Brede en versterkte Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2021-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 401
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel 209. Doelstellingen

De doelstellingen van dit hoofdstuk zijn:

  • a. de productie en commercialisering van vernieuwende en creatieve producten tussen de partijen vergemakkelijken en daardoor bijdragen tot een duurzamere en meer inclusieve economie voor elke partij; alsmede
  • b. het bereiken van een adequaat en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten.
Artikel 210. Aard en toepassingsgebied van verplichtingen
1.

De partijen waarborgen een adequate en doeltreffende tenuitvoerlegging van de internationale verdragen inzake intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn, met inbegrip van de WTO-Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die is opgenomen in bijlage 1C bij de WTO-Overeenkomst („TRIPS-Overeenkomst”). Dit hoofdstuk vormt een aanvulling op en specificatie van de tussen de partijen geldende rechten en verplichtingen uit hoofde van de TRIPS-Overeenkomst en andere internationale verdragen op het gebied van intellectuele eigendom.

2.

Voor de toepassing van deze overeenkomst omvat de term „intellectuele eigendom” onder meer alle categorieën intellectuele eigendom die vermeld worden in afdeling B van dit hoofdstuk.

3.

De bescherming van intellectuele eigendom omvat ook de bescherming tegen oneerlijke concurrentie zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 1883, laatstelijk herzien bij de Akte van Stockholm van 1967 („Verdrag van Parijs (1967)”).

Artikel 211. Uitputting

Elke partij voorziet in een regeling voor de nationale of regionale uitputting van intellectuele-eigendomsrechten.

DEEL B. NORMEN BETREFFENDE INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

ONDERAFDELING I. AUTEURSRECHT EN NABURIGE RECHTEN

Artikel 212. Geboden bescherming
1.

De partijen nemen de rechten en verplichtingen in acht die zijn neergelegd in:

2.

De partijen stellen alles in het werk wat redelijkerwijs in hun vermogen ligt om toe te treden tot het Verdrag van Peking inzake audiovisuele uitvoeringen.

Artikel 213. Auteurs

Elke partij voorziet voor auteurs in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

  • a. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van hun werken, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;
  • b. elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins;
  • c. de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken aan het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk kunnen zijn; alsmede
  • d. de huur en de uitlening van het origineel en van kopieën van hun werken.
Artikel 214. Uitvoerend kunstenaars

Elke partij voorziet voor uitvoerend kunstenaars in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

  • a. de vastlegging26)Onder „vastlegging” wordt verstaan de opname van geluiden of beelden van hun uitvoeringen, of van de weergave daarvan, door middel waarvan deze kunnen worden waargenomen, gereproduceerd of meegedeeld door middel van een toestel. van hun uitvoeringen;
  • b. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van vastleggingen van hun uitvoeringen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;
  • c. de distributie onder het publiek van vastleggingen van hun uitvoeringen, door verkoop of anderszins;
  • d. het openbaar maken van vastleggingen van hun uitvoeringen per draad of draadloos, op zodanige manier dat leden van het publiek deze kunnen beluisteren op een door hen individueel gekozen plaats;
  • e. de draadloze uitzending en mededeling van hun uitvoeringen aan het publiek, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of op basis van een vastlegging is gemaakt; en
  • f. de huur en de uitlening van vastleggingen van hun uitvoeringen.
Artikel 215. Producenten van fonogrammen

Elke partij voorziet voor producenten van fonogrammen in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

  • a. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van hun fonogrammen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;
  • b. hun fonogrammen, met inbegrip van kopieën daarvan, ter beschikking te stellen van het publiek, door verkoop of anderszins;
  • c. de beschikbaarstelling van hun fonogrammen aan het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang ertoe hebben; alsmede
  • d. de huur en de uitlening van hun fonogrammen.
Artikel 216. Omroeporganisaties

Elke partij voorziet voor omroeporganisaties in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

  • a. de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen;
  • b. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van vastleggingen van hun uitvoeringen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen;
  • c. de beschikbaarstelling van vastleggingen van hun uitzendingen aan het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang ertoe hebben;
  • d. de distributie onder het publiek van vastleggingen van hun uitzendingen, door verkoop of anderszins; alsmede
  • e. de draadloze heruitzending van hun uitzendingen, alsmede de mededeling aan het publiek van hun uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn.
Artikel 217. Uitzending en mededeling aan publiek

Elke partij voorziet in een recht op grond waarvan een enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd door de gebruiker aan de uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen, wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of reproductie daarvan wordt gebruikt voor draadloze uitzending of voor enigerlei mededeling aan het publiek. Elke partij garandeert dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de desbetreffende uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen. Elke partij kan bij gebreke van overeenstemming tussen uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen bepalen volgens welke voorwaarden deze vergoeding tussen hen wordt verdeeld.

Artikel 218. Duur van bescherming
1.

Het vermogensrecht op werken van letterkunde en kunst in de zin van artikel 2 van de Berner Conventie geldt gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na zijn dood, ongeacht op welk tijdstip het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.

2.

In geval van een gemeenschappelijk auteursschap op hetzelfde werk wordt de in lid 1 vastgestelde termijn berekend vanaf de dag van overlijden van de langstlevende auteur.

3.

Voor anonieme of pseudonieme werken bedraagt de beschermingstermijn 70 jaar vanaf het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Indien evenwel de door de auteur aangenomen schuilnaam geen enkele twijfel aan zijn identiteit laat of de auteur zijn identiteit tijdens de in de eerste zin aangegeven termijn openbaart, geldt de in lid 1 vastgestelde termijn.

4.

Indien een partij voorziet in bijzondere rechten betreffende collectieve werken of bepaalt dat een rechtspersoon als rechthebbende aangewezen moet worden, wordt de beschermingstermijn overeenkomstig lid 3 berekend, tenzij de natuurlijke personen die het werk als zodanig hebben gecreëerd, als auteur worden geïdentificeerd in de versies van het werk die voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt. Dit lid laat onverlet de rechten van geïdentificeerde auteurs wier identificeerbare bijdragen in dergelijk werk zijn opgenomen; lid 1 of lid 2 is op die bijdragen van toepassing.

5.

Voor werken die in verschillende banden, delen, afleveringen, nummers of episoden gepubliceerd zijn en waarvoor de beschermingstermijn ingaat op het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek openbaar is gemaakt, loopt de beschermingstermijn voor elk onderdeel afzonderlijk.

6.

Voor werken waarvan de beschermingstermijn niet berekend is vanaf de dood van de auteur of auteurs en die niet binnen 70 jaar na hun totstandkoming op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt, vervalt de bescherming.

7.

De beschermingstermijn van een cinematografisch of audiovisueel werk bedraagt 70 jaar na de dood van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de auteur van de dialogen en de componist van de muziek die specifiek voor gebruik in het cinematografische of audiovisuele werk is gemaakt.

8.

Elke partij garandeert dat hij die na het verstrijken van de auteursrechtelijke bescherming een niet eerder gepubliceerd werk voor het eerst op geoorloofde wijze publiceert of op geoorloofde wijze aan het publiek meedeelt, een bescherming geniet die gelijkwaardig is met de vermogensrechten van de auteur. De beschermingstermijn van deze rechten bedraagt 25 jaar vanaf het tijdstip waarop het werk voor het eerst op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is.

9.

De rechten van uitvoerend kunstenaars vervallen niet eerder dan 50 jaar na de datum van de uitvoering. Indien echter binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten niet eerder dan 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek.

10.

