Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel
De Regeringen van het Gemenebest van Australië, het Koninkrijk België, de Verenigde Staten van Brazilië, Birma, Canada, Ceylon, de Republiek Chili, de Republiek China, de Republiek Cuba, de Tsjechoslowaakse Republiek, de Franse Republiek, India, Libanon, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Nieuw-Zeeland, het Koninkrijk Noorwegen, Pakistan, Zuid-Rhodesia, Syrië, de Unie van Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika;
Erkennende, dat hun betrekkingen op het gebied van handel en economie dienen te zijn gericht op verhoging van de levensstandaard, werkgelegenheid voor iedereen en een ruim, gestadig toenemend, reëel inkomen en een grote, gestadig toenemende, effectieve vraag, volledig gebruik van 's werelds hulpbronnen en uitbreiding van de produktie en de goederenruil;
Geleid door de wens bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doeleinden door het aangaan, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, van overeenkomsten die een aanzienlijke verlaging van douanetarieven en een aanzienlijke vermindering van andere handelsbelemmeringen, zomede de afschaffing van discriminerende behandeling in het internationale handelsverkeer, beogen;
Zijn door middel van hun vertegenwoordigers het volgende overeengekomen:
De Engelse en Franse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De vertaling is gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast per 1 januari 1948, zie Trb. 1951/53. Het verdrag is aangevuld en gewijzigd door de in rubriek J van Trb. 1954/129 en rubriek J van Trb. 1956/29 genoemde Protocollen, Overeenkomsten, etc.
DEEL I
Artikel I. Algehele meestbegunstiging
Ten aanzien van in- en uitvoerrechten en enigerlei heffingen terzake van of in verband met in- of uitvoer of terzake van de overmaking naar of uit het buitenland van gelden ter betaling van importen of exporten, alsmede ten aanzien van de wijze van heffing van zodanige rechten en heffingen en voorts ten aanzien van alle regels en formaliteiten nopens in- en uitvoer, alsmede ten aanzien van alle in de leden 2 en 4 van artikel III bedoelde aangelegenheden, zal elk voordeel, elke gunst, elk voorrecht of elke vrijstelling welke een der verdragsluitende partijen verleent aan enig produkt van oorsprong uit of bestemd voor enig ander land, terstond en onvoorwaardelijk worden verleend aan het overeenkomstige produkt van oorsprong uit of bestemd voor het grondgebied van alle andere verdragsluitende partijen.
De bepalingen van lid 1 van dit artikel vereisen niet de afschaffing van enige preferenties met betrekking tot invoerrechten of -heffingen welke de in lid 4 van dit artikel vastgestelde hoogte niet te boven gaan en onder de volgende categorieën vallen:
- (a). preferenties uitsluitend van kracht tussen twee of meer der gebieden vermeld in Bijlage A, en behoudens de daarin genoemde voorwaarden;
- (b). preferenties uitsluitend van kracht tussen twee of meer gebieden welke op 1 juli 1939 waren verbonden door gemeenschappelijke soevereiniteit of protectoraats- of suzereiniteitsbetrekkingen en welke zijn vermeld in de Bijlagen B, C en D, behoudens de daarin genoemde voorwaarden;
- (c). preferenties uitsluitend van kracht tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Cuba;
- (d). preferenties uitsluitend van kracht tussen nabuurlanden vermeld in de Bijlagen E en F.
De bepalingen van lid 1 zullen niet van toepassing zijn op de preferenties tussen de landen die eertijds een deel van het Ottomaanse Keizerrijk uitmaakten en die op 24 juli 1923 daarvan zijn afgescheiden, op voorwaarde dat zodanige preferenties worden toegestaan krachtens lid 5 van artikel XXV, welk lid in dit opzicht zal worden toegepast met inachtneming van lid 1 van artikel XXIX.
De preferentiële marge voor een produkt ten aanzien waarvan een preferentie is toegestaan ingevolge lid 2 van dit artikel, mag, voor zover niet uitdrukkelijk een maximale marge is vermeld in de desbetreffende aan deze Overeenkomst gehechte Lijst:
- (a). wat betreft de rechten of heffingen op enig in bovenbedoelde Lijst omschreven produkt, niet hoger zijn dan het daarin vastgelegde verschil tussen het meestbegunstigings- en het preferentiële recht; indien geen preferentieel recht is vastgesteld, wordt als zodanig voor de toepassing van dit lid beschouwd dat recht dat op 10 april 1947 van kracht was; en indien geen meestbegunstigingsrecht is vastgesteld, mag de marge het verschil dat op 10 april 1947 tussen het meestbegunstigings- en het preferentiële recht bestond, niet overschrijden;
- (b). wat betreft de rechten of heffingen op enig niet in bovenbedoelde Lijst omschreven produkt, niet hoger zijn dan het verschil tussen het meestbegunstigings- en het preferentiële recht zoals dit op 10 april 1947 bestond.
Wat betreft de verdragsluitende partijen genoemd in Bijlage G, wordt de onder (a) en (b) van dit lid vermelde datum 10 april 1947 vervangen door de respectieve data welke in voormelde Bijlage zijn vermeld.
Artikel II. Concessielijsten
- (a). Iedere verdragsluitende partij staat op het gebied van de handel aan de andere verdragsluitende partijen een behandeling toe, welke niet ongunstiger is dan die welke is voorzien in het desbetreffende gedeelte van de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst.
- (b). De produkten omschreven in deel I van de op een der verdragsluitende partijen betrekking hebbende Lijst, voortbrengselen zijnde van de gebieden van andere verdragsluitende partijen, zijn, bij invoer in het gebied waarop de Lijst betrekking heeft en onder de voorwaarden en bijzondere voorbehouden daarin vervat, vrij van gewone invoerrechten hoger dan die welke in de Lijst zijn vermeld. Zodanige produkten zijn ook vrijgesteld van alle andere rechten of heffingen welke terzake van of in verband met de invoer worden geheven en hoger zijn dan die welke op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst gelden of hoger zijn dan die welke later bij of krachtens op dat tijdstip in het gebied van invoer van kracht zijnde wetten zouden moeten worden geheven.
- (c). De produkten omschreven in deel II van de op een der verdragsluitende partijen betrekking hebbende Lijst, voortbrengselen zijnde van die gebieden welke ingevolge artikel I aanspraak kunnen maken op preferentiële behandeling bij invoer in het gebied waarop de Lijst betrekking heeft, zijn bij zodanige invoer en onder de voorwaarden en bijzondere voorbehouden in genoemde Lijst vervat, vrij van gewone invoerrechten hoger dan die welke in deel II van de Lijst zijn vermeld en voorzien. Zodanige produkten zijn ook vrijgesteld van alle andere rechten of heffingen welke terzake van of in verband met de invoer worden geheven en hoger zijn dan die welke op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst gelden of hoger zijn dan die welke later bij of krachtens op dat tijdstip in het gebied van invoer van kracht zijnde wetten zouden moeten worden geheven. Geen enkele bepaling van dit artikel belet een verdragsluitende partij haar op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst bestaande voorschriften terzake van de invoer tegen preferentiële tarieven voor de daarvoor in aanmerking komende goederen te handhaven.
Geen enkele bepaling van dit artikel belet een verdragsluitende partij bij de invoer van enig artikel te eniger tijd te heffen:
- (a). een heffing gelijkwaardig aan een binnenlandse belasting die overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van artikel III wordt geheven van het overeenkomstige binnenlandse produkt of van een produkt waaruit het geïmporteerde produkt geheel of gedeeltelijk is vervaardigd of geproduceerd;
- (b). een anti-dumping- of compenserend recht toegepast overeenkomstig de bepalingen van artikel VI;
- (c). retributies of andere rechten evenredig aan de kosten van verleende diensten.
Een verdragsluitende partij mag niet haar methode voor het bepalen van de belastbare waarde of het omrekenen van valuta's zodanig wijzigen, dat daardoor de waarde van een concessie vastgelegd in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst wordt aangetast.
Indien een verdragsluitende partij, hetzij rechtens, hetzij in feite, een monopolie op de invoer van enig produkt omschreven in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst instelt, handhaaft of goedkeurt, mag dit monopolie, tenzij het tegendeel in die Lijst is bepaald of anderszins is overeengekomen tussen de partijen die oorspronkelijk de concessie overeenkwamen, niet ten gevolge hebben, dat zulks gemiddeld een grotere mate van bescherming verschaft dan in die Lijst is voorzien. Het bepaalde in dit lid legt de verdragsluitende partijen geen beperking op met betrekking tot enige vorm van steun aan binnenlandse producenten welke elders in deze Overeenkomst wordt toegestaan.
Indien een verdragsluitende partij van oordeel is, dat een produkt van de zijde van een andere verdragsluitende partij niet een zodanige behandeling geniet als, naar de mening van de eerste verdragsluitende partij, is beoogd op grond van een concessie vastgelegd in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst, brengt zij de zaak terstond onder de aandacht van de andere verdragsluitende partij. Geeft de laatste toe, dat de beoogde behandeling die is waarop de eerste partij zegt recht te hebben, doch verklaart zij dat zulk een behandeling niet kan worden verleend, aangezien een rechtsprekend orgaan of ander bevoegd lichaam heeft beslist, dat het betrokken produkt krachtens de tariefwetgeving van deze verdragsluitende partij niet zodanig kan worden ingedeeld, dat een behandeling als in deze Overeenkomst bedoeld mogelijk is, dan treden de beide verdragsluitende partijen, tezamen met andere verdragsluitende partijen welke hierbij een aanmerkelijk belang hebben, terstond in nadere onderhandeling teneinde een billijke regeling te treffen welke in de plaats kan treden van de oorspronkelijk overeengekomene.
