Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2016-10-30
State In force
Source BWB
artikelen 370
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • b. vertrouwen op te bouwen, wederzijds begrip van de regelgevingsaanpak te verbeteren en onderling expertise en inzichten uit te wisselen om:
  • i. de planning en ontwikkeling van regelgevingsvoorstellen te verbeteren;
  • ii. de transparantie en voorspelbaarheid bij de ontwikkeling en vaststelling van voorschriften te bevorderen;
  • iii. de doeltreffendheid van voorschriften te verbeteren;
  • iv. alternatieve instrumenten in kaart te brengen;
  • v. de effecten van voorschriften in kaart te brengen;
  • vi. onnodige verschillen in regelgeving te vermijden; en
  • vii. de uitvoering en naleving van regelgeving te verbeteren;
  • c. de bilaterale handel en investeringen te vergemakkelijken op een wijze die:
  • i. op bestaande regelingen voor samenwerking voortbouwt;
  • ii. onnodige verschillen in regelgeving vermindert; en
  • iii. nieuwe manieren van samenwerking in specifieke sectoren in kaart brengt;
  • d. bij te dragen aan versterking van het concurrentievermogen en efficiëntie van de industrie op een wijze die:
  • i. administratieve kosten waar mogelijk zo laag mogelijk houdt;
  • ii. herhaling van voorschriften en de daaruit voortvloeiende nalevingskosten waar mogelijk tegengaat; en
  • iii. waar mogelijk en passend met elkaar verenigbare benaderingen van regelgeving nastreeft, door:
  • A. regelgevingsvraagstukken technologisch neutraal te benaderen; en
  • B. gelijkwaardigheid te erkennen of onderlinge afstemming te bevorderen.

Artikel 21.4. Samenwerking op regelgevingsgebied

De partijen streven ernaar de in artikel 21.3 genoemde doelstellingen te verwezenlijken door op regelgevingsgebied samen te werken, hetgeen kan omvatten dat zij:

  • a. zich inzetten voor lopende bilaterale besprekingen over de regelgeving, onder meer om:
  • i. hervorming van regelgeving en de gevolgen daarvan voor de betrekkingen tussen de partijen te bespreken;
  • ii. geleerde lessen in kaart te brengen;
  • iii. indien passend te kijken naar alternatieve benaderingen voor regelgeving; en
  • iv. ervaringen met betrekking tot regelgevingsinstrumenten uit te wisselen, waaronder effect- en risicobeoordelingen alsmede nalevings- en handhavingsstrategieën met betrekking tot regelgeving;
  • b. indien passend overleg met elkaar plegen en informatie uitwisselen gedurende het ontwikkelen van regelgeving. Met dit overleg en deze uitwisseling wordt zo vroeg mogelijk in dat proces begonnen;
  • c. niet-openbare informatie delen voor zover deze beschikbaar kan worden gesteld aan buitenlandse overheden in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften van de partij die de informatie verstrekt;
  • d. kennisgeven van voorgenomen technische, sanitaire of fytosanitaire voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de handel met de andere partij in een zo vroeg mogelijk stadium, zodat opmerkingen en voorstellen voor wijzigingen in aanmerking kunnen worden genomen;
  • e. op verzoek van de andere partij een kopie van de voorgestelde regelgeving verstrekken, met inachtneming van het toepasselijke recht inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en de belanghebbenden voldoende tijd laten om schriftelijk opmerkingen in te dienen;
  • f. informatie inzake voorgenomen regelgevend optreden, maatregelen of wijzigingen waarover wordt gedacht, uitwisselen in een zo vroeg mogelijk stadium teneinde:
  • i. de grondslag achter de regelgevingskeuzes van een partij te begrijpen, met inbegrip van de keuze van het instrument, en de mogelijkheden voor meer afstemming tussen de partijen te onderzoeken inzake de formulering van doelstellingen van voorschriften en de vaststelling van het toepassingsgebied ervan. De partijen buigen zich tevens over het raakvlak tussen voorschriften, normen en conformiteitsbeoordeling in dit verband; en
  • ii. de methoden en aannamen te vergelijken die zijn gehanteerd voor de analyse van regelgevingsvoorstellen, in voorkomend geval met inbegrip van een analyse van de technische of economische haalbaarheid en de voordelen ten opzichte van het nagestreefde doel, met betrekking tot alle belangrijke overwogen alternatieve voorschriften of regelgevingsbenaderingen. Deze uitwisseling van informatie kan tevens nalevingsstrategieën en effectbeoordelingen omvatten, met inbegrip van een vergelijking van de mogelijke kosteneffectiviteit van de voorgestelde regelgeving met die van belangrijke overwogen alternatieve voorschriften of regelgevingsbenaderingen;
  • g. de mogelijkheden onderzoeken om onnodige verschillen in regelgeving tot een minimum te beperken, onder meer door:
  • i. een gelijktijdige of gezamenlijke risicobeoordeling en effectbeoordeling van de regelgeving uit te voeren indien dat haalbaar is en beide partijen tot voordeel strekt;
  • ii. tot een geharmoniseerde, gelijkwaardige of verenigbare oplossing te komen; of
  • iii. in specifieke gevallen wederzijdse erkenning te overwegen;
  • h. samenwerken bij kwesties die betrekking hebben op de ontwikkeling, de aanneming, de uitvoering en de handhaving van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen;
  • i. de wenselijkheid en de mogelijkheid onderzoeken om dezelfde of soortgelijke gegevens te verzamelen over de aard, omvang en frequentie van problemen die potentieel kunnen leiden tot regelgevend optreden wanneer dit het maken van statistisch significante beoordelingen met betrekking tot die problemen zou bespoedigen;
  • j. periodiek hun praktijken op het gebied van gegevensverzameling met elkaar vergelijken;
  • k. onderzoeken of het wenselijk en mogelijk is dezelfde of vergelijkbare uitgangspunten en methoden als die van de andere partij te gebruiken bij het analyseren van gegevens en het uitmaken van welke onderliggende problemen met regelgeving moeten worden aangepakt, teneinde:
  • i. verschillen bij het in kaart brengen van problemen te verminderen; en
  • ii. vergelijkbare resultaten te bevorderen;
  • l. periodiek analytische uitgangspunten en methoden vergelijken;
  • m. informatie uitwisselen over het beheer, de uitvoering en handhaving van regelgeving, alsmede over de middelen om naleving te bewerkstelligen en te meten in hoeverre er van naleving daadwerkelijk sprake is;
  • n. agenda's voor gezamenlijk onderzoek opstellen teneinde:
  • i. dubbel onderzoek te verminderen;
  • ii. meer gegevens te verzamelen tegen lagere kosten;
  • iii. de beste gegevens te verzamelen;
  • iv. waar passend een gemeenschappelijke wetenschappelijke basis vast te stellen;
  • v. de meest urgente problemen met betrekking tot de regelgeving op een meer consistente en prestatiegerichte wijze aan te pakken; en
  • vi. onnodige verschillen in nieuwe regelgevingsvoorstellen te minimaliseren, en daarbij de bescherming van de gezondheid, veiligheid en het milieu op effectievere wijze te verbeteren;
  • o. evaluaties achteraf van de uitvoering van regelgeving of beleid verrichten;
  • p. methoden en uitgangspunten vergelijken die bij die evaluaties achteraf van de uitvoering van regelgeving of beleid zijn gehanteerd;
  • q. indien passend elkaar samenvattingen van de resultaten van die evaluaties achteraf van de uitvoering van regelgeving of beleid beschikbaar stellen;
  • r. de geschikte aanpak in kaart brengen voor het terugdringen van negatieve effecten van de bestaande verschillen in regelgeving voor de bilaterale handel en investeringen voor door een partij aangegeven sectoren; indien passend omvat dit dat er een betere onderlinge afstemming plaatsvindt, dat er wederzijds wordt erkend, dat er zo min mogelijk de handel en investeringen verstorende regelgevingsinstrumenten worden ingezet, en dat er gebruik wordt gemaakt van internationale normen, met inbegrip van normen en richtsnoeren voor conformiteitsbeoordeling; of
  • s. informatie, deskundigheid en ervaringen uitwisselen op het gebied van dierenwelzijn om de samenwerking tussen de partijen op het gebied van dierenwelzijn te bevorderen.

Artikel 21.5. Verenigbaarheid van regelgevingsmaatregelen

Met het oog op een betere onderlinge afstemming en een grotere onderlinge verenigbaarheid van de regelgevingsmaatregelen van de partijen onderzoekt elke partij indien passend de regelgevingsmaatregelen of -initiatieven van de andere partij ten aanzien van dezelfde of aanverwante onderwerpen. Het staat een partij vrij onderscheiden regelgevingsmaatregelen vast te stellen of onderscheiden initiatieven te ontplooien om redenen zoals onderscheiden institutionele of wetgevende benaderingen, omstandigheden, waarden of prioriteiten die specifiek zijn voor die partij.

Artikel 21.6. Forum voor samenwerking op regelgevingsgebied

1.

Een forum voor samenwerking op regelgevingsgebied („RCF”) wordt ingesteld overeenkomstig artikel 26.2 (Gespecialiseerde comités), lid 1, onder h), om samenwerking op regelgevingsgebied tussen de partijen overeenkomstig dit hoofdstuk te vergemakkelijken en te bevorderen.

2.

