Wet van 19 oktober 1998, houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet)

Type Wet
Publication 2026-08-15
State In force
Source BWB
artikelen 742
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • b. gebruikersidentificatie: een unieke identificatie die aan een persoon wordt toegewezen wanneer deze zich abonneert op of registreert bij een internettoegangsdienst of internetcommunicatiedienst;
  • c. celidentiteit (Cell ID): de unieke code van een cel van waaruit een mobiele telefoonoproep werd begonnen of beëindigd.

In deze bijlage worden als gegevens, bedoeld in artikel 13.2a van de wet, aangewezen de volgende gegevens:

  • A. Bij telefonie over een mobiel of een vast netwerk:
  • a. het telefoonnummer van de oproeper en het telefoonnummer (de telefoonnummers) die werden opgeroepen en, in het geval van aanvullende diensten zoals call forwarding of call transfer, het nummer (de nummers) waarnaar de verbinding is doorgeleid.
  • b. namen en adressen van de betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers;
  • c. datum en tijdstip van aanvang en einde van de verbinding;
  • d. de gebruikte telefoondienst;
  • e. bij mobiele telefonie:
  • –. de International Mobile Subscriber Identity (IMSI) van de oproepende en van de opgeroepen deelnemer;
  • –. de International Mobile Equipment Identity (IMEI) van de oproepende en de opgeroepen deelnemer;
  • –. in geval van vooraf betaalde anonieme diensten, datum en tijdstip van de eerste activering van de dienst en aanduiding (Cell ID) van de locatie waaruit de dienst is geactiveerd;
  • –. de locatieaanduiding bij het begin van de verbinding;
  • –. gegevens voor het identificeren van de geografische locatie van cells middels referentie aan hun locatieaanduidingen gedurende de periode dat communicatiegegevens worden bewaard.
  • B. Bij internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie:
  • a. de toegewezen gebruikersidentificatie(s) en de gebruikersidentificatie of telefoonnummer van de beoogde ontvanger(s) van een internettelefoonoproep;
  • b. de gebruikersidentificatie en het telefoonnummer toegewezen aan elke communicatie die het publieke telefoonnetwerk binnenkomt;
  • c. naam en adres van de abonnee of de geregistreerde gebruiker aan wie het IP-adres, de gebruikersidentificatie of het telefoonnummer was toegewezen op het tijdstip van de communicatie en naam (namen) en adres (adressen) van de abonnee(s) of de geregistreerde gebruiker(s) en de gebruikersidentificatie van de beoogde ontvanger van communicatie;
  • d. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een internetsessie gebaseerd op een bepaalde tijdzone, samen met het IP-adres, hetzij statisch, hetzij dynamisch, dat door de aanbieder van een internettoegangsdienst aan een communicatie is toegewezen, en de gebruikersidentificatie van de abonnee of geregistreerde gebruiker;
  • e. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een e-maildienst over het internet of internettelefoniedienst gebaseerd op een bepaalde tijdzone;
  • f. de gebruikte internetdienst;
  • g. het inbellende nummer voor een inbelverbinding;
  • h. de digital subscriber line (DSL) of ander eindpunt van de initiatiefnemer van de communicatie.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 11. Bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer

Artikel 11.5c

De Autoriteit persoonsgegevens is de gegevensbeschermingsautoriteit, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de eidas-verordening.

§ 10.2. Bepalingen van nationale oorsprong

Hoofdstuk 8. Regels met betrekking tot het verspreiden van programma's, systemen voor voorwaardelijke toegang, applicatieprogramma-interfaces en elektronische programmagidsen

§ 12.2.1. Geschillen tussen marktpartijen

§ 12.2.1. Geschillen tussen marktpartijen

Artikel 15.3b
1.

De ambtenaren die door Onze Minister zijn belast met het toezicht op het verlenen van vertrouwensdiensten, zijn tevens belast met het verlenen van bijstand als bedoeld in de eidas-verordening aan een toezichthoudend orgaan uit een andere lidstaat van de Europese Unie.

2.

De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, kunnen ten behoeve van het verlenen van bijstand hun toezichthoudende bevoegdheden toepassen, met uitzondering van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 15.7 van deze wet is van overeenkomstige toepassing.

3.

Terzake van overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zijn de artikelen 15.4, eerste lid, 15.12 en 15.14 van deze wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15.3c
1.

Een gemotiveerd verzoek van een toezichthoudend orgaan uit een andere lidstaat van de Europese Unie tot het verkrijgen van bijstand als bedoeld in de eidas-verordening, wijst Onze Minister op grond van artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van de eidas-verordening in ieder geval af, indien dit verzoek strekt tot het verkrijgen van gegevens of inlichtingen waarvan de geheimhouding na verstrekking daarvan naar het oordeel van Onze Minister in onvoldoende mate zal worden gewaarborgd, voor zover sprake kan zijn van bedrijfsvertrouwelijke gegevens of inlichtingen.

2.

Indien Onze Minister van oordeel is dat er sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens of inlichtingen, vermeldt Onze Minister bij het verstrekken van die gegevens of inlichtingen aan het toezichthoudend orgaan uit de andere lidstaat, uitdrukkelijk en met redenen omkleed dat die informatie niet aan derden ter beschikking mag worden gesteld.

3.

Indien Onze Minister gegevens of inlichtingen verstrekt die Onze Minister heeft verkregen van een verlener van een vertrouwensdienst of een aanbieder van een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen of van elektronische zegels, stelt Onze Minister de betreffende verlener of aanbieder daarvan op de hoogte.

Artikel 15.3d
1.

De ambtenaren die op grond van deze wet zijn belast met het verlenen van bijstand als bedoeld in de eidas-verordening zijn bevoegd samen met een toezichthoudend orgaan uit een andere lidstaat van de Europese Unie een onderzoek uit te voeren naar de naleving van de voorschriften van die verordening, indien over dat onderzoek tussen Onze Minister en een toezichthoudend orgaan uit een andere lidstaat van de Europese Unie overeenstemming bestaat.

2.

Onze Minister betrekt bij het streven naar overeenstemming in ieder geval het bepaalde in artikel 15.3c, eerste lid, omtrent geheimhouding.

3.

De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, beschikken voor de uitvoering van een gezamenlijk onderzoek over de bevoegdheden waarover zij ook voor het verlenen van bijstand beschikken. Artikel 15.3b, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Een persoon die voor een toezichthoudend orgaan uit een andere lidstaat aan een gezamenlijk onderzoek deelneemt, is bevoegd kennis te nemen van gegevens en inlichtingen die tijdens de uitvoering van dat onderzoek worden verkregen onder de voorwaarden van overeenstemming, bedoeld in het tweede lid.

§ 15.3. Uit de handel nemen van uitrusting

Hoofdstuk 12. Geschillen

Hoofdstuk 15. Handhaving

Artikel 18.15a
1.

Indien dit voor een goede uitvoering van de eidas-verordening vereist is, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de door een verlener van vertrouwensdiensten aan Onze Minister, aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie en, voor zover het persoonsgegevens betreft, aan het College Bescherming Persoonsgegevens, te verstrekken gegevens bij de kennisgeving van een inbreuk op de veiligheid of het verlies van integriteit, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de eidas-verordening, en over de wijze van verstrekking van die gegevens.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de kennisgeving van een inbreuk op de veiligheid of het verlies van integriteit, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de eidas-verordening aan degene aan wie een vertrouwensdienst is verleend die naar verwachting ongunstige gevolgen zal ondervinden van die inbreuk of dat verlies van integriteit.

