Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-10-30
State In force
Source BWB
artikelen 370
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

De overeenkomstig deze afdeling aangewezen leden van het Gerecht worden benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar, die éénmaal kan worden verlengd. De ambtstermijn van zeven van de vijftien leden die onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst door middel van loting worden aangewezen, bedraagt evenwel zes jaar. Vacatures worden opgevuld zodra zij ontstaan. Een lid dat wordt aangewezen ter vervanging van een lid van het Gerecht wiens ambtstermijn nog niet is geëindigd, oefent het ambt uit voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn van zijn of haar voorganger. In beginsel kan een lid van het Gerecht dat op het tijdstip waarop zijn of haar ambtstermijn eindigt, zitting heeft in een formatie van het Gerecht, aanblijven als lid van die formatie totdat definitief uitspraak is gedaan.

6.

Het Gerecht behandelt de zaken in formaties bestaande uit drie leden van het Gerecht, van wie één onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, één onderdaan van Canada en één onderdaan van een derde land is. De formatie wordt voorgezeten door het lid van het Gerecht dat onderdaan van een derde land is.

7.

Binnen negentig dagen na de indiening van een verzoek overeenkomstig artikel 8.23 wijst de president van het Gerecht beurtelings de leden van het Gerecht aan die deel uitmaken van de formatie van het Gerecht die de zaak behandelt, waarbij hij erop toeziet dat de samenstelling van de formaties willekeurig en niet voorspelbaar is, en dat alle leden van het Gerecht gelijke kansen hebben om als lid van een formatie te fungeren.

8.

De president en de vicepresident van het Gerecht zijn verantwoordelijk voor organisatorische aangelegenheden, en worden door middel van loting voor twee jaar aangewezen uit de leden van het Gerecht die onderdaan van derde landen zijn. Zij oefenen het ambt beurtelings uit, aangewezen door middel van loting door de voorzitter van het Gemengd Comité voor de CETA. De vicepresident vervangt de president bij diens verhindering.

9.

Onverminderd lid 6 kunnen de partijen bij het geschil overeenkomen dat een zaak wordt behandeld door één lid van het Gerecht dat willekeurig wordt aangewezen uit de onderdanen van derde landen. De verweerder neemt een verzoek van de eiser om behandeling van de zaak door één lid van het Gerecht in welwillende overweging, in het bijzonder wanneer de eiser een kleine of middelgrote onderneming is of wanneer de gevorderde schadeloosstelling of schadevergoeding betrekkelijk gering is. Een dergelijk verzoek wordt ingediend vóór de samenstelling van de formatie van het Gerecht.

10.

Het Gerecht kan zijn eigen werkmethoden vaststellen.

11.

De leden van het Gerecht zorgen ervoor dat zij beschikbaar zijn en in staat zijn om de in deze afdeling beschreven taken uit te voeren.

12.

Om hun beschikbaarheid te waarborgen, ontvangen de leden van het Gerecht een maandelijks voorschot waarvan de hoogte wordt vastgesteld door het Gemengd Comité voor de CETA.

13.

Het in lid 12 bedoelde voorschot wordt door beide partijen bij de overeenkomst voor gelijke delen gestort op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Icsid. Betaalt één van de partijen bij de overeenkomst het voorschot niet, dan kan de andere partij bij de overeenkomst ervoor kiezen het voorschot te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen door een partij bij de overeenkomst blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding.

14.

Tenzij het Gemengd Comité voor de CETA een besluit neemt op grond van lid 15, worden de honoraria en kostenvergoedingen van de leden van het Gerecht die zitting hebben in een formatie die een zaak behandelt, anders dan de in lid 12 bedoelde voorschotten, vastgesteld overeenkomstig artikel 14, lid 1, van het administratief en financieel reglement van het Icsid-Verdrag zoals dit geldt op de datum van indiening van het verzoek en door het Gerecht overeenkomstig artikel 8.39, lid 5, verdeeld over de partijen bij het geschil.

15.

Het Gemengd Comité voor de CETA kan bij besluit van de voorschotten en andere honoraria en kostenvergoedingen een reguliere bezoldiging maken, alsmede de modaliteiten en voorwaarden ter zake vaststellen.

16.

Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor het Gerecht en verleent het passende ondersteuning.

17.

Wanneer het Gemengd Comité voor de CETA binnen negentig dagen na de datum waarop een verzoek met het oog op geschillenbeslechting is ingediend, geen leden van het Gerecht overeenkomstig lid 2 heeft aangewezen, wijst de secretaris-generaal van het Icsid, op verzoek van een van de partijen bij het geschil, een uit drie leden van het Gerecht bestaande formatie aan, tenzij de partijen bij het geschil zijn overeengekomen dat de zaak wordt behandeld door één lid van het Gerecht. De secretaris-generaal van het Icsid wijst de leden van die formatie aan door middel van willekeurige selectie uit de voorgedragen kandidaten. De secretaris-generaal van het Icsid mag als voorzitter geen onderdaan van Canada of van een lidstaat van de Europese Unie aanwijzen, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen.

Artikel 8.28. Beroepsinstantie

1.

Er wordt een Beroepsinstantie ingesteld, die is belast met de toetsing van de uit hoofde van deze afdeling gedane uitspraken.

2.

De Beroepsinstantie kan een uitspraak van het Gerecht bevestigen, wijzigen of vernietigen:

  • a. op grond van onjuiste toepassing of uitlegging van het toepasselijke recht;
  • b. op grond van kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, met inbegrip van kennelijk onjuiste beoordeling van de desbetreffende interne wetgeving;
  • c. omde redenen vermeld in artikel 52, lid 1, onder a) tot en met e), van het Icsid-Verdrag, voor zover zij niet onder de punten a) en b) vallen.
3.

De leden van de Beroepsinstantie worden aangewezen bij besluit van het Gemengd Comité voor de CETA, dat tegelijk met het in lid 7 bedoelde besluit wordt genomen.

4.

De leden van de Beroepsinstantie voldoen aan de eisen bedoeld in artikel 8.27, lid 4, en handelen in overeenstemming met artikel 8.30.

5.

De formatie van de Beroepsinstantie die het beroep behandelt, bestaat uit drie leden van de Beroepsinstantie die willekeurig worden aangewezen.

6.

De artikelen 8.36 en 8.38 zijn van toepassing op de procedure voor de Beroepsinstantie.

7.

Het Gemengd Comité voor de CETA neemt onverwijld een besluit inzake de volgende administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie:

  • a. de administratieve ondersteuning;
  • b. de inleiding en het verloop van beroepsprocedures alsmede, waar nodig, de verwijzing van een zaak naar het Gerecht met het oog op aanpassing van de uitspraak;
  • c. de voorziening in vacatures bij de Beroepsinstantie en bij de formatie van de Beroepsinstantie die een zaak behandelt;
  • d. de bezoldiging van de leden van de Beroepsinstantie;
  • e. de voorschriften inzake de kosten van beroepsprocedures;
  • f. het aantal leden van de Beroepsinstantie; en
  • g. alle andere aspecten die het noodzakelijk acht voor de doeltreffende werking van de Beroepsinstantie.
8.

Het Comité voor diensten en investeringen evalueert op gezette tijden de werking van de Beroepsinstantie en kan aanbevelingen doen aan het Gemengd Comité voor de CETA. Het Gemengd Comité voor de CETA kan, indien nodig, het in lid 7 bedoelde besluit herzien.

9.

Na de vaststelling van het in lid 7 bedoelde besluit:

  • a. kan een partij bij het geschil binnen negentig dagen na de bekendmaking van een overeenkomstig deze afdeling gedane uitspraak daartegen beroep instellen bij de Beroepsinstantie;
  • b. mag een partij bij het geschil met betrekking tot een uitspraak uit hoofde van deze afdeling niet om toetsing, vernietiging, nietigverklaring, herziening of inleiding van een andere soortgelijke procedure verzoeken;
  • c. kan een op grond van artikel 8.39 gedane uitspraak niet als definitief worden beschouwd en kan geen vordering tot gedwongen tenuitvoerlegging van een uitspraak worden ingesteld zolang:
  • i. niet een periode van negentig dagen is verstreken na de bekendmaking van de uitspraak van het Gerecht, zonder dat beroep is ingesteld;
  • ii. een ingesteld beroep niet is verworpen of ingetrokken; of
  • iii. niet een periode van negentig dagen is verstreken na de uitspraak van de Beroepsinstantie, zonder dat de zaak naar het Gerecht is verwezen;
  • d. wordt een definitieve uitspraak van de Beroepsinstantie beschouwd als een definitieve uitspraak voor de toepassing van artikel 8.41; en
  • e. is artikel 8.41, lid 3, niet van toepassing.

Artikel 8.29. Oprichting van multilateraal investeringsgerecht en instelling van multilaterale beroepsmogelijkheid

De partijen bij de overeenkomst streven samen met andere handelspartners naar de oprichting van een multilateraal investeringsgerecht en de instelling van een multilaterale beroepsmogelijkheid voor de beslechting van investeringsgeschillen. Bij de instelling van een dergelijke multilaterale beroepsmogelijkheid neemt het Gemengd Comité voor de CETA een besluit waarin wordt bepaald dat investeringsgeschillen in het kader van deze afdeling zullen worden beslecht met toepassing van de multilaterale beroepsmogelijkheid, en voorziet het in passende overgangsregelingen.

Artikel 8.30. Gedragscode

1.

