Brede en versterkte Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds
De partijen komen overeen samen te werken met betrekking tot de internationale handel in goederen waarvoor een vermoeden bestaat dat zij inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten. Tot dat doel stelt elke partij een contactpunt binnen zijn douanedienst in en stelt de andere partij daarvan in kennis. Dergelijke samenwerking heeft betrekking op de uitwisseling van informatie over mechanismen om informatie te verzamelen van de houders van rechten, over beste werkwijzen en ervaringen op het gebied van risicobeheerstrategieën, alsmede over methoden om zendingen te identificeren waarvan wordt vermoed dat zij inbreukmakende goederen bevatten. Elke informatie wordt verstrekt op een manier die de bepalingen van de bescherming van persoonsgegevens die op het grondgebied van elke partij gelden, ten volle eerbiedigt.
Zonder afbreuk te doen aan andere manieren van samenwerking is Protocol II inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden van toepassing op de grenshandhaving met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten.
Zonder afbreuk te doen aan de algemene bevoegdheden van het Partnerschapscomité is het subcomité douane als bedoeld in artikel 126 bevoegd om de correcte werking en de uitvoering van deze afdeling te garanderen, door prioriteiten vast te stellen en te voorzien in passende procedures voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van beide partijen.
ONDERAFDELING IV. OVERIGE BEPALINGEN VOOR DE HANDHAVING
Artikel 267. Gedragscodes
De partijen stimuleren:
- a. de ontwikkeling door handels- of beroepsverenigingen of -organisaties van gedragscodes die ten doel hebben bij te dragen tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten; alsmede
- b. de indiening bij de bevoegde autoriteiten van de partijen van ontwerp-gedragscodes en van evaluaties van de toepassing van deze gedragscodes.
Artikel 268. Samenwerking
De partijen werken samen ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen in dit hoofdstuk.
De samenwerking tussen de partijen strekt zich uit, maar is niet beperkt tot de volgende activiteiten:
- a. uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de relevante regels om deze te beschermen en te handhaven; uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de voortgang op wetgevingsgebied op die terreinen in de Europese Unie en de Republiek Armenië;
- b. uitwisseling van ervaringen en informatie over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
- c. uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten op centraal en subcentraal niveau door de douane, de politie en administratieve en gerechtelijke instanties;
- d. coördinatie ter voorkoming van de uitvoer van nagemaakte goederen, ook met derde landen;
- e. capaciteitsopbouw en uitwisseling en opleiding van personeel;
- f. bevordering en verspreiding van informatie over intellectuele-eigendomsrechten, onder meer in zakenkringen en het maatschappelijk middenveld; voorlichting over intellectuele-eigendomsrechten van consumenten en houders van een recht;
- g. uitbreiding van institutionele samenwerking, bijvoorbeeld tussen bureaus voor intellectuele eigendom van beide partijen;
- h. actieve bevordering van voorlichting aan en scholing van het grote publiek over het beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten, onder meer door formulering van doeltreffende strategieën om te bepalen wat de belangrijkste doelgroepen zijn en door vormgeving van communicatieprogramma's ter vergroting van het bewustzijn van de consument en de media over de impact van inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het gevaar voor de gezondheid en de veiligheid en het verband met de georganiseerde misdaad.
Onverminderd de leden 1 en 2, en als aanvulling daarop houden de partijen in voorkomend geval een effectieve dialoog over intellectuele-eigendomskwesties (IE-dialoog) en behandelen daar onderwerpen die van belang zijn voor de bescherming en de handhaving van de onder dit hoofdstuk vallende intellectuele-eigendomsrechten, alsmede alle andere relevante onderwerpen.
HOOFDSTUK 8. OVERHEIDSOPDRACHTEN
Artikel 269. Betrekkingen met de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten
De partijen bevestigen hun wederzijdse rechten en verplichtingen in het kader van de herziene Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van 201227)Bijlage bij het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA/113). (WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten). Deze rechten en verplichtingen die zijn opgesteld bij de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, met inbegrip van de specificaties voor elke partij zoals uiteengezet in de respectievelijke bijlagen bij aanhangsel I, worden in deze overeenkomst opgenomen en vallen onder de bepalingen voor de bilaterale regeling voor geschillenbeslechting van hoofdstuk 13.
Artikel 270. Extra toepassingsgebied
De partijen passen mutatis mutandis de bepalingen toe van de artikelen I tot en met IV, VI tot en met XV, XVI.1 tot en met XVI.3, XVII en XVIII van de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten op de overheidsopdrachten die worden bestreken door bijlage XI bij deze overeenkomst.
Het Partnerschapscomité kan besluiten bijlage XI bij deze overeenkomst te wijzigen. Wat de procedure betreft voor wijzigingen en rectificaties van deze bijlage door een partij, passen de partijen mutatis mutandis de bepalingen toe van artikel XIX van de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, mits de kennisgevingen direct geschieden aan de andere partij en de verwijzing naar geschillenbeslechting wordt begrepen als een verwijzing naar hoofdstuk 13.
Artikel 271. Aanvullende voorschriften
De partijen passen op de aanbestedingen die worden bestreken respectievelijk door de bijlage bij aanhangsel I van de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten en door bijlage XI bij deze overeenkomst, de volgende aanvullende voorschriften toe:
-
- Elke partij garandeert dat alle kennisgevingen van geplande aanbestedingen direct op elektronische wijze gratis toegankelijk worden gemaakt via een enkel toegangspunt op internet. Voorts kunnen de kennisgevingen ook worden gepubliceerd in een gepaste papieren vorm. Dergelijke media worden op ruime schaal verspreid en blijven gemakkelijk toegankelijk voor het publiek, ten minste tot het verstrijken van de in het bericht vermelde termijn.
-
- Elke partij zorgt ervoor dat met de maatregelen die worden getroffen in verband met de beroepsprocedures als bedoeld in artikel XVIII van de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, de noodzakelijke bevoegdheden worden verleend om:
- a. zo snel mogelijk en in kort geding voorlopige maatregelen te nemen om de beweerde inbreuk ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad, met inbegrip van maatregelen om de gunningsprocedure van een contract voor een overheidsopdracht of de tenuitvoerlegging van enig door de aanbestedende diensten genomen besluit, op te schorten dan wel te doen opschorten;
- b. onwettig genomen besluiten nietig te verklaren dan wel nietig te doen verklaren, met inbegrip van het verwijderen van discriminerende technische, economische of financiële specificaties in oproepen tot voorgenomen of geplande inschrijving, bestekken dan wel in enig ander stuk dat verband houdt met de gunningsprocedure; alsmede
- c. schadevergoeding toe te kennen aan degenen die door een inbreuk schade hebben geleden.
-
- In geval van de herziening van een gunningsbesluit zorgt elke partij ervoor dat de aanbestedende autoriteit de opdracht niet kan sluiten vooraleer het beroepsorgaan een besluit heeft getroffen over de aanvraag of besloten heeft tot voorlopige maatregelen of tot herziening. De opschorting eindigt niet vroeger dan de afloop van de opschortende termijn als bedoeld in lid 6.
-
- Elke partij zorgt ervoor dat de besluiten van de beroepsinstanties op doeltreffende wijze kunnen worden gehandhaafd.
-
- De leden van de onafhankelijke beroepsinstanties zijn niet de vertegenwoordigers van een van de aanbestedende autoriteiten. Wat betreft beroepsinstanties die geen rechterlijke instantie zijn, draagt elke partij er zorg voor dat:
- a. hun beslissingen altijd schriftelijk met redenen worden omkleed;
- b. elke vermeende onwettige maatregel van de onafhankelijke beroepsinstantie of elke vermeende fout in de uitoefening van de bevoegdheden van de beroepsinstantie onderworpen is aan rechterlijke toetsing of toetsing door een ander onafhankelijk orgaan dat een rechtbank of tribunaal is en onafhankelijk is van zowel de aanbestedende autoriteit als de beroepsinstantie;
- c. voor de benoeming en de beëindiging van het mandaat van de leden van deze onafhankelijke instantie dezelfde voorwaarden gelden als voor rechters, wat betreft de voor de benoeming bevoegde autoriteit, de duur van hun mandaat en hun afzetbaarheid;
- d. ten minste de voorzitter van deze onafhankelijke instantie dezelfde juridische en beroepskwalificaties heeft als een rechter; alsmede
- e. de onafhankelijke instantie haar besluiten neemt na een procedure op tegenspraak en deze besluiten, met middelen die door elke lidstaat worden vastgesteld, juridisch bindend zijn.
