Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht

Type Verdrag
Publication 2023-06-26
State In force
Source BWB
artikelen 127
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
6.

Indien maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal of een bezichtiging zijn gelast zonder dat de andere partij is gehoord, worden betrokken partijen onverwijld, en uiterlijk onmiddellijk nadat de maatregelen zijn uitgevoerd, daarvan in kennis gesteld. Op verzoek van betrokken partijen vindt een heroverweging plaats, waarbij zij het recht hebben te worden gehoord, teneinde te beslissen, binnen een redelijke termijn na de mededeling van de maatregelen, of de maatregelen gewijzigd, herroepen of bevestigd moeten worden.

7.

Aan de maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal kan de voorwaarde worden verbonden dat de eiser een passende zekerheid of een gelijkwaardige garantie stelt ter vergoeding van de door de verweerder geleden schade overeenkomstig het negende lid.

8.

Het Gerecht ziet erop toe dat de maatregelen tot bewaring van bewijsmateriaal op verzoek van de verweerder worden herroepen of anderszins ophouden van kracht te zijn, onverminderd de schadevergoedingen die kunnen worden geëist, indien de eiser niet binnen een termijn van ten hoogste eenendertig kalenderdagen of twintig werkdagen – naargelang van welke termijn het langste is – een vordering heeft ingesteld die leidt tot een inhoudelijke beslissing van het Gerecht.

9.

Indien de maatregelen ter bewaring van bewijsmateriaal worden herroepen, of wegens handelen of nalaten van de eiser vervallen, of indien later wordt vastgesteld dat geen inbreuk op het octrooi is gemaakt of dreigde te worden gemaakt, kan het Gerecht, op verzoek van de verweerder, de eiser gelasten de verweerder een passende vergoeding van de ten gevolge van deze maatregelen ontstane schade te betalen.

Artikel 61. Bevel tot bevriezing

1.

Op verzoek van een eiser die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd ter ondersteuning van de stelling dat er inbreuk op het octrooi is gemaakt of dreigt te worden gemaakt, kan het Gerecht, nog voordat de inhoudelijke behandeling is aangevangen, een partij verbieden vermogensbestanddelen uit zijn rechtsgebied af te voeren, of te handelen in vermogensbestanddelen, ongeacht of die zich al dan niet in zijn rechtsgebied bevinden.

2.

Het vijfde tot en met negende lid van artikel 60 zijn van overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde maatregelen.

Artikel 62. Voorlopige en conservatoire maatregelen

1.

Het Gerecht kan bij wege van een bevel, een verbod opleggen aan een vermeend inbreukmaker of een tussenpersoon van wiens diensten de inbreukmaker gebruik maakt, teneinde een dreigende inbreuk te voorkomen, voorlopig en waar passend op straffe van een dwangsom, de voortzetting van de vermeende inbreuk te verbieden of aan de voortzetting de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld als waarborg voor de schadeloosstelling van de rechthebbende.

2.

Het Gerecht maakt een eigen afweging van de belangen van de partijen, en houdt in het bijzonder rekening met de mogelijke schade die elk van hen kan lijden door het opleggen of weigeren van het verbod.

3.

Het Gerecht kan tevens de beslaglegging of afgifte gelasten van de producten waarmee vermeende inbreuk wordt gemaakt op het octrooi, om te vermijden dat zij in de handel komen of blijven. Indien de eiser aantoont dat er omstandigheden zijn waardoor schade mogelijk niet kan worden verhaald, kan het Gerecht conservatoir beslag op roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker gelasten, alsmede bankrekeningen en andere activa van de vermeende inbreukmaker blokkeren.

4.

Het Gerecht kan, met betrekking tot de in het eerste en derde lid bedoelde maatregelen, van de eiser redelijkerwijs beschikbaar bewijs verlangen waaruit met voldoende zekerheid is op te maken dat de eiser de rechthebbende is en dat inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt.

5.

Het vijfde tot en met negende lid van artikel 60 zijn van overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde maatregelen.

Artikel 63. Permanent verbod

1.

Indien inbreuk op een octrooi wordt vastgesteld, kan het Gerecht de inbreukmaker een verbod tot voortzetting van de inbreuk opleggen. Het Gerecht kan een dergelijk verbod tevens opleggen aan een tussenpersoon die door een derde is ingezet voor het plegen van de inbreuk.

2.

In voorkomend geval wordt op niet-naleving van het in het eerste lid bedoelde bevel een dwangsom gesteld, die aan het Gerecht dient te worden betaald.

Artikel 64. Corrigerende maatregelen in een inbreukprocedure

1.

Onverminderd eventuele schadevergoeding die wegens de inbreuk aan de benadeelde partij is verschuldigd en zonder enige vorm van compensatie, kan het Gerecht, op verzoek van de eiser passende maatregelen gelasten met betrekking tot producten waarvan is vastgesteld dat daarmee inbreuk wordt gemaakt op een octrooi en, in voorkomende gevallen, met betrekking tot materialen en gereedschappen die hoofdzakelijk worden gebruikt bij het vervaardigen of fabriceren van die producten.

2.

Deze maatregelen kunnen omvatten:

  • a. een verklaring van inbreuk;
  • b. het laten terugroepen van de producten uit de handel;
  • c. het product laten ontdoen van de eigenschap die de inbreuk vormt;
  • d. het definitief uit de handel laten nemen van de producten; of
  • e. het laten vernietigen van de producten en/of de desbetreffende materialen en gereedschappen.
3.

Het Gerecht beveelt dat deze maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij een beroep wordt gedaan op bijzondere redenen voor het tegendeel.

4.

Bij de beoordeling van een verzoek om corrigerende maatregelen op grond van dit artikel, houdt het Gerecht rekening met het vereiste dat de maatregelen in verhouding dienen te staan tot de ernst van de inbreuk, met de bereidheid van de inbreukmaker het materiaal in een toestand te brengen waarin het geen inbreuk vormt, en met de belangen van derden.

Artikel 65. Beslissing inzake de geldigheid van een octrooi

1.

Het Gerecht beslist over de geldigheid van een octrooi op grond van een vordering tot nietigverklaring of een reconventionele vordering tot nietigverklaring.

2.

Het Gerecht kan een octrooi uitsluitend op de in artikel 138, eerste lid, en artikel 139, tweede lid, van het EOV genoemde gronden geheel of gedeeltelijk nietig verklaren.

3.

Onverminderd artikel 138, derde lid, van het EOV wordt het octrooi, indien de nietigheidsgronden het octrooi slechts deels raken, door middel van een overeenkomstige wijziging van de conclusies beperkt en gedeeltelijk nietig verklaard.

4.

Voor zover een octrooi nietig is verklaard, wordt het geacht van aanvang af niet de in de artikelen 64 en 67 van het EOV bedoelde werking te hebben gehad.

5.

Indien het Gerecht bij een eindbeslissing een octrooi geheel of gedeeltelijk nietig verklaart, zendt het een afschrift van de beslissing naar het Europees Octrooibureau en, in geval van een Europees octrooi, naar het nationaal octrooibureau van elke desbetreffende overeenkomstsluitende lidstaat.