De leden van het Gerecht zijn onafhankelijk. Zij zijn niet verbonden aan enige overheid14)Voor alle duidelijkheid: het feit dat een persoon een vergoeding van een overheid ontvangt, betekent op zichzelf niet dat hij niet als lid van het Gerecht in aanmerking komt.. Zij nemen geen instructies van enige organisatie of enige overheid aan met betrekking tot het voorwerp van het geschil. Zij nemen niet deel aan de behandeling van geschillen die rechtstreeks of onrechtstreeks tot een belangenconflict zouden kunnen leiden. Zij moeten voldoen aan de richtsnoeren van de International Bar Association inzake belangenconflicten in internationale arbitrage en aan alle krachtens artikel 8.44, lid 2, vastgestelde aanvullende voorschriften. Daarnaast treden zij na hun aanwijzing niet op als raadsman of als door een partij bij het geschil aangewezen deskundige of getuige in het kader van lopende of nieuwe investeringsgeschillen uit hoofde van deze overeenkomst of enige andere internationale overeenkomst.

2.

Wanneer een partij bij het geschil van mening is dat een lid van het Gerecht in een belangenconflict verkeert, kan zij de president van het Internationaal Gerechtshof verzoeken een besluit te nemen over de wraking van dat lid. Het bericht van wraking wordt naar de president van het Internationaal Gerechtshof verzonden binnen vijftien dagen na de datum waarop de samenstelling van de formatie van het Gerecht is meegedeeld aan de partij bij het geschil, dan wel binnen vijftien dagen na de datum waarop de partij bij het geschil kennis heeft gekregen van de relevante feiten, indien die redelijkerwijs niet bekend konden zijn geweest op het tijdstip van de samenstelling van de formatie. In het bericht van wraking worden de gronden voor wraking vermeld.

3.

Indien het gewraakte lid van het Gerecht er binnen vijftien dagen na de datum van het bericht van wraking voor kiest zijn functie in de formatie van het Gerecht niet neer te leggen, kan de president van het Internationaal Gerechtshof, na de opmerkingen en stukken van de partijen bij het geschil te hebben ontvangen en na het lid van het Gerecht in de gelegenheid te hebben gesteld opmerkingen in te dienen, een besluit over de wraking nemen. De president van het Internationaal Gerechtshof streeft ernaar binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het bericht van wraking een besluit te nemen en de partijen bij het geschil en de andere leden van de formatie daarvan in kennis te stellen. Er wordt onverwijld voorzien in een vacature wanneer het mandaat van een lid van het Gerecht vervallen wordt verklaard of een lid van het Gerecht zijn functie neerlegt.

4.

De partijen bij de overeenkomst kunnen op grond van een met redenen omklede aanbeveling van de president van het Gerecht of op gezamenlijk initiatief, bij besluit van het Gemengd Comité voor de CETA, een lid van het Gerecht van zijn mandaat ontheffen wanneer zijn of haar gedrag in strijd is met de in lid 1 bedoelde verplichtingen en onverenigbaar is met de voortzetting van het mandaat van lid van het Gerecht.

Artikel 8.31. Toepasselijk recht en uitlegging

1.

Het krachtens deze afdeling ingestelde Gerecht doet uitspraak met toepassing van deze overeenkomst zoals uitgelegd overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht en andere regels en beginselen van internationaal recht die in de betrekkingen tussen de partijen bij de overeenkomst van toepassing zijn.

2.

Het Gerecht is niet bevoegd de wettigheid van een maatregel waarvan wordt gesteld dat hij een schending van deze overeenkomst vormt, te toetsen aan de interne wetgeving van een partij bij de overeenkomst. Voor alle duidelijkheid: bij de beoordeling of een maatregel in overeenstemming met deze overeenkomst is, kan het Gerecht in voorkomend geval de interne wetgeving van een partij bij de overeenkomst als een feitelijk gegeven in aanmerking nemen. Daarbij volgt het Gerecht de heersende uitlegging van de interne wetgeving door de rechterlijke instanties of de autoriteiten van die partij bij de overeenkomst, en de rechterlijke instanties of de autoriteiten van die partij bij de overeenkomst zijn niet gebonden aan de uitlegging die het Gerecht aan de interne wetgeving geeft.

3.

Wanneer ernstige bezorgdheid rijst over uitleggingskwesties die gevolgen voor investeringen kunnen hebben, kan het Comité voor diensten en investeringen overeenkomstig artikel 8.44, lid 3, onder a), het Gemengd Comité voor de CETA aanbevelen uitleggingen van deze overeenkomst te geven. Een door het Gemengd Comité voor de CETA gegeven uitlegging is bindend voor het krachtens deze afdeling ingestelde Gerecht. Het Gemengd Comité voor de CETA kan beslissen dat een uitlegging met ingang van een specifieke datum bindend karakter heeft.

Artikel 8.32. Kennelijk oneigenlijke verzoeken

1.

De verweerder kan, uiterlijk dertig dagen na de samenstelling van de formatie van het Gerecht en in elk geval vóór de eerste zitting daarvan, de exceptie opwerpen dat een verzoek kennelijk oneigenlijk is.

2.

Een exceptie in de zin van lid 1 kan niet worden opgeworpen wanneer de verweerder een exceptie overeenkomstig artikel 8.33 heeft opgeworpen.

3.

De verweerder geeft de gronden voor de exceptie zo nauwkeurig mogelijk aan.

4.

Na ontvangst van een exceptie overeenkomstig dit artikel schorst het Gerecht de procedure ten gronde en stelt het een tijdschema voor het onderzoek van die exceptie op dat is afgestemd op het tijdschema dat het voor het onderzoek van eventuele andere preliminaire kwesties heeft opgesteld.

5.

Nadat het Gerecht de partijen bij het geschil in de gelegenheid heeft gesteld om hun opmerkingen te maken, neemt het op zijn eerste zitting of onverwijld daarna een besluit over of doet het uitspraak op de exceptie, met opgave van de redenen. Daarbij worden de vermeende feiten geacht juist te zijn.

6.

Dit artikel laat de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken, alsook het recht van de verweerder om tijdens de procedure aan te voeren dat een verzoek oneigenlijk is, onverlet.

Artikel 8.33. Rechtens ongegronde verzoeken

1.

Onverminderd de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken en onverminderd het recht van de verweerder om op een gepast tijdstip excepties op te werpen, onderzoekt het Gerecht vóór de behandeling ten principale en doet het vóór de behandeling ten principale uitspraak op elke door de verweerder opgeworpen exceptie dat ten aanzien van een overeenkomstig artikel 8.23 ingediend verzoek, of onderdeel daarvan, rechtens geen voor de eiser gunstige uitspraak kan worden gedaan krachtens deze afdeling, ook indien de vermeende feiten geacht worden juist te zijn.

2.

Een exceptie in de zin van lid 1 wordt uiterlijk op de door het Gerecht vastgestelde datum waarop de verweerder zijn contramemorie moet indienen, bij het Gerecht opgeworpen.

3.

Wanneer een exceptie overeenkomstig artikel 8.32 is opgeworpen, kan het Gerecht, rekening houdend met de omstandigheden in verband met die exceptie, volgens de in dit artikel vastgelegde procedures weigeren een overeenkomstig lid 1 opgeworpen exceptie te onderzoeken.

4.

Na ontvangst van een exceptie in de zin van lid 1 en, in voorkomend geval, nadat het een besluit overeenkomstig lid 3 heeft genomen, schorst het Gerecht de procedure ten gronde, stelt het een tijdschema voor het onderzoek van de exceptie op dat is afgestemd op de tijdschema's die het voor het onderzoek van eventuele andere preliminaire kwesties heeft opgesteld, en neemt het een besluit over of doet het uitspraak op de exceptie, met opgave van de redenen.

Artikel 8.34. Voorlopige beschermingsmaatregelen

Het Gerecht kan voorlopige beschermingsmaatregelen gelasten met het doel de rechten van een partij bij het geschil te beschermen of de volledige uitoefening van zijn eigen bevoegdheid te verzekeren, met inbegrip van een bevel tot bescherming van bewijsmateriaal dat zich in het bezit of in de macht van een partij bij het geschil bevindt of tot bescherming van zijn eigen bevoegdheid. Het Gerecht kan noch een bevel tot beslaglegging uitvaardigen noch de toepassing verbieden van de maatregel waarvan wordt gesteld dat hij een schending als bedoeld in artikel 8.23 vormt. Voor de toepassing van dit artikel omvat een bevel ook een aanbeveling.

Artikel 8.35. Afstand van instantie

Wanneer de investeerder, na de indiening van een verzoek krachtens deze afdeling, gedurende honderdtachtig opeenvolgende dagen of gedurende een door de partijen bij het geschil overeengekomen periode geen procedurele maatregelen heeft genomen, wordt hij geacht zijn verzoek te hebben ingetrokken en afstand van instantie te hebben gedaan. Op verzoek van de verweerder, en na kennisgeving aan de partijen bij het geschil, neemt het Gerecht middels een beschikking akte van de afstand van instantie. Nadat de beschikking is gegeven, is het Gerecht niet langer bevoegd.

Artikel 8.36. Transparantie van procedure

1.

In verband met procedures krachtens deze afdeling gelden de Uncitral-transparantievoorschriften, zoals gewijzigd bij dit hoofdstuk.

2.

Het verzoek om overleg, de mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder, de mededeling van bepaling van de verweerder, het akkoord om gebruik te maken van bemiddeling, het bericht van het voornemen om een lid van het Gerecht te wraken, het besluit inzake de wraking van een lid van het Gerecht en het verzoek om voeging worden opgenomen in de lijst van documenten die op grond van artikel 3, lid 1, van de Uncitral-transparantievoorschriften ter beschikking van het publiek moeten worden gesteld.

