Besluit van 25 juni 1993, houdende bepalingen betreffende de algemene rechtspositie van burgerlijke ambtenaren bij het Ministerie van Defensie
Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 februari 1993, nr. PAV 2210/93002671;
Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929;
De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1993, nr. W07.93.0061);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 16 juni 1993, nr. PAV2210/93008950;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Ambtenaar in de zin van dit besluit
In dit besluit en de daarop berustende bepalingenen wordt verstaan onder ambtenaar, degene die bij het Ministerie van Defensie in burgerlijke openbare dienst is aangesteld.
Artikel 2. Niet toepasselijkheid van dit besluit
Dit besluit is niet van toepassing op Onze Minister.
De hoofdstukken 4 en 5 zijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld.
Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing:
- b. de hoofdstukken 4 en 5;
- c. hoofdstuk 6, paragrafen 2 en 3;
- d. de artikelen 63, 66, 67 en 69.
De hoofdstukken 4, 5 en 6, alsmede de artikelen 70b, 70d tot en met 70f, 76, 85, 87a, 88, 93, 100, eerste lid, onderdelen b tot en met d en f tot en met k, tweede lid109 tot en met 111, 114, 121, eerste lid, onderdelen f en h en derde lid, 127 en 127a, zijn niet van toepassing op de ambtenaar die is aangesteld om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn.
Artikel 3. Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
- b. hoofd defensieonderdeel
- 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf;
- 2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando;
- 3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf;
- 4°. de commandant van het Commando Dienstencentra, voor zover het betreft het Commando Dienstencentra;
- c. de commandant: een bij ministeriële regeling aan te wijzen functionaris;
- d. passende functie: een functie bedoeld in artikel 105;
- e. pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd die voor de ambtenaar geldt op grond van artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, tenzij in dit besluit anders wordt bepaald.
Tenzij anders is bepaald wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging, hetgeen daaronder wordt verstaan in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
Artikel 4. Gelijkstelling samenlevingsvormen met het huwelijk
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
- a. echtgenote of echtgenoot:
- 1°. de geregistreerde partner;
- 2°. degene die door de ambtenaar als partner is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt, op voorwaarde dat de ambtenaar een bewijs van die aanmelding heeft overgelegd aan de minister;
- b. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partner als bedoeld onder a;
- c. gezinslid: de partner als bedoeld onder a;
- d. huwelijk:
- 1°. het geregistreerd partnerschap;
- 2°. de samenleving met de partner die door de ambtenaar als zodanig is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
De gelijkstellingen, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, onder 2° en onderdeel d, onder 2°, eindigen op de dag waarop de aanmelding van het partnerpensioen door de Stichting Pensioenfonds ABP wordt doorgehaald. De ambtenaar is verplicht die doorhaling aan Onze Minister te melden, waarbij hij een afschrift van de mededeling van die doorhaling verstrekt.
Hoofdstuk 2. Aanstelling
§ 1. De aanstelling
Artikel 5. Werving en selectie
Onze Minister stelt regels ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren.
Artikel 6. Aanstelling
De aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst.
Aan een aanstelling in vaste dienst gaat in de regel vooraf een aanstelling in tijdelijke dienst.
Degene die geen Nederlander is, kan slechts worden aangesteld indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet en de vergunning tot verblijf het verrichten van arbeid in loondienst niet uitsluit of indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet.
Evenmin vindt aanstelling plaats in een functie als bedoeld in artikel 119, eerste lid, van personen die op het tijdstip waarop de voor die functie vastgestelde leeftijdsgrens wordt bereikt, geen ononderbroken diensttijd van tenminste 5 jaren, doorgebracht in een of meer zodanige functies, zouden kunnen aanwijzen.
Het in het vierde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing in geval van plaatsing van een ambtenaar in een functie als in het vierde lid bedoeld.
Artikel 7. Aanstelling in tijdelijke dienst
Aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.
Zij kan plaatsvinden:
- a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig bijzondere gevallen op aanvraag van de ambtenaar met nog één jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;
- b. voor de tijd van ten hoogste drie maanden, indien een verklaring als bedoeld in artikel 10, tweede lid, nog niet is afgegeven, met dien verstande dat aan de ambtenaar geen werkzaamheden mogen worden opgedragen die verband houden met de aspecten van de betreffende functie die hebben geleid tot de kwalificatie vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken;
- c. van personen, die niet voldoen aan de voor een aanstelling in vaste dienst gestelde eisen;
- d. voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan;
- e. van personen, die belast zullen worden met werk van kennelijk tijdelijk karakter, al dan niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak;
- f. voor het incidenteel verrichten van werkzaamheden, vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij telkenmale de commandant, gehoord de ambtenaar, vaststelt op welke tijdstippen daadwerkelijk door de ambtenaar dienst wordt verricht;
- g. voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de normale taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld;
- h. van personen, die in dienst worden genomen als leerling ter opleiding tot enig beroep dan wel in verband met hun verdere wetenschappelijke of praktische opleiding en vorming;
- i. indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is voorgenomen;
- j. van onbezoldigde ambtenaren;
- k. in de gevallen, waarin dit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald.
Zodra de omstandigheid, genoemd in het tweede lid, welke leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, wordt een aanstelling in vaste dienst verleend tenzij daartegen uit anderen hoofde bedenkingen bestaan.
In de gevallen, genoemd onder d, e en i van het tweede lid, wordt in ieder geval aangenomen, dat de omstandigheid, welke leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds vijf jaar zonder onderbreking van langer dan 1 maand in dienst van het Ministerie van Defensie, waarvan laatstelijk gedurende tenminste 1 jaar in zijn huidige betrekking, werkzaam is geweest, tenzij vaststaat, dat zijn werkzaamheden in het door hem vervulde ambt binnen het jaar zullen worden beëindigd.
