Besluit van 25 juni 1993, houdende bepalingen betreffende de algemene rechtspositie van burgerlijke ambtenaren bij het Ministerie van Defensie
De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering op grond van de ZW, dan wel de WAO, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging welke de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
| 80% of meer: | 90,02% |
|---|---|
| 65 tot 80% | 73,31% |
| 55 tot 65% | 56,59% |
| 45 tot 55% | 45,01% |
| 35 tot 45% | 34,08% |
| 25 tot 35% | 22,50% |
| 15 tot 25% | 15,00%. |
De aanvullende uitkering als bedoeld in het tweede lid eindigt op het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden en in ieder geval na ommekomst van de duur van de suppletie dan wel met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
De aanvullende uitkering als bedoeld in het derde lid eindigt op het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden en in ieder geval met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
Indien het overlijden van een ambtenaar in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens het pensioenreglement, bedoeld in artikel 54a, onderdeel h, een nabestaandenpensioen geniet, door Onze Minister een uitkering toegekend ten bedrage van 18 procent van het resultaat van de vermenigvuldiging van:
- a. 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 8.3 van het pensioenreglement, en
- b. de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in paragraaf 5 van het pensioenreglement.
De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overleden ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, dan wel, indien de weduwe aan wie bedoeld pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgend op die van het hertrouwen.
Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar ten aanzien van wie het eerste lid toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat lid.
Artikel 62, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op de bezoldiging, bedoeld in het tweede en derde lid.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, wordt voor de gewezen ambtenaar aan wie voor 1 januari 2018 ontslag is verleend met recht op een uitkering op grond van dit artikel, verstaan onder pensioengerechtigde leeftijd: de leeftijd van 65 jaar.
§ 4
Artikel 66. Zwangerschaps- en bevallingsverlof
Vervallen
Artikel 67. Begrip bezoldiging
Voor de toepassing van dit hoofdstuk is, voor de berekening van de bezoldiging, artikel 30 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie van toepassing.
Artikel 69. Afwijkende aanspraken voor tijdelijke ambtenaren
Met uitzondering van paragraaf 1 en van artikel 64 is het bepaalde in dit hoofdstuk niet van toepassing op de ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het pensioenreglement. In geval van ziekte ontvangt hij tijdens de duur van zijn dienstverband op een hem op grond van de Ziektewet of WAO toegekende uitkering een aanvulling tot zijn bezoldiging. Indien de ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is voor de uitoefening van zijn dienstbetrekking, ontvangt hij gedurende de eerste 18 maanden van die ongeschiktheid 100% en daarna tot aan het einde van zijn betrekking 80% van zijn bezoldiging, nadat daarop de uitkering ingevolge de ZW of de WAO in mindering is gebracht. Op die vermindering zijn de artikelen 27 en 29 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte
Artikel 70
De ambtenaar vervult de uit zijn functie voortvloeiende plichten nauwgezet en ijverig en gedraagt zich zoals een goed ambtenaar betaamt.
Artikel 71
Het is de ambtenaar verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven.
Het is de ambtenaar verboden bij het gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door Onze Minister-President vergunning is verleend.
De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister voorgeschreven is.
Artikel 72. Niet-naleven van bepalingen in verband met onbekendheid daarmee
Ter zake van niet-naleving van bepalingen, welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.
Artikel 73. In strijd met een regeling onthouden van voordelen of toebrengen van nadelen
Vervallen
Artikel 74. Verplichte mededeling van verhindering
De ambtenaar die door ziekte of anderszins verhinderd is zijn dienst te verrichten, is verplicht, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, daarvan zo tijdig mogelijk mededeling te doen aan zijn commandant.
Artikel 75. Woonplaats
De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen of waartoe zijn standplaats behoort, indien dit naar het oordeel van de commandant noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie.
De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.
Artikel 76. Ambts- of dienstwoning
De ambtenaar is verplicht indien hem door de commandant een ambts- of dienstwoning ter bewoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de regels, die daaromtrent zijn gesteld.
De ambtenaar draagt de onderhoudskosten, die volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij door Onze Minister anders wordt bepaald.
Artikel 77. Opdragen van een andere functie
Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar op diens aanvraag een andere functie opdragen.
Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar indien het belang van de dienst dit vordert, al dan niet in zijn dienstvak en al of niet op dezelfde standplaats, een andere functie opdragen die redelijkerwijs in overeenstemming is met diens persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten; de ambtenaar is verplicht een dergelijke functie te aanvaarden.
De Secretaris-Generaal is bevoegd tot het opdragen van een andere functie als bedoeld in het eerste en tweede lid aan een ambtenaar, bezoldigd volgens salarisschaal 14 of hoger van bijlage A van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie alsmede aan een ambtenaar die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn en die wordt bezoldigd in de salarisschaal behorend bij de rang van kapitein ter zee/kolonel.
