Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel

Type Verdrag
Publication 1967-08-22
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • (b). Indien binnen zestig dagen na de hierboven sub (a) bedoelde kennisgeving geen overeenstemming is bereikt, kan de verdragsluitende partij welke voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken de aangelegenheid aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorleggen, die haar onverwijld in onderzoek nemen. Wanneer het hun mocht blijken, dat de verdragsluitende partij die voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken alle pogingen in het werk heeft gesteld om overeenstemming te bereiken en dat de aangeboden compensatie voldoende is, heeft deze verdragsluitende partij het recht de concessie te wijzigen of in te trekken, onder voorwaarde dat zij tegelijkertijd de compensatie daadwerkelijk toepast. Wanneer het de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mocht blijken, dat de compensatie aangeboden door een verdragsluitende partij die voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken niet voldoende is, maar dat deze verdragsluitende partij alle pogingen die redelijkerwijze mogelijk waren in het werk heeft gesteld om een voldoende compensatie aan te bieden, heeft zij het recht deze wijziging of intrekking toe te passen. Indien zulk een maatregel wordt genomen, heeft elke andere verdragsluitende partij als sub (a) hierboven bedoeld het recht nagenoeg gelijkwaardige concessies waarover oorspronkelijk overeenstemming was bereikt met de verdragsluitende partij die de maatregel heeft genomen, te wijzigen of in te trekken.
8.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat verdragsluitende partijen die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel vallen en een snel ontwikkelingsproces doormaken betalingsbalansmoeilijkheden kunnen ondervinden, welke voornamelijk voortspruiten zowel uit hun pogingen om hun binnenlandse markt uit te breiden als uit de instabiliteit van hun ruilvoet.

9.

Teneinde haar buitenlandse financiële positie te beschermen en een voldoende stand der reserves ter uitvoering van haar programma voor economische ontwikkeling te verzekeren mag een verdragsluitende partij die binnen de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt, onder voorbehoud van het bepaalde in de leden 10 tot 12, het algehele peil van haar import regelen door de hoeveelheid of de waarde van ten invoer toe te laten goederen te beperken, mits de opgelegde, gehandhaafde of verscherpte invoerbeperkingen niet verder gaan dan nodig is om:

  • (a). een ernstige daling van haar monetaire reserves te stuiten, dan wel een dreiging daartoe af te wenden, of,
  • (b). voor het geval het een verdragsluitende partij betreft met onvoldoende monetaire reserves, een redelijke mate van toeneming van haar reserves te bewerkstelligen.

In beide gevallen wordt terdege rekening gehouden met alle bijzondere factoren welke van invloed zijn op de reserves van de verdragsluitende partij of op haar behoefte aan reserves, en met name met de noodzaak om te voorzien in het juiste gebruik van bijzondere buitenlandse kredieten of andere bronnen wanneer deze de verdragsluitende partij ter beschikking staan.

10.

Bij de toepassing van deze beperkingen kan de verdragsluitende partij bepalen in welke mate deze de invoer van verschillende produkten of groepen van produkten zullen treffen, met dien verstande dat voorrang wordt verleend aan de invoer van die produkten welke in de lijn van haar beleid ten aanzien van economische ontwikkeling het meest noodzakelijk zijn. Niettemin dient bij de toepassing der beperkingen te worden vermeden, dat onnodige schade aan de commerciële en economische belangen van iedere andere verdragsluitende partij wordt toegebracht en dat zonder redelijke grond de invoer van minimale handelshoeveelheden wordt verhinderd van enigerlei goed welks uitsluiting het normale handelsverkeer zou schaden; bovendien mogen genoemde beperkingen niet zodanig worden toegepast, dat zij de invoer van handelsmonsters of het nakomen van voorschriften terzake van octrooien, handelsmerken of auteursrechten e.d. verhinderen.

11.

Bij de uitvoering van haar binnenlands beleid houdt de betrokken verdragsluitende partij terdege rekening met de noodzaak het evenwicht van haar betalingsbalans op gezonde en duurzame basis te herstellen, alsmede met de wenselijkheid een economisch gebruik van produktieve hulpbronnen te verzekeren. Zij verzacht geleidelijk aan alle krachtens deze sectie toegepaste beperkingen naarmate er in de omstandigheden verbetering optreedt en handhaaft deze slechts voor zover ze volgens de bepalingen van lid 9 van dit artikel nog noodzakelijk zijn; zij heft bedoelde beperkingen op zodra de omstandigheden de handhaving daarvan niet meer rechtvaardigen; niettemin is geen verdragsluitende partij gehouden beperkingen in te trekken of te wijzigen op grond van het feit dat een verandering in haar beleid inzake ontwikkeling de beperkingen welke zij krachtens deze sectie toepast onnodig zou maken.

  • (a). Elke verdragsluitende partij die nieuwe beperkingen toepast of die het algemene niveau van de bestaande beperkingen doet stijgen door een aanzienlijke verscherping van de ingevolge deze sectie toegepaste maatregelen, moet onmiddellijk na de instelling of de verscherping van deze beperkingen (of, in gevallen waarin voorafgaand overleg in de praktijk mogelijk is, alvorens tot het bovenstaande over te gaan) met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg treden omtrent de aard van haar betalingsbalansmoeilijkheden, de verschillende maatregelen welke tot verbetering daarvan kunnen worden genomen, alsmede de mogelijke gevolgen van deze beperkingen voor de economie der andere verdragsluitende partijen.
  • (b). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen op een door hen te bepalen datum alle beperkingen welke nog op dat tijdstip krachtens deze sectie worden toegepast aan een onderzoek. Te beginnen twee jaar na dit tijdstip treden de verdragsluitende partijen welke ingevolge deze sectie beperkingen toepassen met een tussenruimte van ongeveer, doch niet minder dan, twee jaar conform het gestelde sub (a) met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg volgens een door deze telken jare op te stellen programma; niettemin heeft geen overleg ingevolge deze alinea plaats binnen twee jaar na het beëindigen van een overleg van algemeen karakter dat wordt gehouden ingevolge enige andere bepaling van dit lid.
  • (c).
  • (i). Indien, gedurende het overleg krachtens het gestelde sub (a) en (b) van dit lid met een verdragsluitende partij, het de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mocht blijken, dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze sectie of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV), geven zij de punten van afwijking aan en kunnen zij adviseren passende wijzigingen in de beperkingen aan te brengen.
  • (ii). Indien echter de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN als gevolg van bovengenoemd overleg vaststellen, dat de toegepaste beperkingen in ernstige mate afwijken van de bepalingen van deze sectie of van die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat daardoor schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan de handel van een verdragsluitende partij, stellen zij de verdragsluitende partij die de bepalingen toepast daarvan in kennis en doen passende aanbevelingen teneinde binnen een bepaalde periode naleving van de desbetreffende bepalingen te bereiken. Indien de verdragsluitende partij deze aanbevelingen binnen deze periode niet opvolgt, kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN elke verdragsluitende partij wier handel door de beperkingen is geschaad ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
  • (d). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nodigen op verzoek van elke verdragsluitende partij die duidelijk kan aantonen dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze sectie of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat haar handel daardoor wordt geschaad, een verdragsluitende partij die krachtens deze sectie beperkingen toepast uit hierover met hen in overleg te treden. Zulk een uitnodiging wordt echter slechts gedaan nadat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich ervan hebben vergewist, dat de rechtstreekse besprekingen tussen de betrokken verdragsluitende partijen niet tot een resultaat hebben geleid. Indien als gevolg van het overleg met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN geen overeenstemming wordt bereikt en deze vaststellen, dat de beperkingen worden toegepast op een wijze die onverenigbaar is met de hierbovengenoemde bepalingen en dat de handel van de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld daardoor wordt geschaad, of met schade wordt bedreigd, bevelen zij een intrekking of wijziging van de beperkingen aan. Indien de beperkingen niet binnen de termijn die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorschrijven worden ingetrokken of gewijzigd, kunnen zij de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
  • (e). Indien een verdragsluitende partij tegen wie een maatregel overeenkomstig de laatste zin van het bepaalde sub (c) (ii) of sub (d) van dit lid is getroffen, van oordeel is, dat de door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN gemachtigde ontheffing van verplichtingen haar economisch ontwikkelingsprogramma benadeelt, heeft zij het recht, uiterlijk zestig dagen nadat zulk een maatregel is genomen, de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk kennis te geven van haar voornemen deze Overeenkomst op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht op de zestigste dag na die waarop de Uitvoerend Secretaris de kennisgeving heeft ontvangen.
  • (f). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen bij elke ingevolge dit lid ingestelde procedure terdege rekening te houden met de factoren bedoeld in lid 2 van dit artikel. Een uitspraak krachtens dit lid dient op korte termijn te worden gedaan en wel, indien mogelijk, binnen zestig dagen na de aanvang van het overleg.
13.

Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt van oordeel is, dat van regeringswege hulp noodzakelijk is om de oprichting van een bepaalde industrie te bevorderen, teneinde de algehele levensstandaard van haar bevolking te verhogen, maar dat het in de praktijk niet mogelijk is maatregelen verenigbaar met de andere bepalingen van deze Overeenkomst te nemen om deze doelstelling te verwezenlijken, kan zij gebruik maken van de bepalingen en regelingen van deze sectie.

14.

De betrokken verdragsluitende partij stelt de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in kennis van de bijzondere moeilijkheden die zij ondervindt bij de verwezenlijking van de doelstelling genoemd in lid 13 van dit artikel; zij geeft nauwkeurig de invoerbelemmerende maatregel aan, die zij voornemens is te nemen om deze moeilijkheden te ondervangen. Zij treft deze maatregel niet vóór afloop van de periode bedoeld in lid 15, onderscheidenlijk lid 17, of slechts nadat zij de akkoordbevinding van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN overeenkomstig het bepaalde in lid 18 heeft verkregen, indien de maatregel de invoer nadelig beïnvloedt van een produkt waarop een concessie opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst is gegeven. Niettemin kan de verdragsluitende partij, indien de industrie die hulp ontvangt reeds is aangevangen met de produktie, zodanige maatregelen treffen, na de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te hebben ingelicht, als noodzakelijk zijn om te beletten dat gedurende die periode de import van het produkt of de produkten in kwestie aanzienlijk boven het normale peil stijgen.

15.

Indien binnen dertig dagen na kennisgeving van de maatregel de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de betrokken verdragsluitende partij niet verzoeken met hen te overleggen, heeft deze verdragsluitende partij het recht af te wijken van de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om de voorgenomen maatregel toe te passen.

16.

Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zulks verzoeken, treedt de betrokken verdragsluitende partij met hen in overleg over de strekking van de voorgenomen maatregel, over de andere maatregelen die in het kader van deze Overeenkomst mogelijk zijn en over de vermoedelijke uitwerking van deze maatregel op de commerciële en economische belangen van andere verdragsluitende partijen. Indien als resultaat van dit overleg de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN erkennen, dat het in de praktijk niet mogelijk is een maatregel te treffen welke verenigbaar is met de andere bepalingen van deze Overeenkomst, om de in lid 13 van dit artikel neergelegde doelstelling te verwezenlijken, en indien zij instemmen met de voorgenomen maatregel, wordt de betrokken verdragsluitende partij ontheven van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen.

17.

Indien binnen negentig dagen na de datum van kennisgeving van de voorgenomen maatregel overeenkomstig lid 14 van dit artikel, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich niet met deze maatregel hebben kunnen verenigen, kan de betrokken verdragsluitende partij genoemde maatregel nemen na de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan op de hoogte te hebben gesteld.

18.

Indien de voorgenomen maatregel betrekking heeft op een produkt waarop een concessie is gegeven, die is opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, treedt de betrokken verdragsluitende partij in onderhandeling met elke andere verdragsluitende partij met wie deze concessie oorspronkelijk was overeengekomen, zomede met elke andere verdragsluitende partij die naar het oordeel der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij deze concessie heeft. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN stemmen met de maatregel in, indien zij erkennen, dat het in de praktijk niet mogelijk is een maatregel te treffen welke verenigbaar is met de andere bepalingen van deze Overeenkomst om de in lid 13 van dit artikel omschreven doelstelling te verwezenlijken, en indien zij ervan overtuigd zijn:

  • (a). dat als gevolg van bovengenoemd overleg overeenstemming is bereikt met de betrokken andere verdragsluitende partijen of
  • (b). dat, indien binnen zestig dagen nadat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de kennisgeving ingevolge lid 14 hebben ontvangen geen overeenstemming is bereikt, de verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie alle pogingen die redelijkerwijze mogelijk waren in het werk heeft gesteld om overeenstemming te bereiken en dat de belangen van andere verdragsluitende partijen voldoende zijn gewaarborgd.

De verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie wordt vervolgens ontheven van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen.

19.

Indien de voorgenomen maatregel van het soort is als omschreven in lid 13 van dit artikel en een industrie betreft waarvan de oprichting in de beginperiode werd bevorderd door een aanvullende bescherming die de betrokken verdragsluitende partij ingevolge de desbetreffende bepalingen van deze Overeenkomst had verleend door middel van beperkingen voor betalingsbalansdoeleinden, kan deze verdragsluitende partij gebruik maken van de bepalingen en procedures van deze sectie, mits zij de voorgenomen maatregel niet treft zonder toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.

20.

Geen enkele bepaling van de voorgaande leden van deze sectie geeft het recht af te wijken van de bepalingen van de artikelen I, II en XIII van deze Overeenkomst. De voorbehouden bij lid 10 van dit artikel zijn eveneens van toepassing op elke beperking ingevolge deze sectie.

21.

Op elk ogenblik gedurende de tijd dat een maatregel wordt toegepast krachtens lid 17 van dit artikel kan elke verdragsluitende partij die daardoor aanmerkelijk is geschaad ten aanzien van de handel van een verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie de toepassing opschorten van verleende concessies van nagenoeg gelijke waarde of van andere bij deze Overeenkomst aangegane verplichtingen, mits de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daartegen geen bezwaar maken en onder voorwaarde, dat niet later dan zes maanden nadat de maatregel is getroffen, dan wel aanzienlijk ten nadele van de desbetreffende verdragsluitende partij is gewijzigd, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zestig dagen tevoren van een dergelijke opschorting in kennis worden gesteld. Deze verdragsluitende partij biedt voldoende gelegenheid tot overleg overeenkomstig het bepaalde in artikel XXII van deze Overeenkomst.

22.

Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt, in het belang van de ontwikkeling van haar economie een maatregel van het soort als omschreven in lid 13 van dit artikel wenst te nemen met betrekking tot de oprichting van een bepaalde industrie, mag zij een verzoek tot de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN richten tot goedkeuring van een dergelijke maatregel. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN treden onverwijld met deze verdragsluitende partij in overleg en laten zich bij hun besluit leiden door de in lid 16 omschreven overwegingen. Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN instemmen met de voorgenomen maatregel, ontheffen zij de betrokken verdragsluitende partij van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen. Indien de voorgestelde maatregel betrekking heeft op een produkt waarop een concessie is gegeven, opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, is het bepaalde in lid 18 van toepassing.

23.

Iedere maatregel toegepast krachtens deze sectie dient in overeenstemming te zijn met het bepaalde in lid 20 van dit artikel.

Artikel XIX. Noodmaatregelen inzake de invoer van bepaalde produkten

  • (a). Indien, ten gevolge van onvoorziene ontwikkelingen en op grond van de door een verdragsluitende partij krachtens deze Overeenkomst aangegane verplichtingen, met inbegrip van tariefconcessies, een produkt op het grondgebied van die verdragsluitende partij wordt ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige voorwaarden, dat ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend aan binnenlandse producenten op dat grondgebied van overeenkomstige of rechtstreeks concurrerende produkten, staat het die verdragsluitende partij vrij, ten aanzien van zulk een produkt en voor zover en zo lang zulks nodig mocht zijn, de verplichting geheel of gedeeltelijk op te schorten of de concessie in te trekken of te wijzigen, zulks teneinde een dergelijk nadeel te voorkomen of te verhelpen.
  • (b). Indien een produkt waarvoor een concessie terzake van preferentiële behandeling is verleend op het grondgebied van een verdragsluitende partij wordt ingevoerd onder de sub (a) van dit lid uiteengezette omstandigheden, waardoor ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend aan binnenlandse producenten van overeenkomstige of rechtstreeks concurrerende produkten op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij die zulk een preferentiële behandeling ontvangt of ontving, staat het de invoerende verdragsluitende partij vrij, zo de andere verdragsluitende partij zulks verzoekt, de betrokken verplichting geheel of ten dele op te schorten of de concessie inzake het produkt in te trekken of te wijzigen, voor zover en zo lang zulks nodig mocht zijn om een dergelijk nadeel te voorkomen of te verhelpen.
2.

