Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
In de verwerkingsgrondslagen onder b en d wordt met name het belang van de onderzochte persoon tot uitdrukking gebracht.
De verwerkingsgrondslag onder b is met name van belang indien uit de onderzoeksrapporten blijkt dat de verdenking tegen de onderzochte persoon onterecht was en deze er belang bij heeft dat de onderzoeksrapporten of bevindingen van het onderzoek aan een derde worden verstrekt. Het vereiste van uitdrukkelijke toestemming is ook uitgewerkt in paragraaf 7.3 van deze gedragscode voor het interviewen van personen.
Voor het vaststellen of er sprake is van toestemming is essentieel dat de onderzochte persoon in vrijheid heeft kunnen bepalen dat de gegevensverwerking diens toestemming heeft. Bij twijfel over de vraag of de onderzochte persoon zijn toestemming heeft verleend, dient te worden geverifieerd of er terecht van uitgegaan wordt dat de onderzochte persoon er mee heeft ingestemd dat diens persoonsgegevens worden verwerkt. Wanneer de verwerking berust op toestemming, moet het particulier onderzoeksbureau kunnen aantonen dat de onderzochte persoon toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens, bijvoorbeeld door middel van een schriftelijke verklaring (art. 7 lid 1 AVG).
De verwerkingsgrondslag onder d speelt met name een rol bij onderzoeksopdrachten om vermiste personen op te sporen. Het aanvaarden van zo’n opdracht is op zich legitiem. Deze legitimiteit is groter als deze personen vanwege een persoonlijkheidsstoornis of een andere persoonlijke omstandigheid (zoals een ondercuratelestelling of een ontvoering) niet in staat zijn hun eigen belangen te behartigen. De vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit – die tot uitdrukking komen in het woord ‘noodzakelijk’ – vergen echter dat het belang van de vermiste persoon in geen geval in strijd mag zijn met het belang van de opdrachtgever. In specifieke situaties kan dat bijvoorbeeld betekenen dat het particulier onderzoeksbureau afziet van het doorgeven van de verblijfplaats van de vermiste persoon aan de opdrachtgever.
Bij de verwerkingsgrondslag die onder c genoemd is, heeft de particulier onderzoeker in feite geen keuze om de gegevens wel of niet te verwerken. De naleving van een wettelijke plicht is ook niet afhankelijk van de toestemming van de opdrachtgever. Het niet meewerken aan een wettelijke plicht kan immers betekenen dat de particulier onderzoeker een strafbaar feit pleegt. Bij het nakomen van wettelijke verplichtingen kan gedacht worden aan een op wettelijke grondslag gebaseerde vordering van een opsporingsinstantie om bepaalde gegevens en/of voorwerpen uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie ter beschikking te stellen respectievelijk uit te leveren (denk aan de artikelen 96a,126a en 126nd van het WvSv). De verwerking wordt ook uitgevoerd wanneer een particulier onderzoeker wordt opgeroepen om te getuigen in rechte. In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 165) en het WvSv zijn bepalingen opgenomen, die degene die op wettige wijze is opgeroepen in een gerechtelijke procedure verplichten een getuigenis af te leggen. De verwerking geschiedt eveneens in die gevallen dat artikel 160 WvSv een ieder verplicht (dus ook de particuliere onderzoeker) om aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar, indien hij kennis draagt van bepaalde misdrijven. Daarbij kan gedacht worden aan misdrijven zoals moord, doodslag, verkrachting, mensenroof en misdrijven tegen de veiligheid van de staat.
6. Bijzondere categorieën van persoonsgegevens
In artikel art. 9 lid 1 AVG is een algemene verbodsbepaling opgenomen voor de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. In artikel 9 lid 2 AVG, alsmede de artikelen 22 tot en met 30 van de UAVG zijn uitzonderingen op het verbod genoemd.
De aard van de werkzaamheden van de sector particuliere onderzoeksbureaus brengt in het algemeen met zich mee dat particuliere onderzoeksbureaus in aanraking komen met strafrechtelijke gegevens en andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals die over iemands ras (etniciteit), seksuele leven en gezondheid.
Het verbod om persoonsgegevens van strafrechtelijke aard te verwerken is op grond van artikel 33 lid 4 aanhef en onder a UAVG niet van toepassing wanneer de gegevens door een particulier onderzoeksbureau ten behoeve van derde(n) worden verwerkt krachtens een vergunning op grond van de Wpbr. Het verwerken van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard is veelal inherent aan het onderzochte gedrag en wordt gedekt door de vergunning die de Minister van Justitie en Veiligheid heeft afgegeven. De bijzondere categorieën van persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard voor de doeleinden waarvoor deze gegevens worden verwerkt (artikel 23 aanhef en onder c UAVG). Voorts is het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands ras te verwerken niet van toepassing, indien de verwerking geschiedt met het oog op de identificatie van iemand indien dit voor dat doel onvermijdelijk is (artikel 25 aanhef en onder a UAVG).
Tenslotte mogen bijzondere categorieën van persoonsgegevens verwerkt worden, indien dit noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering (artikel 9 lid 2 aanhef en onder f AVG). Opdrachtgevers kunnen onder omstandigheden hun rechten in een rechterlijke procedure niet effectueren, indien zij niet beschikken over bepaalde gegevens van hun wederpartij. Ook in dat geval is het verwerken van bijzondere gegevens inherent aan het onderzochte gedrag.
5.8. Beveiligingsplicht (uitwerking artikel 13 WBP)
Bijzondere categorieën van persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van strafrechtelijke gegevens. Daarbij kan gedacht worden aan het verwerken van gegevens omtrent iemands seksuele leven in het geval van een onderzoek naar ongewenste intimiteiten op het werk. Voorts kan gedacht worden aan het vastleggen van strafbare gedragingen door middel van camera’s. Het is inherent aan deze vorm van observatie dat gegevens over iemands ras (etniciteit) en/of gezondheid bekend worden en worden verwerkt. Op het beeldmateriaal is immers iemands huidskleur of lichamelijke handicap zichtbaar. Voorts is het verwerken van iemands persoonsgegevens betreffende iemands ras met het oog op de identificatie van iemand bij andere methoden van gegevensvergaring, zoals het interviewen van personen veelal eveneens onvermijdelijk.
Verder houdt het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens soms direct verband met de opdracht. Zo worden persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid verwerkt indien in opdracht van een werkgever moet worden vastgesteld of er sprake is van een geveinsde ziekte of indien in opdracht van een verzekeraar moet worden vastgesteld of iemand al dan niet terecht aanspraak kan maken op een periodieke uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheids- verzekering. Ervan uitgaande dat de opdrachtgever in beide gevallen zelf bevoegd is om gezondheidsgegevens te verwerken2Hierbij wordt opgemerkt dat een werkgever geen gegevens mag verwerken over de aard en oorzaak van de ziekte. Een werkgever mag wel gegevens verwerken over functiemogelijkheden en/of -onmogelijkheden Voorbeeld: Een werkgever mag niet vastleggen dat een medewerker rugklachten heeft als gevolg van een hernia; wel dat de werknemer door diens ziekte niet kan autorijden of tillen., komt deze bevoegdheid ook toe aan het particulier onderzoeksbureau indien deze in diens opdracht handelt. Ook kunnen in het kader van een alimentatieonderzoek gegevens over iemands ontrouw en/of een (buitenechtelijke) relatie worden vastgesteld. Dat daarbij gegevens over iemands seksuele leven worden verwerkt is onvermijdelijk.
Indien het bij de uitvoering van bepaalde typen van onderzoeken noodzakelijk is dat grootschalige verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens plaatsvindt waarbij gebruik gemaakt wordt van nieuwe technologieën, kan vereist zijn dat een data privacy impact assessment (DPIA) wordt uitgevoerd. Voor het DPIA-instrument wordt verwezen naar par. 14.2.
Artikel 13 van de WBP bepaalt dat de verantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen neemt om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking.
Het staat particulieren en bedrijven vrij gedragingen van anderen te onderzoeken, indien hun belangen door deze gedragingen zijn of kunnen worden geschaad. Particulier onderzoek is niet expliciet bij wet genormeerd. Indien een particulier onderzoeksbureau wordt ingeschakeld, wordt het particulier onderzoek evenwel op indirecte wijze genormeerd door artikel 5 lid 1 onder a AVG. Gegevens die immers in strijd met deze bepaling zijn verkregen, mogen niet verwerkt worden in de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie.
In het kader van de opdracht maakt de sector particuliere onderzoeksbureaus gebruik van diverse onderzoeksmethoden en -middelen. Daarbij kan gedacht worden aan het vergaren van gegevens uit open bronnen (zoals het internet en de openbare registers), het interviewen van personen, het observeren van personen, al dan niet met behulp van technische hulpmiddelen, het afluisteren en/of opnemen van (vertrouwelijke) communicatie, het onderzoeken van gegevens die zijn opgeslagen in geautomatiseerde voorzieningen, het doen van proefaankopen en het doorzoeken van huisvuil dat aan de straat gezet is.
Bijzondere persoonsgegevens
Veel onderzoeksmethoden en -middelen die de sector particuliere onderzoeksbureaus hanteert zijn afgeleid van de onderzoeksmogelijkheden waarover de opdrachtgever zelf al beschikt uit hoofde van de contractuele relatie die de opdrachtgever heeft met de onderzochte persoon of omdat de opdrachtgever als rechthebbende wordt aangemerkt in de zin van het BW en uit dien hoofde onderzoek kan instellen in geval van onregelmatigheden. De opdrachtgever heeft bepaalde belangen en die kunnen rechtvaardigen dat hij onderzoek instelt.
Het gebruik maken van particuliere onderzoeksmethoden- en middelen betekent in voorkomende gevallen dat inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de onderzochte persoon. Om die reden is normering van onderzoeksmethoden en -middelen noodzakelijk.