- (a). De specifieke rechten en heffingen welke zijn opgenomen in de Lijsten betrekking hebbende op verdragsluitende partijen die lid zijn van het Internationale Monetaire Fonds, en de preferentiële marges bij de specifieke rechten en heffingen welke door bedoelde verdragsluitende partijen worden toegepast, zijn in de desbetreffende valuta uitgedrukt tegen de pari-waarde welke op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst door het Fonds is aangenomen of voorlopig erkend. Dientengevolge kunnen, in geval deze pari-waarde overeenkomstig de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds met meer dan twintig ten honderd wordt verminderd, deze specifieke rechten en heffingen en preferentiële marges aan zulk een vermindering worden aangepast, mits tussen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN (d.w.z. de ingevolge artikel XXV gezamenlijk optredende verdragsluitende partijen) overeenstemming bestaat over het feit dat zodanige aanpassingen de waarde der in de desbetreffende Lijst of elders in deze Overeenkomst vastgelegde concessies niet aantasten, rekening houdende met alle factoren die van invloed kunnen zijn op de noodzakelijkheid of de urgentie van zulke aanpassingen.
- (b). Deze bepalingen zullen analoog van toepassing zijn op een verdragsluitende partij die geen lid van het Fonds is, van de dag af dat zij lid van het Fonds wordt of een speciale valuta-overeenkomst ingevolge artikel XV aangaat.
De aan deze Overeenkomst gehechte Lijsten vormen een integrerend deel van Deel I van deze Overeenkomst.
DEEL II
Artikel III. Nationale behandeling op het gebied van binnenlandse belastingen en regelingen
De verdragsluitende partijen erkennen, dat binnenlandse belastingen en andere binnenlandse heffingen, evenals wetten, verordeningen en voorschriften betreffende verkoop, aanbod ten verkoop, koop, vervoer, distributie of gebruik van produkten in het binnenland, en binnenlandse kwantitatieve regelingen welke menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen voorschrijven, niet mogen worden toegepast op geïmporteerde of binnenlandse produkten op zodanige wijze dat bescherming aan de binnenlandse produktie wordt verleend.
De produkten van oorsprong uit het grondgebied van enige verdragsluitende partij zijn bij invoer in het grondgebied van enige andere verdragsluitende partij noch rechtstreeks noch middellijk onderworpen aan binnenlandse belastingen of andere binnenlandse heffingen van welke aard ook hoger dan die welke rechtstreeks of middellijk overeenkomstige produkten van binnenlandse oorsprong treffen. Bovendien mag geen verdragsluitende partij op enige andere wijze binnenlandse belastingen of andere binnenlandse heffingen op geïmporteerde of binnenlandse produkten toepassen op een wijze die in strijd is met de in lid 1 geformuleerde beginselen.
Wat betreft een bestaande binnenlandse belasting die onverenigbaar is met het bepaalde in lid 2 doch uitdrukkelijk is toegestaan op grond van een op 10 april 1947 van kracht zijnde handelsovereenkomst krachtens welke het invoerrecht op het belaste produkt niet kan worden verhoogd, staat het de verdragsluitende partij die de belasting heft vrij de toepassing van het bepaalde in lid 2 ten aanzien van deze heffing uit te stellen totdat zij ontheffing kan verkrijgen van de bij deze handelsovereenkomst aangegane verplichtingen en zij, dus het recht heeft verkregen dit invoerrecht in die mate te verhogen als nodig is om het nadeel van de opheffing van de door de belasting verleende bescherming te ondervangen.
De produkten van oorsprong uit het grondgebied van enige verdragsluitende partij mogen bij invoer in het grondgebied van een andere verdragsluitende partij, wat betreft alle wetten, verordeningen en voorschriften betreffende verkoop, aanbod ten verkoop, koop, vervoer, distributie of gebruik in het binnenland, geen minder gunstige behandeling genieten dan die welke wordt verleend aan overeenkomstige produkten van binnenlandse oorsprong. Het bepaalde in dit lid vormt geen beletsel voor de toepassing van differentiële binnenlandse vervoerstarieven welke uitsluitend berusten op de economische exploitatie van vervoermiddelen en niet op de oorsprong van het produkt.
Geen verdragsluitende partij mag enige binnenlandse kwantitatieve regeling nopens menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen uitvaardigen of handhaven die rechtstreeks of middellijk zou vereisen, dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage van een onder de regeling vallend produkt van binnenlandse oorsprong moet zijn. Bovendien mag geen verdragsluitende partij op enigerlei andere wijze binnenlandse kwantitatieve regelingen toepassen op een wijze die in strijd is met de in lid 1 geformuleerde beginselen.
Het bepaalde in lid 5 is niet van toepassing op enigerlei binnenlandse kwantitatieve regeling welke, ter keuze van een verdragsluitende partij, op 1 juli 1939, op 10 april 1947 of op 24 maart 1948 binnen het grondgebied van die verdragsluitende partij van kracht is, onder voorwaarde dat een zodanige regeling welke in strijd is met het bepaalde in lid 5 niet ten nadele van de invoer mag worden gewijzigd en dientengevolge zal worden beschouwd als een invoerrecht ter fine van onderhandeling.
Geen binnenlandse kwantitatieve regeling nopens menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of percentages mag worden toegepast op zodanige wijze dat bedoelde hoeveelheden of percentages over buitenlandse toevoerbronnen worden verdeeld.
- (a). De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op wetten, verordeningen of voorschriften nopens de aanschaffing door overheidsorganen van produkten welke zijn aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet voor wederverkoop in de handel of voor de produktie van voor verkoop in de handel bestemde goederen.
- (b). De bepalingen van dit artikel mogen niet de uitkering beletten, uitsluitend aan binnenlandse producenten, van subsidies, daaronder begrepen betalingen aan binnenlandse producenten uit de opbrengst van binnenlandse belastingen of heffingen toegepast overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, alsmede subsidies in de vorm van aankopen van binnenlandse produkten door of voor rekening van de overheid.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat binnenlandse prijsbeheersing door middel van vaststelling van maximumprijzen, zelfs indien deze in overeenstemming is met de andere bepalingen van dit artikel, nadelige gevolgen kan teweegbrengen voor de belangen van verdragsluitende partijen die importprodukten leveren. Mitsdien dienen de verdragsluitende partijen die dergelijke maatregelen toepassen rekening te houden met de belangen van de exporterende verdragsluitende partijen teneinde zoveel mogelijk deze nadelige gevolgen te vermijden.
De bepalingen van dit artikel beletten een verdragsluitende partij niet binnenlandse kwantitatieve regelingen die betrekking hebben op belichte cinematografische films en voldoen aan de bepalingen van artikel IV, in te stellen of in stand te houden.
Artikel IV. Bijzondere voorschriften nopens cinematografische films
Indien een verdragsluitende partij binnenlandse kwantitatieve regelingen nopens belichte cinematografische films instelt of in stand houdt, dienen deze regelingen de vorm te hebben van projectietijdcontingenten welke aan de volgende eisen moeten voldoen:
- (a). De projectietijd-contingenten mogen inhouden, dat over een bepaalde periode van minstens een jaar, cinematografische films van nationale oorsprong moeten worden vertoond gedurende een bepaald minimum gedeelte van de totale projectietijd die besteed wordt aan de commerciële vertoning van films ongeacht van welke oorsprong. Zodanige contingenten dienen te worden vastgesteld op basis van de projectietijd per bioscoop per jaar of van een daarmede overeenkomende grootheid;
- (b). Met uitzondering van de krachtens een projectietijd-contingent voor films van nationale oorsprong gereserveerde projectietijd, mag geen projectietijd, daarbij inbegrepen die welke oorspronkelijk was gereserveerd voor vertoning van nationale films doch bij bestuurlijke maatregel is vrijgegeven, rechtens noch in feite worden toegewezen onder de films van verschillende oorsprong;
- (c). Niettegenstaande het bepaalde sub (b) van dit artikel, mag elke verdragsluitende partij projectietijd-contingenten handhaven welke voldoen aan de sub (a) van dit artikel gestelde eisen, en een minimum percentage aan projectietijd reserveren voor films van een bepaalde oorsprong, films van de verdragsluitende partij die zulke projectietijd-contingenten heeft ingesteld daarbij uitgezonderd, onder voorbehoud dat dit minimum percentage niet wordt verhoogd boven het op 10 april 1947 geldende niveau;
- (d). Projectietijd-contingenten kunnen door middel van onderhandelingen worden beperkt, geliberaliseerd of afgeschaft.
Artikel V. Vrijheid van doorvoer
Goederen (met inbegrip van bagage), alsmede schepen en andere vervoermiddelen, worden geacht zich in doorvoer door het grondgebied van een verdragsluitende partij te bevinden, wanneer de doortocht door dit grondgebied, al dan niet gepaard gaande met overlading, opslag, breking van de lading of verandering in de wijze van vervoer, deel uitmaakt van een volledige reis welke begint en eindigt buiten de landsgrenzen van de verdragsluitende partij over het grondgebied waarvan de doortocht plaatsvindt. Verkeer van deze aard wordt hierna in dit artikel „transitoverkeer” genoemd.