Artikel 18.15b
1.

Dit artikel is van toepassing op de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die met toepassing van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de eidas-verordening, een gekwalificeerd certificaat afgeeft.

2.

De gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die tot afgifte van een op naam van een natuurlijk persoon gesteld gekwalificeerd certificaat overgaat, stelt daaraan voorafgaand de identiteit van die natuurlijke persoon vast aan de hand van de bij artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aangewezen geldige documenten.

3.

De gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die tot afgifte van een op naam van een rechtspersoon gesteld gekwalificeerd certificaat overgaat, stelt daaraan voorafgaand vast:

  • a. de identiteit van de natuurlijke persoon die deze rechtspersoon vertegenwoordigt aan de hand van een document als bedoeld in het tweede lid;
  • b. de identiteit van de rechtspersoon door middel van raadpleging langs elektronische weg van het handelsregister, bedoeld in de Handelsregisterwet 2007, of blijkend uit een recent uittreksel uit dat register;
  • c. de bevoegdheid van de natuurlijke persoon tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon op de wijze, bedoeld in onderdeel b, of aan de hand van een volmacht, indien die volmacht is ondertekend met een gekwalificeerde elektronische handtekening als bedoeld in artikel 3, onder 12, van de eidas-verordening of een door een notaris gelegaliseerde handtekening van een natuurlijk persoon van wie de bevoegdheid tot vertegenwoordiging wordt vastgesteld op de wijze, bedoeld in onderdeel b.
4.

Indien de rechtspersoon op naam van wie het gekwalificeerd certificaat wordt gesteld, wordt vertegenwoordigd door een andere rechtspersoon die door een natuurlijke persoon wordt vertegenwoordigd of door een andere rechtspersoon die de laatste is in een reeks van elkaar aansluitend vertegenwoordigende rechtspersonen van wie de eerste door een natuurlijke persoon wordt vertegenwoordigd, wordt de identiteit van de natuurlijke persoon en zijn bevoegdheid tot vertegenwoordiging op de wijze, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en c, vastgesteld en de identiteit van de rechtspersonen en hun bevoegdheid tot vertegenwoordiging op de wijze, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

5.

Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de natuurlijke persoon die niet een rechtspersoon maar een als zelfstandige eenheid naar buiten optredend samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid vertegenwoordigt dat zelf weer een rechtspersoon vertegenwoordigt.

6.

Indien een rechtspersoon of een samenwerkingsverband als bedoeld in het vijfde lid, niet in het handelsregister, bedoeld in de Handelsregisterwet 2007, staat ingeschreven, maar in een soortgelijk buitenlands register, wordt bij de toepassing van het derde of vierde lid, met het handelsregister dat buitenlands register bedoeld.

Artikel 18.15c
1.

De gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten kan met toepassing van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van de eidas-verordening, tot afgifte van een op naam van een natuurlijke persoon of rechtspersoon gesteld gekwalificeerd certificaat overgaan, indien een elektronisch identificatiemiddel met het betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog als bedoeld in dat onderdeel is afgegeven overeenkomstig de aan identificatie of vertegenwoordiging gestelde eisen, bedoeld in artikel 18.15b.

2.

De gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten kan met toepassing van artikel 24, eerste lid, onderdeel c, van de eidas-verordening, tot afgifte van een op naam van een natuurlijk persoon of rechtspersoon gesteld gekwalificeerd certificaat overgaan, indien een eerder afgegeven certificaat voor een gekwalificeerde elektronische handtekening of een certificaat voor een gekwalificeerd elektronisch zegel als bedoeld in dat onderdeel is afgegeven:

  • b. op basis van een verificatie aan de hand van een elektronisch identificatiemiddel als bedoeld in het eerste lid, dat is uitgegeven overeenkomstig het in artikel 18.15b bepaalde.
Artikel 18.15d

Indien in een gekwalificeerd certificaat andere specifieke gegevens dan die bedoeld in bijlage I, III en IV van de eidas-verordening worden vermeld, draagt de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten er zorg voor dat de juistheid van die gegevens voorafgaand aan de uitgifte van het certificaat wordt vastgesteld op een niveau dat past bij de betrouwbaarheid die aan de status gekwalificeerd wordt toegekend.

Artikel 18.15e

Voorafgaand aan de afgifte van een gekwalificeerd certificaat voor een elektronische handtekening of voor website-authenticatie waarin een natuurlijke persoon met een pseudoniem wordt aangeduid, wordt de identiteit van die natuurlijke persoon op dezelfde wijze vastgesteld als bij de afgifte van een op naam van een natuurlijke persoon gesteld gekwalificeerd certificaat.

Hoofdstuk 19. Overgangsrecht in verband met de implementatie van het Europese geharmoniseerde regelgevende kader voor de elektronische communicatiesector 2002

Hoofdstuk 20. Algemene overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 13.2a van de Telecommunicatiewet

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a. telefoondienst: oproepen (met inbegrip van spraak, voicemail, conference call of call-gegevens), aanvullende diensten (met inbegrip van call forwarding en call transfer), messaging- en multimediadiensten (met inbegrip van short message service (SMS), enhanced media service (EMS) en multimedia service (MMS);
  • b. gebruikersidentificatie: een unieke identificatie die aan een persoon wordt toegewezen wanneer deze zich abonneert op of registreert bij een internettoegangsdienst of internetcommunicatiedienst;
  • c. celidentiteit (Cell ID): de unieke code van een cel van waaruit een mobiele telefoonoproep werd begonnen of beëindigd.

In deze bijlage worden als gegevens, bedoeld in artikel 13.2a van de wet, aangewezen de volgende gegevens:

  • A. Bij telefonie over een mobiel of een vast netwerk:
  • a. het telefoonnummer van de oproeper en het telefoonnummer (de telefoonnummers) die werden opgeroepen en, in het geval van aanvullende diensten zoals call forwarding of call transfer, het nummer (de nummers) waarnaar de verbinding is doorgeleid.
  • b. namen en adressen van de betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers;
  • c. datum en tijdstip van aanvang en einde van de verbinding;
  • d. de gebruikte telefoondienst;
  • e. bij mobiele telefonie:
  • –. de International Mobile Subscriber Identity (IMSI) van de oproepende en van de opgeroepen deelnemer;
  • –. de International Mobile Equipment Identity (IMEI) van de oproepende en de opgeroepen deelnemer;
  • –. in geval van vooraf betaalde anonieme diensten, datum en tijdstip van de eerste activering van de dienst en aanduiding (Cell ID) van de locatie waaruit de dienst is geactiveerd;
  • –. de locatieaanduiding bij het begin van de verbinding;
  • –. gegevens voor het identificeren van de geografische locatie van cells middels referentie aan hun locatieaanduidingen gedurende de periode dat communicatiegegevens worden bewaard.
  • B. Bij internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie:
  • a. de toegewezen gebruikersidentificatie(s) en de gebruikersidentificatie of telefoonnummer van de beoogde ontvanger(s) van een internettelefoonoproep;
  • b. de gebruikersidentificatie en het telefoonnummer toegewezen aan elke communicatie die het publieke telefoonnetwerk binnenkomt;
  • c. naam en adres van de abonnee of de geregistreerde gebruiker aan wie het IP-adres, de gebruikersidentificatie of het telefoonnummer was toegewezen op het tijdstip van de communicatie en naam (namen) en adres (adressen) van de abonnee(s) of de geregistreerde gebruiker(s) en de gebruikersidentificatie van de beoogde ontvanger van communicatie;
  • d. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een internetsessie gebaseerd op een bepaalde tijdzone, samen met het IP-adres, hetzij statisch, hetzij dynamisch, dat door de aanbieder van een internettoegangsdienst aan een communicatie is toegewezen, en de gebruikersidentificatie van de abonnee of geregistreerde gebruiker;
  • e. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een e-maildienst over het internet of internettelefoniedienst gebaseerd op een bepaalde tijdzone;
  • f. de gebruikte internetdienst;
  • g. het inbellende nummer voor een inbelverbinding;
  • h. de digital subscriber line (DSL) of ander eindpunt van de initiatiefnemer van de communicatie.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 2.1. Aanleg of aanbieden openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten

Artikel 2.5a

Deze wet is niet van toepassing op de verlening van vertrouwensdiensten of op het voornemen tot verlening daarvan, die van het toepassingsbereik van de eidas-verordening zijn uitgesloten.

Artikel 2.5b
1.

Een mededeling van een verlener van vertrouwensdiensten aan Onze Minister waaruit het voornemen tot het verlenen van gekwalificeerde vertrouwensdiensten blijkt, wordt aangemerkt als een aanvraag tot toekenning van de status gekwalificeerd aan die verlener en de door hem in die mededeling aangeduide vertrouwensdiensten.

2.

Onze Minister neemt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid niet in behandeling, indien de aanvrager buiten Nederland gevestigd is.

3.

Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen welke andere gegevens dan de overlegging van een conformiteitsbeoordelingsverslag als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de eidas-verordening bij een aanvraag dienen te worden overgelegd en de wijze van verstrekking daarvan.

4.

Een beschikking op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven binnen de termijn van drie maanden, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de eidas-verordening.

Artikel 2.5c
1.

Onze Minister draagt zorg voor het opstellen en bijhouden van een langs elektronische weg openbaar toegankelijke vertrouwenslijst ten aanzien van in Nederland gevestigde gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten en van de door hen te verlenen gekwalificeerde vertrouwensdiensten.

2.

Indien als gevolg van een wijziging van de eidas-verordening de op de vertrouwenslijst te vermelden gegevens aangepast dienen te worden, verstrekt een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten onverwijld aan Onze Minister de gegevens voor opname in de vertrouwenslijst die aanpassing mogelijk maken.

3.

Een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten geeft aan Onze Minister onverwijld alle wijzigingen door die van invloed zijn op zijn status van gekwalificeerd, op het gekwalificeerd zijn van de door hem te verlenen vertrouwensdiensten of op de in de vertrouwenslijst over hem of zijn te verlenen diensten opgenomen gegevens.

4.

Onze Minister brengt de vertrouwenslijst in overeenstemming met de wijzigingen die voortvloeien uit artikel 2.5d of met wijzigingen die Onze Minister op grond van het tweede of derde lid heeft ontvangen.

5.

Een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten verstrekt op verzoek van Onze Minister alle gegevens die Onze Minister noodzakelijk acht voor de volledigheid van de inhoud van de vertrouwenslijst.

6.

Onze Minister kan gegevens in de vertrouwenslijst wijzigen indien dit noodzakelijk is om feitelijke onjuistheden van eenvoudige aard weg te nemen.

7.

Indien dit voor een goede uitvoering van de eidas-verordening vereist is, worden bij ministeriële regeling regels gesteld over:

  • a. het opstellen, bijhouden en publiceren van de vertrouwenslijst;
  • b. de door een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten aan Onze Minister te overleggen gegevens voor de vertrouwenslijst en de wijze van aanlevering daarvan.
Artikel 2.5d
1.

Onze Minister kan onverminderd artikel 20, derde lid, van de eidas-verordening, tot beëindiging van de status gekwalificeerd overgaan:

  • a. indien een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet handelt ten aanzien van het verlenen van vertrouwensdiensten;
  • b. indien hij heeft vastgesteld dat de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten de gegevens, bedoeld in artikel 2.5c, tweede, derde, vijfde en zesde lid, niet, onvolledig of niet juist heeft verstrekt en de verlener van vertrouwensdiensten niet binnen de door Onze Minister gestelde termijn de volledige of juiste gegevens alsnog verstrekt.
2.

Indien de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten aantoont redelijkerwijs niet binnen de gestelde termijn, bedoeld in het eerste lid, onder b, alsnog de juiste gegevens, bedoeld in dat onderdeel, te kunnen verstrekken, kan Onze Minister de termijn verlengen.

Artikel 2.5e

Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke die het gevolg is van de toepassing van artikel 2.5b en voor de vertrouwenslijst, bedoeld in artikel 2.5c, eerste lid.

Hoofdstuk 3. Frequenties

§ 3.4. Gebruik van frequentieruimte zonder vergunning

§ 3.5. Overige vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte

§ 3.6. Algemene bepalingen inzake vergunningen

§ 3.8. Antenne-opstelpunten, antennesystemen en antennes

§ 5.1. De gedoogplicht

§ 5.1.2. Openbare gronden

§ 5.1.2. Openbare gronden

Hoofdstuk 6a. Verplichtingen voor ondernemingen die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht

§ 6a.6. Verticaal geïntegreerde openbare ondernemingen die beschikken over een economische machtspositie als bedoeld in artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Hoofdstuk 11. Bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer

§ 11.3. Ontheffing

§ 12.2.1. Geschillen tussen marktpartijen

§ 12.2.2. Geschillen tussen consumenten en aanbieders of ondernemingen

§ 11.3. Ontheffing

§ 11.3. Ontheffing

§ 12.2. Geschilbeslechting door de Autoriteit Consument en Markt

Hoofdstuk 16. Vergoedingen

Hoofdstuk 17. Beroep

Hoofdstuk 18. Verdere bepalingen

Hoofdstuk 19. Overgangsrecht in verband met de implementatie van het Europese geharmoniseerde regelgevende kader voor de elektronische communicatiesector 2002

Hoofdstuk 20. Algemene overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20.16a
1.

Op nummers die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het vaststellen van nadere bepalingen over het gebruik van nummers ter bescherming van de consument zijn gereserveerd blijven de artikelen 4.4, 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van genoemde wet van toepassing tot het tijdstip dat de reservering is beëindigd.

2.

Nummerhouders registreren binnen zes maanden na de inwerkingtreding van artikel 4.9, derde lid, onderdeel b, de nummergebruikers. De nummergebruiker krijgt het nummer op de dag van registratie door de nummerhouder van rechtswege in gebruik door de nummerhouder.

3.

Op klachten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het vaststellen van nadere bepalingen over het gebruik van nummers ter bescherming van de consument zijn ingediend bij een erkende instelling, bedoeld in artikel 4.11 van de Telecommunicatiewet, blijven de regels van toepassing die golden ten tijde van de indiening van de klacht.