Voordat een verdragsluitende partij maatregelen ingevolge het bepaalde in lid 1 van dit artikel neemt, stelt zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zo lang mogelijk te voren hiervan schriftelijk in kennis en stelt deze, alsook die verdragsluitende partijen die als exporteurs van het betrokken produkt daarbij een aanmerkelijk belang hebben, in de gelegenheid met hen over de voorgestelde maatregelen te beraadslagen. Wanneer zulk een kennisgeving een concessie terzake van preferentiële behandeling betreft, wordt daarin de naam vermeld van de verdragsluitende partij die om de maatregel heeft verzocht. In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken kunnen maatregelen ingevolge lid 1 van dit artikel voorlopig zonder voorafgaand overleg worden genomen, op voorwaarde dat overleg dan onmiddellijk daarna geschiedt.

  • (a). Indien er tussen de belanghebbende verdragsluitende partijen geen overeenstemming wordt bereikt over de voorgestelde maatregelen, staat het de verdragsluitende partij die deze wenst te nemen of te blijven toepassen, niettemin vrij zulks te doen. In dat geval zal het de benadeelde verdagsluitende partijen vrijstaan, uiterlijk negentig dagen nadat de maatregelen zijn genomen en na het verstrijken van dertig dagen nadat bedoelde verdragsluitende partijen schriftelijk aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN van hun voornemen tot opschorting hebben kennis gegeven, de toepassing van bij deze Overeenkomst verleende concessies of andere aangegane verplichtingen van ongeveer gelijke waarde, op te schorten, en wel ten aanzien van de handel van de verdragsluitende partij die de maatregelen heeft genomen ofwel, in het geval bedoeld in lid 1 (b) van dit artikel, ten aanzien van de handel van de verdragsluitende partij die om de maatregel verzocht, een en ander mits de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN tegen deze opschorting geen bezwaar maken.
  • (b). Onverminderd het bepaalde sub (a) van dit lid, staat het in gevallen waarin zonder voorafgaand overleg maatregelen krachtens lid 2 van dit artikel worden genomen, die op het grondgebied van een verdragsluitende partij ernstig nadeel berokkenen of dreigen te berokkenen aan de binnenlandse producenten wier produkten door deze maatregelen worden getroffen, deze verdragsluitende partij vrij, indien uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, terstond bij de inwerkingstelling van de maatregelen en tijdens de gehele duur van het overleg concessies of andere verplichtingen op te schorten, voor zover zulks nodig is om het nadeel te voorkomen of te verhelpen.

Artikel XX. Algemene uitzonderingen

Onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast, dat zij een middel vormen hetzij tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen waar dezelfde omstandigheden heersen, hetzij tot een verkapte beperking van de internationale handel, wordt niets in deze Overeenkomst uitgelegd als een beletsel voor het nemen of toepassen door enige verdragsluitende partij van maatregelen:

  • (a). noodzakelijk ter bescherming van de openbare zeden;
  • (b). noodzakelijk ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
  • (c). betreffende de in- en uitvoer van goud of zilver;
  • (d). noodzakelijk ter verzekering van de naleving van wetten of regelingen die niet onverenigbaar zijn met de bepalingen dezer Overeenkomst, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de toepassing van douanevoorschriften, de handhaving van monopolies uitgeoefend krachtens artikel II, lid 4, en artikel XVII, de bescherming van octrooien, handelsmerken en auteursrechten en het voorkomen van bedrieglijke praktijken;
  • (e). betreffende voortbrengselen van gevangenisarbeid;
  • (f). ter bescherming van nationaal bezit van kunstzinnige, geschiedkundige of oudheidkundige waarde;
  • (g). tot het behoud van uitputbare natuurlijke hulpbronnen, mits de toepassing van zulke maatregelen met beperking van de binnenlandse produktie of het binnenlandse verbruik gepaard gaat;
  • (h). ter nakoming van verplichtingen krachtens een intergouvernementele goederenovereenkomst welke voldoet aan criteria die aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN werden voorgelegd en door hen niet werden afgekeurd, of welke goederenovereenkomst zelf aldus werd voorgelegd en niet werd afgekeurd;
  • (i). welke uitvoerbeperkingen inhouden van binnenlandse grondstoffen teneinde de noodzakelijke hoeveelheid hiervan te reserveren voor een binnenlandse verwerkende industrie in tijden dat de binnenlandse prijs van deze grondstoffen beneden de wereldprijs wordt gehouden ter uitvoering van een van regeringswege opgesteld stabilisatieplan, mits echter zulke beperkingen niet leiden tot vergroting van de uitvoer of de bescherming van zulk een binnenlandse industrie en niet strijdig zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst betreffende non-discriminatie;
  • (j). onontbeerlijk tot het verkrijgen of distribueren van produkten waarvan een algemeen of plaatselijk tekort bestaat; nochtans dienen zulke maatregelen in overeenstemming te zijn met het beginsel, dat alle verdragsluitende partijen recht hebben op een billijk aandeel in de internationale voorziening in deze produkten, en dienen de maatregelen welke niet in overeenstemming zijn met de andere bepalingen van deze Overeenkomst ongedaan te worden gemaakt, zodra de omstandigheden welke hen in het leven hebben geroepen hebben opgehouden te bestaan. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bestuderen uiterlijk 30 juni 1960 de vraag of een verdere handhaving van het gedeelte sub (j) van dit lid noodzakelijk is.

Artikel XXI. Uitzonderingen met betrekking tot de staatsveiligheid

Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat zij:

  • (a). een verdragsluitende partij verplicht gegevens te verstrekken waarvan zij de openbaarmaking tegen het wezenlijke belang van haar veiligheid acht; of
  • (b). een verdragsluitende partij belet maatregelen te nemen welke die partij nodig acht ter bescherming van het wezenlijke belang van haar veiligheid en die
  • (i). betrekking hebben op splijtbare stoffen of tot grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;
  • (ii). betrekking hebben op de handel in wapens, munitie en oorlogstuig en alle handel in andere goederen en materialen welke rechtstreeks of middellijk dienen voor de bevoorrading van een militair apparaat;
  • (iii). worden toegepast in tijd van oorlog of van gevaarlijke internationale spanningen;
  • (c). een verdragsluitende partij belet maatregelen te nemen tot handhaving van de internationale vrede en veiligheid ingevolge haar verplichtingen krachtens het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel XXII. Overleg

1.

Elke verdragsluitende partij neemt de door een andere verdragsluitende partij eventueel te berde gebrachte bezwaren betreffende enige zaak welke de uitvoering van deze Overeenkomst raakt in welwillende overweging en dient voldoende gelegenheid te bieden tot overleg.

2.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen op verzoek van een verdragsluitende partij in overleg treden met een of meer verdragsluitende partijen betreffende enigerlei kwestie waarvoor een bevredigende oplossing door middel van het overleg bedoeld in lid 1 niet kon worden gevonden.

Artikel XXIII. Bescherming van concessies en voordelen

1.

Indien een verdragsluitende partij meent, dat enig voordeel hetwelk voor haar rechtstreeks of middellijk uit deze Overeenkomst voortvloeit wordt teniet gedaan of uitgehold of dat het bereiken van een in deze Overeenkomst gesteld doel wordt verhinderd doordat (a) een andere verdragsluitende partij in gebreke blijft haar verplichtingen krachtens deze Overeenkomst na te komen of (b) een andere verdragsluitende partij, al dan niet in strijd met de bepalingen van deze Overeenkomst, een maatregel toepast of (c) enige andere omstandigheid aanwezig is, mag die verdragsluitende partij, teneinde tot een bevredigende regeling van de zaak te komen, schriftelijk bezwaren of voorstellen indienen bij de andere verdragsluitende partij of partijen welke naar haar mening hierbij betrokken zijn. Elke verdragsluitende partij tot wie dergelijke bezwaren of voorstellen worden gericht, dient hieraan welwillende aandacht te schenken.

2.