3.

Bewijsstukken worden opgenomen in de lijst van documenten die op grond van artikel 3, lid 2, van de Uncitral-transparantievoorschriften ter beschikking van het publiek moeten worden gesteld.

4.

Onverminderd artikel 2 van de Uncitral-transparantievoorschriften stelt Canada of de Europese Unie, naargelang het geval, vóór de instelling van het Gerecht de ter zake dienende documenten als bedoeld in lid 2 tijdig ter beschikking van het publiek, in een versie waaruit de vertrouwelijke of beschermde informatie wordt weggelaten. Die documenten kunnen door toezending aan de depositaris ter beschikking van het publiek worden gesteld.

5.

De zittingen zijn toegankelijk voor het publiek. Het Gerecht treft, in overleg met de partijen bij het geschil, de passende logistieke maatregelen om de toegang van het publiek tot die zittingen te vergemakkelijken. Wanneer het Gerecht vaststelt dat vertrouwelijke of beschermde informatie moet worden beschermd, treft het de passende maatregelen om ervoor te zorgen dat het deel van de zitting dat niet in het openbaar mag worden gehouden, achter gesloten deuren plaatsvindt.

6.

Niets in dit hoofdstuk belet een verweerder informatie te verstrekken waarvan openbaarmaking op grond van zijn wetgeving is voorgeschreven. De verweerder moet die wetgeving zodanig toepassen dat geen informatie openbaar wordt gemaakt die als vertrouwelijk of beschermd is aangemerkt.

Artikel 8.37. Informatie-uitwisseling

1.

Een partij bij het geschil mag in het kader van de uit hoofde van deze afdeling ingeleide procedures documenten in onbewerkte vorm verstrekken aan derden, met inbegrip van getuigen en deskundigen, wanneer zij dat in de loop van de procedure noodzakelijk acht. Zij ziet er evenwel op toe dat die derden de in die documenten vervatte vertrouwelijke of beschermde informatie beschermen.

2.

Deze overeenkomst belet een verweerder niet aan ambtenaren van de Europese Unie, de lidstaten van de Europese Unie respectievelijk subnationale overheden documenten in onbewerkte vorm te verstrekken wanneer hij dat in de loop van de uit hoofde van deze afdeling ingeleide procedures noodzakelijk acht. De verweerder ziet er evenwel op toe dat die ambtenaren de in die documenten vervatte vertrouwelijke of beschermde informatie beschermen.

Artikel 8.38. Niet bij geschil betrokken partij bij overeenkomst

1.

De verweerder verstrekt binnen dertig dagen na ontvangst ervan of onmiddellijk nadat een geschil betreffende vertrouwelijke of beschermde informatie is opgelost, aan de niet bij het geschil betrokken partij bij de overeenkomst:

  • a. een verzoek om overleg, een mededeling houdende verzoek om bepaling van de verweerder, een mededeling van bepaling van de verweerder, een overeenkomstig artikel 8.23 ingediend verzoek, een verzoek om voeging alsmede elk ander document dat bij die stukken is gevoegd;
  • b. op verzoek:
  • i. de procedurestukken, dossierstukken, verzoekschriften en andere door een partij bij het geschil bij het Gerecht ingediende stukken;
  • ii. de overeenkomstig artikel 4 van de Uncitral-transparantievoorschriften bij het Gerecht ingediende schriftelijke opmerkingen;
  • iii. de processen-verbaal of verslagen van de zittingen van het Gerecht, indien beschikbaar; en
  • iv. de bevelen, uitspraken en beslissingen van het Gerecht; en
  • c. op verzoek en voor rekening van de niet bij het geschil betrokken partij bij de overeenkomst, alle of een deel van de aan het Gerecht overgelegde bewijsstukken, tenzij de gevraagde bewijsstukken openbaar toegankelijk zijn.
2.

Het Gerecht aanvaardt mondelinge of schriftelijke opmerkingen van de niet bij het geschil betrokken partij bij de overeenkomst met betrekking tot de uitlegging van deze overeenkomst, of kan deze partij, na overleg met de partijen bij het geschil, om haar mondelinge of schriftelijke opmerkingen daarover verzoeken. De niet bij het geschil betrokken partij bij de overeenkomst kan een overeenkomstig deze afdeling gehouden zitting bijwonen.

3.

Het Gerecht verbindt geen conclusies aan het feit dat geen opmerkingen zijn ingediend overeenkomstig lid 2.

4.

Het Gerecht ziet erop toe dat de partijen bij het geschil een redelijke gelegenheid wordt geboden om hun opmerkingen in te dienen over opmerkingen van de niet bij het geschil betrokken partij bij de overeenkomst.

Artikel 8.39. Definitieve uitspraak

1.

Wanneer het Gerecht bij definitieve uitspraak de verweerder in het ongelijk stelt, kan het uitsluitend, afzonderlijk dan wel in combinatie:

  • a. een financiële schadevergoeding, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, toekennen;
  • b. de teruggave van eigendom gelasten; in dat geval wordt in de uitspraak bepaald dat de verweerder over de mogelijkheid beschikt om in plaats daarvan een financiële schadevergoeding te betalen die de billijke marktwaarde van de eigendom vertegenwoordigt onmiddellijk voorafgaand aan de onteigening of, als dit eerder is, het tijdstip waarop bekend werd dat onteigening zou volgen, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, zoals bepaald overeenkomstig artikel 8.12.
2.

Onverminderd de leden 1 en 5 wordt in een uitspraak op een overeenkomstig artikel 8.23, lid 1, onder b), ingediend verzoek:

  • a. waarbij financiële schadevergoeding, vermeerderd met eventueel toepasselijke rente, wordt toegekend, bepaald dat het bedrag daarvan wordt uitbetaald aan de plaatselijk gevestigde onderneming;
  • b. waarbij de teruggave van eigendom wordt gelast, bepaald dat de eigendom wordt teruggegeven aan de plaatselijk gevestigde onderneming;
  • c. die een voor de investeerder gunstige kostenverwijzing bevat, bepaald dat de door de investeerder gemaakte kosten worden vergoed; en
  • d. bepaald dat de uitspraak geen afbreuk doet aan het eventuele recht van een andere persoon dan de persoon die op grond van artikel 8.22 afstand van recht heeft gedaan, op de toekenning van financiële schadevergoeding of de teruggave van eigendom krachtens het interne recht van een partij bij de overeenkomst.
3.

De financiële schadevergoeding mag niet meer bedragen dan het verlies dat de investeerder of, in voorkomend geval, de plaatselijk gevestigde onderneming heeft geleden, verminderd met de eventueel reeds betaalde schadevergoeding of schadeloosstelling. Bij de berekening van de financiële schadevergoeding mag het Gerecht tevens het bedrag daarvan verminderen om rekening te houden met de eventuele teruggave van eigendom of intrekking of wijziging van de maatregel.

4.

Het Gerecht kent geen punitieve schadevergoeding toe.

5.

Het Gerecht verwijst de in het ongelijk gestelde partij bij het geschil in de kosten van de procedure. In uitzonderlijke omstandigheden kan het Gerecht, indien het zulks in de omstandigheden van het verzoek passend acht, de kosten over de partijen bij het geschil verdelen. Andere redelijke kosten, met inbegrip van de kosten in verband met vertegenwoordiging in rechte en rechtsbijstand, worden gedragen door de in het ongelijk gestelde partij bij het geschil, tenzij het Gerecht zulks in de omstandigheden van het verzoek onredelijk acht. Wordt het verzoek slechts op bepaalde onderdelen toegewezen, dan vindt de verwijzing in de kosten plaats naar evenredigheid van het aantal of de omvang van de onderdelen waarop het verzoek is toegewezen.

6.

Het Gemengd Comité voor de CETA neemt aanvullende voorschriften in overweging die strekken tot vermindering van de financiële lasten voor eisers die natuurlijke personen of kleine of middelgrote ondernemingen zijn. In het kader van dergelijke aanvullende voorschriften kunnen met name de financiële middelen van die eisers en het bedrag van de gevorderde schadeloosstelling in aanmerking worden genomen.

7.

Het Gerecht en de partijen bij het geschil stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat de geschillenbeslechtingsprocedure tijdig wordt uitgevoerd. Het Gerecht geeft zijn definitieve uitspraak binnen vierentwintig maanden na de datum waarop het verzoek overeenkomstig artikel 8.23 is ingediend. Indien het Gerecht meer tijd nodig heeft om zijn definitieve uitspraak te geven, doet het de partijen bij het geschil opgave van de redenen voor de vertraging.

Artikel 8.40. Schadevergoeding of andere vorm van schadeloosstelling

De verweerder mag niet bij wijze van verweer, tegenvordering of compensatierecht dan wel anderszins aanvoeren, en het Gerecht mag niet als zodanig aanvaarden, dat een investeerder of, in voorkomend geval, een plaatselijk gevestigde onderneming met betrekking tot de volledige of een deel van de schadeloosstelling die in een in het kader van deze afdeling voorgelegd geschil wordt gevorderd, uit hoofde van een verzekerings- of borgstellingsovereenkomst een schadevergoeding of andere vorm van schadeloosstelling heeft ontvangen of zal ontvangen.

Artikel 8.41. Tenuitvoerlegging van uitspraken

1.