-
- De aanbestedende autoriteit kan na het besluit tot gunning van een opdracht binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk geen opdracht sluiten vooraleer: Een partij kan anderzijds ook erin voorzien dat de opschortende termijn ingaat door de publicatie van het gunningsbesluit in een gratis beschikbaar elektronisch medium, uit hoofde van artikel XVI.2 van de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten. Inschrijvers worden geacht bij de procedure betrokken te zijn zolang zij niet definitief zijn uitgesloten. De uitsluiting is definitief wanneer de betrokken inschrijvers daarvan in kennis zijn gesteld en wanneer de uitsluiting wettig is bevonden door een onafhankelijke beroepsinstantie, dan wel er niet langer beroep tegen de uitsluiting kan worden ingesteld. Kandidaten worden geacht bij de procedure betrokken te zijn zolang de aanbestedende autoriteit aan de betrokken inschrijvers geen mededeling heeft gedaan van de afwijzing van hun aanvraag vóór kennisgeving van het gunningsbesluit van de opdracht.
- a. de opschortende termijn van ten minste 10 kalenderdagen is verstreken, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit tot gunning van de opdracht per faxbericht of met elektronische middelen aan de betrokken inschrijvers is gezonden; of
- b. een termijn van hetzij ten minste 15 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit tot gunning van de opdracht aan de betrokken inschrijvers en gegadigden is gezonden, hetzij ten minste 10 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit tot gunning van de opdracht is ontvangen, is verstreken, indien andere communicatiemiddelen worden gebruikt.
-
- Een partij kan besluiten dat de opschortende termijnen als bedoeld in lid 6, eerste alinea, onder a), en b), niet van toepassing zijn in de volgende gevallen:
- a. indien de enige inschrijver als bedoeld in lid 6, derde alinea, degene is wie de opdracht wordt gegund en er geen andere betrokken kandidaten zijn;
- b. indien een contract is gebaseerd op een kaderovereenkomst; alsmede
- c. indien een specifiek contract is gebaseerd op een dynamisch aankoopsysteem.
-
- Elke partij zorgt ervoor dat, indien de aanbestedende autoriteit een opdracht heeft gegund zonder voorafgaande publicatie waar dit niet is toegestaan, de betrokken opdracht door een beroepsorgaan dat onafhankelijk is van de aanbestedende autoriteit, of door een gerechtelijk orgaan, als onverbindend wordt verklaard, of dat de onverbindendheid het resultaat is van het besluit van een dergelijk orgaan. De wetgeving van elke partij stelt de gevolgen vast van een opdracht die als onverbindend wordt verklaard, door te voorzien in vernietiging met terugwerkende kracht van alle contractuele verbintenissen of in nietigverklaring van de verbintenissen die nog moeten worden uitgevoerd. In dit laatste geval voorziet elke partij in de toepassing van andere sancties.
-
- Een partij kan bepalen dat het beroepsorgaan of een gerechtelijk orgaan een opdracht niet als onverbindend kan verklaren, ook als de opdracht onrechtmatig werd gegund, indien het beroepsorgaan of een gerechtelijk orgaan van oordeel is, na onderzoek van alle relevante aspecten, dat dwingende redenen van algemeen belang het noodzakelijk maken dat de overeenkomst verbindend blijft. In dit laatste geval voorziet elke partij in de toepassing van alternatieve sancties.
-
- Elke partij zorgt ervoor dat de aanbieders van de andere partij die een commerciële aanwezigheid op haar grondgebied hebben gevestigd, door de vestiging, verwerving of handhaving van een rechtspersoon, nationale behandeling wordt toegekend met betrekking tot elke overheidsopdracht van de partij op haar grondgebied. Deze verplichting geldt ongeacht of de opdracht is gedekt door de bijlagen van de partijen bij aanhangsel I van de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten of door bijlage XI bij deze overeenkomst. De algemene uitzonderingen waarin is voorzien bij artikel III van de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, zijn van toepassing.
HOOFDSTUK 9. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING
Artikel 272. Doelstellingen en toepassingsgebied
De partijen herinneren aan Agenda 21 van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling van 1992, de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie („ILO”) over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk van 1998, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002, de Ministeriële Verklaring van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties van 2006 inzake het creëren van een omgeving op nationaal en internationaal niveau die bevorderlijk is voor het genereren van volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen en de gevolgen daarvan voor duurzame ontwikkeling, de Verklaring van de ILO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008, het slotdocument „The future we want” van de conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling van 2012, en de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, getiteld „Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling”, goedgekeurd in 2015. De partijen herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling, voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties, en om erop toe te zien dat deze doelstelling wordt geïntegreerd in en tot uitdrukking komt op elk niveau van hun handelsbetrekkingen.
De partijen herbevestigen hun verbintenis om duurzame ontwikkeling na te streven, waarvan de pijlers – economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming – nauw samenhangen en elkaar wederzijds versterkende componenten zijn. Zij benadrukken de voordelen die het inhoudt wanneer handelsgerelateerde vraagstukken op het gebied van arbeid en milieu als onderdeel van een wereldwijde aanpak van handel en duurzame ontwikkeling worden beschouwd.
Wanneer in dit hoofdstuk wordt verwezen naar „arbeid”, gaat het om kwesties die betrekking hebben op de in het kader van de Verklaring van de ILO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008 overeengekomen strategische doelstellingen van de ILO, door middel waarvan het Programma voor fatsoenlijk werk tot uitdrukking wordt gebracht.
Artikel 273. Recht regels te stellen en beschermingsniveaus
De partijen erkennen het recht van elke partij om haar eigen beleid en prioriteiten voor duurzame ontwikkeling en haar eigen niveaus van interne milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen, en dienovereenkomstig haar wetgeving en beleid ter zake vast te stellen of te wijzigen, in overeenstemming met haar verbintenissen op grond van internationaal erkende normen en overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 274 en 275, en zij streven ernaar dat hun wetgeving en beleid voorzien in hoge beschermingsniveaus voor milieu en werknemers, en dat deze worden bevorderd, en zij streven naar een voortdurende verbetering van hun wetgeving en beleid en de onderliggende beschermingsniveaus.
Artikel 274. Internationale arbeidsnormen en -overeenkomsten
De partijen erkennen dat volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen de hoofdelementen zijn voor het zoeken naar oplossingen voor aangelegenheden in verband met de mondialisering, en herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze tot volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen leidt. In die context verbinden de partijen zich ertoe waar nodig elkaar te raadplegen en samen te werken bij handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang.
Overeenkomstig hun verplichtingen als ILO-lid en de Verklaring van de ILO over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk en de follow-up daarvan van 1998 verbinden de partijen zich ertoe in hun wetgeving en praktijk en op hun gehele grondgebied de internationaal erkende fundamentele arbeidsnormen, zoals die zijn vervat in de fundamentele ILO-verdragen en de protocollen bij die verdragen, te eerbiedigen, te bevorderen en te verwezenlijken, en in het bijzonder:
- a. de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen;
- b. de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;
- c. de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid; alsmede
- d. de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.
De partijen herbevestigen hun verbintenis de door de lidstaten respectievelijk de Republiek Armenië geratificeerde fundamentele, prioritaire en andere ILO-verdragen, alsook de protocollen bij die verdragen, op doeltreffende wijze in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.
De partijen overwegen eveneens de resterende prioritaire en andere verdragen die door de ILO als actueel zijn geclassificeerd, te ratificeren. In die context wisselen de partijen regelmatig informatie uit over hun respectievelijke situatie en voortgang in het ratificatieproces.
De partijen erkennen dat de schending van de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk niet als legitiem relatief voordeel mag worden ingeroepen of op andere wijze als zodanig mag worden gebruikt, en dat de arbeidsnormen niet voor protectionistische handelsdoeleinden mogen worden gebruikt.