Voor deze gedragscode geldt als eerste basisregel dat de rechten en plichten die gelden voor iedere burger, ook gelden voor particuliere onderzoeksbureaus. Hierbij geldt evenwel dat van particuliere onderzoeksbureaus een grotere mate van zorgvuldigheid mag worden verwacht in het kader van hun beroepsuitoefening. Bij bevoegdheden van iedere burger kan gedacht worden aan het raadplegen van openbare registers (zoals de registers van de Kamer van Koophandel en de registers van het Kadaster) en openbare bronnen (zoals het internet en toepassingen als Facebook of LinkedIn). Net zo min als een burger is het de particulier onderzoeker toegestaan om wetten te overtreden om gegevens te vergaren. Indien een particulier onderzoeker in geval van een observatieopdracht incidenteel te hard rijdt of een rood verkeerslicht negeert, zal dat doorgaans geen invloed hebben op de beoordeling of er wel of niet gehandeld is in overeenstemming met artikel 5 lid 1 onder a AVG. Hij kan bekeurd worden net als iedere andere burger. Het (bij herhaling) handelen of nalaten van (medewerkers van) een particulier onderzoeksbureau in strijd met wettelijke bepalingen, kan voor de Minister van Justitie en Veiligheid evenwel aanleiding zijn om de vergunning in te trekken. Zodra echter strafbare feiten worden gepleegd die in het WvSr worden genoemd en die specifiek geschreven zijn om bepaalde belangen te beschermen (zoals de bescherming van de eigendom, de vrijheid om met anderen te communiceren of de persoonlijke levenssfeer), kan sprake zijn van handelen in strijd met artikel 5 lid 1 onder a AVG, waardoor een rechtmatige gegevensverwerking geblokkeerd wordt.
Of dat zo is kan niet in algemene zin beantwoord worden. Dat hangt onder meer af van het antwoord op de vraag of het belang dat de strafrechtelijke norm tracht te beschermen (mede) bedoeld is om het belang van de onderzochte persoon te beschermen (‘de zogenaamde Schutznorm’). Voor de sector particuliere onderzoeksbureaus gaat het hierbij in het bijzonder om de strafbepalingen die het gebruik van technische hulpmiddelen verbieden, waarmee heimelijk gegevens (kunnen) worden vergaard.
Als tweede basisregel geldt dat de onderzoeksmogelijkheden van opdrachtgevers mutatis mutandis ook toekomen aan de sector particuliere onderzoeksbureaus, indien zij door die opdrachtgevers worden ingeschakeld in het doen van onderzoek. Om die reden is in paragraaf 5.2 opgenomen dat het doel van de onderzoeksopdracht in de opdrachtbevestiging zo nauwkeurig mogelijk moet worden opgenomen. De onderzoeksopdracht legitimeert het particulier onderzoeksbureau tot het aanwenden van de bevoegdheden van de opdrachtgever.
Tenslotte geldt als derde basisregel dat bij het bepalen van de aard van de onderzoeksmethoden en -middelen de beginselen van proportionaliteit (evenredigheid van doel en middelen) en subsidiariteit (gematigdheid bij de inzet van middelen en methoden) in acht worden genomen. Deze basisregel vloeit voort uit artikel 5 lid 1 onder a en artikel 6 lid 1 onder f AVG (zie paragraaf 5.7).
Het verbod om strafrechtelijke gegevens te verwerken is op grond van 22 lid 4 aanhef en onder a WBP niet van toepassing wanneer de gegevens door een particulier onderzoeksbureau ten behoeve van derde(n) worden verwerkt krachtens een vergunning op grond van de Wpbr. Het verwerken van strafrechtelijke gegevens is veelal inherent aan het onderzochte gedrag en wordt gedekt door de vergunning die de Minister van Veiligheid en Justitie heeft afgegeven. De overige bijzondere persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van strafrechtelijke gegevens voor de doeleinden waarvoor deze gegevens worden verwerkt (artikel 22 lid 5 WBP). Voorts is het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands ras te verwerken niet van toepassing, indien de verwerking geschiedt met het oog op de identificatie van iemand indien dit voor dat doel onvermijdelijk is.
Op basis van wet- en regelgeving, de drie basisregels, rechterlijke uitspraken, achtergrondstudies en verkenningen van de Autoriteit Persoonsgegevens worden in de paragrafen 7.2 tot en met 7.8 normen gegeven voor de meest voorkomende onderzoeksmethoden en -middelen. Indien overeenkomstig deze normen wordt gehandeld is (verdere) gegevensverwerking in beginsel rechtmatig. Tenzij de rechter in een concrete situatie anders oordeelt wordt dan voldaan aan de criteria van artikel 5 lid 1 onder a AVG. Naast de normen die in de paragrafen 7.1 tot en met 7.8 zijn opgenomen voor de daar omschreven onderzoeksmethoden en -middelen, neemt de sector particuliere onderzoeksbureaus bij de uitvoering van haar werkzaamheden de normen in acht die in deze paragraaf zijn opgenomen. Deze algemene normen gelden ook voor die onderzoeksmethoden en -middelen die niet uitdrukkelijk in deze gedragscode zijn genormeerd omdat het meer voor de hand liggende onderzoeksmethoden en -middelen zijn die de sector particuliere onderzoeksbureaus hanteert, alsmede onderzoeksmethoden en -middelen die slechts sporadisch worden gebruikt.
Toelichting:
7. Methoden van gegevensvergaring
Verder houdt het verwerken van bijzondere persoonsgegevens soms direct verband met de opdracht. Zo worden persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid verwerkt indien in opdracht van een werkgever moet worden vastgesteld of er sprake is van een geveinsde ziekte of indien in opdracht van een verzekeraar moet worden vastgesteld of iemand al dan niet terecht aanspraak kan maken op een periodieke uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheids-
Het betreden van plaatsen kan noodzakelijk zijn om het doel van de opdracht te kunnen realiseren. Daarbij kan gedacht worden aan het zoeken naar sporen die in relatie staan tot de onderzochte gedraging, het inzien van bescheiden, het observeren van personen, het kopiëren van bescheiden en het interviewen van personen. Bij het betreden van niet-openbare (besloten) plaatsen dient de particulier onderzoeker rekening te houden met de belangen en rechten van anderen, onder wie de rechthebbende. In deze paragraaf worden normen gesteld om te voorkomen dat een particulier onderzoeker een niet-openbare plaats betreedt en daar een tijdlang onopgemerkt vertoeft of een pand binnendringt zonder medeweten van de rechthebbende. De gedachte dat geen sprake is van ‘wederrechtelijk binnendringen’ omdat de particulier onderzoeker bij het betreden van de niet openbare (besloten) plaats (nog) geen weigering of hindering heeft ondervonden is niet juist.
7. Methoden van gegevensvergaring
Onder niet-openbare (besloten) plaatsen vallen woningen en andere niet-openbare en niet voor een ieder toegankelijke plaatsen, zoals loodsen, fabrieks- of bedrijfsruimten, kantoorgebouwen of erven. Openbare of voor een ieder toegankelijke gebouwen en plaatsen, zoals een winkel gedurende openingstijden, de lounge van een hotel, een bardancing of een restaurant vallen niet onder het begrip niet-openbare (besloten) plaats.
Artikel 138 van het WvSr verbiedt het wederrechtelijk binnendringen in woningen, lokalen en erven die bij een ander in gebruik zijn. Om die reden is in de eerste norm opgenomen dat voor het betreden toestemming van de rechthebbende vereist is. Er zijn situaties denkbaar dat de particulier onderzoeker zich begeeft op een plaats zonder dat de rechthebbende hiervan noodzakelijkerwijs op de hoogte is. Zo kan het bij een woningbrand gebeuren dat een eigenaar-bewoner onbereikbaar op vakantie is, terwijl de verzekeraar van het pand aan een particulier onderzoeksbureau opdracht geeft om een toedrachtonderzoek in te stellen. Het betreden van de plaats is dan toch mogelijk indien de zaakwaarnemende buurman toestemming verleent of de verzekeringsvoorwaarden een beding bevatten dat het ontbreken van toestemming opvult.
In het kader van deze gedragscode wordt het gebruik van begrippen die in het WvSv vermeld worden vermeden om te voorkomen dat privaat onderzoek verward wordt met de opsporing van strafbare feiten door opsporingsinstanties. Privaat onderzoek vindt immers niet plaats onder het gezag en de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en bovendien voor andere doeleinden.
7.3. Interviewen van personen
Toelichting:
De begripsomschrijving van ‘interview’ moet worden bezien tegen de achtergrond van het type onderzoeken waarmee particulier onderzoekers belast worden. Enerzijds zijn er onderzoeken waarbij getracht wordt om vast te stellen of iemand al dan niet verwijtbaar betrokken is of is geweest bij een bepaalde gedraging, anderzijds zijn er onderzoeken waarbij iemands achtergrond nagetrokken wordt. Zodra er een min of meer officieel gesprek plaatsvindt over de al dan niet vermeende betrokkenheid van iemand bij een onrechtmatige handeling of een gearrangeerd gesprek plaatsvindt in het kader van een achtergrondonderzoek, is sprake van een interview.
Van meet af aan moet dan voor anderen duidelijk zijn dat een particulier onderzoeker als particulier onderzoeker optreedt. Een particulier onderzoeker mag daarover geen misverstand laten bestaan. Het initiatief om te zeggen wie hij is en waarvoor hij komt dient bij de particulier onderzoeker zelf te liggen. Dit komt tot uitdrukking in de eerste norm dat voor het interviewen van personen een uitwerking is van artikel 13 AVG. Op grond van de Wpbr dient de particulier onderzoeker zijn legitimatiebewijs op verzoek te tonen Het komt de transparantie ten goede als de particulier onderzoeker bij de aanvang van het interview het legitimatiebewijs toont en (eventueel) een visitekaartje waarop diens naam is vermeld alsmede de naam en de contactgegevens van het recherchebureau namens wie hij/zij optreedt.
Algemene vragen (zoals: ‘Kunt u mij vertellen op welk huisnummer de heer X woont’ of het inwinnen van inlichtingen bij openbare bronnen (zoals het informeren naar iemands telefoonnummer bij KPN via 0900 8008) vallen niet onder het begrip ‘interview’. Dit soort algemene vragen wordt aangemerkt als sturingsinformatie, informatie die nodig is om richting te geven aan het onderzoek.
Voor de sector particuliere onderzoeksbureaus gelden nauwelijks wettelijke bepalingen die het interviewen normeren. De verplichting voor opsporingsambtenaren om voorafgaand aan een verhoor aan een verdachte de cautie te geven (artikel 29 van het WvSv) geldt niet voor particulier onderzoekers. Het zwijgrecht voor verdachten is bedoeld als waarborg tegen ongeoorloofde druk van justitiële autoriteiten en tegen methoden om bewijs onder dwang en tegen de wil van de verdachte te verkrijgen. De bepaling in de Wpbr, waarin gesteld wordt dat van een beveiligingsorganisatie of particulier onderzoeksbureau mag worden verlangd ‘dat zal worden gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een goede beveiligingsorganisatie of van een goed particulier onderzoeksbureau in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht’ is te vaag om daaruit een interviewstandaard af te leiden.