In afwijking van het tweede tot en met vierde lid kan een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd voor de duur van ten hoogste drie jaren plaatsvinden.
Op een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het vijfde lid kan een nieuwe aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het vijfde lid volgen.
De op grond van het vijfde lid aangestelde ambtenaar in tijdelijke dienst mag bij beëindiging van die aanstelling de leeftijd van 30 jaar niet hebben overschreden, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald.
Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt omgezet in een aanstelling in vaste dienst, indien:
- a. meerdere aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar opvolgen in een periode van drie jaren of langer en met tussenpozen van niet langer dan drie maanden;
- b. meer dan drie aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar opvolgen met tussenpozen van niet langer dan drie maanden.
Voor het tellen van opeenvolgende aanstellingen worden aanstellingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2000 mede in aanmerking genomen, tenzij er sprake is van opeenvolgende aanstellingen ten behoeve van een project of indien in de diensteenheid, waarin de laatste aanstelling heeft plaatsgevonden, sprake is van overtolligheid.
De in het vijfde lid genoemde maximumduur van de aanstelling is niet van toepassing op de aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd van degene is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn.
Artikel 8. Bevoegdheid tot aanstelling
De aanstelling van de ambtenaar in vaste dienst die wordt bezoldigd volgens salarisschaal 15 of hoger van bijlage A van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie alsmede van de ambtenaar die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn en die wordt bezoldigd in de salarisschaal behorend bij de rang van kapitein ter zee/kolonel geschiedt bij koninklijk besluit.
De aanstelling in de overige gevallen geschiedt door Onze Minister.
Artikel 8a. Duur functievervulling
Vervallen
§ 2. Voorwaarden voor aanstelling
Artikel 9. Geschiktheid en bekwaamheid
Een aanstelling voor de tijd van langer dan drie maanden kan slechts plaatsvinden, indien Onze Minister op grond van de gegevens waarover hij beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de desbetreffende functie.
Onze Minister stelt voor een functie of voor een groep van functies eisen van geschiktheid en bekwaamheid vast waaraan de betrokkene moet voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te komen.
Teneinde vast te stellen of de betrokkene in voldoende mate geschikt of bekwaam is, wordt deze door Onze Minister aan een onderzoek onderworpen, waaronder begrepen het verifiëren en zo nodig aanvullen van de gegevens die door de betrokkene zijn verstrekt.
Het onderzoek, bedoeld in het derde lid, omvat tevens:
- a. een psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van Onze Minister behoefte bestaat;
- b. een medisch onderzoek, indien dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld dan wel indien op grond van functie-eisen een onderzoek naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is.
Onze Minister stelt vast voor welke functies een medisch onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, noodzakelijk is.
Artikel 10. Verklaring omtrent gedrag; veiligheidsonderzoek vertrouwensfunctie
Onze Minister kan, met uitzondering van het geval, bedoeld in het tweede lid, van de betrokkene eisen dat deze een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële gegevens overlegt.
Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van die wet is afgegeven.
Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd, tenzij naar het oordeel van Onze Minister dit noodzakelijk wordt geacht.
Een veiligheidsonderzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt pas ingesteld, als naar het oordeel van Onze Minister de betrokkene geschikt en bekwaam is voor de betreffende functie.
Artikel 11. Psychologisch onderzoek
Aan de betrokkene die is onderworpen aan een psychologisch onderzoek als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, wordt op zijn verzoek binnen twee weken na de vaststelling van de uitslag van het onderzoek inzage verleend in die uitslag. Dit vindt plaats in het kader van een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht.
Mededeling van de uitslag van het onderzoek aan Onze Minister blijft achterwege, indien de betrokkene uiterlijk een week nadat hij van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen zijn wens daartoe schriftelijk heeft meegedeeld aan degene die met het onderzoek is belast.
De uitslag van het onderzoek wordt niet eerder dan twee weken nadat betrokkene daarvan heeft kennis genomen, medegedeeld aan Onze Minister, tenzij die mededeling op een eerder tijdstip is geboden en de betrokkene met die eerdere mededeling schriftelijk heeft ingestemd.
Voor zover dit niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het eerste lid heeft de betrokkene recht op een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht.
De kosten van het psychologisch onderzoek en van het nagesprek komen voor rekening van het Ministerie van Defensie. De betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek en het nagesprek gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding ingevolge de bepalingen van het Besluit dienstreizen defensie.
Artikel 12. Medisch onderzoek
De uitslag van het medisch onderzoek als genoemd in artikel 9, vierde lid, onderdeel b, wordt uiterlijk binnen twee weken na vaststelling van die uitslag aan de betrokkene medegedeeld.
De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het medisch onderzoek is meegedeeld, een hernieuwd medisch onderzoek aanvragen.
Het hernieuwd medisch onderzoek mag niet worden verricht door de arts die het medisch onderzoek heeft verricht.
De betrokkene die op grond van artikel 9, vierde lid, onderdeel b, is onderworpen aan een medisch onderzoek, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een onderzoek naar de medische geschiktheid onderworpen indien de betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.
Het medisch onderzoek, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b, mag pas plaatsvinden, indien de betrokkene naar het oordeel van Onze Minister op grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 9, derde lid, en eventueel na het psychologisch onderzoek, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, overigens voldoende bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende functie.
De kosten van het medisch onderzoek en het hernieuwd medisch onderzoek komen voor rekening van het Ministerie van Defensie. De betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek en het hernieuwd onderzoek gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding ingevolge de bepalingen van het Besluit dienstreizen defensie.