Artikel 275. Internationaal goed bestuur en overeenkomsten op milieugebied
De partijen erkennen de waarde van internationaal goed bestuur en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen en benadrukken de noodzaak de wederzijdse ondersteuning van handel en milieu te versterken. In die context verbinden de partijen zich ertoe waar nodig elkaar te raadplegen en samen te werken met betrekking tot onderhandelingen over handelsgerelateerde milieuvraagstukken en met betrekking tot andere handelsgerelateerde milieuaangelegenheden van wederzijds belang.
De partijen herbevestigen hun verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn, op doeltreffende wijze in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.
De partijen wisselen regelmatig informatie uit over hun respectievelijke situatie en voortgang met betrekking tot de ratificatie van multilaterale milieuovereenkomsten of de wijzigingen daarvan.
De partijen herbevestigen hun verbintenis ten aanzien van het bereiken van de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering van 1992 („UNFCCC”) en het bijbehorende protocol van Kyoto van 1998 en de Overeenkomst van Parijs van 2015. Zij verbinden zich ertoe samen te werken aan de versterking van het multilaterale, op regels gebaseerde stelsel uit hoofde van het UNFCCC, alsook samen te werken aan de verdere ontwikkeling en uitvoering van het internationale kader tegen de klimaatverandering uit hoofde van het UNFCCC en de daarmee verband houdende overeenkomsten en besluiten.
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst staat eraan in de weg dat de partijen maatregelen vaststellen of handhaven ter tenuitvoerlegging van de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen niet worden toegepast op een manier die een willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte beperking van het handelsverkeer zou betekenen.
Artikel 276. Handel en investeringen ten behoeve van duurzame ontwikkeling
De partijen herbevestigen hun verbintenis om de bijdrage van de handel aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht te versterken. Met het oog daarop verbinden de partijen zich ertoe:
- a. te erkennen het positieve effect dat fundamentele arbeidsnormen en fatsoenlijk werk op economische efficiëntie, innovatie en productiviteit kunnen hebben, en zich in te zetten voor een grotere politieke coherentie tussen het handelsbeleid enerzijds en het arbeidsbeleid anderzijds;
- b. ernaar te streven de handel en de investeringen in milieugoederen en -diensten te vergemakkelijken en te bevorderen, onder meer door de aanpak van niet-tarifaire belemmeringen ter zake;
- c. te streven naar vergemakkelijking van het wegnemen van handels- en investeringsbelemmeringen met betrekking tot goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, zoals duurzame hernieuwbare energie en energiezuinige producten en diensten, onder meer door:
- i. de vaststelling van beleidskaders die bevorderlijk zijn voor de toepassing van de beste beschikbare technologieën;
- ii. de bevordering van normen die aan de ecologische en economische behoeften beantwoorden; alsmede
- iii. de technische handelsbelemmeringen tot een minimum terug te dringen;
- d. overeen te komen de handel in goederen die bijdragen tot betere sociale voorwaarden en milieuvriendelijker werkwijzen, waaronder producten die onder vrijwillige duurzaamheidsregelingen vallen, zoals programma's voor eerlijke en ethische handel alsmede milieukeurmerken, te bevorderen; alsmede
- e. overeen te komen maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, onder meer door de uitwisseling van informatie en van beste werkwijzen. In dat verband beroepen zij zich op de internationaal erkende beginselen en richtsnoeren ter zake, zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, het „Global Compact”-initiatief van de Verenigde Naties en de Tripartiete beginselverklaring van de ILO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van 1977.
Artikel 277. Biologische diversiteit
De partijen erkennen dat het van belang is zorg te dragen voor de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit als hoofdelement voor het bereiken van duurzame ontwikkeling, en herbevestigen hun verbintenis tot instandhouding en duurzaam gebruik van biologische diversiteit, uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit van 1992 en de geratificeerde protocollen daarbij, het strategische plan voor biodiversiteit, de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten van 1973 („CITES”) en andere relevante internationale instrumenten waarbij zij partij zijn.
Met het oog daarop verbinden de partijen zich ertoe:
- a. het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen te bevorderen en bij te dragen tot de instandhouding van de biodiversiteit bij het ondernemen van handelsactiviteiten;
- b. informatie uit te wisselen over activiteiten inzake de handel in op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten die erop gericht zijn het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en de druk op de biodiversiteit te verminderen, en, in voorkomend geval, samen te werken om het effect van hun respectievelijke beleidsmaatregelen te optimaliseren en de wederzijdse ondersteuning daarvan te waarborgen;
- c. de opname te bevorderen in de bijlagen bij CITES van soorten die aan de CITES-criteria voor opname beantwoorden;
- d. doeltreffende maatregelen goed te keuren en toe te passen tegen de illegale handel in wilde dieren, met inbegrip van bij CITES beschermde soorten, en samen te werken bij de bestrijding van die illegale handel; alsmede
- e. samen te werken op regionaal en mondiaal niveau met het oog op de bevordering van:
- i. de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit in natuurlijke of agrarische ecosystemen, met inbegrip van bedreigde soorten en hun habitat, speciaal beschermde natuurgebieden en genetische diversiteit;
- ii. het herstel van de ecosystemen en de eliminatie of de vermindering van de negatieve milieu-effecten als gevolg van het gebruik van levende en niet-levende natuurlijke hulpbronnen of van ecosystemen; alsmede
- iii. de toegang tot genetische rijkdommen en een eerlijke en billijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan.
Artikel 278. Duurzaam bosbeheer en handel in bosbouwproducten
De partijen erkennen dat het van belang is zorg te dragen voor het behoud en het duurzame beheer van de bossen en van de bijdrage van de bossen aan de economische, ecologische en sociale doelstellingen van de partijen.
Met het oog daarop verbinden de partijen zich ertoe:
- a. de handel in hout afkomstig uit op duurzame wijze beheerde bossen, dat is gekapt overeenkomstig de nationale wetgeving van het land van houtkap, te bevorderen;
- b. informatie uit te wisselen over maatregelen ter bevordering van het verbruik van hout en houtproducten afkomstig uit op duurzame wijze beheerde bossen, en, in voorkomend geval, samen te werken bij de opstelling van dergelijke maatregelen;
- c. in voorkomend geval maatregelen ter bevordering van de instandhouding van de bosbedekking en ter bestrijding van illegale houtkap en de daaraan gerelateerde handel, onder meer ten aanzien van derde landen, vast te stellen;
- d. informatie uit te wisselen over activiteiten ter verbetering van goed bestuur op bosbouwgebied en, in voorkomend geval, samen te werken om het effect van hun respectievelijke beleidsmaatregelen die erop gericht zijn illegaal gekapt hout en producten daarvan van de handelsstromen uit te sluiten, te optimaliseren en de wederzijdse ondersteuning daarvan te waarborgen;
- e. de opname te bevorderen in de bijlagen bij CITES van houtsoorten die aan de CITES-criteria voor opname beantwoorden; alsmede
- f. op regionaal en mondiaal niveau samen te werken met het oog op de bevordering van de instandhouding van de bosbedekking en het duurzame beheer van alle soorten bossen, met toepassing van certificering ter bevordering van het verantwoord beheer van de bossen.
Artikel 279. Handel en duurzaam beheer van levende mariene hulpbronnen
Gelet op het belang van het waarborgen van een verantwoord en duurzaam beheer van de visbestanden, alsmede van het bevorderen van goed bestuur in de handel, verbinden de partijen zich ertoe:
- a. beste werkwijzen met betrekking tot visserijbeheer, met het oog op de instandhouding en het duurzame beheer van de visbestanden, op basis van de ecosysteemaanpak, te bevorderen;
- b. doeltreffende maatregelen voor de monitoring van en de controle op visserijactiviteiten te treffen;
- c. gecoördineerde systemen voor de verzameling van gegevens en bilaterale wetenschappelijke samenwerking te bevorderen ter verbetering van de actuele wetenschappelijke adviezen ten behoeve van het visserijbeheer;
- d. samen te werken bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde („IOO-”) visserij en visserijgerelateerde activiteiten door middel van uitgebreide, doeltreffende en transparante maatregelen; alsmede
- e. beleid en maatregelen ten uitvoer te leggen om IOO-producten uit te sluiten van de handelsstromen en van hun markten, overeenkomstig het Internationaal actieplan van de Voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties („FAO”) om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.
Artikel 280. Eerbiediging van beschermingsniveaus
De partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door de beschermingsniveaus waarin hun respectievelijke milieu- en arbeidswetgeving voorziet, te verlagen.
