
  • b. bij gebreke van rechtstreeks toepasselijke bepalingen van recht van de Unie of, indien het recht van de Unie niet van toepassing is, door internationale regelgeving die bepalingen van internationaal privaatrecht bevat, of
  • c. bij gebreke van de onder a) en b) bedoelde bepalingen, door de door het Gerecht aangewezen nationale bepalingen van internationaal privaatrecht.
3.

Het recht van niet-overeenkomstsluitende staten is van toepassing indien het op grond van de in het tweede lid bedoelde regels is aangewezen, in het bijzonder met betrekking tot de artikelen 25 tot en met 28, 54, 55, 64, 68 en 72.

Artikel 25. Recht om de directe toepassing van de uitvinding te verhinderen

Een octrooi verleent de houder ervan het recht te verhinderen dat een derde zonder zijn toestemming:

  • a. een product dat onderwerp van het octrooi is, vervaardigt, aanbiedt, in het verkeer brengt of gebruikt, dan wel met dat doel invoert of in voorraad heeft;
  • b. een werkwijze die onderwerp van het octrooi is, toepast of, indien de derde weet of behoort te weten dat toepassing van de werkwijze zonder toestemming van de octrooihouder verboden is, voor toepassing op het grondgebied van de overeenkomstsluitende lidstaten waar het octrooi van kracht is, aanbiedt;
  • c. een product dat rechtstreeks is verkregen volgens de werkwijze die onderwerp van het octrooi is, aanbiedt, in het verkeer brengt of gebruikt, dan wel met dat doel invoert of in voorraad heeft.

Artikel 26. Recht om de indirecte toepassing van de uitvinding te verhinderen

1.

Een octrooi verleent de houder ervan het recht te verhinderen dat een derde zonder zijn toestemming, op het grondgebied van de overeenkomstsluitende lidstaten waar het octrooi van kracht is, aan een ander dan degene die gerechtigd is de geoctrooieerde uitvinding te gebruiken, middelen die een wezenlijk bestanddeel van die uitvinding betreffen, voor de toepassing van die uitvinding op dat grondgebied, aanbiedt of levert, indien de derde weet of behoort te weten dat deze middelen geschikt en bestemd zijn voor toepassing van die uitvinding.

2.

Het eerste lid geldt niet indien de middelen algemeen in de handel verkrijgbare producten zijn, tenzij de derde degene aan wie hij levert, aanzet tot het verrichten van een krachtens artikel 25 verboden handeling.

3.

Degene die de in artikel 27, onderdelen a tot en met e, bedoelde handelingen verricht, wordt niet geacht in de zin van het eerste lid gerechtigd te zijn de uitvinding te gebruiken.

Artikel 27. Beperkingen van de werking van een octrooi

De uit een octrooi voortvloeiende rechten zijn niet van toepassing op:

  • a. handelingen die in de particuliere sfeer voor niet-commerciële doeleinden worden verricht;
  • b. handelingen voor experimentele doeleinden die het onderwerp van de geoctrooieerde uitvinding betreffen;
  • c. het gebruik van biologisch materiaal voor het kweken, of ontdekken en ontwikkelen van andere plantenrassen;
  • d. de handelingen die zijn toegestaan op grond van artikel 13, zesde lid, van Richtlijn 2001/82/EG8)Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 311 van 28 november 2001, blz. 1), met inbegrip van latere wijzigingen. of artikel 10, zesde lid, van Richtlijn 2001/83/EG9)Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEG L 311 van 28 november 2001, blz. 67), met inbegrip van latere wijzigingen., met betrekking tot een octrooi voor het product in de zin van een van deze richtlijnen;
  • e. de bereiding van geneesmiddelen voor direct gebruik voor individuele gevallen op medisch voorschrift in apotheken, of handelingen betreffende de aldus bereide geneesmiddelen;
  • f. het gebruik van de geoctrooieerde uitvinding aan boord van schepen van landen die partij zijn bij de Internationale Unie tot bescherming van de industriële eigendom (Unie van Parijs) of lid zijn van de Wereldhandelsorganisatie, niet zijnde overeenkomstsluitende lidstaten waar het octrooi van kracht is, in het schip zelf, in de machines, het scheepswant, de tuigage en andere toebehoren, indien die schepen zich tijdelijk of bij toeval begeven in de wateren van een overeenkomstsluitende lidstaat waar het octrooi van kracht is, mits de uitvinding uitsluitend voor het schip gebruikt wordt;
  • g. het gebruik van de geoctrooieerde uitvinding in de constructie of werking van luchtvaartuigen of landvoertuigen of andere middelen van vervoer van landen die partij zijn bij de Internationale Unie tot bescherming van de industriële eigendom (Unie van Parijs) of lid zijn van de Wereldhandelsorganisatie, niet zijnde overeenkomstsluitende lidstaten waar het octrooi van kracht is, of van toebehoren van deze luchtvaartuigen of landvoertuigen, indien deze zich tijdelijk of bij toeval begeven op het grondgebied van een overeenkomstsluitende lidstaat waar het octrooi van kracht is;
  • h. de handelingen, bedoeld in artikel 27 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 194410)Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), „Verdrag van Chicago”, doc. 7300/9 (9e editie, 2006)., indien deze handelingen betrekking hebben op een luchtvaartuig van een land dat partij is bij dat verdrag, niet zijnde een overeenkomstsluitende lidstaat waar het octrooi van kracht is;
  • i. het gebruik door een landbouwer van de producten van zijn oogst voor de propagatie of vermeerdering door hemzelf op zijn eigen bedrijf, indien het plantaardig propagatiemateriaal door de octrooihouder of met zijn toestemming voor gebruik in de landbouw aan de landbouwer is verkocht of anderszins verhandeld. De reikwijdte en de voorwaarden voor dit gebruik zijn bepaald in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2100/9411)Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227 van 1 september 1994, blz. 1), met inbegrip van latere wijzigingen.;
  • j. het gebruik voor agrarische doeleinden, door een landbouwer, van vee dat onder octrooibescherming valt, indien het fokvee of ander dierlijk propagatiemateriaal door de octrooihouder of met zijn toestemming aan de landbouwer is verkocht of anderszins verhandeld. Dit gebruik omvat het beschikbaar stellen van het dier of ander dierlijk propagatiemateriaal voor zijn eigen gebruik in de landbouw, maar niet de verkoop in het kader van of met het oog op de commerciële fokkerij;
  • k. de handelingen en het gebruik van verkregen informatie, die zijn toegestaan op grond van de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 2009/24/EG12)Richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PbEU L 111 van 5 mei 2009, blz. 16), met inbegrip van latere wijzigingen., met name de bepalingen inzake decompilatie en interoperabiliteit; en
  • l. de handelingen die overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 98/44/EG13)Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen (PbEG L 213 van 30 juli 1998, blz. 13), met inbegrip van latere wijzigingen. zijn toegestaan.