Het RCF heeft de volgende taken:

  • a. een forum bieden voor het bespreken van kwesties inzake regelgevingsbeleid van wederzijds belang die de partijen in kaart hebben gebracht door onder meer overeenkomstig artikel 21.8 gevoerd overleg;
  • b. individuele regelgevers helpen bij het in kaart brengen van mogelijke partners voor samenwerkingsactiviteiten en voor hen voorzien in adequate instrumenten, zoals modelgeheimhoudingsovereenkomsten;
  • c. lopende of verwachte regelgevingsinitiatieven onderzoeken wanneer een partij daarin potentieel voor samenwerking ziet. Deze onderzoeken, die worden uitgevoerd in overleg met regelgevende ministeries en instanties, dragen bij tot de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk; en
  • d. de ontwikkeling van bilaterale samenwerkingsactiviteiten overeenkomstig artikel 21.4 aanmoedigen en op basis van informatie van regelgevende ministeries en instanties, de vooruitgang, de successen en de optimale werkwijzen van samenwerkingsinitiatieven op regelgevingsgebied in specifieke sectoren evalueren.
3.

Het RCF wordt gezamenlijk voorgezeten door een hoge vertegenwoordiger van de regering van Canada op het niveau van een viceminister, van gelijkwaardige rang of als zodanig aangewezen, en door een hoge vertegenwoordiger van de Europese Commissie op het niveau van een directeur-generaal, van gelijkwaardige rang of als zodanig aangewezen, en omvat bevoegde ambtenaren van elke partij. De partijen kunnen in onderlinge overeenstemming andere belanghebbenden uitnodigen om deel te nemen aan de bijeenkomsten van het RCF.

4.

Het RCF:

  • a. stelt bij zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn mandaat, procedures en werkplan vast;
  • b. komt bijeen binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst en vervolgens ten minste eenmaal per jaar, tenzij de partijen anders besluiten; en
  • c. brengt over de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk in voorkomend geval verslag uit aan het Gemengd Comité voor de CETA.

Artikel 21.7. Verdere samenwerking tussen partijen

1.

Op grond van artikel 21.6, lid 2, onder c), en om monitoring van toekomstige regelgevingsprojecten mogelijk te maken en mogelijkheden voor samenwerking op regelgevingsgebied in kaart te brengen, wisselen de partijen regelmatig informatie uit over lopende of geplande regelgevingsprojecten met betrekking tot de gebieden waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen. Deze informatie omvat in voorkomend geval nieuwe technische voorschriften en wijzigingen van bestaande technische voorschriften die waarschijnlijk zullen worden voorgesteld of vastgesteld.

2.

De partijen kunnen samenwerking op regelgevingsgebied vergemakkelijken door op grond van een bepaalde regeling ambtenaren uit te wisselen.

3.

De partijen streven naar samenwerking en het delen van informatie op vrijwillige basis op het gebied van veiligheid van non-foodproducten. Deze samenwerking of uitwisseling van informatie kan met name betrekking hebben op:

  • a. wetenschappelijke, technische en regelgevingsaangelegenheden, om aan de verbetering van de veiligheid van non-foodproducten bij te dragen;
  • b. opkomende kwesties van aanzienlijk belang op het gebied van gezondheid en veiligheid die onder de bevoegdheid van een partij vallen;
  • c. aan normalisatie verwante activiteiten;
  • d. markttoezicht- en handhavingsactiviteiten;
  • e. methoden voor risicobeoordeling en productbeproeving; en
  • f. gecoördineerde terugroepacties voor producten of andere vergelijkbare acties.
4.

De partijen kunnen bepalen dat zij onderling informatie uitwisselen over de veiligheid van consumentenproducten, en over preventieve, beperkende en corrigerende maatregelen die zijn genomen. Canada kan met name toegang krijgen tot bepaalde informatie uit het RAPEX-waarschuwingssysteem van de Europese Unie, dan wel de opvolger daarvan, wat consumentenproducten betreft zoals bedoeld in Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid. De Europese Unie kan vroegtijdige waarschuwingen over beperkende maatregelen en het terugroepen van producten ontvangen uit het Canadese systeem voor het melden van incidenten met consumentenproducten, beter bekend als Radar, of de opvolger daarvan, met betrekking tot consumentenproducten zoals omschreven in de „Canada Consumer Product Safety Act”, S.C. 2010, c. 21, en cosmetica zoals omschreven in de „Food and Drugs Act”, R.S.C. 1985, c. F-27. Deze onderlinge uitwisseling van informatie geschiedt op basis van een regeling waarin de in lid 5 bedoelde maatregelen worden uiteengezet.

5.

Voordat de partijen voor het eerst informatie uitwisselen als bedoeld in lid 4, zien zij erop toe dat het Comité voor de handel in goederen zijn goedkeuring hecht aan de maatregelen tot uitvoering van deze uitwisselingen. De partijen zien erop toe dat deze maatregelen nader bepalen welke soort informatie wordt uitgewisseld en wat de modaliteiten zijn voor de uitwisseling en de toepassing van voorschriften inzake vertrouwelijkheid en bescherming van persoonsgegevens.

6.

Het Comité voor de handel in goederen hecht binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn goedkeuring aan de in lid 5 bedoelde maatregelen, tenzij de partijen besluiten deze termijn te verlengen.

7.

De partijen kunnen de in lid 5 bedoelde maatregelen wijzigen. Het Comité voor de handel in goederen hecht zijn goedkeuring aan elke wijziging van de maatregelen.

Artikel 21.8. Overleg met particuliere entiteiten

Teneinde beter inzicht te verkrijgen in niet-gouvernementele visies met betrekking tot de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk, kan elke partij of kunnen de partijen, voor zover dienstig, overleg met betrokkenen en belanghebbenden plegen, waaronder vertegenwoordigers van de academische wereld, denktanks, niet-gouvernementele organisaties, het bedrijfsleven, consumenten- en andere organisaties. Dit overleg kan op elke door de partij of partijen passend geachte wijze worden gevoerd.

Artikel 21.9. Contactpunten

1.

De contactpunten voor communicatie tussen de partijen over aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen zijn:

  • a. in het geval van Canada, de „Technical Barriers and Regulations Division” (afdeling Technische belemmeringen en regelingen) van het Department of Foreign Affairs, Trade and Development (Ministerie van Buitenlandse Zaken, Handel en Ontwikkeling), of de opvolger daarvan; en
  • b. in het geval van de Europese Unie, de eenheid Internationale Aangelegenheden van het directoraat-generaal Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf, Europese Commissie, of de opvolger daarvan.
2.

Elk contactpunt is verantwoordelijk voor raadpleging van en coördinatie met zijn respectieve regelgevende ministeries en instanties, naargelang van het geval, over aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen.

HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 22.1. Context en doelstellingen

1.

De partijen herinneren aan de verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling van 1992, de Agenda 21 over milieu en ontwikkeling van 1992, de Verklaring van Johannesburg inzake duurzame ontwikkeling van 2002 en het uitvoeringsplan van de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling van 2002, de Ministeriële Verklaring van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties inzake het creëren van een omgeving op nationaal en internationaal niveau die bevorderlijk is voor het genereren van volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen en de gevolgen daarvan voor duurzame ontwikkeling van 2006, en de IAO-verklaring over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008. De partijen erkennen dat economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming nauw samenhangen en elkaar wederzijds versterkende componenten van duurzame ontwikkeling zijn, en herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel te bevorderen op een wijze die bijdraagt aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling, voor het welzijn van de huidige en toekomstige generaties.

2.

De partijen benadrukken de voordelen die het inhoudt wanneer handelsgerelateerde arbeids- en milieukwesties als onderdeel van een wereldwijde aanpak van handel en duurzame ontwikkeling worden beschouwd. De partijen komen derhalve overeen dat de rechten en verplichtingen krachtens de hoofdstukken drieëntwintig (Handel en arbeid) en vierentwintig (Handel en milieu) in acht moeten worden genomen in het kader van deze overeenkomst.

3.

In dit verband streven de partijen door uitvoering van de bepalingen van de hoofdstukken drieëntwintig (Handel en arbeid) en vierentwintig (Handel en milieu) ernaar:

  • a. duurzame ontwikkeling te bevorderen door de versterkte coördinatie en integratie van hun respectieve arbeidsmarkt-, milieu- en handelsbeleid en maatregelen op deze gebieden;
  • b. de dialoog en samenwerking tussen de partijen te bevorderen om hun economische en handelsbetrekkingen te ontwikkelen op een manier die steun biedt aan hun respectieve maatregelen en normen op het gebied van arbeids- en milieubescherming, en hun doelstellingen op het gebied van milieu- en arbeidsbescherming te handhaven in een context van vrije, open en transparante handelsbetrekkingen;
  • c. de handhaving van hun respectieve arbeids- en milieuwetgeving en de eerbiediging van internationale overeenkomsten op het gebied van arbeid en milieu te verbeteren;
  • d. volledige gebruikmaking van instrumenten zoals effectbeoordelingen en raadpleging van belanghebbenden te bevorderen bij de regulering van handels-, arbeids- en milieuaangelegenheden, en bedrijven, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en burgers aan te moedigen om praktijken te ontwikkelen en toe te passen die bijdragen tot de verwezenlijking van doelstellingen in verband met duurzame ontwikkeling; en
  • e. publieksraadpleging en -deelname aan het debat te bevorderen ten aanzien van kwesties inzake duurzame ontwikkeling die zich in het kader van deze overeenkomst en bij de ontwikkeling van regelgeving en beleid ter zake voordoen.

