Algemeen Postverdrag

Type Verdrag
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 43
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 22.3 van de op 10 juli 1964 te Wenen tot stand gekomen Constitutie van de Wereldpostunie, hebben de ondergetekenden, gevolmachtigden van de regeringen van de lidstaten van de Unie, in gemeenschappelijk overleg en onder voorbehoud van artikel 25.4 van genoemde Constitutie, in dit Verdrag de regels vastgelegd die van toepassing zijn op de internationale postale dienst.

DEEL I. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS BETREFFENDE DE INTERNATIONALE POSTALE DIENST

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

1.

Ten behoeve van het Postverdrag worden de navolgende termen als volgt gedefinieerd:

  • 1.1. briefpostzending: zending zoals beschreven in en vervoerd overeenkomstig de voorwaarden van het Postverdrag en de Regelingen;
  • 1.2. pakketpostzending: zending zoals beschreven in en vervoerd overeenkomstig de voorwaarden van het Postverdrag en de Regelingen;
  • 1.3. EMS-zending: zending zoals beschreven in en vervoerd overeenkomstig de voorwaarden van het Postverdrag, de Regelingen en de bijbehorende EMS-instrumenten;
  • 1.4. stukken: een briefpost-, pakketpost- of EMS-zending bestaande uit schriftelijke, getekende, gedrukte of digitale informatie, met uitsluiting van handelswaren, waarvan de fysieke specificaties binnen de in de Regelingen vastgestelde grenzen vallen;
  • 1.5. goederen: een briefpost-, pakketpost- of EMS-zending bestaande uit elke roerende en lichamelijke zaak anders dan geld, met inbegrip van handelswaren, die niet onder de omschrijving in 1.4 van „stukken” valt en waarvan de fysieke specificaties binnen de in de Regelingen vastgestelde grenzen vallen;
  • 1.6. gesloten postzending: van een etiket en al dan niet een loodzegel voorziene verpakkingseenheid of -eenheden die poststukken bevat(ten);
  • 1.7. verkeerd bezorgde postzendingen: verpakkingseenheden die worden ontvangen door een ander uitwisselingskantoor dan dat op het etiket (van de verpakkingseenheid) is vermeld;
  • 1.8. persoonsgegevens: gegevens ter identificatie van een gebruiker van postdiensten;
  • 1.9. verkeerd bezorgde zendingen: zendingen die door een uitwisselingskantoor worden ontvangen, maar die waren bestemd voor een uitwisselingskantoor in een andere lidstaat;
  • 1.10. doorvoervergoedingen: vergoeding voor de diensten die door een vervoersinstantie van het doorkruiste land worden geleverd (aangewezen aanbieder, andere dienst of een combinatie van beide) met betrekking tot de doorvoer van de briefpostzendingen over land, over zee en/of door de lucht;
  • 1.11. eindkosten: door de aangewezen aanbieder van het verzendende land aan de aangewezen aanbieder van het land van bestemming verschuldigde vergoeding ter compensatie van de kosten die verband houden met de verwerking van de briefpostzendingen die in het land van bestemming worden ontvangen;
  • 1.12. aangewezen aanbieder: elke gouvernementele of niet-gouvernementele instantie die officieel door de lidstaat is aangewezen voor de verzorging van postale diensten en het vervullen van de daarbij behorende verplichtingen die uit de Akten van de Unie voortvloeien op zijn grondgebied;
  • 1.13. petit paquet: zending die wordt vervoerd overeenkomstig de voorwaarden van het Verdrag en de Regelingen;
  • 1.14. territoriaal bestellingsquotum: door de aangewezen aanbieder van het verzendende land aan de aangewezen aanbieder van het land van bestemming verschuldigde vergoeding ter compensatie van de kosten die verband houden met de verwerking van een postpakket in het land van bestemming;
  • 1.15. territoriaal doorvoerquotum: vergoeding verschuldigd voor de diensten die door een vervoersinstantie van het doorkruiste land worden geleverd (aangewezen aanbieder, andere dienst of een combinatie van beide) met betrekking tot de doorvoer van de postzendingen over land en/of door de lucht, voor het door zijn grondgebied voeren van een postpakket;
  • 1.16. maritiem quotum: vergoeding verschuldigd voor de diensten die door een vervoersinstantie worden geleverd (aangewezen aanbieder, andere dienst of een combinatie van beide) die deelneemt aan het vervoer over zee van een postpakket;
  • 1.17. klacht: een klacht of vraag naar aanleiding van het gebruik van een postale dienst die is ingediend overeenkomstig de voorwaarden van het Verdrag en de Regelingen daarbij;
  • 1.18. algemene postale dienst: permanente verzorging voor cliënten van kwalitatief hoogwaardige postale basisdiensten, op elk punt op het grondgebied van een land, tegen betaalbare prijzen;
  • 1.19. doorvoerzendingen à découvert: doorvoer, via een tussenliggend land, van zendingen waarvan het aantal of het gewicht geen vervaardiging van een gesloten postzending rechtvaardigt voor het land van bestemming.

Artikel 2. Aanwijzing van de instantie of instanties belast met het vervullen van de verplichtingen die uit de toetreding tot het Postverdrag voortvloeien

1.

De lidstaten doen binnen zes maanden na de afsluiting van het Congres aan het Internationaal Bureau kennisgeving van de naam en het adres van het overheidsorgaan dat belast is met het toezicht op de postzaken. Bovendien brengen de lidstaten het Internationaal Bureau binnen zes maanden na de afsluiting van het Congres op de hoogte van de naam en het adres van de aanbieder of aanbieders die officieel zijn aangewezen voor de verzorging van de postale diensten en het vervullen van de verplichtingen die op zijn of hun grondgebieden uit de Akten van de Unie voortvloeien. Tussen Congressen in brengen de lidstaten elke wijziging betreffende de overheidsinstanties zo spoedig mogelijk ter kennis van het Internationaal Bureau. Het Internationaal Bureau dient voorts zo spoedig mogelijk in kennis te worden gesteld van elke wijziging betreffende de officieel aangewezen aanbieders, bij voorkeur ten minste drie maanden voordat de wijziging in werking treedt.

2.

Een lidstaat die een nieuwe aanbieder officieel aanwijst, vermeldt de reikwijdte en de geografische dekking van de postale diensten die laatstgenoemde overeenkomstig de Akten van de Unie op zijn grondgebied zal verlenen.

Artikel 3. Algemene postale dienst

1.

Teneinde het concept van de eenheid van het postgebied van de Unie te versterken zien de lidstaten erop toe dat alle gebruikers/cliënten het recht genieten op een algemene postale dienst die overeenkomt met een aanbieding van kwalitatief hoogwaardige postale basisdiensten, die permanent en op elk punt op hun grondgebied tegen betaalbare prijzen worden aangeboden.

2.

Te dien einde stellen de lidstaten, in het kader van hun nationale postwetgeving of via andere gebruikelijke middelen, de reikwijdte van de desbetreffende postale diensten vast alsmede de voorwaarden betreffende kwaliteit en betaalbare prijzen, met inachtneming van zowel de behoeften van de bevolking als hun nationale omstandigheden.

3.

De lidstaten zien erop toe dat de aangeboden postale diensten en de kwaliteitsnormen door de met de algemene postale dienst belaste instanties worden geëerbiedigd.

4.

De lidstaten zien erop toe dat de algemene postale dienst op levensvatbare wijze wordt verzorgd, zodat het duurzame bestaan ervan wordt gewaarborgd.

Artikel 4. Vrijheid van doorvoer

1.

Het beginsel van de vrijheid van doorvoer wordt uiteengezet in artikel 1 van de Constitutie. Dit beginsel brengt voor elke lidstaat de verplichting met zich mee om ervoor te zorgen dat zijn aangewezen aanbieders de gesloten postzendingen en de briefpostzendingen à découvert die door een andere aangewezen aanbieder worden bezorgd, steeds verzenden langs de snelste weg en met behulp van de veiligste middelen die zij voor hun eigen zendingen gebruiken. Dit beginsel is eveneens van toepassing op verkeerd bezorgde zendingen of verkeerd bezorgde postzendingen.

2.

De lidstaten die niet deelnemen aan de uitwisseling van poststukken met besmettelijke stoffen of radioactieve stoffen, mogen de doorvoer van zulke zendingen à découvert over hun grondgebied weigeren. Dat is eveneens van toepassing op drukwerk, tijdschriften, periodieken, petits paquets en M-zakken waarvan de inhoud niet aan de wettelijke bepalingen voldoet die van toepassing zijn op de voorwaarden voor hun publicatie of circulatie in het land van doorvoer.

3.

Vrijheid van doorvoer van postpakketten is gewaarborgd binnen het gehele grondgebied van de Unie.

4.

Indien een lidstaat de bepalingen inzake de vrijheid van doorvoer niet naleeft, hebben de andere lidstaten het recht om de verlening van postale diensten met deze lidstaat af te schaffen.