Artikel 66. Bevoegdheden van het Gerecht inzake beslissingen van het Europees Octrooibureau

1.

In geval van vorderingen op grond van artikel 32, eerste lid, onder i), kan het Gerecht elke bevoegdheid uitoefenen die aan het Europees Octrooibureau overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1257/2012 is toegekend, met inbegrip van rectificatie van het register voor eenheidsoctrooibescherming.

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 69 draagt elke partij bij een vordering op grond van artikel 32, eerste lid, onder i), haar eigen kosten.

Artikel 67. Bevoegdheid de verstrekking van informatie te gelasten

1.

Het Gerecht kan, naar aanleiding van een gerechtvaardigd en proportioneel verzoek van de eiser, overeenkomstig het procesreglement, een inbreukmaker gelasten de eiser informatie te verstrekken over:

  • a. de oorsprong en de distributiekanalen van de inbreukmakende producten of werkwijzen;
  • b. de geproduceerde, vervaardigde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, alsmede de prijs die is betaald voor inbreukmakende producten; en
  • c. de identiteit van derden die zijn betrokken bij de productie of distributie van de inbreukmakende producten of bij de toepassing van de inbreukmakende werkwijze.
2.

Het Gerecht kan, overeenkomstig het procesreglement, tevens elke derde die:

  • a. inbreukmakende producten op commerciële schaal in zijn bezit had, of een inbreukmakende werkwijze op commerciële schaal heeft toegepast;
  • b. op commerciële schaal diensten blijkt te verlenen die worden gebruikt bij inbreukmakende activiteiten; of
  • c. op aanwijzing van de onder a) of b) bedoelde persoon betrokken blijkt te zijn bij de productie, vervaardiging of distributie van de inbreukmakende producten of werkwijzen, dan wel bij het verstrekken van de diensten;

gelasten de eiser de in het eerste lid bedoelde informatie te verstrekken.

Artikel 68. Toekenning van schadevergoeding

1.

Op verzoek van de benadeelde partij gelast het Gerecht degene die wist of redelijkerwijze had behoren te weten, dat hij inbreuk maakte op een octrooi, de benadeelde partij een passende schadevergoeding te betalen voor de schade die deze als gevolg van de inbreuk werkelijk heeft geleden.

2.

De benadeelde partij wordt, voor zover mogelijk, hersteld in de toestand waarin zij zich zou bevinden indien de inbreuk niet zou zijn gepleegd. De inbreukmaker mag geen voordeel behalen uit de inbreuk. De schadevergoeding heeft evenwel geen strafrechtelijk karakter.

3.

Bij het vaststellen van de schadevergoeding:

  • a. neemt het Gerecht alle ter zake dienende aspecten in aanmerking, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in passende gevallen, andere elementen dan economische factoren, zoals de immateriële schade die de benadeelde partij door de inbreuk heeft geleden; of
  • b. stelt het Gerecht bij wijze van alternatief voor het bepaalde onder a), in passende gevallen, de schadevergoeding vast als een forfaitair bedrag, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd zou zijn geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende octrooi te gebruiken.
4.

Indien de inbreukmaker zich er niet van bewust was, noch dat redelijkerwijs kon zijn, dat hij de inbreuk pleegde, kan het Gerecht gelasten dat de winst wordt afgedragen of dat een schadevergoeding wordt betaald.

Artikel 69. Proceskosten

1.

De proceskosten en andere kosten van de in het gelijk gestelde partij worden, als algemene regel, in een redelijke en evenredige mate, tot een overeenkomstig het procesreglement bepaald maximum, gedragen door de in het ongelijk gestelde partij, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

2.

Indien een partij slechts gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld of in uitzonderlijke omstandigheden, kan het Gerecht gelasten dat de kosten naar billijkheid worden verdeeld of elke partij haar eigen kosten draagt.

3.

Een partij draagt de onnodige kosten die zij voor het Gerecht of een andere partij heeft veroorzaakt.

4.

Op verzoek van de verweerder kan het Gerecht, met name in de gevallen bedoeld in de artikelen 59 tot en met 62, de eiser gelasten voldoende zekerheid te stellen voor de proceskosten en andere kosten van de verweerder die de eiser mogelijkerwijs moet dragen.

Artikel 70. Griffierechten

1.

De procespartijen dienen griffierechten te betalen.

2.

Tenzij in het procesreglement anders is bepaald, worden de griffierechten vooraf betaald. Een partij die de voorgeschreven griffierechten niet heeft betaald, kan worden uitgesloten van verdere deelname aan de procedure.

Artikel 71. Rechtsbijstand

1.

Een partij die een natuurlijk persoon is en niet of slechts ten dele tot betaling van de proceskosten in staat is, kan te allen tijde om rechtsbijstand verzoeken. De voorwaarden voor de toekenning van rechtsbijstand worden vastgelegd in het procesreglement.

2.

Het Gerecht besluit, overeenkomstig het procesreglement, of de rechtsbijstand volledig of gedeeltelijk dient te worden toegekend, dan wel dient te worden afgewezen.

3.

Het Bestuurscomité bepaalt, op voorstel van het Gerecht, de hoogte van de rechtsbijstand en de regels voor het dragen van de kosten ervan.

Artikel 72. Verjaring

Onverminderd het tweede en derde lid van artikel 24 kunnen vorderingen met betrekking tot alle vormen van financiële schadeloosstelling niet later dan vijf jaar na de datum waarop de eiser kennis heeft genomen, of redelijkerwijs had kunnen nemen, van het laatste feit dat de vordering rechtvaardigt, worden ingesteld.

HOOFDSTUK V. BEROEP

Artikel 73. Beroep

1.

Tegen een beslissing van het Gerecht van Eerste Aanleg kan, binnen twee maanden na de datum van de kennisgeving ervan, beroep bij het Hof van Beroep worden ingesteld door elke partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld.

2.

Tegen een bevel van het Gerecht van Eerste Aanleg kan beroep bij het Hof van Beroep worden ingesteld door elke partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld:

  • a. voor de bevelen, bedoeld in artikel 49, vijfde lid, de artikelen 59 tot en met 62 en artikel 67, binnen vijftien kalenderdagen na kennisgeving van het bevel aan de eiser;
  • b. voor andere dan de onder a) genoemde bevelen:
  • i. samen met het beroep tegen de beslissing, of
  • ii. indien het Gerecht beroep toestaat, binnen vijftien dagen na kennisgeving van de daartoe strekkende beslissing van het Gerecht.
3.

Het beroep tegen een beslissing of een bevel van het Gerecht van Eerste Aanleg kan op juridische en op feitelijke gronden worden gebaseerd.

4.

Nieuwe feiten en nieuw bewijsmateriaal kunnen uitsluitend overeenkomstig het procesreglement worden aangevoerd, en uitsluitend indien de betrokken partij dat redelijkerwijs niet tijdens de procedure voor het Gerecht van Eerste Aanleg heeft kunnen doen.

Artikel 74. Gevolgen van het beroep

1.

