Algemeen Reglement van de Wereldpostunie

Type Verdrag
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 60
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

(Herschikking, aangenomen door het Congres van Doha 2012)

Gelet op artikel 22.2 van de op 10 juli 1964 te Wenen tot stand gekomen Constitutie van de Wereldpostunie, hebben de ondergetekenden, gevolmachtigden van de Regeringen van de lidstaten van de Unie, in gemeenschappelijk overleg en onder voorbehoud van artikel 25.4 van genoemde Constitutie, in dit Algemeen Reglement de volgende bepalingen vastgelegd die borg staan voor de toepassing van de Constitutie en het functioneren van de Unie.

HOOFDSTUK I. ORGANISATIE, TAKEN EN FUNCTIONEREN VAN CONGRESSEN, DE RAAD VAN BESTUUR, DE POSTRAAD EN DE ADVIESCOMMISSIE

DEEL 1. CONGRES

Artikel 101. Organisatie en bijeenroepen van Congressen en buitengewone Congressen (Const. 14, 15)

1.

Uiterlijk vier jaar na het einde van het jaar gedurende welk het voorgaande Congres heeft plaatsgevonden, komen de vertegenwoordigers van de lidstaten in Congres bijeen.

2.

Elke lidstaat laat zich bij het Congres vertegenwoordigen door een of meerdere gevolmachtigden die door hun Regering met de benodigde bevoegdheden zijn bekleed. Een lidstaat kan zich indien nodig laten vertegenwoordigen door de delegatie van een andere lidstaat. Een delegatie kan naast haar eigen land evenwel slechts één ander land vertegenwoordigen.

3.

In beginsel wijst elk Congres het land aan waarin het volgende Congres plaatsvindt. Indien deze aanwijzing praktisch onuitvoerbaar blijkt, is de Raad van Bestuur bevoegd een land aan te wijzen waar het Congres zitting houdt, na overleg met dit land.

4.

Na overleg met het Internationaal Bureau stelt de uitnodigende Regering de definitieve datum en exacte plaats van het Congres vast. In beginsel een jaar voor deze datum zendt de uitnodigende Regering een uitnodiging aan de Regering van elke lidstaat. Deze uitnodiging kan hetzij rechtstreeks aan de Regering worden gericht, hetzij door tussenkomst van een andere Regering of door tussenkomst van de Directeur-Generaal van het Internationaal Bureau.

5.

Wanneer een Congres bijeen moet komen zonder uitnodigende Regering, treft het Internationaal Bureau, met instemming van de Raad van Bestuur en na overleg met de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, de nodige maatregelen om het Congres bijeen te roepen en te organiseren in het land waar de Unie zetelt. In dat geval fungeert het Internationaal Bureau als uitnodigende Regering.

6.

De plaats van bijeenkomst van een buitengewoon Congres wordt, na overleg met het Internationaal Bureau, vastgesteld door de lidstaten die het initiatief voor dat Congres hebben genomen.

7.

De onder 2 tot en met 5 en artikel 102 voorziene bepalingen zijn van dienovereenkomstige toepassing op buitengewone Congressen.

Artikel 102. Stemrecht tijdens Congressen

1.

Bij de beraadslagingen beschikt elk land over één stem, onder voorbehoud van de in artikel 149 bedoelde sancties.

Artikel 103. Taken van het Congres

1.

Op basis van de voorstellen van de lidstaten, de Raad van Bestuur en de Postraad, gaat het Congres over tot:

  • 1.2. bestudering en aanneming, in voorkomend geval, van de door de lidstaten en de Raden overeenkomstig artikel 29 van de Constitutie en artikel 138 van het Algemeen Reglement gedane voorstellen tot wijziging van de Constitutie, van het Algemeen Reglement, van het Verdrag en van de overige verdragen;
  • 1.3. vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de Akten;
  • 1.4. aanneming van het Reglement van Orde en van de wijzigingen hiervan;
  • 1.5. bestudering van de volledige verslagen met betrekking tot de werkzaamheden voorgelegd door respectievelijk de Raad van Bestuur, de Postraad en de Adviescommissie binnen het sinds het voorgaande Congres verstreken tijdvak, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 111, 117 en 125 van het Algemeen Reglement;
  • 1.6. aanneming van de strategie van de Unie;
  • 1.6bis. aanneming van het ontwerp voor het vierjaarlijks werkplan van de Unie;
  • 1.8. verkiezing van de lidstaten die in de Raad van Bestuur en de Postraad zitting hebben, in overeenstemming met, onder andere, de kiesprocedures die zijn vastgelegd in de hierop betrekking hebbende resoluties van het Congres;
  • 1.9. verkiezing van de Directeur-Generaal en de Plaatsvervangend Directeur-Generaal;
  • 1.10. vaststelling, in een resolutie, van het plafond van de door de Unie voor de levering van stukken in het Duits, Chinees, Portugees en Russisch te dragen kosten.
2.

Als hoogste orgaan van de Unie houdt het Congres zich tevens bezig met andere aangelegenheden, in het bijzonder op het gebied van postale diensten.

Artikel 104. Reglement van orde van Congressen

1.

Bij de organisatie van de werkzaamheden en het voeren van overleg hanteert het Congres zijn Reglement van Orde.

2.

Elk Congres kan zijn Reglement van Orde wijzigen volgens de voorwaarden vastgelegd in het Reglement van Orde.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van dienovereenkomstige toepassing op Buitengewone Congressen.

Artikel 105. Waarnemers bij de organen van de Unie

1.

De volgende instanties worden uitgenodigd als waarnemer deel te nemen aan de plenaire zittingen en commissievergaderingen van het Congres, de Raad van Bestuur en de Postraad:

  • 1.1. de Verenigde Naties;
  • 1.2. Beperkte Unies;
  • 1.3. leden van de Adviescommissie;
  • 1.4. instanties die uit hoofde van een resolutie of besluit van het Congres bevoegd zijn vergaderingen van de Unie bij te wonen als waarnemer.
2.

De volgende instanties, indien naar behoren aangewezen door de Raad van Bestuur in overeenstemming met artikel 107.1.12 worden uitgenodigd specifieke bijeenkomsten van het Congres bij te wonen als ad-hocwaarnemer:

  • 2.1. gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties en andere intergouvernementele organisaties;
  • 2.2. elk internationaal orgaan, elke vereniging of onderneming, of elke daarvoor in aanmerking komende persoon.
3.

Naast de waarnemers omschreven onder 1 van dit artikel, kunnen de Adviescommissie en de Postraad in overeenstemming met hun Reglement van Orde ad-hocwaarnemers aanwijzen om hun vergaderingen bij te wonen, indien zulks in het belang is van de Unie en haar organen.

DEEL 2. RAAD VAN BESTUUR

Artikel 106. Samenstelling en functioneren van de Raad van Bestuur

1.

De Raad van Bestuur bestaat uit eenenveertig leden die hun functie gedurende het tijdvak tussen twee opeenvolgende Congressen uitoefenen.

2.

De rol van voorzitter wordt van rechtswege toegekend aan de gastheerlidstaat van het Congres. Indien deze lidstaat afstand doet van dit recht, wordt hij van rechtswege lid en beschikt de geografische groep waartoe hij behoort derhalve over een extra zetel waarop de onder 3 bedoelde beperkingen niet van toepassing zijn. In dat geval kiest de Raad van Bestuur een van de leden die behoren tot de geografische groep waarvan de gastheerlidstaat deel uitmaakt tot voorzitter.

3.

De veertig overige leden van de Raad van Bestuur worden door het Congres gekozen op basis van een billijke geografische spreiding. Ten minste de helft van de leden wordt bij elk Congres vervangen; geen enkele lidstaat kan door drie achtereenvolgende Congressen worden gekozen. Onverminderd het voorgaande wordt één zetel in de geografische groep waartoe lidstaten behoren die worden omschreven als eilandstaten en -gebieden in de Stille Oceaan (conform de relevante lijst die door de Organisatie van de Verenigde Naties is opgesteld) gereserveerd voor die lidstaten.

4.

Elk lid van de Raad van Bestuur benoemt zijn vertegenwoordiger(s). De leden van de Raad van Bestuur nemen metterdaad deel aan zijn activiteiten.

5.

Het lidmaatschap van de Raad van Bestuur is onbezoldigd. De operationele kosten van deze Raad komen ten laste van de Unie.

6.

De Raad van Bestuur omschrijft en formaliseert de Permanente Groepen en Taskforces of overige organen die binnen zijn structuur worden ingesteld en/of zet deze op, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de strategie van de Unie en het bedrijfsplan dat door het Congres is aangenomen.

Artikel 107. Taken van de Raad van Bestuur

1.