Artikel 78. Tijdelijk verrichten van andere ambtelijke werkzaamheden
Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar opdragen tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan hij gewoonlijk verricht en die hem gelet op zijn persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. De ambtenaar is gehouden deze werkzaamheden te verrichten, met uitzondering van werkzaamheden in de plaats van stakers of uitgeslotenen in particuliere dienst, tenzij deze worden verricht in dienst van Defensie en zij tijdens de staking of uitsluiting of als onmiddellijk gevolg daarvan, redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de openbare dienst.
Onze Minister kan, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar, de ambtenaar opdragen in geval van buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken tot uitvoering van de taken van de defensieorganisatie of ertoe strekken een zo goed mogelijke uitvoering van die taken te verzekeren.
Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar opdragen lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen met het oog op het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 79. Nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden
Vervallen
Artikel 80. Deelname aan aanneming en leveringen
Vervallen
Artikel 81. Deelnemingen aan vennootschappen, stichtingen of verenigingen
Vervallen
Artikel 82. Terugstorting van vergoedingen in 's-Rijks kas
De ambtenaar, die een besturende, beherende dan wel toezichthoudende functie vervult in een naamloze vennootschap of ander rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit 's-Rijks kas, een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding in genoemde kas te storten, indien de benoeming in die functie:
- a. heeft plaats gehad door dan wel in overeenstemming met Onze Minister;
- b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift dan wel uit een overeenkomst, welke met instemming van Onze Minister of de Ministerraad is tot stand gekomen.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar, die een nevenfunctie vervult, welke verband houdt met het door hem beklede ambt en hem is opgedragen door Onze Minister, en voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit 's-Rijks kas, een vergoeding ontvangt.
Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing in de gevallen, waarin dit door Onze Minister-President is bepaald.
Artikel 83. Geen vergoedingen, beloningen, steekpenningen
Vervallen
Artikel 84. Dienstkleding en onderscheidingstekenen
Vervallen
Artikel 85. Schadeverhaal
Onze Minister kan de ambtenaar verplichten tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade:
- a. indien deze schade in het kader van de vervulling van aan de ambtenaar opgedragen taken en werkzaamheden is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar; dan wel
- b. indien deze schade buiten het kader van aan de ambtenaar opgedragen taken en werkzaamheden is ontstaan door verwijtbaar handelen van de ambtenaar.
Wanneer de schade is veroorzaakt door meerdere tot het Defensiepersoneel behorende personen gezamenlijk, kan in beginsel ieder afzonderlijk tot vergoeding van de gehele schade worden verplicht.
Artikel 86. Terugbetaling opleidingskosten
Vervallen
Artikel 87
De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten wegens dienstreizen ingevolge het Besluit dienstreizen defensie.
Artikel 88. Schadeloosstelling
Onze Minister kan de ambtenaar naar billijkheid schadeloos stellen voor schaden anders dan bedoeld in artikel 62 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie en is bevoegd hieromtrent voor groepen van ambtenaren regels te geven.
Artikel 89. Infectieziekten
De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen-, lokalen en -terreinen dan met toestemming van de commandant, dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief advies van de deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel b.
De ambtenaar, die verkeert in de in het eerste lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel b. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel b gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.
Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
Artikel 90. Functioneringsgesprek
Vervallen
Artikel 91. Veiligheidsonderzoek in verband met vertrouwensfuncties
Vervallen
Artikel 91a. Reisbeperkingen
De ambtenaar die werkzaam is in een vertrouwensfunctie waarin hij toegang heeft tot zeer geheime of geheime gegevens waarvan de kennisneming door niet-gerechtigden zeer ernstige of ernstige schade aan de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat kan veroorzaken, is verplicht van een, anders dan in de uitoefening van zijn functie, voorgenomen reis naar of verblijf in bij koninklijk besluit aangewezen landen, ten minste zes weken voor vertrek mededeling te doen aan de Directeur Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
Een ambtenaar die tijdens het verblijf in een land als bedoeld in het eerste lid betrokken is geweest bij een incident dat van belang kan zijn uit het oogpunt van veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat, is verplicht daarvan onmiddellijk bij terugkomst melding te doen aan een daartoe aangewezen functionaris van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 92. Zekerheidsstelling
Verplichting tot zekerheidsstelling wordt de ambtenaar niet opgelegd.
Artikel 93. Aanzuivering van het tekort
De ambtenaar die namens een minister is belast met de in artikel 24, tweede en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 vermelde taken, is verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit materieelbeheer 1996, is verplicht schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 94. Om- en bijscholingsopleidingen
Vervallen
Artikel 94a. Studiefaciliteiten
Vervallen
Artikel 96. Maatregelen van orde
Aan de ambtenaar kan door de commandant de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.
Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde, die ten aanzien van het verblijf aldaar zijn vastgesteld.
Artikel 97. Verbod van alcoholgebruik
Het is de ambtenaar verboden gedurende de werktijd alcoholhoudende dranken te gebruiken, bij zich te hebben of in de dienstlokalen te bewaren.
Hoofdstuk 8. Disciplinaire straffen
Artikel 99. Plichtsverzuim
De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestraft.
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
De straf wordt opgelegd door Onze Minister of een door hem aangewezen autoriteit.