Artikel 13. Eisen van bekwaamheid
Vervallen
§ 3. De akte van aanstelling en andere bescheiden
Artikel 14. Akte van aanstelling
Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk vóór de aanvaarding van zijn ambt, een akte van aanstelling uitgereikt, waarin in ieder geval worden vermeld:
- a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;
- b. de naam van de dienst, het bedrijf of de instelling van het Ministerie van Defensie;
- c. de datum, met ingang waarvan hij wordt aangesteld;
- d. of de aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst;
- e. de wekelijkse arbeidsduur waarvoor de ambtenaar wordt aangesteld.
Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt bovendien in de akte van aanstelling vermeld:
- a. of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd - en zo ja voor hoelang of voor onbepaalde tijd;
- b. de toepasselijke, in artikel 7, tweede lid, omschreven grond(en) voor de aanstelling in tijdelijke dienst.
Artikel 15. Nadere schriftelijke mededelingen
Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld, worden aan de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld:
- a. de afdeling of het dienstvak waarbij, de betrekking waarin, en de periode gedurende welke hij in die betrekking wordt te werk gesteld, alsmede de hem dienovereenkomstig aangewezen standplaats;
- b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regelen;
- c. het salaris dat hem is toegekend, zomede, het salarisnummer en het tijdstip waarop het salaris voor de eerste maal periodiek zal worden verhoogd;
- d. andere hem mogelijk toegekende voordelen, onder verwijzing naar de desbetreffende kortingsregeling;
- e. de omvang en de voorwaarden voor toekenning van een bindingspremie als bedoeld in artikel 47 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
Artikel 16. Bekendstelling rechtspositie
De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.
Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd worden op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Van deze regelingen kan hij kosteloos afschriften maken voor zover dat redelijkerwijs nodig is.
De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en instructies, welke hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. In het geval vermelde regelingen en instructies niet schriftelijk zijn vastgesteld, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.
§ 4. Loopbaanvorming
Artikel 18
Vervallen
Hoofdstuk 3. Opleidingen en loopbaanvorming
Artikel 19. Om- en bijscholingsopleidingen
De ambtenaar kan, al dan niet op eigen aanvraag, door het hoofd defensieonderdeel worden aangewezen voor het volgen van een om- of bijscholingsopleiding teneinde de benodigde kennis en vaardigheden te behouden voor het vervullen van de huidige functie, dan wel te verkrijgen voor de vervulling van toekomstige functies. De ambtenaar wordt tijdig in de gelegenheid gesteld tot het volgen van die opleiding.
Het hoofd defensieonderdeel kent de ambtenaar een vergoeding toe voor de aan een om- of bijscholingsopleiding verbonden noodzakelijk te zijnen laste komende kosten.
De ambtenaar die is aangewezen voor het volgen van een om- of bijscholingsopleiding, kan daarvan door het hoofd defensieonderdeel worden ontheven indien hij niet voldoet aan de bij de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de ambtenaar om andere redenen noodzakelijk is.
Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20. Individuele opleidingsaanspraak
De ambtenaar wordt op zijn aanvraag door Onze Minister aangewezen voor een opleiding indien de ambtenaar de beschikking heeft over een individuele opleidingsaanspraak. Over de periode van het volgen van de opleiding worden vooraf afspraken gemaakt tussen de ambtenaar, de commandant en de employabilitybegeleider.
De kosten verbonden aan de opleiding worden vergoed tot bij ministeriele regeling vast te stellen maximum bedragen. De kosten kunnen tot vijf jaar voor de pensioengerechtigde leeftijd worden vergoed met inachtneming van de hiervoor bedoelde maximumbedragen.
Indien bij een andere te vervullen functie blijkt dat de gevolgde opleiding onderdeel uitmaakt van de functie-eisen, wordt het bedrag van de daarvoor vergoede opleidingskosten weer toegevoegd aan de bedragen, bedoeld in het tweede lid.
Wanneer de opleiding dan wel de noodzakelijke voorbereiding daarop plaatsvindt tijdens de werktijd van de ambtenaar, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid. Indien zwaarwegende redenen van dienstbelang dit noodzakelijk maken, kan de vrijstelling van arbeid door Onze Minister tijdelijk worden opgeheven.
Indien de opleiding niet kan worden afgerond voordat ontslag plaats vindt op grond van artikel 113, vijfde lid, kan de opleiding na het ontslag worden afgerond met vergoeding van de daarmee samenhangende opleidingskosten met inachtneming van de in het tweede lid bedoelde maximum bedragen.
De burgerlijk ambtenaar aan wie ingevolge artikel 113, eerste lid, ontslag wordt verleend en direct daarop volgend in dienst treedt als militair ambtenaar bij het ministerie van Defensie, behoudt de op dat moment beschikbare individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in het eerste lid. Deze resterende aanspraak wordt overgeheveld naar de individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in artikel 16bis, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
De aanspraak bedoeld in het zesde lid bouwt verder door tot de maximum bedragen bedoeld in artikel 16bis, tweede lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, tenzij de aanspraak bij aanvang van de aanstelling als militair ambtenaar bij het ministerie van Defensie reeds meer is dan het maximum bedrag, bedoeld in artikel 16bis, tweede lid van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
Bij ministeriele regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van dit artikel.
Artikel 21. Studiefaciliteiten
Aan de ambtenaar die dat wenst, kunnen naar bij ministeriële regeling te stellen regels bepaalde studiefaciliteiten worden verleend, indien de ambtenaar naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel een studie of opleiding voor eigen rekening volgt of heeft voltooid die mede in het belang van de dienst of in het belang van de bevordering van de externe werkzekerheid is.