De Raad van Bestuur heeft de volgende taken:

  • 1.1. het toezien op alle activiteiten van de Unie tussen Congressen in, rekening houdend met de besluiten van het Congres, door bestudering van de vraagstukken betreffende regeringsbeleid op postaal gebied en rekening houdend met de internationale beleidslijnen inzake regulering, zoals die welke betrekking hebben op de handel in diensten en mededinging;
  • 1.2. het bevorderen, coördineren en toezien op alle vormen van postale technische bijstand in het kader van internationale technische samenwerking;
  • 1.3. het bestuderen van het door het Congres goedgekeurde ontwerp van het vierjarige bedrijfsplan van de Unie en het finaliseren daarvan door de activiteiten vervat in het ontwerp af te stemmen op de feitelijk beschikbare middelen. Dit plan moet, indien van toepassing, tevens afgestemd zijn op de uitkomsten van het door het Congres uitgevoerde prioriteringsproces. Het gefinaliseerde vierjarige bedrijfsplan vormt, na completering en goedkeuring door de Raad van Bestuur, de basis voor de opstelling van het jaarprogramma en de jaarbegroting, alsmede voor de door de Raad van Bestuur en Postraad op te stellen en uit te voeren operationele jaarplannen;
  • 1.4. het bestuderen en goedkeuren van het jaarprogramma, de begroting en de rekeningen van de Unie, gebaseerd op de definitieve versie van het bedrijfsplan van de Unie zoals beschreven in artikel 107.1.3;
  • 1.5. het toestaan, indien de omstandigheden zulks vereisen, van de overschrijding van het uitgavenplafond overeenkomstig artikel 146.3 tot en met 146.5;
  • 1.6. het, op verzoek, toestaan van de keuze van een lagere contributieklasse, overeenkomstig de in artikel 151.5 bedoelde voorwaarden;
  • 1.7. het, op verzoek van een lidstaat, toestaan van de verandering van geografische groep, met inachtneming van de mening van de lidstaten die lid zijn van de betrokken geografische groepen;
  • 1.8. het creëren of schrappen van arbeidsplaatsen bij het Internationaal Bureau die uit de reguliere begroting worden gefinancierd, rekening houdend met de beperkingen die samenhangen met het vastgestelde uitgavenplafond;
  • 1.9. het nemen van beslissingen omtrent met lidstaten te leggen contacten voor het vervullen van zijn taken;
  • 1.10. het, na overleg met de Postraad, nemen van beslissingen omtrent het aangaan van betrekkingen met organisaties die geen waarnemer zijn in de zin van artikel 105.1 en 105.2.1;
  • 1.11. het bestuderen van de verslagen van het Internationaal Bureau over de betrekkingen van de UPU met de andere internationale instanties en het nemen van de door hem opportuun geachte maatregelen met betrekking tot het beheer van deze betrekkingen en het hieraan te geven gevolg;
  • 1.12. het, op een gelegen moment, na overleg met de Postraad en met de Secretaris-Generaal, aanwijzen van gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties, internationale organisaties, verenigingen, bedrijven en personen die als ad-hocwaarnemer worden uitgenodigd om specifieke zittingen van het Congres en van de Commissies bij te wonen wanneer dat in het belang van de Unie is of de werkzaamheden van het Congres ten goede kan komen, en het belasten van de Directeur-Generaal van het Internationaal Bureau met de verzending van de vereiste uitnodigingen;
  • 1.13. het aanwijzen van de lidstaat waar het volgende Congres zitting heeft in het in artikel 101.3 bedoelde geval;
  • 1.14. het, te gelegener tijd en na overleg met de Postraad, vaststellen van het aantal Commissies dat benodigd is om de werkzaamheden van het Congres te verrichten en het vaststellen van hun bevoegdheden;
  • 1.15. het, na overleg met de Postraad en onder voorbehoud van de goedkeuring van het Congres, aanwijzen van de lidstaten die mogelijk:
  • 1.15.1. de positie van vicevoorzitter van het Congres en die van voorzitter en vicevoorzitter van de Commissies op zich kunnen nemen, zo veel mogelijk rekening houdend met een billijke geografische spreiding van de lidstaten;
  • 1.15.2. deel kunnen uitmaken van de Besloten Commissies van het Congres;
  • 1.16. (geschrapt);
  • 1.17. het in het kader van zijn bevoegdheden in overweging nemen en goedkeuren van elke maatregel die nodig is voor het waarborgen en verhogen van de kwaliteit van de internationale postale dienst en deze moderniseren;
  • 1.18. het, op verzoek van het Congres, van de Postraad of van de lidstaten, bestuderen van problemen van bestuurlijke, wetgevende en juridische aard die de Unie of de internationale postale dienst aangaan; het is de taak van de Raad van Bestuur te besluiten op bovengenoemde gebieden of het al dan niet opportuun is tussen de Congressen in de door de lidstaten verzochte studies te ondernemen;
  • 1.19. het doen van voorstellen die ter goedkeuring worden voorgelegd aan hetzij het Congres, hetzij de lidstaten overeenkomstig artikel 142;
  • 1.20. het ter beoordeling aan de Postraad voorleggen van studieonderwerpen, overeenkomstig 113.1.6;
  • 1.21. het, in overleg met de Postraad, beoordelen en goedkeuren van het strategieontwerp dat aan het Congres moet worden voorgelegd;
  • 1.22. het in ontvangst nemen van de voorstellen, de aanbevelingen alsmede de verslagen van de Adviescommissie en hierover beraadslagen, en het bestuderen van de voorstellen en verslagen van laatstgenoemde met het oog op de voorlegging ervan aan het Congres;
  • 1.23. het zorg dragen voor de controle van de activiteiten van het Internationaal Bureau;
  • 1.24. het goedkeuren van de door het Internationaal Bureau opgestelde jaarlijkse verslagen betreffende de activiteiten van de Unie en het financieel beheer en, in voorkomend geval, het leveren van commentaar hierop;
  • 1.25. het vaststellen, wanneer hij zulks nuttig acht, van de beginselen waarmee de Postraad rekening moet houden bij de bestudering van vraagstukken die belangrijke financiële gevolgen hebben (toeslagen, eindkosten, doorvoerkosten, basistarief van luchtvervoer van post en terpostbezorging van brievenpost in het buitenland), het nauwgezet volgen van de bestudering van deze vraagstukken en het beoordelen en goedkeuren van de op dezelfde onderwerpen betrekking hebbende voorstellen van de Postraad, teneinde te waarborgen dat deze overeenkomen met de eerdergenoemde beginselen;
  • 1.26. het goedkeuren, in het kader van zijn bevoegdheden, van de aanbevelingen van de Postraad betreffende de aanneming, indien nodig, van regelgeving of een nieuwe werkwijze in afwachting van een besluit ter zake door het Congres;
  • 1.27. het beoordelen van het door de Postraad opgestelde jaarverslag en, in voorkomend geval, de door deze Raad ingediende voorstellen;
  • 1.28. het goedkeuren van het vierjarig verslag, dat door het Internationaal Bureau in overleg met de Postraad wordt opgesteld, over de resultaten van de lidstaten betreffende de uitvoering van de door het voorgaande Congres goedgekeurde strategie van de Unie met het oog op de voorlegging ervan aan het volgende Congres;
  • 1.29. het vaststellen van het kader voor de organisatie van de Adviescommissie en het goedkeuren van de organisatie van de Adviescommissie, overeenkomstig de bepalingen van artikel 123;
  • 1.30. het vaststellen van de criteria voor toetreding tot de Adviescommissie en het intrekken van het lidmaatschap in overeenstemming met deze criteria, zoals nader uiteengezet in het relevante reglement van orde bedoeld in artikel 123;
  • 1.31. het vaststellen van het Financieel Reglement van de Unie;
  • 1.32. het vaststellen van de regels van het Reservefonds;
  • 1.33. het vaststellen van de regels van het Bijzondere Fonds;
  • 1.34. het vaststellen van de regels van het Fonds Bijzondere Activiteiten;
  • 1.35. het vaststellen van de regels van het Vrijwillige Fonds;
  • 1.36. het vaststellen van de rechtspositie van het personeel en de arbeidsvoorwaarden van de gekozen functionarissen;
  • 1.37. het vaststellen van het Reglement van het Sociaal Fonds;
  • 1.38. het binnen het kader van artikel 153 uitoefenen van algemeen toezicht op de instelling en activiteiten van door de gebruikers gefinancierde hulporganen;
  • 1.39. het aannemen van het Reglement van Orde en van de wijzigingen hiervan.

Artikel 108. Organiseren van vergaderingen van de Raad van Bestuur

1.

Tijdens zijn oprichtingsvergadering, die bijeen wordt geroepen en geopend door de Voorzitter van het Congres, kiest de Raad van Bestuur, uit zijn leden, vier Vicevoorzitters. De Voorzitter en vier Vicevoorzitters komen uit lidstaten van elk van de vijf geografische groepen van de Unie.

2.

De Raad van Bestuur komt tweemaal per jaar, of vaker bij wijze van uitzondering, bijeen op de zetel van de Unie, in overeenstemming met de relevante procedures vervat in zijn Reglement van Orde.

3.

De Voorzitter en de Vicevoorzitters, en de Voorzitters, Medevoorzitters en de Vicevoorzitters van de Commissies van de Raad van Bestuur vormen de Commissie van Beheer. Deze Commissie bereidt de werkzaamheden van elke zitting van de Raad van Bestuur voor en geeft hieraan leiding. De Commissie keurt namens de Raad van Bestuur het door het Internationaal Bureau opgestelde jaarverslag betreffende de activiteiten van de Unie goed en neemt alle andere taken op zich die de Raad van Bestuur besluit aan haar op te dragen of die aan de hand van het strategische planningsproces noodzakelijk blijken.

4.

De Voorzitter van de Postraad vertegenwoordigt deze Raad tijdens de zittingen van de Raad van Bestuur wanneer op de agenda punten staan die voor de Postraad van belang zijn.

5.

(geschrapt.)

Artikel 109. Waarnemers

1.