De vermogensrechten van uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen vervallen 70 jaar na de datum van de eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, de eerste mededeling aan het publiek. Een partij kan doeltreffende maatregelen nemen om te garanderen dat de winst die wordt gemaakt tijdens de 20 jaar durende bescherming volgend op de 50 jaar, billijk worden verdeeld tussen de uitvoerders en producenten.

11.

De vermogensrechten van producenten van de eerste vastlegging van een film vervallen niet eerder dan 50 jaar na de vastlegging. Indien de film echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten niet eerder dan 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek.

12.

De vermogensrechten van omroeporganisaties vervallen niet eerder dan 50 jaar na de eerste uitzending van een programma, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.

13.

De in dit artikel gestelde termijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de termijn doet ingaan.

Artikel 219. Bescherming van technische maatregelen
1.

Elke partij voorziet in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technologische maatregelen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij aldus handelt.

2.

Elke partij voorziet in een passende rechtsbescherming tegen de vervaardiging, invoer, distributie, verkoop, verhuur, reclame voor verkoop of verhuur, of het bezit voor commerciële doeleinden van inrichtingen, producten of onderdelen, of het verrichten van diensten die:

  • a. gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht worden om doeltreffende technologische maatregelen te omzeilen;
  • b. buiten de omzeiling van doeltreffende technologische maatregelen een commercieel doel van slechts beperkt belang dienen; of
  • c. hoofdzakelijk ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn dan wel verricht worden met het doel de omzeiling van doeltreffende technologische maatregelen mogelijk of gemakkelijker te maken.
3.

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „technologische maatregelen’’ verstaan technologie, toestellen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander beschermd materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van een auteursrecht of naburig recht overeenkomstig de nationale wetgeving. Technologische maatregelen worden geacht „doeltreffend” te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of ander beschermd materiaal wordt gecontroleerd door de houders van het recht door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocedé zoals versleuteling, codering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming biedt.

Artikel 220. Bescherming van informatie betreffende beheer van rechten
1.

Elk van beide partijen voorziet in een passende rechtsbescherming tegen eenieder die opzettelijk op ongeoorloofde wijze een van de volgende handelingen verricht:

  • a. de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten;
  • b. de verspreiding, de invoer ter verspreiding, de uitzending, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling aan het publiek van werken of ander krachtens dit hoofdstuk beschermd materiaal, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd,

en deze persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot een inbreuk op een auteursrecht of naburig recht overeenkomstig de nationale wetgeving, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „informatie over het beheer van rechten” verstaan alle door de houders van een recht verstrekte informatie die dient ter identificatie van het werk of het andere materiaal bedoeld in dit hoofdstuk, dan wel van de auteur of een andere rechthebbende, of informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk of het andere materiaal, alsook de cijfers of codes waarin die informatie is vervat.

3.

Lid 1 is van toepassing wanneer deze informatie is verbonden met een kopie, of kenbaar wordt bij de mededeling aan het publiek, van een werk of ander materiaal dat uit hoofde van dit hoofdstuk wordt beschermd.

Artikel 221. Uitzonderingen en beperkingen
1.

Elke partij kan alleen in beperkingen of uitzonderingen op de in de artikelen 213 tot en met 218 bedoelde rechten voorzien in bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met een normale exploitatie van het beschermde materiaal en die de legitieme belangen van de houders van rechten niet op onredelijke wijze schaden, overeenkomstig de internationale verdragen en overeenkomsten waarbij zij partij zijn.

2.

Elke partij voorziet erin dat tijdelijke reproductiehandelingen als bedoeld in de artikelen 213 tot en met 217, die van voorbijgaande of incidentele aard zijn, die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch proces en die worden toegepast met als enig doel: a) een doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon, of b) een legitiem gebruik van een werk of ander beschermd materiaal, en die geen zelfstandige economische waarde bezitten, mogelijk te maken, vrijgesteld zijn van het in de artikelen 213 tot en met 217 van deze overeenkomst bedoelde reproductierecht.

Artikel 222. Volgrecht van kunstenaars
1.

Elke partij stelt ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk een volgrecht in, dat wordt omschreven als een onvervreemdbaar recht waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet op voorhand, om telkens wanneer het werk na de eerste overdracht door de auteur wordt doorverkocht, een op de verkoopprijs berekend recht te ontvangen.

2.

Het in lid 1 bedoelde recht is van toepassing op elke doorverkoop waarbij actoren uit de professionele kunsthandel, zoals veilinghuizen, kunstgalerijen of andere kunsthandelaren, betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon.

3.

Elke partij kan bepalen dat het in lid 1 bedoelde recht niet van toepassing is op een doorverkoop waarbij de verkoper het werk minder dan drie jaar vóór de doorverkoop heeft verkregen van de kunstenaar zelf en de doorverkoopprijs niet meer dan een bepaald minimumbedrag bedraagt.

4.

Het recht komt ten laste van de verkoper. Elke partij kan bepalen dat een van de in lid 2 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, maar niet de verkoper, alleen dan wel samen met de verkoper aansprakelijk is voor de betaling van het recht.

5.

De procedure voor inning en de bedragen van het recht worden in de nationale wetgeving vastgelegd.

Artikel 223. Samenwerking bij collectief beheer van rechten
1.

De partijen streven ernaar de samenwerking tussen hun organisaties voor collectief beheer te bevorderen teneinde de beschikbaarheid van werken en ander beschermd materiaal op het grondgebied van de partijen en de overdracht van rechten voor het gebruik van dergelijke werken of ander beschermd materiaal te bevorderen.

2.

De partijen bevorderen de transparantie van organisaties voor collectief beheer, meer bepaald wat betreft het innen van rechten, inhoudingen op geïnde rechten, het gebruik van geïnde rechten, het uitkeringsbeleid en hun repertoire.

3.

De partijen verbinden zich ertoe te garanderen dat waar een organisatie voor collectief beheer die is gevestigd op het grondgebied van een partij, een andere organisatie voor collectief beheer vertegenwoordigt die is gevestigd op het grondgebied van de andere partij, bij wijze van een vertegenwoordigingsovereenkomst, de representerende organisatie voor collectief beheer de houders van een recht van de gerepresenteerde organisatie voor collectief beheer niet discrimineert.

4.

De representerende organisatie voor collectief beheer betaalt de bedragen die zijn verschuldigd aan de gepresenteerde organisatie voor collectief beheer op een accurate, regelmatige en zorgvuldige wijze, en verstrekt tevens de gerepresenteerde organisatie voor collectief beheer informatie over de bedragen van de rechten die namens deze werden geïnd, alsook over eventuele inhoudingen op deze geïnde rechten.

ONDERAFDELING II. HANDELSMERKEN

Artikel 224. Internationale overeenkomsten

Elke partij draagt zorg voor het volgende:

Artikel 225. De rechten die zijn verbonden aan een handelsmerk

Het geregistreerde handelsmerk geeft de houder een uitsluitend recht. Dit recht staat de houder toe, iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economische verkeer te verbieden:

  • a. wanneer dat teken gelijk is aan het handelsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het handelsmerk is geregistreerd; alsmede
  • b. wanneer dat teken identiek is met of lijkt op het handelsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten die identiek zijn met of lijken op die waarvoor het handelsmerk is geregistreerd, indien dergelijk gebruik zou leiden tot mogelijke verwarring bij het publiek, met inbegrip van het gevaar van associatie tussen het teken en het handelsmerk.
Artikel 226. Inschrijvingsprocedure
1.

Elke partij zorgt voor een systeem voor de registratie van handelsmerken waarbij de definitieve negatieve beslissingen van de desbetreffende handelsmerkinstantie schriftelijk aan de aanvrager worden meegedeeld en naar behoren worden gemotiveerd.