De derde norm is opgenomen opdat achteraf tijdens een rechtszaak kan worden gereconstrueerd hoe het interview met de onderzochte persoon is verlopen. Dit is vooral van belang voor de opdrachtgever als hij zich moet verdedigen tegen de stelling van de onderzochte persoon dat sprake was van ongeoorloofde druk tijdens het interview (en dat daardoor bijvoorbeeld sprake was van handelen in strijd met art. 7:611 BW, het goed werkgeverschap). Als het interview door één persoon wordt uitgevoerd is het voor de opdrachtgever lastig om een dergelijk verweer gemotiveerd te betwisten. Vandaar dat is aangegeven dat het de voorkeur verdient dat het interview door twee personen geschiedt. De twee personen kunnen beide particulier onderzoeker zijn; het is ook denkbaar dat de onderzoeker het interview uitvoert met een vertegenwoordiger van de opdrachtgever (zoals een afdelingsmanager, een medewerker personeelsdienst of een bedrijfsrechercheur). Als het interview wordt opgenomen zijn ook voldoende mogelijkheden aanwezig om de wijze waarop het interview is geschied te reconstrueren. Indien het interview met toestemming van de onderzochte persoon wordt opgenomen moet het particulier onderzoeksbureau kunnen aantonen dat de onderzochte persoon hiervoor toestemming heeft gegeven. De toestemming kan worden opgenomen in het interviewverslag of door middel van een separate schriftelijke verklaring (art. 7 lid 1 AVG).
In de vierde norm wordt aangegeven dat de particulier onderzoeker zich onthoudt van alles waarvan gezegd kan worden dat de verklaring van de bevraagde persoon niet in vrijheid is afgelegd. Alleen al van het bevragen van iemand door een particulier onderzoeksbureau gaat een zekere druk uit. Aangezien gesprekken gevoerd worden op basis van vrijwilligheid is doorgaans geen sprake van ongeoorloofde druk. De grens tussen wat nog wel en wat niet meer geoorloofd is, is moeilijk te trekken. Een indringende bevraging van de onderzochte persoon is op zichzelf toegestaan. Zo is toegestaan dat iemand die ontkent, geconfronteerd wordt met (ander) bewijsmateriaal en mag gewezen worden op de zwakheid van diens positie. Er is echter wel sprake van ongeoorloofde druk indien lichamelijke druk wordt gebruikt. Ongeoorloofd is ook het doen van beloften die niet waar gemaakt kunnen worden of verbaal geweld.
Algemeen
De tweede volzin van de vijfde norm is vooral van belang voor de opdrachtgever als de onderzochte persoon tijdens een rechtszaak stelt dat wat hij tijdens het interview gezegd heeft onjuist is weergegeven. Door het overleggen van de uitgewerkte verklaring kan de opdrachtgever een dergelijk verweer gemotiveerd weerleggen. De analoge toepassing van de tweede volzin van de vijfde norm voor anderen dan de onderzochte persoon benadrukt dat zorgvuldig wordt omgegaan met de belangen van anderen. Als slechts een samenvatting gemaakt wordt van een interview met een ander dan de onderzochte persoon en als deze samenvatting wordt opgenomen in de rapportage, verdient het aanbeveling die samenvatting inhoudelijk af te stemmen met degene met wie gesproken is. Praktisch kan dit door de samenvatting per email toe te sturen en aan de bevraagde persoon te vragen in een reply aan te geven dat hij/zij akkoord is met de samenvatting.
Het betreden van plaatsen kan noodzakelijk zijn om het doel van de opdracht te kunnen realiseren. Daarbij kan gedacht worden aan het zoeken naar sporen die in relatie staan tot de onderzochte gedraging, het inzien van bescheiden, het observeren van personen, het kopiëren van bescheiden en het interviewen van personen. Bij het betreden van niet-openbare (besloten) plaatsen dient de particulier onderzoeker rekening te houden met de belangen en rechten van anderen, onder wie de rechthebbende. In deze paragraaf worden normen gesteld om te voorkomen dat een particulier onderzoeker een niet-openbare plaats betreedt en daar een tijdlang onopgemerkt vertoeft of een pand binnendringt zonder medeweten van de rechthebbende. De gedachte dat geen sprake is van ‘wederrechtelijk binnendringen’ omdat de particulier onderzoeker bij het betreden van de niet openbare (besloten) plaats (nog) geen weigering of hindering heeft ondervonden is niet juist.
Observatie vindt plaats indien gedragingen van iemand of hetgeen bekend moet worden om onderzoekstactische redenen niet rechtstreeks aan de onderzochte persoon of een derde gevraagd kan worden. Observatie kan ondersteund worden met technische hulpmiddelen (zoals camera’s, zie paragraaf 7.5) of plaatsbepalingsapparatuur (zoals GPS-apparatuur bij het volgen van voertuigen).
Toelichting:
Observatie is een belangrijke onderzoeksmethode als er duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand zich schuldig maakt of zal maken aan laakbaar en/of strafbaar handelen of indien er gerede twijfel is omtrent de juistheid en volledigheid van de feiten op grond waarvan een uitkering worden wordt verlangd of verleend. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen statische observatie en dynamische observatie (volgen). In het eerste geval wordt uitgegaan van het gadeslaan van (een) perso(o)n(en), goederen en/of situaties vanuit een bepaalde positie (bijvoorbeeld een vast observatiepunt met doorkijkspiegel). Bij dynamische observatie gaat het om het volgen van de activiteiten van een bepaalde perso(o)n(en), goederen en/of situaties. Observatie kan met gewone zintuiglijke waarnemingen geschieden (directe observatie), maar ook door gebruik te maken van video- en fotocamera's (indirecte observatie). In de regel zal observatie heimelijk zijn. Dit betekent dat personen worden gadegeslagen zonder dat zij hiervan op de hoogte zijn.
Uit verschillende rechterlijke uitspraken kan worden geconcludeerd dat een inbreuk op de privacy niet snel wordt aangenomen wanneer de observatie betrekking heeft op gedragingen die in het openbaar plaatsvinden. Personen die zich in het voor het publiek toegankelijke domein bevinden, dienen er rekening mee te houden dat anderen (iedere willekeurige buitenstaander) hen kunnen waarnemen. Het begrip ‘openbaar’ is ruimer dan de openbare weg.
Ook voor het publiek toegankelijke plaatsen vallen daar onder. Zo is de lounge van een hotel en een winkel gedurende openingstijden een voor publiek toegankelijke ruimte. De onder één genoemde norm is op deze jurisprudentie gebaseerd.
De onder twee genoemde norm ziet onder meer op observatie waarbij gebruik gemaakt wordt van zintuigversterkende hulpmiddelen zoals een verrekijker of de telelens van een camera. Het gebruik van deze technische hulpmiddelen, is toegestaan. Het gebruik van andere technische hulpmiddelen, zoals een GPS-baken (Global Position System), is slechts in beperkte mate toegestaan, indien dit ondersteunend is aan de observatie. Het plaatsen van een GPS-baken op een te volgen voertuig maakt het mogelijk dit voertuig op afstand te volgen en daarmee de observatie professioneler te doen verlopen.
7.5. Heimelijke observatie door middel van camera’s
Bij de onder drie genoemde norm wordt gesproken over situaties waarbij geobserveerde personen er aanspraak op moeten kunnen maken onbevangen zichzelf te zijn. In dit kader kan gedacht worden aan woningen, hotelkamers, badhokjes in zwembaden, paskamers in winkels, relaxinrichtingen en toiletruimten. Daarbij wordt opgemerkt dat het gedurende enkele momenten met het blote oog vanaf de openbare weg gadeslaan van iemand die zich in een woning bevindt, terwijl de ramen niet zijn afgeschermd, niet onder de beperking van de norm valt.
De vierde norm brengt tot uiting dat observatie nauwgezet gerelateerd dient te zijn aan de onderzoeksopdracht. Indien bijvoorbeeld vermoedt wordt dat een uitkeringsgerechtigde van een arbeidsongeschiktheidsverzekering rugletsel veinst, dient de observatie zich te beperken tot gedragingen als het tillen of het slepen van zware voorwerpen. Vooraf moet worden bepaald tot welk resultaat de observatie moet kunnen leiden, bijvoorbeeld het vaststellen dat iemand een ongeoorloofde nevenactiviteit verricht of het vaststellen dat iemand bijklust tijdens ziekte.
Uitspraken waarbij de normering uit privacygedragscode getoetst wordt zijn belangrijk voor de praktijk van het particulier onderzoek. In twee situaties heeft de rechter getoetst of de particulier onderzoeker zich gehouden heeft aan de onder twee genoemde norm in combinatie met de onder drie genoemde norm.
De rechter oordeelde in ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ3060 (alimentatiekwestie):
‘Gezien de duur en frequentie van de observaties, alsmede de gedetailleerde inhoud van rapportages, moet er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake zijn geweest van méér dan ‘enkele momenten met het blote oog vanaf de openbare weg gadeslaan’ als bedoeld in de toelichting bij de gedragscode, hetgeen in casu een niet toelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van ([A] en) [eiser] oplevert. Daarbij is mede van belang dat een aanzienlijk deel van de observaties situaties betreffen waarin [eiser] er aanspraak op moet kunnen maken onbevangen zichzelf te kunnen zijn.’ De particulier onderzoeker werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade vanwege schending van de persoonlijke levenssfeer.
In de casus de beschreven wordt in ECLI:NL:RBZUT:2007:BB1491 (arbeidsongeschiktheid) was de klager vanaf de openbare weg geobserveerd in diens woning, doordat de onderzoeker eenmaal in de drie uur langs de woning is gereden en verslag had gedaan van diens waarnemingen. Telkens zat de onderzochte persoon in een werkhouding achter zijn bureau, hetgeen hij niet zou moeten kunnen in verband met door hem zelf aangegeven beperkingen. In deze casus was de rechter van mening dat het incidentele observeren vanaf de openbare weg in de woning geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormde. De rechter oordeelde dat de duur en de intensiteit van de observatie dermate beperkt zijn gebleven dat daaruit niet volgt dat de onderzoeker een inbreuk op de privacy heeft gemaakt. De vordering tot vergoeding van schade wegens vermeende schending van de persoonlijke levenssfeer werd afgewezen.