Het beroep heeft geen schorsende werking, tenzij het Hof van Beroep op gemotiveerd verzoek van een van de partijen anders beslist. Het procesreglement waarborgt dat onverwijld een beslissing wordt genomen.

2.

Onverminderd het eerste lid heeft een beroep tegen een beslissing op een vordering of een reconventionele vordering tot nietigverklaring en inzake een vordering krachtens artikel 32, eerste lid, onder i), altijd schorsende werking.

3.

Een beroep tegen een bevel in de zin van artikel 49, vijfde lid, de artikelen 59 tot en met 62 of artikel 67 verhindert niet de inhoudelijke behandeling. Het Gerecht van Eerste Aanleg geeft evenwel geen eindbeslissing voordat het Hof van Beroep zich over het beroep tegen het bestreden bevel heeft uitgelaten.

Artikel 75. Beslissing op beroep en terugverwijzing

1.

Indien een beroep overeenkomstig artikel 73 gegrond is, vernietigt het Hof van Beroep de beslissing van het Gerecht van Eerste Aanleg en geeft het een eindbeslissing. In uitzonderlijke gevallen kan het Hof van Beroep, overeenkomstig het procesreglement, de zaak ter afdoening naar het Gerecht van Eerste Aanleg terugverwijzen.

2.

Bij terugverwijzing uit hoofde van het eerste lid is het Gerecht van Eerste Aanleg gebonden aan de beslissing van het Hof van Beroep op de rechtsvragen.

HOOFDSTUK VI. BESLISSINGEN

Artikel 76. Grondslag voor beslissingen en recht te worden gehoord

1.

Het Gerecht beslist in overeenstemming met de door de partijen ingestelde vorderingen en wijst niet meer toe dan hetgeen is gevorderd.

2.

Beslissingen ten principale kunnen uitsluitend stoelen op gronden, feiten en bewijzen die de partijen hebben aangevoerd of die op bevel van het Gerecht in de procedure zijn ingebracht en waarover de partijen de gelegenheid hadden om hun zienswijzen kenbaar te maken.

3.

Het Gerecht beoordeelt de bewijzen vrij en onafhankelijk.

Artikel 77. Vormvoorschriften

1.

De beslissingen en bevelen van het Gerecht zijn overeenkomstig het procesreglement met redenen omkleed en op schrift gesteld.

2.

De beslissingen en bevelen van het Gerecht worden in de procestaal gegeven.

Artikel 78. Beslissingen van het Gerecht en afwijkende meningen

1.

De beslissingen en bevelen van het Gerecht worden bij meerderheid van stemmen van het panel genomen, overeenkomstig het statuut. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

2.

In uitzonderlijke omstandigheden kan elke rechter van het panel een afwijkende mening uitspreken gescheiden van de beslissing van het Gerecht.

Artikel 79. Schikking

De partijen kunnen gedurende het geding op ieder moment hun zaak beëindigen door een schikking te treffen, die wordt bevestigd bij een beslissing van het Gerecht. Een octrooi kan bij wege van een schikking niet nietig worden verklaard of worden beperkt.

Artikel 80. Openbaarmaking van beslissingen

Het Gerecht kan, op verzoek van de eiser en voor rekening van de inbreukmaker, gelasten dat passende maatregelen tot verspreiding van informatie over de beslissing van het Gerecht worden getroffen, met inbegrip van openbaarmaking en volledige of gedeeltelijke publicatie van de beslissing in de media.

Artikel 81. Herziening

1.

Het Hof van Beroep kan, nadat een eindbeslissing van het Gerecht is gegeven, bij uitzondering een verzoek om herziening inwilligen, indien:

  • a. de partij die verzoekt om herziening een feit heeft ontdekt, welke van zodanige aard is dat zij van beslissende invloed zou zijn geweest en welke haar op het tijdstip van de beslissing onbekend was; het verzoek wordt alleen ingewilligd in geval van een handeling die door een nationale rechter bij een eindbeslissing strafbaar is bevonden; of
  • b. in geval van een fundamentele procedurele tekortkoming, in het bijzonder als het stuk dat de procedure inleidt of een gelijkwaardig stuk niet zo tijdig en op zodanige wijze dat hij zich kan verdedigen, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of ter kennis is gebracht.
2.

Het verzoek om herziening wordt binnen tien jaar na de datum van de beslissing ingediend, doch uiterlijk twee maanden na de datum waarop het nieuwe feit of de procedurele tekortkoming ontdekt is. Het verzoek heeft geen opschortende werking, tenzij het Hof van Beroep anders beslist.

3.

Indien het verzoek om herziening gegrond is, vernietigt het Hof van Beroep de in het geding zijnde beslissing geheel of gedeeltelijk en heropent de zaak voor een nieuwe behandeling en een nieuwe beslissing, overeenkomstig het procesreglement.

4.

Personen die te goeder trouw octrooien gebruiken die het voorwerp zijn van een beslissing die wordt herzien, mogen die octrooien blijven gebruiken.

Artikel 82. Tenuitvoerlegging van beslissingen en bevelen

1.

De beslissingen en bevelen van het Gerecht zijn in elke overeenkomstsluitende lidstaat uitvoerbaar. Een bevel tot tenuitvoerlegging wordt aan de beslissing van het Gerecht gehecht.

2.

De tenuitvoerlegging van een beslissing kan in voorkomend geval afhankelijk worden gemaakt van het stellen van zekerheid of een gelijkwaardige garantie ter verzekering van vergoeding van geleden schade, met name in het geval van een gerechtelijk bevel.

3.

Onverminderd deze overeenkomst en het statuut, geschiedt de tenuitvoerlegging volgens het recht van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de tenuitvoerlegging plaatsvindt. Elke beslissing van het Gerecht wordt onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een beslissing gedaan in de overeenkomstsluitende lidstaat waar de tenuitvoerlegging plaatsvindt.

4.

Indien een partij voorwaarden van een bevel van het Gerecht niet opvolgt, kan haar een dwangsom worden opgelegd, die aan het Gerecht dient te worden betaald. De dwangsom dient in verhouding te staan tot het belang van het ten uitvoer te leggen bevel en laat het recht van de partij schadevergoeding of zekerheid te vorderen onverlet.

DEEL IV. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 83. Overgangsregeling

1.

Gedurende een overgangsperiode van zeven jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, kan een vordering inzake inbreuk op, of tot nietigverklaring van een Europees octrooi, dan wel een vordering inzake inbreuk op, of tot nietigverklaring van een aanvullend beschermingscertificaat dat is afgegeven voor een door een Europees octrooi beschermd product, nog bij nationale gerechten of andere bevoegde nationale autoriteiten worden ingesteld.

2.

Vorderingen die aan het einde van de overgangsperiode voor een nationale rechter aanhangig zijn, blijven door het verstrijken van de overgangsperiode onverlet.

3.