Waarnemers

  • 1.1. Teneinde een doeltreffende samenhang tussen de werkzaamheden van beide organen te waarborgen kan de Postraad vertegenwoordigers benoemen om de vergaderingen van de Raad van Bestuur in de hoedanigheid van waarnemer bij te wonen.
  • 1.2. Lidstaten van de Unie die geen lid zijn van de Raad, alsmede waarnemers en de ad-hocwaarnemers bedoeld in artikel 105 kunnen zonder stemrecht aan de plenaire zittingen en aan de vergaderingen van de Commissies van de Raad van Bestuur deelnemen.
  • 1.3. De leden van de Adviescommissie alsmede waarnemers en de ad-hocwaarnemers bedoeld in artikel 105 hebben tevens het recht om deel te nemen aan de vergaderingen van de Permanente Groepen, Taskforces en andere organen van de Raad van Bestuur in de hoedanigheid van waarnemer zonder stemrecht, onder voorbehoud van het bepaalde onder 2.3.
2.

Beginselen

  • 2.1. Vanwege logistieke redenen kan de Raad van Bestuur het aantal deelnemers per waarnemer en ad-hocwaarnemer beperken. Ook kan de Raad hun spreekrecht tijdens de beraadslagingen beperken.
  • 2.2. Het kan de waarnemers en ad-hocwaarnemers, op hun verzoek, worden toegestaan medewerking te verlenen aan de ondernomen studies, met inachtneming van de voorwaarden die de Raad kan stellen ter waarborging van het resultaat en de doeltreffendheid van zijn werkzaamheden. Ook kan op hen een beroep worden gedaan voor het voorzitten van Permanente Groepen of Taskforces wanneer hun kennis of ervaring zulks rechtvaardigt. De deelname van de waarnemers en ad-hocwaarnemers vindt plaats zonder extra kosten voor de Unie.
  • 2.3. Onder uitzonderlijke omstandigheden kunnen leden van de Adviescommissie en de ad-hocwaarnemers worden uitgesloten van een vergadering of een deel van een vergadering. Ook kan hun recht op het ontvangen van bepaalde documenten worden beperkt indien de vertrouwelijkheid van het onderwerp van de vergadering of van het document dat vereist. Het besluit betreffende een dergelijke beperking kan per geval door elk betrokken orgaan of door de Voorzitter ervan in samenspraak met de Voorzitter van de Raad van Bestuur en de Secretaris-Generaal worden genomen. De verschillende gevallen worden aan de Raad van Bestuur bekendgemaakt, en aan de Postraad indien het om vraagstukken gaat die een bijzonder belang voor dit orgaan inhouden. Vervolgens kan de Raad van Bestuur, indien hij zulks nodig acht, de beperkingen, indien opportuun in overleg met de Postraad, opnieuw beoordelen. Uitsluitend voor toekomstige vergaderingen geldt dat kennisgevingen van beperkingen bij voorkeur ten minste veertien dagen vóór de desbetreffende vergadering aan de betrokken leden van de Adviescommissie en de ad-hocwaarnemers worden gezonden (of zo spoedig mogelijk in het geval van spoedvergaderingen die minder dan veertien dagen na verzending van de desbetreffende uitnodiging door het Internationaal Bureau worden gehouden). Bijgevolg zijn deze kennisgevingen niet van toepassing in het geval van uitsluitingen of beperkingen van de toegang tot documenten die noodzakelijk worden geacht in het kader van een lopende vergadering van het betrokken orgaan.

Artikel 110. Reiskostenvergoeding

1.

De reiskosten van vertegenwoordigers van leden van de Raad van Bestuur die deelnemen aan de zittingen van dit orgaan, komen ten laste van hun lidstaat. Een vertegenwoordiger van elk van de lidstaten die overeenkomstig de door de Raad van Bestuur, respectievelijk de Verenigde Naties opgestelde lijsten worden gerangschikt onder de ontwikkelingslanden of minst ontwikkelde landen heeft, behalve voor de vergaderingen die tijdens het Congres plaatsvinden, echter recht op de vergoeding van hetzij de prijs van een economyclass-retourvliegticket en/of van een eersteklassetreinkaartje, hetzij van de kosten van de reis met elk ander middel, in het laatste geval op voorwaarde dat het bedrag de prijs van een economyclass-retourvliegticket niet te boven gaat. Hetzelfde recht wordt toegekend aan de vertegenwoordiger van elk lid van de Commissies of andere organen van de Raad wanneer deze buiten het Congres en de zittingen van de Raad vergaderen.

Artikel 111. Informatie over de activiteiten van de Raad van Bestuur

1.

Na elke zitting brengt de Raad van Bestuur de lidstaten, hun aangewezen aanbieders, de Beperkte Unies en de leden van de Adviescommissie op de hoogte van zijn activiteiten, in het bijzonder door hun een beknopt verslag alsmede de resoluties en besluiten van de Raad te doen toekomen.

2.

De Raad van Bestuur stelt ten behoeve van het Congres een verslag op over al zijn activiteiten en doet dit ten minste twee maanden voor de opening van het Congres toekomen aan de lidstaten, aan hun aangewezen aanbieders en aan de leden van de Adviescommissie.

DEEL 3. POSTRAAD

Artikel 112. Samenstelling en functioneren van de Postraad

1.

De Postraad is samengesteld uit achtenveertig leden die hun taken gedurende het tijdvak tussen twee opeenvolgende Congressen vervullen.

2.

De leden van de Postraad worden door het Congres gekozen, aan de hand van een duidelijk omschreven geografische spreiding. Bij elk Congres wordt ten minste een derde van de leden van elke geografische groep vervangen. Onverminderd het voorgaande wordt één zetel in de geografische groep waartoe lidstaten behoren die worden omschreven als eilandstaten en -gebieden in de Stille Oceaan (conform de relevante lijst die door de Organisatie van de Verenigde Naties is opgesteld) gereserveerd voor die lidstaten.

3.

Elk lid van de Postraad benoemt zijn vertegenwoordiger(s). De leden van de Postraad nemen metterdaad deel aan de activiteiten van de Raad.

4.

De operationele kosten van de Postraad komen ten laste van de Unie. De leden van de Raad ontvangen geen enkele vergoeding.

5.

De Postraad omschrijft en formaliseert de Permanente groepen en Taskforces, door de gebruikers gefinancierde hulporganen of overige organen die binnen zijn structuur worden ingesteld en/of zet deze op, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de strategie van de Unie en het bedrijfsplan dat door het Congres is aangenomen.

Artikel 113. Taken van de Postraad

1.

De Postraad heeft de volgende taken:

  • 1.1. het coördineren van de praktische maatregelen voor de ontwikkeling en de verbetering van de internationale postale diensten;
  • 1.2. het, onder voorbehoud van de goedkeuring van de Raad van Bestuur in het kader van diens bevoegdheden, ondernemen van elke actie die nodig wordt geacht voor het behouden en verbeteren van de kwaliteit van de internationale postale dienst en om deze te moderniseren;
  • 1.3. het nemen van beslissingen omtrent te leggen contacten met de lidstaten en hun aangewezen aanbieders voor het vervullen van zijn taken;
  • 1.4. het treffen van de nodige maatregelen met het oog op de bestudering en verspreiding van de door bepaalde lidstaten en hun aangewezen aanbieders opgedane ervaring en geboekte vooruitgang op het gebied van techniek, exploitatie, economie en beroepsopleiding die de andere lidstaten en hun aangewezen aanbieders aangaan;
  • 1.5. het, na overleg met de Raad van Bestuur, nemen van passende maatregelen op het gebied van technische samenwerking met alle lidstaten van de Unie en hun aangewezen aanbieders, in het bijzonder met nieuwe landen en ontwikkelingslanden en hun aangewezen aanbieders;
  • 1.6. het bestuderen van alle overige vraagstukken die door een lid van de Postraad, door de Raad van Bestuur of door een lidstaat of aangewezen aanbieder aan hem worden voorgelegd;
  • 1.7. het in ontvangst nemen en bespreken van voorstellen, aanbevelingen alsmede van de verslagen van de Adviescommissie en, voor de vraagstukken die de Postraad aangaan, het bestuderen en van opmerkingen voorzien van de aanbevelingen en verslagen van de Adviescommissie met het oog op de voorlegging ervan aan het Congres;
  • 1.8. (geschrapt;)
  • 1.9. het leiden van de bestudering van de belangrijkste exploitatie-, handels-, technische en economische problemen en problemen op het gebied van technische samenwerking die van belang zijn voor alle lidstaten van de Unie of hun aangewezen aanbieders, in het bijzonder vraagstukken die aanzienlijke financiële gevolgen hebben (toeslagen, eindkosten, doorvoerkosten, basistarief luchtvervoer, quota postpakketten en terpostbezorging van briefpostzendingen in het buitenland), het samenstellen van informatie en het formuleren van zienswijzen hieromtrent en het aanbevelen van te nemen maatregelen;
  • 1.10. het aan de Raad van Bestuur verstrekken van de nodige gegevens voor het opstellen van de aan het Congres voor te leggen ontwerpstrategie van de Unie en het ontwerp voor het vierjaarlijks werkplan van de Unie;
  • 1.11. het bestuderen van problemen die verband houden met het onderwijs en de beroepsopleiding die de lidstaten en hun aangewezen aanbieders alsmede nieuwe landen en ontwikkelingslanden aangaan;
  • 1.12. het bestuderen van de huidige situatie en de behoeften in nieuwe landen en ontwikkelingslanden en het opstellen van passende aanbevelingen over de wijze waarop en de middelen waarmee hun postale diensten kunnen worden verbeterd;
  • 1.13. het herzien van de Regelingen van de Unie; in dit verband blijft de Postraad wat betreft het beleid en de fundamentele beginselen onderworpen aan de richtlijnen van de Raad van Bestuur;
  • 1.14. het formuleren van voorstellen die ter goedkeuring worden voorgelegd aan hetzij het Congres, hetzij de lidstaten overeenkomstig artikel 142; de goedkeuring van de Raad van Bestuur is vereist wanneer deze voorstellen betrekking hebben op vraagstukken die onder de bevoegdheid van de Raad vallen;
  • 1.15. het, op verzoek van een lidstaat, bestuderen van elk voorstel dat deze lidstaat overeenkomstig artikel 141 aan het Internationaal Bureau zendt, het opstellen van het commentaar hierop en het Internationaal Bureau opdragen dit bij het genoemde voorstel te voegen alvorens dit ter goedkeuring voor te leggen aan de lidstaten;
  • 1.16. het, indien nodig, aanbevelen en eventueel aannemen – na goedkeuring door de Raad van Bestuur en overleg met alle lidstaten – van regelgeving of een nieuwe werkwijze in afwachting van het besluit van het Congres ter zake;
  • 1.17. het, in de vorm van aanbevelingen (of als bindende bepalingen indien de Akten van de Unie daarin voorzien) aan de lidstaten en hun aangewezen aanbieders, opstellen en aanreiken van normen op het gebied van techniek en exploitatie en op andere gebieden binnen zijn bevoegdheden waarop een uniforme werkwijze onmisbaar is; de Postraad verstrekt dienovereenkomstig, indien nodig, ook wijzigingen van reeds door hem vastgestelde normen;
  • 1.18. het vaststellen van het kader voor de organisatie van de door de gebruikers gefinancierde hulporganen en het goedkeuren van de organisatie van deze organen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 153;
  • 1.19. het jaarlijks in ontvangst nemen en bespreken van verslagen van de door de gebruikers gefinancierde hulporganen;
  • 1.20. het aannemen van het Reglement van Orde en van de wijzigingen hiervan

