Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-01
Laatst bijgewerkt 2026-07-03
State In force
Source BWB
artikelen 70
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

gelet op de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

Besluit:

1. Algemene bepalingen

Artikel 1. (definitiebepalingen)
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • de minister: de Minster van Veiligheid en Justitie;
  • de commandant: de commandant van de Koninklijke marechaussee;
  • een horecabedrijf: een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet, of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap Horeca, of een bordeel, uitgezonderd logiesverstrekkende ondernemingen, voor zover het logiesverstrekking betreft;
  • de aanvrager: de migrerende beroepsbeoefenaar die een aanvraag indient;
  • een compenserende maatregel of een maatregel: een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid;
  • de stagiair: de migrerende beroepsbeoefenaar die een aanpassingsstage volgt;
  • Justis: de Justitiële Uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit en Screening;
  • j. verordening: Verordening (EU) Nr. 1214/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende professioneel grensoverschrijdend transport van eurocontanten over de weg tussen lidstaten van de eurozone (PbEU 2011, L 316).
2.

Overige in deze regeling voorkomende begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wet.

Artikel 2. (optreden naar buiten)

De wijze van acquisitie en promotie door een beveiligingsorganisatie en een recherchebureau, alsmede het optreden naar buiten, de presentatie en de uitvoering van de werkzaamheden, zijn niet in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak.

Artikel 3. (opzet en inrichting)
1.

De opzet en de inrichting van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau zijn zodanig dat regelmatige, continue en volledige uitoefening van de beveiligings- dan wel recherchewerkzaamheden waartoe de organisatie of het bureau zich heeft verbonden, is gewaarborgd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder d, van de wet.

Artikel 4. (vertrouwelijke gegevens)

Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau treft maatregelen om te voorkomen dat persoons- en andere vertrouwelijke gegevens in handen van onbevoegden komen.

2. Opleidingseisen

Artikel 5. (algemene opleiding)
1.

Een beveiligingsorganisatie belast uitsluitend een persoon met beveiligingswerkzaamheden, indien deze in het bezit is van een op zijn naam gesteld diploma Beveiliger van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.

2.

De verplichting in het eerste lid geldt niet voor een periode van maximaal 12 maanden, te rekenen van af de dag dat de betrokkene voor het eerst bij een particuliere beveiligingsorganisatie met beveiligingswerkzaamheden wordt belast, indien betrokkene door middel van een verklaring van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties kan aantonen dat hij de praktijkopleiding voor het diploma Beveiliger volgt.

3.

Op de uitvoering van de praktijkopleiding wordt toezicht uitgeoefend door de Stichting eX:plain. Leerbedrijven zijn aan de Stichting eX:plain een bedrag verschuldigd voor de uitoefening van dit toezicht. De hoogte van dit bedrag wordt jaarlijks door de Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging (SFPB) vastgesteld, na overleg met de Stichting eX:plain.

4.

De in het tweede lid genoemde periode van maximaal 12 maanden wordt niet onderbroken of verlengd. In afwijking hiervan kan de korpschef de periode van 12 maanden

  • a. onderbreken;
  • b. eenmalig met maximaal 12 maanden verlengen voor aspiranten die beschikken over het certificaat Beveiliger B.

Aan de onderbreking of verlenging kunnen voorwaarden worden verbonden.

5.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de betrokkene is geboren vóór 1 december 1937 en van 1 december 1980 tot en met 30 november 1982 onafgebroken werkzaam is geweest bij een op grond van de wet toegelaten beveiligingsorganisatie.

6.

Als gelijkwaardig aan het diploma bedoeld in het eerste lid worden erkend:

  • a. het Vakdiploma Bedrijfsbeveiliging en Bewakingsdienst van de Unie van Beveiligings- en Bewakingspersoneel (UBB);
  • b. het Vakdiploma Bedrijfsbeveiliging en Bewakingsdienst van de Nederlandse Bond van Onbezoldigd opsporingsambtenaren en Bewakingspersoneel (NBOB);
  • c. de diploma's Beveiligingsbeambte B, C en D van de Leidse Onderwijs Instellingen, behaald voor 1 februari 1986;
  • d. het diploma Beveiliging en Bewaking van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, behaald voor 1 februari 1986;
  • e. het Vakdiploma Basiscursus Marine Bewakingskorps tezamen met het diploma van het Marine Bewakingskorps voor onbezoldigd ambtenaar van het Korps Rijkspolitie, beide behaald voor 1 februari 1986;
  • f. het Certificaat Begincursus voor de bedrijfsbewaking, afgegeven door de Stichting Vervoer- en Havenopleidingen te Rotterdam, behaald voor 1 februari 1986;
  • g. het Basisdiploma Beveiliging van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, behaald voor 1 januari 1998;
  • h. het Ecabodiploma leerlingwezen Algemeen Beveiligingsmedewerker;
  • i. het IVOB-diploma A en B;
  • j. het diploma Algemeen Beveiligingsmedewerker van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties / de Stichting Ecabo.
Artikel 6. (bestuursorganen)

Artikel 5, eerste tot en met vijfde lid, van deze regeling, is van overeenkomstige toepassing op personen in dienst van een bestuursorgaan, die in de uitoefening van hun functie beveiligingswerkzaamheden verrichten.

Artikel 7. (horecaportiers)

In afwijking van artikel 5, eerste lid, van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie een persoon met beveiligingswerkzaamheden belasten ten behoeve van een horecabedrijf, indien deze in het bezit is van een op naam gesteld diploma horecaportier van de Stichting Vakbekwaamheid Horeca of van het Horeca Branche Instituut, dan wel van de Stichting Nationaal Onderwijscentrum van de Bedrijfstak Horeca, dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als horecaportier.

Artikel 8. (voetbalorganisaties)
1.

In afwijking van artikel 5, eerste lid, kan een beveiligingsorganisatie een persoon die niet beschikt over het in artikel 7a, eerste lid, genoemde certificaat met beveiligingswerkzaamheden belasten bij voetbalwedstrijden in het betaald voetbal als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. hij is aangesteld bij een vereniging in het betaald voetbal;
  • b. hij is in het bezit van een op zijn naam gesteld certificaat Voetbalsteward afgegeven door de directeur betaald voetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, dan wel een erkenning als beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor werkzaamheden als voetbalsteward;
  • c. het betreft beveiligingswerkzaamheden kort voor, tijdens of kort na de wedstrijd van de voetbalorganisatie, in en rond het stadion waar de wedstrijden, bedoeld in de aanhef, plaatsvinden.
2.

In afwijking van artikel 5, eerste lid, kan een beveiligingsorganisatie een persoon die niet beschikt over het in artikel 7a, eerste lid, genoemde certificaat met beveiligingswerkzaamheden belasten bij voetbalwedstrijden in het amateurvoetbal als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. hij is aangesteld bij een vereniging in de top- of hoofdklasse van het amateurvoetbal;
  • b. hij is in het bezit is van een op zijn naam gesteld certificaat Voetbalsteward afgegeven door de directeur amateurvoetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, dan wel een erkenning als beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor werkzaamheden als voetbalsteward;
  • c. het betreft beveiligingswerkzaamheden kort voor, tijdens of kort na de wedstrijd van de voetbalorganisatie, in en rond het stadion waar de wedstrijden, bedoeld in de aanhef, plaatsvinden.
Artikel 9. (ongeuniformeerden)
1.

Onverminderd artikel 5, eerste lid, van deze regeling, belast een beveiligingsorganisatie uitsluitend een persoon ongeüniformeerd met beveiligingswerkzaamheden, indien deze in het bezit is van een op zijn naam gesteld certificaat persoonsbeveiliging van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties (SVPB) dan wel het diploma Beveiligingsmedewerker, differentiatie persoonsbeveiliger van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als ongeüniformeerd persoonsbeveiliger.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op personen belast met beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van grootwinkel- of detailhandelbedrijven.

3.

Onverminderd artikel 5, eerste lid, van deze regeling, belast een beveiligingsorganisatie uitsluitend een persoon ongeüniformeerd met beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van grootwinkel- of detailhandelbedrijven, indien deze in het bezit is van een op zijn naam gesteld certificaat winkelsurveillance van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, dan wel een diploma Beveiligingsmedewerker, differentiatie winkelsurveillant van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als ongeüniformeerd winkelsurveillant.

4.

Als gelijkwaardig aan het diploma in het eerste lid en het derde lid wordt erkend het Vakdiploma Beveiliging van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.

5.

Als gelijkwaardig aan het diploma in het derde lid wordt erkend het Certificaat Detailhandel van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.