Bijlage. behorende bij artikel 13.2a van de Telecommunicatiewet

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a. telefoondienst: oproepen (met inbegrip van spraak, voicemail, conference call of call-gegevens), aanvullende diensten (met inbegrip van call forwarding en call transfer), messaging- en multimediadiensten (met inbegrip van short message service (SMS), enhanced media service (EMS) en multimedia service (MMS);
  • b. gebruikersidentificatie: een unieke identificatie die aan een persoon wordt toegewezen wanneer deze zich abonneert op of registreert bij een internettoegangsdienst of internetcommunicatiedienst;
  • c. celidentiteit (Cell ID): de unieke code van een cel van waaruit een mobiele telefoonoproep werd begonnen of beëindigd.

In deze bijlage worden als gegevens, bedoeld in artikel 13.2a van de wet, aangewezen de volgende gegevens:

  • A. Bij telefonie over een mobiel of een vast netwerk:
  • a. het telefoonnummer van de oproeper en het telefoonnummer (de telefoonnummers) die werden opgeroepen en, in het geval van aanvullende diensten zoals call forwarding of call transfer, het nummer (de nummers) waarnaar de verbinding is doorgeleid.
  • b. namen en adressen van de betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers;
  • c. datum en tijdstip van aanvang en einde van de verbinding;
  • d. de gebruikte telefoondienst;
  • e. bij mobiele telefonie:
  • –. de International Mobile Subscriber Identity (IMSI) van de oproepende en van de opgeroepen deelnemer;
  • –. de International Mobile Equipment Identity (IMEI) van de oproepende en de opgeroepen deelnemer;
  • –. in geval van vooraf betaalde anonieme diensten, datum en tijdstip van de eerste activering van de dienst en aanduiding (Cell ID) van de locatie waaruit de dienst is geactiveerd;
  • –. de locatieaanduiding bij het begin van de verbinding;
  • –. gegevens voor het identificeren van de geografische locatie van cells middels referentie aan hun locatieaanduidingen gedurende de periode dat communicatiegegevens worden bewaard.
  • B. Bij internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie:
  • a. de toegewezen gebruikersidentificatie(s) en de gebruikersidentificatie of telefoonnummer van de beoogde ontvanger(s) van een internettelefoonoproep;
  • b. de gebruikersidentificatie en het telefoonnummer toegewezen aan elke communicatie die het publieke telefoonnetwerk binnenkomt;
  • c. naam en adres van de abonnee of de geregistreerde gebruiker aan wie het IP-adres, de gebruikersidentificatie of het telefoonnummer was toegewezen op het tijdstip van de communicatie en naam (namen) en adres (adressen) van de abonnee(s) of de geregistreerde gebruiker(s) en de gebruikersidentificatie van de beoogde ontvanger van communicatie;
  • d. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een internetsessie gebaseerd op een bepaalde tijdzone, samen met het IP-adres, hetzij statisch, hetzij dynamisch, dat door de aanbieder van een internettoegangsdienst aan een communicatie is toegewezen, en de gebruikersidentificatie van de abonnee of geregistreerde gebruiker;
  • e. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een e-maildienst over het internet of internettelefoniedienst gebaseerd op een bepaalde tijdzone;
  • f. de gebruikte internetdienst;
  • g. het inbellende nummer voor een inbelverbinding;
  • h. de digital subscriber line (DSL) of ander eindpunt van de initiatiefnemer van de communicatie.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7.1a
1.

Bij een volledige onderbreking van de levering van een als separate dienst te onderscheiden openbare elektronische communicatiedienst, niet zijnde een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst of een transmissiedienst voor het verlenen van intermachinale diensten als gevolg van een storing in het netwerk van de aanbieder van die dienst verstrekt de aanbieder uit eigen beweging of op aanvraag van de abonnee, die woonachtig of gevestigd is in het gebied waarin de gevolgen van de storing zich voordoen, een compensatie aan de abonnee, mits de verstoring langer duurt dan een bij ministeriële regeling te bepalen periode.

2.

De compensatie bedraagt ten minste een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per dag. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen overeenkomsten tot levering van een openbare elektronische communicatiedienst, niet zijnde een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst of een transmissiedienst voor het verlenen van intermachinale diensten waarbij een vaste maandelijkse vergoeding wordt betaald door de abonnee en overeenkomsten waarbij dat niet het geval is.

3.

Geen recht op compensatie bestaat indien de storing het gevolg is van een overstroming, terroristische aanslag of oorlog.

§ 12.2.2. Geschillen tussen consumenten en aanbieders of ondernemingen

§ 12.3. Geschilbeslechting door minister

Hoofdstuk 15. Handhaving

§ 15.2. Bestuurlijke boete en last onder dwangsom

§ 15.3. Uit de handel nemen van uitrusting

Hoofdstuk 12. Geschillen

Hoofdstuk 17. Beroep

Hoofdstuk 18. Verdere bepalingen

Hoofdstuk 19. Overgangsrecht in verband met de implementatie van het Europese geharmoniseerde regelgevende kader voor de elektronische communicatiesector 2002

Hoofdstuk 20. Algemene overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 13.2a van de Telecommunicatiewet

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a. telefoondienst: oproepen (met inbegrip van spraak, voicemail, conference call of call-gegevens), aanvullende diensten (met inbegrip van call forwarding en call transfer), messaging- en multimediadiensten (met inbegrip van short message service (SMS), enhanced media service (EMS) en multimedia service (MMS);
  • b. gebruikersidentificatie: een unieke identificatie die aan een persoon wordt toegewezen wanneer deze zich abonneert op of registreert bij een internettoegangsdienst of internetcommunicatiedienst;
  • c. celidentiteit (Cell ID): de unieke code van een cel van waaruit een mobiele telefoonoproep werd begonnen of beëindigd.

In deze bijlage worden als gegevens, bedoeld in artikel 13.2a van de wet, aangewezen de volgende gegevens:

  • A. Bij telefonie over een mobiel of een vast netwerk:
  • a. het telefoonnummer van de oproeper en het telefoonnummer (de telefoonnummers) die werden opgeroepen en, in het geval van aanvullende diensten zoals call forwarding of call transfer, het nummer (de nummers) waarnaar de verbinding is doorgeleid.
  • b. namen en adressen van de betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers;
  • c. datum en tijdstip van aanvang en einde van de verbinding;
  • d. de gebruikte telefoondienst;
  • e. bij mobiele telefonie:
  • –. de International Mobile Subscriber Identity (IMSI) van de oproepende en van de opgeroepen deelnemer;
  • –. de International Mobile Equipment Identity (IMEI) van de oproepende en de opgeroepen deelnemer;
  • –. in geval van vooraf betaalde anonieme diensten, datum en tijdstip van de eerste activering van de dienst en aanduiding (Cell ID) van de locatie waaruit de dienst is geactiveerd;
  • –. de locatieaanduiding bij het begin van de verbinding;
  • –. gegevens voor het identificeren van de geografische locatie van cells middels referentie aan hun locatieaanduidingen gedurende de periode dat communicatiegegevens worden bewaard.
  • B. Bij internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie:
  • a. de toegewezen gebruikersidentificatie(s) en de gebruikersidentificatie of telefoonnummer van de beoogde ontvanger(s) van een internettelefoonoproep;
  • b. de gebruikersidentificatie en het telefoonnummer toegewezen aan elke communicatie die het publieke telefoonnetwerk binnenkomt;
  • c. naam en adres van de abonnee of de geregistreerde gebruiker aan wie het IP-adres, de gebruikersidentificatie of het telefoonnummer was toegewezen op het tijdstip van de communicatie en naam (namen) en adres (adressen) van de abonnee(s) of de geregistreerde gebruiker(s) en de gebruikersidentificatie van de beoogde ontvanger van communicatie;
  • d. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een internetsessie gebaseerd op een bepaalde tijdzone, samen met het IP-adres, hetzij statisch, hetzij dynamisch, dat door de aanbieder van een internettoegangsdienst aan een communicatie is toegewezen, en de gebruikersidentificatie van de abonnee of geregistreerde gebruiker;
  • e. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een e-maildienst over het internet of internettelefoniedienst gebaseerd op een bepaalde tijdzone;
  • f. de gebruikte internetdienst;
  • g. het inbellende nummer voor een inbelverbinding;
  • h. de digital subscriber line (DSL) of ander eindpunt van de initiatiefnemer van de communicatie.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5a.1