In afwijking van het derde lid, geschiedt het opleggen van straffen, genoemd in artikel 100, eerste lid onder i en l, aan de ambtenaar die bij koninklijk besluit is aangesteld, door Onze Minister.
Artikel 100. Soorten disciplinaire straffen
De disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd, zijn:
- a. schriftelijke berisping;
- b. buitengewone dienst op andere dagen dan zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste 6 uren met een maximum van 3 uren per dag;
- c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste één derde van het aantal uren, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;
- d. geldboete van ten minste € 2 en ten hoogste € 22,50;
- e. gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;
- f. vaststelling van het salaris op een bedrag in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal dat maximaal twee jaarlijkse periodieke salarisverhogingen minder bedraagt dan ingevolge de op hem van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, of indien voor het door de ambtenaar beklede ambt geen salarisschaal geldt, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;
- g. het niet toekennen van periodieke salarisverhogingen gedurende ten hoogste vier jaren;
- h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris geldt, indien zodanige indeling anders volgens de daarvoor geldende regeling zou hebben plaatsgevonden;
- i. indeling in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt dan dat verbonden aan de salarisschaal welke ingevolge de van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;
- j. verplaatsing, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag, dat in geval van verplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend;
- k. schorsing voor een bepaalde tijd met geheel of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;
- l. ontslag.
Een opgelegde straf, als bedoeld in het eerste lid onder g, h, of i, kan, indien daar gelet op het gedrag van betrokken ambtenaar naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 99, derde of vierde lid, reden voor is, ongedaan worden gemaakt.
Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.
Artikel 101. Gelegenheid tot verantwoording
Indien de ambtenaar verantwoording aflegt doet hij dit ten overstaan van Onze Minister of een door hem aangewezen autoriteit. Deze bepaalt of de verantwoording mondeling of schriftelijk zal geschieden, met dien verstande dat bij schriftelijke verantwoording de ambtenaar op zijn verzoek gelegenheid wordt gegeven tot nadere mondelinge toelichting. De ambtenaar kan zich door een rechtskundige of een andere raadsman doen bijstaan.
Van de mondelinge verantwoording en van een eventuele nadere mondelinge toelichting wordt aanstonds proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem, te wiens overstaan de verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar.
Artikel 102
De ambtenaar kan niet gestraft worden wegens overtreding van artikel 10 van de Ambtenarenwet 2017, dan nadat daarover advies is ingewonnen van de Adviescommissie grondrechten en functieuitoefening defensieambtenaren.
Artikel 103. Tenuitvoerlegging straf
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.
De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake strafoplegging te doen blijken door onverwijlde terugzending van een door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.
Hoofdstuk 9. Instelling en werkwijze van commissies waaraan de beslissing met uitsluiting van administratieve organen is opgedragen
Hoofdstuk 10. Schorsing en ontslag
Artikel 109. Gevallen waarin schorsing plaatsvindt
De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij die vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten of de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, genomen in het belang van de volksgezondheid.
Onverminderd artikel 99, eerste lid, j°. artikel 100, eerste lid, onderdeel k, kan de ambtenaar voorts in zijn ambt worden geschorst:
- a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
- b. wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd;
- c. wanneer het belang van de dienst zulks vordert.
Artikel 110. Wijze waarop schorsing plaatsvindt
Schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, geschiedt door Onze Minister of een door hem aangewezen autoriteit.
In afwijking van het eerste lid geschiedt de schorsing van de ambtenaar die bij koninklijk besluit is aangesteld, door Onze Minister.
De schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, gaat in op het tijdstip, waarop deze de betrokken ambtenaar bekend wordt gemaakt. Indien het gedurende zes dagen feitelijk niet mogelijk is de ambtenaar het schorsingsbesluit ter kennis te brengen, gaat de schorsing in op de zevende dag na de dagtekening van het schorsingsbesluit.
Artikel 111. Opheffing van de schorsing
Een schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, onderdeel a en b, eindigt wanneer hij wordt opgeheven door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 110, eerste of tweede lid.
Een schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, onderdeel c, wordt opgeheven wanneer de belangen van de dienst de schorsing niet meer vorderen, doch uiterlijk na drie maanden, tenzij de omstandigheid die aanleiding gaf voor die schorsing zich nog immer voordoet.
Artikel 112. Bevoegdheid tot ontslag
Het ontslag van de ambtenaar in vaste dienst die wordt bezoldigd volgens salarisschaal 15 of hoger van bijlage A van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie geschiedt bij koninklijk besluit.
Het ontslag in de overige gevallen geschiedt door Onze Minister.
Artikel 113. Ontslag op aanvraag
De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.
Behoudens in het geval bedoeld in artikel 53, eerste lid, wordt dit ontslag verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan 3 maanden na de dag, waarop de aanvraag om ontslag is ingekomen.
Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken, indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld of indien wordt overwogen de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.
Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken:
- a. indien wordt overwogen de ambtenaar een disciplinaire straf op te leggen;
- b. indien het belang van de dienst zulks vordert met dien verstande dat de termijn van 3 maanden, vermeld in het tweede lid, tot ten hoogste 6 maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden;
- c. ingevolge een aanvraag van de ambtenaar.
Het ontslag op eigen aanvraag wordt eervol verleend.
Artikel 114. Ontslag wegens vervroegd uittreden
Op aanvraag van de ambtenaar wordt ontslag verleend met het oog op een uitkering op grond van:
- a. de Regeling vervroegd uittreden, bedoeld in hoofdstuk 11;
Op aanvraag van de ambtenaar kan ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een gedeelte van de arbeidsduur waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het eerste lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidsduur.
Artikel 113, tweede tot en met vijfde lid, is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing als de ambtenaar ontslag vraagt met het oog op ouderdomspensioen dat voor de pensioengerechtigde leeftijd ingaat.
Artikel 115. Ontslag ambtenaar in tijdelijke dienst
Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst die blijkens zijn akte van aanstelling is aangesteld voor een vast bepaalde tijd of voor een proeftijd, wordt tenzij het tegendeel blijkt, geacht eervol ontslag te zijn verleend zodra die tijd is verstreken. Bij voortduring van het dienstverband na het verstrijken van de vast bepaalde tijd of de – eventueel ingevolge artikel 7, tweede lid onder a verlengde – proeftijd, wordt de ambtenaar geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangesteld.
Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die is aangesteld voor onbepaalde tijd – waaronder begrepen de ambtenaar die is aangesteld ter vervanging van een afwezige ambtenaar dan wel belast is met werk van kennelijk tijdelijk karakter – kan ontslag worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van:
- a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk tenminste twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest;
- b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk ten minste zes maanden doch korter dan twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest;
- c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk korter dan zes maanden onafgebroken in dienst is geweest.
Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar, noch gedurende het verlof op grond van artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg, noch – indien zij haar dienst heeft hervat – gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Onze Minister kan ter staving van de zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen.
Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar zijn recht op ouderschapsverlof geldend maakt.
Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar is geplaatst op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 8 van het Besluit medezeggenschap defensie, noch wegens het lidmaatschap of het korter dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie.
Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd welke aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, genoemd in het eerste lid, kan ontslag worden verleend met ingang van een dag gelegen binnen een bepaalde tijd of proeftijd. In dat geval vindt het bepaalde in het tweede tot en met zevende lid overeenkomstige toepassing.
Artikel 116. Ontslag wegens opheffing van de betrekking, verandering in de inrichting van het dienstvak of wegens verplaatsing van een dienst
Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend:
- a. wegens opheffing van zijn betrekking;
- b. wegens overtolligheid van personeel als gevolg van verandering in de inrichting van het dienstvak of onderdeel daarvan zoals een directie of een afdeling waarbij de ambtenaar werkzaam is, dan wel als gevolg van vermindering der werkzaamheden bij het dienstvak of dat onderdeel.
Ontslag op een van de in het eerste lid genoemde gronden kan slechts plaatsvinden, indien het na een zorgvuldig onderzoek bedoeld in artikel 107, eerste en tweede lid, niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar te herplaatsen op een passende functie binnen het gezagsbereik van Onze Minister. Het ontslag zal worden verleend na ommekomst van het volledige herplaatsingsonderzoek bedoeld in artikel 107 of eerder indien zulks met de ambtenaar wordt overeengekomen dan wel sprake is van een situatie bedoeld in artikel 108, derde lid.
Ontslag van in vaste dienst aangestelde ambtenaren wegens overtolligheid van personeel geschiedt in de volgende rangorde:
- a. zij die zulks wensen;
- b. zij die 35 of meer voor pensioen geldende dienstjaren hebben, waarbij ouderen in leeftijd vóór jongeren gaan;
- c. zij die de leeftijd van 35 jaren nog niet hebben overschreden, te beginnen met hen die het geringste aantal jaren in overheidsdienst hebben doorgebracht;
- d. zij die het geringste aantal jaren in overheidsdienst hebben doorgebracht. Voor de berekening van het aantal jaren in burgerlijke openbare dienst wordt mede in aanmerking genomen tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0-4-jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.
Indien het dienstbelang zulks vordert, kan bij de verlening van ontslag van de rangorde genoemd in het derde lid, worden afgeweken. Omvat de afvloeiing in dat geval meer dan 1% van het aantal ambtenaren in vaste dienst bij het betrokken dienstvak of onderdeel daarvan - met een minimum van 5 dan geschiedt zij naar een bepaald vooraf vastgesteld plan.
Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid van dit artikel wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.
Aan de ambtenaar wordt bij dan wel na verplaatsing van de dienst of het dienstvak of onderdeel daarvan waarbij hij werkzaam is, eervol ontslag verleend, indien op grond van door hem kenbaar gemaakte, aan zijn persoonlijke omstandigheden ontleende en door Onze Minister als geldig erkende bedenkingen van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich naar de daaruit voor hem voortvloeiende verplaatsing zal voegen dan wel in de daaruit voor hem voortgevloeide verplaatsing zal blijven voegen, tenzij de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid het mogelijk acht aan de ambtenaar andere hem passende werkzaamheden op te dragen waarvoor eerderbedoelde bedenkingen niet gelden.