Artikel 28. Recht van voorgebruik van de uitvinding

Een ieder die, indien voor een uitvinding een nationaal octrooi zou zijn verleend, in een overeenkomstsluitende lidstaat een recht van voorgebruik of een recht van persoonlijk bezit van die uitvinding zou hebben gehad, geniet in die overeenkomstsluitende lidstaat dezelfde rechten met betrekking tot een octrooi voor diezelfde uitvinding.

Artikel 29. Uitputting van de aan een Europees octrooi verbonden rechten

De aan een Europees octrooi verbonden rechten strekken zich niet uit tot handelingen, die een door dat octrooi beschermd product betreffen, nadat het product door de octrooihouder of met zijn toestemming in de Europese Unie in het verkeer is gebracht, tenzij de octrooihouder zich op legitieme gronden tegen verdere verkoop van het product kan verzetten.

Artikel 30. Werking van aanvullende beschermingscertificaten

Een aanvullend beschermingscertificaat verleent dezelfde rechten als het octrooi en is aan dezelfde beperkingen en verplichtingen onderworpen.

HOOFDSTUK VI. INTERNATIONALE RECHTSMACHT EN BEVOEGDHEID

Artikel 31. Internationale rechtsmacht

De internationale rechtsmacht van het Gerecht wordt vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1215/2012 of, in voorkomend geval, op grond van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Verdrag van Lugano)14)Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007, met inbegrip van latere wijzigingen..

Artikel 32. Bevoegdheid van het Gerecht

1.

Het Gerecht is exclusief bevoegd kennis te nemen van:

  • a. vorderingen wegens inbreuk of dreigende inbreuk op octrooien en aanvullende beschermingscertificaten en gerelateerde verweren, waaronder reconventionele vorderingen betreffende licenties;
  • b. vorderingen tot verklaring van niet-inbreuk op octrooien en aanvullende beschermingscertificaten;
  • c. vorderingen tot het verkrijgen van voorlopige en conservatoire maatregelen of verbodsmaatregelen;
  • d. vorderingen tot nietigverklaring van octrooien en van aanvullende beschermingscertificaten;
  • e. reconventionele vorderingen tot nietigverklaring van octrooien en aanvullende beschermingscertificaten;
  • f. vorderingen tot schadevergoeding of vergoeding op grond van de voorlopige bescherming die door een gepubliceerde Europese octrooiaanvraag wordt verleend;
  • g. vorderingen in verband met het gebruik van de uitvinding voordat het octrooi is verleend of met het recht dat gebaseerd is op voorgebruik van de uitvinding;
  • h. vorderingen tot vergoeding voor licenties op grond van artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1257/2012; en
  • i. vorderingen met betrekking tot besluiten van het Europees Octrooibureau bij het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1257/2012.
2.

De nationale gerechten van de overeenkomstsluitende lidstaten blijven bevoegd ter zake van vorderingen betreffende octrooien en aanvullende beschermingscertificaten die buiten de exclusieve bevoegdheid van het Gerecht vallen.