Een overeenkomstig deze afdeling gedane uitspraak is bindend voor de partijen bij het geschil en ten aanzien van de zaak waarin de uitspraak wordt gedaan.

2.

Onverminderd lid 3 erkent een partij bij het geschil de uitspraak en komt zij deze onverwijld na.

3.

Een partij bij het geschil verzoekt uitsluitend om tenuitvoerlegging van een definitieve uitspraak wanneer:

  • a. in het geval van een definitieve uitspraak uit hoofde van het Icsid-Verdrag:
  • i. een periode van honderdtwintig dagen is verstreken na de datum waarop de uitspraak is gedaan, zonder dat een partij bij het geschil heeft verzocht om herziening of nietigverklaring van de uitspraak; of
  • ii. de tenuitvoerlegging van de uitspraak werd opgeschort en de procedure voor herziening of nietigverklaring van de uitspraak is afgelopen;
  • b. in het geval van een definitieve uitspraak uit hoofde van de Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden, de Uncitral-arbitragevoorschriften of eventuele andere voorschriften die van toepassing zijn ingevolge artikel 8.23, lid 2, onder d):
  • i. een periode van negentig dagen is verstreken na de datum waarop de uitspraak is gedaan, zonder dat een partij bij het geschil een procedure voor de herziening, vernietiging of nietigverklaring van de uitspraak heeft ingeleid; of
  • ii. de tenuitvoerlegging van de uitspraak werd opgeschort en een rechterlijke instantie een verzoek om herziening, vernietiging of nietigverklaring van de uitspraak heeft toe- of afgewezen en hiertegen geen beroep openstaat.
4.

De tenuitvoerlegging van de uitspraak is onderworpen aan de wettelijke regeling betreffende de tenuitvoerlegging van vonnissen of uitspraken die geldt op de plaats waar om de tenuitvoerlegging wordt verzocht.

5.

Een overeenkomstig deze afdeling gedane definitieve uitspraak is een arbitrale uitspraak die voor de toepassing van artikel I van het Verdrag van New York wordt geacht verband te houden met een uit een handelsrechtelijke betrekking of een handelstransactie voortvloeiend geschil.

6.

Voor alle duidelijkheid: wanneer een verzoek is ingediend overeenkomstig artikel 8.23, lid 2, onder a), wordt een overeenkomstig deze afdeling gedane definitieve uitspraak aangemerkt als een uitspraak krachtens hoofdstuk IV, afdeling 6, van het Icsid-Verdrag.

Artikel 8.42. Rol van partijen bij overeenkomst

1.

Een partij bij de overeenkomst mag geen internationale vordering instellen met betrekking tot een overeenkomstig artikel 8.23 ingediend verzoek, tenzij de andere partij bij de overeenkomst de in het geschil gedane uitspraak niet heeft geëerbiedigd of niet is nagekomen.

2.

Lid 1 sluit niet uit dat in verband met een algemeen toepasselijke maatregel een beroep kan worden gedaan op geschillenbeslechting krachtens hoofdstuk negenentwintig (Geschillenbeslechting), ook indien wordt gesteld dat die maatregel deze overeenkomst heeft geschonden met betrekking tot een specifieke investering ten aanzien waarvan een verzoek is ingediend overeenkomstig artikel 8.23; lid 1 laat artikel 8.38 onverlet.

3.

Lid 1 vormt geen beletsel voor informele uitwisselingen die uitsluitend tot doel hebben de beslechting van het geschil te vergemakkelijken.

Artikel 8.43. Voeging

1.

Wanneer in twee of meer overeenkomstig artikel 8.23 afzonderlijk ingediende verzoeken eenzelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die verzoeken uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, kan een partij bij het geschil of kunnen de partijen bij het geschil gezamenlijk op grond van dit artikel verzoeken om de samenstelling van een afzonderlijke formatie van het Gerecht en vragen dat deze formatie een voegingsbeschikking geeft („verzoek om voeging”).

2.

De partij bij het geschil die om voeging verzoekt, zendt eerst een kennisgeving aan de partijen bij het geschil waaraan de voegingsbeschikking gericht zal zijn.

3.

Wanneer de partijen bij het geschil waaraan overeenkomstig lid 2 een kennisgeving is gezonden, overeenstemming hebben bereikt over de voegingsbeschikking waarom moet worden verzocht, kunnen zij een gemeenschappelijk verzoek om de samenstelling van een afzonderlijke formatie van het Gerecht en om een voegingsbeschikking uit hoofde van dit artikel indienen. Wanneer de partijen bij het geschil waaraan overeenkomstig lid 2 een kennisgeving is gezonden, binnen dertig dagen na de datum van de kennisgeving geen overeenstemming hebben bereikt over de voegingsbeschikking waarom moet worden verzocht, kan een van de partijen bij het geschil een verzoek om de samenstelling van een afzonderlijke formatie van het Gerecht en om een voegingsbeschikking uit hoofde van dit artikel indienen.

4.

Het verzoek wordt schriftelijk meegedeeld aan de president van het Gerecht en aan alle partijen bij het geschil waaraan de voegingsbeschikking gericht zal zijn, en in het verzoek wordt het volgende vermeld:

  • a. de naam en het adres van de partijen bij het geschil waaraan de voegingsbeschikking gericht zal zijn;
  • b. de verzoeken, of onderdelen daarvan, waarop de voegingsbeschikking betrekking zal hebben; en
  • c. de gronden voor het verzoek om voeging.
5.

Voor een verzoek om voeging waarbij meer dan één verweerder is betrokken, is de instemming van alle verweerders vereist.

6.

De voorschriften die van toepassing zijn op de in dit artikel bedoelde procedures, worden als volgt vastgesteld:

  • a. wanneer alle verzoeken waarvoor om voeging wordt verzocht, op grond van dezelfde voorschriften overeenkomstig artikel 8.23 zijn ingediend met het oog op geschillenbeslechting, zijn deze voorschriften van toepassing;
  • b. wanneer de verzoeken waarvoor om voeging wordt verzocht, niet op grond van dezelfde voorschriften zijn ingediend met het oog op geschillenbeslechting:
  • i. kunnen de investeerders overeenkomstig artikel 8.23, lid 2, gezamenlijk overeenstemming bereiken over de voorschriften; of
  • ii. indien de investeerders niet binnen dertig dagen nadat de president van het Gerecht het verzoek om voeging heeft ontvangen, overeenstemming bereiken over de toepasselijke voorschriften, zijn de Uncitral-arbitragevoorschriften van toepassing.
7.

De president van het Gerecht stelt, na ontvangst van een verzoek om voeging en in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 8.27, lid 7, een nieuwe formatie van het Gerecht („formatie die uitspraak over de voeging doet”) samen die bevoegd is om, geheel of ten dele, kennis te nemen van alle of een deel van de verzoeken die het voorwerp van het gezamenlijke verzoek om voeging zijn.

8.

Wanneer de formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, na de partijen bij het geschil te hebben gehoord, vaststelt dat in de overeenkomstig artikel 8.23 ingediende verzoeken eenzelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die verzoeken uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, en dat voeging het belang van een eerlijke en doeltreffende afhandeling van de verzoeken zou dienen, kan zij zich, met het oog op de consistentie van de uitspraken, bij beschikking bevoegd verklaren om, geheel of ten dele, kennis te nemen van alle of een deel van de verzoeken.

9.

Wanneer de formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, zich op grond van lid 8 bevoegd heeft verklaard, kan een investeerder die overeenkomstig artikel 8.23 een verzoek heeft ingediend dat niet is gevoegd, het Gerecht schriftelijk verzoeken dat de voegingsbeschikking ook tot hem gericht zal zijn, op voorwaarde dat het verzoek voldoet aan de voorwaarden van lid 4. De formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, geeft een voegingsbeschikking wanneer zij vaststelt dat aan de voorwaarden van lid 8 is voldaan en dat de inwilliging van een dergelijk verzoek de partijen bij het geschil niet onnodig zou belasten of op onbillijke wijze zou benadelen dan wel de procedure niet onnodig zou verstoren. Vóórdat de formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, de voegingsbeschikking geeft, pleegt zij overleg met de partijen bij het geschil.

10.

Op verzoek van een partij bij het geschil kan de op grond van dit artikel samengestelde formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, alvorens haar beschikking krachtens lid 8 te geven, gelasten dat de behandeling door de op grond van artikel 8.27, lid 7, samengestelde formatie van het Gerecht wordt geschorst, tenzij laatstbedoelde formatie van het Gerecht haar zitting reeds heeft verdaagd.

11.

De op grond van artikel 8.27, lid 7, samengestelde formatie van het Gerecht is niet langer bevoegd uitspraak te doen over verzoeken, of onderdelen daarvan, ten aanzien waarvan de op grond van dit artikel samengestelde formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, zich bevoegd heeft verklaard.

12.

De uitspraak van de op grond van dit artikel samengestelde formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, op die verzoeken, of onderdelen daarvan, ten aanzien waarvan zij zich bevoegd heeft verklaard, is bindend voor de op grond van artikel 8.27, lid 7, samengestelde formatie van het Gerecht met betrekking tot die verzoeken, of onderdelen daarvan.

13.

Een investeerder kan een krachtens deze afdeling ingediend verzoek dat in het kader van een voegingsprocedure is behandeld, intrekken; een dergelijk verzoek mag niet opnieuw worden ingediend overeenkomstig artikel 8.23. Indien het verzoek uiterlijk vijftien dagen na ontvangst van de kennisgeving van voeging wordt ingetrokken, vormt de eerdere indiening daarvan geen beletsel voor de investeerder om een beroep te doen op de beslechting van geschillen anders dan uit hoofde van deze afdeling.