Artikel 22.2. Transparantie

De partijen benadrukken het belang van transparantie als een noodzakelijk element ter bevordering van de deelname van het publiek en de openbaarmaking van informatie in het kader van dit hoofdstuk, in overeenstemming met het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk zevenentwintig (Transparantie) en de artikelen 23.6 (Voorlichting aan en bewustmaking van het grote publiek) en 24.7 (Voorlichting aan en bewustmaking van het grote publiek).

Artikel 22.3. Samenwerking en bevordering van handel met steun voor duurzame ontwikkeling

1.

De partijen erkennen de waarde van internationale samenwerking voor het bereiken van het doel van duurzame ontwikkeling en integratie op internationaal niveau van de economische, sociale en ecologische ontwikkeling en initiatieven, acties en maatregelen op het gebied van bescherming. Derhalve stemmen de partijen ermee in om met elkaar een dialoog en overleg te voeren met betrekking tot handelsgerelateerde aspecten van duurzame ontwikkeling van gemeenschappelijk belang.

2.

De partijen bevestigen dat de handel duurzame ontwikkeling moet bevorderen. Dienovereenkomstig streeft elke partij ernaar handels- en economische stromen en praktijken die bijdragen aan meer fatsoenlijk werk en milieubescherming te bevorderen, onder meer door:

  • a. de ontwikkeling en het gebruik aan te moedigen van vrijwillige regelingen inzake de duurzame productie van goederen en diensten, zoals milieukeuren en regelingen inzake eerlijke handel;
  • b. de ontwikkeling en het gebruik aan te moedigen van vrijwillige optimale werkwijzen van maatschappelijk verantwoord ondernemen door bedrijven, zoals die in de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, teneinde de samenhang tussen de economische, sociale en milieudoelstellingen te versterken;
  • c. de integratie van duurzaamheidsoverwegingen te stimuleren in besluiten inzake particuliere en overheidsconsumptie; en
  • d. de ontwikkeling, de totstandbrenging, het onderhoud of de verbetering van doelstellingen en normen voor milieuprestaties te bevorderen.
3.

De partijen erkennen dat het van belang is specifieke aspecten van duurzame ontwikkeling aan te pakken door te onderzoeken wat de eventuele economische, sociale en milieueffecten van mogelijk optreden zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de standpunten van belanghebbenden. Derhalve verbindt elke partij zich tot evaluatie, monitoring en beoordeling van de gevolgen van de uitvoering van de bepalingen van deze overeenkomst voor de duurzame ontwikkeling op haar grondgebied, om te bepalen of er maatregelen nodig zijn ingevolge de onderhavige overeenkomst. De partijen kunnen gezamenlijke beoordelingen uitvoeren. Deze beoordelingen vinden plaats op een wijze die is aangepast aan de praktijken en omstandigheden van elke partij, via de bestaande participatieprocedures van de partijen, alsmede die welke in het kader van deze overeenkomst zijn ingesteld.

Artikel 22.4. Institutionele mechanismen

1.

Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling dat is ingesteld bij artikel 26.2 (Gespecialiseerde comités), lid 1, onder g), bestaat uit vertegenwoordigers op hoog niveau van de partijen die verantwoordelijk zijn voor aangelegenheden die vallen onder dit hoofdstuk en de hoofdstukken drieëntwintig (Handel en arbeid) en vierentwintig (Handel en milieu). Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op de uitvoering van de bepalingen van die hoofdstukken, met inbegrip van de samenwerkingsactiviteiten en de evaluatie van het effect van deze overeenkomst op de duurzame ontwikkeling, en benadert op een geïntegreerde manier alle aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor de partijen met betrekking tot het raakvlak van de economische en de sociale ontwikkeling en de milieubescherming. Met betrekking tot de hoofdstukken drieëntwintig (Handel en arbeid) en vierentwintig (Handel en milieu) kan het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling zijn taken tevens uitoefenen door middel van bijzondere zittingen met deelnemers die verantwoordelijk zijn voor enige van de onder deze hoofdstukken vallende aangelegenheden.

2.

Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling komt in het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en daarna zo vaak als de partijen noodzakelijk achten. De contactpunten als bedoeld in de artikelen 23.8 (Institutionele mechanismen) en 24.13 (Institutionele mechanismen) zijn verantwoordelijk voor de communicatie tussen de partijen over de planning en de organisatie van deze bijeenkomsten of bijzondere zittingen.

3.

Elke gewone bijeenkomst of bijzondere zitting van het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling omvat een zitting met het publiek om van gedachten te wisselen over aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van de bepalingen van de desbetreffende hoofdstukken, tenzij de partijen anders besluiten.

4.

Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling bevordert transparantie en deelname van het publiek. Hiertoe geldt het volgende:

  • a. elk besluit of verslag van het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling wordt openbaar gemaakt, tenzij het anders besluit;
  • b. het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling brengt verslag uit over ontwikkelingen met betrekking tot alle met dit hoofdstuk verband houdende aangelegenheden, waaronder de uitvoering van de bepalingen ervan, aan het Forum voor het maatschappelijk middenveld zoals bedoeld in artikel 22.5. Een standpunt of advies van het Forum voor het maatschappelijk middenveld wordt hetzij rechtstreeks, hetzij via de overlegmechanismen zoals bedoeld in artikel 23.8 (Institutionele mechanismen), lid 3, en artikel 24.13 (Institutionele mechanismen), aan de partijen voorgelegd. Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling brengt jaarlijks verslag uit over de follow-up van deze mededelingen;
  • c. het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling brengt jaarlijks verslag uit over alle zaken die het behandelt overeenkomstig de artikelen 24.7 (Voorlichting aan en bewustmaking van het grote publiek), lid 3, of 23.8 (Institutionele mechanismen), lid 4.

Artikel 22.5. Forum voor maatschappelijk middenveld

1.

De partijen bevorderen de oprichting van een gezamenlijk forum voor het maatschappelijk middenveld, dat bestaat uit vertegenwoordigers van op hun grondgebied gevestigde organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van deelnemers aan de overlegmechanismen als bedoeld in artikel 23.8 (Institutionele mechanismen), lid 3, en artikel 24.13 (Institutionele mechanismen), om een dialoog te voeren inzake de duurzameontwikkelingsaspecten van de onderhavige overeenkomst.

2.

Het forum voor het maatschappelijk middenveld komt eenmaal per jaar bijeen, tenzij de partijen anders overeenkomen. De partijen bevorderen een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen ter zake, waaronder die van onafhankelijke representatieve werkgevers, vakbonden, arbeids- en bedrijfsorganisaties, milieuorganisaties en eventueel andere organisaties ter zake uit het maatschappelijk middenveld. De partijen kunnen ook deelname met virtuele middelen vergemakkelijken.

HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG. HANDEL EN ARBEID

Artikel 23.1. Context en doelstellingen

1.

De partijen erkennen de waarde van internationale samenwerking en overeenkomsten op het gebied van arbeid als antwoord van de internationale gemeenschap op de uitdagingen en mogelijkheden die op economisch en sociaal gebied en op het gebied van de werkgelegenheid uit de mondialisering voortvloeien. Zij zijn zich bewust van de bijdrage die de internationale handel kan leveren aan volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen en verbinden zich ertoe waar nodig overleg te plegen en samen te werken met betrekking tot handelsgerelateerde vraagstukken op het gebied van arbeid en werkgelegenheid van wederzijds belang.

2.

Zij bevestigen de waarde van een grotere beleidscoherentie inzake fatsoenlijk werk, met inbegrip van de fundamentele arbeidsnormen en een hoog niveau van arbeidsbescherming, in combinatie met een doeltreffende handhaving dienaangaande, en zij erkennen de positieve impact die deze aandachtsgebieden kunnen hebben op de economische efficiëntie, innovatie en productiviteit, met inbegrip van uitvoerprestaties. In dit verband erkennen zij tevens het belang van de sociale dialoog inzake arbeidsaangelegenheden tussen werkgevers en werknemers en hun respectieve organisaties en overheden, en verbinden zij zich ertoe deze dialoog te bevorderen.

Artikel 23.2. Recht regels te stellen en beschermingsniveaus

De partijen erkennen elkaars recht om prioriteiten te stellen op het gebied van arbeid, om niveaus van arbeidsbescherming vast te stellen en haar wet- en regelgeving en beleid vast te stellen of te wijzigen in overeenstemming met hun internationale verplichtingen op het gebied van arbeid, met inbegrip van die in dit hoofdstuk; hiertoe streeft elke partij ernaar dat die wetgeving en dat beleid voorzien in hoge niveaus van arbeidsbescherming en deze bevorderen, en streeft elke partij naar voortdurende verbetering van die wetgeving en dat beleid teneinde in een hoog niveau van arbeidsbescherming te voorzien.

Artikel 23.3. Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten

1.

Elke partij ziet erop toe dat haar arbeidswetgeving en -praktijken uitgaan van bescherming van de fundamentele beginselen en rechten op het werk die hieronder worden opgesomd, en ook in die bescherming voorzien. De partijen bevestigen dat zij streven naar eerbiediging, bevordering en verwezenlijking van die beginselen en rechten overeenkomstig de verplichtingen van de leden van de Internationale Arbeidsorganisatie („IAO”) en de verbintenissen in het kader van de IAO-verklaring inzake fundamentele beginselen en rechten op het werk en de follow-up daarvan uit 1998, zoals aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 86e zitting:

  • a. de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen;
  • b. de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;
  • c. de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid; en
  • d. de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.
2.