Er zal vrije doorvoer zijn door het grondgebied van elke verdragsluitende partij voor het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit het grondgebied van andere verdragsluitende partijen, en wel langs de voor het internationale transitoverkeer meest geschikte wegen. Geen onderscheid zal worden gemaakt naar de vlag waaronder de schepen varen, de plaats van oorsprong, vertrek, binnenkomst, uitgang of bestemming, dan wel enige omstandigheid verband houdende met de eigendom der goederen, schepen of andere vervoermiddelen.
Elke verdragsluitende partij mag verlangen, dat het transitoverkeer door haar grondgebied wordt aangegeven aan het daartoe bestemde douanekantoor; dit verkeer zal echter, behalve wanneer wordt verzuimd te voldoen aan de geldende douanewetten en -regelingen, niet aan onnodige vertraging of beperking onderhevig zijn en het moet worden vrijgesteld van alle in-, uit- en doorvoerrechten of andere met de doorvoer in verband staande heffingen, behalve vervoerskosten of andere kosten evenredig aan de administratieve uitgaven verband houdende met de doorvoer, of aan de waarde van verleende diensten.
Alle heffingen en regelingen waaraan verdragsluitende partijen het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit het grondgebied van andere verdragsluitende partijen onderwerpen, behoren redelijk te zijn, rekening houdende met de heersende verkeersomstandigheden.
Wat betreft heffingen, regelingen en formaliteiten terzake van doorvoer, behandelt elke verdragsluitende partij het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij niet minder gunstig dan het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit enig derde land.
Elke verdragsluitende partij behandelt de produkten die door het grondgebied van een andere verdragsluitende partij zijn vervoerd niet minder gunstig dan wanneer zij van de plaats van oorsprong naar hun bestemming waren vervoerd zonder door het grondgebied van die andere verdragsluitende partij te gaan. Aan iedere verdragsluitende partij staat het echter vrij haar op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst bestaande eisen van directe verzending te handhaven met betrekking tot goederen ten aanzien waarvan deze directe verzending een noodzakelijke voorwaarde is om tegen preferentiële invoertarieven te worden toegelaten of betrekking heeft op de door de verdragsluitende partij voorgeschreven methode van waardebepaling met het oog op het invoerrecht.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de exploitatie van luchtvaartuigen in het doorvoerverkeer, doch wel op de doorvoer van goederen (met inbegrip van bagage) door de lucht.
Artikel VI. Anti-dumping- en compenserende rechten
De verdragsluitende partijen erkennen dat dumping, waardoor produkten uit een land tegen een lagere dan hun normale prijs in een ander land aan de markt worden gebracht, moet worden veroordeeld, indien zulks aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een gevestigde industrie in het gebied van een verdragsluitende partij, dan wel de vestiging van een binnenlandse industrie aanmerkelijk vertraagt. Voor de toepassing van dit artikel moet een uit een land naar een ander land geëxporteerd produkt worden beschouwd als tegen een lagere dan de normale prijs op de markt van een importerend land te zijn gebracht, indien de prijs van dit produkt:
- (a). lager is dan de vergelijkbare bij normale handelstransacties gangbare prijs van het overeenkomstige produkt, wanneer het bestemd is om in het land van uitvoer te worden verbruikt, of,
- (b). bij gebreke van zulk een binnenlandse prijs,
- (i). lager is dan de hoogste vergelijkbare normale handelsprijs van het overeenkomstige produkt bij uitvoer naar enig derde land, of
- (ii). lager is dan de produktiekosten van het produkt in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijke toeslag voor verkoopkosten en winst.
Van geval tot geval dient rekening te worden gehouden met verschillen in verkoopvoorwaarden en belasting en met andere verschillen die bij prijsvergelijking van invloed zijn.
Teneinde de werking van dumping teniet te doen of dumping te beletten mag een verdragsluitende partij op elk produkt waarop dumping wordt toegepast een anti-dumpingrecht heffen dat niet hoger mag zijn dan de op dit produkt betrekking hebbende marge van dumping. Voor de toepassing van dit artikel dient onder marge van dumping te worden verstaan het overeenkomstig het bepaalde in lid 1 vastgestelde prijsverschil.
Van een produkt van oorsprong uit het grondgebied van een verdragsluitende partij hetwelk in dat van een andere verdragsluitende partij wordt ingevoerd, mag geen hoger compenserend recht worden geheven dan het geschatte bedrag van de premie of subsidie waarvan geconstateerd is dat zij in het land van oorsprong of uitvoer op de vervaardiging, produktie of uitvoer van zulk een produkt, rechtstreeks of middellijk, is verleend, daaronder begrepen elke bijzondere subsidie op het vervoer van een bepaald produkt. Onder de term „compenserend recht” dient te worden verstaan een bijzonder recht geheven om de werking van een premie of subsidie welke, rechtstreeks of middellijk, op de vervaardiging, produktie of uitvoer van enig produkt is verleend, teniet te doen.
Geen produkt van oorsprong uit het grondgebied van een verdragsluitende partij hetwelk in dat van een andere verdragsluitende partij wordt ingevoerd, mag aan een anti-dumping- of compenserend recht worden onderworpen op grond van het feit dat dit produkt is vrijgesteld van rechten of belastingen waarmede het overeenkomstige produkt is belast, wanneer het bestemd is om in het land van oorsprong of uitvoer te worden verbruikt, of op grond van het feit dat zodanige rechten of belastingen worden gerestitueerd.
Geen produkt van oorsprong uit het grondgebied van een verdragsluitende partij hetwelk wordt ingevoerd in dat van een andere verdragsluitende partij, mag tegelijkertijd aan een anti-dumping- en een compenserend recht worden onderworpen als compensatie voor eenzelfde toestand die is geschapen door dumping of uitvoersubsidiëring.
- (a). Een verdragsluitende partij mag slechts dan een antidumping- of compenserend recht heffen bij de invoer van enig produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij, indien zij vaststelt, dat de werking van de dumping, onderscheidenlijk de subsidie, zodanig is, dat deze aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een gevestigde binnenlandse industrie, dan wel de vestiging van een binnenlandse industrie aanmerkelijk vertraagt.
- (b). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mogen ontheffing verlenen van het bepaalde sub (a) van dit lid, teneinde het een verdragsluitende partij mogelijk te maken een anti-dumping- of compenserend recht te heffen bij de invoer van enig produkt, met het doel de werking teniet te doen van dumping of subsidiëring welke aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een industrie, binnen het grondgebied van een andere verdragsluitende partij, die het betrokken produkt naar het grondgebied van de importerende verdragsluitende partij uitvoert. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen ontheffing te verlenen van het bepaalde sub (a) van dit lid, teneinde het mogelijk te maken een compenserend recht te heffen in de gevallen waarin zij vaststellen, dat een subsidie aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een industrie binnen het grondgebied van een andere verdragsluitende partij die het betrokken produkt naar het grondgebied van de importerende verdragsluitende partij uitvoert.
- (c). Niettemin kan een verdragsluitende partij in bijzondere omstandigheden wanneer de vertraging aanleiding kan geven tot moeilijk te herstellen schade, zonder voorafgaande goedkeuring van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een compenserend recht heffen voor de sub (b) van dit lid bedoelde doeleinden, mits de verdragsluitende partij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onmiddellijk in kennis stelt van de genomen maatregel en het compenserende recht terstond wordt ingetrokken indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN niet met de toepassing ervan instemmen.
Een stelsel om, onafhankelijk van het verloop der exportprijzen, hetzij de binnenlandse prijs van een stapelprodukt hetzij de bruto opbrengst voor binnenlandse producenten van een stapelprodukt te stabiliseren, welk stelsel somtijds ten gevolge heeft, dat een produkt voor export wordt verkocht tegen een lagere prijs dan de vergelijkbare prijs voor een overeenkomstig produkt welke aan kopers op de binnenlandse markt in rekening wordt gebracht, wordt niet geacht een aanmerkelijke schade in de zin van lid 6 toe te brengen, indien na overleg tussen de verdragsluitende partijen welke bij het betrokken produkt een aanmerkelijk belang hebben wordt vastgesteld:
- (a). dat het stelsel ook wel heeft geleid tot de verkoop voor export van het desbetreffende produkt tegen een hogere prijs dan de vergelijkbare prijs voor een overeenkomstig produkt welke aan kopers op de binnenlandse markt in rekening wordt gebracht, en
- (b). dat het stelsel, door doelmatige regeling van de produktie of anderszins, zodanig werkt, dat het de uitvoer niet al te zeer stimuleert of op andere wijze de belangen van andere verdragsluitende partijen ernstig schaadt.
Artikel VII. Bepaling van de belastbare in- en uitvoerwaarde
De verdragsluitende partijen erkennen de deugdelijkheid van de algemene beginselen ter bepaling der belastbare in- en uitvoerwaarde, neergelegd in de volgende leden van dit artikel, en zij verbinden zich deze beginselen toe te passen ten aanzien van alle produkten welke bij in- of uitvoer zijn onderworpen aan douanerechten of andere heffingen of beperkingen welke op enige wijze zijn gebaseerd op of afhankelijk zijn van de waarde. Bovendien stellen zij op verzoek van een andere verdragsluitende partij in het licht van genoemde beginselen een onderzoek in naar de werking van hun wetten en regelingen terzake van de bepaling van de belastbare in- en uitvoerwaarde. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen aan verdragsluitende partijen verzoeken verslag uit te brengen omtrent de door hen ingevolge de bepalingen van dit artikel genomen maatregelen.