14.

Op verzoek van een investeerder kan de formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, alle maatregelen nemen die zij geschikt acht om het vertrouwelijke of beschermde karakter van de informatie van die investeerder ten opzichte van andere investeerders te waarborgen. Die maatregelen kunnen onder meer inhouden dat bewerkte versies van documenten die vertrouwelijke of beschermde informatie bevatten, worden overgelegd aan de andere investeerders, of dat de zitting gedeeltelijk achter gesloten deuren plaatsvindt.

Artikel 8.44. Comité voor diensten en investeringen

1.

Het Comité voor diensten en investeringen biedt de partijen bij de overeenkomst een forum voor het plegen van overleg over kwesties die verband houden met dit hoofdstuk, met inbegrip van:

  • a. de moeilijkheden die zich kunnen voordoen bij de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk;
  • b. de mogelijke verbeteringen van dit hoofdstuk, in het bijzonder in het licht van de opgedane ervaring en de ontwikkelingen in andere internationale fora en in het kader van de andere overeenkomsten die de partijen bij de overeenkomst hebben gesloten.
2.

Het Comité voor diensten en investeringen stelt, na overleg met de partijen bij de overeenkomst en nadat aan hun respectieve interne voorschriften en procedures is voldaan, een gedragscode voor de leden van het Gerecht vast die moet worden toegepast in geschillen die voortvloeien uit dit hoofdstuk, die de toepasselijke regels kan vervangen of aanvullen, en die onder meer betrekking kan hebben op:

  • a. de openbaarmakingsverplichtingen;
  • b. de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de leden van het Gerecht; en
  • c. de vertrouwelijkheid.

De partijen bij de overeenkomst stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat de gedragscode uiterlijk op de eerste dag van de voorlopige toepassing of de inwerkingtreding van deze overeenkomst, naargelang het geval, maar in ieder geval niet later dan twee jaar na die datum wordt vastgesteld.

3.

Het Comité voor diensten en investeringen kan, na overleg met de partijen bij de overeenkomst en nadat aan hun respectieve interne voorschriften en procedures is voldaan:

  • a. het Gemengd Comité voor de CETA aanbevelen uitleggingen van deze overeenkomst te geven als bedoeld in artikel 8.31, lid 3;
  • b. regels ter aanvulling van de toepasselijke regels inzake geschillenbeslechting vaststellen en wijzigen, en de toepasselijke transparantievoorschriften wijzigen. Deze regels en wijzigingen zijn bindend voor het overeenkomstig deze afdeling ingestelde Gerecht;
  • c. voor de partijen bij het geschil bestemde regels voor bemiddeling als bedoeld in artikel 8.20 vaststellen;
  • d. het Gemengd Comité voor de CETA aanbevelen eventuele nieuwe elementen van de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling ingevolge artikel 8.10, lid 3, vast te stellen; en
  • e. aanbevelingen aan het Gemengd Comité voor de CETA doen betreffende de werking van de Beroepsinstantie als bedoeld in artikel 8.28, lid 8.

Artikel 8.45. Uitsluiting

De geschillenbeslechtingsbepalingen van deze afdeling en van hoofdstuk negenentwintig (Geschillenbeslechting) zijn niet van toepassing op de in bijlage 8-C bedoelde aangelegenheden.

HOOFDSTUK NEGEN. GRENSOVERSCHRIJDENDE HANDEL IN DIENSTEN

Artikel 9.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen: alle werkzaamheden aan een uit de dienst genomen luchtvaartuig of een onderdeel daarvan, met uitzondering van het zogenoemde lijnonderhoud;

exploitatie van luchthavens: de exploitatie of het beheer, voor een vast bedrag of op contractbasis, van luchthaveninfrastructuur, met inbegrip van terminals en start- en landingsbanen, taxibanen en platforms, parkeerplaatsen en interne luchthaventransportsystemen. Voor alle duidelijkheid: de exploitatie van luchthavens omvat noch de eigendom van of investeringen in luchthavens of vliegvelden noch de taken van een raad van bestuur. De exploitatie van luchthavens omvat geen luchtvaartnavigatiediensten;

diensten die verband houden met geautomatiseerde boekingssystemen: de dienstverlening door middel van computersystemen die informatie bevatten over dienstregeling, beschikbaarheid, tarieven en tariefvoorwaarden van luchtvaartmaatschappijen, met behulp waarvan boekingen kunnen worden gedaan of vervoerbewijzen uitgegeven;

grensoverschrijdende handel in diensten of grensoverschrijdende dienstverlening: het verlenen van een dienst:

  • a. vanaf het grondgebied van een partij naar het grondgebied van de andere partij; of
  • b. op het grondgebied van een partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst uit de andere partij;

dit omvat niet het verlenen van een dienst op het grondgebied van een partij door een persoon uit de andere partij;

grondafhandelingsdiensten: het verlenen, voor een vast bedrag of op contractbasis, van de volgende diensten: administratieve dienstverlening en toezicht op de grond, met inbegrip van ladingscontrole en communicatie; passagiersafhandeling; bagageafhandeling; vracht- en postafhandeling; platformafhandeling en servicing van luchtvaartuigen; brandstof- en olielevering; lijnonderhoud aan luchtvaartuigen, operationele gronddiensten en administratieve diensten ten behoeve van de bemanning; vervoer op de grond; en catering. Niet tot de grondafhandelingsdiensten behoren beveiligingsdiensten of de exploitatie of het beheer van de gecentraliseerde luchthaveninfrastructuur, zoals bagageafhandelingssystemen, ontijzingsinstallaties, brandstofdistributiesystemen of interne luchthaventransportsystemen;

verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten: de mogelijkheid voor de betrokken luchtvaartmaatschappij haar luchtvervoerdiensten vrij te verkopen en op de markt te brengen, met inbegrip van alle marketingaspecten zoals marktonderzoek, reclame en distributie, maar met uitzondering van de tarifering van luchtvervoerdiensten en de toepasselijke voorwaarden; en

diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag: alle diensten die noch op commerciële basis worden verleend, noch in concurrentie met een of meer dienstverleners.

Artikel 9.2. Toepassingsgebied

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen die van invloed zijn op de grensoverschrijdende handel in diensten door een dienstverlener uit de andere partij, met inbegrip van maatregelen die van invloed zijn op:

  • a. de productie, distributie, marketing, verkoop en levering van een dienst;
  • b. de aankoop van, het gebruik van of de betaling voor een dienst; en
  • c. in samenhang met de verlening van een dienst, de toegang tot en het gebruik van diensten waarvan wordt geëist dat deze algemeen aan het publiek worden aangeboden.
2.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op maatregelen die van invloed zijn op:

  • a. diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;
  • b. wat de Europese Unie betreft, audiovisuele diensten;
  • c. wat Canada betreft, de culturele sector;
  • d. financiële diensten zoals omschreven in artikel 13.1 (Definities);
  • e. luchtdiensten, aanverwante diensten ter ondersteuning van luchtdiensten en andere diensten verleend door middel van luchtvervoer15)Deze diensten omvatten diensten waarbij een luchtvaartuig wordt gebruikt voor gespecialiseerde activiteiten in sectoren zoals landbouw, bouw, fotografie, landmeetkunde, cartografie, bosbouw, observatie en patrouilles of reclame, wanneer de gespecialiseerde activiteit wordt aangeboden door de persoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het luchtvaartuig., anders dan:
  • i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen;
  • ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;
  • iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);
  • iv. grondafhandelingsdiensten;
  • v. exploitatie van luchthavens;
  • f. opdrachten van een partij betreffende goederen of diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of gebruik bij de levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop, ongeacht of die opdrachten „onder dit hoofdstuk vallende opdrachten” zijn in de zin van artikel 19.2, lid 2 (Toepassingsgebied); of
  • g. subsidies of andere overheidssteun in verband met de grensoverschrijdende handel in diensten, verleend door een partij.
3.

Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de partijen in het kader van de Luchtvervoersovereenkomst tussen Canada en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, gedaan te Brussel op 17 december 2009 en te Ottawa op 18 december 2009.

4.

Dit hoofdstuk legt een partij geen verplichting op ten aanzien van onderdanen van de andere partij die op haar grondgebied toegang tot haar arbeidsmarkt of werk op permanente basis trachten te verkrijgen, en verleent die onderdanen evenmin enig recht met betrekking tot die toegang of dat werk.

Artikel 9.3. Nationale behandeling

1.

Elke partij behandelt de dienstverleners en diensten uit de andere partij in vergelijkbare situaties niet minder gunstig dan haar eigen dienstverleners en diensten.

2.

Voor alle duidelijkheid: de behandeling die door een partij overeenkomstig lid 1 wordt toegekend, betekent voor een overheid in Canada anders dan op federaal niveau, of voor een overheid van of in een lidstaat van de Europese Unie, een behandeling die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die door die overheid in vergelijkbare situaties aan haar eigen dienstverleners en voor haar eigen diensten wordt toegekend.