Elke partij ziet erop toe dat haar arbeidswetgeving en -praktijken de volgende, in de agenda voor fatsoenlijk werk van de IAO opgenomen doelstellingen bevorderen, in overeenstemming met de IAO-verklaring over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008, zoals aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 97e zitting, en andere internationale verbintenissen:

  • a. gezondheid en veiligheid op het werk, met inbegrip van de preventie van beroepsgebonden letsel of ziekte en compensatie in geval van dergelijke letsels of ziekten;
  • b. vaststelling van aanvaardbare arbeidsrechtelijke minimumvoorschriften voor loontrekkenden, met inbegrip van hen die niet onder een collectieve overeenkomst vallen; en
  • c. gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van die voor migrerende werknemers.
3.

Overeenkomstig lid 2, onder a), ziet elke partij erop toe dat haar arbeidswetgeving en -praktijken van bescherming uitgaan en bescherming bieden voor arbeidsomstandigheden die de gezondheid en de veiligheid van werknemers eerbiedigen, onder meer door het formuleren van beleid dat de fundamentele beginselen bevordert die gericht zijn op de preventie van ongevallen en letsels die voortvloeien uit of voorvallen tijdens het werk, en op de ontwikkeling van een preventieve veiligheids- en gezondheidscultuur, waarbij het beginsel van preventie de hoogste prioriteit wordt toegekend. Bij de opstelling en uitvoering van maatregelen ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk houdt elke partij rekening met de bestaande wetenschappelijke en technische informatie ter zake en de desbetreffende internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen, indien de maatregelen de handel of de investeringen tussen de partijen kunnen beïnvloeden. De partijen erkennen dat in geval van bestaande of potentiële gevaren of omstandigheden waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij tot letsel of ziekte van een natuurlijke persoon leiden, een partij het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid niet aangrijpt als reden om kosteneffectieve beschermende maatregelen uit te stellen.

4.

Elke partij herbevestigt haar verbintenis om in haar wetgeving en praktijken op haar hele grondgebied daadwerkelijk uitvoering te geven aan de fundamentele IAO-verdragen die Canada en de lidstaten van de Europese Unie respectievelijk hebben geratificeerd. De partijen blijven zich onafgebroken inspannen om de fundamentele IAO-verdragen te ratificeren indien zij dat niet reeds hebben gedaan. De partijen wisselen informatie uit over hun respectieve situatie en de voortgang die zij respectievelijk maken met betrekking tot de ratificatie van de fundamentele, prioritaire en andere IAO-verdragen die door de IAO als actueel worden gekenmerkt.

Artikel 23.4. Eerbiediging van beschermingsniveaus

1.

De partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door de beschermingsniveaus waarin hun arbeidswetgeving en -normen voorzien, af te zwakken of te verminderen.

2.

De partijen zien niet af of wijken niet anderszins af, of bieden niet aan af te zien of anderszins af te wijken van toepassing van hun arbeidswetgeving en -normen op zodanige wijze dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of de plaatsing, de verwerving, de uitbreiding of de handhaving van een investering op hun respectieve grondgebied.

3.

De partijen doen niet zodanig afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun respectieve arbeidswetgeving en -normen door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of investeringen.

Artikel 23.5. Handhavingsprocedures, administratieve procedures en toetsing van administratieve handelingen

1.

Overeenkomstig artikel 23.4 bevordert elke partij de naleving en zorgt zij voor daadwerkelijke handhaving van haar arbeidswetgeving, onder meer door:

  • a. een arbeidsinspectiesysteem in stand te houden in overeenstemming met haar internationale verplichtingen, met het oog op handhaving van de wettelijke bepalingen inzake arbeidsomstandigheden en de bescherming van werknemers die door de arbeidsinspectie kunnen worden gehandhaafd; en
  • b. te waarborgen dat er voor personen met een wettelijk erkend belang in een bepaalde aangelegenheid die stellen dat er sprake is van inbreuk op een recht naar haar nationale recht, administratieve en gerechtelijke procedures openstaan met het oog op een doeltreffend optreden tegen inbreuken op haar arbeidsrecht, met inbegrip van passende rechtsmiddelen in geval van schendingen van dit recht.
2.

Elke partij draagt er in overeenstemming met haar recht zorg voor dat de in lid 1, onder b), bedoelde procedures niet nodeloos ingewikkeld of onbetaalbaar zijn, geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden of meebrengen, dat zij zo nodig in een dwangmiddel tot rechtsherstel voorzien en billijk en rechtvaardig zijn, onder meer door:

  • a. verweerders binnen een redelijke termijn in kennis te stellen wanneer een procedure wordt ingeleid, met inbegrip van een beschrijving van de aard van de procedure en de grondslag van de vordering;
  • b. de partijen in de procedure een redelijke mogelijkheid te bieden om hun respectieve standpunten te ondersteunen of te verdedigen, onder meer door het overleggen van informatie of bewijsmateriaal, alvorens tot een definitieve beslissing wordt gekomen;
  • c. erin te voorzien dat definitieve besluiten schriftelijk en naar behoren, op basis van informatie of bewijsmateriaal ten aanzien waarvan de partijen in de procedure de gelegenheid hebben gekregen te worden gehoord, gemotiveerd zijn; en
  • d. de partijen in de administratieve procedure een mogelijkheid te bieden voor toetsing en, indien gerechtvaardigd, correctie van definitieve administratieve besluiten binnen een redelijke termijn door een bij wet ingesteld gerecht, met passende garanties voor rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Artikel 23.6. Voorlichting aan en bewustmaking van het grote publiek

1.

Naast haar verplichtingen krachtens artikel 27.1 (Bekendmaking), moedigt elke partij openbaar debat met en tussen de niet-overheidsactoren aan met betrekking tot de ontwikkeling en vaststelling van beleid dat kan leiden tot vaststelling van arbeidswetgeving en -normen door haar desbetreffende overheidsinstanties.

2.

Elke partij bevordert het publieke bewustzijn van haar arbeidswetgeving en -normen, alsmede handhavings- en nalevingsprocedures, onder meer door te zorgen voor de beschikbaarheid van informatie en door stappen te ondernemen ter versterking van de kennis en het begrip van de werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers.

Artikel 23.7. Samenwerkingsactiviteiten

1.

De partijen verbinden zich ertoe samen te werken ter bevordering van de doelstellingen van dit hoofdstuk, door middel van onder meer:

  • a. de uitwisseling van informatie over optimale werkwijzen inzake kwesties van gemeenschappelijk belang en relevante evenementen, activiteiten en initiatieven;
  • b. samenwerking in internationale fora die zich bezighouden met aangelegenheden die relevant zijn voor handel en arbeid, waaronder met name de WTO en de IAO;
  • c. internationale bevordering en daadwerkelijke toepassing van de fundamentele beginselen en rechten op het werk, zoals bedoeld in artikel 23.3, lid 1, en de agenda voor fatsoenlijk werk van de ILO;
  • d. een dialoog en informatie-uitwisseling over de arbeidsrechtelijke bepalingen in het kader van hun respectieve handelsovereenkomsten, en de uitvoering daarvan;
  • e. het in kaart brengen van mogelijkheden tot samenwerking bij initiatieven ten aanzien van derden; en
  • f. elke andere vorm van samenwerking die passend wordt geacht.
2.

De partijen nemen de standpunten van vertegenwoordigers van werknemers, werkgevers en organisaties uit het maatschappelijk middenveld in overweging bij het in kaart brengen van gebieden waarop kan worden samengewerkt, en bij het uitvoeren van samenwerkingsactiviteiten.

3.

De partijen kunnen samenwerkingsregelingen met de IAO en andere bevoegde internationale of regionale organisaties instellen teneinde te profiteren van hun deskundigheid en middelen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van dit hoofdstuk.

Artikel 23.8. Institutionele mechanismen

1.

Elke partij wijst een dienst aan die voor de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk fungeert als contactpunt voor de andere partij, onder meer met betrekking tot:

  • a. samenwerkingsprogramma's en -activiteiten overeenkomstig artikel 23.7;
  • b. de ontvangst van opmerkingen en communicatie op grond van artikel 23.9; en
  • c. informatie die moet worden verstrekt aan de andere partij, de deskundigenpanels en het publiek.
2.

Elke partij stelt de andere partij schriftelijk in kennis van het in lid 1 bedoelde contactpunt.

3.

Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling dat is ingesteld bij artikel 26.2 (Gespecialiseerde comités), lid 1, onder g), zal, in het kader van zijn gewone bijeenkomsten of bijzondere zittingen met deelnemers die verantwoordelijk zijn voor onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden:

  • a. toezien op de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk en de in het kader van dit hoofdstuk verwezenlijkte voortgang evalueren, met inbegrip van de werking en de doeltreffendheid ervan; en
  • b. alle andere binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallende aangelegenheden bespreken.
4.

Elke partij roept een nieuwe adviesgroep voor vraagstukken op het gebied van arbeid of duurzame ontwikkeling bijeen, of pleegt overleg met haar desbetreffende interne adviesgroepen, teneinde standpunten en adviezen over met dit hoofdstuk verband houdende aangelegenheden te horen en te inventariseren. Deze groepen bestaan uit onafhankelijke representatieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met een evenwichtige vertegenwoordiging van werkgevers, vakbonden, arbeids- en bedrijfsorganisaties alsmede van andere belanghebbenden ter zake in voorkomend geval. Zij kunnen op eigen initiatief advies uitbrengen en aanbevelingen doen over elke met dit hoofdstuk verband houdende aangelegenheid.