- (a). De belastbare invoerwaarde van goederen dient te zijn gebaseerd op de werkelijke waarde van het goed waarvan het recht wordt geheven, of op de werkelijke waarde van een overeenkomstig goed, en mag niet zijn gebaseerd op de waarde van goederen van binnenlandse oorsprong of op willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.
- (b). Onder de „werkelijke waarde” dient te worden verstaan de prijs waartegen, op een door de wetgeving van het importerende land te bepalen tijd en plaats, de geïmporteerde goederen of overeenkomstige goederen bij normale handelstransacties en bij volledige vrije mededinging worden verkocht of ten verkoop aangeboden. Voor zover de prijs van deze of overeenkomstige goederen afhangt van de verhandelde hoeveelheid bij een bepaalde transactie, dient de in aanmerking komende prijs steeds te worden berekend naar (i) vergelijkbare hoeveelheden of (ii) hoeveelheden welke voor de importeurs ten minste even gunstig zijn als die waarin het merendeel der goederen in het handelsverkeer tussen de invoerende en uitvoerende landen wordt verkocht.
- (c). Wanneer de werkelijke waarde niet overeenkomstig het bepaalde sub (b) van dit lid kan worden vastgesteld, dient de belastbare in- of uitvoerwaarde te worden gebaseerd op het ten naaste bij als gelijkwaardig vast te stellen bedrag.
In de belastbare in- en uitvoerwaarde van enig ingevoerd produkt dient niet te worden begrepen het bedrag van een in het land van oorsprong of uitvoer geldende binnenlandse belasting waarvan het ingevoerde produkt is vrijgesteld of waarvan restitutie is of zal worden verleend.
- (a). Voor zover niet anders in dit lid is bepaald, wordt in gevallen waarin het voor de toepassing van lid 2 van dit artikel nodig is, dat een verdragsluitende partij een in de valuta van een ander land luidende prijs omrekent in eigen valuta, de te gebruiken omrekeningskoers voor elke valuta gebaseerd op de pari-waarde zoals deze is vastgesteld overeenkomstig de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of op de door het Fonds erkende wisselkoers, of op de pari-waarde zoals vastgesteld bij speciale valutaovereenkomst ingevolge artikel XV van deze Overeenkomst.
- (b). Wanneer zulk een pari-waarde of erkende wisselkoers ontbreekt, dient de omrekeningskoers werkelijk overeen te komen met de gangbare waarde van die valuta bij handelstransacties.
- (c). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN formuleren in overeenstemming met het Internationale Monetaire Fonds regels voor de omrekening door verdragsluitende partijen van alle vreemde valuta waarvoor overeenkomstig de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds veelvoudige wisselkoersen worden aangehouden. Iedere verdragsluitende partij mag voor de toepassing van lid 2 van dit artikel ten aanzien van zulke vreemde valuta's bedoelde regels toepassen in plaats van de pari-waarden te gebruiken. Zolang deze regels nog niet door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zijn aangenomen, mag iedere verdragsluitende partij voor de toepassing van lid 2 van dit artikel ten aanzien van zulk een vreemde valuta regels voor de omrekening volgen die het oogmerk hebben de waarde van deze valuta in handelstransacties nauwkeurig weer te geven.
- (d). Geen bepaling in dit lid mag zo worden uitgelegd, dat zij een verdragsluitende partij zou verplichten de op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst in haar gebied geldende wijze van omrekening voor douanedoeleinden te wijzigen, indien deze wijziging in het algemeen een verhoging van verschuldigde rechten ten gevolge zou hebben.
Vaststaande grondslagen en methoden dienen te worden aangewend voor de waardebepaling van produkten, onderworpen aan rechten of andere heffingen of beperkingen die op enigerlei wijze zijn gebaseerd op of afhankelijk zijn van de waarde, en hieraan dient voldoende bekendheid te worden gegeven teneinde de handelaren in staat te stellen de aan te geven waarde bij in- of uitvoer met een redelijke mate van zekerheid te schatten.
Artikel VIII. Retributies en formaliteiten bij in- en uitvoer
- (a). Alle retributies en heffingen van welke aard ook (invoeren uitvoerrechten en de belastingen vallende onder artikel III uitgezonderd) die door verdragsluitende partijen bij of in verband met in- of uitvoer worden geheven, dienen beperkt te blijven tot de bij benadering vast te stellen waarde der verleende diensten en mogen geen indirecte bescherming van binnenlandse produkten noch een belasting voor fiscale doeleinden bij in- of uitvoer inhouden.
- (b). De verdragsluitende partijen erkennen de noodzaak tot beperking van het aantal en de verscheidenheid van de retributies en heffingen waarvan melding wordt gemaakt sub (a).
- (c). De verdragsluitende partijen erkennen eveneens de noodzaak tot beperking van de omvang en de ingewikkeldheid der invoer- en uitvoerformaliteiten en tot vermindering en vereenvoudiging van de vereiste invoer- en uitvoerdocumenten.
Een verdragsluitende partij dient op verzoek van een andere verdragsluitende partij of van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de werking van eigen wetten en voorschriften in het licht van de bepalingen van dit artikel aan een onderzoek te onderwerpen.
Een verdragsluitende partij mag geen strenge boeten opleggen wegens geringe overtredingen van douaneregelingen of -voorschriften. Met name mag een boete wegens een verzuim of abuis in de douanebescheiden, indien gemakkelijk te herstellen en kennelijk zonder bedrieglijke opzet of schromelijke nalatigheid begaan, niet hoger zijn dan nodig is om louter als waarschuwing te dienen.
De bepalingen van dit artikel hebben eveneens betrekking op door de overheid vastgestelde retributies, heffingen, formaliteiten en eisen terzake van in- en uitvoer, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:
- (a). consulaire formaliteiten, b.v. consulaire facturen en certificaten;
- (b). kwantitatieve beperkingen;
- (c). vergunningen;
- (d). deviezencontrole;
- (e). diensten ten behoeve van de statistiek;
- (f). documenten, documentatie en certificatie;
- (g). analyse en onderzoek; en
- (h). quarantaine, sanitair onderzoek en ontsmetting.
Artikel IX. Merken van oorsprong
Elke verdragsluitende partij behandelt de produkten van het grondgebied van andere verdragsluitende partijen met betrekking tot merkingsvoorschriften niet ongunstiger dan de overeenkomstige produkten uit een derde land.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat bij het aanvaarden en ten uitvoer leggen van wetten en voorschriften met betrekking tot merken van oorsprong de moeilijkheden en ongemakken welke zulke maatregelen voor de handel en de industrie van exporterende landen veroorzaken, tot het uiterste dienen te worden beperkt, waarbij rekening dient te worden gehouden met de noodzaak consumenten te beschermen tegen bedrieglijke of misleidende aanduidingen.
In alle gevallen waarin het administratief mogelijk is dienen de verdragsluitende partijen toe te staan, dat de vereiste merken van oorsprong worden aangebracht op het tijdstip van invoer.
De wetten en regelingen van verdragsluitende partijen met betrekking tot het merken van ingevoerde produkten moeten zodanig zijn, dat zij kunnen worden nageleefd zonder dat de produkten daardoor ernstig worden beschadigd of hun waarde aanzienlijk wordt verminderd of hun kostprijs onredelijk wordt verhoogd.
In het algemeen behoort geen der verdragsluitende partijen een bijzonder recht te hebben of een bijzondere boete op te leggen wegens het niet nakomen van de merkingsvoorschriften voordat invoer plaatsvindt, tenzij de correctie der merken onredelijk lang wordt uitgesteld, misleidende merken zijn aangebracht of de vereiste merking met opzet is nagelaten.
De verdragsluitende partijen dienen samen te werken teneinde te voorkomen, dat handelsbenamingen worden gebruikt om een valse voorstelling te geven omtrent de ware oorsprong van een produkt, zulks tot schade van die specifieke gewestelijke of aardrijkskundige benamingen van voortbrengselen van het grondgebied van een verdragsluitende partij welke wettelijke bescherming genieten. Elke verdragsluitende partij dient haar volle en welwillende aandacht te schenken aan de tot haar gerichte verzoeken of vertogen van een andere verdragsluitende partij met betrekking tot de nakoming van de in de vorige zin genoemde verplichting ten aanzien van benamingen van produkten welke haar door de andere verdragsluitende partij zijn medegedeeld.
Artikel X. Bekendmaking en uitvoering van handelsregelingen
Wetten, regelingen, rechterlijke beslissingen en administratieve uitspraken welke algemeen toepasselijk zijn, welke door een verdragsluitende partij worden uitgevoerd of ten uitvoer gelegd en welke betrekking hebben op de indeling of waardebepaling van produkten voor douanedoeleinden, op de hoogte van rechten, belastingen of andere heffingen, of op voorschriften, beperkingen of verboden terzake van in- of uitvoer of de overmaking van hiermede samenhangende betalingen of terzake van de verkoop, distributie, het vervoer, de verzekering, opslag, het onderzoek, de uitstalling, be- of verwerking, menging of ander gebruik daarvan, worden terstond bekendgemaakt teneinde de regeringen en handelaren in de gelegenheid te stellen daarvan kennis te nemen. Overeenkomsten welke de internationale handelspolitiek raken en van kracht zijn tussen de regering of een overheidsorgaan van een verdragsluitende partij en de regering of een overheidsorgaan van een andere verdragsluitende partij, worden eveneens bekendgemaakt. De bepalingen van dit lid verplichten een verdragsluitende partij niet tot bekendmaking van vertrouwelijke gegevens, waardoor de handhaving der wetten zou worden belemmerd, dan wel het openbare belang of de wettige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen zouden worden geschaad.