Artikel 10. (particulier rechercheurs)
1.

Een recherchebureau belast uitsluitend een persoon met recherchewerkzaamheden, indien deze in het bezit is van een op naam gesteld diploma particulier onderzoeker van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.

2.

Als gelijkwaardig aan het diploma, bedoeld in het eerste lid, worden erkend een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als particulier rechercheur.

3.

Het eerste lid geldt niet voor een periode van maximaal 12 maanden, te rekenen vanaf de dag dat de betrokkene voor het eerst bij een particulier recherchebureau dat beschikt over een keurmerk van de Nederlandse Veiligheidsbranche of van de Branchevereniging voor Particuliere Onderzoeksbureaus van de Nederlandse Veiligheidsbranche met recherchewerkzaamheden wordt belast, indien betrokkene door middel van een verklaring van de opleidende instelling kan aantonen dat hij in de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, de opleiding voor het diploma particulier onderzoeker van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties volgt.

4.

De in het derde lid genoemde periode van maximaal 12 maanden wordt op geen enkele wijze onderbroken, verlengd of geschorst.

Artikel 11. (alarminstallateurs)
1.

Een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet, aan welke een vergunning is verleend, laat het plan voor de installatie, de installatie en het onderhoud van de alarmapparatuur die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren door alarminstallateurs die in het bezit zijn van een diploma dat de instemming heeft van de minister.

2.

Instemming als bedoeld in het eerste lid hebben:

  • a. het diploma Monteur Beveiligingssystemen (MBV);
  • b. het diploma Technicus Beveiligingsinstallaties (TBV);

3. Uniformen

Artikel 12. (uiterlijk uniform en ontheffing)
1.

Het uniform, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, is voorzien van een embleem, overeenkomstig het in bijlage 1 bij deze regeling vastgestelde model, op de wijze zoals in genoemde bijlage is omschreven.

2.

De korpschef of, indien een beveiligingsorganisatie werkzaamheden verricht op een luchtvaartterrein en dan uitsluitend voor dat luchtvaartterrein, de commandant kan aan een beveiligingsorganisatie ontheffing verlenen van de verplichting tot het dragen van een uniform indien dit gelet op de aard van de werkzaamheden gewenst is en zich daartegen geen zwaarwegende belangen verzetten. De korpschef of de commandant kan aan de ontheffing voorschriften verbinden betreffende de instructie van het betrokken personeel.

3. Uniformen

Artikel 13. (model legitimatiebewijs)
1.

Het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 9, achtste lid, van de wet, komt overeen met het in bijlage 2 bij deze regeling vastgestelde model en de in die bijlage aangeduide kleur. Indien het legitimatiebewijs wordt afgegeven door de commandant, wordt de in het model vervatte aanduiding van de korpschef als afgever van het legitimatiebewijs overeenkomstig aangepast.

2.

Het legitimatiebewijs bevat een verklaring waaruit de toestemming van de korpschef, de commandant of de minister, bedoeld in artikel 7, tweede of derde lid, van de wet, blijkt.

3.

Het legitimatiebewijs, bedoeld in het eerste lid, kan een aantekening bevatten waaruit blijkt dat het de betrokkene slechts is toegestaan de op het legitimatiebewijs omschreven beveiligings- dan wel recherchewerkzaamheden te verrichten.

4.

Het legitimatiebewijs wordt afgegeven door de korpschef of de commandant die de toestemming, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet, heeft verleend. Indien de in artikel 7, derde lid van de wet, bedoelde toestemming is verleend, geeft de korpschef het legitimatiebewijs af.

5.

Wanneer de houder van een legitimatiebewijs de dienst heeft verlaten of wanneer de geldigheidsduur van het bewijs is verstreken, wordt het legitimatiebewijs ingenomen door de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau en ter vernietiging aangeboden aan de korpschef of de commandant.

6.

De particuliere beveiligingsorganisatie of het recherchebureau houdt een voor de politie toegankelijk systeem bij dat de volgende gegevens met betrekking tot de legitimatiebewijzen bevat:

  • –. nummers van de bewijzen;
  • –. namen, voornamen, geboortedata en functies van de houders;
  • –. data waarop de geldigheid van de bewijzen verstrijkt; en
  • –. data van inlevering van de bewijzen bij de korpschef of de commandant.

3. Uniformen

Artikel 14. (instructie voor personeel)

Vervallen

Artikel 15. (controle van personeel)

Vervallen

5. Instructie van en controle op het personeel

Artikel 16. (jaarlijks verslag)

Vervallen

6. Verslaglegging

Artikel 17. (gebruik hond)
1.

Een beveiligingsorganisatie kan bij de uitvoering van beveiligingswerkzaamheden gebruik maken van een hond, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Gebruik maken van een hond is slechts toegestaan indien uit een verklaring, afgegeven door een instantie die de toestemming heeft van de minister, blijkt dat deze hond geschikt is om als surveillancehond of objectbewakingshond te worden ingezet.

2.

De hondengeleider is bij de uitvoering van de beveiligingswerkzaamheden in het bezit van een verklaring, afgegeven door een instantie die de toestemming heeft van de minister, waaruit blijkt dat de geleider en de hond een, voor het verrichten van de werkzaamheden, geschikte combinatie vormen.

3.

Toestemming als bedoeld in het eerste en tweede lid hebben in ieder geval:

  • a. de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging;
  • b. de Nederlandse Bond voor de Diensthond.
4.

De hond staat tijdens de uitvoering van de beveiligingswerkzaamheden onder direkt toezicht van de geleider.

5.

De hondengeleider verleent desgevraagd inzage in de verklaringen als bedoeld in het eerste en tweede lid, aan de personen die met het toezicht op de naleving van de wet zijn belast, alsmede aan de korpschef of, indien de beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein, bij de commandant van de Koninklijke marechaussee.

6.

Met de verklaringen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden gelijkgesteld verklaringen van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaringen zijn afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

6. Verslaglegging

Artikel 18. (vaststellen klachtenregeling)
1.

Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau stelt een klachtenregeling vast. De klachtenregeling bevat ten minste gegevens over:

  • a. bij wie de klacht moet worden ingediend;
  • b. de minimale eisen waaraan een klaagschrift moet voldoen;
  • c. de termijn waarbinnen een klacht kan worden ingediend;
  • d. de te volgen procedure voor de behandeling van de klacht;
  • e. de termijn waarbinnen de klacht wordt afgehandeld.
2.

Een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau brengt een kopie van een ingediende klacht ter kennis van de minister.

3.

Aan de indiening en behandeling van een klacht worden geen kosten verbonden.

7. Uitrusting

Artikel 19. (informeren politie)
1.

Een beveiligingsorganisatie draagt zorg voor een goede afstemming van de beveiligingswerkzaamheden met de politie of, indien de beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein, met de commandant.

2.

Een beveiligingsorganisatie stelt voordat de beveiligingswerkzaamheden worden verricht de korpschef of, indien de beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein, de commandant door middel van een aanmeldingsformulier, overeenkomstig het in bijlage 4 bij deze regeling vastgestelde model, op de hoogte van de aard, omvang en duur van de werkzaamheden.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op beveiligingsorganisaties die werkzaamheden verrichten als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet.

8. Behandeling van klachten

Artikel 20. (eisen particuliere alarmcentrales)
1.

Een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van de wet, is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie en overlegt aan de minister een geldig en passend certificaat dat is afgegeven door een certificerende instantie die is geaccrediteerd door een erkende instantie als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93.

2.

Een certificaat als bedoeld in het eerste lid wordt afgegeven op basis van:

  • a. het CCV Certificatieschema Particuliere Alarmcentrales; of
  • b. een schema dat de normenreeks EN 50518 en de volgende normen bevat:
  • i. dat een klachtenregeling is vastgesteld als bedoeld in artikel 18;
  • ii. dat wordt voldaan aan de in de artikelen 11 en 11a gestelde eisen aan de opleiding en de kwalificaties van de alarminstallateurs en alarmcentralisten;
  • iii. dat is voorzien in de randvoorwaarden om te kunnen voldoen aan de in artikel 19 gestelde eisen aan de afstemming met de politie;
  • iv. dat het databeheer en de ruimte van het databeheer voldoet aan de toepasselijke onderdelen van de managementsysteemstandaarden ISO 27001; en
  • v. dat de alarmcentralisten de Nederlandse taal beheersen op ten minste het niveau B2 van de Common European Framework of Reference for Languages en bekend zijn met de voor de taakuitvoering toepasselijke Nederlandse regelgeving de infrastructuur van organisaties die actie ondernemen op de alarmsignalen.
3.

