Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 920
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs 's-Hertogenbosch;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren en Tuinders Bond;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Kampen, uitgaande van de Stichting voor Christelijke Hoger Kunstonderwijs;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Christelijke Hoger (beroeps-)onderwijs in Noord-Nederland;
  • -. Leiden, uitgaande van de Stichting Leidse Hogeschool voor Beroepsonderwijs;
  • -. Maastricht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Limburg/Maastricht;
  • -. Roermond, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Economische Studies Rotterdam;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam;
  • -. Rijswijk, uitgaande van de Stichting Katholiek Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Sittard, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Utrecht;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor de Kunsten
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Domstad;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;
  • -. Venlo, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Vlissingen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zeeland;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Diedenoort;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting "STOAS";
  • -. Zeist, uitgaande van de Stichting Hogeschool Helicon, onderwijs vanuit antroposofie;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs.
  • h. de Open Universiteit te Heerlen.
  • i.
    1. De rechtspersoonlijkheid bezittende academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten te:
  • -. Leiden,
  • -. Groningen,
  • -. Amsterdam,
  • -. Utrecht,
  • -. Rotterdam,
  • -. Maastricht.
    1. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7.30e. Premasters

Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30b of 7.30c, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen.

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Paragraaf 1. Vooropleidingseisen bacheloropleidingen

Paragraaf 2. Eigen bijdragen

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Paragraaf 4. Graden en titulatuur

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Paragraaf 1. Vooropleidingseisen associate degree-opleidingen en bacheloropleidingen

Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten

TITEL 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS

Paragraaf 2. Toelatingseisen masteropleidingen

Paragraaf 1. Aanmelding, studiekeuzeactiviteiten en studiekeuzeadvies

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Paragraaf 2. Eigen bijdragen

Paragraaf 2. College van beroep voor de examens; geschillenadviescommissie

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Paragraaf 2b. Financiële ondersteuning door Onze Minister

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving

Artikel 9.78

Vervallen

Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen

Titel 3. Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten

Paragraaf 1. Het bestuur van de universiteit

Titel 3. Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen

Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Paragraaf 2. Medezeggenschap binnen de faculteit

Paragraaf 6. Medezeggenschap binnen centrale diensten

Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Titel 3. Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten

Paragraaf 1. De kerkelijke hoogleraren

Paragraaf 3. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten

Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Titel 3. Overige bepalingen

Hoofdstuk 16. Overgangsvoorzieningen bij invoering van de wet en enkele andere overgangsvoorzieningen

Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een openbare hogeschool

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen betreffende het bestuur van een bijzondere hogeschool

Paragraaf 2. De openbare academische ziekenhuizen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 16. Overgangsvoorzieningen bij invoering van de wet en enkele andere overgangsvoorzieningen

Hoofdstuk 16. Overgangsvoorzieningen bij invoering van de wet en enkele andere overgangsvoorzieningen

Titel 3. Het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan

Titel 2. Het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek

Paragraaf 3. Schorsing en vernietiging van besluiten

Paragraaf 2. Onderwijs en vooropleidingseisen

Paragraaf 1. Onderwijsbevoegdheden en rechtspositie

Paragraaf 2. De openbare academische ziekenhuizen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 4. Doctoraten Internationaal Instituut voor Sociale Studiën

Paragraaf 3. De bijzondere academische ziekenhuizen

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen

Titel 3. Overige bepalingen

Hoofdstuk 14. Beroep bij de bestuursrechter

Bijlage. behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met h opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel i opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.

De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 1 januari 2004.