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. netwerkexploitant: een aanbieder van
  • 1°. een openbaar elektronisch communicatienetwerk, of
  • 2°. fysieke infrastructuur waarmee een dienst wordt geleverd die bestaat uit vervoer of uit de productie, het transport of de distributie van gas, elektriciteit, straatverlichting, verwarming en water;
  • c. civiele werken: het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat bestemd is om als zodanig een economische of technische functie te vervullen en dat een of meer elementen van een fysieke infrastructuur omvat.
Artikel 5a.2

Onverminderd de in dit hoofdstuk opgenomen verplichtingen omtrent medegebruik en coördinatie gelden de gegeven voorschriften bij of krachtens andere wetten of decentrale regels ter zake van:

  • a. het netwerk van een netwerkexploitant en de daarmee te leveren diensten, en
  • b. een voor het medegebruik of het uitvoeren van civiele werken benodigde vergunning, ontheffing of andere toestemming.
Artikel 5a.3
1.

Een netwerkexploitant stemt in met redelijke verzoeken van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken tot medegebruik van zijn fysieke infrastructuur ten dienste van de aanleg van elementen van een openbaar elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid.

2.

Gebruikers van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen frequentieruimte en aanbieders van bijbehorende faciliteiten voldoen aan redelijke verzoeken tot medegebruik van bijbehorende faciliteiten.

3.

Aanbieders van elektronische communicatienetwerken die bestaan uit radioapparaten die geschikt zijn voor het verspreiden van programma’s, alsmede aanbieders van antenne-opstelpunten die bestemd zijn om genoemde netwerken te ondersteunen, voldoen aan redelijke verzoeken tot medegebruik van antenne-opstelpunten, antennesystemen of antennes.

4.

Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken zijn over en weer verplicht te voldoen aan redelijke verzoeken tot medegebruik van de fysieke infrastructuur waarop de gedoogplicht, bedoeld in hoofdstuk 5, van toepassing is.

Artikel 5a.4
1.

Medegebruik als bedoeld in artikel 5a.3 vindt plaats onder billijke en niet-discriminerende voorwaarden en tegen een billijke en niet-discriminerende vergoeding, en kan uitsluitend worden geweigerd op objectieve, transparante en evenredige gronden.

2.

Onder een grond als bedoeld in het eerste lid, kan in ieder geval worden verstaan:

  • a. dat de fysieke infrastructuur technisch of economisch ongeschikt is voor de aanleg, van elementen van een openbaar elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid;
  • b. dat er, rekening houdend met de toekomstige behoeften aan ruimte van de netwerkexploitant, onvoldoende ruimte beschikbaar is voor de aanleg van elementen van een openbaar elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid;
  • c. redenen van veiligheid of volksgezondheid;
  • d. redenen van integriteit en veiligheid van alle reeds aangelegde netwerken of van kritieke nationale infrastructuur;
  • e. een risico van ernstige verstoring van de geplande elektronische communicatiediensten wanneer andere diensten via dezelfde infrastructuur worden verstrekt;
  • f. dat de netwerkexploitant beschikt over levensvatbare alternatieve middelen voor het verlenen van wholesaletoegang tot fysieke netwerkinfrastructuur die geschikt zijn voor het aanbieden van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid, op voorwaarde dat de toegang onder billijke en redelijke voorwaarden wordt verleend.
Artikel 5a.5
1.

De bij een verzoek tot medegebruik betrokken partijen streven naar overeenstemming over de omstandigheden waaronder het medegebruik plaatsvindt. Zij maken in ieder geval afspraken over:

  • a. de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden,
  • b. een redelijke vergoeding voor het medegebruik, alsmede
  • c. redelijke eisen, voorwaarden en voorzorgsmaatregelen ter waarborging van de veiligheid, continuïteit en levensvatbaarheid van de betrokken fysieke infrastructuur, antennesystemen, antennes en netwerken.
2.

Van een redelijke vergoeding voor medegebruik van antenne-opstelpunten voor omroep, is sprake als de vergoeding efficiënt, transparant en niet-discriminatoir is, en de kosten van de werkelijk afgenomen capaciteit weerspiegelt. Daarbij draagt de aanbieder die aan het verzoek tot medegebruik voldoet bij geschillen de bewijslast voor de redelijkheid van de vergoeding.

3.

In het geval de voor medegebruik als bedoeld in het tweede lid te betalen vergoeding mede wordt bepaald door een door de verlener van het medegebruik zelf voor medegebruik aan een derde te betalen vergoeding mag laatstbedoelde vergoeding slechts worden doorberekend voor zover deze vergoeding redelijk is.

4.

Indien een verzoek tot medegebruik betrekking heeft op:

  • a. fysieke infrastructuur van een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, of
  • b. een antenne-opstelpunt van een gebruiker of een aanbieder als bedoeld in artikel 5a.3, tweede, of derde lid, kunnen partijen wat betreft veiligheid en continuïteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, volstaan met afspraken over hoe zij uitvoering geven aan de bij of krachtens hoofdstuk 11a vastgestelde maatregelen en eisen.
Artikel 5a.6
1.

Indien een netwerkexploitant tevens degene is die beslist op een vergunning, ontheffing of andere toestemming betreffende de aanleg van elementen van een openbaar elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid waarop het verzoek tot medegebruik betrekking heeft, coördineert deze netwerkexploitant zijn beslissing op het verzoek tot medegebruik met het besluit op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of andere toestemming.

2.

In aanvulling op artikel 5a.4, eerste en tweede lid, weigert een netwerkexploitant als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval het medegebruik wanneer de in het eerste lid bedoelde vergunning, ontheffing of andere toestemming wordt geweigerd.

3.

Een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk die het voornemen heeft om de fysieke infrastructuur van een netwerkexploitant als bedoeld in het eerste lid, te gebruiken voor de aanleg van elementen van een openbaar elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid coördineert zijn verzoek tot medegebruik met de in het eerste lid, bedoelde aanvraag.

Artikel 5a.7
1.

In het geval dat voor het verlenen van medegebruik toestemming van een derde is vereist, is deze daartoe slechts gehouden indien het een redelijk verzoek betreft en hij:

  • a. direct of indirect een relevant economisch belang heeft in degene tot wie het verzoek tot medegebruik is gericht, of
  • b. deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe een andere groepsmaatschappij als bedoeld in dat artikel behoort, die een direct of indirect relevant economisch belang heeft in degene tot wie het verzoek is gericht.
2.