2.

Elke partij zorgt voor de mogelijkheid om tegen de registratie van een handelsmerk verzet aan te tekenen en voor de aanvrager van een handelsmerk om daarop te antwoorden.

3.

Elke partij voorziet in een openbaar toegankelijke elektronische databank voor aanvragen voor en de inschrijving van handelsmerken. De databank voor aanvragen van handelsmerken is ten minste tijdens de termijn voor het instellen van verzet toegankelijk.

Artikel 227. Bekende handelsmerken

Om uitvoering te geven aan de bescherming van bekende handelsmerken, als bedoeld in artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs van 1967 en in artikel 16, leden 2 en 3, van de TRIPS-Overeenkomst, past elke partij de gezamenlijke aanbeveling betreffende bepalingen inzake de bescherming van bekende handelsmerken van de vergadering van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom en de algemene vergadering van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom („WIPO”) tijdens de 34e reeks bijeenkomsten van de vergaderingen van de WIPO-lidstaten van 20 tot en met 29 september 1999 toe.

Artikel 228. Uitzonderingen op aan handelsmerk verbonden rechten

Elk van beide partijen:

  • a. voorziet in een eerlijk gebruik van beschrijvende termen, met inbegrip van geografische aanduidingen, als beperkte uitzondering op de rechten die verbonden zijn aan een handelsmerk; alsmede
  • b. kan voorzien in beperkte uitzonderingen op de aan een handelsmerk verbonden rechten. Bij het voorzien in dergelijke uitzonderingen wordt door elke partij rekening gehouden met de legitieme belangen van de houder van het handelsmerk en van derden.
Artikel 229. Gronden van verval
1.

De partijen zorgen ervoor dat een handelsmerk kan komen te vervallen wanneer het merk in een ononderbroken periode van ten minste drie jaar niet normaal op het desbetreffende grondgebied is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is en er geen geldige reden is voor niet-gebruik ervan.

Vervallenverklaring van een handelsmerk kan echter door niemand worden gevorderd wanneer het merk in de periode tussen het verstrijken van de minimale driejarige periode en de instelling van de vordering tot vervallenverklaring, voor het eerst of opnieuw normaal is gebruikt.

Begin van gebruik of hernieuwd gebruik binnen drie maanden vóór de instelling van de vordering tot vervallenverklaring, met dien verstande dat de periode van drie maanden ten vroegste na het verstrijken van de ononderbroken periode van ten minste drie jaar van het niet gebruiken is ingegaan, wordt echter niet in aanmerking genomen indien de voorbereiding voor het begin van gebruik of het hernieuwd gebruik pas getroffen wordt nadat de merkhouder er kennis van heeft gekregen dat de vordering tot vervallenverklaring kan worden ingesteld.

2.

Een handelsmerk kan eveneens vervallen worden verklaard wanneer het, na de datum waarop het is ingeschreven:

  • a. door toedoen of nalaten van de merkhouder de in de handel gebruikelijke benaming is geworden van een product of dienst waarvoor het is ingeschreven; of
  • b. als gevolg van het gebruik dat ervan wordt gemaakt door de merkhouder of met zijn toestemming, voor de waren of diensten waarvoor het geregistreerd is, het publiek kan misleiden, met name over de soort, de kwaliteit of plaats van herkomst van deze waren of diensten.

ONDERAFDELING III. GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Artikel 230. Toepassingsgebied
1.

Deze onderafdeling is van toepassing op de bescherming van geografische aanduidingen die hun oorsprong hebben in het grondgebied van de partijen.

2.

Geografische aanduidingen van een partij die door de andere partij moeten worden beschermd, vallen enkel onder deze onderafdeling indien zij binnen het toepassingsgebied van de in artikel 231 bedoelde wetgeving vallen.

Artikel 231. Gevestigde geografische aanduidingen
1.

Na bestudering van de in afdeling A van bijlage IX genoemde wetgeving van de Republiek Armenië concludeert de Europese Unie dat die wetgeving in overeenstemming is met de in afdeling B van die bijlage vermelde elementen.

2.

Na bestudering van de in afdeling A van bijlage IX genoemde wetgeving van de Europese Unie concludeert de Republiek Armenië dat die wetgeving in overeenstemming is met de in afdeling B van die bijlage vermelde elementen.

3.

Na afronding van een bezwaarprocedure en na bestudering van de in bijlage X vermelde geografische aanduidingen van de Europese Unie die in het kader van de in afdeling A van bijlage IX bedoelde wetgeving door de Europese Unie zijn geregistreerd, beschermt de Republiek Armenië deze geografische aanduidingen overeenkomstig het in deze overeenkomst vastgelegde beschermingsniveau.

4.

Na afronding van een bezwaarprocedure en na bestudering van de in bijlage X vermelde geografische aanduidingen van de Republiek Armenië die in het kader van de in afdeling A van bijlage IX bedoelde wetgeving door de Republiek Armenië zijn geregistreerd, beschermt de Europese Unie deze geografische aanduidingen overeenkomstig het in deze overeenkomst vastgelegde beschermingsniveau.

Artikel 232. Toevoeging van nieuwe geografische aanduidingen
1.

De partijen kunnen overeenkomstig de procedure van artikel 240, lid 3, nieuwe geografische aanduidingen opnemen in de lijst van beschermde geografische aanduidingen van bijlage X. Dergelijke nieuwe geografische aanduidingen kunnen worden toegevoegd na afronding van de bezwaarprocedure en na bestudering van de geografische aanduidingen ten genoegen van beide partijen, overeenkomstig artikel 231, leden 3 en 4.

2.

De partijen zijn niet verplicht een geografische aanduiding toe te voegen aan de lijst als bedoeld in lid 1, wanneer:

  • a. de geografische aanduiding strijdig is met de naam van een planten- of dierenras en de consument daardoor zou kunnen worden misleid met betrekking tot de werkelijke oorsprong van het product;
  • b. gezien de reputatie of bekendheid van een handelsmerk de bescherming van de geografische aanduiding de consument kan misleiden ten aanzien van de werkelijke identiteit van het product; of
  • c. de naam van het begrip een soortnaam is.
Artikel 233. Toepassingsgebied van bescherming van geografische aanduidingen
1.

De in bijlage X vermelde geografische aanduidingen worden door elke partij beschermd tegen:

  • a. direct of indirect commercieel gebruik van een beschermde naam voor vergelijkbare producten die niet voldoen aan de productspecificatie van de beschermde geografische aanduiding, of wanneer hierbij van de reputatie van een geografische aanduiding wordt geprofiteerd;
  • b. elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven of indien de beschermde benaming in vertaling, in een andere spelling of in een ander schrift wordt gebruikt of vergezeld gaat van een uitdrukking als „soort”, „type”, „methode” „zoals geproduceerd in”, „imitatie”, „smaak”, „-achtig” en dergelijke;
  • c. elke andere onjuiste of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product, op de binnen- of buitenverpakking of in reclamemateriaal of documenten betreffende dat product, alsmede het verpakken in een recipiënt; alsmede
  • d. elke andere praktijk die de consument ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product kan misleiden.
2.

Beschermde geografische aanduidingen worden geen soortnamen op de respectievelijke grondgebieden van de partijen.

3.

Indien geografische aanduidingen geheel of gedeeltelijk gelijkluidend zijn, wordt elke dergelijke geografische aanduiding beschermd mits deze te goeder trouw is gebruikt en daarbij naar behoren rekening is gehouden met lokale en traditionele gebruiken en het daadwerkelijke gevaar voor verwarring.