Artikel 22. Terugbetaling opleidingskosten
De ambtenaar die wordt aangesteld om na afloop van een opleiding voor een functie daarin te worden tewerkgesteld, kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels, bij die aanstelling worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke (terug)betaling van de kosten van de opleiding als bedoeld in de artikelen 19 en 21 ingeval hem overeenkomstig zijn aanvraag of anders dan eervol, ontslag wordt verleend in het opleidingstijdvak dan wel binnen een in even bedoelde regels aangegeven tijdvak na afloop van de opleiding. Het bepaalde in de vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar in tijdelijke dienst, wiens aanstelling voor een bepaalde tijd overeenkomstig zijn aanvraag niet wordt verlengd of overeenkomstig zijn aanvraag niet wordt gewijzigd in een aanstelling in vaste dienst.
Artikel 23
Bij ministeriele regeling worden regels gesteld omtrent loopbaanvorming in het algemeen en omtrent daarmede verband houdende bijzondere regelingen ter bepaling van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.
Artikel 24. Duur functievervulling
De ambtenaar, die in vaste dienst is aangesteld en is tewerkgesteld in een functie waaraan schaal 9 of hoger van bijlage A van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie is verbonden, wordt voor een periode van ten hoogste vijf jaren in een functie tewerkgesteld. Deze tewerkstelling duurt voort, tenzij na afloop van die periode op basis van een met de betrokken ambtenaar gemaakte loopbaanafspraak een andere, passende functie wordt opgedragen. In beginsel dient met de ambtenaar overeenstemming te zijn bereikt over die andere functie.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels ter uitvoering van het eerste lid worden gesteld.
Artikel 25. Functioneringsgesprek
Aan de wijze van functievervulling van de ambtenaar en aan zijn gedrag in relatie tot zijn functie wordt ten minste een keer per jaar aandacht besteed door middel van het houden van een functioneringsgesprek.
Aan het functioneringsgesprek wordt deelgenomen door de ambtenaar en diens functionele chef.
Op verzoek van een van de deelnemers aan het functioneringsgesprek en met instemming van beide deelnemers kunnen een of meer andere personen aan het gesprek deelnemen.
Het functioneringsgesprek is ten minste gericht op de navolgende onderdelen:
- a. het functioneren van de ambtenaar in de omgeving waarin hij zijn functie vervult, alsmede de functionele relatie tussen de ambtenaar en de functionele chef met betrekking tot de functie-uitoefening van de ambtenaar over de achterliggende periode. Hierbij komen in elk geval de volgende aspecten aan de orde:
- 1°. de verhouding tussen de getoonde kennis en de vaardigheden en de gestelde functie-eisen;
- 2°. de vorderingen en de gedragingen;
- 3°. de toetsing of en in hoeverre is voldaan aan eerder gemaakte afspraken;
- 4°. integriteit.
- b. afspraken en aandachtspunten met betrekking tot de toekomstige functievervulling;
- c. de persoonlijke ontwikkeling in relatie tot de mogelijke loopbaanwensen van de ambtenaar en de algemene loopbaanpatronen;
- d. indien de ambtenaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt: de relatie tussen leeftijd en belastbaarheid en functievervulling.
De functionele chef legt een samenvatting van de inhoud van het gesprek alsmede de gemaakte afspraken en besproken aandachtspunten in het functioneringsgesprekformulier vast. Het formulier wordt voor een correcte weergave daarvan door de functionele chef en de ambtenaar ondertekend. De functionele chef verstrekt de ambtenaar een afschrift van het functioneringsgesprekformulier. De afspraken en aandachtspunten worden opgelegd in het personeelsdossier van de betrokkene.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van functioneringsgesprekken en het functioneringsgesprekformulier, waarin ten minste de in het vierde lid genoemde onderdelen zijn opgenomen.
Artikel 26. Loopbaangesprek
Op verzoek van de ambtenaar voert de employabilitybegeleider een loopbaangesprek met de ambtenaar.
In het loopbaangesprek wordt ten minste aandacht besteed aan:
- a. de ontwikkelpunten inzake kennis, ervaring en competenties, gericht op het vervolg van de loopbaan binnen of buiten het ministerie van Defensie;
- b. de opleidingswensen van de ambtenaar;
- c. de kansen en mogelijkheden ten aanzien van het vervolg van de loopbaan binnen of buiten het ministerie van Defensie.
Afspraken die in het loopbaangesprek worden gemaakt, zijn bindend en worden vastgelegd in het bij ministeriële regeling vast te stellen persoonlijk ontwikkelplanformulier.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van loopbaangesprekken en het vaststellen van de afspraken in het persoonlijk ontwikkelplanformulier.
Artikel 27. Beoordeling
Indien de commandant of de ambtenaar dit wenselijk vindt, wordt een beoordeling opgemaakt. De ambtenaar dient daartoe een aanvraag in bij de commandant.
Onze Minister kan opdracht geven tot het opmaken van een beoordeling.
De ambtenaar wordt beoordeeld omtrent de wijze waarop hij zijn functie heeft vervuld en omtrent zijn gedrag in relatie tot die functie, gedurende het beoordelingstijdvak. De beoordeling is gebaseerd op concrete handelingen, resultaten en gedragingen van de te beoordelen ambtenaar.
Bij het opmaken van een beoordeling kan een toekomstverwachting worden opgemaakt.
Het beoordelingstijdvak omvat een periode van ten minste zes maanden en ten hoogste twee jaren. Per kalenderjaar kan maximaal één beoordeling worden opgemaakt.
De beoordeling wordt opgemaakt door een eerste en in beginsel een tweede beoordelaar. Als eerste beoordelaar treedt op de functionele chef van de ambtenaar. De tweede beoordelaar is de commandant dan wel een door de commandant aangewezen functionaris. In geval de commandant is opgetreden als eerste beoordelaar, treedt in beginsel als tweede beoordelaar op de functionele chef van de commandant.