Artikel 5. Eigendom van poststukken. Onttrekking. Wijziging of verbetering van het adres en/of naam van de geadresseerde (naam van de rechtspersoon, of achternaam, voornaam of (eventueel) patroniem). Nazending. Terugzending naar de afzender van onbestelbare stukken

1.

Zolang een poststuk niet bij de rechthebbende is besteld, blijft dit eigendom van de afzender, behalve indien het in beslag is genomen krachtens de nationale wetgeving van het land van herkomst of van bestemming en, in het geval van toepassing van artikel 19.2.1.1 of 19.3, overeenkomstig de nationale wetgeving van het land van doorvoer.

2.

De afzender van een poststuk kan dit uit de dienst laten terugtrekken of het adres en/of de naam van de geadresseerde (naam van de rechtspersoon, of achternaam, voornaam of (eventueel) patroniem) laten wijzigen of verbeteren. De porten en andere voorwaarden worden voorgeschreven in de Regelingen.

3.

De lidstaten zorgen ervoor dat hun aangewezen aanbieders poststukken in geval van wijziging van het adres van de geadresseerde nazenden, en onbestelbare stukken naar de afzender terugzenden. De porten en andere voorwaarden worden voorgeschreven in de Regelingen.

Artikel 6. Postzegels

1.

De benaming „postzegel” wordt uit hoofde van dit Postverdrag beschermd en is uitsluitend voorbehouden aan de zegels die voldoen aan voorwaarden van dit artikel en van de Regelingen.

2.

De postzegel:

  • 2.1. wordt uitsluitend onder het gezag van de lidstaat of het grondgebied uitgegeven en in omloop gebracht, overeenkomstig de Akten van de Unie;
  • 2.2. is een teken van soevereiniteit en vormt een bewijs van de frankering die overeenkomt met de intrinsieke waarde ervan, wanneer deze in overeenstemming met de Akten van de Unie op een poststuk wordt aangebracht;
  • 2.3. dient in omloop te zijn in de lidstaat of op het grondgebied waar de postzegel wordt uitgegeven voor gebruik ten behoeve van frankering of filatelie, overeenkomstig de nationale wetgeving;
  • 2.4. dient verkrijgbaar te zijn voor alle inwoners van de lidstaat of het grondgebied waar de postzegel wordt uitgegeven.
3.

De postzegel bevat:

  • 3.1. de naam van de uitgevende lidstaat of het uitgevende grondgebied, in Latijnse letters, dan wel, indien de lidstaat of het grondgebied waar de postzegel wordt uitgegeven daartoe een verzoek indient bij het Internationaal Bureau van de Unie, de officiële afkorting of initialen van de uitgevende lidstaat of het uitgevende grondgebied, overeenkomstig de in de Regelingen gestelde voorwaarden;1)Een uitzondering wordt gemaakt voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het land dat de postzegel heeft uitgevonden.
  • 3.2. de nominale waarde ervan, uitgedrukt:
  • 3.2.1. in beginsel, in de officiële munteenheid van de uitgevende lidstaat of het uitgevende grondgebied, of weergegeven in de vorm van een letter of symbool;
  • 3.2.2. door middel van andere specifieke identificatietekens.
4.

De staatsemblemen, de officiële controletekens en de emblemen van intergouvernementele organisaties die op de postzegels voorkomen, worden beschermd uit hoofde van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom.

5.

De onderwerpen en motieven van de postzegels dienen:

  • 5.2. nauw verband te houden met de culturele identiteit van de lidstaat of het grondgebied, of een bijdrage leveren aan het uitdragen van de cultuur of aan de handhaving van de vrede;
  • 5.3. in geval van herdenking van belangrijke personen uit of bijzondere gebeurtenissen in het buitenland voor de lidstaat of het grondgebied, een nauwe band met de genoemde lidstaat of het grondgebied te hebben;
  • 5.4. gespeend zijn van politieke of beledigende kenmerken ten aanzien van een persoon of land;
  • 5.5. van bijzonder belang te zijn voor de lidstaat of het grondgebied.
6.

Frankeerstempels, afdrukken van frankeermachines en afdrukken van drukpersen of andere druk- of stempelwijzen die voldoen aan de bepalingen van de Akten van de Unie, mogen uitsluitend met toestemming van de lidstaat of van het grondgebied worden gebruikt.

7.

Alvorens postzegels uit te geven waarvoor gebruik wordt gemaakt van nieuwe materialen of technologieën, verstrekken de lidstaten het Internationaal Bureau de nodige informatie over de geschiktheid ervan voor postverwerkende machines. Het Internationaal Bureau stelt de andere lidstaten en hun aangewezen aanbieders dienovereenkomstig op de hoogte.

Artikel 7. Duurzame ontwikkeling

De lidstaten en/of hun aangewezen aanbieders dienen op alle niveaus van de postexploitatie een dynamische duurzame ontwikkelingsstrategie te ontwikkelen en uit te voeren, die met name gericht is op sociale, economische en milieumaatregelen, en de voorlichting op het gebied van duurzame ontwikkeling te bevorderen.

Artikel 8. Postveiligheid

1.

De lidstaten en hun aangewezen aanbieders dienen de veiligheidseisen omschreven in de veiligheidsnormen van de Wereldpostunie na te leven en op alle niveaus van de postexploitatie een proactieve strategie aan te nemen voor activiteiten op het gebied van veiligheid en deze toe te passen, teneinde het vertrouwen van het publiek in de postale diensten die door de aangewezen aanbieders worden geleverd, te behouden en te vergroten, zulks in het belang van alle betrokken beambten. Deze strategie dient te beantwoorden aan de doelstellingen in de Regelingen en aan het beginsel dat vooraf langs elektronische weg gegevens worden verschaft over de in de uitvoeringsbepalingen omschreven poststukken (met inbegrip van het soort en de criteria voor poststukken), aangenomen door de Raad van Bestuur en de Postraad, in overeenstemming met de technische normen van de Unie voor berichten. De strategie dient tevens te voorzien in de uitwisseling van informatie met betrekking tot de handhaving van de veiligheid en de beveiliging van het vervoer en de doorvoer van postzendingen tussen de lidstaten en hun aangewezen aanbieders.

2.

De in de internationale keten toegepaste beveiligingsmaatregelen voor postvervoer dienen toegesneden te zijn op de risico’s of bedreigingen waarvoor zij bedoeld zijn en te worden ingevoerd zonder de wereldwijde poststromen of handel te belemmeren door rekening te houden met de bijzondere kenmerken van het postnetwerk. Beveiligingsmaatregelen die de postexploitatie mogelijk wereldwijd beïnvloeden, dienen internationaal te worden afgestemd en evenwichtig te worden ingevoerd, waarbij de desbetreffende belanghebbenden betrokken dienen te worden.

Artikel 9. Overtredingen

1.

Poststukken.

  • 1.1. De lidstaten verplichten zich ertoe alle nodige maatregelen te nemen om de navolgende handelingen te voorkomen en de daders ervan te vervolgen en te bestraffen:
  • 1.1.1. het insluiten in poststukken van verdovende middelen, psychotrope stoffen of; gevaarlijke goederen waarvoor insluiting niet uitdrukkelijk door het Verdrag en de Regelingen wordt toegestaan;
  • 1.1.2. het insluiten in poststukken van voorwerpen van pedofiele of pornografische aard waarin kinderen voorkomen.
2.

Frankering in het algemeen en frankeermiddelen in het bijzonder

  • 2.1. De lidstaten verplichten zich ertoe alle nodige maatregelen te nemen ter voorkoming, beteugeling en bestraffing van overtredingen met betrekking tot de in dit Verdrag bedoelde frankeermiddelen, te weten:
  • 2.1.1. in roulatie zijnde of uit de roulatie genomen postzegels;
  • 2.1.2. frankeermerken;
  • 2.1.3. afdrukken van frankeermachines en afdrukken van drukpersen;
  • 2.1.4. internationale antwoordcoupons.
  • 2.2. Ten behoeve van dit Verdrag wordt onder een overtreding met betrekking tot frankeermiddelen verstaan een van de volgende handelingen, begaan door personen met het oogmerk de pleger ervan of een derde op onrechtmatige wijze te verrijken. Het volgende dient strafbaar te worden gesteld:
  • 2.2.1. het vervalsen, imiteren of namaken van frankeermiddelen, of elke andere onrechtmatige of strafbare daad die verband houdt met de ongeoorloofde vervaardiging ervan;
  • 2.2.2. het vervaardigen, gebruiken, in omloop brengen, in de handel brengen, distribueren, verspreiden, vervoeren, presenteren of tentoonstellen (mede in de vorm van catalogi en voor publicitaire doeleinden) van vervalste, geïmiteerde of nagemaakte frankeermiddelen;
  • 2.2.3. het ten behoeve van postale doeleinden gebruiken of in omloop brengen van frankeermiddelen die reeds eerder zijn gebruikt;
  • 2.2.4. pogingen tot het begaan van een van de bovengenoemde overtredingen.
3.