Geen algemeen toepasselijke door een verdragsluitende partij genomen maatregel die een verhoging van een recht of een andere heffing op de invoer krachtens een gevestigd en algemeen gebruik ten gevolge heeft of die een nieuw of drukkender voorschrift, beperking of verbod terzake van de invoer of de overmaking van hiermede samenhangende betalingen oplegt, wordt ten uitvoer gelegd voordat deze officieel is bekendgemaakt.
- (a). Elke verdragsluitende partij dient op uniforme, onpartijdige en billijke wijze al haar wetten, regelingen, beslissingen en uitspraken bedoeld in lid 1 van dit artikel uit te voeren of ten uitvoer te leggen.
- (b). Elke verdragsluitende partij dient rechtbanken, scheidsgerechten of administratieve rechtbanken of procedures in stand te houden of zo spoedig mogelijk in te stellen, die o.a. ten doel hebben administratieve maatregelen terzake van douaneaangelegenheden op korte termijn te onderzoeken en te corrigeren. Voornoemde rechtbanken, gerechten of procedures zijn onafhankelijk van de organen die met de administratieve uitvoering van de maatregelen zijn belast en de door of krachtens deze genomen beslissingen worden ten uitvoer gelegd door en dienen tot richtlijnen voor de praktijk van deze organen, tenzij binnen de daartoe voor de importeurs voorgeschreven tijd beroep is aangetekend bij een hof of een gerecht met hogere rechtsmacht, mits de centrale leiding van zulk een orgaan stappen mag doen om bij een ander rechtsgeding herziening van de zaak te verkrijgen, indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen, dat de beslissing onverenigbaar is met de gevestigde rechtsbeginselen of met de feiten.
- (c). Het bepaalde sub (b) van dit lid vereist niet de opheffing of vervanging van procedures welke op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst in het gebied van een verdragsluitende partij bestonden, zo deze in feite voorzien in een objectief en onpartijdig onderzoek van bestaande administratieve maatregelen, ook al zijn deze procedures niet volledig of formeel onafhankelijk van de organen belast met de administratieve uitvoering. Een verdragsluitende partij die van zulke procedures gebruik maakt verstrekt op verzoek de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN volledige gegevens dienaangaande, opdat deze kunnen beoordelen of de procedures al dan niet aan de sub (c) van dit lid gestelde eisen beantwoorden.
Artikel XI. Algemene afschaffing van kwantitatieve beperkingen
Behalve rechten, belastingen of andere heffingen mag geen verdragsluitende partij enig verbod of enige beperking, toegepast hetzij door middel van contingenten of invoer- of uitvoervergunningen, hetzij door middel van andere maatregelen, opleggen of handhaven op de invoer van een produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij of op de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een produkt dat voor het grondgebied van een andere verdragsluitende partij is bestemd.
Het bepaalde in lid 1 van dit artikel strekt zich niet uit tot de volgende gevallen:
- (a). uitvoerverboden of -beperkingen welke tijdelijk worden toegepast om kritieke tekorten aan voedingsmiddelen of andere voor de exporterende verdragsluitende partij onmisbare produkten te voorkomen of te verlichten;
- (b). invoer- en uitvoerverboden of -beperkingen welke nodig zijn voor de toepassing van normen of regelingen tot het indelen, het rangschikken of het aan de markt brengen van produkten bestemd voor de internationale handel;
- (c). invoerbeperkingen ten aanzien van een in enigerlei vorm geïmporteerd produkt van de landbouw of visserij nodig ter uitvoering van overheidsmaatregelen beogende:
- (i). de hoeveelheden te beperken welke van het overeenkomstige binnenlandse produkt mogen worden verkocht of geproduceerd, of, indien er geen aanmerkelijke binnenlandse produktie van het overeenkomstige produkt bestaat, van een binnenlands produkt dat het geïmporteerde direct kan vervangen; of
- (ii). een tijdelijk overschot weg te werken van het overeenkomstige binnenlandse produkt, of, indien er geen aanmerkelijke binnenlandse produktie van het overeenkomstige produkt bestaat, van een binnenlands produkt dat het geïmporteerde direct kan vervangen, door zulk een overschot om niet of onder de marktprijs ter beschikking te stellen van zekere groepen binnenlandse verbruikers; of
- (iii). de hoeveelheden te beperken, welke mogen worden geproduceerd van een dierlijk produkt waarvan de produktie, geheel of in hoofdzaak, rechtstreeks afhankelijk is van het geïmporteerde produkt, indien de binnenlandse produktie van zulks een goed betrekkelijk onbeduidend is.
Iedere verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde sub (c) van dit lid beperkingen aan de invoer van enig produkt oplegt, dient de totale hoeveelheid of waarde van dit produkt welke gedurende een bepaalde toekomstige periode mag worden ingevoerd, alsmede enige verandering in deze hoeveelheid of waarde, ter algemene kennis te brengen. Bovendien mogen de krachtens dit lid, sub (i), toegepaste beperkingen de totale invoer niet doen verminderen in verhouding tot de totale binnenlandse produktie, zulks in vergelijking met de verhouding welke men redelijkerwijze tussen deze beide hoeveelheden bij afwezigheid van beperkingen zou kunnen verwachten. Bij vaststelling van deze verhouding houdt de verdragsluitende partij terdege rekening met de verhouding welke in een voorafgaande basisperiode bestond, zomede met alle bijzondere factoren welke van invloed kunnen zijn geweest of kunnen zijn op de handel in het betrokken produkt.
Artikel XII. Beperkingen ter bescherming van de betalingsbalans
Niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van artikel XI mag een verdragsluitende partij ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie en haar betalingsbalans de hoeveelheid of de waarde van ten invoer toe te laten goederen beperken, behoudens de bepalingen in de volgende leden van dit artikel.
- (a). Invoerbeperkingen door een verdragsluitende partij opgelegd, gehandhaafd of verscherpt mogen niet verder gaan dan nodig is om: In beide gevallen wordt terdege rekening gehouden met alle bijzondere factoren welke van invloed zijn op de reserves van de verdragsluitende partij of haar behoefte aan reserve, met name met de noodzaak te voorzien in het juiste gebruik van bijzondere buitenlandse kredieten of andere hulpbronnen, wanneer deze bedoelde verdragsluitende partij ter beschikking staan.
- (i). een ernstige daling van haar monetaire reserves te stuiten, dan wel een onmiddellijke dreiging daartoe af te wenden, of,
- (ii). wanneer het een verdragsluitende partij betreft met zeer geringe monetaire reserves, een redelijke mate van stijging van haar reserves te bewerkstelligen.
- (b). De verdragsluitende partijen die krachtens het bepaalde sub (a) van dit artikel beperkingen toepassen, verzachten deze geleidelijk aan, naarmate er in de omstandigheden bedoeld sub (a) verbetering optreedt, en handhaven deze slechts voor zover zulke omstandigheden de toepassing ervan nog rechtvaardigen. Zij heffen bedoelde beperkingen op zodra de omstandigheden de instelling of handhaving ervan krachtens het bepaalde sub (a) niet meer rechtvaardigen.
- (a). De verdragsluitende partijen verbinden zich bij de uitvoering van hun binnenlands beleid terdege rekening te houden met de noodzaak het evenwicht in hun betalingsbalans op gezonde en duurzame basis te bewaren, dan wel te herstellen, zomede met de wenselijkheid een niet-economisch gebruik van hun produktiebronnen te vermijden. Zij erkennen, dat het ter verwezenlijking van deze doeleinden noodzakelijk is zoveel mogelijk maatregelen te nemen die eerder strekken tot uitbreiding dan tot inkrimping van de internationale handel.
- (b). De verdragsluitende partijen welke beperkingen krachtens dit artikel toepassen kunnen bepalen in welke mate deze beperkingen de invoer van verschillende produkten of groepen van produkten zullen treffen, in dier voege dat voorrang wordt verleend aan de invoer van die produkten welke het meest noodzakelijk zijn.
- (c). De verdragsluitende partijen die beperkingen krachtens dit artikel toepassen verbinden zich:
- (i). onnodige schade aan de commerciële of economische belangen van een andere verdragsluitende partij te voorkomen;
- (ii). geen beperkingen toe te passen, welke zonder redelijke grond de invoer in minimale handelshoeveelheden verhinderen van enigerlei goed welks uitsluiting het normale handelsverkeer zou schaden; en
- (iii). geen beperkingen toe te passen welke de invoer van handelsmonsters of het nakomen van voorschriften terzake van octrooien, handelsmerken of auteursrechten e.d. verhinderen.
- (d). De verdragsluitende partijen erkennen, dat een door een verdragsluitende partij gevolgd binnenlands beleid dat is gericht op het bereiken en handhaven van volledige en produktieve werkgelegenheid of op de ontwikkeling van economische hulpbronnen, een grote vraag naar invoer bij deze verdragsluitende partij kan teweeg brengen, hetgeen voor haar monetaire reserves een bedreiging kan inhouden als bedoeld in lid 2 (a) van dit artikel. Dientengevolge is geen verdragsluitende partij die in alle andere opzichten aan de bepalingen van dit artikel voldoet, gehouden beperkingen in te trekken of te wijzigen op grond van het feit dat een verandering in dit beleid de beperkingen welke zij krachtens dit artikel toepast onnodig zou maken.