5.

Elke partij staat open voor en houdt naar behoren rekening met de opmerkingen van het grote publiek over met dit hoofdstuk verband houdende aangelegenheden, waaronder communicatie over bezorgdheden inzake de uitvoering van de desbetreffende bepalingen. Elke partij stelt haar respectieve interne adviesgroepen voor vraagstukken op het gebied van arbeid of duurzame ontwikkeling op de hoogte van deze communicatie.

6.

De partijen houden rekening met de werkzaamheden van de IAO teneinde een grotere samenwerking en meer samenhang tussen het werk van de partijen en de IAO te bevorderen.

Artikel 23.9. Overleg

1.

Een partij kan om overleg met de andere partij verzoeken over elke aangelegenheid die zich in verband met dit hoofdstuk voordoet, door bij het contactpunt van de andere partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. De partij zet in het verzoek de aangelegenheid helder uiteen, omschrijft de desbetreffende vraagpunten en geeft een korte samenvatting van de eventuele vorderingen in het kader van dit hoofdstuk. Het overleg moet onverwijld na de indiening van het verzoek om overleg door een partij beginnen.

2.

Tijdens het overleg verstrekt elke partij de andere partij voldoende van de te harer beschikking staande informatie teneinde een volledige beoordeling van de aan de orde gestelde aangelegenheden mogelijk te maken, met inachtneming van haar wet- en regelgeving inzake vertrouwelijke persoonlijke en commerciële informatie.

3.

Indien relevant, en indien beide partijen daarmee instemmen, verzoeken zij om informatie of om standpunten van de personen, organisaties of organen, met inbegrip van de IAO, die kunnen bijdragen aan het onderzoek van de zich voordoende aangelegenheid.

4.

Indien een partij van oordeel is dat de aangelegenheid verder moet worden besproken, kan zij verzoeken het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling voor behandeling van de aangelegenheid bijeen te roepen, door bij het contactpunt van de andere partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling komt onverwijld bijeen en probeert de aangelegenheid tot een oplossing te brengen. In voorkomend geval wint dit, via de in artikel 23.8 bedoelde overlegmechanismen, het advies in van de interne adviesgroepen van de partijen voor vraagstukken op het gebied van arbeid of duurzame ontwikkeling.

5.

Elke partij maakt de oplossingen of besluiten ten aanzien van in het kader van dit artikel besproken aangelegenheden openbaar.

Artikel 23.10. Deskundigenpanel

1.

Voor alle aangelegenheden die niet op bevredigende wijze zijn opgelost door middel van overleg op grond van artikel 23.9, kan een partij, negentig dagen na ontvangst van een verzoek om overleg ingevolge artikel 23.9, lid 1, verzoeken een deskundigenpanel bijeen te roepen om de aangelegenheid te onderzoeken, door bij het contactpunt van de andere partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen.

2.

Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk passen de partijen het reglement van orde en de gedragscode in de bijlagen 29-A en 29-B toe, tenzij zij anders besluiten.

3.

Het deskundigenpanel bestaat uit drie panelleden.

4.

Teneinde tot een akkoord te komen over de samenstelling van het deskundigenpanel, plegen de partijen overleg binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek door de partij waaraan het verzoek tot instelling van een deskundigenpanel is gericht. Er wordt gepaste aandacht geschonken aan de vraag of de voorgestelde panelleden voldoen aan de in lid 7 neergelegde eisen en of zij over de passende deskundigheid beschikken voor het concrete geval.

5.

Komen de partijen binnen de in lid 4 aangegeven termijn niet tot een besluit over de samenstelling van het deskundigenpanel, dan is de selectieprocedure als bedoeld in artikel 29.7 (Samenstelling van het arbitragepanel), leden 3 tot en met 7, van toepassing ten aanzien van de volgens lid 6 vastgestelde lijst.

6.

Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling stelt bij zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst op van ten minste negen personen die zijn geselecteerd vanwege hun objectiviteit, betrouwbaarheid en deugdelijk oordeelsvermogen, en die bereid en in staat zijn om als panellid te fungeren. Elke partij wijst ten minste drie personen aan voor de lijst van personen die als panellid kunnen fungeren. De partijen wijzen bovendien ten minste drie personen aan die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die bereid en in staat zijn als voorzitter van het deskundigenpanel te fungeren. Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling ziet erop toe dat de lijst te allen tijde die omvang heeft.

7.

De als panellid voorgestelde deskundigen moeten beschikken over gespecialiseerde kennis of deskundigheid op het gebied van arbeidsrecht, andere aangelegenheden waarop dit hoofdstuk betrekking heeft, of van de beslechting van geschillen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten. Zij moeten onafhankelijk zijn, op persoonlijke titel optreden en mogen geen instructies van enige organisatie of overheid aannemen met betrekking tot de aangelegenheid in kwestie. Zij mogen niet aan de overheid van een van de partijen verbonden zijn en moeten de in lid 2 bedoelde gedragscode naleven.

8.

Tenzij de partijen binnen vijf werkdagen na de datum van selectie van de panelleden anders overeenkomen, luidt het mandaat van het deskundigenpanel als volgt:

„in het licht van de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk drieëntwintig (Handel en arbeid) de aangelegenheid onderzoeken die is beschreven in het verzoek om instelling van het deskundigenpanel, en overeenkomstig artikel 23.10 (Deskundigenpanel) van hoofdstuk drieëntwintig (Handel en arbeid) een verslag met aanbevelingen voor de oplossing van de aangelegenheid voorleggen.”.

9.

Voor aangelegenheden in verband met multilaterale overeenkomsten zoals beschreven in artikel 23.3, moet het deskundigenpanel informatie inwinnen bij de IAO, met inbegrip van eventuele relevante beschikbare richtsnoeren voor uitlegging, bevindingen of besluiten van de IAO.33)De partijen passen deze bepaling toe in overeenstemming met punt 42 van het reglement van orde voor arbitrage in bijlage 29-A.

10.

Het panel kan schriftelijke stukken of andere informatie opvragen en ontvangen van personen met informatie of gespecialiseerde kennis ter zake.

11.

Het deskundigenpanel legt aan de partijen een tussentijds verslag en een eindverslag over met een uiteenzetting van de feitelijke bevindingen, zijn vaststellingen over de aangelegenheid, onder meer wat betreft de vraag of de partij waaraan het verzoek is gericht aan haar verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk heeft voldaan, en de motivering achter alle bevindingen, vaststellingen en aanbevelingen van het panel. Het deskundigenpanel legt aan de partijen het tussentijdse verslag over binnen honderdtwintig dagen nadat het laatste panellid is geselecteerd, of binnen een andere door de partijen bepaalde termijn. De partijen kunnen binnen 45 dagen na het uitbrengen van het tussentijdse verslag opmerkingen over dit verslag indienen bij het deskundigenpanel. Het deskundigenpanel kan zijn verslag naar aanleiding van deze opmerkingen heroverwegen of, wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken. Het deskundigenpanel legt aan de partijen binnen zestig dagen na de indiening van het tussentijdse verslag het eindverslag over. Elke partij maakt het eindverslag binnen dertig dagen nadat het is uitgebracht openbaar.

12.

Indien in het eindverslag van het deskundigenpanel wordt vastgesteld dat een partij niet voldoet aan haar verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk, treden de partijen in overleg en streven zij ernaar, binnen drie maanden na de indiening van het eindverslag passende maatregelen in kaart te brengen of, in voorkomend geval, tot een wederzijds bevredigend actieplan te besluiten. Bij deze besprekingen houden de partijen rekening met het eindverslag. De partij waaraan het verzoek is gericht, stelt haar adviesgroepen voor vraagstukken op het gebied van arbeid of duurzame ontwikkeling en de verzoekende partij tijdig in kennis van haar besluit over de acties of maatregelen die moeten worden uitgevoerd. Bovendien stelt de verzoekende partij haar adviesgroepen voor vraagstukken op het gebied van arbeid of duurzame ontwikkeling en de partij waaraan het verzoek gericht is, tijdig in kennis van enige andere actie of maatregel die zij naar aanleiding van het eindverslag besluit te ondernemen of te treffen ter bevordering van de oplossing van de aangelegenheid in overeenstemming met deze overeenkomst. Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op de follow-up naar aanleiding van het eindverslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel. De adviesgroepen van de partijen voor vraagstukken op het gebied van arbeid en duurzame ontwikkeling en het forum voor het maatschappelijk middenveld kunnen opmerkingen ter zake indienen bij het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling.

13.

Indien de partijen na de instelling van een deskundigenpanel overeenstemming bereiken over een onderling overeengekomen oplossing voor de aangelegenheid, stellen zij het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling en het deskundigenpanel van deze oplossing in kennis. Wordt deze kennisgeving gedaan, dan wordt de panelprocedure beëindigd.

Artikel 23.11. Geschillenbeslechting

1.

Ten aanzien van geschillen uit hoofde van dit hoofdstuk kunnen de partijen enkel de in dit hoofdstuk voorziene regels en procedures inroepen.

2.

De partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om een geschil op een voor beide partijen aanvaardbare wijze op te lossen. De partijen kunnen te allen tijde gebruikmaken van goede diensten, conciliatie of bemiddeling om dat geschil te beslechten.

3.