Wederkerigheid

  • 3.1. Wat de sancties betreft, mag geen enkel onderscheid worden gemaakt tussen de onder 2 bedoelde handelingen, of het nu gaat om nationale of buitenlandse frankeermiddelen; op deze bepaling kunnen geen voorwaarden inzake wettelijke wederkerigheid of wederkerigheid op grond van een verdrag worden toegepast.

Artikel 10. Verwerking van persoonsgegevens

1.

De persoonsgegevens van gebruikers mogen uitsluitend worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verzameld in overeenstemming met de van toepassing zijnde nationale wetgeving.

2.

De persoonsgegevens van gebruikers worden uitsluitend ter kennis gebracht van derden die bevoegd zijn tot toegang op grond van de van toepassing zijnde nationale wetgeving.

3.

De lidstaten en hun aangewezen aanbieders waarborgen de vertrouwelijkheid en veiligheid van de persoonsgegevens van gebruikers in overeenstemming met hun nationale wetgeving.

4.

De aangewezen aanbieders stellen hun cliënten in kennis van het gebruik dat is gemaakt van hun persoonsgegevens en van het doel waarvoor zij zijn verzameld.

5.

Onverminderd het hiervoor bepaalde mogen de aangewezen aanbieders persoonsgegevens elektronisch doorgeven aan de aangewezen aanbieders van bestemmings- of doorvoerlanden die deze gegevens nodig hebben om de dienst te volbrengen.

Artikel 11. Uitwisseling van gesloten postzendingen met militaire eenheden

1.

Gesloten briefpostzendingen kunnen worden uitgewisseld via de landmacht-, marine- of luchtmachtdiensten van andere landen:

  • 1.1. tussen de postkantoren van een van de lidstaten en de bevelhebbers van de aan de Organisatie van de Verenigde Naties ter beschikking gestelde militaire eenheden;
  • 1.2. tussen de bevelhebbers van deze militaire eenheden;
  • 1.3. tussen de postkantoren van een van de lidstaten en de bevelhebbers van marine- of luchtmachtdivisies, oorlogsschepen of militaire vliegtuigen van hetzelfde land die in het buitenland zijn gestationeerd;
  • 1.4. tussen de bevelhebbers van marine-, luchtmacht- of landmachtdivisies, oorlogsschepen of militaire vliegtuigen van hetzelfde land.
2.

Briefpostzendingen die zijn opgenomen in de in 1 genoemde postzendingen dienen uitsluitend geadresseerd te zijn aan, of afkomstig te zijn van de leden van de militaire eenheden of van de staf- en bemanningsleden van de schepen of vliegtuigen van bestemming of herkomst. De daarvoor geldende tarieven en verzendingsvoorwaarden worden aan de hand van het binnenlandse reglement vastgesteld door de aangewezen aanbieder van de lidstaat die de militaire eenheid ter beschikking heeft gesteld, of waartoe de schepen of vliegtuigen behoren.

3.

Tenzij anders is overeengekomen, is de aangewezen aanbieder van de lidstaat die de militaire eenheid ter beschikking heeft gesteld, of waartoe de oorlogsschepen of militaire vliegtuigen behoren, aan de betrokken aangewezen aanbieders de doorvoervergoedingen, de eindkosten en de kosten voor het luchtvervoer verschuldigd.

Artikel 12. Terpostbezorging van briefpostzendingen in het buitenland

1.

Geen enkele aangewezen aanbieder is verplicht briefpostzendingen te verzenden of bij de geadresseerden te bestellen die op het grondgebied van de lidstaat woonachtige afzenders in het buitenland ter post bezorgen of doen bezorgen, met de bedoeling gebruik te maken van de aldaar geldende voordeligere tarieven.

2.

De bepalingen in 1 worden zonder onderscheid toegepast op briefpostzendingen die in het land van de afzender worden gereedgemaakt om vervolgens over de grens te worden vervoerd, en op briefpostzendingen die in het buitenland worden samengesteld.

3.

De aangewezen aanbieder van bestemming heeft het recht van de aangewezen aanbieder van terpostbezorging betaling te eisen van de binnenlandse tarieven. Indien de aangewezen aanbieder van terpostbezorging weigert deze tarieven binnen een door de aangewezen aanbieder van bestemming gestelde termijn te betalen, mag laatstgenoemde de zendingen terugsturen naar de aangewezen aanbieder van terpostbezorging met het recht op vergoeding van de kosten van terugzending, ofwel de zendingen overeenkomstig zijn nationale wetgeving behandelen.

4.

Geen enkele aangewezen aanbieder is verplicht de briefpostzendingen die de afzenders in grote hoeveelheden in een ander land dan dat waar ze verblijf houden ter post hebben bezorgd of laten bezorgen, te verzenden of bij de geadresseerden te bestellen indien het bedrag van de te heffen eindkosten minder hoog blijkt dan het bedrag dat zou zijn geheven indien de zendingen ter post zouden zijn bezorgd in het land van verblijf van de afzenders. De aangewezen aanbieder van bestemming heeft het recht om van de aangewezen aanbieder van terpostbezorging een vergoeding te eisen met betrekking tot de gemaakte kosten. Deze mag echter niet hoger zijn dan het hoogste bedrag van de volgende twee formules: hetzij 80% van het binnenlands tarief dat op vergelijkbare zendingen van toepassing is, hetzij de percentages die ingevolge de artikelen 29, 30.5 tot en met 30.11, 30.12 en 30.13, of 31.17, van toepassing zijn, naargelang van het geval. Indien de aangewezen aanbieder van terpostbezorging weigert het gevorderde bedrag binnen een door de aangewezen aanbieder van bestemming gestelde termijn te betalen, mag deze laatste aanbieder de zendingen terugsturen naar de aangewezen aanbieder van terpostbezorging met het recht op vergoeding van de kosten van terugzending, ofwel de zendingen overeenkomstig zijn nationale wetgeving behandelen.

Artikel 13. Gebruik van formulieren van de Unie

1.

Tenzij de Akten van de Unie anders bepalen, mogen uitsluitend aangewezen aanbieders gebruikmaken van de formulieren en documentatie van de Unie voor de verlening van postale diensten en de uitwisseling van poststukken overeenkomstig de Akten van de Unie.

2.

De aangewezen aanbieders kunnen de formulieren en documentatie van de Unie aanwenden voor de exploitatie van extraterritoriale uitwisselingskantoren (ETOE's) en internationale postverwerkingscentra (IMPC's) die zij oprichten buiten hun respectieve nationale grondgebied, zoals nader bepaald in het zesde lid, om de voornoemde verlening van postale diensten en uitwisseling van poststukken te vergemakkelijken.

3.

Voor de benutting van de in het tweede lid genoemde mogelijkheid gelden de voorwaarden van de nationale wetgeving of het binnenlands beleid van de lidstaat of het grondgebied waar het ETOE of IMPC is gevestigd. Dienaangaande, en onverminderd de verplichtingen inzake aanwijzing als bedoeld in artikel 2, waarborgen de aangewezen aanbieders dat zij aan hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag blijven voldoen, en zijn zij volledig verantwoordelijk voor al hun betrekkingen met andere aangewezen aanbieders en met het Internationaal Bureau.

4.

Wat de aanvaarding van poststukken afkomstig van deze ETOE's en IMPC's betreft, is de in het derde lid genoemde voorwaarde eveneens van toepassing op de lidstaat van bestemming.

5.

De lidstaten lichten het Internationaal Bureau in over hun beleid inzake poststukken verzonden door en/of ontvangen van ETOE's of IMPC's. De betreffende informatie wordt op de website van de Unie geplaatst.

6.

Uitsluitend ten behoeve van dit artikel worden ETOE's gedefinieerd als kantoren of voorzieningen die voor commerciële doeleinden worden opgericht en door of onder verantwoordelijkheid van de aangewezen aanbieders op het grondgebied van een lidstaat of ander dan hun eigen grondgebied worden geëxploiteerd met het oogmerk op buiten hun respectieve nationale grondgebied gelegen markten handel aan te trekken. IMPC's worden gedefinieerd als internationale voorzieningen voor de verwerking van internationale post die wordt uitgewisseld, hetzij om postzendingen tot stand te brengen of te ontvangen, hetzij om te fungeren als doorvoercentra voor internationale post die tussen andere aangewezen aanbieders wordt uitgewisseld.

7.

Niets in dit artikel zal zo worden uitgelegd dat ETOE’s of IMPC’s (met inbegrip van de aangewezen aanbieders die voor de oprichting en exploitatie ervan buiten hun respectieve nationale grondgebied verantwoordelijk zijn) zich in dezelfde situatie in het kader van de Akten van de Unie bevinden als de aangewezen aanbieders van het gastland, of dat er voor andere lidstaten een wettelijke verplichting ontstaat deze ETOE’s of IMPC’s te erkennen als aangewezen aanbieders op het grondgebied waar zij zijn gevestigd en worden geëxploiteerd.

DEEL II. NORMEN EN DOELSTELLINGEN INZAKE DE KWALITEIT VAN DE DIENSTVERLENING

Artikel 14. Normen en doelstellingen inzake de kwaliteit van de dienstverlening

1.