Gelet op de vereiste deskundigheid kan bij het uitbrengen van een beoordeling een personeelsbeoordelingsadviseur aan de beoordelaar worden toegevoegd.
Na het opmaken van de beoordeling van de ambtenaar:
- a. wordt met de ambtenaar zijn beoordeling besproken;
- b. krijgt de ambtenaar een afschrift van zijn beoordeling uitgereikt;
- c. krijgt hij de gelegenheid zijn bedenkingen tegen de omtrent hem opgemaakte beoordeling binnen twee weken schriftelijk bij de tweede beoordelaar kenbaar te maken, tenzij er geen tweede beoordelaar is; indien er geen tweede beoordelaar is, worden de bedenkingen kenbaar gemaakt bij de eerste beoordelaar.
Nadat de beoordeling door de tweede beoordelaar is vastgesteld, wordt aan de ambtenaar een afschrift verstrekt. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing indien er sprake is van één beoordelaar.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het opmaken en vaststellen van beoordelingen alsmede het beoordelingsformulier volgens welke de ambtenaar wordt beoordeeld.
Artikel 28
Vervallen
Artikel 29. Bezoldiging bij dienst als noodwachter
Vervallen
Hoofdstuk 4. Werk- en rusttijden
Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden
Artikel 30a. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. dienst: een aaneengesloten tijdruimte waarin arbeid wordt verricht en die gelegen is tussen twee voorgeschreven opeenvolgende onafgebroken rusttijden;
- b. werktijd: het totaal van de in kloktijden aangegeven perioden gedurende welke een ambtenaar de hem opgedragen arbeid moet verrichten;
- c. rooster: een voor een periode van tenminste een week opgesteld en van tevoren schriftelijk bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werk- en rusttijden;
- d. arbeidsduur: de tijdsduur, uitgedrukt in een aantal uren per dag of per week, gedurende welke een ambtenaar arbeid verricht;
- e. nachtdienst: een dienst waarin de uren tussen 00.00 uur en 06.00 uur geheel of gedeeltelijk zijn begrepen;
- f. jeugdige ambtenaar: een ambtenaar van 16 of 17 jaar;
- g. pauze: een tijdruimte van ten minste 15 achtereenvolgende minuten, waarmee de arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken en de ambtenaar geen enkele verplichting heeft ten aanzien van de bedongen arbeid;
- h. consignatie: een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende diensten of tijdens een pauze, waarin de ambtenaar uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten;
- i. aanwezigheidsdienst: een aaneengesloten tijdruimte van ten hoogste 24 uren, waarin de ambtenaar, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid, consignatie wordt opgelegd waarbij de ambtenaar verplicht is op de werkplek aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten;
- j. piket: een periode waarin de ambtenaar, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid, consignatie wordt opgelegd waarbij de ambtenaar verplicht is om in verband met zijn bereikbaarheid op de werkplek aanwezig te zijn;
- k. oefening: elk door defensiepersoneel in de praktijk brengen van onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van aan de krijgsmacht opgedragen operationele taken te verwerven, te vergroten of te onderhouden.
Artikel 30b. Vaststelling werk- en rusttijden
De werk- en rusttijden van de ambtenaar worden met inachtneming van de bepalingen in dit hoofdstuk, en nadat hierover overeenkomstig het Besluit medezeggenschap defensie overeenstemming is bereikt met de betrokken medezeggenschapscommissie, vastgesteld door de commandant en schriftelijk vastgelegd in roosters.
De arbeidsduur bedraagt gerekend over de periode waarvoor het rooster is vastgesteld ten hoogste gemiddeld 38 uren per week. In uitzonderlijke gevallen kan door Onze Minister van de eerste volzin worden afgeweken.
Aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder wordt niet opgedragen dienst te verrichten tussen 22.00 uur en 06.00 uur, tenzij het een gedeelte van een dienst betreft die doorloopt na 22.00 uur en ten laatste eindigt om 24.00 uur.
Van het derde lid kan door de commandant voor de duur van telkens ten hoogste één jaar worden afgeweken, indien de ambtenaar dit heeft aangevraagd, dan wel zeer gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe noodzaken, mits de arts van de bedrijfsgeneeskundige dienst daaromtrent een positief advies heeft uitgebracht.
Door Onze Minister kunnen functies worden aangewezen waarbij het reizen, naar en vanaf de plaats waar de ambtenaar dienst moet verrichten, een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van de functie. Bij die functies wordt de reisduur buiten de voor de ambtenaar geldende werktijd als arbeidsduur aangemerkt.
Artikel 30c. Partiële arbeidsparticipatie senioren
De arbeidsduur, bedoeld in artikel 30b, tweede lid, van de ambtenaar van 57 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt door de commandant, onder handhaving van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld, teruggebracht met 15,8%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
De arbeidsduur, bedoeld in artikel 30b, tweede lid, van de ambtenaar van 61 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt door de commandant, onder handhaving van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld, teruggebracht met 36,8%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
De ingevolge het eerste en het tweede lid teruggebrachte arbeidsduur wordt afgerond naar boven indien de eerste decimaal achter de komma groter is dan nul.
De aanspraak op vakantie als bedoeld in artikel 32, vierde lid, wordt naar evenredigheid verminderd en de in artikel 32, vijfde lid, onder a, bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak komt te vervallen.
De in het eerste dan wel tweede lid bedoelde ambtenaar dient op het moment van de eerste aanvraag ten minste 5 aaneengesloten jaren in dienst te zijn van het Ministerie van Defensie.