De partijen zijn het erover eens dat de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk bindend zijn en afdwingbaar in het kader van de geschillenbeslechtingsprocedures overeenkomstig artikel 23.10. In dit verband bespreken de partijen, door middel van de bijeenkomsten van het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling, de doeltreffendheid van de uitvoering van de bepalingen van het hoofdstuk, de beleidsontwikkelingen in elke partij, de ontwikkelingen op het gebied van internationale overeenkomsten, en de door belanghebbenden voorgelegde standpunten, alsmede eventuele herzieningen van de geschillenbeslechtingsprocedures als bedoeld in artikel 23.10.

4.

In geval van onenigheid in het kader van lid 3 kan een partij verzoeken om overleg overeenkomstig de procedures van artikel 23.9, teneinde de bepalingen inzake geschillenbeslechting van artikel 23.10 te evalueren met het oog op het vinden van een voor elke partij aanvaardbare oplossing voor de aangelegenheid.

5.

Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling kan aan het Gemengd Comité voor de CETA aanbevelingen doen voor wijzigingen van daarvoor in aanmerking komende bepalingen van dit hoofdstuk, in overeenstemming met de wijzigingsprocedures die zijn neergelegd in artikel 30.2 (Wijzigingen).

HOOFDSTUK VIERENTWINTIG. HANDEL EN MILIEU

Artikel 24.1. Definitie

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

milieuwetgeving: wetgeving, waaronder wettelijke of bestuursrechtelijke of andere juridisch bindende maatregelen van een partij, die milieubescherming als doel heeft, met inbegrip van de preventie van gevaar voor het leven of de gezondheid van de mens uit hoofde van milieueffecten, zoals die welke gericht is op:

  • a. de preventie, beperking of beheersing van de vrijkoming, lozing of emissie van verontreinigende stoffen of milieucontaminanten,
  • b. het beheer van chemische stoffen en afvalstoffen of de verspreiding van daarmee verband houdende informatie, of
  • c. de instandhouding en bescherming van wilde fauna en flora, met inbegrip van bedreigde soorten en hun habitats, alsmede beschermde gebieden,

met uitzondering van maatregelen van een partij die uitsluitend verband houden met de gezondheid en veiligheid van werknemers en het voorwerp vormen van hoofdstuk drieëntwintig (Handel en arbeid), of maatregelen van een partij die het beheer met betrekking tot de instandhouding of de traditionele oogst van natuurlijke hulpbronnen als doel hebben.

Artikel 24.2. Context en doelstellingen

De partijen erkennen dat het milieu een fundamentele pijler van duurzame ontwikkeling is en dat de handel aan duurzame ontwikkeling kan bijdragen. De partijen benadrukken dat nauwere samenwerking voor de bescherming en instandhouding van het milieu voordelen meebrengt die:

  • a. de duurzame ontwikkeling bevorderen;
  • b. het milieubeheer van de partijen versterken;
  • c. voortbouwen op de internationale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn; en
  • d. een aanvulling vormen op de doelstellingen van deze overeenkomst.

Artikel 24.3. Recht regels te stellen en beschermingsniveaus

De partijen erkennen het recht van elke partij haar milieuprioriteiten te stellen, haar milieubeschermingsniveaus te bepalen en haar wet- en regelgeving en beleid dienovereenkomstig vast te stellen of te wijzigen op een wijze die met de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij is en met de onderhavige overeenkomst overeenstemt. Elke partij streeft ernaar te waarborgen dat die wetgeving en dat beleid voorzien in hoge milieubeschermingsniveaus en deze bevorderen, en streeft naar een voortdurende verbetering van haar wet- en regelgeving en beleid alsmede de onderliggende beschermingsniveaus ervan.

Artikel 24.4. Multilaterale milieuovereenkomsten

1.

De partijen erkennen de waarde van internationaal milieubeheer en internationale overeenkomsten in het kader van de inspanningen van de internationale gemeenschap ten aanzien van mondiale of regionale milieuproblemen, en zij benadrukken de noodzaak dat het handels- en milieubeleid, de handels- en milieuvoorschriften en de handels- en milieumaatregelen elkaar versterken.

2.

Elke partij herbevestigt haar verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij is, in haar wetgeving en praktijken op haar gehele grondgebied op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen.

3.

De partijen verbinden zich ertoe in voorkomend geval elkaar te raadplegen en samen te werken bij milieuvraagstukken van wederzijds belang die verband houden met multilaterale milieuovereenkomsten, en in het bijzonder bij handelsvraagstukken. Deze verbintenis omvat de uitwisseling van informatie over:

  • a. de uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten, waarbij een partij overeenkomstsluitende partij is;
  • b. lopende onderhandelingen over nieuwe multilaterale milieuovereenkomsten; en
  • c. de respectieve standpunten van elke partij over toetreding tot aanvullende multilaterale milieuovereenkomsten.
4.

De partijen erkennen hun recht om een beroep te doen op artikel 28.3 (Algemene uitzonderingen) met betrekking tot milieumaatregelen, met inbegrip van de maatregelen genomen op grond van multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn.

Artikel 24.5. Eerbiediging van beschermingsniveaus

1.

De partijen erkennen dat het niet gepast is de beschermingsniveaus waarin hun milieuwetgeving voorziet, af te zwakken of te verminderen om de handel of investeringen aan te moedigen.

2.

De partijen zien niet af van en wijken niet anderszins af, en bieden niet aan af te zien of anderszins af te wijken van toepassing van hun milieuwetgeving om de handel of de plaatsing, verwerving, de uitbreiding of de handhaving van een investering op hun respectieve grondgebied aan te moedigen.

3.

De partijen doen niet zodanig afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun milieuwetgeving door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of investeringen.

Artikel 24.6. Toegang tot rechtsmiddelen en procedurele waarborgen

1.

In het kader van de verplichtingen van artikel 24.5:

  • a. draagt elke partij er in overeenstemming met haar interne recht zorg voor dat haar autoriteiten die bevoegd zijn voor de handhaving van de milieuwetgeving naar behoren rekening houden met vermeende schendingen van het milieurecht die onder haar aandacht zijn gebracht door op haar grondgebied verblijvende of gevestigde belanghebbenden; en
  • b. draagt elke partij er zorg voor dat er voor personen met een juridisch erkend belang in een bepaalde aangelegenheid of die stellen dat er sprake is van een inbreuk op een recht naar haar interne recht, administratieve of gerechtelijke procedures openstaan met het oog op een doeltreffend optreden tegen inbreuken op haar milieurecht, passende remedies in geval van schendingen van dit recht daaronder begrepen.
2.

Elke partij draagt er in overeenstemming met haar interne recht zorg voor dat de in lid 1, onder b), bedoelde procedures niet onnodig ingewikkeld of onbetaalbaar zijn, geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden, zo nodig in een dwangmiddel tot rechtsherstel voorzien en billijk, rechtvaardig en transparant zijn, onder meer door:

  • a. verweerders binnen een redelijke termijn in kennis te stellen wanneer een procedure wordt ingeleid, met inbegrip van een beschrijving van de aard van de procedure en de grondslag van de vordering;
  • b. de partijen in de procedure een redelijke mogelijkheid te bieden om hun respectieve standpunten nader te onderbouwen of te verdedigen, onder meer door overlegging van informatie of bewijsmateriaal, alvorens tot een definitieve beslissing wordt gekomen;
  • c. erin te voorzien dat definitieve besluiten schriftelijk en naar behoren, op basis van informatie of bewijsmateriaal ten aanzien waarvan de partijen in de procedure de gelegenheid hebben gekregen te worden gehoord, gemotiveerd zijn; en
  • d. de partijen in de administratieve procedure een mogelijkheid te bieden voor toetsing en, indien gerechtvaardigd, correctie van definitieve administratieve besluiten binnen een redelijke termijn door een bij wet ingesteld gerecht, met passende garanties voor rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Artikel 24.7. Voorlichting aan en bewustmaking van het grote publiek

1.

In aanvulling op artikel 27.1 (Bekendmaking) moedigt elke partij openbaar debat met en tussen niet-overheidsactoren aan met betrekking tot de ontwikkeling en vaststelling van beleid dat kan leiden tot vaststelling van milieuwetgeving door haar overheidsinstanties.

2.

Elke partij bevordert dat het grote publiek zich bewust is van haar milieuwetgeving, alsmede van haar handhavings- en nalevingsprocedures, door ervoor zorg te dragen dat informatie voor belanghebbenden beschikbaar is.

3.

Elke partij staat open voor en houdt naar behoren rekening met de opmerkingen van het grote publiek over met dit hoofdstuk verband houdende aangelegenheden, waaronder communicatie over bezorgdheden inzake de uitvoering van de desbetreffende bepalingen. Elke partij stelt haar respectieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld van deze communicatie in kennis via de in artikel 24.13, lid 5, bedoelde overlegmechanismen.

Artikel 24.8. Wetenschappelijke en technische informatie

1.

Bij de opstelling en uitvoering van maatregelen die zijn gericht op de bescherming van het milieu en die van invloed kunnen zijn op de handel of de investeringen tussen de partijen houdt elke partij rekening met wetenschappelijke en technische informatie ter zake en de desbetreffende internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen.

2.

De partijen erkennen dat waar sprake is van dreiging van ernstige of onherstelbare schade, het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid niet mag worden aangewend als reden voor het uitstellen van kosteneffectieve maatregelen om milieuaantasting te voorkomen.