Artikel 114. Organisatie van vergaderingen van de Postraad

1.

Tijdens zijn eerste vergadering, die bijeen wordt geroepen en wordt geopend door de Voorzitter van het Congres, kiest de Postraad uit zijn leden een Voorzitter en vier Vicevoorzitters en de Voorzitter/Vicevoorzitters/Medevoorzitters van de Commissies. De Voorzitter en vier Vicevoorzitters komen uit lidstaten van elk van de vijf geografische groepen van de Unie.

2.

De Postraad komt tweemaal per jaar, of vaker bij wijze van uitzondering, op de zetel van de Unie bijeen, in overeenstemming met de relevante procedures die zijn vervat in zijn Reglement van Orde.

3.

De Voorzitter en de Vicevoorzitters en de Voorzitters, Medevoorzitters en Vicevoorzitters van de Commissies van de Postraad vormen de Commissie van Beheer. Deze Commissie bereidt de werkzaamheden van elke zitting van de Postraad voor en geeft hieraan leiding, en neemt alle taken op zich die de Raad besluit aan haar op te dragen of die tijdens het strategische planningsproces noodzakelijk blijken.

4.

Op basis van de door het Congres aangenomen strategie van de Unie en, in het bijzonder, het gedeelte dat betrekking heeft op de strategieën van de permanente organen van de Unie, stelt de Postraad tijdens zijn zitting na het Congres, een basiswerkprogramma op dat een aantal tactieken bevat ter verwezenlijking van de strategieën. Dit basisprogramma, dat een beperkt aantal werkzaamheden op het gebied van actuele onderwerpen van gemeenschappelijk belang behelst, wordt jaarlijks herzien aan de hand van de nieuwe feiten en prioriteiten.

5.

(geschrapt.)

Artikel 115. Waarnemers

1.

Waarnemers

  • 1.1. Teneinde te zorgen voor een doeltreffende samenhang tussen de werkzaamheden van beide organen kan de Raad van Bestuur vertegenwoordigers benoemen om de vergaderingen van de Postraad in de hoedanigheid van waarnemer bij te wonen.
  • 1.2. Lidstaten van de Unie die geen lid zijn van de Raad, alsmede de waarnemers en ad-hocwaarnemers bedoeld in artikel 105 kunnen zonder stemrecht, aan de plenaire zittingen en aan de vergaderingen van de Commissies van de Postraad deelnemen.
  • 1.3. De leden van de Adviescommissie alsmede waarnemers en de ad-hocwaarnemers bedoeld in artikel 105 hebben het recht om deel te nemen aan de vergaderingen van de Permanente Groepen, Taskforces en andere organen van de Postraad in de hoedanigheid van waarnemer zonder stemrecht, onder voorbehoud van het bepaalde onder 2.3.
2.

Beginselen

  • 2.1. Vanwege logistieke redenen kan de Postraad het aantal deelnemers per waarnemer en ad-hocwaarnemer beperken. Ook kan de Raad hun spreekrecht tijdens de beraadslagingen beperken.
  • 2.2. Het kan de waarnemers en ad-hocwaarnemers, op hun verzoek, worden toegestaan medewerking te verlenen aan de ondernomen studies, met inachtneming van de voorwaarden die de Raad kan stellen ter waarborging van het resultaat en de doeltreffendheid van zijn werkzaamheden. Ook kan op hen een beroep worden gedaan voor het voorzitten van Permanente Groepen of Taskforces wanneer hun kennis of ervaring zulks rechtvaardigt. De deelname van de waarnemers en ad-hocwaarnemers vindt plaats zonder extra kosten voor de Unie.
  • 2.3. Onder uitzonderlijke omstandigheden kunnen leden van de Adviescommissie en de ad-hocwaarnemers worden uitgesloten van een vergadering of een deel van een vergadering. Ook kan hun recht op het ontvangen van bepaalde documenten worden beperkt indien de vertrouwelijkheid van het onderwerp van de vergadering of van het document dat vereist. Het besluit betreffende een dergelijke beperking kan per geval door elk betrokken orgaan of door de Voorzitter ervan in samenspraak met de Voorzitter van de Postraad en de Secretaris-Generaal worden genomen. De verschillende gevallen worden aan de Raad van Bestuur bekendgemaakt en aan de Postraad. Vervolgens kan de Raad van Bestuur, indien hij zulks nodig acht, de beperkingen opnieuw beoordelen, wanneer opportuun in overleg met de Postraad; Uitsluitend voor toekomstige vergaderingen geldt dat kennisgevingen van beperkingen bij voorkeur ten minste veertien dagen vóór de desbetreffende vergadering aan de betrokken leden van de Adviescommissie en de ad-hocwaarnemers worden gezonden (of zo spoedig mogelijk in het geval van spoedvergaderingen die minder dan veertien dagen na verzending van de desbetreffende uitnodiging door het Internationaal Bureau worden gehouden). Bijgevolg zijn deze kennisgevingen niet van toepassing in het geval van uitsluitingen of beperkingen van de toegang tot documenten die noodzakelijk worden geacht in het kader van een lopende vergadering van het betrokken orgaan.

Artikel 116. Reiskostenvergoeding

1.

De reiskosten van vertegenwoordigers van leden van de Postraad die deelnemen aan de zittingen van dit orgaan, komen ten laste van hun lidstaat. Een vertegenwoordiger van elk van de lidstaten die overeenkomstig de Verenigde Naties opgestelde lijst worden gerangschikt onder de minst ontwikkelde landen heeft, behalve voor de vergaderingen die tijdens het Congres plaatsvinden, echter recht op de vergoeding van hetzij de prijs van een economyclass-retourvliegticket en/of van een eersteklassetreinkaartje, hetzij van de kosten van de reis met elk ander middel, in het laatste geval op voorwaarde dat het bedrag de prijs van een economyclass-retourvliegticket niet te boven gaat.

Artikel 117. Informatie over de activiteiten van de Postraad

1.

Na elke zitting brengt de Postraad de lidstaten, hun aangewezen aanbieders, de beperkte Unies en de leden van de Adviescommissie op de hoogte van zijn activiteiten, met name door hun een beknopt verslag alsmede de resoluties en besluiten van de Raad te doen toekomen.

2.

De Postraad stelt, ten behoeve van de Raad van Bestuur, een jaarverslag van zijn activiteiten op.

3.

De Postraad stelt ten behoeve van het Congres een verslag op over al zijn activiteiten, met inbegrip van verslagen over door gebruikers gefinancierde hulporganen zoals voorzien in artikel 152, en doet dit ten minste twee maanden voor de opening van het Congres toekomen aan alle lidstaten van de Unie, aan hun aangewezen aanbieders en aan de leden van de Adviescommissie.

DEEL 4. ADVIESCOMMISSIE

Artikel 118. Doel van de Adviescommissie

1.

De Adviescommissie heeft tot doel de belangen van de postale sector in brede zin te behartigen en als kader te dienen voor een doeltreffende dialoog tussen de betrokken partijen.

Artikel 119. Samenstelling van de Adviescommissie

1.