In de vierde norm wordt aangegeven dat de particulier onderzoeker zich onthoudt van alles waarvan gezegd kan worden dat de verklaring van de bevraagde persoon niet in vrijheid is afgelegd. Alleen al van het bevragen van iemand door een particulier onderzoeksbureau gaat een zekere druk uit. Aangezien gesprekken gevoerd worden op basis van vrijwilligheid is doorgaans geen sprake van ongeoorloofde druk. De grens tussen wat nog wel en wat niet meer geoorloofd is, is moeilijk te trekken. Een indringende bevraging van de onderzochte persoon is op zichzelf toegestaan. Zo is toegestaan dat iemand die ontkent, geconfronteerd wordt met (ander) bewijsmateriaal en mag gewezen worden op de zwakheid van diens positie. Er is echter wel sprake van ongeoorloofde druk indien lichamelijke druk wordt gebruikt. Ongeoorloofd is ook het doen van beloften die niet waar gemaakt kunnen worden of verbaal geweld.
Verborgen camera’s worden in voorkomende gevallen ingezet indien gedragingen van (een) onderzochte perso(o)n(en) moeten worden vastgelegd en/of om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de identiteit van de vermoedelijke dader(s)/perso(o)n(en) die onrechtmatig handel(t)(en), om zodoende jegens de onderzochte perso(o)n(en) maatregelen te doen nemen door de opdrachtgever van de sector particuliere onderzoeksbureaus.
Indien een verborgen camera wordt ingezet is extra zorgvuldigheid geboden omdat een verborgen camera al snel inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer. Dit is ook door de wetgever onderkend. Een tweetal verbodsbepalingen in het WvSr heeft specifiek betrekking op het heimelijk observeren van personen met camera’s (artikel 139f en artikel 441b). Beide bepalingen verbieden het vervaardigen van afbeeldingen van iemand met een technisch hulpmiddel, indien dat heimelijk geschiedt én indien dat wederrechtelijk is. Bij de totstandkoming van deze artikelen is onderkend dat verborgen camera’s in voorkomende gevallen ingezet kunnen worden als particulier onderzoeksmiddel. Als algemene voorwaarde geldt dat de geobserveerde (werknemers of verzekerden) vooraf in algemene zin over het bestaan van deze mogelijkheid in kennis is gesteld. Voor werknemers kan dit in kennis stellen bijvoorbeeld geschieden door middel van een circulaire aan het personeel, waarin is omschreven onder welke omstandigheden de werkgever zich de mogelijkheid voorbehoudt om heimelijke opnamen te maken. In dat geval is geen sprake van een strafbaar feit omdat aan het kenbaarheidsvereiste wordt voldaan. In situaties waarin het heimelijk cameratoezicht niet kenbaar wordt gemaakt, is het aan de rechter om te beoordelen of er al dan niet sprake is van wederrechtelijkheid. Voor particulier onderzoekers betekent dit dat zij zich bij de opdrachtgever moeten vergewissen of de mogelijkheid tot de inzet van heimelijke camera’s bekend gemaakt is en hoe. In alle gevallen dient onderstaande normering in acht te worden genomen.
Toelichting:
Een werkgever die observatie wenst uit te voeren met (een) heimelijke camera(’s) dient voorafgaand aan de inzet een DPIA uit te voeren. De Nederlandse Veiligheidsbranche heeft een model DPIA voor de voorgenomen inzet van een heimelijke camera door werkgevers ontwikkeld. Dit model DPIA is op de website van de Nederlandse Veiligheidsbranche beschikbaar voor belangstellenden.
In het DPIA wordt ook aandacht gegeven aan het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ dat in beide strafbepalingen is opgenomen. Door het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ wordt ruimte geschapen voor een afweging in concrete situaties, waarbij sprake is van conflicterende (grond)rechten. Iemand die met een verborgen camera betrapt wordt terwijl hij zijn werkgever besteelt, zou kunnen stellen dat zijn privacy geschonden is, omdat de aanwezigheid van de camera niet kenbaar is gemaakt. De werkgever daarentegen zal stellen dat de visueel geobserveerde inbreuk heeft gemaakt op diens eigendomsrechten en dat hij deze diefstal op geen andere wijze had kunnen vaststellen dan door een verborgen camera te plaatsen.
7.6. Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen
Hieronder volgt bij wijze van voorbeeld een tweetal situaties waarbij het in het verleden is voorgekomen dat een heimelijke camera is ingezet. In deze gevallen is het niet mogelijk om aangifte in de zin van het WvSv te doen bij de politie. Er is dan geen sprake van strafbaar gedrag door betrokkene, maar wel van onrechtmatig gedrag.
Uit verschillende rechterlijke uitspraken kan worden geconcludeerd dat een inbreuk op de privacy niet snel wordt aangenomen wanneer de observatie betrekking heeft op gedragingen die in het openbaar plaatsvinden. Personen die zich in het voor het publiek toegankelijke domein bevinden, dienen er rekening mee te houden dat anderen (iedere willekeurige buitenstaander) hen kunnen waarnemen. Het begrip ‘openbaar’ is ruimer dan de openbare weg.
Veel bedrijven beschikken over geautomatiseerde voorzieningen, zoals een computernetwerk. In zo'n netwerk heeft iedere werknemer door middel van een personal computer toegang tot zijn eigen werkgebied waarop hij kan inloggen door middel van de user-id en zijn wachtwoord. Daarnaast beschikken veel werknemers over bedrijfsmiddelen, zoals laptops en mobiele telefoons. De rechthebbende van het computernetwerk respectievelijk de aan de werknemer beschikbaar gestelde bedrijfsmiddelen moet in staat zijn om na te gaan op welke wijze er gebruik wordt gemaakt van deze bedrijfsvoorzieningen, ter controle op de naleving op de gedragsregels op het gebruik daarvan of ter voorkoming van risico’s (voor de technische infrastructuur). Om die reden worden handelingen van werknemers op computers, op computernetwerken en/of het gebruik van computerdiensten (zoals internet) veelal vastgelegd (‘gelogd’). Een werkgever is verplicht zijn personeel hierover te informeren op grond van artikel 13 AVG. Voorts is de werkgever verplicht om over dit vastleggen van gegevens van personeelsleden en het gebruik daarvan te overleggen met de ondernemingsraad op grond van artikel 27 van de Wet op de Ondernemingsraden een en ander voor zover op personeel betrekking hebbende gegevens op structurele basis worden vastgelegd. Zie voor onderzoek in e-mailberichten paragraaf 7.7.3.
Sectornormering
Indien de sector particuliere onderzoeksbureaus optreedt in het verlengde van de rechthebbende van een geautomatiseerde voorziening (zoals het computernetwerk van een bedrijf of een door het bedrijf aan een medewerker beschikbaar gestelde personal computer), is onderzoek, waarbij de op de bedrijfsserver of de harde schijf opgeslagen data benaderd worden geoorloofd. Er is dan geen sprake van ‘wederrechtelijk binnendringen’ in de zin van artikel 138ab van het WvSr. In dat geval is ook geen sprake van gekwalificeerde computer- vredebreuk (art. 138ab lid 2 WvSr), indien het inkijken in de gegevens gevolgd wordt door het overnemen van de gegevens en deze voor zichzelf of een ander wordt vastgelegd (ontvreemden van gegevens).
7.7. Vertrouwelijke communicatie
Er is sprake van gerechtvaardigd belang voor een onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen indien sprake is van ernstig onrechtmatig of laakbaar handelen of nalaten. Naast de absolute ernst van handelen of nalaten (zoals diefstal van eigendommen van de werkgever of verduistering) speelt ook de relatieve ernst van het handelen of nalaten een rol. Bij het bepalen van de relatieve ernst van handelen of nalaten spelen verschillende factoren een rol die in onderling verband en samenhang de ernst kunnen bepalen, zoals:
Uitspraken waarbij de normering uit privacygedragscode getoetst wordt zijn belangrijk voor de praktijk van het particulier onderzoek. In twee situaties heeft de rechter getoetst of de particulier onderzoeker zich gehouden heeft aan de onder twee genoemde norm in combinatie met de onder drie genoemde norm.
7.5. Heimelijke observatie door middel van camera’s
‘Gezien de duur en frequentie van de observaties, alsmede de gedetailleerde inhoud van rapportages, moet er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake zijn geweest van méér dan ‘enkele momenten met het blote oog vanaf de openbare weg gadeslaan’ als bedoeld in de toelichting bij de gedragscode, hetgeen in casu een niet toelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van ([A] en) [eiser] oplevert. Daarbij is mede van belang dat een aanzienlijk deel van de observaties situaties betreffen waarin [eiser] er aanspraak op moet kunnen maken onbevangen zichzelf te kunnen zijn.’ De particulier onderzoeker werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade vanwege schending van de persoonlijke levenssfeer.
Toelichting:
7.5. Heimelijke observatie door middel van camera’s
Volledigheidshalve wordt hier vermeld dat de artikelen 139a en 139b van het WvSr het afluisteren van gesprekken met een technisch hulpmiddel, anders dan in opdracht van een deelnemer van het gesprek, verbieden, alsmede het opnemen van een gesprek zonder deelnemer aan dat gesprek te zijn en anders dan in opdracht van een deelnemer strafbaar stellen.
Indien een verborgen camera wordt ingezet is extra zorgvuldigheid geboden omdat een verborgen camera al snel inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer. Dit is ook door de wetgever onderkend. Een tweetal verbodsbepalingen in het WvSr heeft specifiek betrekking op het heimelijk observeren van personen met camera’s (artikel 139f en artikel 441b). Beide bepalingen verbieden het vervaardigen van afbeeldingen van iemand met een technisch hulpmiddel, indien dat heimelijk geschiedt én indien dat wederrechtelijk is. Bij de totstandkoming van deze artikelen is onderkend dat verborgen camera’s in voorkomende gevallen ingezet kunnen worden als particulier onderzoeksmiddel. Als algemene voorwaarde geldt dat de geobserveerde (werknemers of verzekerden) vooraf in algemene zin over het bestaan van deze mogelijkheid in kennis is gesteld. Voor werknemers kan dit in kennis stellen bijvoorbeeld geschieden door middel van een circulaire aan het personeel, waarin is omschreven onder welke omstandigheden de werkgever zich de mogelijkheid voorbehoudt om heimelijke opnamen te maken. In dat geval is geen sprake van een strafbaar feit omdat aan het kenbaarheidsvereiste wordt voldaan. In situaties waarin het heimelijk cameratoezicht niet kenbaar wordt gemaakt, is het aan de rechter om te beoordelen of er al dan niet sprake is van wederrechtelijkheid. Voor particulier onderzoekers betekent dit dat zij zich bij de opdrachtgever moeten vergewissen of de mogelijkheid tot de inzet van heimelijke camera’s bekend gemaakt is en hoe. In alle gevallen dient onderstaande normering in acht te worden genomen.