Onverminderd artikel 23 van de TRIPS-Overeenkomst bepalen de partijen onderling de praktische gebruiksvoorwaarden om gelijkluidende geografische aanduidingen van elkaar te onderscheiden, er rekening mee houdend dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en de consument niet mag worden misleid.

Een gelijkluidende benaming die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat de producten van oorsprong zijn uit een ander grondgebied, wordt niet geregistreerd, ook al is de benaming juist wat het grondgebied, de regio of de plaats betreft waaruit het betrokken product feitelijk van oorsprong is.

4.

Wanneer een partij in het kader van onderhandelingen met een derde land voorstelt om een geografische aanduiding van dat derde land te beschermen, en die benaming gelijkluidend is met een geografische aanduiding van de andere partij die uit hoofde van deze onderafdeling beschermd is, stelt zij deze partij van dit voornemen in kennis en biedt zij haar de gelegenheid opmerkingen te maken voordat de bescherming van de geografische benaming van de derde partij van kracht wordt.

5.

Geen enkele bepaling in deze onderafdeling verplicht een partij ertoe een geografische aanduiding van de andere partij te beschermen, indien deze aanduiding in het land van oorsprong niet of niet langer is beschermd.

De partijen stellen elkaar ervan in kennis wanneer een geografische aanduiding in het land van oorsprong niet langer wordt beschermd. Een dergelijke kennisgeving vindt plaats overeenkomstig de procedures van artikel 240, lid 3.

6.

Deze overeenkomst doet op generlei wijze afbreuk aan het recht van een persoon om in het handelsverkeer zijn naam of de naam van zijn voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer deze naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat het publiek daardoor wordt misleid.

Artikel 234. Gebruiksrecht van geografische aanduidingen
1.

Een in het kader van deze onderafdeling beschermde geografische aanduiding mag worden gebruikt door iedere marktdeelnemer die landbouwproducten, levensmiddelen, wijnen, gearomatiseerde wijnen of gedistilleerde dranken in de handel brengt die aan de desbetreffende specificatie voldoen.

2.

Zodra een geografische aanduiding in het kader van deze onderafdeling is beschermd, wordt het gebruik van de beschermde benaming niet afhankelijk gesteld van registratie van de gebruikers of andere verplichtingen.

Artikel 235. Verband met handelsmerken
1.

De partijen weigeren de registratie of zorgen voor nietigverklaring van een handelsmerk in een van de in artikel 233, lid 1, bedoelde situaties met betrekking tot een beschermde geografische aanduiding voor soortgelijke producten, mits een aanvraag om het handelsmerk te registreren wordt ingediend na de datum van het verzoek om bescherming van de geografische aanduiding in het desbetreffende grondgebied.

2.

Voor de in artikel 231 bedoelde geografische aanduidingen is de datum van de beschermingsaanvraag de datum van inwerkingtreding van de onderhavige overeenkomst.

3.

Voor de in artikel 232 bedoelde geografische aanduidingen is de datum van de beschermingsaanvraag de datum waarop een partij de andere partij een verzoek om bescherming van een geografische aanduiding toezendt.

4.

Onverminderd artikel 232, lid 2, onder b), beschermen de partijen geografische aanduidingen die zijn genoemd in bijlage X, ook wanneer er een ouder handelsmerk bestaat. Onder een ouder handelsmerk wordt verstaan een handelsmerk dat in één van de situaties als bedoeld in artikel 233, lid 1, is gebruikt en dat vóór de datum waarop de aanvraag voor bescherming van de geografische aanduiding door de andere partij in het kader van deze overeenkomst wordt ingediend, is aangevraagd, geregistreerd of waarvoor, mits de betrokken wetgeving in deze mogelijkheid voorziet, rechten zijn verworven door gebruik, te goeder trouw, op het grondgebied van een van de partijen. Een dergelijk handelsmerk mag verder worden gebruikt en kan worden vernieuwd, niettegenstaande de bescherming van de geografische aanduiding, mits er geen redenen zijn voor nietig- of vervallenverklaring op grond van de wetgeving van een van de partijen inzake handelsmerken.

5.

In afwijking van lid 4 worden oudere handelsmerken van de Republiek Armenië die bestaan uit de geografische aanduiding van de Europese Unie „Cognac” of „Champagne”, ook in transcriptie of vertaling, of die deze bevatten, en die zijn geregistreerd voor vergelijkbare producten die niet voldoen aan de relevante specificatie, nietig verklaard, herroepen of gewijzigd, zodat deze naam verdwijnt als element van het hele handelsmerk, uiterlijk 14 jaar voor „Cognac” en 2 jaar voor „Champagne”, na inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 236. Handhaving van bescherming

Elke partij handhaaft de bescherming van de geografische aanduidingen overeenkomstig de artikelen 233 tot en met 235 door middel van passende administratieve maatregelen door de openbare autoriteiten. Elke partij handhaaft tevens die bescherming op verzoek van een belanghebbende.

Artikel 237. Overgangsbepalingen
1.

Goederen die vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst in overeenstemming met het interne recht zijn vervaardigd en van een etiket zijn voorzien, maar die niet voldoen aan de vereisten van deze overeenkomst, mogen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden verkocht totdat de voorraden zijn uitgeput.

2.

Gedurende een overgangsperiode van 24 jaar, te rekenen één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voor „Cognac”, en gedurende een overgangsperiode van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voor „Champagne”, belet de bescherming ingevolge deze overeenkomst van de volgende geografische aanduidingen van de Europese Unie niet dat deze voor bepaalde producten van oorsprong uit de Republiek Armenië worden gebruikt en naar derde landen uitgevoerd, indien de wetgeving van het betrokken derde land dit toestaat, om als aanduiding en presentatie van bepaalde vergelijkbare producten van oorsprong uit de Republiek Armenië te dienen, op voorwaarde dat:

  • a. de naam op het etiket uitsluitend in niet-Latijns schrift wordt aangebracht;
  • b. de werkelijke oorsprong van het product duidelijk op het etiket wordt aangebracht in hetzelfde gezichtsveld; alsmede
  • c. niets in de presentatie van aard is om het publiek te misleiden wat de werkelijke oorsprong van het product betreft.
3.

Gedurende een overgangsperiode van 13 jaar, te rekenen één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voor „Cognac”, en gedurende een overgangsperiode van 2 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voor „Champagne”, belet de bescherming ingevolge deze overeenkomst van deze geografische aanduidingen van de Europese Unie niet dat deze voor bepaalde producten van oorsprong uit de Republiek Armenië worden gebruikt, op voorwaarde dat:

  • a. de naam op het etiket uitsluitend in niet-Latijns schrift wordt aangebracht;
  • b. de werkelijke oorsprong van het product duidelijk op het etiket wordt aangebracht in hetzelfde gezichtsveld; alsmede
  • c. niets in de presentatie van aard is om het publiek te misleiden wat de werkelijke oorsprong van het product betreft.
4.

Met het oog op de vergemakkelijking van een vlotte en doeltreffende beëindiging van het gebruik van de geografische aanduiding van de Europese Unie „Cognac” voor producten van oorsprong uit de Republiek Armenië, en om het bedrijfsleven in de Republiek Armenië bij te staan om zijn concurrentiepositie op de exportmarkten te handhaven, verstrekt de Europese Unie de Republiek Armenië technische en financiële steun. Deze steun wordt overeenkomstig de wetgeving van de EU verstrekt, en omvat onder meer acties voor de ontwikkeling van een nieuwe benaming en voor de bevordering, advertering, en marketing van de nieuwe benaming in de binnenlandse en de traditionele exportmarkten.