De Adviescommissie omvat:

  • 1.1. niet-gouvernementele organisaties (waaronder organisaties die cliënten vertegenwoordigen, leveranciers van distributiediensten, werknemers en werkgevers in de postsector), filantropische entiteiten, standaardisatie-, financiële en ontwikkelingsorganisaties, leveranciers van goederen en diensten die voor de postale dienstensector werkzaam zijn, vervoersentiteiten en overige particuliere entiteiten en vergelijkbare organisaties waarin particulieren verenigd zijn, alsmede ondernemingen die een bijdrage wensen te leveren aan de verwezenlijking van de missie en de doelen van de Unie;
  • 1.1bis. hoge vertegenwoordigers van de postale sector die zijn aanbevolen door de lidstaten of de betrokken organen van de Unie, met inbegrip van de Adviescommissie;
  • 1.1ter. (Geschrapt.)
  • 1.2. (Geschrapt.)
  • 1.3. (Geschrapt.)

1bis. Alle leden van de Adviescommissie moeten gevestigd zijn (en, indien de betreffende lidstaat zulks vereist, naar behoren geregistreerd zijn) of, in het geval van de hoge vertegenwoordigers bedoeld in 1.1bis, duurzaam verblijven, in een lidstaat van de Unie.

2.

De operationele kosten van de Adviescommissie worden over de leden van de Adviescommissie omgeslagen, tenzij de Raad van Bestuur anderszins besluit. In dit opzicht, en zoals nader uiteengezet in het Reglement van Orde van de Adviescommissie, kunnen er verschillende lidmaatschapsgelden van toepassing zijn afhankelijk van het specifieke rechtskarakter en financiële mogelijkheden van de leden van de Adviescommissie.

3.

De leden van de Adviescommissie krijgen geen enkele vergoeding of beloning.

Artikel 120. Lidmaatschap van de Adviescommissie

1.

De Adviescommissie bestaat uit:

  • 1.1. niet-gouvernementele organisaties (waaronder organisaties die cliënten, leveranciers van distributiediensten, werknemers bij de post of werkgevers bij de post vertegenwoordigen), filantropische entiteiten, normalisatieorganisaties, financiële en ontwikkelingsorganisaties, leveranciers van goederen en diensten die voor de postdienstensector werkzaam zijn, vervoersentiteiten, universitaire instellingen en onderzoeksinstituten, denktanks en soortgelijke kennisinstellingen en -organen die belang hebben bij het bijdragen aan de verwezenlijking van de missie en doelen van de Unie;
  • 1.2. hoge vertegenwoordigers uit de postsector die worden aanbevolen door lidstaten of organen van de Unie, met inbegrip van de Adviescommissie.
2.

Alle leden van de Adviescommissie hebben hun hoofdvestiging (en zijn, indien vereist door de betrokken lidstaat, naar behoren geregistreerd) of, in het geval van een hoge vertegenwoordiger als bedoeld in punt 1.2, hun vaste verblijfplaats in een lidstaat van de Unie.

3.

De operationele kosten van de Adviescommissie worden over de leden van de Adviescommissie omgeslagen, tenzij de Raad van Bestuur anders bepaalt. In dit verband, en zoals uiteengezet in het Reglement van Orde van de Adviescommissie, kunnen verschillende lidmaatschapsgelden van toepassing zijn, afhankelijk van de juridische aard en de specifieke financiële mogelijkheden van de leden van de Adviescommissie.

4.

De leden van de Adviescommissie krijgen geen enkele vergoeding of beloning.

Artikel 121. Toetreding tot de Adviescommissie

1.

De toetreding tot de Adviescommissie wordt vastgesteld aan de hand van een procedure van indiening respectievelijk inwilliging van verzoeken die door de Raad van Bestuur wordt ingesteld en verloopt overeenkomstig artikel 107.1.30.

2.

Onverminderd het bepaalde inartikel 120.2 gaan alle verzoeken om toetreding tot de Adviescommissie zoals ingediend door de entiteiten of hoge vertegenwoordigers bedoeld in artikel 120, vergezeld van de voorafgaande schriftelijke goedkeuring of aanbeveling van de lidstaat van de Unie.

2bis. Herroeping van de toetreding tot de Adviescommissie vindt plaats door middel van een proces dat is vastgesteld door de Raad van Bestuur in overeenstemming met artikel 107.1.30.

3.

Elk lid van de Adviescommissie wijst zijn eigen vertegenwoordigers aan.

Artikel 122. Taken van de Adviescommissie

1.

De Adviescommissie heeft de volgende taken:

  • 1.1. het bestuderen van de desbetreffende documenten en verslagen van de Raad van Bestuur en van de Postraad en hun respectieve organen. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan het recht bepaalde teksten en documenten te ontvangen worden beperkt indien de vertrouwelijkheid van het onderwerp van de vergadering of van het document dat vereist, in overeenstemming met de artikelen 109.2.3 en 115.2.3.
  • 1.2. het uitvoeren van en bijdragen aan studies over vraagstukken die voor de leden van de Adviescommissie van belang zijn;
  • 1.3. het bestuderen van vraagstukken betreffende de postale dienstensector en het leveren van bijdragen over deze vraagstukken in de vorm van voorstellen, aanbevelingen en verslagen aan de Raad van Bestuur en de Postraad en hun respectieve organen, in voorkomend geval.
  • 1.4. (geschrapt.)
  • 1.5. het indienen van aanbevelingen en verslagen bij het Congres, onder voorbehoud van goedkeuring van de Raad van Bestuur en in naam van laatstgenoemde, en wat de vraagstukken die voor de Postraad van belang zijn betreft, onder voorbehoud van beoordeling en commentaar door deze laatste overeenkomstig de artikelen 107.1.22 et 113.1.7.

Artikel 123. Organisatie van de Adviesraad

1.

Na elk Congres wordt de Adviescommissie opnieuw georganiseerd, volgens het door de Raad van Bestuur opgezette kader. De Voorzitter van de Raad van Bestuur zit de organisatievergadering van de Adviescommissie voor, gedurende welke wordt overgegaan tot de verkiezing van de Voorzitter van deze Commissie.

2.

De Adviescommissie stelt haar interne organisatie vast en stelt haar eigen Reglement van Orde op, rekening houdend met de algemene beginselen van de Unie en onder voorbehoud van de goedkeuring van de Raad van Bestuur, na overleg met de Postraad.

3.

De Adviescommissie vergadert minimaal eenmaal per jaar of vaker indien dit voor haar werkzaamheden noodzakelijk wordt geacht. De datum en plaats van elke vergadering worden door de Voorzitter van de Adviescommissie vastgesteld, na overeenstemming met de Voorzitters van de Raad van Bestuur en de Postraad en met de Directeur-Generaal van het Internationaal Bureau.

Artikel 124. Vertegenwoordigers van de Adviescommissie bij de Raad van Bestuur, de Postraad en het Congres

1.

Onverminderd artikel 124.2, hebben de leden van de Adviescommissie het recht de vergaderingen van het Congres, de Raad van Bestuur en de Postraad en hun respectieve commissies, Permanente Groepen, Taskforces en andere organen als waarnemer zonder stemrecht bij te wonen, met inachtneming van de artikelen 109 en 115 en het Reglement van Orde van het Congres voor zover dit voor het desbetreffende orgaan relevant is.

2.

Ter waarborging van een doeltreffend contact met de organen van de Unie wijst de Adviescommissie vertegenwoordigers aan die de enige vertegenwoordigers zijn van de Adviescommissie zodat zij formeel, in naam van dit orgaan, de bijdragen kunnen leveren waarnaar wordt verwezen in artikel 122. Deze aangewezen vertegenwoordigers hebben het recht om, namens de Adviescommissie de vergaderingen van het Congres, de Raad van Bestuur, de Postraad en hun respectieve commissies, Permanente Groepen, Taskforces en andere organen als waarnemer zonder stemrecht bij te wonen, met inachtneming van de artikelen 109 en 115 en het Reglement van Orde van het Congres voor zover dit voor het desbetreffende orgaan relevant is.

3.

De Voorzitter van de Raad van Bestuur en de Voorzitter van de Postraad vertegenwoordigen deze organen bij de vergaderingen van de Adviescommissie wanneer op de agenda van deze vergaderingen punten staan die voor deze organen van belang zijn.

Artikel 125. Waarnemers bij de Adviescommissie

1.

Lidstaten van de Unie, waarnemers en de ad-hocwaarnemers bedoeld in artikel 105 kunnen zonder stemrecht deelnemen aan de zittingen van de Adviescommissie.

2.

Vanwege logistieke redenen kan de Adviescommissie het aantal deelnemers per waarnemer en ad-hocwaarnemers beperken. Ook kan de Raad hun spreekrecht tijdens de beraadslagingen beperken.

3.

Onder uitzonderlijke omstandigheden kunnen de waarnemers en ad-hocwaarnemers worden uitgesloten van een vergadering of een deel van een vergadering van de Adviescommissie. Ook kan hun recht op het ontvangen van bepaalde documenten worden beperkt indien de vertrouwelijkheid van het onderwerp van de vergadering of van het document dat vereist. Het besluit betreffende een dergelijke beperking kan per geval door de Adviescommissie of de Voorzitter ervan, in overleg met de Voorzitter van de Raad van Bestuur en de Secretaris-Generaal worden genomen. De verschillende gevallen worden aan de Raad van Bestuur bekendgemaakt, en aan de Postraad indien het om vraagstukken gaat die een bijzonder belang voor dit orgaan inhouden. Vervolgens kan de Raad van Bestuur, indien hij zulks nodig acht, de beperkingen, indien opportuun in overleg met de Postraad, opnieuw beoordelen. Uitsluitend voor toekomstige vergaderingen geldt dat kennisgevingen van beperkingen bij voorkeur ten minste veertien dagen vóór de desbetreffende vergadering aan de betrokken waarnemers en ad-hocwaarnemers worden gezonden (of zo spoedig mogelijk in het geval van spoedvergaderingen die minder dan veertien dagen na verzending van de desbetreffende uitnodiging door het Internationaal Bureau worden gehouden). Bijgevolg zijn deze kennisgevingen niet van toepassing in het geval van uitsluitingen of beperkingen van de toegang tot documenten die noodzakelijk worden geacht in het kader van een lopende vergadering van het betrokken orgaan.