De partijen zien niet af of wijken niet af van de toepassing, of bieden niet aan af te zien of af te wijken van de toepassing, van hun milieu- en arbeidswetgeving op zodanige wijze dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of de vestiging, de overname, de uitbreiding of de handhaving van een investering of van een investeerder op hun respectievelijk grondgebied.
De partijen doen niet zodanig afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun respectievelijke milieu- en arbeidswetgeving door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of investeringen.
Artikel 281. Wetenschappelijke informatie
Bij de opstelling en tenuitvoerlegging van op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen tussen de partijen negatief kunnen beïnvloeden, houden de partijen rekening met de beschikbare wetenschappelijke en technische informatie alsmede de relevante internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen, indien voorhanden, waaronder het voorzorgsbeginsel.
Artikel 282. Transparantie
Elke partij ziet er, in overeenstemming met haar interne wet- en regelgeving en hoofdstuk 12, op toe dat alle op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, op transparante wijze worden opgesteld, ingevoerd en ten uitvoer gelegd, dat zij tijdig worden aangekondigd, dat hierover een openbare raadpleging wordt gehouden en dat niet-overheidsactoren op passende wijze tijdig worden geïnformeerd en geconsulteerd.
Artikel 283. Evaluatie van effecten op duurzaamheid
De partijen verbinden zich ertoe het effect van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst op de duurzame ontwikkeling te beoordelen en te volgen via hun bestaande participatieprocessen en participatieve instellingen en die welke in het kader van deze overeenkomst in het leven zijn geroepen, bijvoorbeeld door handelsgerelateerde beoordelingen van het effect op de duurzaamheid.
Artikel 284. Samenwerking bij handel en duurzame ontwikkeling
De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van handelsgerelateerde aspecten van het arbeids- en milieubeleid teneinde de doelstellingen van deze overeenkomst te verwezenlijken. Zij kunnen samenwerken op onder meer de volgende gebieden:
- a. arbeids- of milieu-aspecten van handel en duurzame ontwikkeling in het kader van internationale fora, waaronder met name de WTO, de ILO, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, en multilaterale milieuovereenkomsten;
- b. methoden en indicatoren voor handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordelingen;
- c. effecten van arbeids- en milieuvoorschriften, -normen en -standaarden op handel, evenals effecten van handels- en investeringsvoorschriften op arbeid en milieu, met inbegrip van de opstelling van arbeids- en milieuvoorschriften en arbeids- en milieubeleid;
- d. positieve en negatieve effecten van deze overeenkomst op duurzame ontwikkeling en manieren om deze effecten te versterken, te voorkomen of te verzachten, waarbij tevens rekening wordt gehouden met door een van de partijen of beide partijen verrichte duurzaamheidseffectbeoordelingen;
- e. bevordering van de ratificatie en de doeltreffende tenuitvoerlegging van de fundamentele, prioritaire en andere bijgewerkte ILO-verdragen en de multilaterale milieuovereenkomsten die in een handelscontext van belang zijn;
- f. bevordering van particuliere en openbare certificerings-, traceerbaarheids- en keurmerksystemen, waaronder milieukeuren;
- g. bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, bijvoorbeeld door middel van bewustmakingsacties en onderschrijving, tenuitvoerlegging en follow-up van internationaal erkende richtsnoeren en beginselen;
- h. handelsgerelateerde aspecten van het ILO-Programma voor fatsoenlijk werk, daaronder begrepen het verband tussen handel en volledige en productieve werkgelegenheid, het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt, de fundamentele arbeidsnormen, doeltreffende rechtsmiddelensystemen (met inbegrip van arbeidsinspectie) voor het handhaven van arbeidsrechten, arbeidsstatistieken, de ontwikkeling van menselijk potentieel en een leven lang leren, sociale bescherming en sociale integratie, sociale dialoog en gelijke kansen voor mannen en vrouwen;
- i. handelsgerelateerde aspecten van multilaterale milieuovereenkomsten, met inbegrip van douanesamenwerking;
- j. handelsgerelateerde aspecten van de huidige en toekomstige internationale regeling in verband met klimaatverandering, met inbegrip van middelen om koolstofarme technologieën en energie-efficiëntie te bevorderen;
- k. handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit, met inbegrip van de bestrijding van de illegale handel in wilde dieren en planten;
- l. handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van de instandhouding en het duurzame beheer van bossen, om zo ontbossing te verminderen, ook wat illegale houtkap betreft; alsmede
- m. handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van duurzame visserijmethoden en de handel in producten afkomstig uit duurzaam beheerde visbestanden.
De partijen wisselen informatie en ervaring uit over hun activiteiten ter bevordering van de samenhang en de wederzijdse ondersteuning van doelstellingen op het gebied van handel, milieu en sociale aspecten. Voorts voeren de partijen hun samenwerking en dialoog op inzake kwesties van duurzame ontwikkeling die in de context van hun wederzijdse handelsbetrekkingen aan de orde komen.
Bij dergelijke samenwerking en dialoog worden de belanghebbenden betrokken, met name de sociale partners, evenals andere maatschappelijke organisaties, in het kader van het bij artikel 366 ingestelde platform van maatschappelijke organisaties.
Het Partnerschapscomité kan regels vaststellen voor dergelijke samenwerking en dialoog.
Artikel 285. Geschillenbeslechting
Hoofdstuk 13, afdeling 3, onderafdeling 2, van deze titel is niet van toepassing op geschillen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. Nadat het arbitragepanel zijn eindverslag heeft opgesteld overeenkomstig de artikelen 325 en 326, bespreken de partijen de passende maatregelen die zij zullen nemen, waarbij zij rekening houden met dit verslag. Het Partnerschapscomité ziet toe op de tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen en blijft de zaak volgen, onder andere door middel van het in artikel 284, lid 3, bedoelde mechanisme.
HOOFDSTUK 10. MEDEDINGING
AFDELING A
Artikel 286. Beginselen
De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handels- en investeringsbetrekkingen. De partijen erkennen dat concurrentieverstorende praktijken en overheidsmaatregelen de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer kunnen ondergraven.
AFDELING B. KARTELBESTRIJDING EN FUSIES
Artikel 287. Wetgevingskader
Elke partij keurt haar eigen wetgeving goed en handhaaft deze met betrekking tot alle sectoren van de economie28)In de Europese Unie zijn mededingingsregels van kracht voor de landbouwsector overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten, en daarop volgende wijzigingen of vervangingen, indien voorhanden (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671). en pakt de volgende praktijken op een doeltreffende manier aan:
- a. horizontale en verticale overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst;
- b. misbruik van een machtspositie door een of meer ondernemingen; alsmede
- c. concentraties van ondernemingen die doeltreffende mededinging aanzienlijk hinderen, meer bepaald als gevolg van de totstandbrenging of versterking van een machtspositie. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt in het vervolg naar deze wet verwezen als de „mededingingswet”29)Voor de toepassing van deze afdeling beschouwt Armenië elke verwijzing naar de „mededingingswet” als een verwijzing naar het geheel van zijn regelgeving inzake mededinging, op het gebied van kartelbestrijding en fusies..
Alle ondernemingen, openbare of particuliere, zijn onderworpen aan de mededingingswet als bedoeld in lid 1. De toepassing van de mededingingswet mag ondernemingen niet belemmeren in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de aan hen opgedragen bijzondere taken van algemeen belang. Uitzonderingen van een partij op de mededingingswet blijven beperkt tot taken van algemeen belang, evenredig met het nagestreefde beleidsdoel en transparant.
Artikel 288. Tenuitvoerlegging
Elke partij houdt operationeel onafhankelijke autoriteiten in stand die verantwoordelijk zijn voor de volledige tenuitvoerlegging en doeltreffende handhaving van de in artikel 287 bedoelde mededingingswet en die daartoe toereikend met bevoegdheden en middelen zijn uitgerust.
De partijen passen hun respectievelijke mededingingswetgeving op transparante en niet-discriminerende wijze toe, met inachtneming van de beginselen van een billijke rechtsgang en van het recht van verweer van de betrokken ondernemingen, ongeacht hun nationaliteit of eigendomsstatus.