Artikel 33. Bevoegdheid van de divisies van het Gerecht van Eerste Aanleg

1.

Onverminderd het zevende lid van dit artikel worden de in artikel 32, eerste lid, onder a), c), f) en g) bedoelde vorderingen ingesteld bij:

  • a. de lokale divisie op het grondgebied van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de feitelijke inbreuk of dreigende inbreuk zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, of de regionale divisie waaraan die overeenkomstsluitende lidstaat deelneemt; of
  • b. de lokale divisie op het grondgebied van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de verweerder of, in het geval van meerdere verweerders, een van de verweerders zijn woonplaats of zijn hoofdvestiging heeft of, bij gebreke daarvan, zijn vestiging heeft, of de regionale divisie waaraan die overeenkomstsluitende lidstaat deelneemt. Tegen meerdere verweerders kan uitsluitend een vordering worden ingesteld als tussen hen een commerciële relatie bestaat en de vordering op dezelfde vermeende inbreuk betrekking heeft.

Vorderingen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder h), worden overeenkomstig het eerste lid, onder b), bij de lokale of regionale divisie ingesteld.

Vorderingen tegen verweerders die hun woonplaats of zijn hoofdvestiging of, bij gebreke daarvan, hun vestiging buiten het grondgebied van de overeenkomstsluitende lidstaten hebben, worden overeenkomstig het eerste lid, onder a), bij de lokale of regionale divisie of bij de centrale divisie ingesteld.

Indien er op het grondgebied van de betrokken overeenkomstsluitende lidstaat geen lokale divisie is en deze niet aan een regionale divisie deelneemt, wordt de vordering bij de centrale divisie ingesteld.

2.

Indien een vordering als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a), c), f), g) of h), bij een divisie van het Gerecht van Eerste Aanleg aanhangig is, mag tussen dezelfde partijen met betrekking tot hetzelfde octrooi geen vordering als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a), c), f), g) of h) bij een andere divisie worden ingesteld.

Indien een vordering als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a), bij een regionale divisie aanhangig is en de inbreuk op het grondgebied van drie of meer regionale divisies is gepleegd, verwijst de desbetreffende regionale divisie de zaak op verzoek van de verweerder naar de centrale divisie.

Indien een vordering tussen dezelfde partijen over hetzelfde octrooi bij verscheidene divisies is ingesteld, is de divisie waar de vordering het eerst is ingesteld bevoegd voor de gehele zaak, en verklaren de divisies waar de vordering later is ingesteld deze overeenkomstig het procesreglement niet-ontvankelijk.

3.

Indien een vordering wegens inbreuk als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a) aanhangig is, kan een reconventionele vordering tot nietigverklaring als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder e), worden ingesteld. De desbetreffende lokale of regionale divisie heeft, na de partijen te hebben gehoord, de keuze om:

  • a. zowel de inbreukvordering als de reconventionele nietigheidsvordering te behandelen en de president van het Gerecht van Eerste Aanleg te verzoeken overeenkomstig artikel 18, derde lid, uit de pool van rechters een technisch geschoolde rechter met kwalificaties en ervaring op het desbetreffende gebied van de technologie toe te wijzen;
  • b. de reconventionele nietigheidsvordering naar de centrale divisie te verwijzen en de inbreukprocedure te behandelen of aan te houden; of
  • c. met instemming van de partijen de zaak ter afdoening naar de centrale divisie te verwijzen.
4.

De in artikel 32, eerste lid, onder b) en d), bedoelde vorderingen worden bij de centrale divisie ingesteld. Deze vorderingen kunnen echter, indien een inbreukvordering in de zin van artikel 32, eerste lid, onder a), tussen dezelfde partijen over hetzelfde octrooi bij een lokale of regionale divisie is ingesteld, uitsluitend bij dezelfde lokale of regionale divisie worden ingesteld.

5.

Indien bij de centrale divisie een nietigheidsvordering als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder d), aanhangig is, kan een inbreukvordering als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a), tussen dezelfde partijen met betrekking tot hetzelfde octrooi, bij elke divisie overeenkomstig het eerste lid van dit artikel of bij de centrale divisie worden ingesteld. De desbetreffende lokale of regionale divisie heeft de keuze overeenkomstig het derde lid van dit artikel te handelen.

6.

Een vordering tot verklaring van niet-inbreuk als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder b), die aanhangig is bij de centrale divisie, wordt aangehouden indien binnen drie maanden na de datum waarop de vordering bij de centrale divisie is ingesteld, bij een lokale of regionale divisie tussen dezelfde partijen of tussen de houder van een exclusieve licentie en de partij die een verklaring van niet-inbreuk vordert, met betrekking tot hetzelfde octrooi een inbreukvordering als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a), wordt ingesteld.

7.