Tenzij reeds een vordering bij het Gerecht is ingesteld, kan de houder of de aanvrager van een Europees octrooi dat vóór het einde van de in het eerste lid of, in voorkomend geval, het vijfde lid bedoelde overgangsperiode is verleend of aangevraagd, alsmede de houder van een aanvullend beschermingscertificaat dat is afgegeven voor een door een Europees octrooi beschermd product, zich aan de exclusieve bevoegdheid van het Gerecht onttrekken. Hij stuurt te dien einde, uiterlijk één maand voor het verstrijken van de overgangsperiode, een daartoe strekkende kennisgeving aan de Griffie. De kennisgeving is van kracht vanaf de datum van inschrijving in het register.

4.

Tenzij een vordering reeds bij de nationale rechter is ingesteld, kan de houder of de aanvrager van een Europees octrooi, dan wel de houder van een aanvullend beschermingscertificaat dat voor een door een Europees octrooi beschermd product is afgegeven, die gebruik heeft gemaakt van de in het derde lid bedoelde mogelijkheid, zijn onttrekking aan de exclusieve bevoegdheid te allen tijde ongedaan maken. In dat geval stelt hij de Griffie daarvan in kennis. De ongedaanmaking van de onttrekking werkt vanaf de inschrijving van de desbetreffende mededeling in het register.

5.

Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst wordt door het Bestuurscomité breed overleg gevoerd met de gebruikers van het octrooisysteem en wordt nagegaan hoeveel Europese octrooien en aanvullende beschermingscertificaten die voor een door een Europees octrooi beschermd product zijn afgegeven nog overeenkomstig het eerste lid het voorwerp zijn van vorderingen wegens inbreuk of tot nietigverklaring bij een nationaal gerecht en wat de redenen hiervoor zijn en de consequenties. Op basis van het overleg en op advies van het Gerecht kan het Bestuurscomité besluiten de overgangsperiode met ten hoogste zeven jaar te verlengen.

DEEL V. SLOTBEPALINGEN

Artikel 84. Ondertekening, bekrachtiging en toetreding

1.

Deze overeenkomst staat open voor ondertekening door alle lidstaten op 19 februari 2013.

2.

Deze overeenkomst wordt bekrachtigd overeenkomstig de onderscheiden grondwettelijke vereisten van de lidstaten. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie (hierna genoemd „de depositaris”).

3.

Elke lidstaat die deze overeenkomst heeft ondertekend stelt op het tijdstip van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging de Europese Commissie in kennis van deze bekrachtiging, overeenkomstig artikel 18, derde lid, van Verordening (EU) nr. 1257/2012.

4.

Deze overeenkomst staat open voor toetreding door alle lidstaten. De akten van toetreding worden bij de depositaris nedergelegd.

Artikel 85. Taken van de depositaris

1.

De depositaris vervaardigt voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van deze overeenkomst en doet deze aan de regeringen van alle ondertekenende of toetredende lidstaten toekomen.

2.

De depositaris stelt de regeringen van de ondertekenende en de toetredende lidstaten in kennis van:

  • a. elke ondertekening;
  • b. de nederlegging van elke akte van bekrachtiging of toetreding;
  • c. de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.
3.

De depositaris laat deze overeenkomst registreren bij het secretariaat van de Verenigde Naties.

Artikel 86. Duur van de overeenkomst

Deze overeenkomst is voor onbeperkte tijd gesloten.

Artikel 87. Herziening

1.

Zeven jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst of zodra het Gerecht 2000 inbreukzaken heeft behandeld, al naargelang welke datum het laatst valt, en zo nodig vervolgens met regelmatige tussenpozen, wordt door het Bestuurscomité een uitgebreide raadpleging van de gebruikers van het octrooisysteem gehouden over het functioneren, de doeltreffendheid en de kosteneffectiviteit van het Gerecht en over het vertrouwen van de gebruikers van het octrooisysteem in de kwaliteit van de beslissingen van het Gerecht. Op basis van deze raadpleging en een advies van het Gerecht kan het Bestuurscomité besluiten deze overeenkomst te herzien teneinde het functioneren van het Gerecht te verbeteren.

2.

Het Bestuurscomité kan deze overeenkomst wijzigen om haar in overeenstemming te brengen met een internationaal verdrag betreffende octrooien of met het recht van de Unie.

3.

Een op grond van het eerste en tweede lid genomen besluit van het Bestuurscomité treedt niet in werking indien een overeenkomstsluitende lidstaat binnen twaalf maanden na de datum van het besluit volgens de toepasselijke interne besluitvormingsprocedures verklaart niet door het besluit gebonden te willen zijn. In dat geval wordt een herzieningsconferentie van de overeenkomstsluitende lidstaten bijeengeroepen.

Artikel 88. Talen van de overeenkomst

1.

Deze overeenkomst wordt in één oorspronkelijk exemplaar in de Engelse, de Franse en de Duitse taal opgesteld, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

2.

De teksten van deze overeenkomst in andere officiële talen van andere overeenkomstsluitende lidstaten dan genoemd in het eerste lid, worden, indien zij door het Bestuurscomité zijn goedgekeurd, beschouwd als officiële teksten. Bij verschillen tussen de diverse teksten zijn de in het eerste lid bedoelde teksten doorslaggevend.

Artikel 89. Inwerkingtreding

1.

Deze overeenkomst treedt in werking op 1 januari 2014 of op de eerste dag van de vierde maand na de nederlegging van de dertiende akte van bekrachtiging of toetreding overeenkomstig artikel 84, met inbegrip van de akten van de drie overeenkomstsluitende lidstaten waar het grootste aantal Europese octrooien van kracht was in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de overeenkomst wordt ondertekend, of op de eerste dag van de vierde maand na de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1215/2012 inzake de verhouding van de verordening tot deze overeenkomst, al naargelang welke datum het laatst valt.

2.

Elke bekrachtiging of toetreding na de inwerkingtreding van deze overeenkomst wordt van kracht op de eerste dag van de vierde maand na de nederlegging van de akte van bekrachtiging of toetreding.

Artikel 1. Toepassingsgebied van het statuut

Dit statuut bevat de institutionele en financiële regelingen voor het bij artikel 1 van de overeenkomst ingestelde Eengemaakt Octrooigerecht.

HOOFDSTUK 1. RECHTERS

Artikel 2. Selectiecriteria voor rechters

1.

Een ieder die onderdaan is van een overeenkomstsluitende lidstaat en aan de in artikel 15 van de overeenkomst en de in dit statuut vervatte selectiecriteria voldoet, kan tot rechter worden benoemd.

2.

De rechters hebben een goede kennis van ten minste één officiële taal van het Europees Octrooibureau.

3.

De ervaring op het gebied van beslechting van octrooigeschillen, die voor de benoeming overeenkomstig artikel 15, eerste lid, van de overeenkomst dient te worden aangetoond, kan worden verkregen door opleiding in de zin van artikel 11, vierde lid, onder a, van dit statuut.

Artikel 3. Benoeming van rechters

1.

De rechters worden benoemd volgens de procedure vervat in artikel 16 van de overeenkomst.

2.