Artikel 9.4. Formele vereisten

Artikel 9.3 belet een partij niet om maatregelen vast te stellen of te handhaven waarbij met betrekking tot de verlening van een dienst formele vereisten worden gesteld, mits deze vereisten niet zodanig worden toegepast dat zij een middel vormen tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie. Deze maatregelen omvatten vereisten:

  • a. inzake het verkrijgen van een vergunning, registratie, certificering of toestemming om een dienst te leveren, of inzake lidmaatschap in het kader van een bepaald beroep, zoals het lidmaatschap van een beroepsorganisatie of deelname aan collectieve waarborgfondsen voor de leden van beroepsorganisaties;
  • b. inzake het beschikken door een dienstverlener over een lokale agent voor dienstverlening of een plaatselijk adres;
  • c. inzake het beheersen van een nationale taal of het in bezit zijn van een rijbewijs; of
  • d. inzake het door een dienstverlener:
  • i. betalen van een borgsom of stellen van een andere vorm van financiële zekerheid;
  • ii. opzetten van of bijdragen aan een trustrekening;
  • iii. aanhouden van een bepaalde soort verzekering en een bepaald verzekerd bedrag;
  • iv. bieden van andere soortgelijke garanties; of
  • v. bieden van toegang tot gegevens.

Artikel 9.5. Meestbegunstigingsbehandeling

1.

Elke partij behandelt de dienstverleners en diensten uit de andere partij in vergelijkbare situaties niet minder gunstig dan de dienstverleners en diensten uit een derde land.

2.

Voor alle duidelijkheid: de behandeling die door een partij overeenkomstig lid 1 wordt toegekend, betekent voor een overheid in Canada anders dan op federaal niveau, of voor een overheid van of in een lidstaat van de Europese Unie, de behandeling die in vergelijkbare situaties door die overheid op haar grondgebied aan de dienstverleners of voor diensten uit een derde land wordt toegekend.

3.

Lid 1 is niet van toepassing op behandelingen die door een partij uit hoofde van een bestaande of toekomstige erkenningsmaatregel worden toegekend, onder meer door middel van regelingen of overeenkomsten met derde landen, waardoor de accreditatie van diensten in verband met beproeving en analyse, reparatie en onderhoud en de desbetreffende dienstverleners, alsmede de certificering van de kwalificaties van de betreffende geaccrediteerde dienstverleners, de door hen verrichte werkzaamheden en de met deze geaccrediteerde diensten bereikte resultaten worden erkend.

Artikel 9.6. Markttoegang

Een partij mag inzake haar volledige grondgebied of inzake haar grondgebied op nationaal, provinciaal, territoriaal, regionaal of lokaal overheidsniveau geen maatregel vaststellen of handhaven waarbij beperkingen worden opgelegd inzake:

  • a. het aantal dienstverleners, ongeacht of dit geschiedt in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;
  • b. de totale waarde van dienstentransacties of activa, in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; of
  • c. het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de output aan diensten uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.

Artikel 9.7. Voorbehouden

1.

De artikelen 9.3, 9.5 en 9.6 zijn niet van toepassing op:

  • a. bestaande niet-conforme maatregelen die door een partij worden gehandhaafd op het niveau van:
  • i. de Europese Unie, als opgenomen in haar lijst in bijlage I;
  • ii. een nationale overheid, als opgenomen door die partij in haar lijst in bijlage I;
  • iii. een provinciale, territoriale of regionale overheid, als opgenomen door die partij in haar lijst in bijlage I; of
  • iv. een lagere overheid;
  • b. de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a); of
  • c. een wijziging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a), voor zover de wijziging de maatregelen zoals deze onmiddellijk voor de wijziging bestonden, niet minder conform maakt met de artikelen 9.3, 9.5 en 9.6.
2.

De artikelen 9.3, 9.5 en 9.6 zijn niet van toepassing op maatregelen die een partij voor een sector, subsector of activiteit overeenkomstig haar lijst in bijlage II vaststelt of handhaaft.

Artikel 9.8. Weigering toekenning voordelen

Een partij kan weigeren de voordelen van dit hoofdstuk toe te kennen aan een dienstverlener uit de andere partij die een onderneming is van deze partij en aan diensten van die dienstverlener indien:

  • a. een dienstverlener uit een derde land eigenaar is van of zeggenschap heeft over de onderneming; en
  • b. de weigerende partij ten aanzien van het derde land een maatregel vaststelt of handhaaft die:
  • i. betrekking heeft op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid; en
  • ii. transacties met de onderneming verbiedt of die geschonden dan wel omzeild zou worden indien de voordelen van dit hoofdstuk aan de onderneming zouden worden verleend.

HOOFDSTUK TIEN. TIJDELIJKE TOELATING EN TIJDELIJK VERBLIJF VAN NATUURLIJKE PERSONEN VOOR ZAKELIJKE DOELEINDEN

Artikel 10.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

dienstverleners op contractbasis: natuurlijke personen in dienst bij een onderneming uit een partij die geen vestiging op het grondgebied van de andere partij heeft en die een bonafide contract (anders dan door een agentschap zoals gedefinieerd in de CPC 872) voor de verlening van diensten aan een verbruiker in de andere partij heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van haar werknemers op het grondgebied van de andere partij voor de uitvoering van het dienstverleningscontract vereist is;

onderneming: een „onderneming” zoals omschreven in artikel 8.1 (Definities);

beoefenaars van een vrij beroep: natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een partij zijn gevestigd, geen vestiging op het grondgebied van de andere partij hebben en een bonafide contract (anders dan door een agentschap zoals gedefinieerd in de CPC 872) voor de verlening van diensten aan een verbruiker in laatstgenoemde partij hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid op het grondgebied van de andere partij voor de uitvoering van het dienstverleningscontract vereist is;

stafpersoneel: zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden, investeerders en binnen de onderneming overgeplaatste personen:

  • a. zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden: natuurlijke personen met een leidinggevende of specialistische functie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een onderneming, maar die geen directe transacties met het publiek verrichten en evenmin een beloning uit een bron op het grondgebied van de gastpartij ontvangen;
  • b. investeerders: natuurlijke personen die belast zijn met de vestiging, ontwikkeling of het beheer van een investering in een toezichthoudende of uitvoerende hoedanigheid, en ten aanzien waarvan deze personen of de onderneming die deze personen tewerkstelt, een aanzienlijk bedrag aan kapitaal hebben toegezegd of aan het toezeggen zijn; en
  • c. binnen de onderneming overgeplaatste personen: natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst van of partner van een onderneming uit een partij zijn en die tijdelijk worden overgeplaatst naar een onderneming (die een dochteronderneming, filiaal of moederonderneming van de onderneming uit een partij kan zijn) op het grondgebied van de andere partij. De betrokken natuurlijke persoon moet behoren tot een van de volgende categorieën:
  • i. leidinggevend personeel: natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming die:
  • A. in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de onderneming of leiding geven aan de onderneming, dan wel aan een afdeling of onderafdeling daarvan; en
  • B. een ruime beoordelingsmarge hebben bij de besluitvorming, waaronder eventueel de bevoegdheid om persoonlijk werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid te nemen (zoals toestemming voor bevorderingen of verloven), en
  • I. slechts zijn onderworpen aan algemeen toezicht of instructies van, in hoofdzaak, hogere leidinggevenden, de raad van bestuur of de aandeelhouders van de onderneming of daarmee gelijkgestelde personen; of
  • II. toezicht houden op het werk van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers dat zij ook controleren, en discretionaire bevoegdheid uitoefenen ten aanzien van de dagelijkse werkzaamheden; of
  • ii. specialisten: natuurlijke personen die werkzaam zijn in een onderneming en die beschikken over: Bij de beoordeling van dergelijke deskundigheid of kennis nemen de partijen de vaardigheden in aanmerking die ongebruikelijk zijn en verschillen van die welke over het algemeen in een bepaalde bedrijfstak voorhanden zijn, en die op korte termijn niet gemakkelijk kunnen worden overgedragen aan een andere natuurlijke persoon. Deze vaardigheden kunnen zijn verkregen via specifieke academische kwalificaties of uitgebreide ervaring in de onderneming; of
  • A. bijzondere kennis van de producten of diensten van de onderneming en de toepassing ervan op de internationale markten; of
  • B. een hoge mate van deskundigheid of kennis van de processen en procedures van de onderneming zoals de productie, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden of het management ervan.
  • iii. afgestudeerde stagiairs: natuurlijke personen die:
  • A. een universitaire graad hebben behaald; en
  • B. tijdelijk worden overgeplaatst naar een onderneming op het grondgebied van de andere partij, met het oog op loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfskundige technieken of methoden; en onder

natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden: stafpersoneel, dienstverleners op contractbasis, beoefenaars van een vrij beroep of zakelijke bezoekers voor een kort verblijf die onderdaan zijn van een partij.

Artikel 10.2. Doelstellingen en toepassingsgebied

1.

Dit hoofdstuk weerspiegelt de preferentiële handelsbetrekkingen tussen de partijen alsmede het wederzijdse streven naar vergemakkelijking van de handel in diensten en investeringen door tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden en door zorg te dragen voor transparantie in het proces.

2.

Dit hoofdstuk is van toepassing op door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen inzake tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf op haar grondgebied van stafpersoneel, dienstverleners op contractbasis, beoefenaars van een vrij beroep en zakelijke bezoekers voor een kort verblijf. Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

3.

Niets in dit hoofdstuk belet een partij maatregelen toe te passen ter regulering van de toelating van natuurlijke personen tot of hun tijdelijke verblijf op haar grondgebied, waaronder maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van, en het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, al mogen deze maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die een partij op grond van dit hoofdstuk toekomen, daardoor teniet worden gedaan of uitgehold. Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor die uit andere landen geen visum vereist is, wordt niet geacht voordelen op grond van dit hoofdstuk teniet te doen of uit te hollen.

4.