De partijen kunnen bij vorderingen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a) tot en met h), overeenkomen hun vordering in te stellen bij de divisie van hun keuze, waaronder de centrale divisie.

8.

De in artikel 32, eerste lid, onder d) en e), bedoelde vorderingen kunnen worden ingesteld zonder dat de eiser bij het Europees Octrooibureau oppositie hoeft in te stellen.

9.

De in artikel 32, eerste lid, onder i), bedoelde vorderingen worden ingesteld bij de centrale divisie.

10.

Een partij stelt het Gerecht in kennis van elke herroepings-, beperkings- of oppositieprocedure die, en van elk verzoek om versnelde behandeling dat, bij het Europees Octrooibureau aanhangig is. Het Gerecht kan de procedure opschorten indien een spoedige beslissing van het Europees Octrooibureau te verwachten is.

Artikel 34. Territoriale reikwijdte van beslissingen

De beslissingen van het Gerecht hebben in het geval van een Europees octrooi gelding op het grondgebied van de overeenkomstsluitende lidstaten waar het Europees octrooi van kracht is.

HOOFDSTUK VII. MEDIATION EN ARBITRAGE IN OCTROOIZAKEN

Artikel 35. Centrum voor mediation en arbitrage in octrooizaken

1.

Bij deze overeenkomst wordt een centrum voor mediation en arbitrage in octrooizaken (hierna genoemd „het Centrum”) opgericht. Het Centrum zetelt in Ljubljana en Lissabon.

2.

Het Centrum verschaft faciliteiten voor mediation en arbitrage bij octrooigeschillen die binnen de reikwijdte van deze overeenkomst vallen. Artikel 82 is van overeenkomstige toepassing op elke schikking die door gebruikmaking van de faciliteiten van het Centrum, waaronder mediation, wordt bereikt. In de mediation- of arbitrageprocedure kan het octrooi echter niet nietig worden verklaard of worden beperkt.

3.

Het Centrum stelt regels voor mediation en arbitrage vast.

4.

Het Centrum stelt een lijst van mediators en arbiters op die de partijen bij de beslechting van hun geschil bijstaan.

DEEL II. FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 36. Begroting van het Gerecht

1.

De begroting van het Gerecht wordt gefinancierd uit de eigen inkomsten van het Gerecht en, ten minste tijdens de in artikel 83 bedoelde overgangsperiode, voor zover nodig uit bijdragen van de overeenkomstsluitende lidstaten. De begroting dient sluitend te zijn.

2.

De eigen inkomsten van het Gerecht omvatten de griffierechten en andere inkomsten.

3.

De griffierechten worden door het Bestuurscomité vastgesteld. Zij bestaan uit een vast bedrag, in combinatie met een waarde-afhankelijk bedrag boven een van te voren bepaalde drempel. De hoogte van de griffierechten wordt zodanig vastgesteld dat het juiste evenwicht ontstaat tussen het beginsel van een billijke toegang tot de rechter, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen, micro-entiteiten, natuurlijke personen, organisaties zonder winstoogmerk, universiteiten en openbare organisaties voor onderzoek, en een passende bijdrage van de partijen aan de kosten van het Gerecht, met inachtneming van het door de betrokken partijen genoten economisch voordeel en de doelstelling van een financieel zelfstandig Gerecht met een sluitende begroting. De hoogte van de griffierechten wordt op gezette tijden door het Bestuurscomité geëvalueerd. Voor kleine en middelgrote ondernemingen en micro-entiteiten kunnen gerichte steunmaatregelen worden overwogen.

4.

Indien het Gerecht er niet in slaagt de begroting met eigen inkomsten sluitend te maken, worden door de overeenkomstsluitende lidstaten bijzondere financiële bijdragen verstrekt.

Artikel 37. Financiering van het Gerecht

1.

De operationele kosten van het Gerecht worden overeenkomstig het statuut gefinancierd uit de begroting. Overeenkomstsluitende lidstaten die een lokale divisie oprichten, stellen daartoe de noodzakelijke voorzieningen ter beschikking. Overeenkomstsluitende lidstaten die een regionale divisie delen, stellen daartoe gezamenlijk de noodzakelijke voorzieningen ter beschikking. De overeenkomstsluitende lidstaten waarin de centrale divisie, afdelingen daarvan of het Hof van Beroep gevestigd is, stellen daartoe de noodzakelijke voorzieningen ter beschikking. Gedurende een eerste overgangsperiode van zeven jaar, die ingaat op de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt, leveren de betrokken overeenkomstsluitende lidstaten ook ondersteunend administratief personeel, onverminderd het statuut van dat personeel.

2.

Op de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt, betalen de overeenkomstsluitende lidstaten de eerste financiële bijdragen voor de oprichting van het Gerecht.

3.