De minister kan besluiten de eis van het overleggen van een certificaat als bedoeld in het eerste lid eenmalig voor een periode van ten hoogste zes maanden buiten toepassing te laten.

Artikel 21. (eisen alarmapparatuur)

Vervallen

Artikel 22. (informeren politie)

Zodra door een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet, een aanvang wordt gemaakt met nieuwe beveiligingswerkzaamheden stelt deze beveiligingsorganisatie de korpschef of, indien de objecten die door de alarmcentrale worden beveiligd zich bevinden op een luchtvaartterrein, de commandant,op de hoogte van:

  • a. de aanvang en de beëindiging van een overeenkomst met een abonnee die strekt tot een aansluiting op de particuliere alarmcentrale van alarm-apparatuur, en voorzover de korpschef daarom schriftelijk verzoekt tevens van:
  • b. de aard en situering van het object, de in- en uitgangen en het beveiligd gebied met haar afzonderlijke zones;
  • c. de soorten alarm waarvoor assistentie kan worden gevraagd (inbraak, overval, brand);
  • d. de naam en het adres van de persoon die de alarmapparatuur heeft geïnstalleerd of zorgdraagt voor het onderhoud;
  • e. het sleuteladres;
  • f. de instantie of persoon die na het doorgeven van een alarm binnen 15 minuten bij het pand aanwezig zal zijn.

10. Bijzondere bepalingen voor particuliere alarmcentrales

Artikel 23. (eisen voor geld- en waardetransportbedrijf)
1.

De wijze waarop de werkzaamheden door een particulier geld- en waardetransportbedrijf worden verricht, alsmede het door een particulier geld- en waardetransport gebruikte materieel voldoen aan de in bijlage 5 bij deze regeling gestelde eisen.

2.

Van het bepaalde in het eerste lid kan door de minister ontheffing worden verleend.

11. Bijzondere bepalingen voor geld- en waardetransporten

Artikel 24. (kosten vergunning, toestemming en legitimatiebewijs)
1.

De vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de wet, bedraagt voor:

het verlenen en verlengen van een vergunning: € 600,–.

Deze kosten worden voldaan aan de minister.

2.

De vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet, bedraagt voor:

de afgifte van een legitimatiebewijs: € 26,–.

Deze kosten worden voldaan aan de korpschef of de commandant, die op grond van artikel 13, tweede lid, van deze regeling bevoegd is tot het afgeven van het legitimatiebewijs.

3.

De vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de wet, bedraagt voor:

Deze kosten worden voldaan aan de korpschef, commandant of de minister die op grond van artikel 7, eerste, tweede of derde lid, van de wet bevoegd is tot het verlenen van toestemming.

4.

Indien een beveiligingsorganisatie of recherchebureau is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en de beroepseisen waaraan in het land van vestiging reeds is voldaan aanleiding geven tot een vereenvoudigde procedure, worden in afwijking van het eerste en derde lid, slechts de kosten vergoed die voortvloeien uit die vereenvoudigde procedure.

5.

De vergoeding van kosten wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig het voor de maand december van het voorgaande jaar vastgestelde percentage voor de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling bij de overheid. Het basisbedrag wordt rekenkundig afgerond op euro’s.

11. Bijzondere bepalingen voor geld- en waardetransporten

Artikel 25. (overgangsregeling opleidingseis bestuursorganen)
1.

Artikel 6 van deze regeling, is niet van toepassing op personen die zijn geboren vóór 1 april 1944 en op het moment van inwerkingtreding van de wet in dienst zijn van een bestuursorgaan en in de uitoefening van hun functie beveiligingswerkzaamheden verrichten.

2.

Vervallen.

3.

Het tweede lid vervalt op 1 april 2004.

Artikel 26. (particulier rechercheur)
1.

Artikel 10 van deze regeling, is niet van toepassing indien het personen betreft die zijn geboren vóór 1 april 1944 en op het moment van inwerkingtreding van de wet te werk zijn gesteld door een recherchebureau.

2.

Vervallen.

3.

Het tweede lid vervalt op 1 april 2004.

Artikel 27. (alarminstallateur)
1.

Artikel 11, eerste lid, van deze regeling, is niet van toepassing indien het personen betreft die zijn geboren vóór 1 april 1944 en op het moment van inwerkingtreding van de wet als alarminstallateur werkzaam zijn.

2.

Vervallen.

3.

Het tweede lid vervalt op 1 april 2004.

Artikel 28

Een legitimatiebewijs als bedoeld in artikel 13 dat voor 1 mei 2014 is afgegeven, blijft geldig tot de datum die daarop is vermeld, doch uiterlijk tot 1 mei 2017.

Artikel 28a

Vervallen

Artikel 29. (voorkomen handelsbelemmeringen)

Met het in deze regeling bedoelde materieel wordt gelijk gesteld materieel, dat rechtmatig is geproduceerd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is geproduceerd in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en dat ten minste aan gelijkwaardige technische eisen voldoet.

Artikel 30. (intrekken voorgaande regeling)

De Regeling particuliere beveiligingsorganisaties (Stcrt.1997, 237) wordt ingetrokken.

Artikel 31. (inwerkingtreding regeling)

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

Artikel 32. (titel regeling)

Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

Bijlage 1. Embleem uniform (art. 12 RPB)

Model en afmetingen

Bijlage 1a bevat het model van het in artikel 12, eerste lid, bedoelde embleem.

Model en afmetingen

Bijlage 1a bevat het model van het in artikel 12, eerste lid, bedoelde embleem.

Voorzover het tunieken, colberts en soortgelijke kledingstukken betreft, is het embleem aangebracht aan de linker- of rechtervoorzijde, op de revers.

Bijlage 1a bevat het model van het in artikel 12, eerste lid, bedoelde embleem.

Voorzover het tunieken, colberts en soortgelijke kledingstukken betreft, is het embleem aangebracht aan de linker- of rechtervoorzijde, op de revers.

Uitvoering

Voorzover het tunieken, colberts en soortgelijke kledingstukken betreft, is het embleem aangebracht aan de linker- of rechtervoorzijde, op de revers.

Uitvoering

Het uniform vertoont, noch ten aanzien van uitvoerng, noch ten aanzien van kleurstelling, meer dan noodzakelijke overeenkomst met uniformen zoals die worden gebruikt door de politie en de krijgsmacht.

Uitvoering

Het embleem is vervaardigd uit metaal of is door middel van borduurwerk op het uniform aangebracht, met inachtneming van de volgende voorschriften.

Het metaal tussen de leeters is uitgevoerd in de kleur PMS 432 (grijs).

Voor het volle vlak van het embleem, alsmede voor de letters in het embleem, is zilverdraad gebruikt.

Metaal

Het volle vlak van het embleem, alsmede de letters in het embleem, zijn zilverkleurig.

Bijlage 1A. Embleem uniform (art. 12 RPB)

Bijlage 2. Model legitimatiebewijs (art. 13 RPB)

  • Blauw legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die de op het legitimatiebewijs omschreven beveiligingswerkzaamheden mag verrichten voor een organisatie met een beperkte vergunning.
  • Tot 1 januari 2003 of tot de vervaldatum van een groen legitimatiebewijs dat voor publicatie van deze regeling in de Staatscourant is verstrekt, kan nog een beroep worden gedaan op de volgende tekst: Groen legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden mag verrichten en (nog) niet in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 5 van de regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

Bijlage 1A. Embleem uniform (art. 12 RPB)

Bijlage 1. Embleem uniform (art. 12 RPB)

Bijlage 1A. Embleem uniform (art. 12 RPB)

Bijlage 1. Embleem uniform (art. 12 RPB)

Bijlage 1. Embleem uniform (art. 12 RPB)

Bijlage 2B. Grijs legitimatiebewijs voor- en achterzijde

Bijlage 2C. Groen legitimatiebewijs voor- en achterzijde

Bijlage 2D. Blauw legitimatiebewijs voor- en achterzijde

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 3 en 5 die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Justitie, Schedeldoekshaven 100 te Den Haag.

Artikel 23a. Vaststellen (privacy)gedragscode

Een recherchebureau stelt een (privacy)gedragscode vast, identiek aan het in bijlage 6 bij deze regeling vastgestelde model, en leeft de code na.

§ 11a. Bijzondere bepalingen voor recherchebureaus

Bijlage 1. Embleem uniform (art. 12 RPB)

Model en afmetingen

Het uniform is te allen tijden en onder alle omstandigheden duidelijk zichtbare wijze van het embleem voorzien.