Toelichting:
In artikel 139c van het WvSr is vastgelegd dat het aftappen of opnemen met een technisch hulpmiddel van gegevens die worden overgedragen via de telecommunicatie-infrastructuur of door middel van daarop aangesloten randapparatuur in beginsel strafbaar is. Deze verbodsbepaling is onder meer van toepassing op telefoongesprekken. Voor de gerechtigde tot de voor telecommunicatie gebezigde aansluiting heeft de wetgever een uitzondering gecreëerd. De memorie van toelichting noemt het voorbeeld van een werknemer die een gesprek voert met de telefoon van zijn werkgever. Dit zal minder als een inbreuk op de privacy worden ervaren, althans eerder worden geaccepteerd, omdat gebruik gemaakt is van bedrijfsfaciliteiten en omdat de werkgever in staat moet zijn om na te gaan welk gebruik er van de aansluiting wordt gemaakt.
De grens van hetgeen toegestaan is komt in de strafbepaling tot uitdrukking door aan te duiden dat de uitzondering niet geldt als er sprake is van ‘kennelijk misbruik’. Het aftappen en/of opnemen van telefoongesprekken is niet strafbaar indien de normering in acht genomen wordt.
Hieronder volgt bij wijze van voorbeeld een tweetal situaties waarbij het in het verleden is voorgekomen dat een heimelijke camera is ingezet. In deze gevallen is het niet mogelijk om aangifte in de zin van het WvSv te doen bij de politie. Er is dan geen sprake van strafbaar gedrag door betrokkene, maar wel van onrechtmatig gedrag.
Toelichting:
7.7.1. Meeluisteren en opnemen van gesprekken in besloten en niet besloten ruimten
In het WvSr is een aantal strafbepalingen opgenomen die betrekking hebben op het aftappen en/of inzien van e-mail.
Artikel 139c van het WvSr verbiedt het aftappen of opnemen met een technisch hulpmiddel van gegevens die worden overgedragen via de telecommunicatie-infrastructuur of door middel van daarop aangesloten randapparatuur. Deze verbodsbepaling is eveneens van toepassing op het aftappen van e-mailberichten die worden verzonden en/of worden ontvangen.
Artikel 138ab van het WvSr verbiedt het opzettelijk en wederrechtelijk binnendringen in iemands e-mailbestanden alsmede het overnemen van gegevens.
Bovenvermelde strafbepalingen worden in beginsel niet overtreden, indien deze normering in acht genomen wordt.
7.6. Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen
e-mailfunctionaliteit in algemene zin te informeren dat en onder welke omstandigheden het
Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen
7.8. Proefaankoop en pseudoklant
Een proefaankoop is een handeling waarbij het particulier onderzoeksbureau iets afneemt van een ander met de bedoeling gegevens te verzamelen over de wijze van afhandeling van de transactie, dan wel om specifieke gegevens van de verkopende partij en/of het te koop aangebodene te verkrijgen. In het geval van een pseudoklant doet de particulier onderzoeker zich voor als (potentiële) klant om gedragingen van de dienstverlener waar te nemen als deze zijn dienst aanbiedt of uitvoert. Bij beide activiteiten maakt de particulier onderzoeker diens ware identiteit of reden van de proefaankoop of het verzoek om een dienst te verlenen niet bekend.
Toelichting:
In de praktijk zijn er verschillende soorten van proefaankopen. Zo komt het voor dat winkelbedrijven aan particuliere onderzoeksbureaus opdracht geven om reguliere aankopen te doen in hun winkel of winkels om te verifiëren of de kassamedewerkers zich houden aan de geldende kassa-instructies (mystery guesting). Het komt ook voor dat personen voorwerpen of gegevens (informatie) aanbieden die onrechtmatig onttrokken zijn aan de opdrachtgever of aan een derde. In die gevallen moet veelal eerst geverifieerd worden of het inderdaad voorwerpen of gegevens van de opdrachtgever of van een derde betreffen of er moet een beeld worden verkregen van de (betrouwbaarheid van de) aanbieders. Soms wordt voor dit doel voorafgaande aan de proefaankoop samengewerkt met opsporingsautoriteiten (al dan niet in het kader van bijstandsverlening ex-artikel 126ij van het WvSv). Soms wordt een proefaankoop gedaan om vast te stellen of de goederen of de gegevens van misdrijf afkomstig zijn en wordt de politie in kennis gesteld, indien dat is vastgesteld, zodat de politie de gehele partij in beslag kan nemen. Aan een eenmalige transactie kunnen meerdere contacten ter voorbereiding van de transactie vooraf gaan. Zolang nog niet vaststaat dat de aangeboden voorwerpen of gegevens daadwerkelijk van misdrijf afkomstig zijn, is de kans gering dat de particulier onderzoeker zich schuldig maakt aan heling door goederen of gegevens van de aanbieder af te nemen. Indien is vastgesteld dat de goederen respectievelijk de gegevens van misdrijf afkomstig zijn, dient de particulier onderzoeker zich te onthouden van verdere aankopen van dit bewuste product respectievelijk deze bewuste gegevens. Het is dan aan de opdrachtgever om te bepalen of de politie ingeschakeld moet worden.
Bij het optreden als pseudoklant kan gedacht worden aan situaties dat de particulier onderzoeker zich meldt als (potentiële) klant voor een dienst die door de onderzochte persoon wordt aangeboden, zoals een knipbeurt of een medische behandeling. Het afnemen van deze dienst kan geboden zijn als er concrete aanwijzingen zijn dat de onderzochte persoon een degelijke dienst aanbiedt en uitvoert en daarmee het vermoeden bestaat dat hij ten onrechte een uitkering geniet (bijvoorbeeld een periodieke uitkering op basis van een inkomstenverzekering tegen geheel of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid). De onderzoeksmethode kan ook worden ingezet om concurrerende – niet toegestane – werkzaamheden vast te stellen. In het eerste geval is het doel van het afnemen van de dienst het aanschouwen van de lichamelijke en/of mentale (on)mogelijkheden teneinde deze te vergelijken met wat van betrokkene bekend is uit het (verzekerings) dossier. In het tweede geval is het doel om vast te stellen of iemand zich aan zijn afspraken houdt (concurrentiebeding). Door op deze wijze gegevens te vergaren is feitelijk sprake van observatie en gelden tevens de daarop van toepassing zijnde normen (zie hiervoor par. 7.4).
De normering voor proefaankopen is met name geschreven voor de soort van proefaankopen anders dan mystery guesting. Bij deze proefaankopen is het risico aanwezig dat de verkoper wordt uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten, hetgeen tot gevolg heeft dat ook de particulier onderzoeker zich schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voorkomen moet worden dat een particulier onderzoeksbureau (strafrechtelijk) verwijtbaar betrokken raakt bij het plegen van strafbare feiten door anderen, die voorheen niet de intentie hadden om strafbare feiten te plegen. Om die reden dient de verkoper steeds het initiatief te nemen om goederen en/of diensten aan te bieden. De particulier onderzoeker moet zich steeds afvragen of de verkoop van de goederen of het verrichten van de dienst ook zou zijn geschied als hij zich niet had gemeld als gegadigde.
Hij moet de overtuiging hebben dat de verkoper zich zou hebben ingespannen om een andere gegadigde te zoeken om vervolgens aan deze de goederen te verkopen of de dienst aan te bieden. Ook mogen geen hogere bedragen worden geboden dan de gangbare bedragen.
De sector particuliere onderzoeksbureaus werkt regelmatig in opdracht van personen die (telefoon)gesprekken die zij zelf met een ander voeren willen vastleggen, zonder dat de ander daarvan op de hoogte is. In dat geval worden hulpmiddelen gebruikt die in feite als technisch geheugen van de opdrachtgever fungeren. Een bandopname van een (telefoon)gesprek wordt vaak in een juridische procedure overhandigd als ondersteuning van een getuigenverklaring van gelijke strekking. Meermalen hebben rechters overwogen dat gesprekspartners er vanuit moeten gaan dat hun (telefoon)gesprekken worden meegeluisterd, dan wel opgenomen. Bij hulpmiddelen kan gedacht worden aan het beschikbaar stellen van een bandrecordertje aan de gespreksdeelnemer of aan het installeren van een kabelmicrofoon in de ruimte waar het gesprek plaatsvindt. Indien gebruik gemaakt wordt van een zendertje moet rekening worden gehouden met de bepalingen van de Telecommunicatiewet. Daarin is vastgelegd dat de aanleg en het gebruik van een zender slechts is geoorloofd, indien voor het gebruik ervan aan de houder van het apparaat een vergunning is verleend voor het gebruik van frequentieruimte (artikel 10.16 van de Telecommunicatiewet).
Indien een particulier onderzoeksbureau één van de in de paragrafen 7.1 tot en met 7.8 genoemde onderzoeksmethoden of -middelen heeft toegepast wordt hiervan een verslag opgemaakt, onder vermelding van de gronden die tot de toepassing van de gehanteerde onderzoeksmethode c.q. -middel hebben geleid. Het verslag maakt deel uit van het dossier en zodoende van de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie, maar vormt geen onderdeel van het onderzoeksrapport, tenzij met de opdrachtgever anders is overeengekomen. Door middel van deze verslaglegging is achteraf toetsing mogelijk op de juiste toepassing van onderzoeksmethoden- en middelen. Dat is van belang voor de beoordeling van klachten ex-artikel 18 van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en voor de beoordeling door de Autoriteit Persoonsgegevens van een klacht of een vermeende inbreuk op de AVG ex-artikel 56 lid 2 AVG, alsmede voor de geschillenregeling van de gedragscode. De reikwijdte van het recht tot inzage in het onderzoeksdossier door de onderzochte persoon als vastgelegd in paragraaf 9.1 van deze gedragscode omvat – onder de daar gestelde voorwaarden en beperkingen – ook de verslaglegging van gehanteerde onderzoeksmethoden en onderzoeksmiddelen.
Toelichting:
Toelichting:
Een belangrijk uitgangspunt van de AVG is dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een betrokkene op enig moment te informeren over de verwerking van diens persoonsgegevens.
Indien persoonsgegevens bij de onderzochte persoon worden verkregen, bepaalt artikel 13 AVG dat de verwerkingsverantwoordelijke bij de verkrijging minimaal aan deze mededeelt wat diens identiteit is, alsmede wat de verwerkingsdoeleinden zijn waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd.