  • a. De openbare universiteiten te Leiden, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Delft, Wageningen, Eindhoven, Enschede, Rotterdam en Maastricht.
  • b. De bijzondere universiteit te:
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs;
  • -. Nijmegen, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Brabant.
  • c. De rechtspersoonlijkheid bezittende openbare hogescholen te Leeuwarden en Velp.
  • d. (vacant)
  • e. (vacant)
  • f. De openbare hogeschool uitgaande van een openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen te Emmen, uitgaande van het Openbaar Lichaam Hogeschool Drenthe.
  • g. De bijzondere hogeschool te:
  • -. Alkmaar, uitgaande van de Stichting voor Hoger Beroepsonderwijs Noordelijk Noord-Holland;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Amsterdam;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting HES Amsterdam;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging Gerrit Rietveld Academie, Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving;
  • -. Arnhem, uitgaande van de Stichting Kunstonderwijs Oost-Nederland;
  • -. Arnhem, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;
  • -. Breda, uitgaande van de Stichting Hogeschool Brabant;
  • -. Breda, uitgaande van de Stichting Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer;
  • -. Delft, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool van het Koninklijk Nederlands Landbouw Committee;
  • -. Deventer, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
  • -. Diemen, uitgaande van de Stichting voor Protestants-Christelijk en Rooms-Katholiek Hoger Onderwijs te Amsterdam;
  • -. Doetinchem, uitgaande van de Stichting Iselinge;
  • -. Driebergen, uitgaande van de Stichting Hogeschool "de Horst";
  • -. Dronten, uitgaande van de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond;
  • -. Ede, uitgaande van de Stichting Christelijke Kweekschool op de Veluwe;
  • -. Ede, uitgaande van de Stichting voor Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs op Gereformeerde grondslag;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogische Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, uitgaande van de Stichting The Design Academy;
  • -. Enschede, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
  • -. Gouda, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag "De Driestar";
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Haagse Hogeschool;
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hotelschool Den Haag, Hogeschool voor Bedrijfskunde;
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans;
  • -. Groningen, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Groningen;
  • -. Haarlem, uitgaande van de Stichting Hogeschool Haarlem;
  • -. Heerlen, uitgaande van de Hogeschool Limburg/Maastricht;
  • -. Helmond, uitgaande van de Stichting"De Kempel";
  • -. Hengelo, uitgaande van de Stichting Onderwijs Centrum Twente;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs 's-Hertogenbosch;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren en Tuinders Bond;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Kampen, uitgaande van de Stichting voor Christelijke Hoger Kunstonderwijs;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Christelijke Hoger (beroeps-)onderwijs in Noord-Nederland;
  • -. Leiden, uitgaande van de Stichting Leidse Hogeschool voor Beroepsonderwijs;
  • -. Maastricht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Limburg/Maastricht;
  • -. Roermond, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Economische Studies Rotterdam;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam;
  • -. Rijswijk, uitgaande van de Stichting Katholiek Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Sittard, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Utrecht;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor de Kunsten
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Domstad;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;
  • -. Venlo, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Vlissingen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zeeland;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Diedenoort;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting "STOAS";
  • -. Zeist, uitgaande van de Stichting Hogeschool Helicon, onderwijs vanuit antroposofie;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs.
  • h. de Open Universiteit te Heerlen.
  • i.
    1. De rechtspersoonlijkheid bezittende academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten te:
  • -. Leiden,
  • -. Groningen,
  • -. Amsterdam,
  • -. Utrecht,
  • -. Rotterdam,
  • -. Maastricht.
    1. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.9a. Verrekening van vorderingen

Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen van of op Onze Minister krachtens een andere wet.

Titel 2. Bekostiging

Titel 2. Bekostiging

Titel 3. Inrichting verslag en aanwijzing branchecode

Hoofdstuk 3. Overleg

Hoofdstuk 4. Het personeel

Hoofdstuk 3. Overleg

Hoofdstuk 4. Het personeel

Titel 1. Accreditatieorgaan

Titel 3. Accreditatie bestaande opleiding, commissie van deskundigen en visitatie

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Titel 6. Instellingstoets kwaliteitszorg en erkenning ITK

Titel 2a. Instellingstoets kwaliteitszorg

Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs

Titel 1. Accreditatieorgaan

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Paragraaf 4. Graden en titulatuur

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Paragraaf 3. De promoties

Paragraaf 2. Toelatingseisen masteropleidingen

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Paragraaf 4. Graden en titulatuur

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent

Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten

Titel 3. Studenten en extraneï

Paragraaf 2. Eigen bijdragen

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Paragraaf 2a. Profileringsfonds

Paragraaf 2b. Financiële ondersteuning door Onze Minister

Titel 4. Bijzonder onderwijs aan openbare universiteiten

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving

Artikel 9.79

Vervallen

Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen

Titel 3. Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten

Paragraaf 1. Het bestuur van de universiteit

Titel 4. Bijzonder onderwijs aan universiteiten

Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Paragraaf 4. Overige bepalingen

Paragraaf 3. Geschillen inzake medezeggenschap

Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Titel 3. Het bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen de bijzondere universiteiten en de levensbeschouwelijke universiteiten