Artikel 24.9. Handel waarbij milieubescherming wordt bevorderd

1.

De partijen zijn vastbesloten te streven naar vergemakkelijking en bevordering van de handel en de investeringen in milieugoederen en -diensten, onder meer door vermindering van niet-tarifaire belemmeringen met betrekking tot deze goederen en diensten.

2.

De partijen besteden in overeenstemming met hun internationale verplichtingen in het bijzonder aandacht aan het wegnemen van belemmeringen voor de handel of voor investeringen in goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor het tegengaan van de klimaatverandering, en met name voor de handel of investeringen in hernieuwbare energiegoederen en aanverwante diensten.

Artikel 24.10. Handel in bosproducten

1.

De partijen erkennen het belang van het behoud en het duurzame beheer van bossen om te voorzien in ecologische functies en economische en sociale kansen voor de huidige en toekomstige generaties, en van de toegang tot de markt voor bosproducten die zijn geoogst of gekapt in overeenstemming met de wetgeving van het land waar de oogst of houtkap heeft plaatsgevonden uit duurzaam beheerde bossen.

2.

Te dien einde en overeenkomstig hun internationale verplichtingen verbinden de partijen zich tot:

  • a. stimulering van de handel in bosproducten uit duurzaam beheerde bossen die zijn geoogst of gekapt in overeenstemming met de wetgeving van het land waar de oogst of houtkap heeft plaatsgevonden;
  • b. uitwisseling van informatie, en waar passend samenwerking met betrekking tot initiatieven ter bevordering van duurzaam bosbeheer, met inbegrip van initiatieven ter bestrijding van illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel;
  • c. bevordering van de doeltreffende toepassing van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten („Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora”), gedaan te Washington op 3 maart 1973, met betrekking tot houtsoorten die bedreigd worden geacht; en
  • d. samenwerking, waar passend, in internationale fora die zich bezighouden met de instandhouding en het duurzame beheer van bossen.
3.

De partijen bespreken de in lid 2 bedoelde onderwerpen in het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling of in de bilaterale dialoog inzake bosproducten zoals bedoeld in hoofdstuk vijfentwintig (Bilaterale dialogen en samenwerking), binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden.

Artikel 24.11. Handel in visserij- en aquacultuurproducten

1.

De partijen erkennen het belang van het behoud en het duurzame en verantwoorde beheer van de visserij en de aquacultuur en erkennen dat deze bijdragen aan ecologische, economische en maatschappelijke kansen voor de huidige en toekomstige generaties.

2.

Te dien einde en overeenkomstig hun internationale verplichtingen verbinden de partijen zich tot:

  • a. vaststelling of handhaving van doeltreffende monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen, zoals waarnemersregelingen, toezichtsregelingen voor vaartuigen, toezicht op het overladen, inspecties op zee, havenstaatcontrole, en van bijbehorende sancties, gericht op de instandhouding van de visbestanden en de voorkoming van overbevissing;
  • b. vaststelling of handhaving van handelingen en samenwerking bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij („IOO-visserij”), met inbegrip van, indien van toepassing, uitwisseling van informatie over IOO-activiteiten in hun wateren en de uitvoering van beleid en maatregelen om IOO-producten van de handelsstromen en viskwekerijen uit te sluiten;
  • c. samenwerking met en in voorkomend geval in regionale organisaties voor visserijbeheer waarvan de partijen lid, waarnemer of medewerkende niet-verdragsluitende partijen zijn, met als doel een goede governance, onder meer door te pleiten voor op wetenschappelijke inzichten gebaseerde besluiten en naleving van deze besluiten in die organisaties; en
  • d. bevordering van het ontwikkelen van een ecologisch verantwoorde en economisch concurrerende aquacultuurbedrijfstak.

Artikel 24.12. Samenwerking bij milieuvraagstukken

1.

De partijen erkennen dat nauwere samenwerking belangrijk is voor het verwezenlijken van de doelstellingen van dit hoofdstuk, en zij verbinden zich ertoe samen te werken bij handelsgerelateerde milieuvraagstukken van wederzijds belang, onder meer met betrekking tot:

  • a. de mogelijke gevolgen van deze overeenkomst voor het milieu en manieren om deze gevolgen te versterken, te voorkomen of te verzachten, waarbij rekening wordt gehouden met de eventueel door de partijen uitgevoerde effectbeoordelingen;
  • b. de werkzaamheden in internationale fora die zien op aangelegenheden die voor zowel het handels- als het milieubeleid relevant zijn, waaronder met name de WTO, de OESO, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en multilaterale milieuovereenkomsten;
  • c. de milieudimensie van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de verantwoordingsplicht, met inbegrip van de uitvoering en follow-up van internationaal erkende richtsnoeren;
  • d. de gevolgen voor de handel van milieuvoorschriften en -normen alsmede de milieueffecten van handels- en investeringsvoorschriften, de vaststelling van milieuvoorschriften en -beleid daaronder begrepen;
  • e. de handelsgerelateerde aspecten van de huidige en toekomstige internationale regeling in verband met klimaatverandering, en interne klimaatbeleidsmaatregelen en programma's in verband met het tegengaan van en de aanpassing aan de klimaatverandering, met inbegrip van vraagstukken betreffende de koolstofmarkten, manieren om de negatieve effecten van de handel op het klimaat aan te pakken, en middelen om energie-efficiëntie en de ontwikkeling en toepassing van koolstofarme en andere klimaatvriendelijke technologieën te bevorderen;
  • f. de handel en investeringen in milieugoederen en -diensten, onder meer op het gebied van milieu- en groene technologieën en praktijken; hernieuwbare energie; energie-efficiëntie; en het gebruik, het behoud en de behandeling van water;
  • g. samenwerking inzake handelsgerelateerde aspecten van de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit;
  • h. bevordering van levenscyclusbeheer van goederen, met inbegrip van een koolstofboekhouding en beheer van afgedankte producten, een uitgebreidere producentenaansprakelijkheid, recycling en afvalvermindering, en andere optimale werkwijzen;
  • i. een beter begrip van de effecten van economische activiteiten en de marktwerking op het milieu; en
  • j. de uitwisseling van standpunten over de verhouding tussen multilaterale milieuovereenkomsten enerzijds en voorschriften op het gebied van de internationale handel anderzijds.
2.

Samenwerking naar aanleiding van het bepaalde in lid 1 vindt plaats door middel van handelingen en instrumenten zoals technische uitwisseling, uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen, onderzoeksprojecten, studies, verslagen, conferenties en workshops.

3.

De partijen houden rekening met de standpunten en bijdragen van het publiek en van belanghebbenden bij de bepaling en uitvoering van hun samenwerkingsactiviteiten, en zij kunnen die belanghebbenden indien passend verder bij die activiteiten betrekken.

Artikel 24.13. Institutionele mechanismen

1.

Elke partij wijst een dienst aan die voor de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk fungeert als contactpunt voor de andere partij, onder meer met betrekking tot:

  • a. samenwerkingsprogramma's en -activiteiten overeenkomstig artikel 24.12;
  • b. de ontvangst van opmerkingen en communicatie op grond van artikel 24.7, lid 3; en
  • c. informatie die moet worden verstrekt aan de andere partij, het deskundigenpanel en het publiek.
2.

Elke partij stelt de andere partij schriftelijk in kennis van het in lid 1 bedoelde contactpunt.

3.

Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling dat is ingesteld bij artikel 26.2 (Gespecialiseerde comités), lid 1, onder g), zal, in het kader van zijn gewone bijeenkomsten of bijzondere zittingen met deelnemers die verantwoordelijk zijn voor onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden:

  • a. toezien op de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk en de in het kader van dit hoofdstuk verwezenlijkte vooruitgang evalueren;
  • b. aangelegenheden van gemeenschappelijk belang bespreken; en
  • c. alle andere binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallende aangelegenheden bespreken indien de partijen daartoe gezamenlijk besluiten.
4.

De partijen houden rekening met de werkzaamheden van multilaterale milieuorganisaties of -instanties ter zake, met het oog op meer samenwerking en samenhang ter zake van het werk van de partijen en die organisaties of instanties.

5.

Elke partij maakt gebruik van bestaande overlegmechanismen of stelt nieuwe overlegmechanismen in, zoals interne adviesgroepen, teneinde standpunten en adviezen over met dit hoofdstuk verband houdende aangelegenheden te inventariseren. Bij deze overlegmechanismen worden onafhankelijke representatieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld betrokken, met een evenwichtige vertegenwoordiging van milieuorganisaties, bedrijfsorganisaties en andere belanghebbenden ter zake in voorkomend geval. Belanghebbenden kunnen door middel van dergelijke overlegmechanismen op eigen initiatief advies uitbrengen en aanbevelingen doen over elke met dit hoofdstuk verband houdende aangelegenheid.

Artikel 24.14. Overleg

1.

Een partij kan om overleg met de andere partij verzoeken over elke aangelegenheid die zich in verband met dit hoofdstuk voordoet, door bij het contactpunt van de andere partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. De partij zet in het verzoek de aangelegenheid helder uiteen, omschrijft de desbetreffende vraagpunten en geeft een korte samenvatting van de eventuele vorderingen in het kader van dit hoofdstuk. Het overleg moet onverwijld na de indiening van het verzoek om overleg door een partij beginnen.

2.

Tijdens het overleg verstrekt elke partij de andere partij voldoende van de te harer beschikking staande informatie teneinde een volledige beoordeling van de aan de orde gestelde aangelegenheden mogelijk te maken, met inachtneming van haar wet- en regelgeving inzake de bescherming van vertrouwelijke of geheime informatie.