Voor de uren die het wekelijks verschil vormen tussen de in het eerste en tweede lid bedoelde arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld, en de teruggebrachte arbeidsduur wordt de ambtenaar geacht met verlof te zijn.
Op het salaris van de in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde ambtenaar wordt een inhouding toegepast ter grootte van 5% respectievelijk 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder arbeidsduurvermindering op grond van dit artikel.
Onze Minister stelt omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar nadere regels vast.
Dit artikel is niet van toepassing op een ambtenaar die gebruik maakt van de mogelijkheid van ontslag als bedoeld in artikel 114, tweede lid.
Artikel 30d. Bekendstelling werk- en rusttijden
De commandant dat een rooster vaststelt of opnieuw vaststelt, maakt het rooster ten minste 28 dagen vóór de datum van inwerkingtreding bekend aan de ambtenaar.
Indien de aard van de arbeid toepassing van het eerste lid onmogelijk maakt, stelt de commandant ten minste 28 dagen van tevoren aan de ambtenaar bekend op welke dag de rusttijd, bedoeld in de artikelen 30r en 31g, eerste lid, aanvangt. Tevens maakt hij aan de ambtenaar ten minste 4 dagen van tevoren de tijdstippen bekend waarop hij arbeid moet verrichten.
De commandant dient overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt af te wijken van het eerste of tweede lid.
Artikel 30da. Tijdelijke verlenging van de arbeidsduur
De ambtenaar kan bij de commandant eenmaal per kalenderjaar een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar met 2 uren per week te verlengen wanneer het rooster van de ambtenaar gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar zal zijn gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
De commandant wijst een aanvraag als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. In ieder geval wordt de aanvraag afgewezen indien de tijdelijke verlenging van de arbeidsduur geen effect heeft op de formatie, onder door Onze Minister bij ministeriële regeling nader vast te stellen voorwaarden.
Een toegestane verlenging van de arbeidsduur gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de verlenging is toegestaan.
Een toegestane verlenging van de arbeidsduur wordt jaarlijks stilzwijgend voortgezet tenzij:
- a. de ambtenaar een aanvraag indient om de tijdelijke verlenging van de arbeidsduur te beëindigen; of
- b. de ambtenaar een aanvraag indient als bedoeld in artikel 30db, eerste lid; of
- c. de commandant de verlenging van de arbeidsduur beëindigt omdat hij van oordeel is dat het dienstbelang zich tegen een voortgezette verlenging daarvan verzet.
Indien de ambtenaar in een andere functie wordt tewerkgesteld vervalt met ingang van de datum van tewerkstelling de verlenging van de arbeidsduur. In dat geval kan de ambtenaar bij zijn nieuwe commandant een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen.
Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verlengd ontvangt de ambtenaar een maandelijkse toeslag. Deze toeslag bedraagt acht maal het voor de betrokken ambtenaar geldende salaris per uur, of een evenredig deel daarvan voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
Artikel 30db. Tijdelijke verkorting van de arbeidsduur
De ambtenaar kan bij de commandant eenmaal per kalenderjaar een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar met 2 uren per week te verkorten wanneer het rooster van de ambtenaar gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar zal zijn gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
De in het eerste lid bedoelde verkorting van de arbeidsduur wordt verwerkt in het voor de betrokken ambtenaar geldende rooster dan wel wordt toegekend in de vorm van acht spaaruren per maand wanneer het een ambtenaar betreft van wie het rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week en een evenredig deel daarvan wanneer het een ambtenaar betreft die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
De commandant wijst een aanvraag indien het gaat om een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid toe.
Een toegestane verkorting van de arbeidsduur gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de verkorting is toegestaan.
Een toegestane verkorting van de arbeidsduur wordt jaarlijks stilzwijgend voortgezet tenzij:
- a. de ambtenaar een aanvraag indient om de tijdelijke verkorting van de arbeidsduur te beëindigen; of
- b. de ambtenaar een aanvraag indient als bedoeld in artikel 30da, eerste lid.
Indien de ambtenaar in een andere functie wordt tewerkgesteld vervalt met ingang van de datum van tewerkstelling de verkorting van de arbeidsduur. In dat geval kan de ambtenaar bij zijn nieuwe commandant een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen.
Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verkort, wordt maandelijks een inhouding toegepast. Deze inhouding bedraagt 2 maal het voor de betrokken ambtenaar geldende salaris per uur, of een evenredig deel daarvan voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
Artikel 30e. Registratie werk- en rusttijden
De commandant voert een deugdelijke registratie ter zake van de werk- en rusttijden en de realisatie daarvan, welke het toezicht op de naleving van de bepalingen in dit hoofdstuk mogelijk maakt.
De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden worden ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de desbetreffende gegevens en bescheiden betrekking hebben, bewaard.
Artikel 30f. Gelijkstelling met arbeidsduur
Voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk, ten aanzien van de arbeidsduur, wordt voor het bepalen van het aantal uren dat arbeid wordt verricht, meegeteld de uren waarop de ambtenaar de arbeid zou hebben verricht, maar deze uren in het kader van de medezeggenschap als bedoeld in artikel 17 van het Besluit medezeggenschap defensie, ziekte, verlof als bedoeld in de artikelen 32, 40, 42 tot en met 45 en 47, studieverlof als bedoeld in artikel 3 van de Studiefaciliteitenregeling burgerlijke ambtenaren defensie, of de vervulling van door wet of overheid opgelegde verplichting welke niet in zijn vrije tijd kon geschieden, niet heeft verricht.
Artikel 30g. Gelijkstelling met de zondag
Voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk ten aanzien van de zondag, vindt voor de ambtenaar, die in verband met zijn godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing ten aanzien van die dag in plaats van ten aanzien van de zondag, indien die ambtenaar dit schriftelijk verzoekt.