De lidstaten of hun aangewezen aanbieders dienen hun normen en doelstellingen inzake de bestelling van binnenkomende briefpostzendingen en pakketpostzendingen in het desbetreffende voorschrift zoals omschreven in de Regelingen vast te leggen, openbaar te maken en bij te werken.

2.

Deze normen en doelstellingen, vermeerderd met de tijd die normaliter nodig is voor de inklaring, mogen niet minder gunstig zijn dan die welke worden toegepast voor vergelijkbare zendingen in hun binnenlandse dienstverlening.

3.

De lidstaten of hun aangewezen aanbieders van herkomst dienen eveneens normen vast te leggen en te publiceren voor het volledige traject van prioritaire zendingen en briefpostzendingen per luchtpost alsmede voor pakketten en economische pakketten/over land of zee vervoerde pakketten.

4.

De lidstaten of hun aangewezen aanbieders evalueren de toepassing van de kwaliteitsnormen op het gebied van dienstverlening.

DEEL III. PORTEN, RECHTEN EN VRIJSTELLING VAN PORTEN

Artikel 15. Porten

1.

De porten voor de verschillende in het Verdrag omschreven postale diensten worden door de lidstaten of hun aangewezen aanbieders vastgesteld, afhankelijk van de nationale wetgeving en in overeenstemming met de grondbeginselen van het Verdrag en de Regelingen daarbij. De porten dienen in principe te worden vastgesteld in verhouding tot de kosten van het leveren van deze diensten.

2.

De lidstaat van herkomst of diens aangewezen aanbieder bepaalt, afhankelijk van de nationale wetgeving, de frankeertarieven voor het vervoer van de brief- en pakketpostzendingen. De frankeertarieven zijn inclusief de afgifte van de zendingen ten huize van de geadresseerde, voor zover de bestelling van dergelijke zendingen in het land van bestemming tot de dienstverlening behoort.

3.

De toegepaste porten, met inbegrip van die welke ter informatie in de Akten zijn vermeld, dienen minimaal gelijk te zijn aan die welke worden toegepast voor zendingen in het binnenlandse verkeer met dezelfde kenmerken (categorie, volume, verwerkingstermijn, enz.).

4.

Het is de lidstaten of hun aangewezen aanbieders, afhankelijk van de nationale wetgeving, toegestaan alle in de Akten voorkomende porten te overschrijden.

5.

Boven de onder 3 vastgestelde minimale limiet voor porten hebben de lidstaten of hun aangewezen aanbieders de mogelijkheid op hun nationale wetgeving gebaseerde lagere porten toe te staan voor briefpostzendingen en postpakketten die op het grondgebied van de lidstaat worden afgegeven. Zij hebben met name de mogelijkheid voorkeurstarieven toe te kennen aan hun cliënten die een aanzienlijk postverkeer hebben.

6.

Het is verboden aan cliënten andere porten in rekening te brengen dan die waarin is voorzien door de Akten.

7.

Behalve in de gevallen waarin door de Akten is voorzien, behoudt elke aangewezen aanbieder de porten die hij heeft geheven.

Artikel 16. Vrijstelling van porten

1.

Beginsel

  • 1.1. De gevallen van portvrijdom, als vrijstelling van de frankering, worden uitdrukkelijk in het Verdrag vermeld. In de Regelingen kunnen evenwel bepalingen worden opgenomen voor zowel de vrijstelling van frankering als de vrijstelling van betaling van doorvoerkosten, eindkosten en bestellingsquota voor briefpostzendingen en postpakketten met betrekking tot de postale dienst die door de lidstaten, de aangewezen aanbieders en de beperkte Unies worden verzonden. Daarnaast worden de briefpostzendingen en postpakketten die door het Internationaal Bureau van de Unie naar de beperkte Unies, de lidstaten en de aangewezen aanbieders worden verzonden, vrijgesteld van alle porten. De lidstaat van herkomst of diens aangewezen aanbieder is evenwel bevoegd luchtrechten te heffen voor deze laatste zendingen.
2.

Krijgsgevangenen en civiel geïnterneerden

  • 2.1. Vrijgesteld van alle porten, met uitzondering van luchtrechten, zijn briefpostzendingen, postpakketten en zendingen van postale financiële diensten aan of door krijgsgevangenen verzonden, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van de in de Regelingen van het Postverdrag en de in het Verdrag inzake postale financiële diensten vermelde kantoren. De in een neutraal land opgenomen en geïnterneerde oorlogvoerenden worden met de eigenlijke krijgsgevangenen gelijkgesteld voor zover het de toepassing van voornoemde bepalingen betreft.
  • 2.3. De in de Regelingen van het Postverdrag en van het Verdrag inzake postale financiële diensten vermelde bureaus genieten eveneens portvrijdom voor briefpostzendingen, postpakketten en zendingen van postale financiële diensten met betrekking tot de in 2.1 en 2.2 bedoelde personen die zij hetzij rechtstreeks, hetzij via bemiddeling verzenden of ontvangen.
  • 2.4. Pakketten tot 5 kilogram worden in portvrijdom aangenomen. Het maximumgewicht is 10 kilogram voor zendingen waarvan de inhoud ondeelbaar is en voor zendingen die, met het oog op de verdeling onder de gevangenen, aan een kamp of de vertrouwenspersoon daarvan zijn gericht.
  • 2.5. In het kader van de vereffening van de rekeningen tussen de aangewezen aanbieders wordt voor dienstpakketten en pakketten van of voor krijgsgevangenen en civiel geïnterneerden geen quotum toegekend, met uitzondering van de kosten van luchtvervoer die op de luchtpostpakketten van toepassing zijn.
3.

Braillestukken

  • 3.1. Braillestukken verzonden aan of door een organisatie voor blinden of verzonden door of aan een blinde zijn vrijgesteld van elk port, met uitzondering van luchtrechten, voor zover deze stukken als zodanig zijn toegelaten tot het binnenlandse verkeer van de verzendende aangewezen aanbieder.
  • 3.2. In dit artikel wordt verstaan onder:
  • 3.2.1. een blinde: een persoon die als blinde of slechtziende is geregistreerd in zijn land of die voldoet aan de omschrijving van de Wereldgezondheidsorganisatie van blinden of slechtzienden;
  • 3.2.2. een organisatie voor blinden: een instituut of vereniging ten dienste van of ter officiële vertegenwoordiging van blinden;
  • 3.2.3. braillestukken: correspondentie, literatuur in ongeacht welk formaat met inbegrip van geluidsopnames, en elke soort apparatuur of materiaal vervaardigd of aangepast ter ondersteuning van blinden teneinde de problemen van blindheid te overwinnen, zoals omschreven in de Regelingen.

DEEL IV. BASISDIENSTEN EN AANVULLENDE DIENSTEN

Artikel 17. Basisdiensten

1.

De lidstaten dienen erop toe te zien dat hun aangewezen aanbieders zorg dragen voor de toelating, de verwerking, het vervoer en de bestelling van briefpostzendingen.

2.

Briefpostzendingen die uitsluitend stukken bevatten, zijn:

  • 2.1. prioritaire of niet-prioritaire zendingen tot 2 kilogram;
  • 2.2. brieven, postkaarten en drukwerk tot 2 kilogram;
  • 2.3. braillestukken tot 7 kilogram.
  • 2.4. (geschrapt.)
3.

Briefpostzendingen die goederen bevatten, zijn:

  • 3.1. prioritaire of niet-prioritaire petits paquets tot 2 kilogram.
  • 3.2. braillestukken tot 7 kilogram, zoals vermeld in de Regeling.
  • 3.3. (geschrapt.)
4.

De briefpostzendingen worden gerangschikt naar zowel de snelheid van behandeling als de inhoud ervan, overeenkomstig de Regeling.

5.

Binnen het classificatiesysteem bedoeld in 4, kunnen briefpostzendingen ook worden ingedeeld op grond van hun omvang als kleine brieven (P), grote brieven (G), volumineuze brieven (E) of petits paquets (E). De limieten qua omvang en gewicht zijn omschreven in de Regeling.

6.

Op sommige categorieën briefpostzendingen zijn facultatief hogere gewichtslimieten dan de onder 2 en 3 genoemde limieten van toepassing, volgens de in de Regeling vermelde voorwaarden.

7.

De lidstaten dienen er ook op toe te zien dat hun aangewezen aanbieders zorg dragen voor de toelating, de verwerking, het vervoer en de bestelling van pakketpostzendingen tot 20 kilogram.

8.

Op sommige pakketpostzendingen zijn facultatief gewichtslimieten van meer dan 20 kilogram van toepassing, volgens de in de Regeling vermelde voorwaarden.

Artikel 18. Aanvullende diensten

1.

De lidstaten verzorgen de levering van de navolgende verplichte aanvullende diensten:

  • 1.1. aantekendienst voor uitgaande en binnenkomende lucht- en prioritaire briefpostzendingen die uitsluitend stukken bevatten;
  • 1.2. (geschrapt;)
  • 1.3. gevolgde postale dienst voor binnenkomende lucht- en prioritaire briefpostzendingen die goederen bevatten.
2.