- (a). Elke verdragsluitende partij die nieuwe beperkingen toepast of het algemene niveau van de bestaande beperkingen doet stijgen door een aanzienlijke verscherping van de ingevolge dit artikel toegepaste maatregelen, moet onmiddellijk na de instelling of verscherping van deze beperkingen (of, in gevallen waarin voorafgaand overleg in de praktijk mogelijk is, alvorens tot het bovenstaande over te gaan) met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg treden omtrent de aard van haar betalingsbalansmoeilijkheden, de verschillende maatregelen welke tot verbetering daarvan kunnen worden genomen, alsmede de mogelijke gevolgen van deze beperkingen voor de economie der andere verdragsluitende partijen.
- (b). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen op een door hen te bepalen tijdstip alle beperkingen welke nog op dat tijdstip krachtens dit artikel worden toegepast aan een onderzoek. Te beginnen een jaar na dit tijdstip treden de verdragsluitende partijen welke ingevolge dit artikel invoerbeperkingen toepassen jaarlijks met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg op de wijze bedoeld in dit lid sub (a).
- (c).
- (i). Indien het gedurende het overleg met een verdragsluitende partij ingevolge dit lid sub (a) of (b) de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mocht blijken, dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit artikel of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV), geven zij aan waarin die onverenigbaarheid schuilt en kunnen zij adviseren passende wijzigingen in de beperkingen aan te brengen.
- (ii). Indien echter de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN als gevolg van bovengenoemd overleg vaststellen, dat de toegepaste beperkingen in ernstige mate onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit artikel of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat daardoor schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan de handel van een verdragsluitende partij, stellen zij de verdragsluitende partij welke de beperkingen toepast daarvan in kennis en doen passende aanbevelingen teneinde binnen een bepaalde termijn naleving van de desbetreffende bepalingen te bereiken. Indien de verdragsluitende partij deze aanbevelingen binnen deze termijn niet opvolgt, kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN iedere verdragsluitende partij waarvan de handel door die beperkingen wordt geschaad ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
- (d). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nodigen op verzoek van elke verdragsluitende partij die duidelijk kan aantonen, dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit artikel of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat haar handel daardoor wordt geschaad, een verdragsluitende partij die krachtens dit artikel beperkingen toepast uit hierover met hen in overleg te treden. Zulk een uitnodiging wordt echter slechts gedaan nadat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich ervan hebben vergewist, dat de rechtstreekse besprekingen tussen de betrokken verdragsluitende partijen niet tot een resultaat hebben geleid. Indien als gevolg van het overleg met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN geen overeenstemming wordt bereikt en deze vaststellen, dat de beperkingen worden toegepast op een wijze die onverenigbaar is met de hierboven genoemde bepalingen en dat de handel van de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld daardoor wordt geschaad, of met schade wordt bedreigd, bevelen zij een intrekking of wijziging van de beperkingen aan. Indien de beperkingen niet binnen de termijn die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorschrijven worden ingetrokken of gewijzigd, kunnen zij de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld, ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
- (e). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen bij elke ingevolge dit lid ingestelde procedure terdege rekening te houden met alle bijzondere externe factoren die schade toebrengen aan de uitvoerhandel van de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast.
- (f). Een uitspraak krachtens dit lid dient op korte termijn te worden gedaan en wel, indien mogelijk, binnen zestig dagen na de aanvang van het overleg.
Indien er voortdurend en op grote schaal krachtens dit artikel invoerbeperkingen worden toegepast, hetgeen duidt op een algehele verstoring van het evenwicht, waardoor de internationale handel wordt beperkt, openen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN besprekingen teneinde te overwegen of er andere maatregelen zouden kunnen worden genomen – hetzij door die verdragsluitende partijen wier betalingsbalans onder druk staat, hetzij door die wier betalingsbalans de neiging heeft bijzonder gunstig te zijn, hetzij door een bevoegde intergouvernementele organisatie – om de oorzaken die aan de evenwichtsverstoring ten grondslag liggen, weg te nemen. Op uitnodiging van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nemen de verdragsluitende partijen deel aan dergelijke besprekingen.
Artikel XIII. Non-discriminatoire toepassing van kwantitatieve beperkingen
Geen verdragsluitende partij mag de invoer van enig produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij of de uitvoer van enig produkt bestemd voor het grondgebied van een andere verdragsluitende partij verbieden of beperken, tenzij de invoer van het overeenkomstige produkt van oorsprong uit ieder derde land of de uitvoer daarvan naar ieder derde land eveneens is verboden of beperkt.
Bij de toepassing van invoerbeperkingen op enig produkt streven de verdragsluitende partijen naar een verdeling van de handel in dit produkt welke zo veel mogelijk het aandeel nabij komt dat de verschillende verdragsluitende partijen bij afwezigheid van zulke beperkingen naar alle waarschijnlijkheid hadden kunnen verkrijgen. Te dien einde nemen zij de volgende voorschriften in acht:
- (a). Waar zulks uitvoerbaar is worden contingenten vastgesteld welke de totale toegestane importen (al dan niet onder de landen ven levering verdeeld) vertegenwoordigen en wordt de omvang van deze contingenten overeenkomst lid 3 (b) van dit artikel bekendgemaakt;
- (b). Waar het niet mogelijk is contingenten vast te stellen kunnen de beperkingen worden opgelegd door middel van invoervergunningen of -consenten zonder contingentering;
- (c). Behalve ten behoeve van de administratie van contingenten toegewezen overeenkomstig het gestelde sub (d) van dit lid eisen de verdragsluitende partijen niet, dat invoervergunningen of -consenten worden gebruikt voor de invoer van het desbetreffende produkt uit een bepaald land of een bepaalde bron;
- (d). In gevallen waarin een contingent onder de landen van levering is verdeeld, kan de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast trachten ten aanzien van de toewijzing van aandelen in het contingent tot overeenstemming te komen met alle andere verdragsluitende partijen die een aanmerkelijk belang hebben bij de levering van het betrokken produkt. In gevallen waarin deze methode niet wel mogelijk is wijst de verdragsluitende partij in kwestie aan de verdragsluitende partijen die een aanmerkelijk belang hebben bij de levering van het produkt aandelen toe, evenredig aan de totale hoeveelheid of waarde van de invoer van het produkt hetwelk deze verdragsluitende partijen gedurende een vorige basisperiode leverden, daarbij terdege rekening houdende met de eventuele bijzondere factoren die van invloed waren of zijn op de handel in dit produkt. Er worden geen voorwaarden of formaliteiten voorgeschreven welke een verdragsluitende partij zouden beletten het haar toegewezen aandeel in zulk een totale hoeveelheid of waarde ten volle te benutten, mits de invoer geschiedt binnen de geldigheidsduur van het contingent.
- (a). In gevallen waarin invoervergunningen worden afgegeven in verband met invoerbeperkingen verstrekt de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast op verzoek van elke verdragsluitende partij die belang heeft bij de handel in het desbetreffende produkt alle terzake dienende gegevens omtrent de uitvoering van de beperkingen, de over een recent tijdvak afgegeven invoervergunningen, alsmede omtrent de verdeling van deze vergunningen over de landen van levering, mits er geen verplichting bestaat tot het mededelen van de namen van importeurs of leveranciers.
- (b). In geval invoerbeperkingen het vaststellen van contingenten medebrengen brengt de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast de totale hoeveelheid of waarde van het produkt of de produkten die gedurende een bepaalde toekomstige periode mogen worden ingevoerd, alsmede elke verandering in deze waarde of hoeveelheid, ter algemene kennis. Eventuele partijen van het produkt in kwestie welke ten tijde van de algemene bekendmaking onderweg waren worden niet ten invoer geweigerd, behoudens dat zij, voor zover doenlijk, in mindering mogen worden gebracht op de in bedoelde periode ten invoer toe te laten hoeveelheid, alsook, waar nodig, op de hoeveelheden welke in de daarop volgende periode of perioden mogen worden ingevoerd, en behoudens verder dat deze handelwijze zal worden geacht ten volle aan het hierbij onder (b) bepaalde te voldoen, indien een verdragsluitende partij gewoon is produkten welke binnen een tijdvak van dertig dagen na de dag van genoemde algemene kennisgeving ten verbruike worden ingevoerd of uit entrepot worden uitgeslagen, van bedoelde beperkingen vrij te stellen.
- (c). In geval contingenten zijn verdeeld onder de landen van levering zal de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast alle andere verdragsluitende partijen welke belang hebben bij de levering van het desbetreffende produkt onverwijld verwittigen van het in hoeveelheid of waarde uitgedrukte aandeel in het contingent hetwelk voor het lopende tijdvak is toegewezen en zulks ter algemene kennis brengen.