De derde die op grond van het eerste lid gehouden is toestemming te verlenen, ontvangt voor het medegebruik een redelijke vergoeding als bedoeld in artikel 5a.5, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 5a.8

Indien een netwerkexploitant of een onderneming als bedoeld in artikel 5a.3, tweede en derde lid, weigert te voldoen aan een verzoek tot medegebruik informeert hij de verzoeker gemotiveerd en schriftelijk over de redenen voor zijn weigering.

Artikel 5a.9
1.

Een netwerkexploitant, of een onderneming als bedoeld in artikel 5a.3, tweede en derde lid, is verplicht in te gaan op redelijke verzoeken tot inspecties ter plaatse van de voorzieningen waarop het verzoek tot medegebruik ziet.

2.

In een verzoek als bedoeld in het eerste lid, specificeert de verzoeker de elementen van het betrokken netwerk dat hij wil inspecteren met het oog op de aanleg van elementen van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid.

3.

Een netwerkexploitant, of een onderneming als bedoeld in artikel 5a.3, tweede en derde lid, stemt in met het verzoek tot inspectie op de voorgestelde datum of op een ander moment, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het verzoek.

Artikel 5a.10
1.

Een netwerkexploitant die een civiel werk uitvoert dat direct of indirect, geheel of gedeeltelijk gefinancierd is met overheidsgeld, voldoet aan elk redelijk verzoek van een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk om zijn civiele werken en de civiele werken ten dienste van de aanleg van elementen van een openbaar elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid, te coördineren.

2.

Een netwerkexploitant kan coördineren als bedoeld in het eerste lid, weigeren indien:

  • a. coördineren aanvullende kosten veroorzaakt voor de oorspronkelijk geplande civiele werken van de netwerkexploitant;
  • b. coördineren een belemmering vormt voor de controle over de coördinatie van de civiele werken van de netwerkexploitant, of
  • c. het verzoek wordt gedaan minder dan één maand voordat de netwerkexploitant voornemens is een aanvraag in te dienen voor de voor oorspronkelijk geplande civiele werken benodigde vergunning, ontheffing of andere toestemming.
3.

Indien een netwerkexploitant weigert te voldoen aan een verzoek om te coördineren informeert hij de verzoeker uiterlijk een maand na de datum van ontvangst van het verzoek om te coördineren gemotiveerd en schriftelijk over de redenen voor zijn weigering.

Artikel 5a.11
1.

Een netwerkexploitant stelt slechts billijke, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan de coördinatie van civiele werken.

2.

De bij het verzoek tot coördinatie betrokken netwerkexploitant en aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk streven naar overeenstemming over de omstandigheden en voorwaarden waaronder coördinatie van de civiele werken plaatsvindt. Zij maken in ieder geval afspraken over:

  • a. de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden,
  • b. een redelijke vergoeding van de kosten die zijn gemoeid met coördinatie van de civiele werken, alsmede
  • c. andere redelijke eisen, voorwaarden en voorzorgsmaatregelen die noodzakelijk zijn om de veiligheid, continuïteit en levensvatbaarheid van de betrokken fysieke infrastructuur en netten te waarborgen.
Artikel 5a.12

De bij medegebruik of coördinatie betrokken partijen gebruiken informatie die in het kader van medegebruik van fysieke infrastructuur of coördinatie van civiele werken wordt verstrekt, alsmede informatie die gedurende het medegebruik of de coördinatie is verkregen uitsluitend voor het doel waarvoor deze informatie is verstrekt of verkregen. Alle informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

Artikel 5a.13
1.

Indien in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de richtlijn nr. 2014/61/EU nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur. Hierbij kunnen aan de Autoriteit Consument en Markt taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen fysieke infrastructuur of civiele werken om veiligheidsredenen worden uitgezonderd van de in dit hoofdstuk opgenomen verplichtingen.

3.

Een maatregel als bedoeld in het tweede lid, wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan belanghebbende partijen is overgelegd.

Artikel 5a.14
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de procedure van een verzoek tot medegebruik of coördinatie. Daarbij kan onder meer worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn een verzoek wordt ingediend dan wel behandeld, alsmede welke gegevens bij een verzoek moeten worden overgelegd.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent omstandigheden, eisen en voorwaarden als bedoeld in de artikelen 5a.4, eerste lid, 5a.5 en 5a.11, alsmede over de procedure om tot overeenstemming te komen over die omstandigheden, eisen en voorwaarden.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden aan de procedure van een verzoek om inspectie en aan de maatregelen die een netwerkexploitant, of een onderneming als bedoeld in artikel 5a.3, tweede en derde lid, tijdens of voorafgaand aan de inspectie stelt.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels gesteld worden met betrekking tot de vergoeding aan een derde als bedoeld in artikel 5a.7.

5.

In de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde nadere regels kunnen aan de Autoriteit Consument en Markt taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend.

Artikel 5a.15

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent:

Hierbij kunnen aan de Autoriteit Consument en Markt taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend.

Hoofdstuk 5c. Medegebruik van voorzieningen ten behoeve van draadloze toegangspunten met klein bereik

§ 6a.3. Verplichtingen op eindgebruikersniveau

Hoofdstuk 6b. Consultatie

Hoofdstuk 7. Eindgebruikersbelangen

Hoofdstuk 8. Regels met betrekking tot het verspreiden van programma's, systemen voor voorwaardelijke toegang, applicatieprogramma-interfaces en elektronische programmagidsen

Hoofdstuk 10. Uitrusting en radioapparaten

§ 11.2. Nummeridentificatie

§ 11.3. Ontheffing

§ 12.1. Geschilbeslechting door geschillencommissie

§ 12.2.1. Geschillen tussen marktpartijen

§ 12.2.2. Geschillen tussen consumenten en aanbieders of ondernemingen

§ 12.3. Geschilbeslechting door minister

Hoofdstuk 11a. Beveiligingsmaatregelen

§ 15.1. Algemeen

§ 15.2. Bestuurlijke boete en last onder dwangsom

§ 15.3. Uit de handel nemen van uitrusting

Hoofdstuk 14. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 14. Buitengewone omstandigheden

Hoofdstuk 19. Overgangsrecht in verband met de implementatie van het Europese geharmoniseerde regelgevende kader voor de elektronische communicatiesector 2002

Hoofdstuk 20. Algemene overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 13.2a van de Telecommunicatiewet

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a. telefoondienst: oproepen (met inbegrip van spraak, voicemail, conference call of call-gegevens), aanvullende diensten (met inbegrip van call forwarding en call transfer), messaging- en multimediadiensten (met inbegrip van short message service (SMS), enhanced media service (EMS) en multimedia service (MMS);
  • b. gebruikersidentificatie: een unieke identificatie die aan een persoon wordt toegewezen wanneer deze zich abonneert op of registreert bij een internettoegangsdienst of internetcommunicatiedienst;
  • c. celidentiteit (Cell ID): de unieke code van een cel van waaruit een mobiele telefoonoproep werd begonnen of beëindigd.