Indien de betrokken verdragsluitende partijen niet binnen redelijke tijd tot een vergelijk komen of indien de moeilijkheid van de in lid 1 (c) bedoelde aard is, kan de zaak worden verwezen naar de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN. Deze nemen een aldus naar hen verwezen zaak terstond in onderzoek en doen aan de verdragsluitende partijen die zij erbij betrokken achten passende aanbevelingen of doen een uitspraak terzake. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen, indien zij zulks nodig achten, de verdragsluitende partijen, de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties en iedere daartoe geschikte intergouvernementele organisatie raadplegen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mogen, indien zij de omstandigheden daartoe ernstig genoeg achten, een of meer verdragsluitende partijen machtigen ten opzichte van een of meer verdragsluitende partijen zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende concessies of andere verplichtingen op te schorten als zij onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd achten. Indien de toepassing van een concessie of de nakoming van een andere verplichting ten opzichte van een verdragsluitende partij inderdaad is opgeschort, heeft genoemde verdragsluitende partij het recht, uiterlijk zestig dagen nadat zulk een maatregel is genomen, de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk in kennis te stellen van haar voornemen deze Overeenkomst op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht op de zestigste dag na die waarop de schriftelijke kennisgeving door de Uitvoerend Secretaris is ontvangen.

DEEL III

Artikel XXIV. Territoriale toepassing – grensverkeer – douane-unies en vrijhandelsgebieden

1.

De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing op het douanegebied van het moederland der verdragsluitende partijen en op ieder ander douanegebied ten aanzien waarvan deze Overeenkomst ingevolge artikel XXVI is aanvaard of krachtens artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing wordt toegepast. Elk van deze douanegebieden wordt uitsluitend voor de territoriale toepassing van deze Overeenkomst als verdragsluitende partij beschouwd, met dien verstande echter dat de bepalingen van dit lid niet worden uitgelegd als scheppende rechten of verplichtingen tussen twee of meer douanegebieden ten aanzien waarvan deze Overeenkomst door een enkele verdragsluitende partij ingevolge artikel XXVI is aanvaard of krachtens artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing wordt toegepast.

2.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder douanegebied verstaan ieder gebied waarvoor afzonderlijk douanetarieven of andere handelsregelingen gelden ten aanzien van een aanmerkelijk deel van de handel van dat gebied met andere gebieden.

3.

De bepalingen van deze Overeenkomst mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij een beletsel vormen voor:

  • (a). het toestaan van faciliteiten door een verdragsluitende partij aan aangrenzende landen teneinde het grensverkeer te vergemakkelijken;
  • (b). het toestaan van faciliteiten ten aanzien van de handel met het Vrije Gebied van Triëst door landen die aan dit gebied grenzen, mits deze faciliteiten niet onverenigbaar zijn met de Vredesverdragen die uit de Tweede Wereldoorlog zijn voortgevloeid.
4.

De verdragsluitende partijen erkennen de wenselijkheid de vrijheid van handel te bevorderen door vrijwillige overeenkomsten die een nauwere integratie van de economieën van de daaraan deelnemende landen beogen. Zij erkennen ook, dat het doel van een douane-unie of van een vrijhandelsgebied moet zijn de vergemakkelijking van de handel tussen de samenstellende gebieden en niet de belemmering van de handel van andere verdragsluitende partijen met die gebieden.

5.

Dienovereenkomstig mogen de bepalingen van deze Overeenkomst niet beletten, dat tussen de gebieden van verdragsluitende partijen een douane-unie of een vrijhandelsgebied wordt ingesteld of dat een voorlopige overeenkomst wordt gesloten noodzakelijk tot het instellen van een douane-unie of een vrijhandelsgebied, mits:

  • (a). in het geval van een douane-unie of een voorlopige overeenkomst die tot de instelling van een douane-unie zal leiden de invoerrechten en andere regelingen van de handel, geheven onderscheidenlijk getroffen bij de instelling van een dergelijke unie of bij de sluiting van de voorlopige overeenkomst, over het geheel niet hoger of beperkender zijn voor de handel met verdragsluitende partijen die niet deel uitmaken van een dergelijke unie of partij zijn bij een dergelijke overeenkomst dan de invoerrechten en regelingen van de handel die in de samenstellende gebieden van toepassing waren voordat de unie werd ingesteld of de voorlopige overeenkomst werd gesloten;
  • (b). in het geval van een vrijhandelsgebied of een voorlopige overeenkomst die tot de instelling van een vrijhandelsgebied zal leiden, de invoerrechten en andere regelingen van de handel, van kracht in elk der samenstellende gebieden en van toepassing bij de instelling van een dergelijk vrijhandelsgebied of bij de sluiting van een dergelijke voorlopige overeenkomst, niet hoger of beperkender zijn voor de handel van verdragsluitende partijen die niet binnen dit gebied vallen of die geen partij zijn bij een dergelijke overeenkomst dan de overeenkomstige douanerechten en andere regelingen van de handel die in dezelfde samenstellende gebieden bestonden voordat het vrijhandelsgebied werd ingesteld of de voorlopige overeenkomst werd gesloten;
  • (c). iedere voorlopige overeenkomst bedoeld onder (a) en (b) een plan en een tijdschema zal inhouden voor de instelling van een dergelijke douane-unie of een dergelijk vrijhandelsgebied binnen een redelijke termijn.
6.

Indien bij het voldoen aan de vereisten gesteld sub a van lid 5, een verdragsluitende partij zich voorneemt enig recht in strijd met het bepaalde in artikel II te verhogen, wordt de procedure vermeld in artikel XXVIII toegepast. Bij het vaststellen van een compenserende regeling wordt terdege rekening gehouden met de compensatie die reeds wordt verschaft door de verlagingen van het overeenkomstige invoerrecht van de andere samenstellende delen van de Unie.

  • (a). Een verdragsluitende partij die besluit deel uit te maken van een douane-unie of een vrijhandelsgebied of partij te worden bij een voorlopige overeenkomst die tot de instelling van een dergelijke unie of een dergelijk gebied zal leiden, doet aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN hiervan onverwijld mededeling en verstrekt hun over deze unie of dit gebied alle gegevens die hen in staat stellen tot de verdragsluitende partijen de verslagen en aanbevelingen te richten welke zij passend achten.
  • (b). Indien het de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, nadat zij het plan en het tijdschema, opgenomen in een voorlopige overeenkomst bedoeld in lid 5, hebben bestudeerd, in overleg met de partijen bij die overeenkomst en terdege rekening houdende met de gegevens die overeenkomstig het bepaalde sub (a) ter beschikking zijn gesteld, blijkt dat een dergelijke overeenkomst waarschijnlijk niet zal leiden tot de instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied binnen de termijn die door de partijen bij de overeenkomst wordt beoogd of dat deze termijn niet redelijk is, doen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aanbevelingen aan de partijen bij de overeenkomst. De partijen mogen de overeenkomst niet handhaven, onderscheidenlijk in werking stellen, indien zij niet bereid zijn haar in overeenstemming met deze aanbevelingen te wijzigen.
  • (c). Iedere belangrijke verandering in het plan of het tijdschema bedoeld in lid 5 (c) moet worden medegedeeld aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, die de betrokken verdragsluitende partijen kunnen verzoeken met hen te beraadslagen, indien het waarschijnlijk lijkt dat de verandering de instelling van de douane-unie of het vrijhandelsgebied onnodig in gevaar zal brengen of vertragen.
8.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst:

  • (a). verstaat men onder een douane-unie de vervanging van twee of meer douanegebieden door een enkel douanegebied, zodanig dat
  • (i). douanerechten en andere beperkende regelingen van de handel (uitgezonderd, waar nodig, die welke zijn geoorloofd krachtens de artikelen XI, XII, XIII, XIV, XV en XX) worden afgeschaft ten aanzien van vrijwel de gehele handel tussen de gebieden waaruit de unie is samengesteld of ten minste ten aanzien van vrijwel de gehele handel in produkten van oorsprong uit deze gebieden, en,
  • (ii). behoudens het bepaalde in lid 9, in hoofdzaak dezelfde douanerechten en andere regelingen van de handel door ieder lid van de unie worden toegepast op de handel met gebieden die niet tot de unie behoren;
  • (b). verstaat men onder vrijhandelsgebied een groep van twee of meer douanegebieden waarin de douanerechten en andere beperkende regelingen op het gebied van de handel (uitgezonderd, waar nodig, die welke zijn geoorloofd krachtens de artikel XI, XII, XIII, XIV, XV en XX) worden afgeschaft ten aanzien van vrijwel de gehele handel tussen de samenstellende gebieden in produkten van oorsprong uit deze gebieden.
9.

De instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied oefent geen invloed uit op de preferenties bedoeld in lid 2 van artikel I; deze mogen echter worden afgeschaft of aangepast door middel van onderhandelingen met de betrokken verdragsluitende partijen. Deze onderhandelingsprocedure met de betrokken verdragsluitende partijen is in het bijzonder van toepassing op de afschaffing van preferenties nodig om te voldoen aan de bepalingen van lid 8 (a) (i) en lid 8 (b).

10.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen met een meerderheid van twee derde voorstellen goedkeuren die niet geheel voldoen aan de vereisten van de leden 5 tot en met 9, op voorwaarde dat deze voorstellen leiden tot de instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied in de zin van dit artikel.

11.

Rekening houdende met de buitengewone omstandigheden die voortvloeien uit het feit dat India en Pakistan onafhankelijke Staten zijn geworden, en het feit erkennende dat zij reeds lange tijd een economische eenheid hebben gevormd, komen de verdragsluitende partijen overeen, dat de bepalingen van deze Overeenkomst de beide landen niet beletten bijzondere overeenkomsten aan te gaan ten aanzien van hun wederzijdse handel, zulks in afwachting van het definitief vaststellen van hun wederzijdse handelsbetrekkingen.

12.

Elke verdragsluitende partij neemt alle redelijke binnen haar bereik liggende maatregelen teneinde de naleving van de bepalingen van deze Overeenkomst door de gewestelijke en plaatselijke besturen en autoriteiten binnen haar gebied te verzekeren.

Artikel XXV. Gezamenlijk optreden van de verdragsluitende partijen

1.

Er worden periodiek vergaderingen van vertegenwoordigers van de verdragsluitende partijen gehouden teneinde de uitvoering van die bepalingen van deze Overeenkomst welke een gezamenlijk optreden vereisen, te verzekeren en in het algemeen de toepassing van deze Overeenkomst te vergemakkelijken en de verwezenlijking van haar doeleinden te bevorderen. Overal waar in deze Overeenkomst sprake is van de gezamenlijk optredende verdragsluitende partijen worden deze aangeduid als de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.

2.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt verzocht de eerste vergadering van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN uiterlijk tegen 1 maart 1948 bijeen te roepen.

3.

Elke verdragsluitende partij heeft een stem op alle vergaderingen van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.

4.

Tenzij in deze Overeenkomst anders is voorgeschreven, worden de beslissingen van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bij meerderheid der uitgebrachte stemmen genomen.

5.

In buitengewone omstandigheden waarvoor elders in deze Overeenkomst geen voorziening is getroffen, mogen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een verdragsluitende partij ontheffing verlenen van een haar bij deze Overeenkomst opgelegde verplichting, op voorwaarde echter dat zulk een beslissing door een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen wordt goedgekeurd en dat deze meerderheid meer dan de helft van de verdragsluitende partijen omvat. Bij een zodanige stemming kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN eveneens:

  • (i). bepaalde categorieën buitengewone omstandigheden vaststellen, waarbij andere voorwaarden van stemming zullen gelden, om een verdragsluitende partij van haar verplichtingen te ontheffen en
  • (ii). de maatstaven voorschrijven welke voor de toepassing van dit lid nodig kunnen zijn.

Artikel XXVI. Aanvaarding, inwerkingtreding en registratie

1.

De datum van deze Overeenkomst is 30 oktober 1947.

2.

Deze Overeenkomst staat open voor aanvaarding door iedere verdragsluitende partij die op 1 maart 1955 verdragsluitende partij was of in onderhandeling was teneinde tot deze Overeenkomst toe te treden.

3.

Deze Overeenkomst, gedaan in een enkel origineel in de Engelse taal en een enkel origineel in de Franse taal, zijnde beide teksten authentiek, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die gewaarmerkte afschriften ervan aan alle belanghebbende regeringen zal verstrekken.

4.

Elke regering die deze Overeenkomst aanvaardt dient een akte van aanvaarding neder te leggen bij de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, die alle belanghebbende regeringen in kennis zal stellen van de datum van nederlegging van elke akte van aanvaarding, alsmede van de datum waarop deze Overeenkomst krachtens lid 6 van dit artikel in werking treedt.

  • (a). Elke regering die deze Overeenkomst aanvaardt doet zulks voor het moederland en voor de andere gebieden waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid draagt, met uitzondering van die afzonderlijke douanegebieden welke zij bij haar eigen aanvaarding aan de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN opgeeft.
  • (b). Een regering die een zodanige opgave aan de Uitvoerend Secretaris overeenkomstig de uitzonderingen bedoeld in dit lid sub (a) heeft gedaan, kan te allen tijde aan de Uitvoerend Secretaris kennis geven, dat haar aanvaarding alsnog rechtsgevolg zal hebben voor een afzonderlijk douanegebied hetwelk voordien was uitgezonderd; deze kennisgeving heeft rechtsgevolg op de dertigste dag na de datum waarop zij door de Uitvoerend Secretaris is ontvangen.
  • (c). Wanneer een der douanegebieden waarvoor een verdragsluitende partij deze Overeenkomst heeft aanvaard volledige autonomie bezit of verkrijgt ten aanzien van zijn buitenlandse handelsbetrekkingen en van de andere bij deze Overeenkomst geregelde aangelegenheden, wordt zulk een gebied, op voordracht van de verantwoordelijke verdragsluitende partij die in een verklaring het bovengenoemde feit vaststelt, geacht een verdragsluitende partij te zijn.
6.

De onderhavige Overeenkomst treedt tussen de regeringen die haar hebben aanvaard in werking op de dertigste dag na de datum waarop de akten van aanvaarding bij de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zijn nedergelegd namens die regeringen genoemd in Bijlage H welker gebieden 85 ten honderd vertegenwoordigen van de totale buitenlandse handel van de gebieden van de in die Bijlage genoemde regeringen, berekend volgens de desbetreffende daarin vervatte kolom met percentages. De akte van aanvaarding van elk der overige regeringen heeft rechtsgevolg op de dertigste dag na de datum waarop genoemde akte is nedergelegd.

7.

De Verenigde Naties zijn gemachtigd deze Overeenkomst te registreren zodra zij in werking treedt.

Artikel XXVII. Opschorting of intrekking van concessies

Elke verdragsluitende partij staat het te allen tijde vrij een concessie welke is vermeld in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst geheel of ten dele op te schorten of in te trekken, op grond van het feit dat een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen met een regering die geen verdragsluitende partij is geworden of is opgehouden zulks te zijn. De verdragsluitende partij die zulk een maatregel neemt, is gehouden de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan in kennis te stellen en treedt, op daartoe gedaan verzoek, met verdragsluitende partijen die een aanmerkelijk belang bij het desbetreffende produkt hebben in overleg.

Artikel XXVIII. Wijziging van de Lijsten

1.

Vanaf de eerste dag van ieder tijdvak van drie jaar, waarbij het eerste tijdvak aanvangt op 1 januari 1958, (of vanaf de eerste dag van ieder ander tijdvak dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN met twee derde der uitgebrachte stemmen vaststellen), mag een verdragsluitende partij (hierna in dit artikel te noemen „verzoekende verdragsluitende partij”) een concessie voorkomende in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst wijzigen of intrekken, nadat zij in onderhandeling is getreden en overeenstemming heeft bereikt met de verdragsluitende partij met wie een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen, zomede met iedere andere verdragsluitende partij die naar het oordeel van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de voornaamste leverancier is (deze twee categorieën verdragsluitende partijen worden, evenals de verzoekende verdragsluitende partij, hierna in dit artikel de „voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen” genoemd), en onder voorbehoud van overleg met iedere andere verdragsluitende partij die naar het oordeel van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij een dergelijke concessie heeft.

2.

Bij dergelijke onderhandelingen en bij een dergelijke overeenstemming, welke laatste compensaties betreffende andere produkten kan bevatten, dienen de betrokken verdragsluitende partijen te trachten de overeengekomen wederkerige en wederzijds voordelige concessies te handhaven op een peil dat voor de handel niet minder gunstig is dan hetgeen was voorzien in deze Overeenkomst voordat bovengenoemde onderhandelingen werden gehouden.