HOOFDSTUK II. INTERNATIONAAL BUREAU

DEEL 1. VERKIEZING EN TAKEN VAN DE DIRECTEUR-GENERAAL EN DE PLAATSVERVANGEND DIRECTEUR-GENERAAL VAN HET INTERNATIONAAL BUREAU

Artikel 126. Informatie over de activiteiten van de Adviescommissie

1.

Na elke zitting brengt de Adviescommissie de Raad van Bestuur en de Postraad op de hoogte van haar activiteiten door de Voorzitters van deze organen, onder andere, een beknopt verslag te zenden van haar vergaderingen alsmede aanbevelingen en zienswijzen. De Voorzitter van de Adviescommissie of een andere aangewezen vertegenwoordiger van de Adviescommissie brengt ook verslag uit over de werkzaamheden van de Adviescommissie op elke plenaire vergadering van respectievelijk de Raad van Bestuur en de Postraad.

2.

De Adviescommissie brengt bij de Raad van Bestuur en de Postraad een jaarlijks activiteitenverslag uit. Dit verslag is inbegrepen in de stukken van de Raad van Bestuur en de Postraad die aan de lidstaten van de Unie, aan hun aangewezen aanbieders en aan de beperkte Unies wordt verstrekt overeenkomstig art. 111 en 117.

3.

De Adviescommissie stelt ten behoeve van het Congres een verslag op over haar activiteiten en doet dit ten minste twee maanden voor de opening van het Congres toekomen aan de lidstaten en aan hun aangewezen aanbieders.

Artikel 127. Taken van de Directeur-Generaal

0bis. De Directeur-Generaal is de wettelijke vertegenwoordiger van de Unie.

1.

De Directeur-Generaal organiseert, bestuurt en leidt het Internationaal Bureau.

2.

Wat betreft de indeling van functies, benoemingen en bevordering is hij bevoegd tot:

  • 2.1. het indelen van de functies in de rangen G 1 tot en met D 2, en tot het bevorderen van de functionarissen in deze rangen.
  • 2.2. Voor benoemingen in de rangen P 1 tot en met D 2 dient hij de beroepsbekwaamheid in acht te nemen van de kandidaten die de nationaliteit hebben van een lidstaat of die hun beroep uitoefenen in een lidstaat, rekening houdend met een billijke geografische spreiding en taalspreiding en genderbalans. De functies in de rang D 2 moeten, met inachtneming van het doorslaggevende criterium van de doeltreffendheid van het Internationaal Bureau, zoveel mogelijk worden vervuld door kandidaten uit andere regio’s dan die waaruit de Directeur-Generaal en de Plaatsvervangend Directeur-Generaal afkomstig zijn.
  • 2.3. Bij de benoeming van een nieuwe functionaris houdt de Directeur-Generaal er tevens rekening mee dat de personen in de functies van de rangen D 2, D 1 en P 5 ingezetenen van verschillende lidstaten van de Unie moeten zijn.
  • 2.4. Bij de bevordering van een functionaris van het Internationaal Bureau in de rangen D 2, D 1 en P 5 is de Directeur-Generaal niet verplicht hetzelfde beginsel toe te passen als bij 2.3.
  • 2.5. De bekwaamheid die tijdens het wervingsproces wordt vastgesteld heeft prioriteit boven de eis van een billijke geografische spreiding en taalspreiding en genderbalans.
  • 2.6. De Directeur-Generaal brengt de Raad van Bestuur eenmaal per jaar op de hoogte van de benoemingen en bevorderingen in de rangen P 4 tot en met D 2.
3.

De Directeur-Generaal heeft voorts de volgende bevoegdheden:

  • 3.1. het vervullen van de taken van depositaris van de Akten van de Unie en van tussenpersoon bij de procedure voor toetreding en toelating tot de Unie alsmede bij de procedure voor het verlaten ervan;
  • 3.2. het aan alle regeringen van de lidstaten kennisgeven van de besluiten van het Congres;
  • 3.3. het aan alle lidstaten en hun aangewezen aanbieders kennisgeven van de door de Postraad vastgestelde of herziene Regelingen;
  • 3.4. het opstellen van de jaarlijkse ontwerpbegroting van de Unie op het laagst mogelijke niveau dat nog verenigbaar is met de behoeften van de Unie en deze op een gelegen tijdstip ter beoordeling voorleggen aan de Raad van Bestuur; het, na goedkeuring door de Raad van Bestuur, aan de lidstaten mededelen van de begroting en deze ten uitvoer leggen;
  • 3.5. het uitvoeren van de specifieke door de organen van de Unie verzochte activiteiten alsmede die welke de Directeur-Generaal uit hoofde van de Akten worden toegewezen;
  • 3.6. het nemen van initiatieven voor het verwezenlijken van de door de organen van de Unie gestelde doelen, in het kader van het vastgestelde beleid en de beschikbare financiële middelen;
  • 3.7. het aan de Raad van Bestuur of aan de Postraad voorleggen van suggesties en voorstellen;
  • 3.8. het, na de afsluiting van het Congres, aan de Postraad voorleggen van voorstellen betreffende de wijzigingen die op de Regelingen moeten worden aangebracht naar aanleiding van de besluiten van het Congres, overeenkomstig het Reglement van Orde van de Postraad;
  • 3.9. het opstellen, ten behoeve van de Raad van Bestuur en op basis van de door de Raden gegeven richtlijnen, van de ontwerpstrategie van de Unie en het ontwerp voor het vierjaarlijks werkplan die aan het Congres moeten worden voorgelegd;
  • 3.10. het, ter goedkeuring door de Raad van Bestuur, opstellen van een vierjarig verslag over de resultaten van de lidstaten betreffende de uitvoering van de door het voorgaande Congres goedgekeurde strategie, dat aan het volgende Congres wordt voorgelegd;
  • 3.11. (Geschrapt.)
  • 3.12. het optreden als tussenpersoon in de betrekkingen tussen:
  • 3.12.1. de Unie en de beperkte Unies;
  • 3.12.2. de Unie en de Organisatie van de Verenigde Naties;
  • 3.12.3. de Unie en de internationale organisaties wier activiteiten voor de Unie van belang zijn;
  • 3.12.4. de Unie en de internationale instanties, verenigingen of ondernemingen waarmee de organen van de Unie overleg wensen te plegen of die zij bij hun werkzaamheden wensen te betrekken;
  • 3.13. het vervullen van de taak van Secretaris-Generaal van de organen van de Unie en het in die hoedanigheid, met inachtneming van de bijzondere bepalingen van dit Algemeen Reglement, toezien op:
  • 3.13.1. de voorbereiding en de organisatie van de werkzaamheden van de organen van de Unie;
  • 3.13.2. de opstelling, vervaardiging en verspreiding van stukken, rapporten en verslagen;
  • 3.13.3. het functioneren van het secretariaat gedurende de vergaderingen van de organen van de Unie;
  • 3.14. het bijwonen van zittingen van de organen van de Unie en het zonder stemrecht deelnemen aan de beraadslagingen, met de mogelijkheid zich te laten vertegenwoordigen.

Artikel 128. Taken van de Plaatsvervangend Directeur-Generaal

1.

De Plaatsvervangend Directeur-Generaal staat de Directeur-Generaal bij en is verantwoording aan hem verschuldigd.

2.

In geval van afwezigheid of verhindering van de Directeur-Generaal oefent de Plaatsvervangend Directeur-Generaal zijn bevoegdheden uit. Hetzelfde geldt indien de in artikel 126.3 bedoelde functie van Directeur-Generaal vacant is.

DEEL 2. SECRETARIAAT VAN DE ORGANEN VAN DE UNIE EN DE ADVIESRAAD

Artikel 129. Algemeen

1.

Het secretariaat van de organen van de Unie en de Adviesraad wordt verzorgd door het Internationaal Bureau onder de verantwoordelijkheid van de Directeur-Generaal.

Artikel 130. Opstellen en verspreiden van stukken van de organen van de Unie

1.

Het Internationaal Bureau stelt alle stukken op en stelt deze via de website van de Unie beschikbaar in de in artikel 155 genoemde taalversies, in overeenstemming met het Reglement van Orde van de Raad van Bestuur en de Postraad. Het Internationaal Bureau wijst door middel van een efficiënt online signaleringssysteem, met name de vertegenwoordigers van de lidstaten, tevens op nieuwe elektronische publicaties op de website van de Unie.

2.

Uitsluitend op verzoek van een afzonderlijke lidstaat verspreidt het Internationaal Bureau daarnaast fysieke publicaties van de Unie, zoals circulaires van het Internationaal Bureau en beknopte verslagen van de Raad van Bestuur en de Postraad.

Artikel 131. Lijst van lidstaten (Const. 2)

1.

Het Internationaal Bureau stelt een lijst van lidstaten van de Unie op en houdt deze bij; hierin wordt hun contributieklasse vermeld, hun geografische groep en hun positie ten aanzien van de Akten van de Unie.