Voor zover in dit hoofdstuk geen verbintenissen worden aangegaan, blijven alle andere voorschriften van de wet- en regelgeving van de partijen inzake toelating en verblijf van toepassing, met inbegrip van de voorschriften inzake de duur van een verblijf.

5.

Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk blijven alle vereisten van de wet- en regelgeving van de partijen inzake werkgelegenheid en socialezekerheidsmaatregelen van toepassing, met inbegrip van de voorschriften inzake minimumlonen en collectieve arbeidsovereenkomsten.

6.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing in gevallen waarin het de bedoeling of het gevolg van de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf is om in te grijpen in of anderszins het resultaat te beïnvloeden van een arbeids- of managementgeschil of -onderhandeling, of waarin het de tewerkstelling betreft van natuurlijke personen die bij dergelijke geschillen of onderhandelingen betrokken zijn.

Artikel 10.3. Algemene verplichtingen

1.

Elke partij staat de tijdelijke toelating van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden uit de andere partij toe, indien zij voor het overige de immigratiemaatregelen van die partij die op tijdelijke toelating van toepassing zijn overeenkomstig dit hoofdstuk naleven.

2.

Elke partij past haar maatregelen in verband met dit hoofdstuk overeenkomstig artikel 10.2, lid 1, toe, en met name zodanig dat onnodige belemmering of vertraging van de handel in goederen of diensten of van investeringsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst wordt voorkomen.

3.

Elke partij ziet erop toe dat vergoedingen voor de verwerking van verzoeken om tijdelijke toelating redelijk zijn en in verhouding staan tot de gemaakte kosten.

Artikel 10.4. Informatieverstrekking

1.

Gelet op hoofdstuk zevenentwintig (Transparantie), en zich bewust van het belang voor de partijen van transparantie van informatie over tijdelijke toelating, stelt elke partij, uiterlijk honderdtachtig dagen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, aan de andere partij toelichtend materiaal over de voorschriften voor tijdelijke toelating in het kader van dit hoofdstuk ter beschikking, waarmee zakenmensen uit de andere partij zich van die voorschriften op de hoogte kunnen stellen.

2.

Indien een partij in het kader van dit hoofdstuk gegevens verzamelt en bijhoudt met betrekking tot de tijdelijke toelating per categorie zakenmensen, stelt zij deze gegevens desgevraagd beschikbaar aan de andere partij, in overeenstemming met haar interne recht op het gebied van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming.

Artikel 10.5. Contactpunten

1.

De partijen stellen hierbij de volgende contactpunten in:

  • a. voor Canada: Director Temporary Resident Policy Immigration Branch Citizenship and Immigration Canada
  • b. voor de Europese Unie: Directeur-generaal Directoraat-generaal Handel Europese Commissie
  • c. voor de lidstaten van de Europese Unie: de contactpunten die worden vermeld in bijlage 10-A of de respectieve opvolgers daarvan.
2.

De contactpunten voor Canada en de Europese Unie, en indien van toepassing de contactpunten voor de lidstaten van de Europese Unie, wisselen de informatie uit hoofde van artikel 10.4 uit, en komen zo dikwijls als noodzakelijk is bijeen om over met dit hoofdstuk verband houdende aangelegenheden te spreken, zoals:

  • a. de uitvoering en het beheer met betrekking tot de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van de praktijken van de partijen inzake tijdelijke toelating;
  • b. de ontwikkeling en vaststelling van gemeenschappelijke criteria alsmede uitlegging voor de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk;
  • c. de ontwikkeling van maatregelen ter verdere vergemakkelijking van de tijdelijke toelating van zakenmensen; en
  • d. aanbevelingen aan het Gemengd Comité voor de CETA in het kader van dit hoofdstuk.

Artikel 10.6. Verplichtingen in andere hoofdstukken

1.

Deze overeenkomst legt aan partijen geen verplichting met betrekking tot haar immigratiemaatregelen op, tenzij in dit hoofdstuk en in hoofdstuk zevenentwintig (Transparantie) specifiek aangegeven.

2.

Zonder afbreuk te doen aan besluiten tot tijdelijke toelating van natuurlijke personen uit de andere partij overeenkomstig dit hoofdstuk, de toegestane duur van het verblijf op grond van een dergelijke toelating daaronder begrepen, geldt het volgende:

  • a. de artikelen 9.3 (Nationale behandeling) en 9.6 (Markttoegang), onverminderd de artikelen 9.4 (Formele vereisten) en 9.2 (Toepassingsgebied) met uitzondering van artikel 9.2, lid 2, onder d), worden opgenomen in dit hoofdstuk en maken hiervan deel uit en zijn van toepassing op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich op het grondgebied van de andere partij bevinden in de volgende categorieën:
  • i. stafpersoneel; en
  • ii. dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep, zoals omschreven in artikel 10.1, voor alle sectoren vermeld in bijlage 10-E; en
  • b. artikel 9.5 (Meestbegunstigingsbehandeling), onverminderd de artikelen 9.4 (Formele vereisten) en 9.2 (Toepassingsgebied) met uitzondering van artikel 9.2, lid 2, onder d), wordt opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk en is van toepassing op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich op het grondgebied van de andere partij bevinden in de volgende categorieën:
  • i. stafpersoneel, dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep; en
  • ii. zakelijke bezoekers voor een kort verblijf, zoals aangegeven in artikel 10.9.
3.

Voor alle duidelijkheid: lid 2 is van toepassing op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich op het grondgebied van de andere partij bevinden en binnen de betrokken categorieën vallen, en die financiële diensten verlenen zoals omschreven in artikel 13.1 (Definities) van hoofdstuk dertien (Financiële diensten). Lid 2 is niet van toepassing op maatregelen inzake toestemming voor tijdelijke toelating aan natuurlijke personen uit een partij of uit een derde land.

4.

Indien een partij een voorbehoud heeft opgenomen in de lijst van die partij in bijlage I, II of III, vormt het voorbehoud ook een voorbehoud ten aanzien van lid 2, in zoverre de in het voorbehoud aangegeven of toegestane maatregel van invloed is op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich op het grondgebied van de andere partij bevinden.

Artikel 10.7. Stafpersoneel

1.

Elke partij staat de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf van stafpersoneel uit de andere partij toe, met inachtneming van de voorbehouden en uitzonderingen als vermeld in bijlage 10-B.

2.

Elke partij onthoudt zich ervan om ten aanzien van het totale aantal leden van het stafpersoneel uit de andere partij waarvoor tijdelijke toelating wordt toegestaan, beperkingen in de vorm van kwantitatieve beperkingen of van een onderzoek naar de economische behoefte in te stellen of in stand te houden.

3.

Elke partij staat de tijdelijke toelating van zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden toe, zonder dat hiervoor een werkvergunning of het doorlopen van een andere procedure van soortgelijke strekking voor het verkrijgen van toestemming vooraf, verplicht wordt gesteld.

4.

Elke partij verleent toestemming voor de tijdelijke tewerkstelling op haar grondgebied van binnen een onderneming overgeplaatste personen en investeerders uit de andere partij.

5.

De toegestane duur van het verblijf van stafpersoneel is als volgt:

  • a. binnen de onderneming overgeplaatste personen (specialisten en leidinggevend personeel): voor de duur van drie jaar of van de looptijd van het contract, als deze korter is, met een mogelijke verlenging van maximaal 18 maanden naar keuze van de partij die de toestemming voor tijdelijke toelating en tijdelijk verblijf verleent16)De duur van het in het kader van dit hoofdstuk toegestane verblijf mag niet in aanmerking worden genomen in de context van een aanvraag om onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie te worden.;
  • b. binnen de onderneming overgeplaatste personen (afgestudeerde stagiairs): voor de duur van een jaar of de duur van het contract, indien de looptijd daarvan korter is;
  • c. investeerders: één jaar, met mogelijkheid van verlenging naar keuze van de partij die de toestemming voor de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf verleent;
  • d. zakelijke bezoekers voor investeringsdoeleinden: negentig dagen per zes maanden17)Dit doet geen afbreuk aan de rechten die aan Canada worden toegekend op grond van bilaterale visumvrijstellingen door lidstaten van de Europese Unie..

Artikel 10.8. Dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep

1.

Overeenkomstig bijlage 10-E staat elke partij de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf toe van dienstverleners op contractbasis uit de andere partij, onder de volgende voorwaarden:

  • a. de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als werknemer van een onderneming die een dienstencontract heeft gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden. Indien het dienstencontract een looptijd heeft van meer dan twaalf maanden, dan zijn de verbintenissen van dit hoofdstuk alleen van toepassing gedurende de eerste twaalf maanden van het contract;
  • b. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten direct voorafgaand aan de datum waarop het verzoek om toegang tot dat grondgebied wordt ingediend, bedoelde diensten al ten minste een jaar lang als werknemer van de onderneming die de diensten verleent, hebben verricht; bovendien moeten zij op die datum al ten minste drie jaar beroepservaring18)De beroepservaring moet zijn verkregen na het bereiken van de meerderjarigheid. hebben in de activiteitensector waarop het contract betrekking heeft;
  • c. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten hebben behaald of in het bezit zijn van:
  • i. een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis op een gelijkwaardig niveau blijkt;19)Wanneer de graad of de kwalificatie niet is verkregen in de partij waar de dienst wordt verleend, kan die partij beoordelen of deze gelijkwaardig is aan een op haar grondgebied vereiste universitaire graad. De partijen passen bijlage 10-C, onverminderd de voorbehouden in bijlage 10-E, toe bij de beoordeling of er sprake is van dergelijke gelijkwaardigheid. en
  • ii. de beroepskwalificaties die de wet- of regelgeving van de partij waar de dienst wordt verleend eventueel voorschrijft voor het uitoefenen van de desbetreffende activiteit;
  • d. de natuurlijke personen ontvangen geen andere beloning voor het verlenen van diensten dan die welke wordt betaald door de onderneming waarvoor zij als dienstverleners op contractbasis gedurende hun verblijf op het grondgebied van de andere partij werken;
  • e. de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf waarvoor krachtens dit artikel toestemming is verleend, hebben enkel betrekking op het verrichten van een dienst die het voorwerp is van het contract. Het recht gebruik te maken van de beroepstitel van de partij waar de dienst wordt verleend kan worden toegekend, zoals voorgeschreven, door de bevoegde autoriteit, zoals omschreven in artikel 11.1 (Definities), door middel van een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning („MRA”) of anderszins; en
  • f. het dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en andere juridische vereisten van de partij waar het contract wordt uitgevoerd.20)Voor alle duidelijkheid: de natuurlijke persoon moet door de onderneming tewerk zijn gesteld voor de nakoming van het dienstencontract op grond waarvan tijdelijke toelating wordt aangevraagd.
2.