Indien persoonsgegevens worden verkregen op een andere wijze dan van de onderzochte persoon, bepaalt artikel 14 AVG eveneens dat de verwerkingsverantwoordelijke de hiervoor genoemde minimale informatie aan de onderzochte persoon mededeelt. Deze mededeling dient binnen een redelijke termijn te geschieden, maar uiterlijk binnen één maand na de verkrijging van de persoonsgegevens, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 23 AVG jo artikel 41 lid 1 onder d of i UAVG.
8.1. Informatieverstrekking aan de onderzochte persoon (uitwerking artikel 33, 34 en 43 WBP)
9.1. Mededelingen uit de opdrachten- c.q voorvallenregistratie (uitwerking artikel 35 en 43 WBP)
De verwerkingsverantwoordelijke kan het informeren van de onderzochte persoon tevens achterwege laten in de gevallen als bedoeld in artikel 41 UAVG, in het bijzonder voor zover dit noodzakelijk en evenredig is in het belang van:
In het onderzoeksdossier dient duidelijk kenbaar te zijn dat onderzochte persoon is geïnformeerd door middel van een brief of, in het geval een (confronterend) gesprek (door het particulier onderzoeksbureau) met de onderzochte persoon is gevoerd, door een gespreksverslag waaruit blijkt dat de onderzochte persoon (door het particulier onderzoeksbureau) is geïnformeerd. Het niet informeren van de onderzochte persoon met een beroep op artikel art. 23 AVG jo art. 41 UAVG is alleen mogelijk in uitzonderlijke gevallen.
Het particulier onderzoeksbureau verstrekt de overige in de artikelen 13 en 14 AVG bedoelde informatie aan de onderzochte persoon door deze te attenderen op (het privacy statement op) haar website.
Onder de overigein de artikelen 13 en 14 AVG bedoelde informatie wordt verstaan:
In de chronologie van een particulier rechercheonderzoek en in de verhouding tussen de opdrachtgever en het particulier onderzoeksbureau geschiedt de informatieverstrekking aan de onderzochte persoon als volgt:
Voorafgaand aan het onderzoek:
Na aanvang van het onderzoek:
Indien de onderzochte persoon niet voorafgaand aan het onderzoek op de hoogte is gesteld, wordt hij tijdens het onderzoek geïnformeerd. Daarbij wordt als volgt gehandeld:
Na afronding van het onderzoek:
Toelichting:
De artikelen 13 en 14 AVG bepalen dat het particulier onderzoeksbureau verplicht is diens identiteit op eigen initiatief bekend te maken aan betrokkene en deze te informeren over de doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens. De verplichting om dit op eigen initiatief te doen is een belangrijk instrument om het vastleggen van persoonsgegevens door het particulier onderzoeksbureau transparant te maken opdat de onderzochte persoon de rechten kan uitoefenen die in paragraaf 9 zijn opgenomen. Door de vastlegging van persoonsgegevens door een particulier onderzoeksbureau, vooral in die gevallen dat de vermeende misdraging niet kon worden aangetoond, bestaat het risico dat de onderzochte persoon geen weet heeft van de gegevensverwerking, terwijl de gegevens in de toekomst mogelijk wel gebruikt worden om hem te beoordelen. Het feit dat onderzoek is gedaan naar mogelijke misdragingen van betrokkene kan immers aanleiding zijn hem te beschouwen als iemand met een verhoogd risico op fraude die extra aandacht verdient. Een onderzochte persoon heeft het recht om te weten waaraan hij deze aandacht te danken heeft.
Strikt genomen is ook een aan de onderzochte persoon gelieerde persoon ‘betrokkene’ in de zin van de artikelen 13 en 14 AVG. Daarbij kan gedacht worden aan degene die in hetzelfde pand woont als de onderzochte persoon of degenen die op dezelfde afdeling werken als de onderzochte persoon. Hun gegevens worden soms in het onderzoeksdossier opgenomen, bijvoorbeeld als onderdeel van een pandanalyse of afdelingsanalyse. De informatieplicht heeft geen betrekking op deze aan de onderzochte persoon gelieerde personen. Opname van hun gegevens leidt er niet toe dat zij of hun gedragingen in de toekomst beoordeeld worden. Hun gegevens zullen doorgaans na afronding van het onderzoek verwijderd worden ter uitvoering van het beginsel van minimale gegevensverwerking (paragraaf 5.5). Dit neemt niet weg dat de aan de onderzochte persoon gelieerde persoon de rechten kan uitoefenen als bedoeld in paragraaf 9 indien deze vermoedt dat diens persoonsgegevens verwerkt worden.
De AVG onderscheidt twee vormen van informatieverstrekking. Als gegevens rechtstreeks bij een ander verkregen worden – bijvoorbeeld door deze te interviewen – dient deze op de hoogte te worden gesteld op het moment van vergaring van gegevens. Dit is voor het interviewen van personen uitgewerkt in paragraaf 7.3. Indien gegevens buiten de betrokkene om worden verkregen, hetzij bij derden, hetzij door middel van eigen onderzoek, dient de betrokkene nadien geïnformeerd te worden,
9.1. Mededelingen uit de opdrachten- c.q voorvallenregistratie (uitwerking artikel 35 en 43 WBP)
Van de mededelingsplicht kan in twee gevallen worden afgezien. In het eerste geval blijft de mededeling (tijdelijk) achterwege omdat opsporingsbelangen dat noodzakelijk maken (artikel 23 AVG jo artikel 41 lid 1 onder d UAVG)). Indien namens de opdrachtgever aangifte gedaan wordt, betekent dat niet automatisch dat de politie direct een aanvang neemt met opsporingsactiviteiten. In dat geval is het risico aanwezig is dat de onderzochte persoon de mededeling zal aangrijpen om maatregelen te nemen om de waarheidsvinding door de politie te belemmeren, bijvoorbeeld door bewijsmateriaal zoek te maken of door mededaders te informeren. De aanwezigheid van een opsporingsbelang moet door een opsporingsambtenaar kenbaar zijn gemaakt. Op het moment dat het opsporingsbelang zich niet meer verzet tegen het informeren van de onderzochte persoon, wordt gehandeld overeenkomstig de sectornormering (zie: Na afronding van het onderzoek, meer specifiek punt 2).
Voorts kan het op de hoogte stellen van de onderzochte persoon (tijdelijk) achterwege blijven, indien dat noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, zoals de opdrachtgever (artikel 23 AVG jo artikel 41 lid 1 onder i UAVG). Indien de mededeling bijvoorbeeld direct na het aanvaarden van de opdracht gedaan wordt is ook hier het risico aanwezig dat de onderzochte persoon de mededeling zal aangrijpen om maatregelen te nemen om de waarheidsvinding te belemmeren. Het noodzaakcriterium vergt een belangenafweging aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval. Het particulier onderzoeksbureau zal per geval aannemelijk moeten kunnen maken dat het niet informeren van betrokkene noodzakelijk is. De gemaakte belangenafweging moet in het onderzoeksdossier zijn vastgelegd. Een algemeen argument dat de vertrouwensrelatie kan worden verstoord is – zonder concrete onderbouwing – onvoldoende grondslag voor een beroep op de uitzonderingsbepaling van artikel 23 AVG jo artikel 41 lid 1 onder i UAVG.
Het komt voor – met name bij onderzoeken naar mogelijke fraude met uitkeringen – dat geen verwijtbaat gedrag is geconstateerd, terwijl het vermoeden van fraude blijft bestaan. Het is dan onwenselijk betrokkene direct na afloop van het onderzoek te informeren. Op basis van nieuwe signalen moet het mogelijk zijn op redelijke termijn na afloop van het onderzoek een nieuw onderzoek plaats te doen vinden. Indien de onderzochte persoon direct na afloop van het onderzoek op de hoogte zou worden gesteld van de gegevensvastlegging is niet ondenkbaar dat hij zijn gedrag gedurende langere tijd aanpast. Vervolgonderzoek is dan zinloos, met als gevolg dat hij ten onrechte gebruik blijft maken of heeft gemaakt van de uitkering. Voor dit soort situaties is opgenomen dat overdracht van de informatieplicht aan de opdrachtgever toegestaan is. Deze zal de informatieplicht opschorten. Het opschorten is gebaseerd op artikel 23 AVG jo artikel 41 lid 1 onder i UAVG. Om te voorkomen dat van uitstel afstel komt wordt van het particulier onderzoeksbureau verwacht dat het zich actief inspant om te bewerkstelligen dat de opdrachtgever betrokkene informeert zodra het dossier is gesloten.
Indien persoonsgegevens rechtstreeks van de onderzochte persoon worden verkregen, bepaalt artikel 33 WBP dat de verantwoordelijke vóór het moment van verkrijging aan deze mededeelt wat diens identiteit is, alsmede wat de doeleinden van de verwerking zijn.
9.1. Mededelingen, inzage en kopieën (uitwerking artikel 15 AVG en artikel 41 UAVG)
Artikel 15 AVG bepaalt dat betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem of haar betreffende persoonsgegevens.
Artikel 15 AVG kan op grond van artikel 23 AVG jo [artikel 41 UAVG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=41) – onder meer – buiten beschouwing worden gelaten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:
De onderzochte persoon kan het verzoek tot het doen van mededelingen uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie mondeling of schriftelijk doen.
In alle gevallen dient het particulier onderzoeksbureau zich te overtuigen van de juistheid van de identiteit van verzoeker door overlegging door deze van een identiteitsbewijs.
Binnen één maand na ontvangst van het verzoek wordt de onderzochte persoon medegedeeld of hem of haar betreffende gegevens worden verwerkt.
10. Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Unie
Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling (zoals inzage) verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.
Indien gewenst verstrekt het particulier onderzoeksbureau de onderzochte persoon een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt.
De schriftelijke mededeling of de inzage blijft achterwege, indien opsporings- en vervolgingsbelangen dan wel particuliere onderzoeksbelangen, het belang van bronbescherming of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen dan de onderzochte persoon en de opdrachtgever daaronder begrepen, het noodzakelijk maken dat een dergelijke mededeling achterwege blijft (artikel 41 lid 1 onder d en i UAVG). Dit wordt van geval tot geval bepaald. De noodzaak om de mededeling achterwege te laten wegens opsporings- en vervolgingsbelangen moet door een opsporingsambtenaar kenbaar zijn gemaakt.
Toelichting:
Een verzoek van iemand met de vraag of diens persoonsgegevens worden verwerkt, is vormvrij. Dat betekent dat zo’n verzoek mondeling (ook telefonisch) en schriftelijk (ook per e-mail) gedaan kan worden. Indien iemand echter telefonisch informeert kan niet geverifieerd worden of de verzoeker daadwerkelijk degene is voor wie hij of zij zich uitgeeft. In dat geval is het risico aanwezig dat persoonsgegevens in verkeerde handen komen, waardoor het belang van de onderzochte persoon geschaad kan worden. Om die reden is opgenomen dat het particulier onderzoeksbureau zich dient te overtuigen van de juistheid van de identiteit van de verzoeker door overlegging door deze van een identiteitsbewijs.