Artikel 30h. Gezondheidsproblemen bij nachtdiensten
Indien uit arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt, dat de gezondheidsproblemen van een ambtenaar voortvloeien uit het verrichten van nachtdiensten, dan wordt de arbeid van die ambtenaar binnen redelijke termijn zodanig ingericht, dat hij arbeid verricht anders dan in nachtdienst.
De commandant voldoet aan de voor hem uit het eerste lid voortvloeiende verplichting, tenzij hij aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Paragraaf 2. Toepassingsbereik
Artikel 30i. Algemene uitzonderingsbepalingen
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid verricht:
- a. ten tijde van buitengewone omstandigheden, alsmede ten aanzien van een onderdeel van de krijgsmacht, waaraan de mededeling bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht is gedaan;
- b. ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen opgedragen taken, voor zover de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert;
- c. in door Onze Minister te bepalen andere gevallen waarin onderdelen van de krijgsmacht worden ingezet;
- d. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de omstandigheden, bedoeld onder a, b, en c.
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van paragraaf 11, niet van toepassing op arbeid verricht:
- a. tijdens varen, vliegen en oefeningen;
- b. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het varen, het vliegen en het houden van oefeningen.
Artikel 30j. Opleidingen
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van paragraaf 2, niet van toepassing op de ambtenaar die een opleiding volgt als bedoeld in artikel 94.
Artikel 30k. Inzet brandweer
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op arbeid verricht door brandweerpersoneel, tenzij dit personeel repressief optreedt bij brand en ongevallen.
Artikel 30l. Leidinggevenden en hoger personeel
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2 en 11, en de artikelen 30a, 30b, tweede tot en met vijfde lid, 30c, 30da. 30db, 30h en 31g, niet van toepassing op arbeid verricht door de ambtenaar van 18 jaar of ouder voor wie:
- a. een salarisschaal geldt van schaal 11 of hoger, en die uitsluitend of in hoofdzaak leiding geeft;
- b. een salarisschaal geldt van schaal 13 of hoger, tenzij hij arbeid pleegt te verrichten in nachtdienst dan wel arbeid verricht waaraan of in rechtstreeks verband waarmee ernstige gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van personen zijn verbonden.
Artikel 30m. Internationaal tewerkgesteld
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2 en 11, en de artikelen 30a, 30b, tweede lid, 30da, 30db, 30c, 30h en 31g, eerste en tweede lid, niet van toepassing op arbeid verricht door de ambtenaar voor zover hij is tewerkgesteld buiten Nederland:
- a. onder leiding of toezicht van een orgaan van de Verenigde Naties;
- b. bij of ten behoeve van een bondgenootschappelijk orgaan of bondgenootschappelijke strijdkrachten;
- c. buiten het Ministerie van Defensie, anders dan in de gevallen, bedoeld onder a en b.
Artikel 30n. Medisch specialisten
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2 en 11, en de artikelen 30a, 30b, tweede tot en met vijfde lid, 30c, 30da, 30db, 30h en 31g, niet van toepassing op arbeid verricht door de ambtenaar van 18 jaar of ouder die werkzaam is als medisch specialist, als huisarts of als sociaal geneeskundige en als zodanig staat geregistreerd in één van de registers van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, dan wel als tandheelkundig specialist en als zodanig staat ingeschreven in het specialistenregister van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde.
Paragraaf 2. Toepassingsbereik
Artikel 30o. Arbeidsduur
De arbeidsduur van de ambtenaar van 18 jaar of ouder bedraagt ten hoogste 10 uren per dienst, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 50 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar meer dan 9 uren per dienst of meer dan 45 uren per week arbeid verricht.
Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per dienst, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
De arbeidsduur van de jeugdige ambtenaar bedraagt ten hoogste 9 uren per dienst, ten hoogste 45 uren per week en in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
Artikel 30p. Verlengde arbeidsduur
Van de in artikel 30o genoemde arbeidsduur kan voor de ambtenaar van 18 jaar of ouder worden afgeweken indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet, of de aard van de arbeid, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt.
De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 12 uren per dienst, ten hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week.
Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 31c, vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.
Indien als gevolg van de toepassing van het eerste lid arbeid wordt verricht in nachtdienst, welke arbeid eindigt vóór of op 02.00 uur, dan zijn hierop de in paragraaf 5 opgenomen bepalingen ten aanzien van het verrichten van arbeid in nachtdienst niet van toepassing.
Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur
Artikel 30q. Dagelijkse onafgebroken rusttijd
De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft in elke aaneengesloten tijdruimte van 24 uren recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren.
De jeugdige ambtenaar heeft in elke aaneengesloten tijdruimte van 24 uren recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren, waarin de periode tussen hetzij 22.00 uur en 06.00 uur, hetzij 23.00 uur en 07.00 uur begrepen is.
De in de voorgaande leden bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Artikel 30r. Wekelijkse onafgebroken rusttijd
De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft recht op een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren. De voorgeschreven rusttijd van 60 uren mag éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken worden bekort tot 32 uren.
De jeugdige ambtenaar heeft recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren.
De in de voorgaande leden bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Paragraaf 4. Dagelijkse en wekelijkse rusttijd
Artikel 30s. Arbeidsduur nachtdienst
Voor de ambtenaar van 18 jaar of ouder die arbeid in nachtdienst verricht, bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per nachtdienst, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 50 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar meer dan 8 uren per nachtdienst of meer dan 45 uren per week arbeid verricht.
Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 8 uren per nachtdienst, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
Artikel 30t. Verlengde arbeidsduur nachtdienst
Van de in artikel 30s genoemde arbeidsduur kan voor de ambtenaar van 18 jaar of ouder worden afgeweken indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet, of de aard van de arbeid, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt.
De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 10 uren per nachtdienst, ten hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 31c, vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.
Artikel 30u. Onafgebroken rusttijd nachtdienst
De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft na het verrichten van arbeid in nachtdienst, welke eindigt ná 02.00 uur, recht op een onafgebroken rusttijd van tenminste 14 uren, welke éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden bekort tot ten minste 8 uren.
De commandant dient over de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bekorting van de onafgebroken rusttijd tot ten minste 8 uren overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
De in het eerste lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Artikel 30v. Aantal nachtdiensten die eindigen vóór of op 02.00 uur
De ambtenaar van 18 jaar of ouder verricht in elke periode van 13 achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 52 maal arbeid in nachtdienst, indien de arbeid eindigt vóór of op 02.00 uur.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar in een periode van 4 achtereenvolgende weken meer dan 16 maal arbeid in nachtdienst verricht, indien de arbeid eindigt vóór of op 02.00 uur.
Artikel 30w. Aantal nachtdiensten die eindigen ná 02.00 uur
De ambtenaar van 18 jaar of ouder verricht in elke periode van 13 achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 28 maal arbeid in nachtdienst, indien de arbeid eindigt ná 02.00 uur.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar in elke periode van 4 achtereenvolgende weken meer dan 10 maal en in elke periode van13 achtereenvolgende weken meer dan 25 maal arbeid in nachtdienst verricht, indien die arbeid eindigt ná 02.00 uur.
Artikel 30x. Afwijking aantal nachtdiensten
In afwijking van artikel 30w, eerste lid, kan de commandant dit artikel toepassen.
Indien de aard van de arbeid met zich brengt dat arbeid in nachtdienst worden verricht en dit door het op een andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de ambtenaar van 18 jaar of ouder:
- a. hetzij ten hoogste 35 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken arbeid in nachtdienst;
- b. hetzij ten hoogste 20 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken arbeid tussen 00.00 uur en 06.00 uur.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
Artikel 30y. Rusttijd na reeks nachtdiensten
Na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 7 maal achtereen arbeid in nachtdienst te hebben verricht, heeft de ambtenaar van 18 jaar of ouder recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 48 uren.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang noodzakelijk maakt dat de ambtenaar 7 maal achtereen arbeid in nachtdienst verricht die eindigt vóór of op 02.00 uur, hetzij 6 of 7 maal achtereen arbeid in nachtdienst verricht die eindigt ná 02.00 uur.
Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan heeft de ambtenaar,:
- a. na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 6 maal achtereen arbeid in nachtdienst te hebben verricht, die eindigt vóór of op 02.00 uur;
- b. hetzij na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 5 maal achtereen arbeid in nachtdienst te hebben verricht, die eindigt ná 02.00 uur,
recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 48 uren.
Artikel 30z. Referentieperiode
In afwijking van artikel 30s, eerste lid, en artikel 30t, tweede lid, ten aanzien van het gemiddeld aantal uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken dat arbeid in nachtdienst wordt verricht, kan de commandant dit artikel toepassen.
Indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden voordoet of de aard van de arbeid het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar van 18 jaar of ouder slechts incidenteel of voor korte tijd arbeid in nachtdienst verricht en dit door het op een andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de ambtenaar in elke periode van 52 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd
Artikel 31a. Noodzakelijke werkzaamheden
In afwijking van de artikelen 30o, 30p, 30s, en 30t, ten aanzien van de arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.
Indien de arbeid geen uitstel gedogen, en door het nemen van andere maatregelen redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de ambtenaar van 18 jaar of ouder ten hoogste éénmaal in elke periode van 2 achtereenvolgende weken 14 uren arbeid per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst.
Het tweede lid is eveneens van toepassing, indien de arbeid wordt verstoord door een zich plotseling voordoende situatie:
- a. waarbij personen ernstig letsel oplopen, dan wel daartoe de onmiddellijke dreiging bestaat;
- b. waarbij buitengewoon ernstige schade aan goederen ontstaat, dan wel dreigt te ontstaan.
Artikel 31b. Overdracht van diensten
De commandant kan, in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van de arbeidsduur per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst en de onafgebroken rusttijd, dit artikel toepassen.
De arbeidsduur per dienst of per nachtdienst onderscheidenlijk de onafgebroken rusttijd wordt met ten hoogste 15 achtereenvolgende minuten verlengd onderscheidenlijk ingekort, indien de arbeid van de ambtenaar van 18 jaar of ouder aan het eind van de dienst wordt overgenomen en direct daaropvolgend worden voortgezet door een andere ambtenaar en de goede voortgang van die arbeid overdracht noodzakelijk maakt.
Op de afwijking bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 30v, 30w en 30x, ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur
Artikel 31c. Pauze
Indien de arbeidsduur van de ambtenaar van 18 jaar of ouder meer dan 5½ uur per dienst bedraagt, dan wordt de arbeid afgewisseld door een pauze.
De in het eerste lid bedoelde pauze bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten, welke mag worden gesplitst in twee pauzes van ten minste 15 achtereenvolgende minuten.
De commandant dient over de toepassing van het tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
Indien het tweede lid niet wordt toegepast, dan wordt, met inachtneming van het eerste lid, de arbeid van de ambtenaar:
- a. indien hij niet meer dan 8 uren arbeid per dienst of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste een half uur;
- b. indien hij meer dan 8 uren, doch niet meer dan 10 uren arbeid per dienst of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 45 minuten;
- c. indien hij meer dan 10 uren arbeid per dienst of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 1 uur.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)