Artikel 289. Samenwerking
Om de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken en een doeltreffende versterking van de mededinging te stimuleren erkennen de partijen dat het in hun gezamenlijke belang is om de samenwerking op te voeren met betrekking tot de ontwikkeling van het mededingingsbeleid en het onderzoek naar kartelbestrijding en fusies.
Voor dit doel streven de mededingingsautoriteiten van de partijen ernaar om, waar dit mogelijk en passend is, hun handhavingsactiviteiten met betrekking tot dezelfde of verwante zaken te coördineren.
Om de samenwerking als bedoeld in lid 1 te vergemakkelijken kunnen de mededingingsautoriteiten van de partijen informatie uitwisselen.
AFDELING C. SUBSIDIES
Artikel 290. Beginselen
De partijen komen overeen dat een partij subsidies kan toekennen indien dat nodig is voor het bereiken van een openbare beleidsdoelstelling. De partijen erkennen dat bepaalde subsidies de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer kunnen ondergraven. In beginsel verleent een partij geen subsidies aan ondernemingen die goederen of diensten aanbieden, indien dergelijke subsidies een negatief effect hebben op de mededinging of de handel, of dat kunnen hebben.
Artikel 291. Definitie en toepassingsgebied
Voor de toepassing van dit hoofdstuk is een „subsidie” een maatregel die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 1, lid 1, van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, die is neergelegd in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst, ongeacht of de subsidie wordt verleend met betrekking tot de productie van goederen dan wel de verlening van diensten.
Alinea 1 doet geen afbreuk aan de uitkomst van toekomstige discussies binnen de WTO over de definitie van subsidies voor diensten. Afhankelijk van de voortgang van dergelijke discussies op WTO-niveau kunnen de partijen een besluit in het Partnerschapscomité vaststellen om deze overeenkomst op dit punt aan te passen.
Een subsidie wordt alleen dan door dit hoofdstuk bestreken indien zij als specifiek wordt aangemerkt overeenkomstig artikel 2 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen. Een subsidie waarop het bepaalde in artikel 295 van deze overeenkomst van toepassing is, wordt geacht specifiek te zijn.
Subsidies die aan alle ondernemingen worden verleend, hetzij openbare of particuliere, zijn het voorwerp van dit hoofdstuk. De toepassing van de voorschriften van deze afdeling mag ondernemingen niet belemmeren in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de aan hen opgedragen bijzondere taken van algemeen belang. Uitzonderingen op de voorschriften van deze afdeling blijven beperkt tot taken van algemeen belang, evenredig met het nagestreefde beleidsdoel en transparant.
Artikel 294 van deze overeenkomst is niet van toepassing op subsidies die betrekking hebben op de handel in goederen die vallen onder de Overeenkomst inzake landbouw, die is neergelegd in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst.
De artikelen 294 en 295 zijn niet van toepassing op de audiovisuele sector.
Artikel 292. Verband met de WTO
De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van een partij uit hoofde van artikel XV van GATS, artikel XVI van GATT 1994, de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen en de Overeenkomst inzake landbouw.
Artikel 293. Transparantie
Om de twee jaar geeft elke partij de andere partij kennis van de rechtsgrondslag, de vorm, het bedrag of het begrote bedrag alsmede, zo mogelijk, de ontvanger van de binnen de rapportageperiode verleende subsidies.
Deze kennisgeving wordt geacht te zijn uitgebracht wanneer de relevante informatie door of namens de partijen beschikbaar is gesteld op een openbaar toegankelijke website, uiterlijk op 31 december van het volgende kalenderjaar. De eerste kennisgeving moet binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst beschikbaar worden gesteld.
Kennisgevingen die in het kader van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen zijn gedaan, gelden als voldaan indien een partij voldoet aan de kennisgevingsverplichtingen krachtens artikel 25 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, mits daarin alle krachtens lid 1 van dit artikel vereiste informatie is vervat.
Artikel 294. Overleg
Indien een partij van oordeel is dat een subsidie die door de andere partij is verleend, en die niet is gedekt door artikel 295, een negatief effect kan hebben op haar belangen, kan deze partij haar bezorgdheid uitspreken bij de partij die de subsidie heeft verleend, en verzoeken om overleg over de aangelegenheid. De partij waaraan het verzoek is gericht, neemt dit in zorgvuldige en welwillende overweging.
Onverminderd de transparantievereisten die zijn uiteengezet in artikel 293 en met het oog op de oplossing van het probleem, beoogt het overleg in het bijzonder het beleidsdoel vast te stellen waarvoor de subsidies zijn verleend, alsook het bedrag van de subsidie in kwestie, en gegevens waarmee het negatieve effect van de subsidie op de handel en investeringen kan worden geëvalueerd.
Om het overleg te vergemakkelijken verstrekt de partij waaraan het verzoek is gericht, binnen 60 dagen na ontvangst van het verzoek informatie over de betrokken subsidie.
Als de partij die het verzoek indient, na ontvangst van de informatie over de betrokken subsidie meent dat de subsidie buitensporige negatieve gevolgen heeft of kan hebben voor haar handels- en investeringsbelangen, doet de partij waaraan het verzoek wordt gericht, haar best om deze negatieve gevolgen van de subsidie op de handels- en investeringsbelangen van de verzoekende partij weg te werken of te verkleinen.
Artikel 295. Subsidies onder voorwaarden
Elke partij past op de volgende subsidies voorwaarden toe in zoverre deze negatieve gevolgen hebben of kunnen hebben op de handel of investeringen van de andere partij:
- a. een wettelijke regeling waarbij een regering direct of indirect verantwoordelijk is voor schulden of verplichtingen van bepaalde ondernemingen, is toegestaan, mits deze verantwoordelijkheid voor schulden en verplichtingen geldt voor een beperkt bedrag van die schulden en verplichtingen of voor een beperkte duur van die verantwoordelijkheid; alsmede
- b. subsidies aan insolvente of noodlijdende ondernemingen onder diverse vormen (onder meer leningen en garantstellingen, uitkeringen in contanten, kapitaalinjecties, verstrekkingen van activa onder de marktprijs en belastingvrijstellingen), voor een duur van meer dan één jaar, zijn toegestaan, mits er een geloofwaardig herstructureringsprogramma op basis van realistische vooronderstellingen bestaat dat ervoor moet zorgen dat de insolvente of noodlijdende onderneming binnen redelijke tijd weer op lange termijn levensvatbaar wordt, en mits de onderneming zelf op significante wijze bijdraagt aan de kosten van de herstructurering.30)Dit hindert een partij niet om tijdelijk financiële steun te verlenen in de vorm van leninggaranties of leningen die beperkt blijven tot het bedrag dat nodig is om een noodlijdend bedrijf in leven te houden tot het een herstructurerings- of afwikkelingsplan heeft goedgekeurd.31)Kleine en middelgrote ondernemingen zijn niet verplicht bij te dragen aan de kosten van de herstructurering.
Artikel 296. Gebruik van subsidies
Elke partij zorgt ervoor dat de bedrijven de verleende subsidies alleen gebruiken voor de beleidsdoelstelling waarvoor zij zijn verleend.
AFDELING D. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 297. Geschillenbeslechting
Geen partij maakt gebruik van de geschillenbeslechting waarin is voorzien in hoofdstuk 13 van deze overeenkomst voor een zaak die valt onder afdeling B van dit hoofdstuk of onder artikel 294, lid 4.
Artikel 298. Vertrouwelijkheid
Bij het uitwisselen van informatie krachtens dit hoofdstuk nemen de partijen de beperkingen in acht die in hun respectieve wetgeving voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim en garanderen zij de bescherming van bedrijfsgeheimen en andere vertrouwelijke informatie.
Alle informatie die krachtens dit hoofdstuk wordt meegedeeld, wordt door de ontvangende partij als vertrouwelijk behandeld, tenzij de andere partij overeenkomstig haar binnenlandse wetgeving de openbaarmaking ervan heeft toegestaan of deze informatie algemeen bekend heeft gemaakt.
Artikel 299. Evaluatieclausule
De partijen onderwerpen de aangelegenheden waarnaar in dit hoofdstuk wordt verwezen, aan een voortdurende evaluatie. Elk van beide partijen kan dergelijke aangelegenheden voorleggen aan het Partnerschapscomité. De partijen gaan om de vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst na welke vorderingen bij de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk zijn gemaakt, voor zover zij gezamenlijk niet anders besluiten.