Tijdens de eerste overgangsperiode van zeven jaar, die ingaat op de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt, wordt de bijdrage van elke overeenkomstsluitende lidstaat die de overeenkomst vóór de inwerkingtreding heeft bekrachtigd of ertoe is toegetreden, berekend op basis van het aantal Europese octrooien dat op het grondgebied van die staat op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst van kracht is en het aantal Europese octrooien ten aanzien waarvan er bij de nationale gerechten van die staat in de drie jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de overeenkomst vorderingen wegens inbreuk of tot nietigverklaring zijn ingesteld.

Tijdens dezelfde overgangsperiode van zeven jaar worden, ten aanzien van lidstaten die deze overeenkomst na de inwerkingtreding bekrachtigen of ertoe toetreden, de bijdragen berekend op basis van het aantal Europese octrooien dat op de datum van bekrachtiging of toetreding op het grondgebied van de bekrachtigende of toetredende lidstaat van kracht is en het aantal Europese octrooien ten aanzien waarvan er bij de nationale gerechten van de bekrachtigende of toetredende lidstaat in de drie jaar voorafgaand aan de bekrachtiging of toetreding vorderingen wegens inbreuk of nietigheid zijn ingesteld.

4.

Na afloop van de eerste overgangsperiode van zeven jaar, wanneer het Gerecht geacht wordt zelf in zijn financiering te voorzien, worden de eventueel benodigde bijdragen van de overeenkomstsluitende lidstaten bepaald volgens de verdeelsleutel van de jaartaksen voor Europese octrooien met eenheidswerking die van toepassing is wanneer de bijdrage nodig is.

Artikel 38. Financiering van het opleidingsprogramma voor rechters

Het opleidingsprogramma voor rechters wordt uit de begroting van het Gerecht gefinancierd.

Artikel 39. Financiering van het Centrum

De operationele kosten van het Centrum worden uit de begroting van het Gerecht gefinancierd.

DEEL III. ORGANISATORISCHE EN PROCEDURELE BEPALINGEN

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 40. Statuut

1.

In het statuut zijn de nadere voorschriften betreffende de organisatie en het functioneren van het Gerecht vastgelegd.

2.

Het statuut is als bijlage bij deze overeenkomst gevoegd. Het kan, op voorstel van het Gerecht of op voorstel van een overeenkomstsluitende lidstaat na overleg met het Gerecht, bij besluit van het Bestuurscomité worden gewijzigd. Dergelijke wijzigingen mogen evenwel niet leiden tot strijdigheid met of wijziging van deze overeenkomst.

3.

Het statuut waarborgt dat de werkwijze van het Gerecht op de meest efficiënte en kosteneffectieve wijze wordt georganiseerd en dat de billijke toegang tot de rechter verzekerd is.

Artikel 41. Procesreglement

1.

In het procesreglement zijn de nadere voorschriften betreffende de procedure voor het Gerecht vastgelegd. De voorschriften zijn in overeenstemming met deze overeenkomst en met het statuut.

2.

Het procesreglement wordt door het Bestuurscomité na breed overleg met de belanghebbenden vastgesteld. Voorafgaand wordt het advies van de Europese Commissie over de verenigbaarheid van het procesreglement met het recht van de Unie ingewonnen.

Het procesreglement kan, op voorstel van het Gerecht en na overleg met de Europese Commissie, bij besluit van het Bestuurscomité worden gewijzigd. Dergelijke wijzigingen mogen evenwel niet leiden tot strijdigheid met of wijziging van deze overeenkomst of het statuut.

3.

Het procesreglement waarborgt dat de beslissingen van het Gerecht aan de hoogste kwaliteitsnormen voldoen en dat de procedures zo efficiënt en kosteneffectief mogelijk worden georganiseerd. Het waarborgt een redelijk evenwicht tussen de gerechtvaardigde belangen van alle partijen. Het zorgt ervoor dat rechters beschikken over de nodige discretionaire bevoegdheid zonder dat de voorspelbaarheid van de procedure voor de partijen in het gedrang komt.

Artikel 42. Evenredigheid en billijkheid

1.

Het Gerecht behandelt geschillen op een wijze die in verhouding staat tot het belang en de complexiteit ervan.

2.

Het Gerecht ziet erop toe dat de in deze overeenkomst en in het statuut opgenomen regels, procedures en rechtsmiddelen rechtvaardig en billijk worden toegepast en geen concurrentieverstoring veroorzaken.

Artikel 43. Zaaksbehandeling

De aanhangige zaken worden door het Gerecht, overeenkomstig het procesreglement, voortvarend behandeld, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de vrijheid van de partijen zelf het voorwerp van het geding en het bewijsmateriaal te bepalen.

Artikel 44. Elektronische procedures

Het Gerecht maakt, overeenkomstig het procesreglement, optimaal gebruik van elektronische procedures, zoals elektronische indiening van processtukken en bewijsmiddelen, en videoconferenties.

Artikel 45. Openbaarheid van procedures

De zittingen zijn openbaar, tenzij het Gerecht besluit, voor zover nodig, een zaak vertrouwelijk te behandelen in het belang van een van de partijen of van andere betrokkenen dan wel in het algemeen belang van behoorlijke rechtspleging of de openbare orde.