Met betrekking tot de overeenkomstig lid 2 (d) van dit artikel of lid 2 (c) van artikel XI toegepaste beperkingen geschieden de keuze van een basisperiode voor een produkt en de waardering van eventuele bijzondere factoren die van invloed zijn op de handel in dit produkt in eerste aanleg door de verdragsluitende partij die de beperking oplegt; nochtans treedt genoemde verdragssluitende partij op verzoek van iedere andere verdragsluitende partij die een aanmerkelijk belang heeft bij de levering van dat produkt, dan wel op verzoek der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, onverwijld met die andere verdragsluitende partij, of met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, in overleg nopens de noodzaak van een correctie van de vastgestelde verhouding of de gekozen basisperiode, dan wel nopens de noodzaak van herwaardering van de desbetreffende bijzondere factoren of van afschaffing van voorwaarden, formaliteiten of andere bepalingen welke eenzijdig zijn vastgesteld met betrekking tot de toewijzing van een billijk contingent of de onbeperkte uitputting hiervan.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk tariefcontingent dat door enige verdragsluitende partij wordt ingesteld of gehandhaafd, terwijl de beginselen van dit artikel, voor zover toepasselijk, zich eveneens uitstrekken tot uitvoerbeperkingen.
Artikel XIV. Uitzonderingen op de regel van non-discriminatie
Een verdragsluitende partij die krachtens artikel XII of sectie B van artikel XVIII beperkingen toepast mag bij de toepassing dezer beperkingen op zodanige wijze afwijken van de bepalingen van artikel XIII, dat de uitwerking gelijkwaardig is aan die der beperkingen welke deze verdragsluitende partij op dat tijdstip op betalingen en overmakingen bij lopende internationale transacties mag toepassen krachtens artikel VIII of artikel XIV van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of krachtens hiermede overeenkomende bepalingen van een ingevolge lid 6 van artikel XV aangegane speciale valuta-overeenkomst.
Een verdragsluitende partij die krachtens artikel XII of sectie B van artikel XVIII invoerbeperkingen toepast, mag met toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN tijdelijk afwijken van de bepalingen van artikel XIII met betrekking tot een klein gedeelte van haar buitenlandse handel, in geval de hieruit voortvloeiende voordelen voor de betrokken verdragsluitende partij of verdragsluitende partijen de nadelen welke hierdoor voor de handel van andere verdragsluitende partijen kunnen optreden belangrijk overtreffen.
De bepalingen van artikel XIII beletten niet, dat ingevolge de bepalingen van artikel XII of sectie B van artikel XVIII een groep gebieden die een gemeenschappelijk quotum hebben in het Internationale Monetaire Fonds beperkingen toepassen op de invoer uit andere landen, doch niet op hun onderlinge goederenverkeer, op voorwaarde dat dergelijke beperkingen in ieder ander opzicht verenigbaar zijn met de bepalingen van artikel XIII.
Een verdragsluitende partij die invoerbeperkingen toepast krachtens artikel XII of sectie B van artikel XVIII wordt door de artikelen XI tot XV of door sectie B van artikel XVIII van deze Overeenkomst niet belet maatregelen toe te passen om, zonder af te wijken van de bepalingen van artikel XIII, haar uitvoer zodanig te richten, dat haar opbrengsten aan deviezen die zij kan benutten zo hoog mogelijk zijn.
Een verdragsluitende partij wordt door de artikelen XI tot en met XV of door sectie B van artikel XVIII van deze Overeenkomst niet belet kwantitatieve beperkingen toe te passen:
- (a). die een uitwerking hebben welke gelijkwaardig is aan beperkende deviezenbepalingen toegestaan krachtens sectie 3 (b) van artikel VII van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds, of
- (b). krachtens de preferentiële regelingen bedoeld in Bijlage A van deze Overeenkomst, in afwachting van het resultaat van de daarin genoemde onderhandelingen.
Artikel XV. Valutaregelingen
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN streven naar samenwerking met het Internationale Monetaire Fonds teneinde een gecoördineerd beleid te voeren ten aanzien van valuta-aangelegenheden behorende tot de competentie van het Fonds, alsmede ten aanzien van kwantitatieve beperkingen en andere handelsmaatregelen behorende tot de competentie van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.
In alle gevallen waarin de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN problemen betreffende monetaire reserves, betalingsbalansen of deviezenregelingen krijgen te beoordelen of te behandelen plegen zij nauw overleg met het Internationale Monetaire Fonds. Bij zulk overleg aanvaarden de VEDRAGSLUITENDE PARTIJEN alle door het Fonds gegeven feitelijke uitspraken op statistisch en ander gebied ten aanzien van deviezen, monetaire reserves en betalingsbalansen, evenals de uitspraak van het Fonds of een door een Verdragsluitende partij genomen maatregel met betrekking tot valuta-aangelegenheden al dan niet in overeenstemming is met de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of met de bepalingen van een speciale valuta-overeenkomst tussen die verdragsluitende partij en de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aanvaarden bij het nemen van een eindbeslissing in gevallen waarbij de in lid 2 (a) van artikel XII of in lid 9 van artikel XVIII genoemde criteria zijn betrokken, de uitspraak van het Fonds ten aanzien van hetgeen als een aanzienlijke daling, een zeer laag peil of een redelijke toeneming van de monetaire reserves der verdragsluitende partij wordt aangemerkt, zomede ten aanzien van de financiële aspecten van andere aangelegenheden waartoe het overleg zich in dergelijke gevallen uitstrekt.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen met het Fonds tot overeenstemming te komen over de te volgen procedure bij het overleg bedoeld in lid 2 van dit artikel.
De verdragsluitende partijen mogen noch door deviezenmaatregelen de opzet van deze Overeenkomst, noch door maatregelen op het gebied van de handel de opzet van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds verijdelen.
Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te eniger tijd van oordeel zijn, dat een verdragsluitende partij deviezenbeperkingen op betalingen en overmakingen voortvloeiende uit de invoer toepast op een wijze welke onverenigbaar is met de uitzonderingen waarin deze Overeenkomst met betrekking tot kwantitatieve beperkingen voorziet geven zij daarvan kennis aan het Fonds.
Elke verdragsluitende partij die geen lid is van het Fonds dient, binnen een door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN na overleg met het Fonds vast te stellen termijn, lid van het Fonds te worden of, bij gebreke daarvan, een speciale valuta-overeenkomst met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aan te gaan. Een verdragsluitende partij welke ophoudt lid te zijn van het Fonds gaat terstond een speciale valuta-overeenkomst met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aan. Iedere speciale valuta-overeenkomst door een verdragsluitende partij krachtens dit lid aangegaan vormt onmiddellijk daarna een deel van haar verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst.
- (a). Een speciale valuta-overeenkomst gesloten tussen een verdragsluitende partij en de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN krachtens lid 6 van dit artikel dient ten genoege van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te bepalen dat de doeleinden van deze Overeenkomst niet zullen worden teniet gedaan door valutaregelingen van de betrokken verdragsluitende partij.
- (b). De bepalingen van zulk een overeenkomst mogen aan de verdragsluitende partij geen verplichtingen inzake valuta-aangelegenheden opleggen die in het algemeen beperkender zijn dan die welke door de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds aan de leden van het Fonds worden opgelegd.
Een verdragsluitende partij die geen lid is van het Fonds dient in het algemene kader van sectie 5 van artikel VIII van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds alle gegevens te verstrekken die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen verlangen teneinde de hun bij deze Overeenkomst toegewezen taken te kunnen uitoefenen.
Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag een beletsel vormen voor:
- (a). het gebruik maken door een verdragsluitende partij van deviezenregelingen of -beperkingen overeenkomstig de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of de speciale valuta-overeenkomst door deze verdragsluitende partij met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN gesloten; of
- (b). het gebruik maken door een verdragsluitende partij van beperkingen van of regelingen inzake in- en uitvoer met als enig doel, naast hetgeen is toegestaan bij de artikelen XI, XII, XIII en XIV, de deviezenregelingen of -beperkingen doeltreffend te maken.
Artikel XVI. Subsidies
Indien een verdragsluitende partij enige subsidie, daaronder begrepen elke vorm van bescherming van inkomen of steun aan prijzen, verleent of in stand houdt, welke rechtstreeks of middellijk vermeerdering van de uitvoer van een produkt uit haar gebied of vermindering van de invoer van een produkt in haar gebied ten gevolge heeft, geeft zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk kennis van de omvang en aard van de subsidiëring, van de vermoedelijke uitwerking hiervan op de hoeveelheid der betrokken in of uit te voeren goederen en van de omstandigheden die subsidiëring nodig maken. In alle gevallen waarin wordt vastgesteld, dat aan de belangen van een andere verdragsluitende partij door zulk een subsidiëring ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend, bespreekt de verdragsluitende partij die de subsidie verleent met de betrokken verdragsluitende partij of met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN op verzoek de mogelijkheid van een beperking der subsidiëring.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat het verlenen van een subsidie op de uitvoer van een produkt door een verdragsluitende partij voor andere verdragsluitende partijen, zowel importerende als exporterende, schadelijke gevolgen kan hebben, hun normale handelsbelangen in te grote mate kan verstoren, zomede de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst kan belemmeren.
Dientengevolge moeten de verdragsluitende partijen trachten de verlening van subsidies op de uitvoer van basisprodukten te vermijden. Indien een verdragsluitende partij toch, rechtstreeks of middellijk, in welke vorm dan ook een subsidie verleent, welke ten doel heeft de uitvoer uit haar grondgebied van een basisprodukt te vergroten, mag deze subsidie niet zodanig worden toegepast, dat deze verdragsluitende partij meer dan een billijk aandeel in de werelduitvoerhandel van dat produkt verwerft, waarbij rekening wordt gehouden met het door de verdragsluitende partijen gedurende een vorige basisperiode verworven aandeel in die handel in dat produkt, zomede met alle speciale factoren welke de handel in het desbetreffende produkt hebben beïnvloed, dan wel kunnen beïnvloeden.