De lidstaten kunnen de navolgende facultatieve aanvullende diensten waarborgen in het kader van de betrekkingen tussen de aangewezen aanbieders die zijn overeengekomen deze diensten te verzorgen:

  • 2.1. postale dienst met waardeaangifte voor briefpostzendingen en pakketten;
  • 2.2. postale dienst met rembourszending voor briefpostzendingen en pakketten;
  • 2.3. gevolgde postale dienst voor binnenkomende lucht- en prioritaire briefpostzendingen die stukken bevatten en voor uitgaande lucht- en prioritaire briefpostzendingen die stukken of goederen bevatten;
  • 2.4. postale dienst voor het in handen afgeven van aangetekende briefpostzendingen of van zendingen met waardeaangifte;
  • 2.5. postale dienst voor port- en rechtvrije zendingen voor briefpostzendingen en pakketten;
  • 2.6. dienst voor pakketten die een bijzondere behandeling behoeven;
  • 2.7. „Consignment”-consolidatiedienst voor gegroepeerde zendingen van één afzender die voor het buitenland zijn bestemd;
  • 2.8. retourdienst voor handelswaar, waarbij de geadresseerde handelswaar terugzendt naar de oorspronkelijke verkoper met diens toestemming;
  • 2.9. bijzondere zakken die nieuwsbladen, tijdschriften, boeken en vergelijkbaar drukwerk bevatten, gericht aan dezelfde geadresseerde en aan dezelfde bestemming, „M-zakken”: genoemd, tot 30 kg.
3.

De drie navolgende aanvullende diensten omvatten tegelijkertijd verplichte en facultatieve aspecten:

  • 3.1. dienst internationaal antwoordnummer (CCRI), die voornamelijk facultatief is. Alle lidstaten of hun aangewezen aanbieders zijn echter verplicht de retourdienst te verzorgen van deze zendingen;
  • 3.2. dienst internationale antwoordcoupons. Deze coupons kunnen worden uitgewisseld in elke lidstaat, maar de verkoop ervan is facultatief;
  • 3.3. ontvangstbevestigingen voor aangetekende briefpostzendingen en zendingen met waardeaangifte. Alle lidstaten of hun aangewezen aanbieders accepteren ontvangstbevestigingen voor binnenkomende zendingen. De verzorging van een ontvangstbevestiging voor uitgaande zendingen is echter facultatief.
4.

Deze diensten en de bijbehorende heffingen worden beschreven in de Regeling.

5.

Indien voor de hieronder vermelde diensten in het binnenlandse verkeer bijzondere heffingen gelden, zijn de aangewezen aanbieders bevoegd dezelfde heffingen te vragen voor internationale zendingen, volgens de in de Regeling genoemde voorwaarden:

  • 5.1. bestelling van petits paquets van meer dan 500 g;
  • 5.2. terpostbezorging van een briefpostzending op het uiterste tijdstip;
  • 5.3. terpostbezorging buiten de normale openingsuren van de loketten;
  • 5.4. ophalen bij de afzender thuis;
  • 5.5. afhalen van een briefpostzending buiten de normale openingsuren van de loketten;
  • 5.6. poste-restante;
  • 5.7. opslag van briefpostzendingen van meer dan 500 gram (met uitzondering van braillestukken) en van postpakketten;
  • 5.8. aflevering van pakketten in antwoord op het bericht van aankomst;
  • 5.9. dekking tegen het risico van overmacht;
  • 5.10. afleveren van briefpostzendingen buiten de normale openingsuren van de loketten.

DEEL V. VERBODSBEPALINGEN EN DOUANEZAKEN

Artikel 19. Niet-toegelaten zendingen. Verbodsbepalingen

1.

Algemeen

  • 1.1. Zendingen die niet voldoen aan de bij het Verdrag en de Regelingen vereiste voorwaarden worden niet toegelaten. Zendingen die worden verstuurd met het oog op een frauduleuze handeling of het opzettelijk verzuim de volledige verschuldigde bedragen te betalen, worden evenmin toegelaten.
  • 1.2. De uitzonderingen op de in dit artikel genoemde verboden zijn in de Regelingen vervat.
  • 1.3. Alle lidstaten of hun aangewezen aanbieders hebben de mogelijkheid de in dit artikel genoemde verboden, die onmiddellijk na de opneming ervan in het desbetreffende voorschrift kunnen worden toegepast, uit te breiden. Alle lidstaten of hun aangewezen aanbieders die de lijst van artikelen die zij verbieden of op voorwaarden toelaten als invoer (of in doorvoer), willen uitbreiden of wijzigen, stellen het Internationaal Bureau in kennis, dat vervolgens het relevante voorschrift dienovereenkomstig bijwerkt.
2.

Verboden die gelden voor alle categorieën zendingen

  • 2.1. Het insluiten van de hieronder genoemde voorwerpen is in alle categorieën zendingen verboden:
  • 2.1.1. verdovende middelen en psychotrope stoffen zoals gedefinieerd door het Internationaal comité van toezicht op verdovende middelen (OICS), of andere illegale drugs die in het land van bestemming verboden zijn;
  • 2.1.2. obscene of immorele voorwerpen;
  • 2.1.3. nagemaakte en op ongeoorloofde wijze geproduceerde voorwerpen;
  • 2.1.4. andere voorwerpen waarvan de invoer of het verkeer in het land van bestemming verboden is;
  • 2.1.5. voorwerpen die, vanwege hun aard of verpakking, een gevaar kunnen vormen voor de beambten of voor het grote publiek of de andere zendingen of postuitrusting of de eigendommen van derden kunnen bevuilen of beschadigen;
  • 2.1.6. stukken met het karakter van een actuele en persoonlijke briefwisseling tussen andere personen dan de afzender en de geadresseerde of de bij hen wonende personen;
3.

Gevaarlijke goederen

  • 3.1. Het insluiten van gevaarlijke goederen zoals beschreven in het Verdrag en de Regelingen, is in alle categorieën zendingen verboden.
  • 3.2. Het insluiten van ontplofbare voorwerpen en inert militair materieel, met inbegrip van inerte granaten, inerte projectielen en andere soortgelijke artikelen, alsmede replica’s van dergelijke voorwerpen en artikelen, is in alle categorieën zendingen verboden.
  • 3.3. Bij wijze van uitzondering kunnen gevaarlijke goederen worden aangenomen in het kader van de betrekkingen tussen lidstaten die zich bereid hebben verklaard deze goederen op wederkerigheids- of eenrichtingsbasis toe te laten, mits ze voldoen aan de nationale en internationale regels en voorschriften inzake vervoer.
4.

Levende dieren

  • 4.1. Het insluiten van levende dieren is in alle categorieën zendingen verboden.
  • 4.2. Bij uitzondering worden de navolgende dieren toegelaten in briefpostzendingen anders dan zendingen met waardeaangifte:
  • 4.2.1. bijen, bloedzuigers en zijderupsen;
  • 4.2.2. parasieten en verdelgers van schadelijke insecten, bestemd voor de beheersing van deze insecten en uitgewisseld tussen officieel erkende instellingen;
  • 4.2.3. vliegen van de drosophilidae-familie die worden gebruikt voor biomedisch onderzoek tussen officieel erkende instellingen.
  • 4.3. Bij uitzondering worden de navolgende dieren in pakketten toegelaten:
  • 4.3.1. levende dieren waarvan het vervoer per post in de postvoorschriften en/of nationale wetgeving van de betrokken landen wordt toegestaan.
5.

Insluiting van correspondentie in pakketten

  • 5.1. Het insluiten van de hieronder genoemde voorwerpen in postpakketten is verboden:
  • 5.1.1. correspondentie, met uitzondering van archiefstukken, tussen andere personen dan de afzender en de geadresseerde of de bij hen wonende personen.
6.

Muntstukken, bankbiljetten en andere waardevolle voorwerpen

  • 6.1. Het is verboden muntstukken, bankbiljetten, muntbiljetten of om het even welke waarden aan toonder, reischeques, al dan niet bewerkt platina, goud of zilver, edelstenen, juwelen of andere waardevolle voorwerpen in te sluiten:
  • 6.1.1. in briefpostzendingen zonder waardeaangifte;
  • 6.1.1.1. wanneer de nationale wetgeving van het land van herkomst en het land van bestemming dit toestaat, mogen deze voorwerpen echter wel aangetekend in een gesloten enveloppe worden verzonden;
  • 6.1.2. in pakketten zonder waardeaangifte, behalve wanneer de nationale wetgeving van het land van herkomst en van het land van bestemming dit toestaat;
  • 6.1.3. in pakketten zonder waardeaangifte in het verkeer tussen twee landen die waardeaangifte accepteren;
  • 6.1.3.1. bovendien kan elke lidstaat of aangewezen aanbieder de insluiting verbieden van baren goud in pakketten met of zonder waardeaangifte afkomstig van of met een bestemming op zijn grondgebied of in doorvoer à découvert over zijn grondgebied; elke lidstaat of aangewezen aanbieder kan beperkingen stellen aan de werkelijke waarde van deze zendingen.
7.