5.

De specifieke bedragen, soorten, mechanismen en tijdskaders voor de EU-steun als bedoeld in lid 4, worden bepaald in een pakket voor financiële en technische steun waarover de partijen uiterlijk binnen één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een definitief akkoord moeten vinden. De partijen ontwikkelen gezamenlijk de voorwaarden voor zulk een steunpakket, gebaseerd op een grondige analyse van de behoeften die door deze steun moeten worden gedekt. Deze analyse wordt uitgevoerd door een internationaal consultingbedrijf dat door de partijen gezamenlijk wordt geselecteerd.

6.

Indien de Europese Unie de financiële en technische steun als bedoeld in lid 4 niet verstrekt, kan de Republiek Armenië een beroep doen op het mechanisme voor geschillenbeslechting waarin is voorzien bij hoofdstuk 13, en kan zij, indien succesvol, de verplichtingen uit hoofde van de leden 2 en 3 opschorten.

7.

De financiële en technische steun van de Europese Unie wordt verstrekt niet langer dan acht jaar na de datum van de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 238. Algemene voorschriften
1.

Invoer, uitvoer en afzet van de in de artikelen 231 en 232 bedoelde producten vinden plaats overeenkomstig de wet- en regelgeving die van toepassing is op het grondgebied van de partij waar de producten op de markt worden gebracht.

2.

Het subcomité voor geografische aanduidingen dat is opgericht krachtens artikel 240, behandelt elke aangelegenheid die betrekking heeft op productspecificaties van een geregistreerde geografische aanduiding die door de autoriteiten van een partij waaruit het product van oorsprong is, werden goedgekeurd, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan.

3.

In het kader van deze onderafdeling beschermde geografische aanduidingen kunnen alleen worden ingetrokken door de partij waaruit het product van oorsprong is.

Artikel 239. Samenwerking en transparantie
1.

De partijen houden rechtstreeks of via het bij artikel 240 ingestelde subcomité voor geografische aanduidingen contact over alle kwesties in verband met de uitvoering en werking van deze onderafdeling. In het bijzonder kan een partij de andere partij verzoeken om informatie betreffende productspecificaties en de wijziging daarvan, alsook betreffende de contactpunten van de nationale controleautoriteiten.

2.

Elke partij kan de specificaties van de geografische aanduidingen die krachtens deze onderafdeling beschermd worden, of een samenvatting daarvan, alsmede informatie over de contactpunten van de nationale controleautoriteiten, die betrekking hebben op krachtens deze onderafdeling beschermde geografische aanduidingen uit de andere partij, openbaar maken.

Artikel 240. Subcomité voor geografische aanduidingen
1.

De partijen stellen een subcomité voor geografische aanduidingen in dat bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese Unie en van de Republiek Armenië, en dat tot taak heeft toezicht te houden op de toepassing van deze onderafdeling en de samenwerking tussen de partijen en de dialoog over geografische aanduidingen te intensiveren.

2.

Het subcomité voor geografische aanduidingen besluit bij consensus. Het subcomité stelt zijn reglement van orde vast. Het subcomité komt bijeen op verzoek van een van beide partijen, afwisselend in de Europese Unie en in de Republiek Armenië, op een tijdstip, plaats en wijze (waaronder eventueel per videoconferentie) die onderling door de partijen worden bepaald, maar uiterlijk binnen 90 dagen nadat het verzoek is gedaan.

3.

Het subcomité voor geografische aanduidingen ziet er ook op toe dat deze onderafdeling goed functioneert, en kan aandacht besteden aan elke aangelegenheid met betrekking tot de uitvoering en het functioneren ervan. In het bijzonder is het verantwoordelijk voor:

  • a. het wijzigen van afdeling A van bijlage IX wat betreft de verwijzingen naar het recht dat op het grondgebied van de partijen geldt;
  • b. het wijzigen van afdeling B van bijlage IX wat betreft de elementen voor de registratie en controle van geografische aanduidingen;
  • c. het wijzigen van bijlage X wat betreft de lijst van geografische aanduidingen;
  • d. de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen op wetgevings- en beleidsgebied inzake geografische aanduidingen alsmede over alle andere aangelegenheden van wederzijds belang op het gebied van geografische aanduidingen;
  • e. de uitwisseling van informatie over geografische aanduidingen met het oog op de bescherming ervan in overeenstemming met deze onderafdeling.

ONDERAFDELING IV. MODELLEN

Artikel 241. Internationale overeenkomsten

De partijen nemen de Akte van Genève van 1999 bij de Overeenkomst van ’s-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid in acht.

Artikel 242. Bescherming van geregistreerde modellen
1.

Elke partij voorziet in de bescherming van onafhankelijk gecreëerde modellen die nieuw en oorspronkelijk zijn. In deze bescherming wordt voorzien door registratie, die de houder van het recht uitsluitende rechten overeenkomstig het bepaalde in deze onderafdeling verleent.

Voor de toepassing van deze onderafdeling kan een partij een model dat een eigen karakter heeft, als oorspronkelijk beschouwen.

2.

Een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw en oorspronkelijk te zijn:

  • a. voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft; alsmede
  • b. voor zover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en oorspronkelijkheid voldoen.
3.

Onder „normaal gebruik” in de zin van lid 2, onder a), wordt verstaan het gebruik door de eindgebruiker, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.

4.

De eigenaar van een geregistreerd model heeft het recht derden die daartoe niet zijn toestemming hebben, te beletten om ten minste producten te vervaardigen, te koop aan te bieden, te verkopen, in te voeren, uit te voeren, op te slaan of te gebruiken die het beschermde model vertonen of incorporeren, wanneer dit om commerciële redenen gebeurt, en daarbij zonder noodzaak afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het model of dit niet in overeenstemming is met eerlijke handelspraktijken.

5.

De duur van de bescherming beloopt 25 jaar.

Artikel 243. Bescherming van niet-geregistreerde modellen
1.

De Europese Unie en de Republiek Armenië voorzien in rechtsmiddelen ter voorkoming van het gebruik van niet-geregistreerde verschijningsvormen van een product, mits het omstreden gebruik voortvloeit uit het kopiëren van de niet-geregistreerde verschijningsvorm van het product. Dergelijk gebruik bestrijkt ten minste het te koop aanbieden, in de handel brengen, invoeren of uitvoeren van het product.

2.

De beschermingsduur voor niet-geregistreerde verschijningsvormen van een product bedraagt ten minste drie jaar vanaf de datum waarop het model in een van de partijen ter beschikking van het publiek werd gesteld.

Artikel 244. Uitzonderingen en uitsluitingen
1.

Elke partij kan beperkte uitzonderingen op de bescherming van modellen vaststellen, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van beschermde modellen en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de eigenaar van het beschermde model schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.

2.

De bescherming van modellen strekt zich niet uit tot modellen waarvoor hoofdzakelijk technische of functionele overwegingen bepalend zijn. In het bijzonder geldt een modelrecht niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel dat noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moet worden om het voortbrengsel waarin het model verwerkt is of waarop het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen.

Artikel 245. Relatie met auteursrecht

Een model kan vanaf de datum waarop het is gecreëerd of in een vorm is vastgelegd, tevens beschermd worden krachtens het auteursrecht van een partij. De mate waarin en de voorwaarden waaronder een dergelijke bescherming wordt verleend, met inbegrip van het vereiste oorspronkelijkheidsgehalte, worden door elke partij overeenkomstig haar eigen wet- en regelgeving vastgesteld.