Borduurwerk

Het metaal tussen de leeters is uitgevoerd in de kleur PMS 432 (grijs).

Het seal embleem

De voorzijde van het metalen embleem is voorzien van blanke lak.

Bijlage 2E. Geel legitimatiebewijs voor- en achterzijde

Bijlage 3. wordt niet gepubliceerd

Vervallen

Bijlage 4. Aanmeldingsformulier beveiligingswerkzaamheden (art. 19 RPB).

Naam + adres beveiligingsorganisatie:

Vergunning nummer:

Vergunning geldig tot:

Contactpersoon :

Telefoonnummer :

Betreft:

  • aanmelden (nieuwe) werkzaamheden
  • aanmelden wijziging werkzaamheden
  • afmelden werkzaamheden

Met ingang van d.d. .........verricht bovenstaande organisatie

  • geen beveiligingswerkzaamheden meer
  • vaste post
  • mobiele surveillance
  • winkelsurveillance
  • overige:

bij onderstaand bedrijf/object:

naam bedrijf/ object:

adres :

plaats :

  • Omcirkelen wat van toepassing is.

z.o.z.

De omvang van de werkzaamheden is:

...........................

...........................

...........................

...........................

Bijlage 5 wordt niet gepubliceerd.

Uitvoering

Het embleem is vervaardigd uit metaal of is door middel van borduurwerk op het uniform aangebracht, met inachtneming van de volgende voorschriften.

Het embleem is vervaardigd uit metaal of is door middel van borduurwerk op het uniform aangebracht, met inachtneming van de volgende voorschriften.

Voor het volle vlak van het embleem, alsmede voor de letters in het embleem, is zilverdraad gebruikt.

Voor het volle vlak van het embleem, alsmede voor de letters in het embleem, is zilverdraad gebruikt.

Het volle vlak van het embleem, alsmede de letters in het embleem, zijn zilverkleurig.

Het volle vlak van het embleem, alsmede de letters in het embleem, zijn zilverkleurig.

Het metaal tussen de leeters is uitgevoerd in de kleur PMS 432 (grijs).

De voorzijde van het metalen embleem is voorzien van blanke lak.

Het seal embleem

Het volle vlak van het embleem alsmede de letters in het embleem, zijn zilverkleurig, zijn zilverkleurig. Het kunststof tussen de letters is uitgevoerd in de kleur PMS 432 (grijs). Het embleem wordt aangebracht door middel van hitte en druk. (Niet aan te brengen met een strijkijzer).

De gedragscode is opgesteld door de Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (VPB), in overleg met de overheid. Het CBP heeft deze gedragscode op verzoek van de VPB beoordeeld en heeft vervolgens op 13 januari 2004 verklaard dat de in de gedragscode opgenomen regels, gelet op de bijzondere kenmerken van de sector particuliere onderzoeksbureaus, een juiste uitwerking vormen van de WBP of van andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens. De verklaring van het CBP is gepubliceerd in de Staatscourant 2004, nr. 7, blz. 22.

De gedragscode:

3. Begripsbepalingen

Vervolgens heeft de Minister van Justitie de gedragscode verplicht gesteld voor alle vergunningsplichtige recherchebureaus via de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Rpbr). In een nieuw artikel 23a (onder een nieuwe paragraaf 11a): Bijzondere bepalingen voor recherchebureaus, wordt bepaald dat een recherchebureau een (privacy)gedragscode vaststelt conform een bij de regeling vastgesteld model, waarbij het model gelijjkluidend is aan onderhavige gedragscode.

1.1 Particuliere onderzoeksbureaus houden zich op commerciële basis bezig met het verrichten van feitenonderzoek in zaken met een privaatrechtelijke, bestuursrechtelijke of strafrechtelijke achtergrond. Voor een belangrijk deel heeft dit onderzoek als doel het verzamelen van materiaal dat als bewijs kan dienen in een gerechtelijke procedure. Voor een ander deel is het doel het verzamelen van gegevens die van belang zijn voor opdrachtgevers bij het nemen van (pre)contractuele beslissingen;

De gedragscode:

Op basis van artikel 25 WBP heeft de VPB aan het CBP gevraagd te beoordelen of deze gedragscode een juiste uitwerking van de WBP en/of andere wettelijke bepalingen vormt, voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens door particuliere onderzoeksbureaus.

De VPB is een representatieve werkgeversorganisatie, waarin bedrijven zijn aangesloten die vallen onder de werkingssfeer van de Wpbr. Onder de Wpbr vallen beveiligingsbedrijven, bedrijfsbeveiligingsdiensten, particuliere alarmcentrales, geld- en waardetransportbedrijven en particuliere onderzoeksbureaus. De VPB is een voortzetting in ruimer verband van de in 1939 opgerichte vereniging van nachtveiligheidsdiensten en bewakingsbedrijven. De VPB is de representant in alle overheids- en bedrijfsorganen die met beveiliging te maken hebben. De leden zijn, afhankelijk van hun bedrijfsactiviteiten, onderverdeeld in de volgende secties:

Qua aantallen medewerkers die in dienst zijn van particuliere onderzoeksbureaus die lid zijn van de VPB en die een vergunning hebben als recherchebureau van het Ministerie van Justitie, vertegenwoordigde de VPB in 2002 40% van het aantal medewerkers van de recherchebureaus waarvoor de Minister van Justitie een vergunning heeft afgegeven. Er zijn geen andere brancheverenigingen of overkoepelende organen die de belangen van particuliere onderzoeksbureaus behartigen.

Voor de privacygedragscode geldt als uitgangspunt dat zij van toepassing is op de sectie particuliere onderzoeksbureaus van de VPB voor zover de particuliere onderzoeksbureaus een vergunning hebben als recherchebureau in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef en onder f van de Wpbr. Bij de beoordeling van de vraag of recherchewerkzaamheden worden verricht zijn de feitelijke werkzaamheden die worden verricht bepalend. De sectie particuliere onderzoeksbureaus van de VPB, in deze gedragscode verder te noemen sector particuliere onderzoeksbureaus, telt 32 leden.

De gedragscode:

Op basis van artikel 25 WBP heeft de Nederlandse Veiligheidsbranche aan de Autoriteit Persoonsgegevens gevraagd te beoordelen of deze gedragscode een juiste uitwerking van de WBP en/of andere wettelijke bepalingen vormt, voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens door particuliere onderzoeksbureaus.

De gedragscode:

De gedragscode:

De Nederlandse Veiligheidsbranche is een representatieve werkgeversorganisatie, waarin bedrijven zijn aangesloten die vallen onder de werkingssfeer van de Wpbr. Onder de Wpbr vallen beveiligingsbedrijven, bedrijfsbeveiligingsdiensten, particuliere alarmcentrales, geld- en waardetransportbedrijven en particuliere onderzoeksbureaus.

De Nederlandse Veiligheidsbranche is een voortzetting in ruimer verband van de in 1939 opgerichte vereniging van nachtveiligheidsdiensten en bewakingsbedrijven. De Nederlandse Veiligheidsbranche is de representant in alle overheids- en bedrijfsorganen die met beveiliging te maken hebben. De leden zijn, afhankelijk van hun bedrijfsactiviteiten, onderverdeeld in de volgende secties:

Qua aantallen medewerkers die in dienst zijn van particuliere onderzoeksbureaus die lid zijn van de Nederlandse Veiligheidsbranche vertegenwoordigt de Nederlandse Veiligheidsbranche anno 2018 40% van het aantal medewerkers van de recherchebureaus waarvoor de Minister van Justitie en Veiligheid een vergunning heeft afgegeven.

Behalve de Nederlandse Veiligheidsbranche behartigt ook de Branchevereniging voor Particuliere Onderzoeksbureaus (BPOB) de belangen van particuliere onderzoekers in Nederland. De BOPB is in de gelegenheid gesteld om inhoudelijk bij te dragen aan de inhoud van deze privacygedragscode en heeft daarvan ook gebruikt gemaakt.

Voor de privacygedragscode geldt als uitgangspunt dat zij van toepassing is op de sectie particuliere onderzoeksbureaus van de Nederlandse Veiligheidsbranche en de leden van de BPOB voor zover de particuliere onderzoeksbureaus een vergunning hebben als recherchebureau in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef en onder f van de Wpbr. Bij de beoordeling van de vraag of recherchewerkzaamheden worden verricht zijn de feitelijke werkzaamheden die worden verricht bepalend.