De vacatures worden openbaar gemaakt onder vermelding van de in artikel 2 vervatte toepasselijke selectiecriteria. Het Raadgevend Comité verstrekt advies over de geschiktheid van de kandidaten voor het vervullen van de taken van rechters van het Gerecht. Aan het advies wordt een lijst met de meest geschikte kandidaten gehecht. De lijst bevat ten minste tweemaal zoveel kandidaten als vacatures. Het Raadgevend Comité kan zo nodig, voordat er een besluit over de benoeming wordt genomen, adviseren een kandidaat een opleiding op het gebied van beslechting van octrooigeschillen overeenkomstig artikel 11, vierde lid, onder a, te laten volgen.

3.

Bij de benoeming van de rechters ziet het Bestuurscomité erop toe dat de te benoemen kandidaat over de beste juridische en technische deskundigheid beschikt alsmede op een uit geografisch oogpunt zo evenwichtig mogelijke samenstelling van het Gerecht uit onderdanen van de overeenkomstsluitende lidstaten.

4.

Het Bestuurscomité benoemt zoveel rechters als nodig is om het Gerecht goed te laten functioneren. In eerste instantie benoemt het Bestuurscomité het aantal rechters dat nodig is om ten minste één panel in elke divisie van het Gerecht van Eerste Aanleg en ten minste twee panels in het Hof van Beroep op te richten.

5.

In het besluit van het Bestuurscomité tot benoeming van de juridisch geschoolde voltijd- of deeltijdrechters en technisch geschoolde voltijdrechters wordt vermeld bij welke instantie van het Gerecht en/of divisie van het Gerecht van Eerste Aanleg elke rechter wordt benoemd en voor welk gebied van de technologie de benoeming van de technisch geschoolde rechter geldt.

6.

De technisch geschoolde deeltijdrechters worden benoemd tot rechter bij het Gerecht en op basis van hun specifieke kwalificaties en ervaring opgenomen in de pool van rechters. Met de benoeming van deze rechters wordt gewaarborgd dat alle gebieden van de technologie worden bestreken.

Artikel 4. Ambtstermijn van de rechters

1.

De rechters worden benoemd voor een ambtstermijn van zes jaar, die aanvangt op de in het benoemingsbesluit bepaalde datum. Zij kunnen worden herbenoemd.

2.

Indien geen datum is bepaald, vangt de termijn aan op de datum van het benoemingsbesluit.

Artikel 5. Benoeming van de leden van het Raadgevend Comité

1.

Elke overeenkomstsluitende lidstaat draagt een lid van het Raadgevend Comité voor dat voldoet aan de in artikel 14, tweede lid, van de overeenkomst genoemde vereisten.

2.

De leden van het Raadgevend Comité worden met algehele instemming benoemd door het Bestuurscomité.

Artikel 6. Eed

Alvorens hun ambt te aanvaarden, verklaren de rechters tijdens een openbare zitting onder ede dat zij hun taak onpartijdig en gewetensvol zullen uitoefenen en de geheimhouding van de beraadslagingen van het Gerecht zullen waarborgen.

Artikel 7. Onpartijdigheid

1.

De rechters ondertekenen meteen na de eedaflegging een verklaring waarin zij plechtig beloven gedurende hun ambtstermijn en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen en in het bijzonder zich integer te gedragen en discretie te zullen betrachten bij het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van hun ambtstermijn.

2.

De rechters mogen niet deelnemen aan de behandeling van een zaak waarin zij:

  • a. hebben deelgenomen als adviseur;
  • b. partij zijn geweest of voor een van de partijen zijn opgetreden;
  • c. verzocht zijn zich uit te spreken als lid van een hof, rechtbank, raad van beroep, arbitrage- of mediationpanel, onderzoekscommissie of in elke andere hoedanigheid;
  • d. een persoonlijk of financieel belang hebben bij de zaak of banden hebben met een van de partijen; of
  • e. familiebanden hebben met een van de partijen of vertegenwoordigers van de partijen.
3.

Een rechter die om een bijzondere reden meent niet te kunnen deelnemen aan de behandeling of het onderzoek van een bepaalde zaak, deelt dit mee aan de president van het Hof van Beroep of, in het geval hij rechter is bij het Gerecht van Eerste Aanleg, aan de president van het Gerecht van Eerste Aanleg. Indien de president van het Hof van Beroep of, in het geval van een rechter van het Gerecht van Eerste Aanleg, de president van het Gerecht van Eerste Aanleg van oordeel is dat een rechter om een bijzondere reden in een bepaalde zaak niet dient deel te nemen aan de beraadslaging of de beslissing, stelt de president van het Hof van Beroep of de president van het Gerecht van Eerste Aanleg deze rechter schriftelijk dienovereenkomstig in kennis.

4.

Elke procespartij kan een rechter wraken op een van de in het tweede lid genoemde gronden of indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de rechter partijdig is.

5.

Alle geschillen die voortkomen uit de toepassing van dit artikel worden beslecht bij besluit van het presidium, overeenkomstig het procesreglement. De betrokken rechter wordt gehoord, maar neemt niet deel aan de beraadslagingen.

Artikel 8. Immuniteit van de rechters

1.

De rechters worden gevrijwaard van rechtsvervolging. Na de nederlegging van hun ambt blijven zij immuniteit genieten met betrekking tot handelingen die zij in hun officiële hoedanigheid hebben verricht.

2.

Het presidium kan de immuniteit opheffen.

3.

Ingeval tegen een rechter wiens immuniteit is opgeheven strafvervolging wordt ingesteld, kan die rechter in elk van de overeenkomstsluitende lidstaten slechts worden berecht door de instantie die bevoegd is tot berechting van de leden van het hoogste nationale rechtscollege.

4.

Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is op de rechters van het Gerecht van toepassing, onverminderd de in dit statuut vervatte bepalingen betreffende de vrijwaring van rechters van rechtsvervolging.

Artikel 9. Beëindiging van de ambtsuitoefening

1.

Behalve door vervanging na het verstrijken van de ambtstermijn in de zin van artikel 4, of door overlijden, eindigt de ambtsuitoefening van een rechter wanneer hij ontslag neemt.

2.

Een rechter die ontslag neemt, richt daartoe een brief aan de president van het Hof van Beroep of, in het geval van rechters van het Gerecht van Eerste Aanleg, aan de president van het Gerecht van Eerste Aanleg, ter doorzending aan de voorzitter van het Bestuurscomité.

3.

Behoudens in gevallen waarin artikel 10 van toepassing is, blijft elke rechter in functie totdat zijn opvolger aantreedt.

4.

Elke vacature wordt vervuld door benoeming van een nieuwe rechter voor de resterende ambtstermijn van zijn voorganger.

Artikel 10. Ontheffing uit het ambt

1.

Een rechter kan slechts uit zijn ambt worden ontheven of het recht op andere voordelen worden ontzegd, indien het presidium van oordeel is dat deze rechter niet langer aan de gestelde voorwaarden of aan de uit zijn ambt voortvloeiende verplichtingen voldoet. De betrokken rechter wordt gehoord, maar neemt geen deel aan de beraadslagingen.

2.

De griffier van het Gerecht doet deze beslissing toekomen aan de voorzitter van het Bestuurscomité.

3.