Artikel 46. Handelingsbevoegdheid

Elke natuurlijke persoon, elke rechtspersoon of elke aan een rechtspersoon gelijkgestelde entiteit, die op grond van zijn nationale recht gerechtigd is een vordering in te stellen, is bevoegd om voor het Gerecht als partij op te treden.

Artikel 47. Partijen

1.

De octrooihouder is gerechtigd vorderingen bij het Gerecht in te stellen.

2.

Tenzij de licentieovereenkomst anders bepaalt, is de houder van een exclusieve licentie voor een octrooi op dezelfde wijze als de octrooihouder gerechtigd een vordering bij het Gerecht in te stellen, mits de octrooihouder hiervan vooraf in kennis is gesteld.

3.

De houder van een niet-exclusieve licentie is niet gerechtigd een vordering bij het Gerecht in te stellen, tenzij de octrooihouder hiervan vooraf in kennis is gesteld en voor zover zulks bij de licentieovereenkomst uitdrukkelijk is toegestaan.

4.

De octrooihouder is gerechtigd zich te voegen in vorderingen die de licentiehouder bij het Gerecht heeft ingesteld.

5.

De geldigheid van een octrooi kan niet worden bestreden in een door de licentiehouder aangespannen inbreukprocedure, indien de octrooihouder niet deelneemt aan de procedure. De partij die in een inbreukprocedure de geldigheid van een octrooi wenst te bestrijden, stelt een vordering in tegen de octrooihouder.

6.

Elke andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, of elke entiteit met procesbevoegdheid overeenkomstig zijn nationale recht, die door een octrooi wordt geraakt, kan overeenkomstig het procesreglement een vordering instellen.

7.

Elke natuurlijke persoon, rechtspersoon of elke entiteit met procesbevoegdheid overeenkomstig zijn nationale recht, die wordt geraakt door een besluit dat het Europees Octrooibureau bij het uitvoeren van de taken, omschreven in artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1257/2012 heeft genomen, is gerechtigd overeenkomstig artikel 32, eerste lid, onder i), een vordering in te stellen.

Artikel 48. Vertegenwoordiging

1.

De partijen worden vertegenwoordigd door advocaten die voor een gerecht van een overeenkomstsluitende lidstaat toegelaten zijn.

2.

De partijen kunnen zich ook laten vertegenwoordigen door Europese octrooigemachtigden die krachtens artikel 134 van het EOV bevoegd zijn als erkend gemachtigde voor het Europees Octrooibureau op te treden, en over passende kwalificaties beschikken, zoals een Certificaat inzake procederen over Europese octrooien.

3.

De eisen waaraan kwalificaties in de zin van het tweede lid dienen te voldoen worden door het Bestuurscomité vastgesteld. De griffier houdt een lijst bij van Europese octrooigemachtigden die bevoegd zijn om partijen voor het Gerecht te vertegenwoordigen.

4.

De vertegenwoordigers van de partijen kunnen zich door octrooigemachtigden laten bijstaan, die overeenkomstig het procesreglement tijdens een hoorzitting van het Gerecht het woord mogen voeren.

5.

De vertegenwoordigers van de partijen genieten de rechten en immuniteiten die voor een onafhankelijke taakvervulling nodig zijn, zoals de vertrouwelijkheid in procedures voor het Gerecht van de communicatie tussen een vertegenwoordiger en de partij of een andere persoon, zulks onder de in het procesreglement vastgestelde voorwaarden, tenzij de betrokken partij uitdrukkelijk van dat voorrecht afziet.

6.

De vertegenwoordigers van de partijen zijn gehouden het Gerecht geen onjuiste voorstelling van de zaken of de feiten te geven, opzettelijk noch wanneer zij dit behoren te weten.

7.

In de procedures, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder i), is vertegenwoordiging in de zin van het eerste en tweede lid van dit artikel niet vereist.

HOOFDSTUK II. PROCESTAAL

Artikel 49. Procestaal bij het Gerecht van Eerste Aanleg

1.

De procestaal van een lokale of regionale divisie is een officiële taal van de Europese Unie, die de officiële taal of een van de officiële talen is van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de desbetreffende divisie gevestigd is, of de officiële taal of talen, aangewezen door de overeenkomstsluitende lidstaten die een regionale divisie delen.

2.

Onverminderd het eerste lid kunnen de overeenkomstsluitende lidstaten een of meer officiële talen van het Europees Octrooibureau als procestaal bij hun lokale of regionale divisie aanwijzen.

3.

De partijen kunnen overeenkomen de taal waarin het octrooi is verleend als procestaal te gebruiken, mits het bevoegde panel daarmee instemt. Indien het panel niet met hun keuze instemt, kunnen de partijen verzoeken om de zaak naar de centrale divisie te verwijzen.

4.