ONDERAFDELING V. OCTROOIEN

Artikel 246. Internationale overeenkomsten

De partijen nemen het Verdrag inzake samenwerking bij octrooien in acht en stellen alles in het werk wat redelijkerwijs in hun vermogen ligt om het Verdrag inzake octrooirecht na te leven.

Artikel 247. Octrooien en volksgezondheid
1.

De partijen erkennen het belang van de Verklaring inzake de TRIPS-Overeenkomst en de volksgezondheid, die op 14 november 2001 te Doha werd aangenomen door de ministeriële conferentie van de WTO. Voor de interpretatie en uitvoering van de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze onderafdeling waarborgen de partijen de consistentie met deze verklaring.

2.

De partijen dragen bij aan de uitvoering van het Besluit van de Algemene Raad van de WTO van 30 augustus 2003 over de uitvoering van punt 6 van de Verklaring van de Doha inzake de TRIPS-Overeenkomst en de volksgezondheid en nemen dit in acht.

Artikel 248. Aanvullend beschermingscertificaat
1.

De partijen erkennen dat geneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen die op hun respectievelijk grondgebied door een octrooi worden beschermd, aan een administratieve vergunningsprocedure kunnen worden onderworpen voordat zij er in de handel mogen worden gebracht. De partijen erkennen dat de termijn tussen de indiening van de octrooiaanvraag en de eerste toestemming om het product op hun respectievelijk grondgebied in de handel te brengen, zoals voor dat doel door de desbetreffende wetgeving omschreven, de termijn van daadwerkelijke bescherming uit hoofde van het octrooi kan bekorten.

2.

Elke partij zorgt voor een verdere periode van bescherming voor geneesmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen die door een octrooi worden beschermd en die aan een administratieve vergunningsprocedure waren onderworpen, waarbij die periode gelijk moet zijn aan de in lid 1, tweede zin, bedoelde periode, verminderd met vijf jaar.

3.

Onverminderd lid 2 mag de duur van de verdere periode van bescherming niet meer dan vijf jaar bedragen.

Met betrekking tot geneesmiddelen waarvoor kindergeneeskundige studies zijn verricht, en mits de resultaten van deze studies in de productinformatie worden weerspiegeld, is in de Unie een verdere verlenging met zes maanden mogelijk.

ONDERAFDELING VI. NIET OPENBAAR GEMAAKTE INFORMATIE

Artikel 249. Toepassingsgebied van de bescherming van bedrijfsgeheimen
1.

De partijen bevestigen opnieuw hun verbintenissen uit hoofde van artikel 39, leden 1 en 2, van de TRIPS-Overeenkomst. Elke partij voorziet in passende civielrechtelijke procedures en maatregelen zodat de houder van een bedrijfsgeheim het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt in strijd met eerlijke handelsgebruiken, kan voorkomen en er schadeloosstelling voor kan krijgen.

2.

Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden de volgende definities:

  • a. „bedrijfsgeheim”: informatie die:
  • i. geheim is in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie;
  • ii. handelswaarde bezit omdat zij geheim is; alsmede
  • iii. door de persoon die rechtmatig daarover beschikt, onderworpen is aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden; alsmede
  • b. „houder van het bedrijfsgeheim”: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt.
3.

Voor de toepassing van deze onderafdeling worden ten minste de volgende activiteiten beschouwd als in strijd met eerlijke handelsgebruiken:

  • a. het verkrijgen van een bedrijfsgeheim zonder de instemming van de houder van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt door ongeoorloofde toegang tot, toeëigening van, of vermenigvuldiging van documenten, voorwerpen, materialen, stoffen of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid;
  • b. het gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt, zonder de instemming van de houder van het bedrijfsgeheim, door een persoon die blijkt:
  • i. het bedrijfsgeheim te hebben verworven op een manier als bedoeld onder a);
  • ii. inbreuk te plegen op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim; of
  • iii. inbreuk te plegen op een contractuele of andere verplichting tot beperking van het gebruik van het bedrijfsgeheim; alsmede
  • c. het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt door een persoon die op het ogenblik van het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken ervan wist, of gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een persoon die het bedrijfsgeheim onrechtmatig gebruikte of openbaar maakte in de zin van punt b), ook indien deze persoon een andere persoon ertoe heeft gebracht om de handelingen die in dat punt worden genoemd, te verrichten.
4.

Geen van de bepalingen van deze onderafdeling mag op zodanige wijze worden geïnterpreteerd dat zij een partij ertoe verplicht een van de volgende activiteiten te beschouwen als in strijd met eerlijke handelsgebruiken:

  • a. ontdekking of creatie op onafhankelijke wijze van de relevante informatie door een persoon;
  • b. het nabouwen van een product door een persoon die er rechtmatig in het bezit van is en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting de verkrijging van de relevante informatie te beperken;
  • c. het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van informatie die is vereist of toegestaan door de relevante binnenlandse wetgeving; alsmede
  • d. het gebruik door werknemers van ervaringen en vaardigheden die zij op eerlijke wijze tijdens de normale uitoefening van hun functie hebben opgedaan.
5.

Geen van de bepalingen van deze onderafdeling mag op zodanige wijze worden geïnterpreteerd dat zij een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en informatie, met inbegrip van de mediavrijheid zoals die wordt beschermd in de rechtspraak van elk van de partijen.

Artikel 250. Civielrechtelijke procedures en maatregelen voor bedrijfsgeheimen
1.

Elke partij zorgt ervoor dat eenieder die deelneemt aan de civielrechtelijke procedures als bedoeld in artikel 249, of die toegang heeft tot documenten die deel uitmaken van deze gerechtelijke procedures, een bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim niet mag gebruiken of openbaar maken, voor zover de bevoegde autoriteiten dit bedrijfsgeheim als reactie op een voldoende verantwoorde aanvraag van een belanghebbende hebben aangemerkt als vertrouwelijk en waarop zij zijn geattendeerd door dergelijke deelname of toegang.

2.

In de civielrechtelijke procedures als bedoeld in artikel 249 zorgt elke partij ervoor dat haar gerechtelijke autoriteiten ten minste de bevoegdheid hebben om:

  • a. voorlopige maatregelen te treffen om het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, te voorkomen;
  • b. dwangmiddelen in te stellen om het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, te voorkomen;
  • c. aan eenieder die wist of had moeten weten dat hij doende was een bedrijfsgeheim te verkrijgen, te gebruiken of openbaar te maken op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, een schadevergoeding op te leggen, te betalen aan de houder van het bedrijfsgeheim, die passend is voor de werkelijke schade die deze wegens het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim heeft geleden;
  • d. specifieke maatregelen te treffen om de vertrouwelijkheid te garanderen van elk bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim dat in een civielrechtelijke procedure in verband met het vermeende verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, wordt overgelegd; dergelijke specifieke maatregelen kunnen overeenkomstig de binnenlandse wetgeving van de relevante partij, de mogelijkheid omvatten om:
  • i. geheel of gedeeltelijk de toegang tot bepaalde documenten te beperken;
  • ii. de toegang te beperken tot hoorzittingen en hun respectievelijke opnamen of transcripties; alsmede
  • iii. een niet-vertrouwelijke versie ter beschikking te stellen van een vonnis waarin de passages die bedrijfsgeheimen bevatten zijn verwijderd of aangepast; alsmede
  • e. sancties op te leggen aan de partijen of aan andere personen die onder de bevoegdheid van de rechtbank vallen, voor niet-toepassing van maatregelen die door de rechtbank krachtens lid 1 of punt d) van dit lid zijn getroffen, betreffende de bescherming van een bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim dat tijdens de rechtsprocedure is overgelegd.
3.