In geval van een beslissing waarbij een rechter van zijn ambt wordt ontheven, ontstaat bij die kennisgeving een vacature.

Artikel 11. Opleiding

1.

Binnen het kader van het in artikel 19 van de overeenkomst bedoelde opleidingsprogramma, wordt een passende, periodieke opleiding van rechters verzorgd. Het presidium stelt de opleidingsvoorschriften vast waarmee de uitvoering en de algehele samenhang van het opleidingsprogramma worden gewaarborgd.

2.

Het opleidingsprogramma voorziet in een platform voor de uitwisseling van kennis en in een discussieforum, met name door:

  • a. het organiseren van cursussen, conferenties, seminars, workshops en symposia;
  • b. samenwerking met internationale organisaties en opleidingsinstituten op het gebied van de bescherming van de intellectuele eigendom; en
  • c. het bevorderen en ondersteunen van verdere beroepsopleiding.
3.

Een jaarlijks werkprogramma en opleidingsrichtlijnen worden opgesteld, bestaande uit een jaarlijks opleidingsprogramma voor elke rechter, waarmee wordt voorzien in zijn volgens de opleidingsvoorschriften vastgestelde opleidingsbehoeften.

4.

Voorts voorziet het opleidingsprogramma in:

  • a. passende opleiding van kandidaat-rechters en pas benoemde rechters van het Gerecht;
  • b. ondersteunende projecten ter vereenvoudiging van de samenwerking tussen partijvertegenwoordigers, octrooigemachtigden en het Gerecht.

Artikel 12. Bezoldiging

Het Bestuurscomité stelt de bezoldiging vast van de president van het Hof van Beroep, de president van het Gerecht van Eerste Aanleg, de rechters, de griffier, de plaatsvervangend griffier en het personeel.

HOOFDSTUK II. ORGANISATORISCHE BEPALINGEN

AFDELING 1. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 13. De president van het Hof van Beroep

1.

De president van het Hof van Beroep wordt door alle rechters van het Hof van Beroep uit hun midden gekozen voor een ambtstermijn van drie jaar. De president van het Hof van Beroep is tweemaal herkiesbaar.

2.

De verkiezing van de president van het Hof van Beroep geschiedt bij geheime stemming. Verkozen wordt de rechter die de absolute meerderheid van stemmen heeft verkregen. Indien geen van de rechters de absolute meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan en is de rechter die de meeste stemmen krijgt verkozen.

3.

De president van het Hof van Beroep leidt de rechterlijke werkzaamheden en de administratie van het Hof van Beroep en zit de beraadslagingen van het Hof van Beroep in voltallige zitting voor.

4.

Indien het ambt van president van het Hof van Beroep vóór het verstrijken van de ambtstermijn vacant wordt, wordt voor het resterende gedeelte van de termijn een opvolger gekozen.

Artikel 14. De president van het Gerecht van Eerste Aanleg

1.

De president van het Gerecht van Eerste Aanleg wordt door alle voltijdrechters van het Gerecht van Eerste Aanleg uit hun midden gekozen voor een ambtstermijn van drie jaar. De president van het Gerecht van Eerste Aanleg is tweemaal herkiesbaar.

2.

De eerste president van het Gerecht van Eerste Aanleg is een onderdaan van de overeenkomstsluitende lidstaat waar de centrale divisie zetelt.

3.

De president van het Gerecht van Eerste Aanleg leidt de rechterlijke werkzaamheden en de administratie van het Gerecht van Eerste Aanleg.

4.

Artikel 13, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de president van het Gerecht van Eerste Aanleg.

Artikel 15. Presidium

1.

Het presidium bestaat uit de president van het Hof van Beroep, die als voorzitter optreedt, de president van het Gerecht van Eerste Aanleg, twee rechters van het Hof van Beroep die uit hun midden zijn gekozen, drie voltijdrechters van het Gerecht van Eerste Aanleg die uit hun midden zijn gekozen, en de griffier als niet-stemgerechtigd lid.

2.

Het presidium verricht zijn taken in overeenstemming met dit statuut. Onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheden kan het bepaalde taken delegeren aan een van zijn leden.

3.

Het presidium is belast met het beheer van het Gerecht en, in het bijzonder:

  • a. stelt het voorstellen op tot wijziging van het procesreglement overeenkomstig artikel 41 van de overeenkomst en voorstellen betreffende het financieel reglement van het Gerecht;
  • b. stelt het de jaarlijkse begroting, de jaarrekeningen en het jaarverslag van het Gerecht op en legt deze voor aan bij het Begrotingscomité;
  • c. stelt het de richtlijnen voor het opleidingsprogramma voor rechters vast en ziet het toe op de uitvoering ervan;
  • d. neemt het besluiten omtrent de benoeming en de ontzetting uit het ambt van griffier en van plaatsvervangend griffier;
  • e. stelt het de regels voor de griffie, met inbegrip van de subgriffies vast;
4.

De in de artikelen 7, 8, 10 en 22 genoemde besluiten van het presidium worden genomen zonder dat de griffier eraan deelneemt.

5.

Het presidium kan slechts geldig beslissen, indien alle leden aanwezig zijn of naar behoren zijn vertegenwoordigd. Er wordt beslist bij meerderheid van stemmen.

Artikel 16. Personeel

1.

De ambtenaren en andere personeelsleden van het Gerecht hebben tot taak de president van het Hof van Beroep, de president van het Gerecht van Eerste Aanleg, de rechters en de griffier bij te staan. Zij leggen verantwoording af aan de griffier, onder het gezag van de president van het Hof van Beroep en de president van het Gerecht van Eerste Aanleg.

2.

Het Bestuurscomité stelt het reglement voor de ambtenaren en andere personeelsleden van het Gerecht vast.

Artikel 17. Reces

1.

De president van het Hof van Beroep stelt na overleg met het presidium de duur van de recessen en de voorschriften met betrekking tot de naleving van de officiële feestdagen vast.

2.

Tijdens de recessen kunnen de taken van de president van het Hof van Beroep en president van het Gerecht van Eerste Aanleg worden verricht door elke rechter die daartoe door de desbetreffende president wordt aangezocht. De president van het Hof van Beroep kan de rechters in dringende gevallen bijeenroepen.

3.

De president van het Hof van Beroep of de president van het Gerecht van Eerste Aanleg kan, indien de omstandigheden dat vergen, verlof verlenen aan respectievelijk de rechters van het Hof van Beroep of de rechters van het Gerecht van Eerste Aanleg.

AFDELING 2. HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

Artikel 18. Oprichting en opheffing van een lokale of regionale divisie

1.

Een verzoek van een of meer overeenkomstsluitende lidstaten om oprichting van een lokale of regionale divisie wordt gericht aan de voorzitter van het Bestuurscomité. In dit verzoek wordt de zetel van de lokale of regionale divisie vermeld.

2.

In het besluit van het Bestuurscomité tot oprichting van een lokale of regionale divisie wordt het aantal rechters voor de desbetreffende divisie vermeld; het besluit wordt openbaar gemaakt.

3.