HOOFDSTUK 11. OVERHEIDSBEDRIJVEN
Artikel 300. Gedelegeerde autoriteit
Tenzij anderszins bepaald, draagt elke partij er zorg voor dat om het even welk bedrijf, inclusief een overheidsbedrijf, een bedrijf waaraan bijzondere rechten of privileges zijn toegekend, of een aangewezen monopolie, waaraan door haar regelgevende, administratieve dan wel andere overheidsbevoegdheid is gedelegeerd, om het even op welk overheidsniveau, bij de uitoefening van die bevoegdheid in overeenstemming met haar verplichtingen uit hoofde van de onderhavige overeenkomst handelt.
Artikel 301. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk is:
- a. „overheidsbedrijf”: een bedrijf, inclusief een dochteronderneming, waarin een partij, direct of indirect:
- i. meer dan 50% van het geplaatste kapitaal van de onderneming in bezit heeft, of meer dan 50% van de stemmen controleert die zijn verbonden met de aandelen die het bedrijf uitgeeft;
- ii. meer dan de helft van de leden van de raad van bestuur van het bedrijf of een equivalent orgaan kan benoemen; of
- iii. controle op de onderneming kan uitoefenen;
- b. „een bedrijf waaraan bijzondere rechten of privileges zijn toegekend”: een bedrijf, inclusief een dochteronderneming, openbaar of particulier, waaraan door een partij in rechte of in feite speciale rechten of privileges zijn toegekend. Speciale rechten en privileges worden door een partij toegekend wanneer zij de onderneming die een goed of dienst mag leveren, aanwijst, of het aantal van dergelijke ondernemingen tot twee of meer beperkt, anders dan op objectieve, evenredige en niet-discriminatoire criteria, en daardoor de mogelijkheid van een ander bedrijf om in hetzelfde geografische gebied en onder substantieel dezelfde voorwaarden hetzelfde goed te leveren of dezelfde dienst te verlenen, ernstig beperkt;
- c. „aangewezen monopolie”: een entiteit die betrokken is bij een commerciële activiteit, met inbegrip van een groep entiteiten of een regeringsorgaan, en enige dochteronderneming daarvan, die op de relevante markt op het grondgebied van een partij is aangewezen als enige aanbieder of enige koper van een product of dienst, maar geen entiteit omvat waaraan in dat verband exclusieve intellectuele-eigendomsrechten zijn verleend;
- d. „commerciële activiteiten”: activiteiten die uiteindelijk tot doel hebben de productie van een goed of de verlening van een dienst die op de relevante markt zal worden verkocht in hoeveelheden en voor de prijs die door het bedrijf worden bepaald en die worden ondernomen met het oog op het maken van winst, maar die geen activiteiten omvatten die worden ondernomen door een bedrijf dat:
- i. werkt zonder winstoogmerk;
- ii. werkt op basis van kostendekkendheid; of
- iii. openbare diensten verleent;
- e. „commerciële overwegingen”: prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere voorwaarden van aankoop of verkoop, of andere factoren waarmee normaal rekening zou worden gehouden bij de commerciële beslissingen van een bedrijf dat in de relevante sector of industrie werkt volgens de beginselen van de markteconomie;
- f. „aanwijzen”: een monopolie instellen of toestaan, of het toepassingsgebied van een monopolie uitbreiden teneinde daaronder een nieuw goed of een nieuwe dienst te laten vallen.
Artikel 302. Toepassingsgebied
De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel XVII, leden 1 tot en met 3, van GATT 1994, het Memorandum van overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XVII van GATT 1994, alsook ingevolge artikel VIII, lid 1, lid 2 en lid 5, van GATS.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op alle bedrijven die in artikel 300 worden bedoeld als betrokken bij een commerciële activiteit. Indien een bedrijf commerciële en niet-commerciële activiteiten combineert32)Voor alle duidelijkheid wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk de verlening van openbare diensten niet beschouwd als een commerciële activiteit in de zin van artikel 301, onder d)., worden alleen de commerciële activiteiten van dat bedrijf door dit hoofdstuk bestreken.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op alle bedrijven die in artikel 300 worden bedoeld, op centraal en subcentraal bestuursniveau.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op aanbestedingen door een partij of door de aanbestedende diensten van een partij in de zin als bedoeld in de artikelen 278 en 279.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op enige dienst die wordt verleend in het kader van de uitoefening van bestuursgezag in de zin van GATS.
- a. is niet van toepassing op de sectoren die zijn bedoeld in de artikelen 143 en 148;
- b. is niet van toepassing op welke maatregel dan ook van een overheidsbedrijf, een bedrijf waaraan bijzondere rechten of privileges zijn toegekend, of een aangewezen monopolie, indien een voorbehoud van een partij, dat is gemaakt tegen een verplichting van nationale behandeling of van meestbegunstigingsbehandeling in het kader van artikel 144, als uiteengezet in het schema van de partij in bijlage VIII-A voor de Europese Unie of bijlage VIII-E voor de Republiek Armenië, van toepassing zou zijn indien dezelfde maatregel door die partij zou zijn genomen of gehandhaafd; alsmede
- c. is van toepassing op commerciële activiteiten van een overheidsbedrijf, een bedrijf waaraan bijzondere rechten of privileges zijn toegekend, of een aangewezen monopolie, indien dezelfde activiteit gevolgen zou hebben voor de handel in diensten met betrekking waartoe een partij in het kader van de artikelen 149 en 150 verbintenissen op zich heeft genomen, met inachtneming van de voorwaarden en kwalificaties als uiteengezet in het schema van die partij in bijlage VIII-B voor de Europese Unie of bijlage VIII-F voor de Republiek Armenië.
Artikel 303. Algemene bepalingen
Zonder afbreuk te doen aan de rechten en plichten van de partijen in het kader van dit hoofdstuk, belet niets in dit hoofdstuk een partij een overheidsbedrijf op te richten of in stand te houden, een monopolie aan te wijzen of in stand te houden of een onderneming bijzondere of exclusieve rechten of voorrechten te verlenen.
Geen van de partijen eist van een bedrijf dat binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, om te handelen op een manier die in strijd is met dit hoofdstuk, noch moedigt zij daartoe aan.
Artikel 304. Niet-discriminatie en commerciële overwegingen
Elke partij zorgt ervoor dat haar overheidsbedrijven, bedrijven waaraan bijzondere rechten of privileges zijn toegekend, of aangewezen monopolies, wanneer zij commerciële activiteiten aangaan:
- a. handelen overeenkomstig commerciële overwegingen wanneer zij goederen of diensten aankopen of verkopen, behalve wanneer zij moeten voldoen aan voorwaarden van hun openbare-dienstopdracht die niet in overeenstemming zijn met punt b);
- b. bij het aankopen van goederen of diensten:
- i. aan goederen of diensten die worden aangeboden door een bedrijf van de andere partij, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan voor soortgelijke goederen of diensten die worden aangeboden door bedrijven van de partij; alsmede
- ii. aan goederen of diensten die worden aangeboden door een bedrijf van de andere partij dat is gevestigd op hun grondgebied, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan voor soortgelijke goederen of diensten die worden aangeboden door bedrijven op de relevante markt op hun grondgebied die gevestigde bedrijven zijn van die partij; alsmede
- c. bij het verkopen van goederen of diensten:
- i. aan een bedrijf van de andere partij een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan bedrijven van de partij; alsmede
- ii. aan een bedrijf van de andere partij dat is gevestigd op hun grondgebied, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan bedrijven op de relevante markt op hun grondgebied die gevestigde bedrijven zijn van die partij.
Lid 1 belet een overheidsbedrijf, een bedrijf waaraan bijzondere rechten of privileges zijn toegekend, of een aangewezen monopolie, niet om:
- a. goederen of diensten te kopen of aan te bieden op verschillende voorwaarden, ook wat betreft prijs, mits dergelijke verschillende voorwaarden overeenstemmen met commerciële overwegingen; alsmede
- b. te weigeren goederen of diensten te kopen of aan te bieden, mits dergelijke weigering overeenstemt met commerciële overwegingen.
Artikel 305. Uitgangspunten van de regelgeving
Elke partij streeft ernaar te garanderen dat de bedrijven als bedoeld in artikel 300 de internationaal erkende normen van behoorlijk ondernemingsbestuur naleven.