De eerste versie van de privacygedragscode is door de Autoriteit Persoonsgegevens voor een periode van vier jaar goedgekeurd op 13 januari 2004. Daarna heeft de Autoriteit Persoonsgegevens voor de periode van 21 oktober 2009 – 21 oktober 2014 en achtereenvolgens voor de periode van 9 maart 2016 tot uiterlijk 9 maart 2021 geoordeeld dat de in de privacygedragscode opgenomen regels, gelet op de bijzondere kenmerken van de sector particuliere onderzoeksbureaus, een juiste uitwerking vormen van de AVG of van andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens.

In 2018 is de privacygedragscode omgezet van Wet bescherming persoonsgegevens naar AVG die op 25 mei 2018 in werking is getreden1In bijlage 1 zijn de wijzigingen weergegeven ten opzichte van de privacygedragscode zoals die gold onder de Wet bescherming persoonsgegevens..

Door een besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid bindt de privacygedragscode niet alleen de bij de Nederlandse Veiligheidsbranche aangesloten particuliere onderzoeksbureaus. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft op 1 juni 2004 in artikel 23a van de Regeling Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus bepaald dat recherchebureaus die geen lid zijn van de Nederlandse Veiligheidsbranche een privacygedragscode moeten hebben die identiek is aan die van de Nederlandse Veiligheidsbranche en deze code na moeten leven. De privacygedragscode is daarmee algemeen verbindend verklaard voor alle particulier onderzoeksbureaus die een vergunning behoeven als bedoeld in de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

Ook buiten recherchebureaus worden recherchewerkzaamheden verricht door andere personen en organisaties. Daarbij kan gedacht worden aan bedrijfsrecherche- cq. onderzoeksafdelingen van bedrijven, overheidsinstellingen (bureaus interne veiligheid of integriteit) en zelfstandige bestuursorganen. Voor de recherchewerkzaamheden van deze interne onderzoeksafdelingen kan de privacygedragscode een adequate normering bieden.

De gedragscode geldt van 22 september 2021 tot uiterlijk 22 september 2026.

3. Begripsbepalingen

4. Omschrijving van de sector

Een niet limitatieve opsomming van recherchewerkzaamheden waarbij persoonsgegevens worden verwerkt zijn:

De sector particuliere onderzoeksbureaus in de zin van deze gedragscode bestaat uit organisaties die als recherchebureau in de zin van art. 1 lid 1 onder f van de Wpbr worden aangemerkt èn die lid zijn van de Nederlandse Veiligheidsbranche. Zij verrichten in opdracht recherchewerkzaamheden in de zin van artikel 1 lid 1 onder e van de Wpbr. Het uitvoeren van recherchewerkzaamheden bestaat veelal uit feitenonderzoek. Als ‘verlengstuk van de opdrachtgever’ verwerkt een particulier onderzoeksbureau onder eigen verantwoordelijkheid en op onpartijdige basis persoonsgegevens.

De sector particuliere onderzoeksbureaus in de zin van deze gedragscode bestaat uit organisaties die als recherchebureau in de zin van art. 1 lid 1 onder f van de Wpbr worden aangemerkt. Zij verrichten in opdracht recherchewerkzaamheden in de zin van artikel 1 lid 1 onder e van de Wpbr. Het uitvoeren van recherchewerkzaamheden bestaat veelal uit feitenonderzoek. Als ‘verlengstuk van de opdrachtgever’ verwerkt een particulier onderzoeksbureau onder eigen verantwoordelijkheid en op onpartijdige basis persoonsgegevens.

Een niet limitatieve opsomming van recherchewerkzaamheden waarbij persoonsgegevens worden verwerkt zijn:

4.2. Opdrachtgevers van de sector particuliere onderzoeksbureaus

Na analyse van de gegevens wordt ten behoeve van de opdrachtgever een onderzoeksrapport opgesteld.

Het onderzoeksrapport wordt schriftelijk (en onder vermelding van ‘persoonlijk’ en/of ‘vertrouwelijk’) aan de opdrachtgever verstrekt, tenzij anders is/wordt overeengekomen. Er worden in de regel geen onderzoeksrapporten uitgebracht, voordat alle onderzoeks- werkzaamheden zijn afgerond. Dit om te voorkomen dat aan het voorlopige onderzoeksrapport een andere betekenis wordt toegekend dan aan het eindrapport. Het onderzoeksdossier (waar een afschrift van het onderzoeksrapport deel van uitmaakt) wordt door het particulier onderzoeksbureau bewaard voor het geval de opdrachtgever of anderen (bijvoorbeeld de justitiële autoriteiten of de rechterlijke macht) na verloop van tijd nog een beroep doen op de in het dossier opgenomen gegevens.

De sector particuliere onderzoeksbureaus verricht vanuit een eigen commercieel belang recherchewerkzaamheden voor verschillende soorten opdrachtgevers. Daarbij valt te denken aan verzekeraars, privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen (al dan niet in de hoedanigheid van werkgever) en aan particulieren. Voor wat betreft de mogelijkheden om onderzoek te doen treedt een particulier onderzoeksbureau op als verlengstuk van de opdrachtgever en gebruikt in feite die onderzoeksmogelijkheden waarover de opdrachtgever beschikt. Hieronder wordt beschreven waarom opdrachtgevers een gerechtvaardigd belang kunnen hebben om recherchewerkzaamheden te laten uitvoeren door de sector particuliere onderzoeksbureaus.

De sector particuliere onderzoeksbureaus verricht vanuit een eigen commercieel belang recherchewerkzaamheden voor verschillende soorten opdrachtgevers. Daarbij valt te denken aan verzekeraars, privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen (al dan niet in de hoedanigheid van werkgever) en aan particulieren. Voor wat betreft de mogelijkheden om onderzoek te doen treedt een particulier onderzoeksbureau op als verlengstuk van de opdrachtgever en gebruikt in feite die onderzoeksmogelijkheden waarover de opdrachtgever beschikt. Hieronder wordt beschreven waarom opdrachtgevers een gerechtvaardigd belang kunnen hebben om recherchewerkzaamheden te laten uitvoeren door de sector particuliere onderzoeksbureaus.

In veel organisaties (ondernemingen en overheidsinstellingen) worden ordevoorschriften, -regels en/of gedragsregels gegeven, waar personeelsleden, personeel van derden en bezoekers zich aan dienen te houden. Daarbij kan gedacht worden aan regels voor het gebruik van e-mail, internet, interne voorschriften over vergoedingen en de wijze van declareren, voorschriften over ziekteverzuim, nevenfuncties, anti-concurrentiebepalingen en voorschriften over het buiten de organisatie brengen van bedrijfseigendommen. Voor personeelsleden vloeit de bevoegdheid van de werkgever om ordevoorschriften te geven bijvoorbeeld voort uit artikel 7:660 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW).

Voor bezoekers van niet-openbare plaatsen vloeit de bevoegdheid van de rechthebbende om regels te stellen bijvoorbeeld voort uit het eigendomsrecht van artikel 5:1 van het BW. Het eigendomsrecht impliceert de bevoegdheid van de rechthebbende tot het maken van afspraken met anderen over de voorwaarden tot het betreden van deze niet-openbare plaatsen.

In het verlengde van regelstelling ligt de bevoegdheid en soms de verplichting van de werkgever respectievelijk de rechthebbende om te controleren of de regels worden nageleefd. In geval van een vermoeden dat iemand de voorschriften niet naleeft en arbeidsrechtelijke of andere civielrechtelijke maatregelen geboden zijn, is feitenonderzoek vereist als basis voor een door de werkgever respectievelijk rechthebbende te nemen beslissing. Dit kan onderzoek in de geautomatiseerde voorzieningen van het bedrijf zijn, maar ook het interviewen van personen of het onderzoeken van het berichtenverkeer middels telecommunicatiemiddelen die door of namens de ondernemer beschikbaar zijn gesteld aan het (ingehuurde) personeel.

Opdrachten- c.q. voorvallenregistratie en de toepasselijkheid van de WBP

Een andere rechtvaardiging om onderzoek in te (doen) stellen naar vermeende onregelmatigheden vormen de klokkenluiderregelingen. Zowel binnen de overheid als binnen het bedrijfsleven worden in toenemende mate – al dan niet verplicht door wetgeving – klokkenluiderregelingen ingevoerd, opdat werknemers beschermd worden als zij op vertrouwelijke wijze misstanden aan de orde willen stellen. Een melding noopt veelal tot het instellen van onderzoek om vast te stellen of de aantijgingen juist zijn.