Drukwerken en braillestukken:

  • 7.1. mogen niet van een vermelding zijn voorzien en mogen geen correspondentie bevatten;
  • 7.2. mogen geen postzegel of een al dan niet ongeldig gemaakte frankeermethode bevatten, en geen papieren die een waarde vertegenwoordigen, behalve in het geval de zending een kaart, envelop of van tevoren gefrankeerde band bevat met het oog op de retourzending ervan, waarop het adres van de afzender van de zending of van diens vertegenwoordiger in het land van terpostbezorging of van bestemming van de oorspronkelijke zending is afgedrukt.
8.

Behandeling van zendingen die ten onrechte zijn toegelaten

  • 8.1. Zendingen die ten onrechte zijn toegelaten, worden behandeld overeenkomstig de Regelingen. Zendingen die de in 2.1.1, 2.1.2, 3.1 en 3.2 bedoelde voorwerpen bevatten, worden echter in geen geval naar de bestemming verzonden, noch bij de geadresseerden besteld, noch teruggestuurd naar de plaats van herkomst. Indien de in 2.1.1 bedoelde voorwerpen worden ontdekt in doorvoerzendingen, worden deze laatste behandeld overeenkomstig de nationale wetgeving van het land van doorvoer. Indien de in 3.1 en 3.2 bedoelde voorwerpen tijdens het vervoer worden ontdekt, is de betrokken aangewezen aanbieder gerechtigd deze voorwerpen uit de zending te halen en te verwijderen. De aangewezen aanbieder kan het restant van de verzending vervolgens naar de bestemming sturen, vergezeld van informatie over de verwijdering van het ontoelaatbare voorwerp.

Artikel 20. Douanecontrole. Douanerechten en andere rechten

1.

De aangewezen aanbieders van het land van herkomst en die van het land van bestemming zijn gemachtigd om, overeenkomstig de wetgeving van hun land, zendingen aan douanecontrole te onderwerpen.

2.

Zendingen die ter controle aan de douane worden voorgelegd, kunnen door de postale dienst worden belast met kosten voor aanbieding bij de douane waarvan het indicatieve bedrag in de Regelingen wordt vastgelegd. Deze kosten worden slechts voor aanbieding bij de douane en voor inklaring geheven voor de zendingen die zijn belast met douanerechten of soortgelijke rechten.

3.

De aangewezen aanbieders die toestemming hebben verkregen voor het verrichten van de inklaring, hetzij namens de cliënt, hetzij namens de aangewezen aanbieder van het land van bestemming, mogen van de cliënten een op de werkelijke kosten van de handeling gebaseerde toeslag heffen. Deze heffing kan, op grond van de nationale wetgeving, worden opgelegd voor alle bij de douane aangegeven zendingen, met inbegrip van zendingen die van douanerechten zijn vrijgesteld. De cliënten dienen van tevoren naar behoren van de desbetreffende heffing op de hoogte te worden gebracht.

4.

De aangewezen aanbieders zijn gemachtigd om van de afzenders c.q. de geadresseerden van de zendingen douanerechten en eventuele andere rechten te heffen.

DEEL VI. AANSPRAKELIJKHEID

Artikel 21. Klachten

1.

Elke aangewezen aanbieder is verplicht de klachten betreffende pakketten, aangetekende zendingen of zendingen met waardeaangifte en bewijs van afgifte die bij zijn eigen dienst of bij die van een andere aangewezen aanbieder ter post zijn bezorgd, in behandeling te nemen, mits dergelijke klachten door cliënten worden ingediend door cliënten binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag na de terpostbezorging van de zending. De doorgifte en afhandeling van klachten tussen de aangewezen aanbieders verlopen overeenkomstig de in de Regelingen gestelde voorwaarden. De termijn van zes maanden heeft betrekking op de relatie tussen de indieners van de klacht en de aangewezen aanbieders en heeft geen betrekking op het doorgeven van klachten tussen de aangewezen aanbieders.

2.

De behandeling van klachten is kosteloos. De bijkomende kosten als gevolg van een verzoek om verzending via de EMS-dienst komen in beginsel echter ten laste van de verzoeker.

Artikel 22. Aansprakelijkheid van de aangewezen aanbieders. Schadevergoedingen

1.

Algemeen

  • 1.1. Met uitzondering van de in artikel 23, bedoelde gevallen, zijn de aangewezen aanbieders aansprakelijk voor:
  • 1.1.1. verlies, ontvreemding of beschadiging van aangetekende zendingen, gewone pakketten (met uitzondering van pakketzendingen in de categorie levering van elektronisch geplaatste bestellingen („ECOMPRO-pakketten”), waarvan de specificaties nader zijn omschreven in de Regelingen) en zendingen met waardeaangifte;
  • 1.1.2. de terugzending van aangetekende zendingen, zendingen met waardeaangifte en gewone pakketten wanneer geen reden van onbestelbaarheid wordt gegeven.
  • 1.2. De aangewezen aanbieders aanvaarden geen aansprakelijkheid wanneer het gaat om andere pakketten dan de in 1.1.1 en 1.1.2 genoemde pakketten, noch voor ECOMPRO-pakketten.
  • 1.3. In elk ander geval waarin niet door dit Verdrag wordt voorzien, aanvaarden de aangewezen aanbieders geen aansprakelijkheid.
  • 1.4. Wanneer het verlies of de volledige beschadiging van een aangetekende zending, van een gewoon pakket of van een zending met waardeaangifte het gevolg is van overmacht die geen aanleiding tot schadevergoeding geeft, heeft de afzender recht op teruggave van de voor de terpostbezorging betaalde toeslagen, met uitzondering van de toeslag voor waardeaangifte.
  • 1.5. De bedragen van de te betalen schadevergoeding mogen niet hoger zijn dan de in de Regelingen vermelde bedragen.
  • 1.6. In geval van aansprakelijkheid worden indirecte schade, gederfde winsten of immateriële schade niet in aanmerking genomen bij het te betalen schadevergoedingsbedrag.
  • 1.7. Alle bepalingen inzake de aansprakelijkheid van de aangewezen aanbieders zijn strikt, dwingend en uitputtend. De aansprakelijkheid van de aangewezen aanbieders blijft in elk geval – ook bij grove schuld (grove fout) – beperkt tot de in het Postverdrag en de Regelingen vastgestelde limieten
2.

Aangetekende zendingen

  • 2.1. De afzender van een aangetekende zending heeft bij verlies, volledige ontvreemding of volledige beschadiging daarvan recht op een schadevergoeding vastgelegd in de Regelingen. Indien de afzender een bedrag eist dat lager is dan het in de Regelingen bepaalde bedrag, mogen de aangewezen aanbieders dit lagere bedrag uitkeren en op basis hiervan door de eventuele andere betrokken aangewezen aanbieders worden vergoed.
  • 2.2. In geval van gedeeltelijke ontvreemding of gedeeltelijke beschadiging van een aangetekende zending heeft de afzender in principe recht op een vergoeding die overeenkomt met het werkelijke bedrag van de ontvreemding of de beschadiging.
3.

Gewone pakketten

  • 3.1. In geval van verlies, volledige ontvreemding of volledige beschadiging van een gewoon pakket heeft de afzender recht op een in de Regelingen vastgestelde vergoeding. Indien de afzender een bedrag eist dat lager is dan het in de Regelingen bepaalde bedrag, mogen de aangewezen aanbieders dit lagere bedrag uitkeren en op basis hiervan door de eventuele andere betrokken aangewezen aanbieders worden vergoed.
  • 3.2. In geval van gedeeltelijke ontvreemding of gedeeltelijke beschadiging van een gewoon pakket heeft de afzender in principe recht op een vergoeding die overeenkomt met het werkelijke bedrag van de ontvreemding of de beschadiging.
  • 3.3. De aangewezen aanbieders kunnen overeenkomen in hun wederzijdse betrekkingen het in de Regelingen vastgestelde bedrag toe te passen, zonder inachtneming van het gewicht van het pakket.
4.

Zendingen met waardeaangifte

  • 4.1. Bij verlies, volledige ontvreemding of volledige beschadiging van een zending met waardeaangifte, heeft de afzender recht op een schadevergoeding die in principe overeenkomt met het bedrag, in BTR, van de aangegeven waarde.
  • 4.2. In geval van gedeeltelijke ontvreemding of gedeeltelijke beschadiging van een zending met waardeaangifte heeft de afzender recht op een vergoeding die in principe overeenkomt met het werkelijke bedrag van de ontvreemding of de beschadiging. Dit bedrag mag echter in geen geval hoger zijn dan het bedrag, in BTR, van de aangegeven waarde.
5.

In geval van terugzending van een aangetekende briefpostzending of een briefpostzending met waardeaangifte, heeft de afzender, wanneer geen reden van onbestelbaarheid wordt gegeven, uitsluitend recht op terugbetaling van de voor de terpostbezorging van de zending betaalde porten.

6.