In eerste instantie wordt de verzoeker schriftelijk geïnformeerd dat op hem of haar betrekking hebbende persoonsgegevens worden verwerkt, onder vermelding van een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.
11. Geschillenbeslechting respectievelijk verzoeken bij het CBP en de rechter
Als een onderzochte persoon vervolgens expliciet vraagt om inzage in de gegevens die over hem worden verwerkt, kan deze inzage gegeven worden. Indien de onderzochte persoon een kopie (van een deel van het onderzoeksdossier) verzoekt, wordt dat hem of haar verstrekt.
In artikel 23 AVG jo artikel 41 UAVG zijn uitzonderingen genoemd op grond waarvan het noodzakelijk is dat het verstrekken van mededelingen of het doen inzien van stukken of het beschikbaar stellen van een kopie achterwege dient te blijven. Dit is maatwerk en geen kwestie van ‘alles of niets’. Per vastgelegd gegeven of categorie van gegevens moet getoetst worden of een weigeringsgrond van toepassing is. De noodzaak om te weigeren kan aanwezig zijn indien sprake is van nog lopende onderzoeken, waarbij het risico aanwezig is dat de onderzochte persoon de mededeling zal aangrijpen om maatregelen te nemen om de waarheidsvinding te belemmeren. Voorts kan door inzage in het onderzoeksdossier de situatie ontstaan dat de rechten van anderen geschonden worden. Daarbij kan gedacht worden aan tipgevers of aan personen die ten nadele van de onderzochte persoon verklaringen hebben afgelegd. Indien belangen van anderen geschaad worden door inzage of afgifte van kopieën van bescheiden kunnen passages waar mogelijk geanonimiseerd of verwijderd worden, indien de bescherming van die belangen noodzakelijk is.
Van de mededelingsplicht kan in twee gevallen worden afgezien. In het eerste geval blijft de mededeling (tijdelijk) achterwege omdat opsporingsbelangen dat noodzakelijk maken (artikel 43 aanhef en onder b WBP). Indien namens de opdrachtgever aangifte gedaan wordt, betekent dat niet automatisch dat de politie direct een aanvang neemt met opsporingsactiviteiten. In dat geval is het risico aanwezig is dat de onderzochte persoon de mededeling zal aangrijpen om maatregelen te nemen om de waarheidsvinding door de politie te belemmeren, bijvoorbeeld door bewijsmateriaal zoek te maken of door mededaders te informeren. De aanwezigheid van een opsporingsbelang moet door een opsporingsambtenaar kenbaar zijn gemaakt.
Artikel 16 t/m 18 AVG bepalen dat betrokkene de verwerkingsverantwoordelijke kan verzoeken hem of haar betreffende persoonsgegevens te rectificeren, te wissen, of te beperken indien deze feitelijk onjuist zijn, niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins worden verwerkt, dan wel anderszins onrechtmatig worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
De verwerkingsverantwoordelijke bericht de verzoeker binnen één maand na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet.
De verwerkingsverantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot rectificering, wissing of beperking zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.
Indien het verzoek zonder gevolg blijft, wordt aangegeven waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven en wordt verwezen naar de geschillenregeling van hoofdstuk 11 van deze gedragscode.
De verwerkingsverantwoordelijke stelt iedere ontvanger aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt in kennis van elke rectificatie of wissing van persoonsgegevens of beperking van de verwerking overeenkomstig artikel 16, 17 lid 1 en 18 AVG, tenzij dit onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanning vergt. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene informatie over deze ontvangers indien de betrokkene hierom verzoekt (art. 19 AVG).
Artikel 35 WBP kan op grond van artikel 43 WBP buiten beschouwing worden gelaten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:
Artikel 21 AVG bepaalt dat betrokkene te allen tijde bezwaar kan maken bij het particulier onderzoeksbureau in verband met zijn specifieke situatie, indien gegevens worden verwerkt op grond van artikel 6 lid 1 onder f AVG.
Het particulier recherchebureau beoordeelt binnen één maand na ontvangst van het bezwaar of het bezwaar gerechtvaardigd is. Indien het bezwaar gerechtvaardigd is, staakt het particulier recherchebureau de verwerking, tenzij het particulier onderzoeksbureau dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Indien geen gevolg wordt gegeven aan het bezwaart, wordt aangegeven waarom het bezwaar zonder gevolgen is gebleven en wordt verwezen naar de geschillenregeling van hoofdstuk 11 van deze gedragscode.
Toelichting
12. Openbaarheid gedragscode
Een onderzochte persoon zou bijvoorbeeld belang kunnen hebben bij het staken van de verwerking indien hij na de aanvang van het onderzoek – en nog voordat het onderzoeksrapport wordt aangeboden aan de opdrachtgever – overeenkomstig paragraaf 8.1 van deze gedragscode geïnformeerd wordt over het ingestelde onderzoek en de voorgenomen verstrekking van gegevens aan de opdrachtgever. Hij kan er belang bij hebben, dat bepaalde gegevens niet bekend worden aan de opdrachtgever wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden (specifieke situatie).
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 3 en 5 die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Justitie, Schedeldoekshaven 100 te Den Haag.
Artikel 7a. (evenementenbeveiliging)
In afwijking van artikel 5, eerste lid, van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie een persoon belasten met beveiligingswerkzaamheden bij een evenement indien deze in het bezit is van het certificaat Event Security Officer van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere beveiligingsorganisaties of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als evenementenbeveiliger.
Het bepaalde in artikel 5, tweede en vierde lid, van deze regeling, is van overeenkomstige toepassing.
Onder beveiligingswerkzaamheden bij een evenement worden mede de beveiligingswerkzaamheden genoemd in artikel 8 verstaan.
Artikel 11a. (alarmcentralisten)
In afwijking van artikel 5, eerste lid, van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie als bedoeld inartikel 3, onder b, van de wet een persoon belasten met beveiligingswerkzaamheden als alarmcentralist indien deze in het bezit is van het certificaat Basisopleiding Centralist Alarmcentrale van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als alarmcentralist.
Het bepaalde in artikel 5, tweede en vierde lid, van deze regeling, is van overeenkomstige toepassing.
4. Legitimatiebewijzen
9. Afstemming met politie
11b. Bijzondere bepalingen voor erkenning EU-beroepskwalificaties
Bijlage 1. Embleem uniform (art. 12 RPB)
Plaats op het uniform
Voorzover het kledingstukken betreft die niet van revens zijn voorzien, zoals blousons, jacks, truien, overhemden en blouses, is het embleem aangebracht op de plaats die overeenkomt met de voor tunieken en colberts voorgeschreven plaats.
Bijlage 1a bevat het model van het in artikel 12, eerste lid, bedoelde embleem.
Het seal embleem
Voorzover het tunieken, colberts en soortgelijke kledingstukken betreft, is het embleem aangebracht aan de linker- of rechtervoorzijde, op de revers.
Bijlage 5. wordt niet gepubliceerd
Bijlage 6. Privacygedragscode particuliere onderzoeksbureaus
Borduurwerk
Het volle vlak van het embleem alsmede de letters in het embleem, zijn zilverkleurig, zijn zilverkleurig. Het kunststof tussen de letters is uitgevoerd in de kleur PMS 432 (grijs). Het embleem wordt aangebracht door middel van hitte en druk. (Niet aan te brengen met een strijkijzer).
2. Doel gedragscode
De gedragscode is opgesteld door de Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (VPB), in overleg met de overheid. Het CBP heeft deze gedragscode op verzoek van de VPB beoordeeld en heeft vervolgens op 13 januari 2004 verklaard dat de in de gedragscode opgenomen regels, gelet op de bijzondere kenmerken van de sector particuliere onderzoeksbureaus, een juiste uitwerking vormen van de WBP of van andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens. De verklaring van het CBP is gepubliceerd in de Staatscourant 2004, nr. 7, blz. 22.
Doel en werkingssfeer gedragscode
In deze gedragscode wordt verstaan onder:
In deze gedragscode wordt verstaan onder:
4. Omschrijving van de sector
4.1. De sector particuliere onderzoeksbureaus
De gegevens die een particulier onderzoeksbureau verkrijgt in verband met het aanvaarden van een onderzoeksopdracht worden verwerkt in een onderzoeksdossier. Hierin worden onder andere opgeslagen:
4.2. Opdrachtgevers van de sector particuliere onderzoeksbureaus
In toenemende mate worden binnen organisaties over deze vormen van werkgeverstoezicht afspraken gemaakt met de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging. In een aantal gevallen is het instemmingsrecht van de ondernemingsraad vereist op grond van artikel 27 van de Wet op de ondernemingsraden. Hoewel de ondernemer respectievelijk de rechthebbende dit onderzoek zelf in beginsel kan uitvoeren, wordt de sector particuliere onderzoeksbureaus in toenemende mate ingeschakeld om dit soort feitenonderzoek te doen.
In overeenstemming met de wet (uitwerking artikel 6 WBP)
Er zijn ook particuliere onderzoeksbureaus die niet over een dergelijke geautomatiseerde opdrachten- c.q. voorvallenregistratie beschikken. Onderzoeksdossiers worden dan doorgaans alfabetisch of anderszins opgeslagen, maar vaak wel zodanig dat de in de onderzoeksdossiers opgenomen persoonsgegevens volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn. Volgens de AVG is dan sprake van een ‘bestand’ en van een opdrachten- c.q. voorvallenregistratie als bedoeld in deze gedragscode.
5.1. In overeenstemming met de wet (uitwerking artikel 6 WBP)
Artikel 5 lid 1 onder a AVG bepaalt dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is.
Toelichting:
5.2. Doeleinden van verwerking van persoonsgegevens (uitwerking artikel 7 WBP)
Wettelijk kader
Artikel 5 lid 1 onder b AVG bepaalt dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verzameld en dat persoonsgegevens niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen.
5.2. Doeleinden van verwerking van persoonsgegevens (uitwerking artikel 7 WBP)
Er worden niet meer gegevens vastgelegd of in beheer genomen dan uiteindelijk nodig zijn voor het opstellen van een onderzoeksrapport voor de opdrachtgever. Niet relevante gegevens dienen derhalve direct na vaststelling daarvan te worden vernietigd of teruggegeven om te voorkomen dat deze in het dossier belanden en bewaard blijven.