In deze bijlage worden als gegevens, bedoeld in artikel 13.2a van de wet, aangewezen de volgende gegevens:

  • A. Bij telefonie over een mobiel of een vast netwerk:
  • a. het telefoonnummer van de oproeper en het telefoonnummer (de telefoonnummers) die werden opgeroepen en, in het geval van aanvullende diensten zoals call forwarding of call transfer, het nummer (de nummers) waarnaar de verbinding is doorgeleid.
  • b. namen en adressen van de betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers;
  • c. datum en tijdstip van aanvang en einde van de verbinding;
  • d. de gebruikte telefoondienst;
  • e. bij mobiele telefonie:
  • –. de International Mobile Subscriber Identity (IMSI) van de oproepende en van de opgeroepen deelnemer;
  • –. de International Mobile Equipment Identity (IMEI) van de oproepende en de opgeroepen deelnemer;
  • –. in geval van vooraf betaalde anonieme diensten, datum en tijdstip van de eerste activering van de dienst en aanduiding (Cell ID) van de locatie waaruit de dienst is geactiveerd;
  • –. de locatieaanduiding bij het begin van de verbinding;
  • –. gegevens voor het identificeren van de geografische locatie van cells middels referentie aan hun locatieaanduidingen gedurende de periode dat communicatiegegevens worden bewaard.
  • B. Bij internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie:
  • a. de toegewezen gebruikersidentificatie(s) en de gebruikersidentificatie of telefoonnummer van de beoogde ontvanger(s) van een internettelefoonoproep;
  • b. de gebruikersidentificatie en het telefoonnummer toegewezen aan elke communicatie die het publieke telefoonnetwerk binnenkomt;
  • c. naam en adres van de abonnee of de geregistreerde gebruiker aan wie het IP-adres, de gebruikersidentificatie of het telefoonnummer was toegewezen op het tijdstip van de communicatie en naam (namen) en adres (adressen) van de abonnee(s) of de geregistreerde gebruiker(s) en de gebruikersidentificatie van de beoogde ontvanger van communicatie;
  • d. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een internetsessie gebaseerd op een bepaalde tijdzone, samen met het IP-adres, hetzij statisch, hetzij dynamisch, dat door de aanbieder van een internettoegangsdienst aan een communicatie is toegewezen, en de gebruikersidentificatie van de abonnee of geregistreerde gebruiker;
  • e. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een e-maildienst over het internet of internettelefoniedienst gebaseerd op een bepaalde tijdzone;
  • f. de gebruikte internetdienst;
  • g. het inbellende nummer voor een inbelverbinding;
  • h. de digital subscriber line (DSL) of ander eindpunt van de initiatiefnemer van de communicatie.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 12.3. Geschilbeslechting door minister

§ 15.3. Uit de handel nemen van uitrusting

Hoofdstuk 16. Vergoedingen

Hoofdstuk 17. Beroep

Artikel 18.7a
1.

Onze Minister is bevoegd om ten behoeve van het uitvoeren van een geografisch onderzoek naar het bereik van elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van richtlijn (EU) 2018/1972, bij ministeriële regeling te bepalen inlichtingen te vorderen van aanbieders van elektronische communicatiediensten en -netwerken. De te vorderen inlichtingen kunnen een prognose betreffen die betrekking heeft op een periode van ten hoogste drie jaar. Artikel 18.7, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Het is verboden Onze Minister bewust of ten gevolge van grove nalatigheid misleidende, onjuiste of onvolledige inlichtingen te verstrekken.

3.

Voor zover zij van betekenis zijn of kunnen zijn voor de uitoefening van hun taken, verstrekt Onze Minister de resultaten van het geografisch onderzoek aan:

  • a. de Europese Commissie;
  • b. BEREC, en
  • c. bestuursorganen die op grond van deze wet of van een andere wettelijke regeling dan deze wet zijn belast met taken op het gebied van elektronische communicatie, of met de toewijzing van openbare middelen voor de uitrol van elektronische communicatienetwerken.
4.

Voor zover de resultaten van het geografisch onderzoek bedrijfsvertrouwelijke gegevens bevatten, kunnen deze uitsluitend op grond van het derde lid worden verstrekt, indien:

  • a. de geheimhouding van de bedrijfsvertrouwelijke gegevens in voldoende mate is gewaarborgd, en
  • b. is gewaarborgd dat de bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
5.

Indien Onze Minister resultaten van het geografisch onderzoek verstrekt als bedoeld in het derde lid, stelt hij hiervan de aanbieder in kennis die de inlichtingen heeft verstrekt die aan de betreffende resultaten ten grondslag liggen.

6.

Onze Minister maakt, waar beschikbaar, voor draadloze elektronische communicatienetwerken per gebied en voor andere elektronische communicatienetwerken per adres de huidige en, indien van toepassing, toekomstige maximaal te behalen snelheid voor dataoverdracht openbaar.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop en de vorm waarin:

  • a. de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister worden verstrekt, en
  • b. de resultaten van het geografisch onderzoek, bedoeld in het vierde en zesde lid, openbaar worden gemaakt.

Hoofdstuk 19. Overgangsrecht in verband met de implementatie van het Europese geharmoniseerde regelgevende kader voor de elektronische communicatiesector 2002

Hoofdstuk 20. Algemene overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20.16b

Indien dat later is dan het tijdstip bedoeld in artikel 14a.4, vijfde lid, wordt, in afwijking van die bepaling, een verbod als bedoeld in artikel 14a.4, eerste lid, opgelegd binnen acht maanden na inwerkingtreding van artikel 14a.4 van deze wet.

Artikel 20.16c

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel 14a.4, eerste lid, van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van hoofdstuk 14a van deze wet in de praktijk.

Bijlage. behorende bij artikel 13.2a van de Telecommunicatiewet

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a. telefoondienst: oproepen (met inbegrip van spraak, voicemail, conference call of call-gegevens), aanvullende diensten (met inbegrip van call forwarding en call transfer), messaging- en multimediadiensten (met inbegrip van short message service (SMS), enhanced media service (EMS) en multimedia service (MMS);
  • b. gebruikersidentificatie: een unieke identificatie die aan een persoon wordt toegewezen wanneer deze zich abonneert op of registreert bij een internettoegangsdienst of internetcommunicatiedienst;
  • c. celidentiteit (Cell ID): de unieke code van een cel van waaruit een mobiele telefoonoproep werd begonnen of beëindigd.

In deze bijlage worden als gegevens, bedoeld in artikel 13.2a van de wet, aangewezen de volgende gegevens:

  • A. Bij telefonie over een mobiel of een vast netwerk:
  • a. het telefoonnummer van de oproeper en het telefoonnummer (de telefoonnummers) die werden opgeroepen en, in het geval van aanvullende diensten zoals call forwarding of call transfer, het nummer (de nummers) waarnaar de verbinding is doorgeleid.
  • b. namen en adressen van de betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers;
  • c. datum en tijdstip van aanvang en einde van de verbinding;
  • d. de gebruikte telefoondienst;
  • e. bij mobiele telefonie:
  • –. de International Mobile Subscriber Identity (IMSI) van de oproepende en van de opgeroepen deelnemer;
  • –. de International Mobile Equipment Identity (IMEI) van de oproepende en de opgeroepen deelnemer;
  • –. in geval van vooraf betaalde anonieme diensten, datum en tijdstip van de eerste activering van de dienst en aanduiding (Cell ID) van de locatie waaruit de dienst is geactiveerd;
  • –. de locatieaanduiding bij het begin van de verbinding;
  • –. gegevens voor het identificeren van de geografische locatie van cells middels referentie aan hun locatieaanduidingen gedurende de periode dat communicatiegegevens worden bewaard.
  • B. Bij internettoegang, e-mail over het internet en internettelefonie:
  • a. de toegewezen gebruikersidentificatie(s) en de gebruikersidentificatie of telefoonnummer van de beoogde ontvanger(s) van een internettelefoonoproep;
  • b. de gebruikersidentificatie en het telefoonnummer toegewezen aan elke communicatie die het publieke telefoonnetwerk binnenkomt;
  • c. naam en adres van de abonnee of de geregistreerde gebruiker aan wie het IP-adres, de gebruikersidentificatie of het telefoonnummer was toegewezen op het tijdstip van de communicatie en naam (namen) en adres (adressen) van de abonnee(s) of de geregistreerde gebruiker(s) en de gebruikersidentificatie van de beoogde ontvanger van communicatie;
  • d. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een internetsessie gebaseerd op een bepaalde tijdzone, samen met het IP-adres, hetzij statisch, hetzij dynamisch, dat door de aanbieder van een internettoegangsdienst aan een communicatie is toegewezen, en de gebruikersidentificatie van de abonnee of geregistreerde gebruiker;
  • e. datum en tijdstip van de log-in en log-off van een e-maildienst over het internet of internettelefoniedienst gebaseerd op een bepaalde tijdzone;
  • f. de gebruikte internetdienst;
  • g. het inbellende nummer voor een inbelverbinding;
  • h. de digital subscriber line (DSL) of ander eindpunt van de initiatiefnemer van de communicatie.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 14a.1