Paragraaf 1. De kerkelijke hoogleraren

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 13. Het bestuur en de inrichting van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen

Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Hoofdstuk 16. Overgangsvoorzieningen bij invoering van de wet en enkele andere overgangsvoorzieningen

Paragraaf 2. De openbare academische ziekenhuizen

Paragraaf 2. De openbare academische ziekenhuizen

Hoofdstuk 16. Overgangsvoorzieningen bij invoering van de wet en enkele andere overgangsvoorzieningen

Hoofdstuk 18. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten vanaf 2002

Titel 4. Overleg bestuur faculteit der geneeskunde en raad van bestuur

Paragraaf 2. Onderwijs en vooropleidingseisen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 3. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 6. Rechtsbescherming

Titel 3. Overige bepalingen

Hoofdstuk 14. Beroep bij de bestuursrechter

Bijlage. behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met h opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel i opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.

De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 1 januari 2004.

  • a. De openbare universiteiten te Leiden, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Delft, Wageningen, Eindhoven, Enschede, Rotterdam en Maastricht.
  • b. De bijzondere universiteit te:
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs;
  • -. Nijmegen, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Brabant.
  • c. De rechtspersoonlijkheid bezittende openbare hogescholen te Leeuwarden en Velp.
  • d. (vacant)
  • e. (vacant)
  • f. De openbare hogeschool uitgaande van een openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen te Emmen, uitgaande van het Openbaar Lichaam Hogeschool Drenthe.
  • g. De bijzondere hogeschool te:
  • -. Alkmaar, uitgaande van de Stichting voor Hoger Beroepsonderwijs Noordelijk Noord-Holland;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Amsterdam;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting HES Amsterdam;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging Gerrit Rietveld Academie, Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving;
  • -. Arnhem, uitgaande van de Stichting Kunstonderwijs Oost-Nederland;
  • -. Arnhem, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;
  • -. Breda, uitgaande van de Stichting Hogeschool Brabant;
  • -. Breda, uitgaande van de Stichting Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer;
  • -. Delft, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool van het Koninklijk Nederlands Landbouw Committee;
  • -. Deventer, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
  • -. Diemen, uitgaande van de Stichting voor Protestants-Christelijk en Rooms-Katholiek Hoger Onderwijs te Amsterdam;
  • -. Doetinchem, uitgaande van de Stichting Iselinge;
  • -. Driebergen, uitgaande van de Stichting Hogeschool "de Horst";
  • -. Dronten, uitgaande van de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond;
  • -. Ede, uitgaande van de Stichting Christelijke Kweekschool op de Veluwe;
  • -. Ede, uitgaande van de Stichting voor Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs op Gereformeerde grondslag;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogische Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, uitgaande van de Stichting The Design Academy;
  • -. Enschede, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
  • -. Gouda, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag "De Driestar";
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Haagse Hogeschool;
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hotelschool Den Haag, Hogeschool voor Bedrijfskunde;
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans;
  • -. Groningen, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Groningen;
  • -. Haarlem, uitgaande van de Stichting Hogeschool Haarlem;
  • -. Heerlen, uitgaande van de Hogeschool Limburg/Maastricht;
  • -. Helmond, uitgaande van de Stichting"De Kempel";
  • -. Hengelo, uitgaande van de Stichting Onderwijs Centrum Twente;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs 's-Hertogenbosch;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren en Tuinders Bond;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Kampen, uitgaande van de Stichting voor Christelijke Hoger Kunstonderwijs;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Christelijke Hoger (beroeps-)onderwijs in Noord-Nederland;
  • -. Leiden, uitgaande van de Stichting Leidse Hogeschool voor Beroepsonderwijs;
  • -. Maastricht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Limburg/Maastricht;
  • -. Roermond, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Economische Studies Rotterdam;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam;
  • -. Rijswijk, uitgaande van de Stichting Katholiek Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Sittard, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Utrecht;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor de Kunsten
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Domstad;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;
  • -. Venlo, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Vlissingen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zeeland;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Diedenoort;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting "STOAS";
  • -. Zeist, uitgaande van de Stichting Hogeschool Helicon, onderwijs vanuit antroposofie;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs.
  • h. de Open Universiteit te Heerlen.
  • i.
    1. De rechtspersoonlijkheid bezittende academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten te:
  • -. Leiden,
  • -. Groningen,
  • -. Amsterdam,
  • -. Utrecht,
  • -. Rotterdam,
  • -. Maastricht.
    1. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1.7a. Ruimte voor innovatie
1.

Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het hoger onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

2.

In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald:

  • a. het doel van het experiment,
  • b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken,
  • c. de duur van het experiment, en
  • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

4.

Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

5.

Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

6.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling voor hoger onderwijs en een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 of artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. In geval van een samenwerkingsverband met een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs kan voor die instelling worden afgeweken van artikel 8.1.1 van die wet, indien hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 1, van deze wet van toepassing wordt verklaard.

Titel 1a. Ruimte voor innovatie

Paragraaf 1. Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Paragraaf 2. Rechtspersonen met geaccrediteerd initieel onderwijs.

Paragraaf 2a. Graadverlening postinitiële masteropleidingen

Paragraaf 4. Instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Titel 3. Kwaliteitszorg

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging

Titel 3. Kwaliteitszorg

Titel 1. Planning

Titel 2. Bekostiging

Titel 4. Bijzondere bepalingen in verband met investeringen en leningen

Hoofdstuk 3. Overleg

Hoofdstuk 3. Overleg

Hoofdstuk 4. Het personeel

Titel 1. Accreditatieorgaan

Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe opleiding

Titel 3. Overige bepalingen

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Titel 2a. Instellingstoets kwaliteitszorg

Titel 2a. Instellingstoets kwaliteitszorg

Titel 7. Overige bepalingen

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

Titel 2. Opleidingen rechtspersonen voor hoger onderwijs

Paragraaf 1. Vooropleidingseisen bacheloropleidingen

Paragraaf 3. De promoties

Titel 3. Studenten en extraneï

Paragraaf 2. Vestigingsplaats opleiding

Paragraaf 1. Vooropleidingseisen associate degree-opleidingen en bacheloropleidingen

Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen inschrijving

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent

Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Paragraaf 3. Gelijkwaardigheid buitenlandse getuigschriften

Paragraaf 3. Gebruik van persoonsgebonden nummer

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Titel 3. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN EN DE MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE BIJZONDERE UNIVERSITEITEN

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten

Artikel 9.80

Vervallen

Artikel 9.81

Vervallen

Artikel 9.76

Vervallen

Hoofdstuk 7a. Taken in het kader van de zij-instroom in het beroep van leraar en docent

Paragraaf 1. Het bestuur van de universiteit

Titel 4. Bijzonder onderwijs aan universiteiten

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Paragraaf 1. Medezeggenschap binnen de universiteit

Paragraaf 3. Geschillen inzake medezeggenschap

Paragraaf 3. Geschillen inzake medezeggenschap

Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Titel 4. Bijzonder onderwijs aan universiteiten

Paragraaf 1. De kerkelijke hoogleraren

Paragraaf 1. Het bestuur en de inrichting van de hogeschool

Hoofdstuk 10. Het bestuur en de inrichting van de hogescholen

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen

Hoofdstuk 15. Inhouding bekostiging, schadevergoeding en strafbepalingen

Hoofdstuk 13. Het bestuur en de inrichting van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Paragraaf 1. Onderwijsbevoegdheden en rechtspositie

Paragraaf 2. Onderwijs

Hoofdstuk 14. Beroep bij de bestuursrechter

Hoofdstuk 13. Het bestuur en de inrichting van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Paragraaf 3. Schorsing en vernietiging van besluiten

Paragraaf 4. Medezeggenschap

Paragraaf 1. Algemeen

Titel 5. Wet van 2 juli 1997 (Stb. 322)

Titel 5. Wet van 2 juli 1997 (Stb. 322)

Titel 7. Wet van 10 december 1998 (Stb. 733)

Artikel 18.67. Levensbeschouwelijke universiteiten

Titel 3 van hoofdstuk 7 en hoofdstuk 9 worden van toepassing op het instellingsbestuur van een levensbeschouwelijke universiteit als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, en de betrokken studenten zes maanden na de inwerkingtreding van de artikelen van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) die zien op de opheffing van de uitzonderingspositie van de levensbeschouwelijke universiteiten.

Artikel 18.68. Gevolgen verlies accreditatie

Indien op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) voor een opleiding toepassing is gegeven aan artikel 5a.12, eerste of vijfde lid, zoals die bepaling op die dag luidde, geldt voor die opleiding de redelijke termijn zoals die door de instelling is vastgesteld.

