Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen
Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever om de gebruikers van de
Toelichting:
Algemeen
7.7. Vertrouwelijke communicatie
Aanvullend op de minimale informatie neemt de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen opdat de betrokkene de overige in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt (art. 12 lid 1 AVG).
De informatieverstrekking kan achterwege blijven indien de verwerkingsverantwoordelijke op goede gronden mag aannemen dat de onderzochte persoon reeds over de informatie beschikt.
Onderzoek van e-mailberichtenverkeer
Sectornormering
Over de wijze waarop de informatie wordt verstrekt, wordt geen normering voorgeschreven, omdat dit per geval verschillend kan zijn. De informatieverstrekking kan mondeling in een rechtstreeks contact tussen (medewerkers van) het particulier onderzoeksbureau en de onderzochte persoon geschieden, maar kan ook schriftelijk gedaan worden. Bij de mededeling van het doel van de gegevensverwerking kan aansluiting worden gevonden bij de opdrachtomschrijving zoals deze is opgenomen in de opdrachtbevestiging tussen het particulier onderzoeksbureau en de opdrachtgever.
7.9. Vastlegging van gehanteerde onderzoeksmethoden en -middelen
Een belangrijk uitgangspunt van de WBP is dat de verantwoordelijke verplicht is een betrokkene op enig moment te informeren over de verwerking van diens persoonsgegevens.
Informatieverstrekking aan de onderzochte persoon (uitwerking artikel 33, 34 en 43 WBP)
Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.
10. Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Unie
Bij de mededeling van het doel of de doeleinden van de gegevensverwerking kan aansluiting worden gevonden bij de opdrachtomschrijving zoals deze is opgenomen in de opdrachtbevestiging tussen het particulier onderzoeksbureau en de opdrachtgever. Een particulier recherchebureau kan overwegen om deze schriftelijke mededeling aangetekend te versturen naar het door de verzoeker opgegeven adres.
11. Geschillenbeslechting respectievelijk verzoeken bij het CBP en de rechter
Bezwaar is mogelijk tegen verwerkingen die gebaseerd zijn op artikel 6 lid 1 onder f AVG. In paragraaf 5.7 van deze gedragscode is vastgelegd dat dit artikel de verwerkingsgrondslag is voor alle soorten van onderzoeken waarvoor een particulier onderzoeksbureau wordt ingeschakeld. In paragraaf 5.7 is vastgelegd dat het particulier onderzoeksbureau bij de aanvaarding én de uitvoering van opdrachten telkens een belangenafweging moet maken tussen de gerechtvaardigde belangen van de opdrachtgever en de belangen van de onderzochte persoon. Ondanks deze belangenafweging blijft de mogelijkheid bestaan – hoe zorgvuldig en nauwkeurig deze afweging ook heeft plaatsgevonden – dat in een individueel geval een belangenafweging anders had moeten uitvallen. De oorzaak kan liggen in een omstandigheid die het particulier onderzoeksbureau niet bekend was en niet bekend had kunnen zijn. Het aantekenen van bezwaar door de onderzochte persoon betekent dat het particulier onderzoeksbureau een hernieuwde afweging moet maken in het concrete geval. Het is aan de onderzochte persoon om de specifieke situatie aan het particulier onderzoeksbureau ter kennis te brengen. Het maken van bezwaar is vormvrij en kan derhalve ook mondeling gedaan worden.
12. Openbaarheid gedragscode
Toelichting:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 3 en 5 die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Justitie, Schedeldoekshaven 100 te Den Haag.
Artikel 23b. (documenten bij aanvraag)
De aanvraag om erkenning van de EU-beroepskwalificaties wordt ingediend bij Justis.
De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
- a. de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
- b. een kopie van de bekwaamheidsattesten of van de opleidingstitels waarop de aanvrager zich beroept;
- c. een schriftelijk bewijs van de beroepservaring, indien de aanvrager over beroepservaring beschikt;
- d. een verklaring omtrent gedrag afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst, of een met die verklaring overeenkomend document als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, met dien verstande dat de verklaring of het document ten tijde van de indiening van de aanvraag niet ouder is dan drie maanden.
Indien de Minister een eerdere aanvraag heeft afgewezen en hierbij een mededeling, bedoeld in artikel 23g, derde lid, heeft gedaan, gaat de aanvraag tevens vergezeld van:
- a. een verklaring, bedoeld in artikel 23h, vierde lid, of
- b. een verklaring, bedoeld in artikel 23i, tweede lid.