  • (a). Indien vóór 1 januari 1958 of vóór de afloop van het tijdvak bedoeld in lid 1 van dit artikel geen overeenstemming tussen de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen kan worden bereikt, heeft de verdragsluitende partij die voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken, niettemin het recht zulks te doen. In dat geval heeft elke verdragsluitende partij met wie een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen, elke verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 1 wordt geacht de voornaamste leverancier te zijn en elke verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 1 wordt geacht een aanmerkelijk belang te hebben het recht om uiterlijk zes maanden nadat de maatregel is genomen nagenoeg gelijkwaardige concessies welke aanvankelijk werden overeengekomen met de verzoekende verdragsluitende partij in te trekken, doch zulks niet eerder dan dertig dagen nadat schriftelijk bericht van de intrekking door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN is ontvangen.
  • (b). Indien tussen de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen een overeenstemming is bereikt welke een andere verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 1 van dit artikel wordt geacht een aanmerkelijk belang te hebben niet bevredigt, heeft deze andere verdragsluitende partij het recht uiterlijk zes maanden nadat de maatregel is genomen nagenoeg gelijkwaardige concessies welke aanvankelijk met de verzoekende verdragsluitende partij waren overeengekomen in te trekken, doch zulks niet eerder dan dertig dagen nadat schriftelijk bericht van de intrekking door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN is ontvangen.
4.

De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen te allen tijde in buitengewone omstandigheden een verdragsluitende partij machtigen in onderhandeling te treden over de wijziging of de intrekking van een concessie voorkomend in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, en wel overeenkomstig de volgende procedure en voorwaarden:

  • (a). Genoemde onderhandelingen en het daarop betrekking hebbende overleg worden gevoerd overeenkomstig de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel.
  • (b). Indien tijdens de onderhandelingen tussen de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen overeenstemming is bereikt, is het bepaalde in lid 3 (b) van dit artikel van toepassing.
  • (c). Indien geen overeenstemming tussen de voornaamste belanghebbende partijen is bereikt binnen een termijn van zestig dagen nadat machtiging tot onderhandelen is gegeven, dan wel binnen een langere door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vastgestelde termijn, kan de verzoekende verdragsluitende partij de aangelegenheid verwijzen naar de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.
  • (d). Indien een dergelijke aangelegenheid naar de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN is verwezen, dienen deze haar onverwijld te bestuderen en de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen van hun bevindingen op de hoogte te brengen teneinde een vergelijk tot stand te brengen. Indien een vergelijk tot stand komt, is het bepaalde in lid 3 (b) toepasselijk als ware overeenstemming bereikt tussen de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen. Indien geen vergelijk tot stand komt tussen de voornaamste belanghebbende partijen, heeft de verzoekende verdragsluitende partij het recht om de concessie te wijzigen of in te trekken, tenzij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN beslissen, dat de verzoekende verdragsluitende partij niet al het mogelijke heeft gedaan om een bevredigende compensatie aan te bieden. Indien tot een dergelijke maatregel wordt overgegaan, heeft elke verdragsluitende partij met wie een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen, elke verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 4 (a) wordt geacht voornaamste leverancier te zijn en elke verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 4 (a) wordt geacht een aanmerkelijk belang te hebben, het recht om uiterlijk zes maanden nadat de maatregel is genomen nagenoeg gelijkwaardige concessies welke aanvankelijk met de verzoekende verdragsluitende partij waren overeengekomen, te wijzigen of in te trekken, doch zulks niet eerder dan dertig dagen nadat schriftelijk bericht van de intrekking door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN is ontvangen.
5.

Een verdragsluitende partij kan vóór 1 januari 1958 en vóór de afloop van elk tijdvak bedoeld in lid 1 zich door kennisgeving aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN het recht voorbehouden om gedurende de volgende periode de desbetreffende Lijst te wijzigen overeenkomstig de in de leden 1 tot 3 voorgeschreven procedures. Indien een verdragsluitende partij zich dit recht voorbehoudt, hebben andere verdragsluitende partijen het recht om gedurende hetzelfde tijdvak en volgens dezelfde procedures concessies te wijzigen of in te trekken welke aanvankelijk werden overeengekomen met die verdragsluitende partij.

Artikel XXVIIIbis. Tariefonderhandelingen

1.

De verdragsluitende partijen erkennen, dat invoerrechten dikwijls ernstige belemmeringen vormen voor de handel. Van groot belang voor de uitbreiding van de internationale handel zijn derhalve onderhandelingen op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel en gericht op aanmerkelijke verlaging van het algemene peil van de tarieven en van andere heffingen op in- en uitvoer en in het bijzonder op de verlaging van tarieven welke zo hoog zijn dat zij zelfs voor de invoer van minimale hoeveelheden een belemmering vormen, mits gevoerd met inachtneming van de doeleinden van deze Overeenkomst en de onderscheiden behoeften van de afzonderlijke verdragsluitende partijen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen daarom periodiek dergelijke onderhandelingen organiseren.

  • (a). Onderhandelingen ingevolge dit artikel worden gevoerd over één voor één uitgekozen produkten of door toepassing van door de betrokken verdragsluitende partijen aanvaarde multilaterale procedures. Dergelijke onderhandelingen kunnen leiden tot de verlaging van invoerrechten, tot de binding van invoerrechten aan het alsdan bestaande peil of tot de verplichting dat afzonderlijke invoerrechten of gemiddelde invoerrechten op bepaalde categorieën produkten geen bepaald peil mogen overschrijden. De binding van lage invoerrechten of de vrijdom van invoerrechten wordt in beginsel erkend als een concessie gelijkwaardig aan een verlaging van hoge invoerrechten.
  • (b). De verdragsluitende partijen erkennen, dat in het algemeen de resultaten van multilaterale onderhandelingen afhangen van de deelneming van alle verdragsluitende partijen waarvan de onderlinge handel een aanmerkelijk deel vormt van hun buitenlandse handel.
3.

De onderhandelingen worden gevoerd op een grondslag welke ruimschoots gelegenheid biedt om rekening te houden met:

  • (a). de behoeften van afzonderlijke verdragsluitende partijen en afzonderlijke industrieën;
  • (b). de behoeften van minder-ontwikkelde landen aan een soepele tarifaire bescherming om hun economische ontwikkeling te bevorderen, alsmede de bijzondere behoeften van die landen om invoerrechten voor fiscale doeleinden in stand te houden; en
  • (c). alle andere terzake dienende omstandigheden, met inbegrip van fiscale, ontwikkelings-, strategische en andere behoeften van de desbetreffende verdragsluitende partijen.

Artikel XXIX. De verhouding van de onderhavige Overeenkomst tot het Handvest van Havana

1.

De verdragsluitende partijen verplichten zich zover als hun uitvoerend gezag strekt de algemene beginselen van de Hoofdstukken I tot en met VI en van Hoofdstuk IX van het Handvest van Havana in acht te nemen, zulks in afwachting van hun aanvaarding van dit Handvest overeenkomstig hun grondwettelijke procedures.

2.

Deel II van deze Overeenkomst zal worden geschorst op de dag waarop het Handvest van Havana in werking treedt.

3.

Indien op 30 september 1949 het Handvest van Havana niet in werking is getreden, komen de verdragsluitende partijen vóór 31 december 1949 bijeen teneinde onderling te beslissen of deze Overeenkomst dient te worden gewijzigd, aangevuld of gehandhaafd.

4.

Indien op enigerlei tijdstip het Handvest van Havana mocht ophouden van kracht te zijn, zullen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zo spoedig mogelijk daarna bijeenkomen teneinde onderling te beslissen of deze Overeenkomst dient te worden gewijzigd, aangevuld of gehandhaafd. In afwachting van een dergelijke overeenstemming treedt Deel II van deze Overeenkomst wederom in werking, met dien verstande echter dat de bepalingen van Deel II, behalve artikel XXIII, mutatis mutandis, worden vervangen in de vorm waarin zij toen in het Handvest van Havana voorkwamen en dat voorts geen verdragsluitende partij is gebonden door enige bepaling welke haar niet bond op het tijdstip waarop het Handvest van Havana ophield van kracht te zijn.

5.

Wanneer een verdragsluitende partij het Handvest van Havana op de dag waarop het in werking treedt niet heeft aanvaard, komen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bijeen teneinde tot overeenstemming te geraken of, en zo ja op welke wijze, deze Overeenkomst dient te worden aangevuld of gewijzigd, voor zover zij de verhouding raakt tussen deze verdragsluitende partij en andere verdragsluitende partijen. In afwachting van een dergelijke overeenstemming blijven de bepalingen van Deel II van deze Overeenkomst, niettegenstaande het bepaalde in lid 2 van dit artikel, van toepassing tussen deze verdragsluitende partij en de andere verdragsluitende partijen.