Overeenkomstig bijlage 10-E staat elke partij de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf toe van beoefenaars van een vrij beroep uit de andere partij, onder de volgende voorwaarden:

  • a. de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk arbeidsprestaties leveren als op het grondgebied van de andere partij gevestigde zelfstandige, en een dienstencontract hebben gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden. Indien het dienstencontract een looptijd heeft van meer dan twaalf maanden, dan zijn de verbintenissen van dit hoofdstuk alleen van toepassing gedurende de eerste twaalf maanden van het contract;
  • b. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten op de datum van indiening van een verzoek om toegang tot dat grondgebied ten minste zes jaar beroepservaring hebben in de activiteitensector waarop het contract betrekking heeft;
  • c. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten hebben behaald of in het bezit zijn van:
  • i. een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis op een gelijkwaardig niveau blijkt;21)Wanneer de graad of de kwalificatie niet is verkregen in de partij waar de dienst wordt verleend, kan die partij beoordelen of deze gelijkwaardig is aan een op haar grondgebied vereiste universitaire graad. De partijen passen bijlage 10-C, onverminderd de voorbehouden in bijlage 10-E, toe bij de beoordeling of er sprake is van dergelijke gelijkwaardigheid. en
  • ii. de beroepskwalificaties die de wet- of regelgeving van de partij waar de dienst wordt verleend eventueel voorschrijft voor het verlenen van de desbetreffende activiteit;
  • d. de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf waarvoor krachtens dit artikel toestemming is verleend, hebben enkel betrekking op het verlenen van een dienst die het voorwerp is van het contract. Het recht gebruik te maken van de beroepstitel van de partij waar de dienst wordt verleend kan worden toegekend, zoals voorgeschreven, door de bevoegde autoriteit, zoals omschreven in artikel 11.1 (Definities), door middel van een MRA of anderszins; en
  • e. het dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en andere juridische vereisten van de partij waar het contract wordt uitgevoerd.
3.

Tenzij anders aangegeven in bijlage 10-E, onthoudt elke partij zich ervan om ten aanzien van het totale aantal dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep aan wie tijdelijke toelating wordt toegestaan, beperkingen in de vorm van kwantitatieve beperkingen of van een onderzoek naar de economische behoefte in te stellen of in stand te houden.

4.

De duur van het verblijf van dienstverleners op contractbasis of beoefenaars van een vrij beroep bedraagt cumulatief niet meer dan 12 maanden, met mogelijkheid van verlenging naar keuze van de partij, binnen een periode van 24 maanden dan wel voor de duur van het contract indien dit een kortere looptijd heeft.

Artikel 10.9. Zakelijke bezoekers voor een kort verblijf

1.

In overeenstemming met bijlage 10-B verleent een partij toestemming voor de tijdelijke toelating en het tijdelijke verblijf van zakelijke bezoekers voor een kort verblijf uit de andere partij, voor het verrichten van de in bijlage 10-D vermelde activiteiten, op voorwaarde dat de zakelijke bezoekers voor een kort verblijf:

  • a. zich niet bezighouden met de verkoop van een goed of een dienst aan het grote publiek;
  • b. niet op eigen naam een beloning ontvangen van een bron binnen de partij waarin de zakelijke bezoekers voor een kort verblijf tijdelijk verblijven; en
  • c. zich niet bezighouden met dienstverlening in het kader van een contract dat is gesloten tussen enerzijds een onderneming zonder commerciële aanwezigheid op het grondgebied van de partij waarin de zakelijke bezoekers voor een kort verblijf zich tijdelijk bevinden, en anderzijds een consument op dat grondgebied, behoudens als voorzien in bijlage 10-D.
2.

Elke partij staat de tijdelijke toelating van zakelijke bezoekers voor een kort verblijf toe, zonder dat hiervoor een werkvergunning of het doorlopen van andere procedures van soortgelijke strekking voor het verkrijgen van toestemming vooraf, verplicht worden gesteld.

3.

De maximale duur van het verblijf van zakelijke bezoekers voor een kort verblijf is negentig dagen per zes maanden.22)Dit doet geen afbreuk aan de rechten uit hoofde van bilaterale visumvrijstellingen door lidstaten van de Europese Unie.

Artikel 10.10. Evaluatie van verbintenissen

De partijen overwegen binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst hun respectieve verbintenissen in het kader van de artikelen 10.7 tot en met 10.9 te actualiseren.

HOOFDSTUK ELF. WEDERZIJDSE ERKENNING VAN BEROEPSKWALIFICATIES

Artikel 11.1. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

jurisdictie: het grondgebied van Canada en elk van zijn provincies en territoria, of het grondgebied van elk van de lidstaten van de Europese Unie, voor zover deze overeenkomst in deze gebieden overeenkomstig artikel 1.3 (Geografisch toepassingsgebied) van toepassing is;

onderhandelende entiteit: een persoon of instantie van een partij die bevoegd of gemachtigd is om te onderhandelen over een overeenkomst inzake de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties („MRA”);

beroepservaring: daadwerkelijke en rechtmatige praktijkervaring in dienstverlening;

beroepskwalificaties: kwalificaties gestaafd door een bewijs van formele kwalificaties en/of beroepservaring;

bevoegde autoriteit: een autoriteit of instantie die uit hoofde van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen is aangewezen om kwalificaties te erkennen en toestemming te verlenen voor de uitoefening van een beroep binnen een jurisdictie; en

gereglementeerd beroep: een dienst waarvan de uitoefening, met inbegrip van het voeren van een titel of benaming, aan het hebben van bepaalde kwalificaties is onderworpen uit hoofde van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

Artikel 11.2. Doelstellingen en toepassingsgebied

1.

Dit hoofdstuk stelt een kader vast voor het bevorderen van een billijke, transparante en samenhangende regeling inzake de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties door de partijen en legt de algemene voorwaarden neer voor het onderhandelen over MRA's.

2.

Dit hoofdstuk is van toepassing op beroepen die gereglementeerd zijn in elke partij, met inbegrip van alle of sommige lidstaten van de Europese Unie en alle of sommige provincies en territoria van Canada.

3.

Een partij gaat niet tot erkenning over op een wijze die bij de toepassing van haar criteria voor het verlenen van toestemming, of het afgeven van vergunningen of certificaten aan dienstverleners een middel tot discriminatie zou vormen, dan wel een verkapte beperking van de handel in diensten.

4.

Een MRA overeenkomstig dit hoofdstuk is van toepassing op het hele grondgebied van de Europese Unie en Canada.

Artikel 11.3. Onderhandelingen over een MRA

1.

Elke partij moedigt haar bevoegde autoriteiten of beroepsorganisaties in voorkomend geval aan om gezamenlijke aanbevelingen met betrekking tot voorgestelde MRA's te formuleren en deze voor te leggen aan het Gemengd Comité betreffende wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties („MRA-Comité”), dat is ingesteld bij artikel 26.2, lid 1, onder b).

2.

Een aanbeveling bevat een beoordeling van de potentiële waarde van de MRA, op basis van criteria als het bestaande niveau van openstelling van de markt, de behoeften van de bedrijfstak en commerciële mogelijkheden, bijvoorbeeld in termen van het aantal beroepsbeoefenaren die voordeel kunnen hebben van de MRA, het bestaan van andere MRA's voor de sector en van verwachte voordelen op het vlak van economische ontwikkeling en toekomstige bedrijvigheid. Daarnaast omvat een aanbeveling een beoordeling van de verenigbaarheid van de vergunnings- of kwalificatieregelingen van de partijen en van de beoogde aanpak voor de onderhandelingen over een MRA.

3.

Het MRA-Comité beoordeelt de aanbeveling binnen een redelijke termijn, waarbij moet worden gewaarborgd dat de aanbeveling niet tegen de vereisten van dit hoofdstuk indruist. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, neemt het MRA-Comité de nodige maatregelen om tot onderhandelingen te komen en stelt elke partij haar respectieve bevoegde autoriteiten op de hoogte van deze maatregelen.

4.

De onderhandelende entiteiten moeten vervolgens de onderhandelingen voeren en aan het MRA-Comité een ontwerp-MRA voorleggen.

5.

Het MRA-Comité beoordeelt vervolgens de ontwerp-MRA teneinde te waarborgen dat deze niet tegen de onderhavige overeenkomst indruist.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)