De Minister kan verlangen dat de aanvrager nadere informatie verstrekt over:
- a. de aard, de inhoud en de duur van de door de aanvrager gevolgde opleiding, en
- b. de beroepservaring van de aanvrager.
De Minister kan verlangen dat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c en d, en vierde lid, die zijn gesteld in een andere dan de Nederlandse taal, vergezeld gaan van vertalingen in de Nederlandse taal, en dat deze vertalingen zijn opgesteld door een beëdigd tolk of vertaler.
Artikel 23c. (procedure erkenning)
Justis deelt de aanvrager zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk een maand na ontvangst, schriftelijk mee dat de aanvraag is ontvangen.
Indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 23b, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen een maand aan te vullen. De Minister kan deze termijn verlengen.
De mededeling, bedoeld in het tweede lid, wordt zo mogelijk gedaan in de ontvangstbevestiging, bedoeld in het eerste lid.
De Minister beslist op de aanvraag:
- a. binnen drie maanden nadat de aanvrager heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 23b, of
- b. onverwijld na het ongebruikt verstrijken van de termijn die is gesteld voor het aanvullen van de aanvraag.
De Minister kan de termijn, bedoeld in het vierde lid onder a, met een maand verlengen.
Artikel 23d. (erkenning)
De beroepskwalificaties worden erkend indien is voldaan aan de vereisten van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Artikel 23e. (voornemen tot afwijzing en zienswijze)
Indien de Minister van oordeel is dat de beroepskwalificaties niet kunnen worden erkend, deelt hij de aanvrager zo spoedig mogelijk schriftelijk mee dat hij voornemens is de aanvraag af te wijzen.
Het voornemen is met redenen omkleed.
Indien de Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen wegens wezenlijke verschillen, maar hij van mening is dat een met goed gevolg volbrachte compenserende maatregel als bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan leiden tot overbrugging van de wezenlijke verschillen, en daarmee tot een te honoreren nieuwe aanvraag, zal de Minister hier in het voornemen een mededeling over doen.
Indien de minister voornemens is de aanvraag af te wijzen, maar hij van mening is dat op grond van artikel 12 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties gedeeltelijk toegang moet worden verleend tot het gereglementeerd beroep, doet de minister hier in het voornemen een mededeling over.
De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen binnen een maand na verzending van de mededeling, bedoeld in het eerste lid. De Minister kan deze termijn verlengen.
Indien het voornemen een mededeling, bedoeld in het derde lid, bevat, vermeldt de aanvrager in zijn zienswijze of hij bereid is tot het volbrengen van een compenserende maatregel, en zo ja, of hij dit wil doen door het volgen van een aanpassingsstage dan wel het afleggen van een proeve van bekwaamheid.
Indien de aanvrager in zijn zienswijze aangeeft een aanpassingsstage te willen volgen, geeft hij in die zienswijze tevens aan bij welke beveiligingsorganisatie, welk recherchebureau of welk alarminstallatiebedrijf de aanpassingsstage zal worden gevolgd, alsmede welke gekwalificeerde beroepsbeoefenaar hem daarbij zal begeleiden.
Artikel 23f. (geen aanhouding besluit)
De Minister maakt niet ambtshalve gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, tot aanhouding van de aanvraag als een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid vereist wordt.
Artikel 23g. (afwijzing)
De aanvraag wordt afgewezen indien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en de aanvrager ook niet op grond van de artikelen 7 tot en met 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor erkenning in aanmerking komt.
De afwijzing is met redenen omkleed.
Indien de Minister de aanvraag afwijst wegens wezenlijke verschillen, maar hij van mening is dat een met goed gevolg volbrachte compenserende maatregel als bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan leiden tot overbrugging van de wezenlijke verschillen, en daarmee tot een te honoreren nieuwe aanvraag, deelt hij in de afwijzing mee welke maatregel kan leiden tot compensatie van de tekortschietende beroepskwalificaties.
Ten aanzien van de compenserende maatregel komt de keuze tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid toe aan de aanvrager, behoudens de gevallen genoemd in artikel 11, vijfde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Indien de minister de aanvraag afwijst, maar op grond van artikel 12 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties gedeeltelijk toegang moet worden verleend tot het gereglementeerd beroep, deelt hij in de afwijzing mee welke beroepswerkzaamheden de aanvrager onder welke voorwaarden gerechtigd is uit te oefenen.