6.

Verdragsluitende partijen die Lid van de Internationale Handelsorganisatie zijn beroepen zich niet op de bepalingen van deze Overeenkomst teneinde de werking van enige bepaling van het Handvest van Havana te verhinderen. De toepassing van het aan dit lid ten grondslag liggende beginsel op enige verdragsluitende partij die geen Lid van de Internationale Handelsorganisatie is, zal onderwerp uitmaken van een overeenkomst ingevolge lid 5 van dit artikel.

Artikel XXX. Wijzigingen

1.

Voor zover niet elders in deze Overeenkomst voorzieningen inzake wijziging zijn getroffen, worden wijzigingen in de bepalingen van Deel I van deze Overeenkomst of in die van artikel XXIX of in die van dit artikel van kracht, zodra zij door alle verdragsluitende partijen zijn aanvaard, terwijl wijzigingen in andere bepalingen van deze Overeenkomst van kracht worden ten aanzien van die verdragsluitende partijen die ze aanvaarden, na aanvaarding door twee derde der verdragsluitende partijen en vervolgens ten aanzien van elke andere verdragsluitende partij, zodra deze de bedoelde wijzigingen aanvaardt.

2.

Elke verdragsluitende partij die een wijziging in deze Overeenkomst aanvaardt legt een akte van aanvaarding bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties neder binnen een daartoe door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vast te stellen termijn. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen bepalen dat een wijziging die ingevolge dit artikel van kracht wordt van zodanige aard is, dat een verdragsluitende partij die haar niet binnen een door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vastgestelde termijn heeft aanvaard, vrij zal zijn deze Overeenkomst op te zeggen of, met toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, verdragsluitende partij te blijven.

Artikel XXXI. Opzegging

Onverminderd het bepaalde in artikel XVIII, lid 12, in artikel XXIII of in artikel XXX, lid 2, mag elke verdragsluitende partij deze Overeenkomst opzeggen of zulks afzonderlijk doen namens een of meer der afzonderlijke douanegebieden waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid draagt en die op dat ogenblik volledige autonomie bezitten ten aanzien van hun buitenlandse handelsbetrekkingen en de andere bij deze Overeenkomst geregelde aangelegenheden. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan schriftelijk in kennis is gesteld.

Artikel XXXII. Verdragsluitende partijen

1.

Onder verdragsluitende partijen bij deze Overeenkomst worden verstaan de regeringen die de bepalingen van deze Overeenkomst toepassen krachtens artikel XXVI of artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing.

2.

Te allen tijde nadat deze Overeenkomst ingevolge lid 6 van artikel XXVI in werking is getreden, mogen de verdragsluitende partijen die deze Overeenkomst ingevolge lid 4 van artikel XXVI hebben aanvaard, bepalen dat een verdragsluitende partij die haar niet op deze wijze heeft aanvaard zal ophouden verdragsluitende partij te zijn.

Artikel XXXIII. Toetreding

Een regering die geen partij bij deze Overeenkomst is of een regering die handelt namens een afzonderlijk douanegebied dat volledige autonomie bezit ten aanzien van zijn buitenlandse handelsbetrekkingen en de andere bij deze Overeenkomst geregelde aangelegenheden kan tot deze Overeenkomst toetreden, hetzij voor zichzelf, hetzij namens dat gebied, op tussen deze regering en de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN overeen te komen voorwaarden. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nemen de beslissingen ingevolge dit lid bij een meerderheid van twee derde.

Artikel XXXIV. Bijlagen

De Bijlagen bij deze Overeenkomst vormen een integrerend deel daarvan.

Artikel XXXV. Niet-toepassing van de Overeenkomst tussen bepaalde verdragsluitende partijen

1.

Deze Overeenkomst of artikel II van deze Overeenkomst is niet van toepassing tussen een verdragsluitende partij en een andere verdragsluitende partij, indien:

  • (a). de beide verdragsluitende partijen geen tariefonderhandelingen met elkaar zijn begonnen en
  • (b). een van beiden, op het ogenblik dat een hunner verdragsluitende partij wordt, niet in deze toepassing toestemt.
2.

Op verzoek van een verdragsluitende partij kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in bijzondere gevallen een onderzoek instellen naar de werking van dit artikel en passende aanbevelingen doen.

DEEL IV. Handel en ontwikkeling

Artikel XXXVI. Beginselen en doelstellingen

1.

De verdragsluitende partijen,

  • (a). zich ervan bewust dat de fundamentele doelstellingen van deze Overeenkomst de verhoging van de levensstandaard en de geleidelijke ontwikkeling van de economie van alle verdragsluitende partijen inhouden, en overwegende dat de verwezenlijking van deze doelstellingen voor de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van bijzondere urgentie is;
  • (b). overwegende dat de inkomsten uit export van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van beslissende betekenis kunnen zijn voor hun economische ontwikkeling en dat de omvang van deze bijdrage zowel afhankelijk is van de prijzen die de minderontwikkelde verdragsluitende partijen moeten betalen voor de door hen ingevoerde onontbeerlijke goederen als van de omvang van hun uitvoer en van de voor de uitgevoerde goederen ontvangen prijzen;
  • (c). constaterende dat er een zeer groot verschil bestaat tussen de levensstandaard van de minder ontwikkelde landen en die van de overige landen;
  • (d). erkennende dat individueel en gezamenlijk optreden ter bevordering van de economische ontwikkeling van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen en ter verwezenlijking van een spoedige verhoging van de levensstandaard in deze landen noodzakelijk is;
  • (e). erkennende dat het internationale handelsverkeer als middel tot economische en sociale vooruitgang dient te worden beheerst door regels en procedures – en door met zulke regels en procedures in overeenstemming zijnde maatregelen – die verenigbaar zijn met de in dit artikel neergelegde doelstellingen;
  • (f). constaterende dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen in de gelegenheid kunnen stellen bijzondere maatregelen te nemen ter bevordering van hun handel en ontwikkeling;

zijn overeengekomen als volgt:

2.

Het is noodzakelijk zorg te dragen voor een snelle en aanhoudende stijging van de inkomsten uit export van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen.

3.

Het is noodzakelijk krachtige pogingen in het werk te stellen die erop zijn gericht de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen een deel te doen toevallen in de groei van de internationale handel, dat beantwoordt aan de behoeften van hun economische ontwikkeling.

4.

Aangezien vele minder ontwikkelde verdragsluitende partijen afhankelijk zullen blijven van de uitvoer van een beperkt aantal basisprodukten, is het noodzakelijk dat deze produkten in zo ruim mogelijke mate tegen gunstiger en aanvaardbare voorwaarden toegang krijgen tot de wereldmarkten; zonodig dienen maatregelen te worden getroffen, die erop zijn gericht de wereldmarkten voor deze produkten te stabiliseren en te verbeteren, en met name de prijzen te stabiliseren op een redelijk en lonend peil, dat een toeneming van de wereldhandel en van de vraag, alsmede een dynamische: en gestadige groei van de reële inkomsten uit export van deze landen mogelijk maakt, teneinde hun aldus steeds ruimere middelen voor hun economische ontwikkeling te verschaffen.

5.

De snelle groei van de economie van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen zal worden vergemakkelijkt door aan hun economische structuur een bredere basis te verlenen en te voorkomen dat zij in te hoge mate afhankelijk blijven van de uitvoer van basisprodukten. Er bestaat derhalve behoefte aan een betere toegang op zo ruim mogelijke schaal en onder gunstige omstandigheden tot de markten voor verwerkte en eindprodukten die van bijzonder belang zijn voor de uitvoer van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen of dit kunnen zijn.

6.

Wegens het chronische tekort aan inkomsten uit export en aan andere deviezeninkomsten van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, bestaat er een nauw verband tussen de handel en de financiële hulp bij de ontwikkeling. Het is derhalve noodzakelijk dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN en de internationale financieringsinstellingen ten nauwste blijven samenwerken, opdat zij op de meest doeltreffende wijze zullen kunnen bijdragen tot het verlichten van de taken die de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen op zich nemen in het belang van hun economische ontwikkeling.

7.

Het is noodzakelijk dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, andere intergouvernementele lichamen, alsmede de organen en organisaties van de Verenigde Naties, welker werkzaamheden liggen op het terrein van de handel en de economische ontwikkeling van de minder ontwikkelde landen, op doeltreffende wijze samenwerken.

8.