Artikel 18.69. Herstelperiode accreditatie

Indien op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) voor een opleiding toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a zoals die bepaling op die dag luidde, geldt voor die opleiding de herstelperiode, bedoeld in artikel 5a.12a, zoals die bepaling op die dag luidde.

Artikel 18.70. Leden examencommissie en examinatoren
1.

De leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.12, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als de leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.12, zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

2.

De examinatoren, bedoeld in artikel 7.12, derde lid, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als de examinatoren, bedoeld in artikel 7.12c, zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Artikel 18.71. Overgangsrecht CRIHO en Open Universiteit

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gelden de verplichtingen op grond van artikel 7.52 zoals dat luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BX, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) niet voor de Open Universiteit.

Artikel 18.72. Afhandeling klachten van studenten

Klachten van studenten die zijn ingediend op grond van artikel 9.28 zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CQ, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) worden na inwerkingtreding van dat artikel aangemerkt als klachten ingediend op grond van artikel 7.59b zoals luidend na inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Artikel 18.73. College van beroep voor het hoger onderwijs
1.

De leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

2.

Voor de zittende leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs blijven bij de toepassing van artikel 7.65, eerste lid, zoals die bepaling luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), de benoemingstermijnen, bedoeld in artikel 7.65, eerste lid, zoals die bepaling luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), van kracht.

3.

Over beroepen die zijn ingesteld bij het college van beroep voor het hoger onderwijs oordeelt het college van beroep met inachtneming van de voorschriften van de artikelen waarop het beroep ziet zoals die golden voor de inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Artikel 18.74. Colleges van beroep bijzonder onderwijs
1.

De colleges van beroep bijzonder onderwijs, zoals die bestonden op grond van artikel 7.68 zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), blijven in stand tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De behandeling van beroepen vindt plaats overeenkomstig artikel 7.68 zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

2.

Na ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) wordt de behandeling van de geschillen door een college van beroep bijzonder onderwijs dat niet is ingesteld door een instellingsbestuur van een bijzondere instelling met een levensbeschouwelijke aard of instellingsbesturen van bijzondere instellingen met een levensbeschouwelijke aard overgedragen aan het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64.

3.

Het instellingsbestuur of de instellingsbesturen verleent respectievelijk verlenen eervol ontslag aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep bijzonder onderwijs, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 18.75. Instellingen voor hoger onderwijs
1.

Aanvragen om een besluit tot aanwijzing op grond van artikel 6.9, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden behandeld als aanvragen op grond van artikel 6.9 zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

2.

De hogescholen die krachtens artikel 6.9, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), waren aangewezen, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) aangemerkt als rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa.

3.

De universiteiten als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) blijven universiteiten aangewezen op grond van artikel 6.9, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De artikelen die bij of krachtens de wet gelden voor de rechtspersonen voor hoger onderwijs zijn op die universiteiten van toepassing, evenals de artikelen 7.18 en 7.19.

4.

Onze Minister trekt de aanwijzing bedoeld in het derde lid in, indien de instelling geen in de Registratie instellingen en opleidingen geregistreerde opleiding verzorgt of niet wordt voldaan aan artikel 1.12, tweede, derde of vierde lid. Artikel 6.10, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.

De instellingen die geaccrediteerd postinitieel onderwijs verzorgen als bedoeld in artikel 1.12a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119),worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) beschouwd als rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa.

6.

Indien een instelling op grond van artikel 1.12a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) tevens postinitiële masteropleidingen verzorgt of een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding voor een postinitiële masteropleiding heeft ingediend bij het accreditatieorgaan voor 1 september 2010, kan deze instelling overeenkomstig artikel 1.1, sub aa, zoals dit artikel luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) deze opleidingen als rechtspersoon voor hoger onderwijs verzorgen, bedoeld in het vierde lid of kan de instelling deze opleidingen in een afzonderlijke privaatrechtelijke rechtspersoon onderbrengen die rechtspersoon voor hoger onderwijs is.

Artikel 18.76. Toepassing vervallen bepalingen waarborgfonds hogescholen

Artikel 2.15 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel X, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van toepassing, met dien verstande dat het vierde lid uitsluitend geldt voor de borging van de lopende leningen die hogescholen zijn aangegaan met het oog op de overdracht van het economisch claimrecht als bedoeld in de wet van 11 november 1993, Stb. 629, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en regeling van de overname van het economisch claimrecht.