Artikel 23h. (aanpassingsstage)
Het bedrijf, bedoeld in artikel 23e, zevende lid, kan een stagiair met werkzaamheden belasten zonder dat deze in het bezit is van een in hoofdstuk 2 genoemd diploma of een erkenning van EU-beroepskwalificaties, indien de stagiair beschikt over een mededeling, bedoeld in 23g, derde lid, met vermelding van het betrokken bedrijf.
De duur van de aanpassingsstage bedraagt ten hoogste twaalf maanden.
De aanvrager mag meer aanpassingsstages volgen, met dien verstande dat de gezamenlijke duur van de aanpassingsstages ten hoogste twaalf maanden bedraagt.
Na afronding van de aanpassingsstage zendt het bedrijf, bedoeld in het eerste lid, een schriftelijke verklaring aan de stagiair.
De verklaring, bedoeld in het vierde lid, wordt binnen twee weken na afronding van de aanpassingsstage verzonden, en bevat een oordeel over de wijze waarop de aanpassingsstage is vervuld.
Artikel 23i. (proeve van bekwaamheid)
De proeve van bekwaamheid wordt afgelegd in de Nederlandse taal bij een door de Minister aangewezen instantie.
Na het afleggen van de proeve van bekwaamheid zendt de instantie, bedoeld in het eerste lid, een schriftelijke verklaring aan de aanvrager.
De verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt binnen twee weken na het afleggen van de proeve van bekwaamheid verzonden, en bevat een oordeel over de wijze waarop de aanvrager de proeve van bekwaamheid heeft afgelegd.
De aanvrager mag meer proeven van bekwaamheid afleggen.
11c. Bijzondere bepalingen voor tijdelijke en incidentele dienstverrichters
Artikel 23j. (beroepskwalificatie-eisen aan tijdelijke en incidentele dienstverrichters)
Een dienstverrichter worden geen beperkingen wegens beroepskwalificaties opgelegd indien de dienstverrichter voorafgaand aan de eerste dienstverrichting in Nederland een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet EU-beroepskwalificaties doet toekomen aan Justis, met informatie over welk gereglementeerd beroep op welke tijdelijke of incidentele wijze zal worden verricht en:
- a. het beroep, het onderwijs of de opleiding die leidt tot de toegang tot of uitoefening van het beroep in de betrokken staat van vestiging is gereglementeerd; of
- b. het beroep of de opleiding die leidt tot toegang of uitoefening van het beroep in de betrokken staat van vestiging is niet gereglementeerd en de migrerende beroepsbeoefenaar heeft het beroep tijdens de tien jaar voorafgaand aan de dienstverrichting in Nederland gedurende ten minste één jaar, of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds, uitgeoefend in de betrokken staat van vestiging.
Artikel 23k. (verklaring vooraf door tijdelijke en incidentele dienstverrichter)
De verklaring, genoemd in artikel 23j, kan met alle middelen worden aangeleverd en wordt steeds na een jaar opnieuw afgegeven door de dienstverrichter indien hij voornemens is om gedurende het opvolgende jaar in Nederland tijdelijk en incidenteel diensten te verrichten.
De verklaring gaat vergezeld van de volgende documenten, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteit van de betrokken staat:
- a. de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, genoemd in artikel 23, derde lid onder a, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
- b. een attest dat de dienstverrichter rechtmatig in een andere betrokken staat dan Nederland is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen, en dat de dienstverrichter op het moment van afgifte van het attest geen permanent of tijdelijk beroepsverbod is opgelegd;
- c. een bewijs dat de dienstverrichter nooit strafrechtelijk is veroordeeld.
Indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten, genoemd in het tweede lid, gestaafde situatie, maakt de dienstverrichter daarvan binnen een maand melding bij Justis, onder overlegging van documenten waaruit die nieuwe situatie blijkt.
11d. Bijzondere bepalingen voor grensoverschrijdend transport van eurocontanten
11d. Bijzondere bepalingen voor grensoverschrijdend transport van eurocontanten
Bijlage 1. Embleem uniform (art. 12 RPB)
Model en afmetingen
Plaats op het uniform
Het uniform is te allen tijden en onder alle omstandigheden duidelijk zichtbare wijze van het embleem voorzien.
Voorzover het kledingstukken betreft die niet van revens zijn voorzien, zoals blousons, jacks, truien, overhemden en blouses, is het embleem aangebracht op de plaats die overeenkomt met de voor tunieken en colberts voorgeschreven plaats.