In geval van terugzending van een pakket wanneer geen reden van onbestelbaarheid wordt gegeven, heeft de afzender recht op terugbetaling van de voor de terpostbezorging in het land van herkomst betaalde porten en van de uitgaven veroorzaakt door de terugzending van het pakket uit het land van bestemming.

7.

In de in 2, 3 en 4 bedoelde gevallen wordt de schadevergoeding berekend volgens de in BTR omgezette marktprijs van gelijksoortige voorwerpen of goederen op de plaats en het tijdstip waarop de zending voor vervoer werd aangenomen. Bij ontbreken van een marktprijs wordt de schadevergoeding berekend volgens de gewone waarde van op dezelfde grondslag geschatte voorwerpen of goederen.

8.

Wanneer vanwege verlies, volledige ontvreemding of volledige beschadiging van een aangetekende zending, van een gewoon pakket of van een zending met waardeaangifte een schadevergoeding verschuldigd is, heeft de afzender of, naargelang van het geval, de geadresseerde bovendien recht op terugbetaling van de voor de terpostbezorging van de zending betaalde porten en rechten, met uitzondering van de toeslag voor aantekenen of waardeaangifte. Hetzelfde geldt voor aangetekende zendingen, gewone pakketten of zendingen met waardeaangifte die door de geadresseerden worden geweigerd als gevolg van de slechte staat ervan, indien deze aan de aangewezen aanbieder toe te rekenen is en deze hiervoor aansprakelijk is.

9.

In afwijking van het in 2, 3 en 4 bepaalde heeft de geadresseerde recht op schadevergoeding bij ontvreemding, beschadiging of verlies van een aangetekende zending, een gewoon pakket of een zending met waardeaangifte indien de afzender ten gunste van de geadresseerde schriftelijk afstand doet van zijn rechten. Afstand van rechten is niet nodig indien de afzender tevens de geadresseerde is.

10.

De aangewezen aanbieder van herkomst heeft het recht aan de afzenders in zijn land de schadevergoedingen uit te betalen welke zijn voorzien in de nationale wetgeving van zijn land inzake aangetekende zendingen en pakketten zonder waardeaangifte, mits deze niet lager zijn dan die welke zijn vastgesteld in 2.1 en 3.1. Hetzelfde geldt voor de aangewezen aanbieder van bestemming wanneer de schadevergoeding aan de geadresseerde wordt betaald. De in 2.1 en 3.1 vastgestelde bedragen blijven echter van toepassing:

  • 10.1. in geval van verhaal op de aansprakelijke aangewezen aanbieder; of
  • 10.2. indien de afzender ten gunste van de geadresseerde afstand doet van zijn rechten.
11.

Behoudens in geval van een bilaterale overeenkomst, is geen enkel voorbehoud betreffende de overschrijding van de klachttermijnen en de betaling van de schadevergoeding aan de aangewezen aanbieders van toepassing, met inbegrip van de in de Regelingen vastgelegde tijdvakken en voorwaarden.

Artikel 23. Niet-aansprakelijkheid van de lidstaten en de aangewezen aanbieders

1.

De aangewezen aanbieders zijn niet langer aansprakelijk voor aangetekende poststukken, pakketten en zendingen met waardeaangifte zodra zij deze hebben besteld overeenkomstig de voorschriften van hun regelingen inzake dergelijke zendingen. Zij zijn echter nog wel aansprakelijk:

  • 1.1. wanneer ontvreemding of beschadiging wordt vastgesteld, hetzij vóór, hetzij tijdens de bestelling van de zending;
  • 1.2. wanneer de geadresseerde, of in geval van terugzending de afzender, een voorbehoud maakt bij de inontvangstname van een gedeeltelijk ontvreemde of beschadigde zending, wanneer de nationale regelgeving dit toestaat;
  • 1.3. wanneer de aangetekende zending werd besteld in een brievenbus, wanneer de nationale regelgeving dit toestaat, en de geadresseerde verklaart deze niet te hebben ontvangen;
  • 1.4. wanneer de geadresseerde, of in geval van terugzending de afzender, van een pakket of een zending met waardeaangifte, niettegenstaande het feit dat hij daarvoor op de voorgeschreven wijze voor ontvangst heeft getekend, onverwijld aan de aangewezen aanbieder die hem de zending heeft uitgereikt te kennen geeft dat hij schade heeft vastgesteld. De betrokkene dient aan te tonen dat de ontvreemding of beschadiging niet na de bestelling heeft plaatsgehad. De term „onverwijld” dient te worden uitgelegd overeenkomstig de nationale wetgeving.
2.

De lidstaten en de aangewezen aanbieders zijn niet aansprakelijk:

  • 2.2. wanneer zij, zonder dat hun aansprakelijkheid op een andere manier wordt bewezen, geen rekenschap kunnen afleggen voor de zendingen als gevolg van vernieling van de dienstbescheiden die voortvloeit uit een geval van overmacht;
  • 2.3. wanneer het verlies of de schade is veroorzaakt door een fout of nalatigheid van de afzender of voortvloeit uit de aard van de inhoud;
  • 2.4. wanneer het zendingen betreft die vallen onder de verbodsbepalingen van artikel 19;
  • 2.5. in geval van inbeslagname krachtens de wetgeving van het land van bestemming, na kennisgeving door de lidstaat of de aangewezen aanbieder van dat land;
  • 2.6. wanneer het gaat om zendingen met waardeaangifte waarbij een frauduleuze aangifte is gedaan van een waarde die hoger is dan de werkelijke waarde van de inhoud;
  • 2.7. wanneer de afzender binnen de termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van terpostbezorging van de zending, geen klacht heeft ingediend;
  • 2.8. wanneer het pakketten van krijgsgevangenen of civiel geïnterneerden betreft;
  • 2.9. wanneer wordt vermoed dat de afzender heeft gehandeld met frauduleuze opzet met het oogmerk een schadevergoeding te ontvangen.
3.

De lidstaten en de aangewezen aanbieders aanvaarden geen aansprakelijkheid uit hoofde van douaneaangiften, in welke vorm dan ook, of beslissingen die door de douanediensten worden genomen bij de verificatie van de aan douanecontrole onderworpen zendingen.

Artikel 24. Aansprakelijkheid van de afzender

1.

De afzender van een zending is aansprakelijk voor de door de beambten van de posterijen geleden letselschade en voor alle schade aan andere poststukken alsmede aan de uitrusting van de posterijen die te wijten is aan het verzenden van niet voor vervoer toegelaten voorwerpen of aan het niet nakomen van de voorwaarden voor toelating.

2.

In geval van schade veroorzaakt aan andere poststukken, is de afzender voor elke beschadigde zending binnen dezelfde grenzen aansprakelijk als de aangewezen aanbieders.

3.

De afzender blijft aansprakelijk, zelfs indien het kantoor van terpostbezorging de zending aanvaardt.

4.

Wanneer de voorwaarden voor toelating door de afzender zijn nagekomen, is deze evenwel niet aansprakelijk voor zover de aangewezen aanbieders of vervoerders bij de verwerking van de zendingen na de acceptatie ervan schuld of nalatigheid kan worden verweten.

Artikel 25. Betaling van schadevergoeding

1.

Onder voorbehoud van het recht op verhaal op de verantwoordelijke aangewezen aanbieder, dient de schadevergoeding door de aangewezen aanbieder van herkomst of, naargelang van het geval, de aangewezen aanbieder van bestemming te worden betaald en rust op deze aanbieder de verplichting tot terugbetaling van de porten en rechten.

2.

De afzender mag ten gunste van de geadresseerde afzien van zijn recht op schadevergoeding. De afzender, of de geadresseerde indien afstand wordt gedaan van het recht op schadevergoeding, kan een derde machtigen de schadevergoeding in ontvangst te nemen, indien de nationale wetgeving dat toestaat.

Artikel 26. Eventuele terugvordering van de schadevergoeding van de afzender of de geadresseerde

1.

Indien, na betaling van een schadevergoeding, een tevoren als verloren beschouwde aangetekende zending, een pakket of zending met waardeaangifte, of een gedeelte van de inhoud daarvan wordt teruggevonden, wordt de afzender of, naargelang van het geval, de geadresseerde ervan op de hoogte gebracht dat de zending gedurende een periode van drie maanden te zijner beschikking wordt gehouden tegen terugbetaling van het bedrag van de betaalde schadevergoeding. Tevens wordt hem gevraagd aan wie de zending dient te worden afgegeven. In geval van weigering of wanneer niet binnen de gestelde termijn wordt gereageerd, wordt dezelfde procedure gevolgd ten aanzien van de geadresseerde of, naargelang van het geval, de afzender, die dezelfde termijn krijgt om te reageren.

2.

Zien de afzender en de geadresseerde af van inontvangstname van de zending of reageren zij niet binnen de in het eerste lid vastgestelde termijn, dan wordt deze eigendom van de aangewezen aanbieder of de aangewezen aanbieders die de schade heeft respectievelijk hebben gedragen.

3.