Bijlage. behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met h opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel i opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.

De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 1 januari 2004.

  • a. De openbare universiteiten te Leiden, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Delft, Wageningen, Eindhoven, Enschede, Rotterdam en Maastricht.
  • b. De bijzondere universiteit te:
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs;
  • -. Nijmegen, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Brabant.
  • c. De rechtspersoonlijkheid bezittende openbare hogescholen te Leeuwarden en Velp.
  • d. (vacant)
  • e. (vacant)
  • f. De openbare hogeschool uitgaande van een openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen te Emmen, uitgaande van het Openbaar Lichaam Hogeschool Drenthe.
  • g. De bijzondere hogeschool te:
  • -. Alkmaar, uitgaande van de Stichting voor Hoger Beroepsonderwijs Noordelijk Noord-Holland;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Amsterdam;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting HES Amsterdam;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten;
  • -. Amsterdam, uitgaande van de Vereniging Gerrit Rietveld Academie, Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving;
  • -. Arnhem, uitgaande van de Stichting Kunstonderwijs Oost-Nederland;
  • -. Arnhem, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;
  • -. Breda, uitgaande van de Stichting Hogeschool Brabant;
  • -. Breda, uitgaande van de Stichting Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer;
  • -. Delft, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool van het Koninklijk Nederlands Landbouw Committee;
  • -. Deventer, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
  • -. Diemen, uitgaande van de Stichting voor Protestants-Christelijk en Rooms-Katholiek Hoger Onderwijs te Amsterdam;
  • -. Doetinchem, uitgaande van de Stichting Iselinge;
  • -. Driebergen, uitgaande van de Stichting Hogeschool "de Horst";
  • -. Dronten, uitgaande van de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond;
  • -. Ede, uitgaande van de Stichting Christelijke Kweekschool op de Veluwe;
  • -. Ede, uitgaande van de Stichting voor Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs op Gereformeerde grondslag;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogische Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Eindhoven, uitgaande van de Stichting The Design Academy;
  • -. Enschede, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
  • -. Gouda, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag "De Driestar";
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Haagse Hogeschool;
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hotelschool Den Haag, Hogeschool voor Bedrijfskunde;
  • -. 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans;
  • -. Groningen, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Groningen;
  • -. Haarlem, uitgaande van de Stichting Hogeschool Haarlem;
  • -. Heerlen, uitgaande van de Hogeschool Limburg/Maastricht;
  • -. Helmond, uitgaande van de Stichting"De Kempel";
  • -. Hengelo, uitgaande van de Stichting Onderwijs Centrum Twente;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs 's-Hertogenbosch;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren en Tuinders Bond;
  • -. 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Kampen, uitgaande van de Stichting voor Christelijke Hoger Kunstonderwijs;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;
  • -. Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Christelijke Hoger (beroeps-)onderwijs in Noord-Nederland;
  • -. Leiden, uitgaande van de Stichting Leidse Hogeschool voor Beroepsonderwijs;
  • -. Maastricht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Limburg/Maastricht;
  • -. Roermond, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Economische Studies Rotterdam;
  • -. Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam;
  • -. Rijswijk, uitgaande van de Stichting Katholiek Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
  • -. Sittard, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Tilburg, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Utrecht;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor de Kunsten
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Domstad;
  • -. Utrecht, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;
  • -. Venlo, uitgaande van de Stichting Fontys;
  • -. Vlissingen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zeeland;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Diedenoort;
  • -. Wageningen, uitgaande van de Stichting "STOAS";
  • -. Zeist, uitgaande van de Stichting Hogeschool Helicon, onderwijs vanuit antroposofie;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;
  • -. Zwolle, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs.
  • h. de Open Universiteit te Heerlen.
  • i.
    1. De rechtspersoonlijkheid bezittende academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten te:
  • -. Leiden,
  • -. Groningen,
  • -. Amsterdam,
  • -. Utrecht,
  • -. Rotterdam,
  • -. Maastricht.
    1. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5a.2a. Accreditatiekader

Vervallen

Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe opleiding

Titel 2a. Instellingstoets kwaliteitszorg

Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe opleiding

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens

Artikel 7.3d. Naleving wettelijke voorschriften in geval van gezamenlijk onderwijs
1.