De ontwikkelde verdragsluitende partijen verwachten voor de door hen bij de handelsbesprekingen aanvaarde verplichtingen om de douanerechten en andere handelsbelemmeringen te verminderen of af te schaffen, geen wederkerige behandeling van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen.

9.

De aanvaarding van maatregelen tot uitvoering van deze beginselen en doelstellingen dient door de verdragsluitende partijen, zowel individueel als gezamenlijk, doelbewust en vastbesloten te worden nagestreefd.

Artikel XXXVII. Verplichtingen

1.

De ontwikkelde verdragsluitende partijen geven zo veel mogelijk – tenzij hun dit om dwingende redenen, eventueel van juridische aard, onmogelijk is – uitvoering aan de volgende bepalingen:

  • (a). zij kennen hoge prioriteit toe aan de verlaging en afschaffing van handelsbelemmeringen voor produkten die voor de uitvoer van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van bijzonder belang zijn of kunnen zijn, met inbegrip van douanerechten en andere beperkingen die een onredelijk onderscheid maken tussen zulke produkten in onverwerkte en in verwerkte staat;
  • (b). zij onthouden zich van het instellen of het verhogen van douanerechten of non-tarifaire invoerbelemmeringen voor produkten die voor de uitvoer van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van bijzonder belang zijn of kunnen zijn; en
  • (c).
  • (i). zij onthouden zich van het opleggen van nieuwe fiscale maatregelen, en
  • (ii). zij kennen bij de aanpassing van hun fiscaal beleid hoge prioriteit toe aan de verzachting en afschaffing van de bestaande fiscale maatregelen die in hoge mate belemmerend werken of zouden kunnen werken op de toeneming van het verbruik van basisprodukten, zowel in onverwerkte als in verwerkte staat, die geheel of grotendeels voortgebracht zijn op het grondgebied van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, indien zij speciaal op deze produkten worden toegepast.
  • (a). In alle gevallen waarin men van oordeel is dat geen uitvoering wordt gegeven aan het gestelde onder (a), (b) of (c) van lid 1, dient dit aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN gemeld te worden, hetzij door de verdragsluitende partij die aan de betreffende bepalingen geen uitvoering geeft, hetzij door een andere belanghebbende verdragsluitende partij.
  • (b).
  • (i). De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen op verzoek van een belanghebbende verdragsluitende partij, ongeacht eventueel bilateraal overleg dienaangaande, met de betrokken verdragsluitende partij en alle belanghebbende verdragsluitende partijen over de betreffende aangelegenheid overleg te plegen met het oogmerk tot een oplossing te geraken, waarmede alle verdragsluitende partijen zich kunnen verenigen teneinde zodoende bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel XXXVI neergelegde doelstellingen. Bij dit overleg worden de redenen bestudeerd, die in de gevallen waarin geen uitvoering werd gegeven aan het gestelde onder (a), (b) of (c) van lid 1, daarvoor zijn aangevoerd.
  • (ii). Aangezien de uitvoering van het gestelde onder (a), (b) of (c) van lid 1 door de verdragsluitende partijen afzonderlijk in sommige gevallen gemakkelijker kan worden verwezenlijkt in het kader van een gezamenlijk optreden met andere ontwikkelde verdragsluitende partijen, kan het overleg in daarvoor in aanmerking komende gevallen op dit doel worden gericht.
  • (iii). In daarvoor in aanmerking komende gevallen kan het overleg der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN ook zijn gericht op het bereiken van overeenstemming inzake gezamenlijk optreden ter verwezenlijking van de doel stellingen van deze Overeenkomst als beoogd in lid 1 van artikel XXV.
3.

De ontwikkelde verdragsluitende partijen dienen:

  • (a). in gevallen waarin een regering direct of indirect de verkoopprijzen vaststelt van produkten die geheel of grotendeels worden geproduceerd op het grondgebied van minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, alles in het werk te stellen teneinde de handelsmarges op een redelijk peil te handhaven;
  • (b). een grondige studie te maken van andere maatregelen ter verruiming van de mogelijkheden tot stijging van de invoer uit minder ontwikkelde verdragsluitende partijen en te dien einde in internationaal verband op doeltreffende wijze samen te werken;
  • (c). bijzondere aandacht te schenken aan de commerciële belangen van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen bij het overwegen van de toepassing van andere maatregelen die ingevolge deze Overeenkomst zijn toegestaan voor de oplossing van bijzondere vraagstukken en alle mogelijkheden voor constructieve bijdragen na te gaan, alvorens dergelijke maatregelen toe te passen, indien deze afbreuk zouden doen aan de essentiële belangen van die verdragsluitende partijen.
4.

De minder ontwikkelde verdragsluitende partijen komen overeen doeltreffende maatregelen te nemen voor de uitvoering van de bepalingen van Deel IV in het belang van de handel van andere minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, voor zover dit verenigbaar is met de huidige en toekomstige behoeften van hun ontwikkeling, financiën en handelsverkeer, daarbij rekening houdende met de vroegere ontwikkeling van het handelsverkeer, alsook met de commerciële belangen van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen als geheel.

5.

Bij de uitvoering van de in de leden 1 tot en met 4 vervatte verplichtingen verleent iedere verdragsluitende partij iedere andere belanghebbende verdragsluitende partij of alle andere belanghebbende verdragsluitende partijen alle faciliteiten om overeenkomstig de gebruikelijke procedures van deze Overeenkomst overleg te plegen over elke zich voordoende kwestie of moeilijkheid.

Artikel XXXVIII. Gezamenlijk optreden

1.

De gezamenlijk optredende verdragsluitende partijen werken in het kader van deze Overeenkomst alsook anderszins, naar gelang de omstandigheden, samen teneinde de in artikel XXXVI neergelegde doelstellingen te bevorderen.

2.

In het bijzonder dienen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN:

  • (a). waar mogelijk, met name door middel van internationale regelingen, zorg te dragen dat de basisprodukten die voor de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van bijzonder belang zijn, tegen gunstiger en aanvaardbare voorwaarden toegang krijgen tot de wereldmarkten, alsmede maatregelen te treffen, die erop zijn gericht de wereldmarkten voor deze produkten te stabiliseren en te verbeteren, en met name om de prijzen te stabiliseren op een redelijk peil, waarbij de uitvoer van genoemde produkten lonend is;
  • (b). op het gebied van het handels- en ontwikkelingsbeleid te streven naar doeltreffende samenwerking met de Verenigde Naties en de organen en organisaties daarvan, met inbegrip van eventueel op grond van de aanbevelingen van de Conferentie der Verenigde Naties voor Handel en Ontwikkeling in het leven te roepen instellingen;
  • (c). samen te werken bij het analyseren van de ontwikkelingsprogramma's en het ontwikkelingsbeleid van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen afzonderlijk en bij het bestuderen van het tussen handel en hulpverlening bestaande verband met het oogmerk te komen tot concrete maatregelen om het exportpotentieel te vergroten en de toegang tot de exportmarkten voor de produkten van de aldus uitgebreide produktiesectoren te vergemakkelijken en in dit verband te streven naar doeltreffende samenwerking met regeringen en internationale organisaties, en met name met organisaties die bevoegdheden uitoefenen op het gebied van financiële hulp voor economische ontwikkeling, voor het verrichten van systematische studies betreffende het verband tussen handel en hulpverlening in de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen afzonderlijk, met het oogmerk een duidelijk inzicht te verkrijgen inzake het exportpotentieel, de afzetmogelijkheden en andere eventueel noodzakelijke maatregelen;
  • (d). de ontwikkeling van de wereldhandel, in het bijzonder met betrekking tot het groeitempo van de handel der minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, op de voet te volgen en aan de verdragsluitende partijen de met het oog op de omstandigheden in aanmerking komende aanbevelingen te doen;
  • (e). samen te werken bij het zoeken naar bruikbare methoden tot uitbreiding van het handelsverkeer ten behoeve van de economische ontwikkeling, door het nationale beleid en de nationale wettelijke bepalingen op internationaal niveau te harmoniseren en aan te passen, door toepassing van technische en commerciële normen betreffende de produktie, het vervoer en de afzet, alsmede door het bevorderen van de export door het nemen van maatregelen voor intensievere voorlichting op commercieel terrein en voor de uitbreiding van het marktonderzoek; en
  • (f). de voor de bevordering van de in artikel XXXVI neergelegde doelstellingen en voor de uitvoering van de bepalingen van dit Deel noodzakelijke institutionele maatregelen te treffen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)