3.

Indien relevant, en indien beide partijen daarmee instemmen, verzoeken zij om informatie of om standpunten van de personen, organisaties of organen, met inbegrip van de internationale organisatie of het internationale orgaan ter zake, die kunnen bijdragen aan het onderzoek van de zich voordoende aangelegenheid.

4.

Indien een partij van oordeel is dat de aangelegenheid verder moet worden besproken, kan zij verzoeken het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling voor behandeling van de aangelegenheid bijeen te roepen, door bij het contactpunt van de andere partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling komt onverwijld bijeen en probeert de aangelegenheid tot een oplossing te brengen. In voorkomend geval wint dit, via de in artikel 24.13, lid 5, bedoelde overlegmechanismen, het advies in van de organisaties uit het maatschappelijk middenveld van de partijen.

5.

Elke partij maakt de oplossingen of besluiten ten aanzien van in het kader van dit artikel besproken aangelegenheden openbaar.

Artikel 24.15. Deskundigenpanel

1.

Voor alle aangelegenheden die niet op bevredigende wijze zijn opgelost door middel van overleg in het kader van artikel 24.14, kan een partij, negentig dagen na ontvangst van het verzoek om overleg ingevolge artikel 24.14, lid 1, verzoeken een deskundigenpanel bijeen te roepen om de aangelegenheid te onderzoeken, door bij het contactpunt van de andere partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen.

2.

Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk passen de partijen het reglement van orde en de gedragscode in de bijlagen 29-A en 29-B toe, tenzij zij anders besluiten.

3.

Het deskundigenpanel bestaat uit drie panelleden.

4.

Teneinde tot een akkoord te komen over de samenstelling van het deskundigenpanel, plegen de partijen overleg binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek door de partij waaraan een verzoek tot instelling van een deskundigenpanel is gericht. Er wordt gepaste aandacht geschonken aan de vraag of de voorgestelde panelleden voldoen aan de in lid 7 neergelegde eisen en of zij over de passende deskundigheid beschikken voor het concrete geval.

5.

Komen de partijen binnen de in lid 4 aangegeven termijn niet tot een besluit over de samenstelling van het deskundigenpanel, dan is de selectieprocedure als bedoeld in artikel 29.7 (Samenstelling van arbitragepanel), leden 3 tot en met 7, van toepassing ten aanzien van de volgens lid 6 vastgestelde lijst.

6.

Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling stelt bij zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst op van ten minste negen personen die zijn geselecteerd vanwege hun objectiviteit, betrouwbaarheid en deugdelijk oordeelsvermogen, en die bereid en in staat zijn om als panellid te fungeren. Elke partij wijst ten minste drie personen aan voor de lijst van personen die als panellid kunnen fungeren. De partijen wijzen bovendien ten minste drie personen aan die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die bereid en in staat zijn als voorzitter van het deskundigenpanel te fungeren. Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling ziet erop toe dat de lijst te allen tijde die omvang heeft.

7.

De als panellid voorgestelde deskundigen moeten beschikken over gespecialiseerde kennis of deskundigheid op het gebied van milieurecht, aangelegenheden waarop dit hoofdstuk betrekking heeft, of van de beslechting van geschillen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten. Zij moeten onafhankelijk zijn, op persoonlijke titel optreden en mogen geen instructies van enige organisatie of overheid aannemen met betrekking tot de aangelegenheid in kwestie. Zij mogen niet met de overheid van een van de partijen verbonden zijn en moeten de in lid 2 bedoelde gedragscode naleven.

8.

Tenzij de partijen binnen vijf werkdagen na de datum van selectie van de panelleden anders overeenkomen, luidt het mandaat van het deskundigenpanel als volgt:

„in het licht van de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk vierentwintig (Handel en milieu) de aangelegenheid onderzoeken die is beschreven in het verzoek om instelling van het deskundigenpanel, en overeenkomstig artikel 24.15 (Deskundigenpanel) van hoofdstuk vierentwintig (Handel en milieu), een verslag met aanbevelingen voor de oplossing van de aangelegenheid voorleggen.”.

9.

Voor aangelegenheden in verband met multilaterale milieuovereenkomsten zoals beschreven in artikel 24.4, moet het deskundigenpanel standpunten inventariseren van en informatie inwinnen bij de desbetreffende in het kader van deze overeenkomsten ingestelde organen, met inbegrip van eventuele relevante beschikbare richtsnoeren voor uitlegging, bevindingen of besluiten van die organen34)De partijen passen deze bepaling toe in overeenstemming met punt 42 van het reglement van orde voor arbitrage in bijlage 29-A..

10.

Het deskundigenpanel legt aan de partijen een tussentijds verslag en een eindverslag over met een uiteenzetting van de feitelijke bevindingen, zijn vaststellingen over de aangelegenheid, onder meer wat betreft de vraag of de partij waaraan het verzoek is gericht, aan haar verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk heeft voldaan en de motivering achter alle bevindingen, beslissingen en aanbevelingen van het panel. Het deskundigenpanel legt aan de partijen het tussentijdse verslag over binnen honderdtwintig dagen nadat het laatste panellid is geselecteerd, of binnen een andere door de partijen bepaalde termijn. De partijen kunnen binnen 45 dagen na het uitbrengen van het tussentijdse verslag opmerkingen over dit verslag indienen bij het deskundigenpanel. Het deskundigenpanel kan zijn verslag naar aanleiding van deze opmerkingen heroverwegen of, wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken. Het deskundigenpanel legt aan de partijen binnen zestig dagen na de indiening van het tussentijdse verslag het eindverslag over. Elke partij maakt het eindverslag binnen dertig dagen nadat het is uitgebracht openbaar.

11.

Indien in het eindverslag van het deskundigenpanel wordt vastgesteld dat een partij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk, treden de partijen in overleg en streven zij ernaar, binnen drie maanden na de indiening van het eindverslag passende maatregelen in kaart te brengen of, in voorkomend geval, tot een wederzijds bevredigend actieplan te besluiten. Bij deze besprekingen houden de partijen rekening met het eindverslag. De partij waaraan het verzoek is gericht, stelt haar organisaties uit het maatschappelijk middenveld, via de in artikel 24.13, lid 5, bedoelde overlegmechanismen, en de verzoekende partij tijdig in kennis van haar besluit over de acties of maatregelen die moeten worden uitgevoerd. Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op de follow-up naar aanleiding van het eindverslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel. De organisaties uit het maatschappelijk middenveld kunnen, via de in artikel 24.13, lid 5, bedoelde overlegmechanismen, evenals het forum voor het maatschappelijk middenveld opmerkingen ter zake indienen bij het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling.

12.

Indien de partijen na de instelling van een deskundigenpanel overeenstemming bereiken over een onderling overeengekomen oplossing voor de aangelegenheid, stellen zij het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling en het deskundigenpanel van deze oplossing in kennis. Wordt deze kennisgeving gedaan, dan wordt de panelprocedure beëindigd.

Artikel 24.16. Geschillenbeslechting

1.

Ten aanzien van geschillen uit hoofde van dit hoofdstuk kunnen de partijen enkel de in dit hoofdstuk voorziene regels en procedures inroepen.

2.

De partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om een geschil op een voor beide partijen aanvaardbare wijze op te lossen. De partijen kunnen te allen tijde gebruikmaken van goede diensten, conciliatie of bemiddeling om dat geschil te beslechten.

HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG. BILATERALE DIALOGEN EN SAMENWERKING

Artikel 25.1. Doelstellingen en beginselen

1.

Op basis van hun hechte partnerschap en gedeelde waarden komen de partijen overeen samenwerking te vergemakkelijken inzake aangelegenheden van gemeenschappelijk belang, onder meer door:

  • a. de bilaterale samenwerking te intensiveren op het gebied van biotechnologie via de dialoog inzake biotechnologievraagstukken in verband met markttoegang;
  • b. de bilaterale dialoog en de uitwisseling van informatie te stimuleren en te faciliteren met betrekking tot kwesties die verband houden met de handel in bosproducten via de bilaterale dialoog inzake bosproducten;
  • c. te streven naar een doelmatige samenwerking inzake grondstoffenkwesties en deze in stand te houden, via de bilaterale dialoog inzake grondstoffen; en
  • d. meer samenwerking te bevorderen op het gebied van wetenschap, technologie, onderzoek en innovatie.
2.

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, vinden bilaterale dialogen onverwijld op verzoek van een van de partijen of van het Gemengd Comité voor de CETA plaats. Het voorzitterschap van de dialogen wordt gezamenlijk bekleed door vertegenwoordigers van Canada en van de Europese Unie. De vergaderroosters en -agenda's worden vastgesteld op basis van onderlinge overeenstemming tussen de medevoorzitters.

3.

De medevoorzitters van een bilaterale dialoog stellen het Gemengd Comité voor de CETA tijdig voorafgaand aan bijeenkomsten op de hoogte van de roosters en agenda's van bilaterale dialogen. De medevoorzitters van een bilaterale dialoog brengen aan het Gemengd Comité voor de CETA verslag uit over de resultaten en conclusies van een dialoog indien passend of op verzoek van het Gemengd Comité voor de CETA. De instelling of het bestaan van een dialoog staat er niet aan in de weg dat een partij een aangelegenheid direct aan het Gemengd Comité voor de CETA voorlegt.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)