In geval een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs gezamenlijk met een of meer andere Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgt, zijn die instellingsbesturen gezamenlijk verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 5.6, 5.11, 6.2, 6.14, 7.5a, onderdeel a, 7.5b, eerste lid, onderdeel a, 7.5d, onderdeel a, 7.8, 7.8a, 7.8b, 7.9, 7.9a, 7.9b, 7.10a, 7.11, 7.12a, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11.

2.

Voor de naleving van andere dan de in het eerste lid bedoelde voorschriften op grond van deze wet die betrekking hebben op een opleiding of een afstudeerrichting leggen de betrokken instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur daarvoor verantwoordelijk is.

Artikel 7.12a. Benoeming en samenstelling examencommissie
1.

Het instellingsbestuur stelt de examencommissie in en benoemt de leden op basis van hun deskundigheid op het terrein van de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen.

2.

Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende wordt gewaarborgd.

3.

Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat:

  • a. ten minste één lid als docent verbonden is aan de desbetreffende opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;
  • b. ten minste één lid afkomstig is van buiten de desbetreffende opleiding of een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;
  • c. leden van het instellingsbestuur of personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling niet worden benoemd.
4.

Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het instellingsbestuur de leden van de desbetreffende examencommissie.

Artikel 7.12b. Taken en bevoegdheden examencommissie
1.

Naast de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.11 en 7.12, tweede lid, heeft een examencommissie de volgende taken en bevoegdheden:

  • a. het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens onverminderd artikel 7.12c,
  • b. het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen binnen het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen,
  • c. het door de meest daarvoor in aanmerking komende examencommissie verlenen van toestemming aan een student om een door die student samengesteld programma als bedoeld in artikel 7.3j te volgen, waarvan het examen leidt tot het verkrijgen van een graad, waarbij de examencommissie tevens aangeeft tot welke opleiding van de instelling dat programma wordt geacht te behoren voor de toepassing van deze wet,
  • d. het verlenen van vrijstelling voor het afleggen van één of meer tentamens, en
  • e. het borgen van de kwaliteit van de organisatie en de procedures rondom tentamens en examens.
2.

Indien een student of extraneus fraudeert, kan de examencommissie de betrokkene het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het instellingsbestuur op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen.

3.

De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, en het tweede lid, en over de maatregelen die zij in dat verband kan nemen. De examencommissie kan onder door haar te stellen voorwaarden bepalen dat niet ieder tentamen met goed gevolg afgelegd hoeft te zijn om vast te stellen dat het examen met goed gevolg is afgelegd.

4.

Indien een student bij de examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een examinator betrokken is die lid is van de examencommissie, neemt de betrokken examinator geen deel aan de behandeling van het verzoek of de klacht.

5.

De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. De examencommissie verstrekt het verslag aan het instellingsbestuur of de decaan.

Artikel 7.12c. Examinatoren
1.

Voor het afnemen van tentamens en het vaststellen van de uitslag daarvan wijst de examencommissie examinatoren aan.

2.

De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen.

Paragraaf 3. De promoties

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen

Titel 3. Studenten en extraneï

Paragraaf 4. Graden en titulatuur

Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

Hoofdstuk 9. Het bestuur en de inrichting van de universiteiten

TITEL 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS

TITEL 2. MEDEZEGGENSCHAP BINNEN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Paragraaf 2. Medezeggenschap binnen de faculteit

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Titel 4. Rechtsbescherming van studenten en extraneï

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Paragraaf 4a. Regels voor de selectie van studenten voor opleidingen met een toelatingsbeperking

Artikel 9.78

Vervallen

Artikel 9.79

Vervallen

Artikel 9.80

Vervallen

Artikel 9.76

Vervallen

Artikel 9.82

Vervallen

Hoofdstuk 8. Samenwerking bekostigde instellingen voor hoger onderwijs

TITEL 1. HET BESTUUR EN DE INRICHTING VAN DE OPENBARE UNIVERSITEITEN

Paragraaf 3. Onderzoekinstituten en onderzoekscholen

Paragraaf 2. Onderwijs en wetenschapsbeoefening

Titel 3. Medezeggenschap

Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Paragraaf 2. De bijzondere leerstoelen

Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Paragraaf 1. Het bestuur van de Open Universiteit

Paragraaf 1a. Onderwijsbeoefening

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen

Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen

Hoofdstuk 13. Het bestuur en de inrichting van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Hoofdstuk 13. Het bestuur en de inrichting van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek

Paragraaf 2. Onderwijs

Paragraaf 1. Het bestuur van de Open Universiteit

Hoofdstuk 17. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot 2002

Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen

Titel 1. Wet van 25 januari 1996 (Stb. 172)

Paragraaf 3. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten

Artikel 18.32a. Bevoegdheid Onze Minister eenmalig accreditatietermijn te verlengen

In afwijking van artikel 5a.9, zesde lid en 5a.13f kan Onze Minister eenmalig besluiten de termijn van accreditatie voor door hem aangewezen bachelor- en masteropleidingen, bedoeld in de artikelen 7.3a, eerste lid en tweede lid en 7.3b, te verlengen voor de duur van maximaal twee jaar.

Artikel 18.32b. Aanvraag besluit tot deelname invoeringsregime instellingstoets kwaliteitszorg
1.

Gedurende drie jaar na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) wordt een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg ingediend, in afwijking van artikel 5a.13a, op grond van dit artikel en artikel 18.32c.

2.

Binnen twee maanden na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) dient een instellingsbestuur een aanvraag in bij het accreditatieorgaan, indien zij in aanmerking wil komen voor een besluit tot deelname aan het invoeringsregime als bedoeld in artikel 18.32c.

3.

Het accreditatieorgaan neemt een positief besluit op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, als het instellingsbestuur voor ten minste de helft van het aangeboden aantal opleidingen een besluit om accreditatie op grond van artikel 5a.8 heeft.

4.

Indien blijkt dat alle instellingsbesturen die deelnemen aan het invoeringsregime een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg hebben gedaan en er capaciteit bij het accreditatieorgaan is voor nieuwe aanvragen om instellingstoets kwaliteitszorg die onbenut blijft gedurende deze drie jaar, kan het accreditatieorgaan de aanvragen in behandeling nemen, indien een instellingsbestuur heeft laten blijken belangstelling te hebben voor het indienen van een aanvraag. Artikel 18.32c is op deze aanvragen niet van toepassing.

Artikel 18.32c. Invoeringsregime ten behoeve van de introductie van de instellingstoets kwaliteitszorg
1.

Het besluit tot deelname aan het invoeringsregime houdt in dat in afwijking van artikel 5a.13e, eerste lid, de aanvragen om accreditatie en toets nieuwe opleiding worden ingediend en beoordeeld op grond van artikel 5a.13f en 5a.13g.

2.

Aan het besluit tot deelname aan het invoeringsregime is de verplichting voor het instellingsbestuur verbonden op een door het accreditatieorgaan te bepalen tijdstip een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg in te dienen. Het tijdstip is niet gelegen na drie jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293).

3.

Een besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding in het kader van het invoeringsregime vervalt in afwijking van artikel 5a.9, zevende lid, onderscheidenlijk artikel 5a.11, zesde lid, onder a, na vier jaar.

4.

Indien het accreditatieorgaan besluit een instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, dan wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding, bedoeld in het derde lid, verlengd tot zes jaar.

5.

Indien het accreditatieorgaan besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen dan wel indien het instellingsbestuur niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in het tweede lid, is het instellingsbestuur verplicht binnen een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan het besluit heeft genomen dat geen instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend of binnen een jaar na het door het accreditatieorgaan bepaalde tijdstip, bedoeld in het tweede lid, waarop het instellingsbestuur aan de daar genoemde verplichting had moeten voldoen, een aanvraag om toetsing van de aspecten van artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f, of artikel 5a.10a, tweede lid, onderdelen d tot en met f, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding die zijn ingediend en beoordeeld volgens het invoeringsregime. Het accreditatieorgaan besluit binnen drie maanden op de aanvraag en indien het accreditatieorgaan positief besluit op de aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het accreditatieorgaan zijn artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 5a.12a van overeenkomstige toepassing.

6.

In afwijking van het derde lid wordt het besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar, indien het accreditatieorgaan niet over de aanvraag op grond van het tweede of vijfde lid heeft besloten.

Titel 3. Overige bepalingen

Titel 6. Wet van 2 april 1998 (Stb. 216)

Titel 9. Wet van 29 juni 2000 (Stb. 286)

Titel 9. Wet van 29 juni 2000 (Stb. 286)

Titel 4. Wet van 30 januari 2003 (Stb. 70)

Bijlage. behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)