Ook bij verzekeringsmaatschappijen is er sprake van een contractuele verhouding tussen de verzekeraar en de verzekerde. Beiden zijn gehouden zich te houden aan de verzekerings- overeenkomst en de overige eisen die de wet aan de verzekering en de bij de verzekering betrokken partijen stelt. In geval van het vermoeden van onregelmatigheden (bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst of bij het indienen van claims) van de zijde van de verzekerde of een derde heeft de verzekeraar binnen zekere grenzen de bevoegdheid om onderzoek te doen naar het handelen of nalaten van de bij de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst betrokken personen. Ook verzekeraars maken gebruik van de expertise van de sector particuliere onderzoeksbureaus.

Tenslotte wordt de sector particuliere onderzoeksbureaus ingeschakeld door (rechts)personen die slachtoffer (menen te) zijn van een strafbaar feit en op grond van artikel 161 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: WvSv) bevoegd zijn om daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar. Het is gewenst dat zo’n aangifte goed gedocumenteerd is. Hoewel de aangever zelf bevoegd is om personen te interviewen, onderzoek op de plaats van het misdrijf in te stellen, is er een categorie aangevers die dit (voor)onderzoek en het daadwerkelijk doen van aangifte om redenen van efficiency en effectiviteit overlaat aan de sector particuliere onderzoeksbureaus.

Bij een groot aantal particuliere onderzoeksbureaus zijn de onderzoeksdossiers een integraal onderdeel van een geautomatiseerde opdrachten- c.q. voorvallenregistratie met zoek- en combinatiemogelijkheden. Op een dergelijk geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van onderzoeksopdrachten is de WBP van toepassing.

Bij een groot aantal particuliere onderzoeksbureaus zijn de onderzoeksdossiers een integraal onderdeel van een geautomatiseerde opdrachten- c.q. voorvallenregistratie met zoek- en combinatiemogelijkheden. Op een dergelijk geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van onderzoeksopdrachten is de AVG van toepassing.

Algemene principes van gegevensverwerking

Ook indien een bescheiden kaartsysteem of een geautomatiseerd systeem verwijst naar de verschillende dossiers, de opgenomen personen of de vindplaats, is er sprake van een bestand en is de AVG ook van toepassing. Ook deze vorm van vastlegging is een opdrachten- c.q. voorvallenregistratie als bedoeld in deze gedragscode.

De opdrachten- c.q. voorvallenregistratie wordt niet alleen gebruikt voor de verwerking van onderzoeksrapporten. De opdrachten- c.q. voorvallenregistratie wordt veelal ook gebruikt als toetsbron bij achtergrondonderzoeken, bijvoorbeeld in het kader van pre employment- onderzoeken. Het gebruik van de gegevens uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie bij achtergrondonderzoeken is aan strikte voorwaarden gebonden (zie hiervoor paragraaf 5.8). Ook bij nieuwe aangemelde onderzoeken wordt (veelal) getoetst of de onderzochte perso(o)n(en) reeds eerder subject van onderzoek is/zijn geweest.

De opdrachten- c.q. voorvallenregistratie wordt niet alleen gebruikt voor de verwerking van onderzoeksrapporten. De opdrachten- c.q. voorvallenregistratie wordt veelal ook gebruikt als toetsbron bij achtergrondonderzoeken, bijvoorbeeld in het kader van pre employment- onderzoeken. Het gebruik van de gegevens uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie bij achtergrondonderzoeken is aan strikte voorwaarden gebonden (zie hiervoor paragraaf 5.4). Ook bij nieuwe aangemelde onderzoeken wordt (veelal) getoetst of de onderzochte perso(o)n(en) reeds eerder subject van onderzoek is/zijn geweest.

Toelichting:

5.1. In overeenstemming met de wet (uitwerking artikel 6 WBP)

5.1. In overeenstemming met de wet (uitwerking artikel 6 WBP)

Voor particuliere onderzoeksbureaus betekent de norm van artikel 5 lid 1 onder a AVG dat zij geen gegevens mogen verwerken, indien zij deze gegevens verkregen hebben door middel van illegale onderzoeksmethoden en -middelen. Zo zijn in het Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen: WvSr) bepalingen opgenomen die het onopgemerkt afluisteren en opnemen van gesprekken of het onopgemerkt maken van afbeeldingen verbieden (zie de artikelen 139a – 139f WvSr). De norm heeft betrekking op het eigen handelen of nalaten van een particulier onderzoeksbureau. Het mag niet zelf verwijtbaar betrokken zijn bij onrechtmatige gegevensvergaring.

Indien een derde gegevens (bewijsmateriaal) aan een particulier onderzoeker overhandigt, dat door deze derde op onrechtmatige wijze is verkregen, hoeft dat derhalve niet te betekenen dat deze gegevens niet door het particulier onderzoeksbureau mogen worden verwerkt. Dit is echter anders indien deze derde met medeweten of op aandringen van het particulier onderzoeksbureau bij de gegevens- c.q. bewijsvergaring onrechtmatig heeft gehandeld, (bijvoorbeeld door op verzoek van het particulier onderzoeksbureau gegevens te verstrekken in strijd met een wettelijke geheimhoudingsbepaling). Een deugdelijke vastlegging van de wijze waarop gegevens zijn verkregen en van wie is derhalve van belang (zie hiervoor paragraaf 7.9).

Indien een derde gegevens (bewijsmateriaal) aan een particulier onderzoeker overhandigt, dat door deze derde op onrechtmatige wijze is verkregen, hoeft dat derhalve niet te betekenen dat deze gegevens niet door het particulier onderzoeksbureau mogen worden verwerkt. Dit is echter anders indien deze derde met medeweten of op aandringen van het particulier onderzoeksbureau bij de gegevens- c.q. bewijsvergaring onrechtmatig heeft gehandeld, (bijvoorbeeld door op verzoek van het particulier onderzoeksbureau gegevens te verstrekken in strijd met een wettelijke geheimhoudingsbepaling). Een deugdelijke vastlegging van de wijze waarop gegevens zijn verkregen en van wie is derhalve van belang (zie hiervoor paragraaf 7.9).

5.2. Doeleinden van verwerking van persoonsgegevens (uitwerking artikel 7 WBP)

Het verzamelen van persoonsgegevens door de sector particuliere onderzoeksbureaus vindt plaats in het kader van een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering en is in het bijzonder gericht op de volgende activiteiten:

Vaststellen doeleinden bij aanvaarding van (nieuwe) opdrachten:

Het concrete doel van de onderzoeksopdracht wordt zo nauwkeurig mogelijk in de schriftelijke opdrachtbevestiging tussen het particulier onderzoeksbureau en de opdrachtgever vastgelegd. Een nauwkeurige omschrijving van de onderzoeksopdracht draagt bij aan de controleerbaarheid achteraf van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen. Een afschrift daarvan wordt bewaard in het onderzoeksdossier. Ook wijzigingen in de onderzoeksopdracht of aanvullingen daarop die plaatsvinden in de loop van het onderzoek worden schriftelijk bevestigd aan de opdrachtgever en bewaard in het onderzoeksdossier.

De aard van de gegevens (gegevens over laakbaar en soms zelfs strafbaar gedrag) betekent dat (medewerkers van) particuliere onderzoeksbureaus uitermate prudent dienen om te gaan met persoonsgegevens, die zijn vastgelegd in de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie. Indien een onderzochte persoon al eerder subject was van particulier onderzoek, wordt dit niet genoemd of gerapporteerd aan de vigerende of eerdere opdrachtgever.

Toelichting:

Aangezien een particulier onderzoeksbureau op commerciële basis voor derden werkt, zal bij de bedrijfsvoering een hoge mate van efficiency en effectiviteit nagestreefd worden. Alle activiteiten die van belang zijn voor een particulier onderzoeksbureau om de relatie met de opdrachtgever te kunnen aangaan en onderhouden komen derhalve in de algemene doelstelling tot uitdrukking. Deze activiteiten vormen een samenhangend geheel. Slechts indien deze activiteiten in samenhang worden uitgevoerd is het mogelijk dat de bedrijfsvoering op een efficiënte en effectieve wijze verloopt.

Voor tal van andere bepalingen in deze gedragscode, zoals de bewaarduur van gegevens (paragraaf 5.4) en de bepaling dat niet meer gegevens worden verzameld dan voor het doel waarvoor zij worden verzameld vereist is (paragraaf 5.3), geldt de verzameldoelstelling als toetsingsmaatstaf. De daadwerkelijke verwerking van persoonsgegevens in het kader van de diverse activiteiten moet in concreto telkens worden getoetst aan de algemene en bijzondere beginselen van de verwerking van persoonsgegevens, zoals deze in de gedragscode zijn uitgewerkt. Zo dient een particulier onderzoeksbureau respectievelijk particulier onderzoeker in een concrete onderzoekssituatie een wettige grondslag te hebben om persoonsgegevens te kunnen verwerken. Deze wettige grondslagen worden genoemd in artikel 6 lid 1 AVG (zie paragraaf 5.7). De in dit artikel genoemde grondslagen vereisen telkens een op proportionaliteit en subsidiariteit gebaseerde afweging, alvorens tot gegevensverwerking wordt overgegaan.