Artikel 117. Ontslag ambtenaren, die lid van Gedeputeerde Staten, wethouder etc. zijn geweest
Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.
Tenzij artikel 53, eerste lid van toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van artikel 50 danwel van artikel 52, eerste lid, naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid niet in actieve dienst kan worden hersteld.
Het eerste lid vindt eveneens toepassing voor de ambtenaar die ophoudt de functie van substituut-ombudsman te bekleden.
Artikel 118. Ontslag bij benoeming tot minister of staatssecretaris
Aan de ambtenaar die een benoeming tot Minister of Staatssecretaris aanvaardt wordt door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid, met ingang van de dag van het aanvaarden van deze betrekking, eervol ontslag verleend.
Artikel 119. Functioneel leeftijdsontslag
Vervallen
Artikel 120
Voor de ontslagverlening als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Ambtenarenwet 2017 is de medewerking of machtiging vereist van Onze Minister. Deze is gehouden het advies in te winnen van de adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren.
Indien het voornemen tot ontslagverlening afkomstig is van Onze Minister is de machtiging vereist van Onze Minister-President.
Artikel 121. Ontslaggronden
Anders dan op eigen aanvraag, bij wijze van straf of ingevolge het bepaalde bij artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement en bij de artikelen 115, 116, 117, 119 en 120 van dit besluit, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:
- a. het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door Onze Minister gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
- b. het aangaan van een graad van zwagerschap, die de benoembaarheid tot het ambt zou uitsluiten;
- c. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;
- d. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
- e. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
- f. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
- g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
- h. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
- i. het bij of in verband met indiensttreding of medisch onderzoek verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
Een ontslag op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a, b, f, g en h wordt steeds eervol verleend.
Behoudens voor de toepassing van artikel 123a kan een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f. slechts plaatsvinden indien:
- a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
- b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
- c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.
Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, wordt gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte passende, en gedurende de periode daarna gangbare arbeid verstaan als bedoeld in artikel 54a.
Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar als bedoeld in het derde lid, onder a, wordt niet in aanmerking genomen afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens ziekte die haar oorsprong vindt in de zwangerschap of bevalling, in geval deze ziekte is opgetreden tijdens de zwangerschap en gedurende en na het zwangerschapsverlof heeft voortgeduurd.
Voor het bepalen van het in het derde lid, onder a, bedoelde tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld, indien:
- a. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen;
- b. zij worden onderbroken door afwezigheid tijdens door zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van het bevallingsverlof, dan wel;
- c. een onder b. bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in totaal minder dan vier weken bedraagt.
Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, vraagt Onze Minister het oordeel van een daartoe door de UWV, bedoeld in artikel 54a, onderdeel k, die de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.
De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door Onze Minister aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts.
Onze Minister stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het zevende lid, wordt ingesteld. Daarbij wijst Onze Minister de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.
De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het zesde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan Onze Minister . Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar.
Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.
Artikel 122. Pensioengerechtigde leeftijd
Aan ambtenaren wordt, behoudens in zeer bijzondere gevallen, bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid, het ontslag als bedoeld in artikel 121, eerste lid onder h, verleend met ingang van de eerstvolgende maand.
Dit artikel is niet van toepassing:
- a. op personen, die krachtens reeds bestaande wettelijke voorschriften bij het bereiken van een bepaalde leeftijd, behoudens toepassing van overgangsbepalingen, uit de functie worden ontslagen;
- b. op personen die de functie als nevenbetrekking bekleden.
Artikel 124. Ontslag op andere gronden
Aan de ambtenaar in vaste dienst kan ook op andere gronden dan die in artikel 121 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, ontslag worden gegeven. Het ontslag wordt eervol verleend.
In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid, een voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering wordt verleend, die, naar het oordeel van dat bevoegd gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering is ten minste gelijk aan het totaalbedrag van de uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie.
Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
Artikel 127. Uitkering na overlijden
De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden. Artikel 30dd en artikel 34, eerste lid, worden voorts overeenkomstig toegepast.
Met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid wordt zo spoedig mogelijk na het overlijden aan de weduwe, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag geldt, behoudens het hierna bepaalde, de bezoldiging, welke de ambtenaar op de dag van het overlijden genoot of zou hebben genoten met in acht neming van het bepaalde in artikel 59a.
De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal dat van de vakantie-uitkering over een maand berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, naar de bezoldiging die de ambtenaar in de maand van het overlijden zou hebben genoten. Indien de ambtenaar in het genot was van een toelage als bedoeld in artikel 15, dan wel artikel 18 van eerdervermeld besluit, wordt het gedeelte van de in de eerste volzin genoemde uitkering dat betrekking heeft op bovenbedoelde toelagen gesteld op het bedrag dat de overleden ambtenaar in de drie kalendermaanden voorafgaand aan de dag van het overlijden aan zodanige toelagen is toegekend.