Elke partij zorgt ervoor dat met het oog op een doeltreffende en onpartijdige uitoefening van haar regelgevende opdracht in gelijksoortige omstandigheden met betrekking tot alle bedrijven waarover zij toezicht uitoefent, met inbegrip van overheidsbedrijven, bedrijven waaraan bijzondere rechten of privileges zijn toegekend, of aangewezen monopolies, elk regelgevend orgaan dat door een partij wordt opgericht of gehandhaafd, geen verantwoording verschuldigd is aan een van de bedrijven die het controleert.
De onpartijdigheid waarvan het regelgevende orgaan bij zijn werkzaamheden blijk geeft, wordt geëvalueerd aan de hand van een algemeen model of een algemene praktijk van dat regelgevende orgaan.
Voor die sectoren waarvoor de partijen in andere hoofdstukken specifieke verplichtingen zijn overeengekomen in verband met het regelgevende orgaan, zijn de relevante bepalingen in die andere hoofdstukken van kracht.
Elke partij zorgt ervoor dat de wet- en regelgeving op een consistente en niet-discriminatoire wijze wordt gehandhaafd, met inbegrip van de wet- en regelgeving voor ondernemingen als bedoeld in artikel 300.
Artikel 306. Transparantie
Indien een partij redenen heeft om aan te nemen dat haar belangen in het kader van dit hoofdstuk worden geschaad door de commerciële activiteiten van een bedrijf van de andere partij als bedoeld in artikel 300, en die vallen onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk, kan zij de andere partij schriftelijk verzoeken om informatie over de activiteiten van dat bedrijf die verband houden met de door dit hoofdstuk bestreken activiteiten.
In een verzoek om dergelijke informatie moet worden vermeld om welke ondernemingen, welke producten of diensten en welke markten het gaat en welke aanwijzingen er zijn dat deze onderneming praktijken hanteert die de handel of investeringen tussen de partijen belemmeren.
De overeenkomstig lid 1 verstrekte informatie bevat de volgende gegevens:
- a. de eigendom en de stemverhoudingen van de onderneming, waarbij het percentage aandelen en het percentage stemrechten die een partij of een in artikel 300 bedoelde onderneming cumulatief in bezit heeft, worden aangegeven;
- b. een beschrijving van eventuele speciale aandelen of speciale stem- of andere rechten die een partij of een in artikel 300 bedoelde onderneming in bezit heeft, indien deze rechten verschillen van de rechten die verbonden zijn met de algemene gewone aandelen van zulk een entiteit;
- c. de organisatiestructuur van het bedrijf; de samenstelling van de raad van bestuur of van een equivalent orgaan dat directe of indirecte controle uitoefent op zulk een onderneming; en wederzijdse deelname en andere banden met diverse bedrijven of groepen bedrijven, als gespecificeerd in artikel 300;
- d. een beschrijving van de ministeries of overheidsorganen die de onderneming beheren en controleren, een beschrijving van de rapportagekanalen33)Voor alle duidelijkheid: een partij is niet gehouden verslagen te publiceren of de inhoud van enig verslag bekend te maken., alsook van de rechten en werkwijzen van de regering of enig ander overheidsorgaan bij de benoeming, het ontslag of de vergoeding van bestuurders;
- e. het jaarlijkse inkomen of de totale waarde van activa, of beide; alsmede
- f. uitzonderingen, niet-conforme maatregelen, immuniteiten en andere maatregelen, inclusief gunstigere behandeling, die op het grondgebied van de partij waaraan het verzoek wordt gericht, worden toegepast op in artikel 300 bedoelde ondernemingen.
De punten a) tot en met e) van lid 2 zijn niet van toepassing op kleine en middelgrote ondernemingen, zoals gedefinieerd in de wet- en regelgeving van de partij.
Uit hoofde van de leden 1 en 2 kan een partij niet worden verplicht tot het verstrekken van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking zou ingaan tegen haar wet- en regelgeving, de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang, of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van bepaalde ondernemingen.
HOOFDSTUK 12. TRANSPARANTIE
Artikel 307. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende definities:
- a. „maatregelen van algemene strekking”: wetten, regelingen, procedures en administratieve beschikkingen van algemene aard, die gevolgen kunnen hebben voor onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden; alsmede
- b. „belanghebbende”: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreeks door een maatregel van algemene strekking kan worden geraakt.
Artikel 308. Doel en toepassingsgebied
De partijen erkennen dat de regelgeving gevolgen voor hun onderlinge handel en investeringen kan hebben en zorgen daarom voor voorspelbare regelgeving en efficiënte procedures voor marktdeelnemers, meer bepaald kleine en middelgrote ondernemingen.
Artikel 309. Bekendmaking
Elke partij garandeert dat maatregelen van algemene strekking die zijn goedgekeurd na de inwerkingtreding van deze overeenkomst:
- a. snel en gemakkelijk toegankelijk zijn via een officieel aangewezen medium, ook langs elektronische weg, zodat ieder zich ermee vertrouwd kan maken;
- b. duidelijk melding maken van de mogelijke reikwijdte, het doel en het opzet van dergelijke maatregelen; alsmede
- c. voldoende tijd tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van dergelijke maatregelen bieden, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen.
Elke partij draagt zorg voor het volgende:
- a. zij streeft ernaar voorstellen tot vaststelling of wijziging van algemene maatregelen, met inbegrip van een toelichting op het doel en de motivering van het voorstel, in een voldoende vroeg stadium bekend te maken;
- b. zij biedt belanghebbenden redelijke mogelijkheden en met name voldoende tijd om commentaar te leveren op de voorgestelde maatregelen of op de voorgestelde wijziging van maatregelen van algemene strekking; alsmede
- c. zij streeft ernaar rekening te houden met de opmerkingen over het voorstel die zij van de belanghebbenden ontvangt.
Artikel 310. Vragen en contactpunten
Elke partij wijst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een contactpunt aan om de doeltreffende uitvoering van deze overeenkomst te garanderen en om de communicatie tussen de partijen over alle onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden te vergemakkelijken.
Op verzoek van een partij geeft het contactpunt van de andere partij aan welke dienst of ambtenaar met het onderwerp is belast en verstrekt het de gevraagde hulp om de communicatie met de verzoekende partij te vergemakkelijken.
Elke partij voert passende mechanismen in, of handhaaft deze, om vragen van enige persoon over voorgestelde of van kracht zijnde algemene maatregelen en over de toepassing daarvan te beantwoorden. De vragen kunnen worden ingediend via het krachtens lid 1 opgerichte contactpunt of via een ander geschikt mechanisme, tenzij in deze overeenkomst een specifiek mechanisme is opgericht.
Elke partij voorziet in procedures voor personen die een oplossing zoeken voor problemen die zich voordoen wegens de toepassing van maatregelen van algemene strekking in het kader van deze overeenkomst. Deze procedures doen geen afbreuk aan beroeps- of toetsingsprocedures die de partijen invoeren of handhaven in het kader van deze overeenkomst. Ook doen zij geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van hoofdstuk 13.
De partijen erkennen dat de uit hoofde van dit artikel gegeven antwoorden niet altijd definitief en juridisch bindend zijn, maar alleen ter informatie worden gegeven, tenzij in hun wet- en regelgeving anders wordt bepaald.
Op verzoek van de ene partij verstrekt de andere partij onverwijld informatie en beantwoordt zij terstond vragen met betrekking tot een algemene maatregel die of een voorstel tot vaststelling of wijziging van een algemene maatregel dat volgens de verzoekende partij van invloed kan zijn op de werking van deze overeenkomst, ongeacht of de verzoekende partij voordien van die maatregel in kennis was gesteld.
Artikel 311. Uitvoering van algemene maatregelen
Elke partij voert alle algemene maatregelen eenvormig, objectief, onpartijdig en op redelijke wijze uit. Wanneer een partij daartoe in specifieke gevallen dergelijke maatregelen op bepaalde personen, goederen of diensten van de andere partij toepast:
- a. streeft zij ernaar belanghebbenden voor wie een procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en overeenkomstig haar interne procedures in kennis te stellen van de inleiding van een procedure, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de rechtsgrondslag voor de inleiding van de procedure en een algemene beschrijving van de aangelegenheden waarover het geschil gaat;
- b. biedt zij belanghebbenden een redelijke mogelijkheid om feiten en argumenten ter ondersteuning van hun standpunten naar voren te brengen voordat tot een definitief administratief optreden wordt overgegaan, voor zover de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dit toelaten; alsmede
- c. waarborgt zij dat haar procedures gebaseerd zijn op haar interne wetgeving en hiermee in overeenstemming zijn.