Van de partijen wordt niet vereist dat zij instaan voor de gerechtelijke procedures en maatregelen als bedoeld in artikel 249, indien de activiteit in strijd met eerlijke handelsgebruiken geschiedt, overeenkomstig hun eigen binnenlandse wetgeving, met de bedoeling een fout, wangedrag, of illegale activiteiten te onthullen, of om een rechtmatig belang te beschermen dat door de wet is erkend.

Artikel 251. Bescherming van gegevens die zijn ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel
1.

Elke partij zorgt ervoor dat commerciële vertrouwelijke informatie die is ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel vertrouwelijk blijft en niet aan derden wordt meegedeeld tenzij dringende redenen van volksgezondheid daartoe verplichten. Ook alle vertrouwelijke bedrijfsinformatie geniet bescherming tegen oneerlijk commercieel gebruik.

2.

Elke partij zorgt ervoor dat gedurende een periode van acht jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning voor het in de handel brengen in de betrokken partij voor het eerst is verleend, de openbare instantie die verantwoordelijk is voor het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen, geen rekening houdt met vertrouwelijke bedrijfsinformatie of met de resultaten van pre-klinische of klinische tests, die zijn overgelegd in het eerste verzoek voor het in de handel brengen, en die vervolgens worden ingediend door een persoon of entiteit, hetzij particulier of openbaar, ter onderbouwing van een andere aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel, zonder dat de persoon of entiteit die dergelijke gegevens heeft ingediend, hiermee uitdrukkelijk heeft ingestemd, tenzij internationale overeenkomsten die door beide partijen worden erkend, anders bepalen.

3.

Gedurende een periode van tien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning voor het in de handel brengen in de betrokken partij voor het eerst is verleend, leidt het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen van enige volgende toepassing die is gebaseerd op de resultaten van pre-klinische of klinische tests die zijn overgelegd in het eerste verzoek voor het in de handel brengen, niet tot een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel, tenzij de volgende aanvrager zijn eigen resultaten van pre-klinische of klinische tests overlegt (of de resultaten van pre-klinische of klinische tests die zijn gebruikt met de instemming van de partij die deze informatie eerst had verstrekt), en aan dezelfde vereisten voldoet als de eerste aanvrager.

Producten die niet voldoen aan de vereisten van dit lid, mogen niet in de handel worden gebracht.

4.

Voorts wordt de in lid 3 bedoelde periode van tien jaar verlengd tot maximaal 11 jaar, indien de houder van de aanvankelijke vergunning gedurende de eerste acht jaar na het verkrijgen van deze vergunning een vergunning verkrijgt voor een of meer nieuwe therapeutische indicaties die worden beschouwd als een belangrijk klinisch voordeel ten opzichte van de bestaande behandelingen.

Artikel 252. Gegevensbescherming met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen
1.

Elke partij kent een tijdelijk recht toe aan de eigenaar van een test- of studieverslag dat voor het eerst is ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel. Gedurende die periode wordt het test- of studieverslag niet gebruikt ten behoeve van een andere persoon die een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel tracht te verkrijgen, tenzij de eerste eigenaar hiermee uitdrukkelijk instemt. In deze onderafdeling wordt dit recht betiteld als „gegevensbescherming”.

2.

Het in lid 1 bedoelde test- of studieverslag voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. het is noodzakelijk voor de toelating of een wijziging van de toelating om toepassing op een ander gewas mogelijk te maken; alsmede
  • b. het is in overeenstemming verklaard met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken of goede experimentele praktijken.
3.

De gegevensbescherming geldt voor een termijn van ten minste tien jaar vanaf de eerste vergunning door de bevoegde autoriteit in de desbetreffende partij. Voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico mag de termijn worden verlengd tot 13 jaar.

4.

De in lid 3 bedoelde termijnen worden met drie maanden verlengd bij elke verlenging van de vergunning voor beperkte toepassingen, indien deze vergunningen door de houder van de vergunning worden aangevraagd uiterlijk vijf jaar na de datum van verlening van de eerste vergunning door de bevoegde autoriteit. De totale termijn voor gegevensbescherming mag in geen geval meer dan 13 jaar bedragen. Voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico mag de totale termijn voor gegevensbescherming in geen geval meer dan 15 jaar bedragen.

Onder „beperkte toepassing” wordt verstaan de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel in een partij voor planten of plantaardige producten die niet op ruime schaal worden geteeld in die partij of die op ruime schaal worden geteeld om aan een uitzonderlijke behoefte op het gebied van gewasbescherming te voldoen.

5.

Een test of studie wordt eveneens beschermd wanneer deze voor de verlenging of de herziening van een vergunning noodzakelijk was. In die gevallen bedraagt de periode voor gegevensbescherming 30 maanden.

6.

Elke partij stelt maatregelen vast om de aanvrager en houders van eerdere vergunningen die op de respectieve grondgebieden van de partijen zijn gevestigd, ertoe te verplichten geheime informatie te delen, om herhaling van proeven op gewervelde dieren te voorkomen.

ONDERAFDELING VII. PLANTENRASSEN

Artikel 253. Plantenrassen
1.

Elke partij beschermt kwekersrechten overeenkomstig het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten (UPOV), met inbegrip van de uitzondering op het kwekersrecht als bedoeld in artikel 15 van dat verdrag, en werkt samen om deze rechten te bevorderen en te handhaven.

2.

Voor de Republiek Armenië is dit artikel niet later van toepassing dan drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

AFDELING C. HANDHAVING VAN INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

ONDERAFDELING I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 254. Algemene verplichtingen
1.

De partijen herbevestigen hun verbintenissen in het kader van de TRIPS-Overeenkomst, in het bijzonder deel III daarvan. Elke partij voorziet in de in deze afdeling uiteengezette aanvullende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, die nodig zijn om te zorgen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn eerlijk en billijk, niet onnodig ingewikkeld of duur, of met onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen.

2.

De in lid 1 bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.

3.

Voor de toepassing van onderafdeling II van deze afdeling worden onder het begrip „intellectuele-eigendomsrechten” ten minste de volgende rechten verstaan:

  • a. auteursrecht;
  • b. naburige rechten;
  • c. sui generis recht van de samensteller van een databank;
  • d. rechten van de ontwerper van topografieën van halfgeleiderproducten;
  • e. rechten op handelsmerken;
  • f. rechten inzake modellen;
  • g. octrooirechten, met inbegrip van rechten die voortvloeien uit aanvullende beschermingscertificaten;
  • h. geografische aanduidingen;
  • i. rechten op gebruiksmodellen;
  • j. kwekersrechten; alsmede
  • k. handelsnamen voor zover deze beschermd worden als exclusieve eigendomsrechten in de desbetreffende interne wetgeving.

Bedrijfsgeheimen vallen niet onder het toepassingsgebied van deze afdeling. De handhaving van bedrijfsgeheimen wordt in artikel 250 behandeld.

Artikel 255. Gerechtigde aanvragers

Elke partij erkent dat de volgende personen gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de TRIPS-Overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

  • a. houders van intellectuele-eigendomsrechten in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving;
  • b. alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving;
  • c. instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving; alsmede
  • d. beroepsorganisaties die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving.

ONDERAFDELING II. CIVIELRECHTELIJKE HANDHAVING

Artikel 256. Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal
1.

Elke partij zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties, al voordat een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van de stelling dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.

2.