Met goedvinden van de partijen kan het bevoegde panel, om praktische redenen en billijkheidshalve, besluiten de taal waarin het octrooi is verleend als procestaal te gebruiken.

5.

Op verzoek van een van de partijen en na de andere partijen en het bevoegde panel te hebben gehoord, kan de president van het Gerecht van Eerste Aanleg uit billijkheidsoverwegingen en rekening houdend met alle relevante omstandigheden en met de standpunten van de partijen, in het bijzonder het standpunt van de verweerder, besluiten dat de taal waarin het octrooi is verleend als procestaal wordt gebruikt. In dat geval beoordeelt de president van het Gerecht van Eerste Aanleg of er behoefte is aan specifieke regelingen met betrekking tot vertaling en vertolking.

6.

De procestaal bij de centrale divisie is de taal waarin het desbetreffende octrooi is verleend.

Artikel 50. Procestaal bij het Hof van Beroep

1.

Bij het Hof van Beroep wordt dezelfde procestaal gebruikt als bij het Gerecht van Eerste Aanleg.

2.

Onverminderd het eerste lid kunnen de partijen overeenkomen de taal waarin het octrooi is verleend als procestaal te gebruiken.

3.

In uitzonderlijke gevallen en voor zover dat passend wordt geacht, kan het Hof van Beroep besluiten voor de gehele of een deel van de procedure, een andere officiële taal van een overeenkomstsluitende lidstaat als procestaal te gebruiken, mits de partijen daarmee instemmen.

Artikel 51. Andere taalregelingen

1.

Elk panel van het Gerecht van Eerste Aanleg en het Hof van Beroep kan, voor zover passend, afzien van het vereiste van vertaling.

2.

Op verzoek van een van de partijen en voor zover passend, wordt door elke divisie van het Gerecht van Eerste Aanleg en door het Hof van Beroep in tolkdiensten voorzien ten behoeve van de betrokken partijen bij de mondelinge behandeling.

3.

Onverminderd artikel 49, zesde lid, heeft de verweerder die zijn woonplaats, zijn hoofdvestiging of vestiging in een lidstaat heeft, in geval van een inbreukprocedure bij de centrale divisie, het recht op zijn verzoek een vertaling te krijgen van relevante stukken in de taal van de lidstaat van zijn woonplaats of van zijn hoofdvestiging of, bij gebreke daarvan, van zijn vestiging, in gevallen waarin:

  • b. de procestaal voor de centrale divisie geen officiële taal is van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats, zijn hoofdvestiging of, bij gebreke daarvan, zijn vestiging heeft, en
  • c. de verweerder onvoldoende kennis heeft van de procestaal.

HOOFDSTUK III. PROCEDURE VOOR HET GERECHT

Artikel 52. Schriftelijke, tussentijdse en mondelinge behandeling

1.

De procedure voor het Gerecht omvat een schriftelijke, een tussentijdse en een mondelinge behandeling, overeenkomstig het procesreglement. Alle procedures worden op flexibele en evenwichtige wijze georganiseerd.

2.

In de tussentijdse behandeling, die na de schriftelijke behandeling plaatsvindt, roept de rechter die als rapporteur optreedt, binnen een mandaat van het voltallige panel, indien nodig een tussentijdse zitting bijeen. In het bijzonder onderzoekt die rechter samen met de partijen of een schikking kan worden bereikt, ook bij wege van mediation en/of arbitrage, door gebruik te maken van de faciliteiten van het in artikel 35 bedoelde Centrum.

3.

De mondelinge behandeling biedt de partijen de gelegenheid om naar behoren hun argumenten toe te lichten. Het Gerecht kan met instemming van partijen afzien van de hoorzitting.

Artikel 53. Bewijsmiddelen

1.

In de procedure voor het Gerecht zijn in het bijzonder de volgende bewijsmiddelen toegelaten:

  • a. horen van partijen;
  • b. inwinnen van inlichtingen;
  • c. overleggen van stukken;
  • d. horen van getuigen;
  • e. deskundigenrapport;
  • f. bezichtiging;
  • g. vergelijkende tests of experimenten;
  • h. onder ede afgelegde schriftelijke verklaringen.
2.

De procedure voor het verkrijgen van bewijs wordt vastgesteld in het procesreglement. Het horen van getuigen en deskundigen geschiedt onder toezicht van het Gerecht en wordt tot het noodzakelijke beperkt.

Artikel 54. Bewijslast

Onverminderd artikel 24, tweede en derde lid, rust de bewijslast van de feiten op de partij die zich erop beroept.

Artikel 55. Omkering van de bewijslast

1.

Indien het voorwerp van een octrooi een werkwijze voor de vervaardiging van een nieuw product is, wordt, onverminderd artikel 24, tweede en derde lid, ieder identiek, zonder toestemming van de octrooihouder vervaardigd product, tot bewijs van het tegendeel, geacht met toepassing van die werkwijze te zijn vervaardigd.

2.