Artikel 132. Informatie. Zienswijzen. Verzoeken om uitlegging en wijziging van de Akten. Inlichtingen. Rol bij de vereffening

1.

Het Internationaal Bureau houdt zich te allen tijde ter beschikking van de Raad van Bestuur, van de Postraad, van de lidstaten en van hun aangewezen aanbieders voor het verstrekken van alle nuttige inlichtingen inzake vraagstukken die met de dienst verband houden.

2.

Het Internationaal Bureau is in het bijzonder belast met het bijeenbrengen, coördineren, publiceren en verspreiden van inlichtingen van uiteenlopende aard die van belang zijn voor de postale dienst; het op verzoek van de betrokken partijen uitbrengen van een zienswijze of bieden van geschillenbeslechting (in dat laatste geval tegen betaling en in overeenstemming met de relevante procedures die zijn aangenomen door de Raad van Bestuur) over geschillen; het gevolg geven aan verzoeken om uitlegging en wijziging van de Akten van de Unie en, in het algemeen, het verrichten van studies en redactionele of documentaire werkzaamheden die de genoemde Akten aan hem toekennen of die hem in het belang van de Unie worden opgedragen.

3.

Het Internationaal Bureau verricht eveneens de onderzoeken waarom door de lidstaten en door de door hun aangewezen aanbieders wordt verzocht teneinde de zienswijze van de andere lidstaten en van hun aangewezen aanbieders met betrekking tot een bepaald vraagstuk te vernemen. De uitkomst van een onderzoek heeft niet het karakter van een stemming en is niet formeel bindend.

4.

Het Internationaal Bureau kan in de hoedanigheid van clearing office optreden bij de vereffening van rekeningen van uiteenlopende aard die betrekking hebben op de postale dienst.

5.

Het Internationaal Bureau waarborgt de vertrouwelijkheid en veiligheid van de commerciële gegevens die lidstaten en/of hun aangewezen aanbieders verstrekken voor het uitvoeren van zijn taken die voortvloeien uit de Akten of besluiten van de Unie.

Artikel 133. Informatie. Zienswijzen. Verzoeken om uitlegging en wijziging van de Akten. Inlichtingen. Rol bij de vereffening

1.

Het Internationaal Bureau houdt zich te allen tijde ter beschikking van de Raad van Bestuur, van de Postraad, van de Adviescommissie, van de lidstaten en van hun aangewezen aanbieders voor het verstrekken van alle nuttige inlichtingen inzake vraagstukken die met de dienst verband houden.

2.

Het Internationaal Bureau is in het bijzonder belast met het bijeenbrengen, coördineren, publiceren en verspreiden van inlichtingen van uiteenlopende aard die van belang zijn voor de postale dienst; het op verzoek van de betrokken partijen uitbrengen van een zienswijze of bieden van geschillenbeslechting (in dat laatste geval tegen betaling en in overeenstemming met de relevante procedures die zijn aangenomen door de Raad van Bestuur) over geschillen; het gevolg geven aan verzoeken om uitlegging en wijziging van de Akten van de Unie en, in het algemeen, het verrichten van studies en redactionele of documentaire werkzaamheden die de genoemde Akten aan hem toekennen of die hem in het belang van de Unie worden opgedragen.

3.

Het Internationaal Bureau verricht eveneens de onderzoeken waarom door de lidstaten en door de door hun aangewezen aanbieders wordt verzocht teneinde de zienswijze van de andere lidstaten en van hun aangewezen aanbieders, de leden van de Adviescommissie en het publiek, in voorkomend geval, met betrekking tot een bepaald vraagstuk te vernemen. De uitkomst van deze onderzoeken heeft niet het karakter van een stemming en is niet formeel bindend.

4.

Het Internationaal Bureau kan in de hoedanigheid van clearing office optreden bij de vereffening van rekeningen van uiteenlopende aard die betrekking hebben op de postale dienst.

5.

Het Internationaal Bureau waarborgt de vertrouwelijkheid en veiligheid van de commerciële gegevens die lidstaten, hun aangewezen aanbieders en/of de leden van de Adviescommissie verstrekken voor het uitvoeren van zijn taken die voortvloeien uit de Akten of besluiten van de Unie.

Artikel 134. Door het Internationaal Bureau verstrekte formulieren (Const. 20)

1.

Het Internationaal Bureau is belast met het doen vervaardigen van internationale antwoordcoupons en met de verstrekking tegen kostprijs hiervan aan de lidstaten of hun aangewezen aanbieders die daarom verzoeken.

Artikel 135. Akten van de beperkte Unies en bijzondere verdragen (Const. 8)

1.

Twee exemplaren van de Akten van de beperkte Unies en van de ingevolge artikel 8 van de Constitutie gesloten bijzondere verdragen moeten door de Bureaus van deze Unies of, bij gebreke daarvan, door een van de verdragsluitende partijen aan het Internationaal Bureau worden gezonden.

2.

Het Internationaal Bureau ziet erop toe dat de Akten van de beperkte Unies en de bijzondere verdragen niet voorzien in minder gunstige voorwaarden voor het publiek dan die welke in de Akten van de Unie zijn voorzien.

Het Internationaal Bureau meldt elke uit hoofde van deze bepaling vastgestelde onregelmatigheid aan de Raad van Bestuur.

3.

Het Internationaal Bureau brengt de lidstaten en hun aangewezen aanbieders op de hoogte van het bestaan van bovengenoemde Unies en verdragen.

Artikel 136. Periodiek van de Unie

1.

Het Internationaal Bureau publiceert met behulp van de hem ter beschikking gestelde stukken een periodiek in de Duitse, Engelse, Arabische, Chinese, Spaanse, Franse en Russische taal.

Artikel 137. Jaarlijks verslag van de activiteiten van de Unie (Const. 20, Alg. Regl.107.1; 24)

1.

Het Internationaal Bureau stelt een jaarlijks verslag op van de activiteiten van de Unie en doet dit, na goedkeuring door de Commissie van Beheer van de Raad van Bestuur, toekomen aan de lidstaten en/of hun aangewezen aanbieders, aan de beperkte Unies en aan de Organisatie van de Verenigde Naties.

HOOFDSTUK III. INDIENING, BEHANDELING VAN VOORSTELLEN, KENNISGEVING VAN BESLUITEN EN INWERKINGTREDING VAN DE REGELINGEN EN ANDERE BESLUITEN

Artikel 138. Procedure voor de indiening van voorstellen bij het Congres

1.

Onder voorbehoud van de uitzonderingen bedoeld onder 2 en 5 wordt de indiening bij het Congres van voorstellen van ongeacht welke aard door de lidstaten geregeld door de volgende procedure:

  • 1.1. geaccepteerd worden voorstellen die ten minste vier maanden vóór de voor het Congres vastgestelde datum door het Internationaal Bureau worden ontvangen;
  • 1.2. gedurende het tijdvak van vier maanden voorafgaand aan de voor het Congres vastgestelde datum mogen geen voorstellen van redactionele aard worden ingediend;
  • 1.3. inhoudelijke voorstellen die door het Internationaal Bureau worden ontvangen in de periode tussen vier en drie maanden vóór de voor het Congres vastgestelde datum worden uitsluitend geaccepteerd indien deze worden ondersteund door ten minste twee lidstaten;
  • 1.4. inhoudelijke voorstellen die door het Internationaal Bureau worden ontvangen in de periode tussen drie en twee maanden vóór de voor het Congres vastgestelde datum worden uitsluitend geaccepteerd indien deze worden ondersteund door ten minste acht lidstaten; de voorstellen die daarna worden ontvangen, worden niet meer geaccepteerd;
  • 1.5. de adhesiebetuigingen moeten door het Internationaal Bureau binnen dezelfde termijn worden ontvangen als de voorstellen waarop deze betrekking hebben.
2.

Voorstellen betreffende de Constitutie of het Algemeen Reglement moeten ten minste vier maanden vóór de opening van het Congres door het Internationaal Bureau worden ontvangen; voorstellen die na die datum maar vóór de opening worden ontvangen, kunnen slechts in aanmerking worden genomen indien het Congres daartoe met een meerderheid van twee derde van de bij het Congres vertegenwoordigde landen beslist en indien aan de onder 1 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.

3.

Elk voorstel mag in beginsel slechts één doel hebben en uitsluitend wijzigingen bevatten die door dat doel worden gerechtvaardigd. Elk voorstel dat aanzienlijke uitgaven voor de Unie met zich meebrengt, moet vergezeld zijn van een door de desbetreffende lidstaat, in overleg met het Internationaal Bureau, opgestelde staat van de financiële consequenties, teneinde vast te stellen welke financiële middelen benodigd zijn voor de uitvoering ervan.

4.

De voorstellen van redactionele aard worden door de lidstaten die deze indienen bovenaan voorzien van de vermelding „Voorstel van redactionele aard” en door het Internationaal Bureau gepubliceerd onder een nummer, gevolgd door de letter R. De voorstellen die niet van deze vermelding zijn voorzien, maar die naar het oordeel van het Internationaal Bureau van louter redactionele aard zijn, worden gepubliceerd met een passende annotatie; het Internationaal Bureau stelt ten behoeve van het Congres een lijst van deze voorstellen op.

5.

De onder 1 en 4 voorgeschreven procedure is noch van toepassing op voorstellen betreffende het Reglement van Orde van de Congressen, noch op voorstellen ingediend door de Raad van Bestuur of de Postraad.