De in lid 1 bedoelde voorlopige maatregelen kunnen de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagname van de vermeende inbreuk makende goederen en, in voorkomend geval, de bij de productie of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten omvatten. Die maatregelen worden met name genomen, zo nodig zonder dat de tegenpartij wordt gehoord, wanneer het aannemelijk is dat uitstel de houder van het recht onherstelbare schade zal berokkenen, of indien er een aantoonbaar gevaar bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd. De andere partij heeft het recht te worden gehoord binnen een redelijke termijn.

Artikel 257. Recht op informatie
1.

Elk van beide partijen ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties in het kader van civiele procedures wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht naar aanleiding van een met redenen omkleed en proportioneel verzoek van de eiser kunnen gelasten dat de inbreukmaker of iedere andere persoon die partij of getuige bij een geschil is, informatie verstrekt over de oorsprong en het distributienetwerk van de goederen of diensten die een inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht vormen.

Voor de toepassing van dit lid betekent „iedere andere persoon” een persoon die:

  • a. de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit blijkt te hebben;
  • b. de inbreukmakende diensten op commerciële schaal blijkt te gebruiken;
  • c. op commerciële schaal diensten blijkt te verlenen die bij inbreukmakende activiteiten worden gebruikt; of
  • d. door een in dit lid bedoelde persoon is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, de vervaardiging of de distributie van de goederen of bij het verlenen van de diensten.

De in dit lid bedoelde informatie omvat, naargelang van het geval:

  • a. de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, aanbieders en andere eerdere houders van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot- en detailhandelaren; alsmede
  • b. informatie over de geproduceerde, vervaardigde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, en over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.
2.

Dit artikel geldt onverminderd voor andere wettelijke bepalingen waarbij:

  • a. de houder van het recht ruimere rechten op informatie worden toegekend;
  • b. het gebruik van de krachtens dit artikel meegedeelde informatie in civiele of strafzaken wordt geregeld;
  • c. de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld;
  • d. de mogelijkheid wordt geboden te weigeren gegevens te verstrekken die de in lid 1 bedoelde persoon zouden dwingen deelname door hemzelf of door naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven; of
  • e. de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld.
Artikel 258. Voorlopige en conservatoire maatregelen
1.

Elke partij ziet erop toe dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de aanvrager, een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen tegen de vermeende inbreukmaker dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen. De rechterlijke instanties kunnen ook, indien wenselijk en indien het interne recht hierin voorziet op straffe van een dwangsom, tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht verbieden, dan wel aan deze voortzetting de voorwaarde verbinden dat voor schadeloosstelling van de rechthebbende zekerheid wordt gesteld. Onder dezelfde voorwaarden kan een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht.

2.

Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagname of afgifte te kunnen gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.

3.

De partijen zorgen ervoor dat, in geval van vermeende inbreuk op commerciële schaal en indien de indiener van het verzoek omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, de rechterlijke instanties conservatoir beslag kunnen laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden. Met het oog daarop kunnen de bevoegde instanties overlegging van bancaire, financiële of commerciële documenten of passende inzage van de desbetreffende informatie gelasten.

Artikel 259. Corrigerende maatregelen
1.

Elke partij ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, op zijn minst de definitieve onttrekking aan het handelsverkeer of de vernietiging kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken. In voorkomend geval kunnen de bevoegde rechterlijke instanties ook de vernietiging gelasten van materialen en werktuigen die hoofdzakelijk zijn gebruikt voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen.

2.

De rechterlijke instanties van de partijen hebben de bevoegdheid te gelasten dat de in lid 1 bedoelde maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.

Artikel 260. Rechterlijke bevelen

Elke partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, wanneer een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt vastgesteld, een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker en tegen een tussenpersoon van wie de diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht, kunnen uitvaardigen.

Artikel 261. Alternatieve maatregelen

Een partij kan bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties, in voorkomend geval en op verzoek van de persoon aan wie de in de artikelen 259 of 260 vastgelegde maatregelen kunnen worden opgelegd, kunnen gelasten dat de maatregelen van deze artikelen niet worden toegepast, maar in plaats daarvan aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald. Dergelijke geldelijke schadeloosstelling wordt betaald wanneer de persoon aan wie de maatregelen kunnen worden opgelegd, zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, wanneer uitvoering van de maatregelen van de artikelen 259 en 260 de betrokkene onevenredige schade zou berokkenen en wanneer geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs toereikend lijkt.

Artikel 262. Schadevergoedingen
1.

Elke partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de benadeelde partij, de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten aan de houder van het recht een schadevergoeding te betalen die passend is voor de werkelijke schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden. De rechterlijke instanties die de schadevergoeding vaststellen:

  • a. houden rekening met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in voorkomend geval, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden; of
  • b. kunnen als alternatief voor het bepaalde onder a) in voorkomend geval de schadevergoeding vaststellen als een eenmalige vergoeding, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty's of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht in kwestie te gebruiken.
2.

De partijen kunnen ten behoeve van de benadeelde partij bepalen dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een, eventueel vooraf vastgestelde, schadevergoeding kunnen gelasten, indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde.

Artikel 263. Gerechtskosten

Elke partij draagt er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en proportionele gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de in het ongelijk gestelde partij worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

Artikel 264. Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken

Elke partij draagt er zorg voor dat de rechterlijke instanties in rechtszaken wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van bekendmaking en publicatie van de volledige of gedeeltelijke uitspraak.

Artikel 265. Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten

De partijen erkennen dat het voor de toepassing van de in deze afdeling bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen volstaat voor de auteur van een werk van letterkunde of kunst, om als zodanig te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, dat zijn naam op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, totdat bewijs van het tegendeel is geleverd.

ONDERAFDELING III. GRENSHANDHAVING

Artikel 266. Grenshandhaving
1.

Bij de tenuitvoerlegging van maatregelen aan de grens in verband met de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zorgt elke partij voor consistentie met de verplichtingen in het kader van de GATT 1994 en de TRIPS-Overeenkomst.

2.

Om de doeltreffende bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten op het douanegebied van de partijen te waarborgen, stellen de respectievelijke douaneautoriteiten een reeks methoden vast om zendingen te identificeren die goederen bevatten waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, overeenkomstig de leden 3 en 4. Tot deze methoden behoren risicoanalysetechnieken die onder andere zijn gebaseerd op door de houder van een recht verstrekte informatie, verzamelde informatie en vrachtinspecties.

3.

De douaneautoriteiten van elke partij treffen op verzoek van de houders van een recht maatregelen om het in het vrije verkeer brengen van goederen onder douanetoezicht op te schorten of goederen vast te houden, wanneer een inbreuk wordt vermoed op handelsmerken, auteursrechten en naburige rechten, geografische aanduidingen, octrooien, gebruiksmodellen, industriële modellen, topografieën van geïntegreerde schakelingen en kwekersrechten.

4.

Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst vatten de partijen gesprekken aan over het recht van hun respectievelijke douaneautoriteiten om op eigen initiatief het in het vrije verkeer brengen van goederen onder douanetoezicht op te schorten of goederen vast te houden, wanneer een inbreuk wordt vermoed op handelsmerken, auteursrechten en naburige rechten, geografische aanduidingen, octrooien, gebruiksmodellen, industriële modellen, topografieën van geïntegreerde schakelingen en kwekersrechten.

5.

Onverminderd lid 3 heeft een partij de vrijheid maar geen verplichting om deze procedures toe te passen op de invoer van goederen die door de rechthebbende of met diens toestemming in een ander land in de handel worden gebracht.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)