5.3. Grondslag voor de gegevensverwerking (uitwerking artikel 8 WBP)
Gegevens uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie blijven minimaal één jaar bewaard nadat het onderzoeksrapport is aangeboden aan de opdrachtgever en worden verwijderd binnen een periode van maximaal vijf jaar na het moment van eerste vastlegging.
5.4. Verenigbaarheid (uitwerking artikel 9 WBP)
De minimale bewaarduur van één jaar nadat het onderzoeksrapport is aangeboden aan de opdrachtgever is van belang in het kader van toezicht en transparantie, maar ook voor mogelijke juridische procedures tegen het particulier onderzoeksbureau en klachtenbehandeling. Als het dossier onmiddellijk of kort na uitvoering van het onderzoek wordt vernietigd, zijn er onvoldoende mogelijkheden om de uitvoering van het onderzoek te toetsen aan de privacygedragscode.
5.6. Beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid (uitwerking artikel 5 lid 1 onder f AVG)
Een gegevensverwerking is slechts gerechtvaardigd indien één van de in artikel 6 lid 1 AVG genoemde verwerkingsgrondslagen van toepassing is.
Wettelijk kader
Bij de daadwerkelijke uitvoering van de opdracht moet een particulier onderzoeker telkens een afweging maken: hoe verhoudt zich het belang van de opdrachtgever tot het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de onderzochte persoon, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze belangenafweging kan betekenen dat de particulier onderzoeker om redenen van proportionaliteit en subsidiariteit afziet van een op zich voor de hand liggende onderzoekshandeling. In het voorbeeld van het plaatsen van een verborgen camera bij werknemersdiefstal kan dat betekenen, dat niet tot plaatsing wordt overgegaan omdat er alternatieven zijn om vast te stellen wie het vertrouwen geschonden heeft. Als er geen minder ingrijpende alternatieven zijn kan de plaatsing van een verborgen camera uitkomst bieden. Zo’n camera mag echter niet worden opgehangen op plaatsen waar men zich onbespied mag wanen, zoals het toilet.
Wettelijk kader
Voorts zijn er opdrachtgevers die na het aanvaarden van de opdracht grote hoeveelheden voorwerpen, en administratie aan het particulier onderzoeksbureau beschikbaar stellen ten behoeve van het onderzoek. Er zijn opdrachtgevers die er op aandringen dat de particulier onderzoeker respectievelijk het particulier onderzoeksbureau deze zaken voor hen bewaart met het oog op eventuele toekomstige geschillen met de onderzochte persoon, ook al houden deze zaken niet direct verband met hetgeen in het uiteindelijke onderzoeksrapport verwoord is. Dit wordt onwenselijk geacht.
Geheimhoudingsplicht (uitwerking artikel 12 WBP)
Toelichting:
5.8. Beveiligingsplicht (uitwerking artikel 13 WBP)
In het kader van deze gedragscode wordt het gebruik van begrippen die in het WvSv vermeld worden vermeden om te voorkomen dat privaat onderzoek verward wordt met de opsporing van strafbare feiten door opsporingsinstanties. Privaat onderzoek vindt immers niet plaats onder het gezag en de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en bovendien voor andere doeleinden.
Sectornormering
Dit algemene gedragsartikel geldt voor alle onderzoeksmethoden en -middelen die in deze gedragscode uitdrukkelijk genormeerd zijn. De normering geldt ook voor meer of minder voor de hand liggende onderzoeksmethoden en -middelen, zoals het raadplegen van openbare registers en openbare bronnen (zoals het internet), het analyseren van door de opdrachtgever opgevraagde gespecificeerde nota’s bij telecommunicatiebedrijven en het veiligstellen van sporen op de onderzoekslocatie. Verder is deze normering van belang voor onderzoeksmethoden en -middelen die nu nog niet of niet vaak gehanteerd worden, maar in de nabije toekomst wellicht wel (bijvoorbeeld door nieuwe technieken). Een voorbeeld van een onderzoeksmethode dat niet vaak gehanteerd wordt is de inzet van een particulier onderzoeker als pseudowerknemer. Deze onderzoeksmethode kan bijvoorbeeld ingezet worden als een groep werknemers verdacht wordt van het stelselmatig wegnemen van bedrijfseigendommen en er een grote mate van samenspanning vermoed wordt, terwijl het niet mogelijk is om op andere wijze informatie te krijgen over de diefstallen, de daarbij betrokkenen en de onderlinge rolverdeling. In overleg met de opdrachtgever kan er dan voor gekozen worden om een particulier onderzoeker enige tijd ‘werkzaam’ te laten zijn op de afdeling.
7. Methoden van gegevensvergaring
Toelichting:
7.2. Betreden van niet openbare (besloten) plaatsen
Een interview is een gesprek van een of meer particulier onderzoekers met een persoon met het doel om aanwijzingen te vergaren over de al dan niet vermeende betrokkenheid van deze persoon of een derde bij een te onderzoeken gedraging of om informatie te vergaren over iemand in het kader van achtergrondonderzoeken. Als basisregel voor het interviewen geldt dat de medewerking aan een onderzoek te allen tijde gebaseerd is op vrijwilligheid. Een particulier onderzoeker kan immers iemand niet dwingen om op een bepaalde plaats te komen en te blijven, zodat het gesprek gevoerd kan worden, dit in tegenstelling tot opsporingsambtenaren die een verdachte kunnen ophouden voor onderzoek. Als iemand tijdens een interview wil vertrekken kan hij/zij niet worden tegengehouden. Voorafgaand aan het interview zal de particulier onderzoeker deze vrijwilligheid benadrukken. Tevens zal voor aanvang van elk interview de reden van het onderzoek kenbaar worden gemaakt.
Algemene normering onderzoeksmethoden en -middelen
In de praktijk komt het voor dat bij onderzochte personen een vrij defensieve interviewtechniek wordt toegepast. Bij deze interviewtechniek wordt voorafgaand aan het gesprek zoveel mogelijk materiaal verzameld over de onderzochte persoon en diens achtergrond, de zaak zelf, de administratieve procedures en de (digitale of administratieve) sporen die duiden op verwijtbare betrokkenheid van de onderzochte persoon. In het daarop volgende gesprek wordt de onderzochte persoon zoveel mogelijk zelf aan het woord gelaten door middel van ‘open vragen’ (wie, wat, waarmee, wanneer etc). Tijdens dit gesprek blijkt vanzelf of iemand liegt en of feiten verdraaid worden. Met deze leugens wordt hij vervolgens geconfronteerd, zodat hij uiteindelijk gaat inzien dat verder ontkennen zinloos is.
7.4. Observatie
Daarmee kan tevens worden voorkomen dat halsbrekende toeren in het verkeer moeten worden uitgehaald om te voorkomen dat de geobserveerde uit het zicht geraakt. De inzet van dit middel is beperkt tot bedrijfsvoertuigen en privévoertuigen die bedrijfsmatig gebruikt worden door de onderzochte persoon en is verder beperkt tot die tijden die relevant zijn voor de onderzoeksopdracht. Het aanbrengen van een technisch hulpmiddel in iemands persoonlijke eigendommen zodat op elk moment een exact en volledig inzicht wordt verkregen van de plaatsen waar de geobserveerde is of is geweest, maakt een te grote inbreuk op de privacy en vindt doorgaans geen rechtvaardiging in de aard van de opdracht. Ook de duur van de observatie in combinatie met de frequentie kan er toe leiden dat een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van iemands leven, waardoor een niet toegestane inbreuk op de privacy gemaakt wordt.
Algemeen
Het gebruik van de verborgen camera is alleen toegestaan indien dat noodzakelijk is voor het leveren van bewijs dat iemand zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan ernstig onrechtmatig en/of strafbaar handelen. In de normen 2, 4 en 5 wordt het noodzakelijkheidsvereiste van de eerste norm expliciet tot uitdrukking gebracht.
7.6. Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen
Toelichting:
7.7. Vertrouwelijke communicatie
Vertrouwelijke communicatie kan plaatsvinden door het gesproken of geschreven woord of door de overdracht van signalen via de ether of de kabel. Onder vertrouwelijke communicatie valt bijvoorbeeld een in beslotenheid gevoerd gesprek, een niet openbaar e-mailbericht of het niet voor derden bestemde berichtenverkeer via de telecommunicatie-infrastructuur. In de hierna opgenomen paragrafen is telkens opgenomen dat, indien er minder ingrijpende onderzoeks-mogelijkheden zijn om het verweten gedrag aan het licht te brengen of om bewijs te vergaren voor een verweten gedraging, deze de voorkeur hebben. Voor onderzoeken waarbij communicatie een rol speelt betekent dit, dat het in het algemeen minder ingrijpend is de uiterlijke vorm van communicatie te onderzoeken (identificerende gegevens en verkeersgegevens) dan het doen van onderzoek naar de inhoud van de communicatie (wat er gezegd is of wat er geschreven is).
7.5. Heimelijke observatie door middel van camera’s
De sector particuliere onderzoeksbureaus werkt regelmatig in opdracht van personen die (telefoon)gesprekken die zij zelf met een ander voeren willen vastleggen, zonder dat de ander daarvan op de hoogte is. In dat geval worden hulpmiddelen gebruikt die in feite als technisch geheugen van de opdrachtgever fungeren. Een bandopname van een (telefoon)gesprek wordt vaak in een juridische procedure overhandigd als ondersteuning van een getuigenverklaring van gelijke strekking. Meermalen hebben rechters overwogen dat gesprekspartners er vanuit moeten gaan dat hun (telefoon)gesprekken worden meegeluisterd, dan wel opgenomen. Bij hulpmiddelen kan gedacht worden aan het beschikbaar stellen van een bandrecordertje aan de gespreksdeelnemer of aan het installeren van een kabelmicrofoon in de ruimte waar het gesprek plaatsvindt. Indien gebruik gemaakt wordt van een zendertje moet rekening worden gehouden met de bepalingen van de Telecommunicatiewet. Daarin is vastgelegd dat de aanleg en het gebruik van een zender slechts is geoorloofd, indien voor het gebruik ervan aan de houder van het apparaat een vergunning is verleend voor het gebruik van frequentieruimte (artikel 10.16 van de Telecommunicatiewet).
7.7.2. Aftappen en/of opnemen van telefoongesprekken
Onderzoek van de e-mailbox houdt in het aftappen en/of inzien van e-mailberichten en/of berichten die zijn opgeslagen in de e-mailbox.
Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen
Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever om de gebruikers van de
Toelichting:
Algemeen
7.7. Vertrouwelijke communicatie
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)