Op verzoek van de overeenkomstsluitende lidstaat op het grondgebied waarvan de lokale divisie gevestigd is of van de overeenkomstsluitende lidstaten die aan de regionale divisie deelnemen, besluit het Bestuurscomité tot opheffing van een regionale of lokale divisie. In het besluit tot opheffing van een lokale of regionale divisie worden zowel de datum vermeld waarna geen nieuwe zaken bij de divisie aanhangig kunnen worden gemaakt als de datum waarop de divisie ophoudt te bestaan.

4.

Vanaf de datum waarop een lokale of regionale divisie ophoudt te bestaan, worden de bij deze lokale of regionale divisie aangestelde rechters aangesteld bij de centrale divisie, en worden zaken die nog bij die lokale of regionale divisie aanhangig zijn, alsmede de subgriffie en alle stukken, aan de centrale divisie overgedragen.

Artikel 19. Panels

1.

De toewijzing van rechters en de toewijzing van zaken aan de panels binnen een divisie wordt geregeld in het procesreglement. Een rechter van het panel wordt overeenkomstig het procesreglement als voorzitter aangewezen.

2.

Overeenkomstig het procesreglement kan het panel bepaalde taken aan een of meer van zijn rechters delegeren.

3.

Overeenkomstig het procesreglement kan voor elke divisie een vaste rechter voor de behandeling van urgente zaken worden aangewezen.

4.

Indien een alleensprekend rechter in de zin van artikel 8, zevende lid, van de overeenkomst, of een vaste rechter in de zin van het derde lid van dit artikel, een zaak behandelt, verricht hij alle functies van een panel.

5.

Eén rechter van het panel treedt op als rapporteur, overeenkomstig het procesreglement.

Artikel 20. Pool van rechters

1.

De griffier stelt een lijst op met de namen van de rechters die deel uitmaken van de pool van rechters. De lijst vermeldt voor elke rechter ten minste de talenkennis, het gebied van de technologie en de ervaring daarmee, alsmede de reeds door hem behandelde zaken.

2.

Het verzoek aan de president van het Gerecht van Eerste Aanleg tot aanwijzing van een rechter uit de pool van rechters bevat met name het onderwerp van de zaak, de door de rechters van de panels gebruikte officiële taal van het Europees Octrooibureau, de procestaal en het gebied van de technologie waarvoor de rechter dient te zijn opgeleid.

AFDELING 3. HET HOF VAN BEROEP

Artikel 21. Panels

1.

De toewijzing van rechters en de toewijzing van zaken aan de panels worden geregeld in het procesreglement. Eén rechter van het panel wordt overeenkomstig het procesreglement benoemd tot voorzitter.

2.

Indien een zaak van uitzonderlijk belang is, en met name wanneer de beslissing gevolgen kan hebben voor de eenheid en consistentie van de jurisprudentie van het Gerecht, kan het Hof van Beroep op voorstel van de voorzitter besluiten de zaak te verwijzen naar het Hof in voltallige zitting.

3.

Overeenkomstig het procesreglement kan het panel bepaalde taken aan een of meer van zijn rechters delegeren.

4.

Eén rechter van het panel treedt op als rapporteur, overeenkomstig het procesreglement.

AFDELING 4. DE GRIFFIE

Artikel 22. Benoeming en ontzetting uit het ambt van griffier

1.

Het presidium benoemt de griffier van het Gerecht voor een termijn van zes jaar. De griffier kan worden herbenoemd.

2.

Twee weken voor de datum van de benoeming van de griffier stelt de president van het Hof van Beroep het presidium in kennis van de voor het ambt ingediende sollicitaties.

3.

Voor zijn aantreden legt de griffier voor het presidium de eed af dat hij zijn taken als griffier onpartijdig en gewetensvol zal uitoefenen.

4.

De griffier kan uitsluitend uit zijn ambt worden ontzet indien hij niet langer aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen voldoet. Het presidium neemt een besluit na de griffier te hebben gehoord.

5.

Indien het ambt van griffier vóór het verstrijken van de ambtstermijn vacant wordt, benoemt het presidium een nieuwe griffier voor een termijn van zes jaar.

6.

Bij afwezigheid of verhindering, of indien het ambt vacant is, wijst de president van het Hof van Beroep, na het presidium te hebben geraadpleegd, een personeelslid van het Hof aan dat de taken van de griffier zal verrichten.

Artikel 23. Taken van de griffier

1.

De griffier staat het Gerecht, de president van het Hof van Beroep, de president van het Gerecht van Eerste Aanleg en de rechters bij, in de uitoefening van hun taken. De griffier is verantwoordelijk voor de organisatie en de werkzaamheden van de Griffie onder het gezag van de president van het Hof van Beroep.

2.

De griffier is in het bijzonder verantwoordelijk voor:

  • a. het bijhouden van het register van alle zaken voor het Gerecht;
  • c. het bijhouden en publiceren van de lijst van kennisgevingen omtrent onttrekking aan de exclusieve bevoegdheid en de ongedaanmaking daarvan overeenkomstig artikel 83 van de overeenkomst;
  • d. het publiceren van de beslissingen van het Gerecht, onder voorbehoud van de bescherming van vertrouwelijke informatie;
  • e. het publiceren van jaarverslagen met statistische gegevens; en
  • f. het verzekeren dat het Europees Octrooibureau in kennis wordt gesteld van de informatie over onttrekking aan de exclusieve bevoegdheid in de zin van artikel 83 van de overeenkomst.

Artikel 24. Bijhouden van het register

1.

In de door het presidium vastgestelde regels voor de Griffie worden gedetailleerde voorschriften voor het bijhouden van het register van het Gerecht vastgelegd.

2.

De voorschriften betreffende toegang tot stukken van de Griffie worden opgenomen in het procesreglement.

Artikel 25. Subgriffies en plaatsvervangend griffier

1.

Een plaatsvervangend griffier wordt door het presidium benoemd voor een termijn van zes jaar. De plaatsvervangend griffier kan worden herbenoemd.

2.

Het tweede tot en met zesde lid van artikel 22 zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

De plaatsvervangend griffier is verantwoordelijk voor de organisatie en de werkzaamheden van de subgriffies onder het gezag van de griffier en de president van het Gerecht van Eerste Aanleg. De plaatsvervangend griffier heeft met name tot taak:

  • a. het bijhouden van het register van alle zaken voor het Gerecht van Eerste Aanleg;
  • b. kennisgeving aan de Griffie van elke zaak voor het Gerecht van Eerste Aanleg.
4.

De plaatsvervangend griffier verleent ook administratieve en secretariële ondersteuning aan de divisies van het Gerecht van Eerste Aanleg.

HOOFDSTUK III. FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 26. Begroting

1.

De begroting wordt op voorstel van het presidium door het Begrotingscomité vastgesteld. Zij wordt opgesteld overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudkundige grondslagen vastgelegd in het overeenkomstig artikel 33 opgestelde financieel reglement.

2.

Binnen de begroting kan het presidium, overeenkomstig het financieel reglement, financiële middelen verschuiven tussen de diverse hoofdstukken en onderverdelingen.

3.

De griffier is overeenkomstig het financieel reglement verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting.