Bij ontstentenis van een weduwe, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige veplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenene die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar.
Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien de ambtenaar op de dag van zijn overlijden wegens ziekte of ongeval verhinderd was zijn dienst te verrichten, onder bezoldiging verstaan hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk 6 wordt verstaan.
Op het bedrag bedoeld in het tweede lid, worden in mindering gebracht een uitkering overeenkomstig 35 en 36 van de Ziektewet, artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 6 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, voorzover deze daadwerkelijk geschieden.
Artikel 127a. Aanspraken bij overlijden
Indien een ambtenaar in Nederland overlijdt terwijl hij om redenen van dienst buiten zijn woonplaats verbleef worden aan de nabestaanden de kosten vergoed van het doen overbrengen van het stoffelijk overschot naar een plaats van keuze in Nederland.
Indien een ambtenaar overlijdt en het overlijden verband houdt met het verrichten van zijn arbeid, wordt aan de nabestaanden een tegemoetkoming in de kosten van lijkbezorging verleend tot maximaal € 5 000.
Indien een ambtenaar overlijdt ten gevolge van een vliegongeval tijdens een dienstreis als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit dienstreizen defensie, per militair luchttransport, wordt aan de nabestaanden een som ineens ten bedrage van € 15 000 toegekend.
Voor zover Onze Minister niet anders bepaalt, is dit artikel niet van toepassing in buitengewone omstandigheden.
Artikel 128. Gebruik ambts- of dienstwoning door achterblijvende gezinsleden
Gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik der ambts- of dienstwoning, waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als Onze Minister dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht. Alsdan wordt door Onze Minister naar billijkheid een schadevergoeding gegeven.
Bij vrijwillig verlaten van de ambts- of dienstwoning binnen de termijn, gedurende welke de woning nog mag worden gebruikt kan Onze Minister te zijner beoordeling een vergoeding geven.
Artikel 129. Vergoeding gebruik ambts- of dienstwoning na overlijden ambtenaar
Indien door de ambtenaar voor het gebruik der ambts- of dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik dier woning behouden.
Artikel 130. Vermissing van de ambtenaar
Bij vermissing van de ambtenaar vinden, behoudens het bepaalde in het tweede lid, de bepalingen van de artikelen 127 tot en met 129 overeenkomstig toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn overleden op een door Onze Minister te bepalen dag.
Het bepaalde in het tweede lid van artikel 127 vindt geen toepassing indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.
Indien blijkt dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van Onze Minister de bezoldiging alsnog worden uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan dat de vermissing het gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.
Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering voortvloeiende uit zijn ambtelijke rechtspositieregeling is toegekend over het tijdvak waarover naar het oordeel van Onze Minister aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen.
De bezoldiging waarop de ambtenaar ingevolge het derde en vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.
Hoofdstuk 9. Rechten en verplichtingen bij het vervallen van een functie
Hoofdstuk 12. Rechtspositie deelnemers aan initiële opleidingen en assistent- en basisberoepsopleidingen in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs
Artikel 161. Opleiding
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. opleiding: de entreeopleiding en de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat onderdeel luidde op 31 juli 2014;
- b. student: de ambtenaar die minder dan twaalf maanden achtereen is bezoldigd volgens het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie en die deelneemt aan de opleiding.
Artikel 162
In de akte van aanstelling van de student wordt opgenomen hoeveel uren van de wekelijkse arbeidsuur waarvoor hij is aangesteld is bestemd voor het verrichten van arbeid, alsmede het aantal uren dat is bestemd voor het volgen van de opleiding.
Artikel 163
In de akte van aanstelling van de ambtenaar die een opleiding dient te volgen, wordt vermeld voor hoeveel uren het dienstverband wordt aangegaan, hoeveel uren daarvan als arbeidsduur gelden en hoeveel uren voor het volgen van de opleiding zijn bestemd.
Artikel 164
De in verband met de opleiding te maken directe kosten worden integraal door het Ministerie van Defensie vergoed.
De artikelen 19 en 22 van dit besluit zijn niet van toepassing op de student.
Artikel 166
Aan de student wordt voor de uren die zijn bestemd voor het volgen van de opleiding een salaris in de zin van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie toegekend.
Hoofdstuk 7c. Het melden van een misstand
Artikel 168. Nadere algemene voorschriften
Voor zoveel voor ambtenaren nadere regels ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen van dit besluit worden vereist, worden zodanige regels door Onze Minister vastgesteld.
Artikel 168a. Mandaatverlening
Van de bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de hoofdstukken 4, 5 en 7 kan mandaat worden verleend aan de hoofddirecteur personeel van het Ministerie van Defensie.
Artikel 169
De ambtenaar in de zin van artikel 1 die is aangesteld op grond van artikel 7, eerste respectievelijk tweede lid van het Algemeen rijksambtenarenreglement wordt geacht met ingang van de datum van inwerkingtreden van dit besluit te zijn aangesteld op grond van artikel 8, eerste respectievelijk tweede lid van dit besluit.