Om vorm en inhoud te kunnen geven aan de algemene en bijzondere beginselen van gegevensverwerking is vereist dat van meet af aan objectief vaststaat wat de specifieke opdracht is waarvoor een particulier onderzoeksbureau is ingeschakeld. Om die reden is in de sectornormering bepaald dat het concrete doel van de onderzoeksopdracht (de wens van de opdrachtgever) zo nauwkeurig mogelijk in de opdrachtbevestiging tussen het particulier onderzoeksbureau en de opdrachtgever wordt vastgelegd.

Nadere toelichting op de aangemelde activiteiten van een particulier onderzoeksbureau:

De primaire activiteit (sub a) is het vastleggen van de resultaten van onderzoeken die op verzoek van een opdrachtgever zijn of worden ingesteld. Particuliere onderzoeksbureaus worden ingeschakeld door opdrachtgevers die wensen dat een bepaald voorval of een bepaalde persoon wordt onderzocht of omdat er sprake is van een gedraging van iemand, waarbij ten nadele van de opdrachtgever(s) of een derde op enigerlei wijze schade is toegebracht of schade zou kunnen worden toegebracht. Het rechercheonderzoek heeft als doel gegevens te vergaren en te analyseren opdat de opdrachtgever de bevindingen kan gebruiken voor het nemen van beslissingen of voor het verkrijgen van een rechterlijke beslissing (waarbij de rechter bijvoorbeeld vaststelt dat iemand onrechtmatig heeft gehandeld). Bij het nemen van beslissingen kan gedacht worden aan beslissingen tot het beëindigen van een arbeidsovereenkomst van een personeelslid wegens onregelmatigheden of een beslissing tot het niet uitkeren van een schade-uitkering omdat de verzekerde verwijtbaar betrokken was bij het schadeveroorzakende voorval (bijvoorbeeld bij een brand). Voor een niet-limitatieve opsomming van recherchewerkzaamheden wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van deze gedragscode.

Het komt zo nu en dan voor dat het menselijk geheugen van de particulier onderzoeker bij de uitvoering van een nieuwe opdracht geprikkeld wordt bij het horen van een naam van een betrokkene. De onderzoeker weet dan dat betrokkene eerder onderzochte persoon was in een onderzoek. In dat geval wordt de overeenkomst tussen twee (of meerdere) opdrachten niet genoemd of gerapporteerd aan de vigerende of de eerdere opdrachtgever.

De activiteit onder c brengt tot uitdrukking dat het particulier onderzoeksbureau in voorkomende gevallen namens de opdrachtgever aangifte doet bij justitiële autoriteiten en in dat geval ook gegevens uit de opdrachten c.q. voorvallenregistratie verstrekt.

De onder b genoemde activiteit wordt uitgevoerd in het kader van achtergrondonderzoeken. Dit wordt toegelicht aan de hand van pre employmentonderzoeken. Aan een groot aantal functies worden bijzondere eisen gesteld aan de integriteit en de verantwoordelijkheid van een sollicitant. Behalve het verifiëren van de door de sollicitant verstrekte gegevens, kan het onderzoek in het kader van pre employmentonderzoek ook bestaan uit het raadplegen van de eigen opdrachten- c.q. voorvallenregistratie of die van andere particuliere onderzoeksbureaus, teneinde vast te stellen of de sollicitant in het verleden als onderzochte persoon betrokken is geweest bij een particulier rechercheonderzoek. In dat geval kunnen antecedenten aan de opdrachtgever verstrekt worden. Er bestaat verwantschap tussen opdrachten waarbij de betrokkenheid van iemand bij een onregelmatigheid wordt onderzocht en opdrachten waarbij gevraagd wordt om vast te stellen of er ten aanzien van iemand betrouwbaarheidsrisico’s zijn waar de opdrachtgever of een derde bij te nemen beslissingen rekening mee dient te houden. Het toetsbaar maken van de persoonsgegevens uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie voor de onder b genoemde activiteit is slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. De voorwaarden zijn uitgewerkt in paragraaf 5.4 van deze gedragscode.

Artikel 5 lid 1 onder c AVG bepaalt dat persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt moeten zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.

5.3. Grondslag voor de gegevensverwerking (uitwerking artikel 8 WBP)

Toelichting:

De aard van een particulier rechercheonderzoek kenmerkt zich doordat de particulier onderzoeker in eerste instantie met gegevens te maken krijgt, waarvan nog niet vaststaat of deze uiteindelijk relevant zullen zijn voor het betreffende onderzoek. De norm impliceert dat de particulier onderzoeker zich permanent de vraag moet stellen of de gegevens daadwerkelijk relevant zijn. Verzamelde of in beheer genomen persoonsgegevens worden zo spoedig mogelijk na het wegvallen van de noodzaak om deze gegevens te verzamelen of in beheer te nemen vernietigd, dan wel aan de verstrekker geretourneerd.

Voorts zijn er opdrachtgevers die na het aanvaarden van de opdracht grote hoeveelheden voorwerpen, en administratie aan het particulier onderzoeksbureau beschikbaar stellen ten behoeve van het onderzoek. Er zijn opdrachtgevers die er op aandringen dat de particulier onderzoeker respectievelijk het particulier onderzoeksbureau deze zaken voor hen bewaart met het oog op eventuele toekomstige geschillen met de onderzochte persoon, ook al houden deze zaken niet direct verband met hetgeen in het uiteindelijke onderzoeksrapport verwoord is. Dit wordt onwenselijk geacht.

Toelichting:

Artikel 5 lid 1 onder d AVG bepaalt dat persoonsgegevens juist moeten zijn en zo nodig moeten worden geactualiseerd.

Het particulier onderzoeksbureau neemt alle redelijke maatregelen om persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren.

Toelichting:

Het bijwerken van persoonsgegevens kan ingegeven zijn omdat het particulier onderzoeksbureau zelf onjuistheden heeft gesignaleerd, maar ook omdat betrokkene het particulier onderzoeksbureau daarop heeft geattendeerd. Aanvullend op het beginsel van juistheid is in artikel 19 AVG is een kennisgevingsplicht opgenomen, indien persoonsgegevens overeenkomstig artikel 16 t/m 18 AVG (zie verder par.9.2) zijn gerectificeerd of gewist. Het particulier onderzoeksbureau dient in dat geval iedere ontvanger aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt, in kennis van de rectificatie of wissing van persoonsgegevens, tenzij dit onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanning vergt.

De verwerkingsgrondslag onder b is met name van belang indien uit de onderzoeksrapporten blijkt dat de verdenking tegen de onderzochte persoon onterecht was en deze er belang bij heeft dat de onderzoeksrapporten of bevindingen van het onderzoek aan een derde worden verstrekt. Het vereiste van uitdrukkelijke toestemming is ook uitgewerkt in paragraaf 7.3 van deze gedragscode voor het interviewen van personen.

Artikel 5 lid 1 onder e AVG bepaalt dat persoonsgegevens worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is.

Sectornormering

De periode van vijf jaar wordt verlengd indien het onderzoek nog niet is afgerond of indien zich ten aanzien van de onderzochte persoon een nieuwe aanleiding als hiervoor vermeld heeft voorgedaan, die wordt opgenomen in de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie. In die gevallen begint de termijn van vijf jaar opnieuw te lopen, vanaf het moment van vastlegging van gegevens.

Gegevens worden in ieder geval uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie verwijderd indien voldaan wordt aan een verzoek ex artikel 17 AVG.

In afwijking van de hiervoor genoemde bewaartermijnen blijft het onderzoeksdossier bewaard zolang dat geboden is in verband met de behandeling van lopende procedures en zaken die nog onder de rechter zijn en waarbij de mogelijkheid bestaat dat hetzij de opdrachtgever, hetzij het particulier onderzoeksbureau in rechte wordt opgeroepen.

De noodzaak voor een langere bewaarduur dan één jaar nadat het onderzoeksrapport is aangeboden aan de opdrachtgever wordt getoetst aan het proportionaliteitsbeginsel.