Artikel 139. Procedure voor de indiening van voorstellen tot wijziging van het Verdrag of de overeenkomsten tussen twee Congressen

1.

Om in aanmerking te worden genomen moet elk voorstel betreffende het Verdrag of de overige verdragen dat door een lidstaat tussen twee Congressen in wordt ingediend, worden gesteund door ten minste twee andere lidstaten. Aan deze voorstellen wordt geen gevolg gegeven indien het Internationaal Bureau niet tegelijkertijd de benodigde adhesiebetuigingen ontvangt.

2.

Deze voorstellen worden door tussenkomst van het Internationaal Bureau aan de andere lidstaten gericht.

Artikel 140. Bestudering van voorstellen tot wijziging van het Verdrag of de overige verdragen tussen twee Congressen

1.

Elk voorstel betreffende het Verdrag, de overige verdragen en hun Slotprotocollen is onderworpen aan de volgende procedure: wanneer een lidstaat een voorstel aan het Internationaal Bureau heeft gezonden, zendt dit Bureau het voorstel aan alle lidstaten ter beoordeling toe. De lidstaten beschikken over een termijn van 45 dagen om het voorstel te beoordelen en, in voorkomend geval, hun opmerkingen aan het Internationaal Bureau te doen toekomen. Wijzigingen zijn niet toegestaan. Aan het einde van deze termijn van 45 dagen zendt het Internationaal Bureau de lidstaten alle opmerkingen toe die het heeft ontvangen en verzoekt het elke lidstaat met stemrecht voor of tegen het voorstel te stemmen. De lidstaten waarvan de stem niet binnen een termijn van 45 dagen door het Internationaal Bureau is ontvangen, worden geacht zich van stemming te hebben onthouden. De eerder genoemde termijn gaat in op de datum van de circulaires van het Internationaal Bureau. Eventuele documentatie en opmerkingen die uit de bovengenoemde procedure voortvloeien worden fysiek of met veilige elektronische middelen ingediend en, in het geval van indieningen van lidstaten bij het Internationaal Bureau, ondertekend door een naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger van de overheidsautoriteit van de betreffende lidstaat. Voor de toepassing van dit lid worden met „veilige elektronische middelen” alle elektronische middelen bedoeld die worden gebruikt voor het verwerken, opslaan en verzenden van gegevens die waarborgen dat de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid van dergelijke gegevens gehandhaafd blijven bij het indienen van bovenvermelde documentatie en opmerkingen door het Internationaal Bureau of een lidstaat.

2.

Indien een voorstel betrekking heeft op een Overeenkomst van de Unie of het Slotprotocol ervan kunnen alleen de lidstaten die partij bij dat verdrag zijn deelnemen aan de onder 1 bedoelde handelingen.

Artikel 141. Procedure voor de indiening bij de Postraad van voorstellen betreffende de opstelling van nieuwe Regelingen, met inachtneming van de door het Congres genomen besluiten

Vervallen

Artikel 142. Wijziging van de Regelingen door de Postraad

1.

De voorstellen tot wijziging van de Regelingen worden behandeld door de Postraad.

2.

Voor het indienen van een voorstel tot wijziging van de Regelingen is de steun van ten minste één lidstaat vereist.

3.

(Vervallen)

Artikel 143. Kennisgeving van tussen twee Congressen genomen besluiten (Const. 29, Alg. Regl. 139, 140, 142)

1.

De in het Verdrag, de overige verdragen en de Slotprotocollen bij deze Akten aangebrachte wijzigingen worden bevestigd door middel van een kennisgeving van de Directeur-Generaal van het Internationaal Bureau aan de regeringen van de lidstaten.

2.

Van de door de Postraad in de Regelingen en de Slotprotocollen daarvan aangebrachte wijzigingen geeft het Internationaal Bureau kennis aan de lidstaten en aan hun aangewezen aanbieders. Hetzelfde geldt voor de in artikel 36.3.2 van het Verdrag en in de overeenkomstige bepalingen van de overige verdragen bedoelde uitleggingen.

Artikel 144. Inwerkingtreding van de Regelingen en van andere tussen twee Congressen genomen besluiten

1.

De Regelingen en alle wijzigingen daarvan treden in werking op de daarin vermelde datum zoals bepaald door de Postraad, en blijven voor onbepaalde tijd van kracht.

2.

Onder voorbehoud van het bepaalde onder 1 zijn de tussen twee Congressen aangenomen besluiten tot wijziging van de Akten van de Unie eerst uitvoerbaar na ten minste drie maanden na kennisgeving hiervan.

HOOFDSTUK IV. FINANCIËN

Artikel 145. Vaststelling en regeling van de uitgaven van de Unie

1.

Onder voorbehoud van de bepalingen onder 2 tot en met 6 mogen de jaarlijkse uitgaven die verband houden met de activiteiten van de organen van de Unie de limiet van 38.890.030 Zwitserse frank voor de jaren 2022 tot en met 2025 niet te boven gaan. Dit plafond is eveneens van toepassing op de jaren na 2025 indien het voor 2025 geplande Congres wordt uitgesteld

2.

De uitgaven die verband houden met de vergadering van het volgende Congres (verplaatsing van het secretariaat, vervoerskosten, kosten voor de technische installatie voor simultaan tolken, kosten voor het kopiëren van stukken gedurende het Congres, enzovoort) mogen de limiet van 2.900.000 Zwitserse frank niet te boven gaan.

3.

De Raad van Bestuur is bevoegd de onder 1 en 2 bedoelde limieten te overschrijden bij de verrekening van de verhoging van salarisschalen, contributies voor pensioenen of vergoedingen, met inbegrip van functievergoedingen, die door de Verenigde Naties worden toegestaan voor toepassing op hun personeel dat in Genève werkzaam is.

4.

De Raad van Bestuur is tevens bevoegd jaarlijks het bedrag van de uitgaven anders dan die welke betrekking hebben op het in dienst zijnde personeel aan te passen aan de hand van het Zwitserse prijsindexcijfer voor consumptiegoederen.

5.

In afwijking van de bepalingen onder 1 kan de Raad van Bestuur of, in geval van zeer spoedeisende aangelegenheden, de Directeur-Generaal een overschrijding van de vastgestelde limieten toestaan voor belangrijke en onvoorziene reparaties aan het gebouw van het Internationaal Bureau, waarbij de overschrijding evenwel niet meer kan bedragen dan 125.000 Zwitserse frank per jaar.

6.

Indien de onder 1 en 2 bedoelde kredieten ontoereikend blijken om het goed functioneren van de Unie te waarborgen, kunnen deze limieten slechts worden overschreden met de goedkeuring van de meerderheid van de lidstaten van de Unie. Elk overleg moet een volledige uiteenzetting bevatten van de feiten die een dergelijk verzoek rechtvaardigen.

Artikel 146. Vaststelling van de uitgaven van de Unie

1.

Onder voorbehoud van de bepalingen onder 2 tot en met 6 mogen de jaarlijkse uitgaven die verband houden met de activiteiten van de organen van de Unie de limiet van 38.890.030 Zwitserse frank voor de jaren 2022 en 2023 en 39.512.270 Zwitserse frank voor de jaren 2024 en 2025 niet te boven gaan. Dit plafond is eveneens van toepassing op de jaren na 2025 indien het voor 2025 geplande Congres wordt uitgesteld.

2.

De uitgaven die verband houden met de vergadering van het volgende Congres (verplaatsing van het secretariaat, vervoerskosten, kosten voor de technische installatie voor simultaan tolken, kosten voor het kopiëren van stukken gedurende het Congres, enzovoort) mogen de limiet van 2.900.000 Zwitserse frank niet te boven gaan.

3.

De Raad van Bestuur is bevoegd de onder 1 en 2 bedoelde limieten te overschrijden bij de verrekening van de verhoging van salarisschalen, contributies voor pensioenen of vergoedingen, met inbegrip van de functievergoedingen, die door de Verenigde Naties worden toegestaan voor toepassing op hun personeel dat in Genève werkzaam is.

4.

De Raad van Bestuur is tevens bevoegd jaarlijks het bedrag van de uitgaven anders dan die welke betrekking hebben op het in dienst zijnde personeel aan te passen aan de hand van het Zwitserse prijsindexcijfer voor consumptiegoederen.

5.

In afwijking van de bepalingen onder 1 kan de Raad van Bestuur of, in geval van zeer spoedeisende aangelegenheden, de Directeur-Generaal een overschrijding van de vastgestelde limieten toestaan voor belangrijke en onvoorziene reparaties aan het gebouw van het Internationaal Bureau, waarbij de overschrijding evenwel niet meer kan bedragen dan 125 000 Zwitserse frank per jaar.

6.

Indien de onder 1 en 2 bedoelde kredieten ontoereikend blijken om het goed functioneren van de Unie te waarborgen, kunnen deze limieten slechts worden overschreden met de goedkeuring van de meerderheid van de lidstaten van de Unie. Elk overleg moet een volledige uiteenzetting bevatten van de feiten die een dergelijk verzoek rechtvaardigen.

Artikel 147. Financiële tekorten

1.

Teneinde de tekorten in de middelen van de Unie op te vangen, wordt een Reservefonds in het leven geroepen. Het bedrag ervan wordt vastgesteld door de Raad van Bestuur. Dit Fonds wordt in eerste instantie gecreëerd uit begrotingsoverschotten. Het Fonds kan eveneens dienen voor het sluitend maken van de begroting of het verlagen van de contributie van de lidstaten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)