De ambtenaar die bij koninklijk besluit in algemene dienst van het Rijk is aangesteld op grond van artikel 7, vierde lid van het Algemeen rijksambtenarenreglement en werkzaam is bij het Ministerie van Defensie wordt geacht met ingang van de datum van inwerkingtreden van dit besluit te zijn aangesteld bij het Ministerie van Defensie.
Artikel 170
Voor zover op grond van de bepalingen van dit besluit nadere regels moeten worden gegeven gelden na de inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van de ambtenaar als genoemd in artikel 1 van dit besluit de op basis van de overeenkomstige bepalingen van het Algemeen rijksambtenarenreglement vastgestelde regels als nadere regels berustende op dit besluit voor zover zij daarmede niet in strijd zijn. Zij blijven gedurende één jaar na het inwerkingtreden van dit besluit van toepassing op de in artikel 1 genoemde ambtenaar tenzij Onze Minister anders bepaalt.
Besluiten ten aanzien van ambtenaren als genoemd in artikel 1 van dit besluit, welke na 1 april 1993 op basis van het Algemeen rijksambtenarenreglement zijn genomen worden geacht te zijn genomen op basis van dit besluit.
Artikel 171
Voor de ambtenaar die op datum van inwerkingtreding van dit besluit in dienst is bij het Ministerie van Defensie, wordt de tijd dat hij aangesteld is geweest bij een onderdeel van de sector Rijk meegeteld voor het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder e en g.
Artikel 172. Verlofstuwmeer
Vervallen
Artikel 173. Toepasselijkheid Algemene Termijnenwet
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld, met uitzondering van die, genoemd in de artikelen 11, eerste en tweede lid, 57, derde en vierde lid alsmede in hoofdstuk 11.
Artikel 174. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1993.
Artikel 175. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als "Burgerlijk ambtenarenreglement defensie".
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 30dc. Opname van spaaruren
De spaaruren, bedoeld in artikel 30db, tweede lid, worden geheel of gedeeltelijk in een aaneengesloten periode van ten minste 288 spaaruren en ten hoogste 960 spaaruren opgenomen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de in de vorige volzin genoemde verplichting vastgesteld op een aaneengesloten periode van een evenredig aantal spaaruren van het aantal dat geldt voor een ambtenaar van wie het rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
Indien de ambtenaar op een andere functie wordt tewerkgesteld kan de commandant op aanvraag van de ambtenaar afwijken van het minimum aantal op te nemen spaaruren. Indien de ambtenaar op een andere functie wordt tewerkgesteld kan de commandant op aanvraag van de ambtenaar afwijken van het gestelde in het eerste lid dat de spaaruren in een aaneengesloten periode van ten minste 288 spaaruren worden opgenomen. Indien met een dergelijke aanvraag wordt ingestemd, dan wordt het gehele tegoed aan spaaruren opgenomen bij functiewisseling, voorafgaand aan de datum van tewerkstelling op de nieuwe functie.
Een aanvraag voor de opname van spaaruren wordt ten minste 6 maanden voorafgaande aan de gewenste datum van aanvang van de opnameperiode, ingediend bij de commandant.
De commandant wijst een aanvraag als bedoeld in het derde lid toe, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
De in een kalenderjaar opgebouwde spaaruren vervallen na een periode van 10 kalenderjaren, te rekenen vanaf de dag van aanvang van het daarop volgende kalenderjaar.
Indien vanwege dienstbelang dan wel persoonlijke omstandigheden de ambtenaar gedurende de periode van 10 jaar bedoeld in het vijfde lid niet in de gelegenheid is gesteld de spaaruren op te nemen, maakt de commandant in afwijking van het vijfde lid met de ambtenaar afspraken over de opname van de spaaruren binnen de 2 daaropvolgende kalenderjaren.
Ten aanzien van de opname van spaaruren zijn artikel 33, zevende lid, en artikel 91a van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30dd. Spaaruren en ontslag
Indien de ambtenaar op de datum dat hem ontslag is verleend nog een tegoed aan spaaruren heeft, dan wordt voor elk spaaruur een vergoeding toegekend van 1/165 deel van het voor de betrokken ambtenaar geldende maandsalaris, zoals dit gold direct voorafgaande aan de datum dat hem ontslag is verleend.
Indien de ambtenaar overlijdt, wordt het eerste lid overeenkomstig toegepast.
Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden
Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur
Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur
Paragraaf 4. Dagelijkse en wekelijkse rusttijd
Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd
Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd
Paragraaf 7. Pauzeregeling
Paragraaf 9. Consignatie en bijzondere vormen van consignatie
Paragraaf 9. Consignatie en bijzondere vormen van consignatie
Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke ambtenaren
Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof
§ 1. Vakantie
§ 2. Verlof
Buitengewoon verlof van korte duur
Buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg
Artikel 46a. Bezoldiging tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof
Vervallen
Artikel 46b. Bezoldiging tijdens adoptieverlof
Vervallen
Artikel 46c. Buitengewoon verlof bij calamiteiten en zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden
Onverminderd artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg wordt door de commandant aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
- a. bij plotselinge ziekte van de echtgenote of echtgenoot van de ambtenaar, de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- of aanverwanten in de eerste graad of wanneer een andere noodsituatie, waarvoor de ambtenaar onverwijld een voorziening moet treffen, ontstaat: voor de duur benodigd voor de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen, maar voor ten hoogste één werkdag per zich voordoende situatie;
- b. bij de bevalling van zijn echtgenote of de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont;
- c. bij overlijden en lijkbezorging van de echtgenote of echtgenoot van de ambtenaar, de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- en aanverwanten in de eerste graad: vanaf het overlijden tot en met de dag van de begrafenis of de crematie en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten;
- d. bij overlijden van:
- 1°. bloed- of aanverwanten in de 2e graad, dan wel van pleegbroers of -zusters: voor ten hoogste 2 werkdagen;
- 2°. bloed- of aanverwanten in de 3e of 4e graad of een van zijn huisgenoten: voor 1 werkdag,
met dien verstande dat indien de ambtenaar is belast met de regeling van de begrafenis, de crematie of van de nalatenschap dan wel van beide, het verlof voor ten hoogste 4 werkdagen kan worden verleend en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten.
De ambtenaar meldt vooraf aan de commandant dat hij het verlof, bedoeld in het eerste lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de commandant onder opgave van de reden.
De commandant kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft kunnen verrichten wegens een van de redenen genoemd in het eerste lid.
Artikel 46d. Kort durend zorgverlof
Het kort durend zorgverlof, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en zorg, wordt door de commandant verleend met behoud van volle bezoldiging.
Artikel 46e. Langer durend zorgverlof
Aan de ambtenaar wordt door de commandant langer durend zorgverlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor hulpverlening aan een tijdelijk ernstig hulpbehoevende of stervende echtgenote, echtgenoot of persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont, ouders, stief-, pleeg- of schoonouders, eigen of aangehuwde kinderen, stief- of pleegkinderen.
De ambtenaar meldt vooraf aan de commandant dat hij het verlof, bedoeld in het eerste lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de commandant onder opgave van de reden. Bij de melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opneming en zo mogelijk de vermoedelijke duur van het verlof aan.
Het verlof vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de commandant aan de ambtenaar kenbaar maakt dat hij tegen het opnemen van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig zwaarwegend dienstbelang heeft, dat het belang van de ambtenaar daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
De commandant kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft kunnen verrichten wegens de reden genoemd in het eerste lid.
De commandant wijst de ambtenaar op de mogelijkheden tot het aanvragen van een financiële tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.
Indien de ambtenaar aan wie verlof als bedoeld in het eerste lid, is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg, wordt door de commandant gedurende de periode waarin sprake is van een samenloop een inhouding op de doorbetaling van de bezoldiging, als bedoeld in het eerste lid, toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
Indien aan de in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, kan de commandant het zesde lid op overeenkomstige wijze toepassen. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
Artikel 47. Ouderschapsverlof
Wanneer aan de ambtenaar door de commandant ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg wordt verleend, behoudt hij over de eerste periode van het ouderschapsverlof, die overeenkomt met dertien maal de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per week, 75% van zijn bezoldiging. Over de resterende periode van het verleende ouderschapsverlof, ontvangt de ambtenaar over de ouderschapsverlofuren geen bezoldiging.
De ambtenaar kan door de commandant worden verplicht tot terugbetaling van de tijdens het ouderschapsverlof genoten inkomsten wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend op zijn aanvraag dan wel op grond van aan de ambtenaar te wijten omstandigheden of, wanneer hij is aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd, ter zake van het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied. Indien binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend, wordt de verplichting tot terugbetaling naar evenredigheid beperkt. Indien het ontslag verband houdt met een aanstelling als militair bij het Ministerie van Defensie of indiensttreding bij een andere overheidssector bestaat geen verplichting tot terugbetaling.
Buitengewoon verlof van lange duur
Hoofdstuk 6. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte
§ 1. Algemeen
§ 1. Algemeen
§ 3. Maatregelen ingeval van ziekte tijdens de betrekking
§ 5. Bezoldiging of uitkering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid na beëindiging van de dienstbetrekking
§ 1. Algemeen
§ 5. Bezoldiging of uitkering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid na beëindiging van de dienstbetrekking
Hoofdstuk 7a. Integriteit
Hoofdstuk 8. Disciplinaire straffen
Hoofdstuk 7b. Overige rechten en verplichtingen
Hoofdstuk 9. Instelling en werkwijze van commissies waaraan de beslissing met uitsluiting van administratieve organen is opgedragen
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 8. Disciplinaire straffen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Hoofdstuk 6. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte
§ 2. Verlof
Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke ambtenaren
§ 3. Maatregelen ingeval van ziekte tijdens de betrekking
§ 4. Bezoldiging ingeval van ziekte tijdens de betrekking
§ 2. Verlof
§ 6. Bijzondere voorzieningen
§ 7. Overige bepalingen
Hoofdstuk 7. Overige rechten en verplichtingen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)