Artikel 312. Herziening en beroep
Elk van beide partijen voert overeenkomstig haar binnenlandse wetgeving rechterlijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde herziening en, indien gerechtvaardigd, correctie van het administratieve optreden met betrekking tot aangelegenheden waarop deze overeenkomst van toepassing is. De instanties of procedures zijn onpartijdig en onafhankelijk van de dienst of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving, en de verantwoordelijken ervoor hebben geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid.
Elke partij zorgt ervoor dat de procespartijen bij dergelijke instanties of in dergelijke procedures kunnen beschikken over:
- a. een redelijke mogelijkheid om hun respectieve standpunten te ondersteunen of te verdedigen; alsmede
- b. het recht op een beslissing die is gebaseerd op bewijsmateriaal en ingediende stukken, of, indien de interne wetgeving dat vereist, op het door de administratieve instantie samengestelde dossier.
Elk van beide partijen zorgt ervoor dat, behoudens beroep of latere herziening overeenkomstig de binnenlandse wetgeving, de beslissing ten uitvoer wordt gelegd door de dienst of de autoriteit die voor het administratieve optreden ter zake bevoegd is en dat die beslissing ook ten grondslag komt te liggen aan de praktijk van de dienst of autoriteit ter zake.
Artikel 313. Goede regelgeving en behoorlijk bestuurlijk gedrag
De partijen werken samen aan de bevordering van de kwaliteit en doeltreffendheid van de regelgeving, onder meer door de uitwisseling van informatie en van beste werkwijzen over de bij hen doorgevoerde hervorming van de regelgeving en de effectbeoordeling ter zake.
De partijen erkennen de beginselen van behoorlijk bestuurlijk gedrag en komen overeen samen te werken bij de bevordering van die beginselen, onder meer door de uitwisseling van informatie en beste werkwijzen.
Artikel 314. Vertrouwelijkheid
De bepalingen van dit hoofdstuk verplichten de partijen er niet toe vertrouwelijke inlichtingen te onthullen waarvan de verspreiding een belemmering zou vormen voor de toepassing van de wetgeving, strijdig zou zijn met het openbaar belang of afbreuk zou doen aan de rechtmatige handelsbelangen van openbare of particuliere ondernemingen.
Artikel 315. Specifieke bepalingen
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden onverminderd specifieke regels die in andere hoofdstukken van deze overeenkomst zijn vastgesteld.
HOOFDSTUK 13. GESCHILLENBESLECHTING
AFDELING A. DOEL EN TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 316. Doel
Het doel van dit hoofdstuk is een doeltreffend en doelmatig mechanisme ter vermijding en geschillenbeslechting tussen de partijen over de interpretatie en toepassing van deze overeenkomst op te zetten, teneinde waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
Artikel 317. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van de bepalingen van deze titel, tenzij anders bepaald.
AFDELING B. OVERLEG EN BEMIDDELING
Artikel 318. Overleg
De partijen streven ernaar elk geschil op te lossen door te goeder trouw overleg te plegen om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
Wanneer een partij de andere partij om overleg verzoekt, doet zij dat schriftelijk, met kopie aan het Partnerschapscomité, met vermelding van de maatregel waarom het gaat en welke van de bepalingen in deze titel zij van toepassing acht.
Het overleg wordt binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de partij waaraan het verzoek gericht is. Het overleg wordt 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Het overleg, en in het bijzonder alle tijdens het overleg door de partijen verstrekte informatie en ingenomen standpunten, is vertrouwelijk en laat de rechten van de partijen in latere procedures onverlet.
Overleg over dringende aangelegenheden, zoals wanneer het bederfelijke waren, seizoensgebonden goederen of diensten of energie-gerelateerde aangelegenheden betreft, wordt binnen 15 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de partij waaraan het gericht is, gehouden en wordt binnen hetzelfde tijdsbestek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.
Een partij die om overleg verzoekt, kan een beroep doen op bemiddeling overeenkomstig artikel 319, indien:
- a. de partij waaraan het verzoek om overleg gericht is, niet binnen 10 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek hierop reageert;
- b. het overleg niet binnen de in lid 3 of 4 van dit artikel genoemde termijn wordt gehouden;
- c. de partijen overeenkomen geen overleg te voeren; of
- d. het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt.
Tijdens het overleg verstrekt elke partij voldoende feitelijke informatie, zodat een volledig onderzoek mogelijk is naar de wijze waarop de betrokken maatregel van invloed kan zijn op de werking en toepassing van de bepalingen van deze titel. Elke partij streeft ernaar de deelname te garanderen van personeel van hun bevoegde overheidsinstanties die deskundig zijn op het gebied waarover het overleg plaatsvindt.
Artikel 319. Bemiddeling
Elke partij kan de andere partij verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel die de handel of de investeringen tussen de partijen ongunstig beïnvloedt.
De bemiddelingsprocedure wordt ingeleid, uitgevoerd en afgesloten overeenkomstig het bemiddelingsmechanisme.
Het Partnerschapscomité keurt op zijn eerste vergadering bij besluit het reglement van orde en de gedragscode van het bemiddelingsmechanisme goed en kan besluiten tot wijzigingen daarvan.
AFDELING C. GESCHILLENBESLECHTINGSPROCEDURES
ONDERAFDELING I. ARBITRAGEPROCEDURE
Artikel 320. Inleiding van de arbitrageprocedure
Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 318 bedoelde overleg op te lossen, kan de partij die om overleg heeft verzocht, overeenkomstig dit artikel om de instelling van een arbitragepanel verzoeken.
Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk gedaan bij de andere partij en bij het Partnerschapscomité. De klagende partij vermeldt in haar verzoek de maatregel die in het geding is, en legt uit waarom die maatregel een inbreuk is op de bepalingen van deze titel, waarbij duidelijk de rechtsgrond voor de klacht wordt aangegeven.
Artikel 321. Instelling van het arbitragepanel
Een arbitragepanel bestaat uit drie arbiters.
Binnen 14 dagen na de datum waarop het schriftelijke verzoek tot instelling van een arbitragepanel is ingediend bij de partij waartegen de klacht is gericht, voeren de partijen overleg teneinde overeen te komen over de samenstelling van het panel.
Wanneer de partijen binnen de in lid 2 van dit artikel genoemde termijn geen overeenstemming over de samenstelling van het arbitragepanel bereiken, kan elke partij binnen vijf dagen na het verstrijken van de in lid 2 vastgestelde termijn een arbiter benoemen uit de overeenkomstig artikel 339 opgestelde sublijst van die partij. Wanneer een van de partijen verzuimt een arbiter te benoemen, wordt deze op verzoek van de andere partij door de voorzitter van het Partnerschapscomité, of door diens vertegenwoordiger, door middel van loting aangewezen uit de overeenkomstig artikel 339 opgestelde sublijst van die partij.
Tenzij de partijen binnen de in lid 2 van dit artikel vastgestelde termijn overeenstemming bereiken over de voorzitter van het arbitragepanel, wordt deze op verzoek van een van de partijen door de voorzitter van het Partnerschapscomité, of diens vertegenwoordiger, door middel van loting aangewezen uit de sublijst van voorzitters die is opgenomen in de overeenkomstig artikel 339 opgestelde lijst.
De voorzitter van het Partnerschapscomité of diens vertegenwoordiger wijst binnen vijf dagen na het in lid 3 of 4 bedoelde verzoek de arbiters aan.
De datum van instelling van het arbitragepanel is die waarop alle drie de aangewezen arbiters hun benoeming hebben aanvaard overeenkomstig het reglement van orde.
Indien een of meer van de in artikel 339 bedoelde lijsten niet zijn opgesteld of niet voldoende namen bevatten op het tijdstip van indiening van een verzoek als bedoeld in lid 3 of 4 van dit artikel, worden de arbiters door middel van loting aangewezen uit de personen die door een van de partijen of door beide partijen formeel zijn voorgedragen.
Artikel 322. Mandaat
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)