Toelichting:

Persoonsgegevens worden om meerdere redenen bewaard nadat het onderzoeksrapport aan de opdrachtgever is aangeboden. Allereerst worden persoonsgegevens bewaard ten behoeve van opdrachtgevers in het kader van de behandeling van juridische procedures of geschillen waarbij de opdrachtgever partij is. Daarbij kan gedacht worden aan een nog lopende ontslagprocedure van de onderzochte persoon of een lopende strafzaak indien van het voorval aangifte is gedaan bij de politie.

Verder worden de gegevens bewaard voor het behandelen van klachten die worden ingediend tegen het particulier onderzoeksbureau zelf op grond van artikel 18 van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, het voldoen aan wettelijke plichten (zoals het getuigen in rechte) en voor vervolgopdrachten van de primaire opdrachtgever.

De bewaarduur van vijf jaar is van belang aangezien opdrachtgevers met enige regelmaat gegevens uit het dossier nog in willen zien en/of gegevens uit het dossier nodig hebben. Vaak blijkt pas geruime tijd na afsluiting van het particulier rechercheonderzoek dat juridische procedures lopen. Met enige regelmaat worden particulier onderzoekers opgeroepen om te getuigen. Vaak wil de rechter weten of er inhoudelijke verschillen zijn tussen de aan de opdrachtgever aangeboden rapport en eerdere kladversies. De bewaartermijn van vijf jaar sluit ook aan bij de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen (artikel 3:310 BW). Zowel de onderzochte persoon als de opdrachtgever kunnen het particulier onderzoeksbureau in voorkomende gevallen aanspreken tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige daad respectievelijk wanprestatie. In dat geval dient het particulier onderzoeksbureau in staat te zijn zich gemotiveerd te verdedigen door overlegging van stukken uit het onderzoeksdossier.

5.5. Bewaartermijn (uitwerking artikel 10 WBP)

In de sectornormering is aangegeven dat de noodzaak voor een langere bewaarduur dan één jaar nadat het onderzoeksrapport is aangeboden aan de opdrachtgever getoetst wordt aan het proportionaliteitsbeginsel. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat persoonsgegevens niet standaardmatig vijf jaar bewaard hoeven te worden.

‘Er is vastgesteld dat meneer X in september 2013 ontslagen is wegens herhaalde diefstallen door hem gepleegd in de periode van 1 mei 2013 tot 4 augustus 2013. Hij heeft het feit bekend en is door de politierechter te Oost-Nederland voor deze feiten veroordeeld’.

Artikel 5 lid 1 onder f juncto artikel 32 AVG bepalen dat de verwerkingsverantwoordelijke passende technische of organisatorische maatregelen neemt zodat persoonsgegevens op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging. De maatregelen worden periodiek geëvalueerd en indien nodig aangepast (artikel 24 lid 1 AVG).

Een particulier onderzoeksbureau neemt passende – op het risico afgestemde – technische en organisatorische maatregelen tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging van persoonsgegevens. Leidraad voor de beveiliging van persoonsgegevens zijn de richtsnoeren ‘Beveiliging van Persoonsgegevens’ van de Autoriteit Persoonsgegevens en de best practice ISO 27002. De maatregelen worden periodiek geëvalueerd en indien nodig aangepast,

Voor de concrete invulling van de beveiligingsnormen die specifiek voor de sector gelden wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze privacygedragscode.

Toelichting:

Artikel 5 lid 1 onder f juncto artikel 32 AVG spreken over technische en organisatorische maatregelen. Technische maatregelen zijn de logistieke en fysieke maatregelen in en rondom de informatiesystemen (zoals toegangscontroles, vastlegging van gebruik en back up). Organisatorische maatregelen zijn maatregelen voor de inrichting van de organisatie en voor het verwerken van persoonsgegevens (zoals de toekenning van verantwoordelijkheden en bevoegdheden).

Gelet op het feit dat door particuliere onderzoeksbureaus bijzondere persoonsgegevens, zoals strafrechtelijke persoonsgegevens worden verwerkt, en gelet op het feit dat persoonsgegevens kunnen verzameld teneinde een beeld van iemands persoonlijke leven te verkrijgen, betekent dit dat aan de sector zwaardere eisen mogen worden gesteld ten aanzien van de beveiliging van persoonsgegevens.

Toelichting:

5.6. Niet meer dan nodig (uitwerking artikel 11 WBP)

Voor de sector particuliere onderzoeksbureaus zijn de volgende verwerkingsgrondslagen het meest relevant:

Toelichting:

De verwerkingsgrondslag onder a is van toepassing op alle soorten van onderzoeken waarvoor een particulier onderzoeksbureau wordt ingeschakeld. Om te waarborgen dat de rechten en vrijheden van de onderzochte persoon gerespecteerd worden, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Allereerst moet de opdrachtgever zelf een gerechtvaardigd belang hebben om onderzoek te doen instellen naar (gedragingen van) iemand of de achtergrond van een persoon. Voor de opdrachtaanvaarding dient het particulier onderzoeksbureau zich af te vragen of het belang van de opdrachtgever gerechtvaardigd is. Indien een werkgever bijvoorbeeld bij herhaling bestolen wordt door zijn personeel, heeft hij een gerechtvaardigd belang om te achterhalen wie zijn vertrouwen geschonden heeft. Als het doel van de opdrachtgever het opsporen van een persoon is en uit de (eerste) contacten tussen het particulier onderzoeksbureau en opdrachtgever blijkt dat het achterliggende doel mogelijk of zeker een bedreiging van de veiligheid van de onderzochte persoon is (bijvoorbeeld ontvoering) moet de opdracht worden geweigerd. Als aan de voorwaarde van een gerechtvaardigd belang voldaan wordt, kan de opdracht aanvaard worden, mits de opdracht en het doel van het onderzoek zo concreet mogelijk worden vastgelegd (zie paragraaf 5.2).

In de wijze waarop de werkgever respectievelijk het particulier onderzoeksbureau in staat gesteld wordt om te achterhalen wie de dader is, zijn echter beperkingen gesteld. Zo verbiedt het Wetboek van Strafrecht dat personen met camera’s worden geobserveerd als dit vooraf niet kenbaar is gemaakt, tenzij degene die de opnamen vervaardigt een goede reden heeft om dit heimelijk te doen. Een opdracht aan een particulier onderzoeksbureau om op incidentele basis een verborgen camera te plaatsen kan derhalve gerechtvaardigd zijn als die goede reden aanwezig is (zie verder paragraaf 7.5).

5.6. Niet meer dan nodig (uitwerking artikel 11 WBP)

In de verwerkingsgrondslagen onder b en d wordt met name het belang van de onderzochte persoon tot uitdrukking gebracht.

De verwerkingsgrondslag onder b is met name van belang indien uit de onderzoeksrapporten blijkt dat de verdenking tegen de onderzochte persoon onterecht was en deze er belang bij heeft dat de onderzoeksrapporten of bevindingen van het onderzoek aan een derde worden verstrekt. Het vereiste van uitdrukkelijke toestemming is ook uitgewerkt in paragraaf 7.3 van deze gedragscode voor het interviewen van personen.

Voor het vaststellen of er sprake is van toestemming is essentieel dat de onderzochte persoon in vrijheid heeft kunnen bepalen dat de gegevensverwerking diens toestemming heeft. Bij twijfel over de vraag of de onderzochte persoon zijn toestemming heeft verleend, dient te worden geverifieerd of er terecht van uitgegaan wordt dat de onderzochte persoon er mee heeft ingestemd dat diens persoonsgegevens worden verwerkt. Wanneer de verwerking berust op toestemming, moet het particulier onderzoeksbureau kunnen aantonen dat de onderzochte persoon toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens, bijvoorbeeld door middel van een schriftelijke verklaring (art. 7 lid 1 AVG).

De verwerkingsgrondslag onder d speelt met name een rol bij onderzoeksopdrachten om vermiste personen op te sporen. Het aanvaarden van zo’n opdracht is op zich legitiem. Deze legitimiteit is groter als deze personen vanwege een persoonlijkheidsstoornis of een andere persoonlijke omstandigheid (zoals een ondercuratelestelling of een ontvoering) niet in staat zijn hun eigen belangen te behartigen. De vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit – die tot uitdrukking komen in het woord ‘noodzakelijk’ – vergen echter dat het belang van de vermiste persoon in geen geval in strijd mag zijn met het belang van de opdrachtgever. In specifieke situaties kan dat bijvoorbeeld betekenen dat het particulier onderzoeksbureau afziet van het doorgeven van de verblijfplaats van de vermiste persoon aan de opdrachtgever.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)