4.

De griffier stelt jaarlijks een jaarrekening op over de uitvoering van de begroting in het voorgaande begrotingsjaar. Deze jaarrekening wordt goedgekeurd door het presidium.

Artikel 27. Machtiging tot uitgaven

1.

Voor de in de begroting opgenomen uitgaven wordt machtiging verleend voor de duur van één begrotingsjaar, tenzij het financieel reglement anders bepaalt.

2.

Overeenkomstig het financieel reglement kunnen andere gelden dan voor personeelskosten die aan het eind van het begrotingsjaar niet zijn besteed, uiterlijk naar het eind van het volgende begrotingsjaar worden verschoven.

3.

Reserveringen worden opgenomen in verschillende hoofdstukken naar aard en bestemming van de uitgaven en worden, voor zover nodig, verder onderverdeeld in overeenstemming met het financieel reglement.

Artikel 28. Reserveringen voor onvoorziene uitgaven

1.

Op de begroting van het Gerecht kunnen gelden worden gereserveerd voor onvoorziene uitgaven.

2.

De besteding van deze gelden door het Gerecht is onderworpen aan voorafgaande toestemming van het Begrotingscomité.

Artikel 29. Begrotingsjaar

Het begrotingsjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 30. Opstelling van de begroting

Het presidium legt aan het Begrotingscomité de ontwerpbegroting van het Gerecht voor uiterlijk op de in het financieel reglement voorgeschreven datum.

Artikel 31. Voorlopige begroting

1.

Indien aan het begin van het begrotingsjaar de begroting niet door het Begrotingscomité is vastgesteld, kunnen de uitgaven maandelijks per hoofdstuk of volgens een andere onderverdeling van de begroting worden verricht in overeenstemming met het financieel reglement, tot ten hoogste een twaalfde van op de begroting van het voorafgaande begrotingsjaar toegestane gelden, mits de aldus aan het presidium beschikbaar gestelde gelden niet meer bedragen dan een twaalfde van de in de ontwerpbegroting voorziene gelden.

2.

Het Begrotingscomité kan, onder voorbehoud van de overige bepalingen van het eerste lid, machtiging verlenen voor uitgaven die een twaalfde van de begrotingsreserveringen voor het voorafgaande begrotingsjaar te boven gaan.

Artikel 32. Accountantscontrole

1.

De financiële jaarverslagen van het Gerecht worden door onafhankelijke accountants gecontroleerd. De accountants worden benoemd en, zo nodig, ontslagen door het Begrotingscomité.

2.

Uit de controle, die gebaseerd is op professionele auditingnormen en zo nodig ter plaatse wordt verricht, dient te blijken dat de begroting op rechtmatige en juiste wijze is uitgevoerd en dat de financiële administratie van het Gerecht overeenkomstig de beginselen van spaarzaamheid en gezond financieel beheer is gevoerd. Aan het eind van elk begrotingsjaar stellen de accountants een verslag op met een ondertekende accountantsverklaring.

3.

Het presidium legt de financiële jaarverslagen van het Gerecht en de jaarlijkse verklaring over de uitvoering van de begroting voor het voorafgaande begrotingsjaar voor bij het Begrotingscomité, alsmede het accountantsverslag.

4.

Het Begrotingscomité keurt de jaarrekening en het accountantsverslag goed en verleent kwijting aan het presidium voor de uitvoering van de begroting.

Artikel 33. Financieel reglement

1.

Het financieel reglement wordt door het Bestuurscomité vastgesteld. Het wordt op voorstel van het Gerecht gewijzigd door het Bestuurscomité.

2.

Het financieel reglement behelst met name:

  • a. voorschriften voor het opstellen en uitvoeren van de begroting en voor de wijze waarop over de rekeningen verantwoording dient te worden afgelegd;
  • b. de wijze waarop en procedure volgens welke de betalingen en bijdragen, inclusief de eerste financiële bijdragen als bedoeld in artikel 37 van de overeenkomst, aan het Gerecht ter beschikking dienen te worden gesteld;
  • c. de voorschriften betreffende de taken van de controlerende en met de boekhouding belaste ambtenaren alsmede het op hen uit te oefenen toezicht; en
  • d. de algemeen aanvaarde boekhoudkundige grondslagen waarop de begroting en de financiële jaarverslagen worden gebaseerd.

HOOFDSTUK IV. PROCEDUREVOORSCHRIFTEN

Artikel 34. Geheimhouding van de beraadslagingen

De beraadslagingen van het Gerecht zijn en blijven geheim.

Artikel 35. Beslissingen

1.

Wanneer een panel met een even aantal rechters zitting houdt, worden beslissingen van het Gerecht genomen door een meerderheid van het panel. Bij staking van de stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

2.

In geval van verhindering van een van de rechters van een panel kan, overeenkomstig het procesreglement, een rechter die deel uitmaakt van een ander panel worden verzocht deel te nemen.

3.

In de gevallen waarin dit statuut bepaalt dat het Hof van Beroep in voltallige zitting een beslissing neemt, is deze beslissing slechts geldig indien zij genomen is door ten minste drie vierde van het aantal rechters waaruit een voltallige zitting bestaat.

4.

De beslissingen van het Gerecht bevatten de namen van de rechters die in de zaak een beslissing hebben genomen.

5.

De beslissingen worden ondertekend door de rechters die bij de beslissing betrokken zijn geweest. De beslissingen van het Hof van Beroep worden ondertekend door de griffier en de beslissingen van het Gerecht van Eerste Aanleg door de plaatsvervangend griffier. Zij worden in openbare zitting uitgesproken.

Artikel 36. Afwijkende meningen

Een afwijkende mening dat door een rechter van een panel afzonderlijk wordt ingenomen overeenkomstig artikel 78 van de overeenkomst wordt door die rechter met redenen omkleed, schriftelijk ingediend en ondertekend.

Artikel 37. Beslissing bij verstek

1.

Op verzoek van een procespartij kan overeenkomstig het procesreglement een beslissing bij verstek worden genomen indien de andere partij, nadat haar een dagvaarding of gelijkwaardig document is betekend, nalaat schriftelijke conclusies in te dienen of niet verschijnt tijdens de mondelinge behandeling. Tegen deze beslissing bij verstek kan binnen een maand na de betekening ervan aan de partij waartegen deze is gedaan in verzet gekomen worden.

2.

Tenzij het Gerecht anders beslist, heeft het verzet geen schorsende werking ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de beslissing bij verstek.

Artikel 38. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie

1.

De door het Hof van Justitie van de Europese Unie vastgestelde procedures voor verzoeken om een prejudiciële uitspraak binnen de Europese Unie zijn van toepassing.

2.

Indien het Gerecht van Eerste Aanleg of het Hof van Beroep besloten heeft aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een vraag voor te leggen over de uitlegging van het Verdrag betreffende de Europese Unie of het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of een vraag over de geldigheid of de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Europese Unie, schort het de procedure op.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Agreement,

DONE at Brussels on 19 February 2013 in English, French and German, all three texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the General Secretariat of the Council of the European Union.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)