Voorts verlenen de verdragsluitende partijen van 1 januari 1958 af, of zo spoedig mogelijk nadien, geen enkele subsidie meer, hetzij rechtstreeks hetzij middellijk, in welke vorm dan ook, op de uitvoer van een produkt, geen basisprodukt zijnde, welke subsidie tot gevolg heeft, dat het desbetreffende produkt wordt verkocht tegen een prijs die lager ligt dan de vergelijkbare prijs waartegen het overeenkomstige produkt aan kopers op de binnenlandse markt wordt aangeboden. Tot 31 december 1957 mag geen verdragsluitende partij de omvang van de door haar verleende subsidies verhogen tot boven die bestaande op 1 januari 1955, door het verlenen van nieuwe subsidies dan wel door verhoging van bestaande.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen de werking van de bepalingen van dit artikel van tijd tot tijd aan een onderzoek teneinde in het licht van de opgedane ervaringen vast te stellen of zij op doelmatige wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst en daadwerkelijk verhinderen dat subsidies worden verleend die ernstige schade toebrengen aan de handel of de belangen van de verdragsluitende partijen.
Artikel XVII. Staatshandelsondernemingen
- (a). Elke verdragsluitende partij verbindt zich, voor het geval zij een staatsonderneming sticht of in stand houdt, waar deze ook gevestigd is, of aan enige onderneming rechtens of in feite uitsluitende of bijzondere rechten verleent, dat zulk een onderneming bij haar aankopen of verkopen welke invoer of uitvoer ten gevolge hebben, zal handelen naar de algemene beginselen van non-discriminatoire behandeling die in deze Overeenkomst is voorgeschreven ten aanzien van regeringsmaatregelen betreffende de invoer of uitvoer door particuliere handelaren.
- (b). De bepalingen sub (a) van dit lid moeten aldus worden verstaan, dat bedoelde ondernemingen, met inachtneming van de andere bepalingen van deze Overeenkomst, zich bij zulke aankopen en verkopen slechts mogen laten leiden door commerciële overwegingen, zoals prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere koop- of verkoopvoorwaarden, en aan de ondernemingen van andere verdragsluitende partijen voldoende gelegenheid dienen te geven, deel te nemen aan zulke aan- of verkopen op voorwaarde van vrije mededinging en overeenkomstig de gewone handelsgebruiken.
- (c). Geen verdragsluitende partij mag een onderneming (al dan niet een onderneming bedoeld onder (a) van dit lid) welke onder haar rechtsmacht valt, verhinderen te handelen in overeenstemming met de beginselen genoemd sub (a) en (b) van dit lid.
Het bepaalde in lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op invoer van produkten welke zijn bestemd voor onmiddellijk of uiteindelijk verbruik door of voor rekening van de overheid en overigens niet bestemd voor wederverkoop of gebruik bij de produktie van ten verkoop bestemde goederen. Ten aanzien van deze invoer kent elke verdragsluitende partij aan de handel van de andere verdragsluitende partijen een behoorlijke en billijke behandeling toe.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat ondernemingen als bedoeld in lid 1 (a) van dit artikel zodanig kunnen werken, dat zij ernstige belemmeringen van de handel kunnen veroorzaken; zodoende is het houden van onderhandelingen, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, om zulke belemmeringen te beperken of te verminderen, van belang voor de uitbreiding van de internationale handel.
- (a). De verdragsluitende partijen geven aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN op, welke produkten worden ingevoerd in of uitgevoerd uit hun grondgebied door ondernemingen als bedoeld in lid 1 (a) van dit artikel.
- (b). Een verdragsluitende partij die een monopolie op de invoer van een produkt waarop geen concessie krachtens artikel II is verleend, instelt, handhaaft of erkent, moet, op verzoek van een andere verdragsluitende partij die een aanmerkelijk belang bij de handel in dit produkt heeft, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in kennis stellen van de prijsverhoging bij invoer van bedoeld produkt gedurende een recente basisperiode, dan wel, indien zulks niet mogelijk is, van de bij wederverkoop gevraagde prijs.
- (c). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen, op verzoek van een verdragsluitende partij die redenen heeft aan te nemen dat haar belangen als gewaarborgd in deze Overeenkomst worden geschaad door de werking van een onderneming als bedoeld in lid 1 (a), de verdragsluitende partij die zulk een onderneming instelt, in stand houdt of erkent, uitnodigen inlichtingen te verschaffen omtrent de werking van bedoelde onderneming, voor zover zulks de uitvoering van de bepalingen van deze Overeenkomst betreft.
- (d). De bepalingen van dit lid verplichten een verdragsluitende partij niet vertrouwelijke inlichtingen te verstrekken, waarvan de openbaarmaking de toepassing van de wet belemmert, met het algemeen belang in strijd is of schade toebrengt aan de rechtmatige handelsbelangen van particuliere ondernemingen.
Artikel XVIII. Hulp van regeringswege ten bate van de economische ontwikkeling
De verdragsluitende partijen erkennen, dat de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst zal worden bevorderd door de toenemende ontwikkeling van hun economie, in het bijzonder van die verdragsluitende partijen wier economie de bevolking slechts een lage levensstandaard kan bieden en in het beginstadium van ontwikkeling verkeert.
De verdragsluitende partijen erkennen voorts, dat het voor genoemde verdragsluitende partijen noodzakelijk kan zijn – teneinde de economische ontwikkelingsprogramma's uit te voeren, welke zijn gericht op de verhoging van de algemene levensstandaard van hun bevolking – beschermende of andere maatregelen te nemen, die de invoer betreffen en dat deze maatregelen gerechtvaardigd zijn voor zover zij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst bevorderen. Zij zijn derhalve van oordeel, dat bovengenoemde verdragsluitende partijen aanvullende faciliteiten dienen te genieten die hen in staat stellen (a) voldoende soepelheid te betrachten bij het hanteren van de tarieven voor invoerrechten, opdat zij de tariefbescherming kunnen verlenen welke vereist is bij de oprichting van een bepaalde industrie, en (b) kwantitatieve beperkingen toe te passen voor betalingsbalansdoeleinden op een wijze die volledig rekening houdt met het voortdurende hoge peil van de vraag naar importen, welke naar alle waarschijnlijkheid door hun economische ontwikkelingsprogramma's zal worden veroorzaakt.
De verdragsluitende partijen erkennen ten slotte, dat dank zij de aanvullende faciliteiten waarin de secties A en B van dit artikel voorzien, de bepalingen van deze Overeenkomst, normaal gesproken, voldoende zijn om de verdragsluitende partijen in staat te stellen aan de behoeften voor hun economische ontwikkeling te voldoen. Zij erkennen echter, dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin het praktisch niet mogelijk is maatregelen verenigbaar met deze bepalingen te nemen om een verdragsluitende partij die een economisch ontwikkelingsproces doormaakt in staat te stellen van regeringswege de hulp te verlenen die noodzakelijk is om de oprichting van bepaalde industrieën te bevorderen, teneinde de algehele levensstandaard van haar bevolking te verhogen. Speciale regelingen zijn voor deze gevallen vastgesteld in de secties C en D van dit artikel.
- (a). Dientengevolge heeft een verdragsluitende partij wier economie aan het volk slechts een lage levensstandaard kan verschaffen en in het beginstadium van ontwikkeling verkeert, het recht tijdelijk af te wijken van de andere artikelen van deze Overeenkomst, op de wijze als voorzien in de secties A, B en C van dit artikel.
- (b). Een verdragsluitende partij wier economie een ontwikkelingsproces doormaakt, maar die niet valt onder de werkingssfeer van het hierboven onder (a) gestelde, kan een verzoek richten tot de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN op grond van sectie D van dit artikel.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat de opbrengsten uit export van verdragsluitende partijen wier economie het karakter heeft als omschreven in lid 4 (a) en (b) hierboven en die steunt op de uitvoer van een klein aantal basisprodukten, een ernstige verlaging kunnen ondergaan door vermindering van de verkoop van deze produkten. Dientengevolge kan een verdragsluitende partij haar toevlucht nemen tot de bepalingen inzake overleg van artikel XXII van deze Overeenkomst, wanneer de export van basisprodukten van deze verdragsluitende partij ernstig door maatregelen van een andere verdragsluitende partij wordt getroffen.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen ieder jaar alle maatregelen welke krachtens de bepalingen van de secties C en D van dit artikel worden toegepast, aan een onderzoek.
- (a). Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt het wenselijk acht een in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst vermelde concessie te wijzigen of in te trekken teneinde de oprichting van een bepaalde industrie te bevorderen, ter verhoging van de algemene levensstandaard van haar bevolking, stelt zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan in kennis en treedt in onderhandeling met elke verdragsluitende partij waarmede deze concessie oorspronkelijk was overeengekomen, zomede met elke andere verdragsluitende partij die naar het oordeel der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij deze concessie heeft. Indien de betrokken verdragsluitende partijen overeenstemming hebben bereikt, hebben zij het recht de in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijsten vermelde concessies te wijzigen of in te trekken teneinde de desbetreffende overeenkomst, daarbij inbegrepen de eventueel met die overeenkomst samenhangende compensaties, ten uitvoer te leggen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)