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • –. aandelenbelang: bepaalde hoeveelheid aandelen;
  • –. beursgenoteerde telecommunicatiepartij: telecommunicatiepartij waarvan de aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt;
  • –. beursgenoteerde betrokken partij: betrokken partij waarvan aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt;
  • –. betrokken partij: telecommunicatiepartij waarop een verbod als bedoeld in artikel 14a.4, eerste lid, betrekking heeft;
  • –. bewaarder van een beleggingsinstelling: bewaarder van een icbe als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of entiteit met als statutaire doelstelling het houden van de juridische eigendom al dan niet tezamen met het bewaren en administreren van aandelen of zeggenschap van een beleggingsfonds of een fonds voor collectieve beleggingen in effecten;
  • –. bijkantoor: onderdeel van een niet in Nederland gevestigde rechtspersoon, dat duurzaam in Nederland aanwezig is en geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft;
  • –. depot: rekening met een aandelenbelang of rekening waarin een aandelenbelang tot uitdrukking komt die beroepsmatig en anders dan als aandeelhouder wordt geadministreerd of aangehouden, waaronder een verzameldepot, een girodepot, een depot van een instelling in het buitenland of een depot van een buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van het centraal instituut;
  • –. gereglementeerde markt: gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een daarmee vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lid is van de Europese Unie dan wel partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
  • –. internetknooppunt: internetknooppunt als bedoeld in richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PbEU 2016, L 194)
  • –. ongewenst persoon: persoon of entiteit die is onderworpen aan beperkende maatregelen krachtens:
  • a. hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties;
  • b. artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
  • –. overwegende zeggenschap: overwegende zeggenschap in de zin van artikel 14a.3;
  • –. personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld: natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen met wie, onderscheidenlijk waarmee wordt samengewerkt op grond van een overeenkomst met als doel het verwerven van overwegende zeggenschap in een naamloze vennootschap als bedoeld in de definitie van personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld, in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
  • –. publiek belang: het belang van de openbare orde of de openbare veiligheid, bedoeld in de artikelen 45, derde lid, 52, eerste lid, en 65, eerste lid, onderdeel b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de wezenlijke belangen van veiligheid van de staat, bedoeld in artikel 346, eerste lid, onderdeel a, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
  • –. stemmen:
  • –. telecommunicatiepartij: bijkantoor of een in Nederland gevestigde rechtspersoon, eenmanszaak of vennootschap, zijnde een aanbieder of houder van overwegende zeggenschap in een aanbieder van:
  • a. een elektronisch communicatienetwerk of -dienst;
  • b. een hostingdienst, internetknooppunt, vertrouwensdienst of datacenter, met uitzondering van datacenters uitsluitend of hoofdzakelijk voor eigen gebruik; of
  • c. een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie netwerken of diensten;
  • –. zeggenschap: stemmen, deelname in een vennootschap of eigendom van een eenmanszaak.
Artikel 14a.2
1.

Degene die het voornemen heeft overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verkrijgen meldt dit voornemen aan Onze Minister indien deze zeggenschap leidt tot relevante invloed in de telecommunicatiesector als bedoeld in artikel 14a.4, derde lid. Een melding hoeft niet te worden gedaan door een van een beursgenoteerde telecommunicatiepartij onafhankelijke rechtspersoon die ten doel heeft het behartigen van de belangen van de telecommunicatiepartij en een met haar verbonden onderneming en die de overwegende zeggenschap na aankondiging van een openbaar bod voor de duur van maximaal twee jaar verkrijgt ter bescherming van de telecommunicatiepartij.

2.

De melding in het eerste lid wordt gedaan uiterlijk acht weken voor de beoogde datum van uitvoering van dit voornemen. Indien het voornemen betrekking heeft op een openbaar bod op een beursgenoteerde telecommunicatiepartij wordt de melding gedaan uiterlijk gelijktijdig met de aankondiging van een openbaar bod als bedoeld in artikel 5, eerste tot en met derde lid, van het Besluit openbare biedingen Wft.

3.

Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de melding of een verbod op grond van artikel 14a.4, eerste lid, wordt opgelegd. Indien nader onderzoek nodig is, kan Onze Minister de termijn verlengen met zes maanden. De termijn wordt opgeschort met ingang van de dag:

  • a. waarop Onze Minister aanvullende informatie verzoekt tot de dag waarop de verzochte informatie is gegeven, en
  • b. waarop Onze Minister een voornemen om een verbod op te leggen voor een zienswijze heeft voorgelegd aan de telecommunicatiepartij tot de dag waarop hij de zienswijze ontvangt of, indien die korter is, de termijn voor het uitbrengen van een zienswijze is verstreken.
4.

De meldplicht op grond van het eerste lid geldt niet ten aanzien van degene die het voornemen heeft overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verkrijgen, maar wegens een geheimhoudingsplicht voor de telecommunicatiepartij niet kan weten dat deze zeggenschap leidt tot relevante invloed in de telecommunicatiesector als bedoeld in artikel 14a.4, derde lid, aanhef en onder c. De telecommunicatiepartij waarvoor deze geheimhoudingsplicht geldt meldt het ontstaan van overwegende zeggenschap of de voorbereidingen daartoe in dat geval aan Onze Minister zodra hij daar kennis van heeft.

5.

Indien na een melding als bedoeld in het eerste lid blijkt dat er sprake is van een buitenlandse directe investering die valt binnen de reikwijdte van Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79), kan de termijn, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, met nog ten hoogste drie maanden verlengd worden.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de melding, bedoeld in het eerste en vierde lid.

Artikel 14a.3

Van overwegende zeggenschap is sprake indien de houder of verkrijger van die zeggenschap na de verkrijging:

  • a. alleen of tezamen met personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld, rechtstreeks of middellijk over ten minste 30 procent van de stemmen in de algemene vergadering van een rechtspersoon beschikt;
  • b. al dan niet krachtens overeenkomst met anderen, alleen of samen met personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld, meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen van een rechtspersoon kan benoemen of ontslaan, ook indien alle stemgerechtigden stemmen;
  • c. beschikt over een of meer aandelen met een bijzonder statutair recht inzake de zeggenschap;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)