Wordt een zending met waardeaangifte later teruggevonden en blijkt de waarde van de inhoud lager te zijn dan het bedrag van de betaalde schadevergoeding, dan dient de afzender of, naargelang van het geval, de geadresseerde het bedrag van deze schadevergoeding tegen afgifte van de zending terug te betalen, onverminderd de gevolgen die voortvloeien uit de frauduleuze waardeaangifte.

DEEL VII. VERGOEDING

A. DOORVOERVERGOEDINGEN

Artikel 27. Doorvoervergoedingen

1.

Gesloten depêches en doorvoerzendingen à découvert die tussen twee aangewezen aanbieders of tussen twee kantoren van dezelfde lidstaat via de diensten van één of meer andere aangewezen aanbieders (derde diensten) worden uitgewisseld, zijn onderworpen aan de betaling van doorvoervergoedingen. Deze vormen een vergoeding voor de dienstverlening in de vorm van doorvoer over land, over zee of door de lucht. Dit beginsel is eveneens van toepassing op verkeerd bezorgde zendingen of verkeerd bezorgde depêches. Dit beginsel is eveneens van toepassing op verkeerd bezorgde zendingen of verkeerd bezorgde postzendingen.

B. EINDKOSTEN

Artikel 28. Eindkosten. Algemene bepalingen

1.

Onder voorbehoud van de in de Regelingen voorgeschreven uitzonderingen heeft elke aangewezen aanbieder die van een andere aangewezen aanbieder briefpostzendingen ontvangt, het recht van de aangewezen aanbieder van verzending een vergoeding te vragen voor de door de ontvangen internationale post veroorzaakte kosten.

2.

Voor de toepassing van de bepalingen betreffende de vergoeding voor eindkosten door hun aangewezen aanbieders, worden de landen en grondgebieden gerangschikt overeenkomstig de daartoe door het Congres bij resolutie C7/2016 opgestelde lijsten, zoals hierna vermeld:

  • 2.1. landen en grondgebieden die reeds vóór 2010 deel uitmaakten van het doelsysteem (groep I);
  • 2.2. landen en grondgebieden die vanaf 2010 en 2012 deel uitmaken van het doelsysteem (groep II);
  • 2.3. landen en grondgebieden die vanaf 2016 deel uitmaken van het doelsysteem (groep III);
  • 2.4. landen en grondgebieden die deel uitmaken van het overgangssysteem (groep IV).
3.

De bepalingen van dit Verdrag betreffende de betaling van eindkosten zijn overgangsbepalingen die leiden tot de aanneming van een betalingssysteem dat rekening houdt met de bijzondere kenmerken van elk land na de beëindiging van de overgangsperiode.

4.

Toegang tot het binnenlandse verkeer. Directe toegang

  • 4.1. In beginsel stelt elke aangewezen aanbieder van een land dat reeds vóór 2010 deel uitmaakte van het doelsysteem aan de andere aangewezen aanbieders alle tarieven en voorwaarden ter beschikking die hij in zijn binnenlandse dienstverlening, onder dezelfde voorwaarden, zijn nationale cliënten aanbiedt. Het is de taak van de aangewezen aanbieder van bestemming te beoordelen of de aangewezen aanbieder van herkomst al dan niet heeft voldaan aan de voorwaarden en modaliteiten voor directe toegang.
  • 4.2. De aangewezen aanbieders van de landen van het doelsysteem van vóór 2010 dienen de tarieven en voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienstverlening worden geboden toegankelijk te maken voor de andere aangewezen aanbieders van landen die vóór 2010 deel uitmaakten van het doelsysteem onder dezelfde voorwaarden als die welke aan de nationale cliënten worden geboden.
  • 4.3. De aangewezen aanbieders van de landen die zich na 2010 aansloten bij het doelsysteem kunnen ervoor kiezen de voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienstverlening worden geboden, op basis van wederkerigheid gedurende een proefperiode van twee jaar toegankelijk te maken voor een beperkt aantal aangewezen aanbieders. Na deze termijn moeten zij een keuze maken tussen twee opties: de voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienst worden geboden niet langer toegankelijk maken of hiermee doorgaan en de voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienst worden geboden voor alle aangewezen aanbieders toegankelijk maken. Indien de aangewezen aanbieders van de landen die zich na 2010 hebben aangesloten bij het doelsysteem de aangewezen aanbieders van de landen die vóór 2010 deel uitmaakten van het doelsysteem verzoeken de tarieven en voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienstverlening worden geboden op hen toe te passen, dienen zij de tarieven en voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienstverlening worden geboden toegankelijk te maken voor alle andere aangewezen aanbieders, onder dezelfde voorwaarden als die welke aan de nationale cliënten worden geboden.
  • 4.4. De aangewezen aanbieders van de landen van het overgangssysteem kunnen ervoor kiezen de tarieven en voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienstverlening worden geboden niet voor de andere aangewezen aanbieders toegankelijk te maken. Zij kunnen er evenwel voor kiezen de voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienstverlening worden geboden, op basis van wederkerigheid gedurende een proefperiode van twee jaar toegankelijk te maken voor een beperkt aantal aangewezen aanbieders. Na deze termijn moeten zij een keuze maken tussen twee opties: de voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienst worden geboden niet langer toegankelijk maken of hiermee doorgaan en de voorwaarden die in het kader van hun binnenlandse dienst worden geboden voor alle aangewezen aanbieders toegankelijk maken.
5.

De vergoeding van de eindkosten wordt gebaseerd op de kwaliteit van de dienstverlening in het land van bestemming. De Postraad is derhalve bevoegd premies op de in de artikelen 29, 30 en 31 bedoelde vergoeding toe te kennen ter aanmoediging van de deelname aan het controlesysteem en ter compensatie van de aangewezen aanbieders die hun kwaliteitsdoel bereiken. De Postraad kan ook boetes vaststellen in geval van ontoereikende kwaliteit, maar de vergoeding van de aangewezen aanbieders kan niet minder bedragen dan de in de artikelen 30 en 31 genoemde minimumvergoeding.

6.

Elke aangewezen aanbieder mag geheel of gedeeltelijk afzien van de in 1 bedoelde vergoeding.

7.

Voor de vergoeding van de eindkosten worden M-zakken die minder wegen dan 5 kilogram aangemerkt als M-zakken van 5 kilogram. Het voor M-zakken toe te passen bedrag van de eindkosten bedraagt:

  • 7.1. voor het jaar 2022 1,016 BTR per kilogram;
  • 7.2. voor het jaar 2023 1,044 BTR per kilogram;
  • 7.3. voor het jaar 2024 1,073 BTR per kilogram;
  • 7.4. voor het jaar 2025 1,103 BTR per kilogram.
8.

Voor aangetekende zendingen wordt in 2022 een aanvullende vergoeding van 1,463 BTR per zending voorzien, in 2023 een vergoeding van 1,529 BTR per zending, in 2024 van 1,598 BTR per zending en in 2025 van 1,670 BTR. Voor zendingen met waardeaangifte wordt in 2022 een aanvullende vergoeding van 1,777 BTR per zending voorzien, in 2023 een vergoeding van 1,857 BTR per zending, in 2024 van 1,941 BTR per zending en in 2025 van 2,028 BTR. De Postraad is bevoegd vergoedingspremies voor deze en andere aanvullende diensten toe te kennen wanneer de geleverde diensten aanvullende elementen omvatten die in de Regelingen dienen te worden omschreven.

9.

Voor gevolgde zendingen wordt een aanvullende vergoeding van 0,400 BTR per zending voorzien in overeenstemming met de voorwaarden omschreven in de Regelingen. De Postraad is bevoegd vergoedingspremies voor gevolgde zendingen toe te kennen op basis van prestaties bij de elektronische overbrenging van informatie, zoals omschreven in de Regelingen.

10.

Behoudens een andersluidende bilaterale overeenkomst is een aanvullende vergoeding van 0,5 BTR voorzien voor petits paquets, aangetekende zendingen en zendingen met waardeaangifte en gevolgde zendingen zonder identificatie door middel van een streepjescode of met identificatie door middel een streepjescode die niet voldoet aan de technische norm S10 van de Unie.

11.

De Postraad is bevoegd vergoedingspremies toe te kennen en/of boetes vast te stellen met betrekking tot de naleving door aangewezen aanbieders van de vereisten voor het vooraf langs elektronische weg leveren van gegevens over briefpostzendingen die goederen bevatten.

12.

De vergoeding voor teruggezonden onbestelbare briefpostzendingen wordt in de Regelingen omschreven.

13.

Voor de betaling van de eindkosten worden briefpostzendingen ter post bezorgd in partijen in overeenstemming met de voorwaarden omschreven in de Regelingen aangeduid als „partijenpost”. De betaling voor partijenpost wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 29, 30 en 31, naargelang van toepassing.

14.

Elke aangewezen aanbieder mag op basis van een bilaterale of multilaterale overeenkomst andere vergoedingssystemen voor de verrekening van eindkosten toepassen.

15.

De aangewezen aanbieders mogen ervoor kiezen niet-prioritaire post uit te wisselen onder verlening van een korting van 10% op het bedrag van de eindkosten dat op prioritaire post van toepassing is.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)