Het in het eerste lid neergelegde beginsel is eveneens van toepassing indien met aanzienlijke waarschijnlijkheid het identieke product volgens de geoctrooieerde werkwijze was vervaardigd en de octrooihouder, ondanks redelijke inspanningen, de voor het identieke product feitelijk toegepaste werkwijze niet heeft kunnen vaststellen.

3.

Bij de bewijsvoering van het tegendeel wordt rekening gehouden met het legitieme belang dat de verweerder heeft bij bescherming van zijn fabricage- en bedrijfsgeheimen.

HOOFDSTUK IV. BEVOEGDHEDEN VAN HET GERECHT

Artikel 56. De algemene bevoegdheden van het Gerecht

1.

Het Gerecht kan de in deze overeenkomst vervatte maatregelen, procedures en rechtsmiddelen gelasten en hieraan voorwaarden verbinden overeenkomstig het procesreglement.

2.

Het Gerecht houdt naar behoren rekening met de belangen van de partijen en stelt alvorens een uitspraak te doen elke partij in de gelegenheid te worden gehoord, tenzij dit onverenigbaar is met de effectieve tenuitvoerlegging van de uitspraak.

Artikel 57. Gerechtsdeskundigen

1.

Onverminderd de mogelijkheid voor de partijen om deskundigenbewijs te overleggen, kan het Gerecht te allen tijde gerechtsdeskundigen aanwijzen die adviseren over bepaalde aspecten van de zaak. Het Gerecht verstrekt de deskundige alle gegevens die hij nodig heeft voor het geven van zijn advies.

2.

Hiertoe stelt het Gerecht overeenkomstig het procesreglement een indicatieve lijst van deskundigen samen. Deze lijst wordt door de griffier bijgehouden.

3.

De gerechtsdeskundigen waarborgen hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De bij artikel 7 van het statuut op de rechters toepasselijke regels inzake belangenconflicten zijn van overeenkomstige toepassing op gerechtsdeskundigen.

4.

Het advies van de gerechtsdeskundigen aan het Gerecht wordt aan de partijen beschikbaar gesteld, die in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.

Artikel 58. Bescherming van vertrouwelijke informatie

Ter bescherming van bedrijfsgeheimen, persoonsgegevens of andere vertrouwelijke informatie van een procespartij of een derde, of ter voorkoming van misbruik van bewijs, kan het Gerecht gelasten dat bewijs in de loop van de procedure niet of slechts in beperkte mate wordt verzameld en gebruikt of slechts voor bepaalde personen toegankelijk wordt gemaakt.

Artikel 59. Bevel tot behoud van bewijsmateriaal

1.

Op verzoek van een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd, dat voldoet ter ondersteuning van haar vorderingen, en, ter onderbouwing van haar vorderingen, bewijsmateriaal heeft aangeduid dat zich binnen de macht van de wederpartij of een derde bevindt, kan het Gerecht de wederpartij of een derde gelasten dat bewijsmateriaal over te leggen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie is verzekerd. Een dergelijk bevel mag niet tot een verplichting tot zelfincriminatie leiden.

2.

Op verzoek van een partij kan het Gerecht, eveneens onder de in het eerste lid vermelde voorwaarden, de overlegging gelasten van bancaire, financiële of handelsdocumenten die zich binnen de macht van de wederpartij bevinden, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie is verzekerd.

Artikel 60. Bevel tot behoud van bewijsmateriaal en tot bezichtiging

1.

Op verzoek van de eiser, die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat inbreuk op het octrooi is gemaakt of dreigt te worden gemaakt, kan het Gerecht, nog voordat de inhoudelijke behandeling van de zaak aanvangt, onmiddellijke en effectieve voorlopige maatregelen gelasten tot behoud van relevant bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie is verzekerd.

2.

Deze maatregelen kunnen erin bestaan dat de inbreukmakende producten en, in voorkomend geval, de bij de productie en/of distributie van deze producten gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten, gedetailleerd worden beschreven, met of zonder monsterneming, of dat er materieel beslag op wordt gelegd.

3.

Het Gerecht kan, nog voordat de inhoudelijke behandeling is aangevangen, op verzoek van de eiser die bewijsmateriaal heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat inbreuk op het octrooi is gemaakt of dreigt te worden gemaakt, een bezichtiging gelasten. De bezichtiging wordt door een persoon verricht, die door het Gerecht overeenkomstig het procesreglement is aangewezen.

4.

Bij de bezichtiging is de eiser zelf niet aanwezig, maar kan zich niettemin door een onafhankelijke deskundige, die in het gerechtelijk bevel staat vermeld, laten vertegenwoordigen.

5.

Met name indien waarschijnlijk is dat uitstel onherstelbare schade voor de octrooihouder kan veroorzaken, of als er een aantoonbaar risico van vernietiging van bewijsmateriaal bestaat, worden maatregelen gelast, zo nodig zonder dat de wederpartij is gehoord.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)