Bijlage 1a bevat het model van het in artikel 12, eerste lid, bedoelde embleem.
Model en afmetingen
Bijlage 1a bevat het model van het in artikel 12, eerste lid, bedoelde embleem.
Plaats op het uniform
Het uniform is te allen tijden en onder alle omstandigheden duidelijk zichtbare wijze van het embleem voorzien.
Metaal
Voorzover het tunieken, colberts en soortgelijke kledingstukken betreft, is het embleem aangebracht aan de linker- of rechtervoorzijde, op de revers.
Voorzover het kledingstukken betreft die niet van revens zijn voorzien, zoals blousons, jacks, truien, overhemden en blouses, is het embleem aangebracht op de plaats die overeenkomt met de voor tunieken en colberts voorgeschreven plaats.
Het uniform vertoont, noch ten aanzien van uitvoerng, noch ten aanzien van kleurstelling, meer dan noodzakelijke overeenkomst met uniformen zoals die worden gebruikt door de politie en de krijgsmacht.
Uitvoering
Bijlage 1A. Embleem uniform (art. 12 RPB)
Bijlage 2. Model legitimatiebewijs (art. 13 RPB)
- Grijs legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, eerste lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Grijs legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Blauw legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die de op het legitimatiebewijs omschreven beveiligingswerkzaamheden mag verrichten voor een organisatie met een beperkte vergunning.
- Geel legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die particuliere recherchewerkzaamheden mag verrichten en voldoet aan de eisen van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Legitimatiebewijs voor buitengewoon opsporingsambtenaren, zoals vastgesteld door de minister op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, bestemd voor een buitengewoon opsporingsambtenaar die behoort tot een particuliere beveiligingsorganisatie, dan wel een onderdeel daarvan, die door de minister is aangewezen als een categorie of eenheid als bedoeld in art. 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering (art. 5, derde lid, van de wet)
- Tot 1 januari 2003 of tot de vervaldatum van een groen legitimatiebewijs dat voor publicatie van deze regeling in de Staatscourant is verstrekt, kan nog een beroep worden gedaan op de volgende tekst: Groen legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden mag verrichten en (nog) niet in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 5 van de regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Bijlage 2A. Grijs legitimatiebewijs voor- en achterzijde
Bijlage 2B. Grijs legitimatiebewijs voor- en achterzijde
Bijlage 2C. Groen legitimatiebewijs voor- en achterzijde
Bijlage 1A. Embleem uniform (art. 12 RPB)
Bijlage 2. Model legitimatiebewijs (art. 13 RPB)
- Grijs legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, eerste lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Grijs legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Blauw legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die de op het legitimatiebewijs omschreven beveiligingswerkzaamheden mag verrichten voor een organisatie met een beperkte vergunning.
- Geel legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die particuliere recherchewerkzaamheden mag verrichten en voldoet aan de eisen van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Legitimatiebewijs voor buitengewoon opsporingsambtenaren, zoals vastgesteld door de minister op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, bestemd voor een buitengewoon opsporingsambtenaar die behoort tot een particuliere beveiligingsorganisatie, dan wel een onderdeel daarvan, die door de minister is aangewezen als een categorie of eenheid als bedoeld in art. 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering (art. 5, derde lid, van de wet)
- Tot 1 januari 2003 of tot de vervaldatum van een groen legitimatiebewijs dat voor publicatie van deze regeling in de Staatscourant is verstrekt, kan nog een beroep worden gedaan op de volgende tekst: Groen legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden mag verrichten en (nog) niet in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 5 van de regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Bijlage 1A. Embleem uniform (art. 12 RPB)
Bijlage 2. Model legitimatiebewijs (art. 13 RPB)
- Grijs legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, eerste lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Grijs legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Blauw legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die de op het legitimatiebewijs omschreven beveiligingswerkzaamheden mag verrichten voor een organisatie met een beperkte vergunning.
- Geel legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die particuliere recherchewerkzaamheden mag verrichten en voldoet aan de eisen van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Legitimatiebewijs voor buitengewoon opsporingsambtenaren, zoals vastgesteld door de minister op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, bestemd voor een buitengewoon opsporingsambtenaar die behoort tot een particuliere beveiligingsorganisatie, dan wel een onderdeel daarvan, die door de minister is aangewezen als een categorie of eenheid als bedoeld in art. 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering (art. 5, derde lid, van de wet)
- Tot 1 januari 2003 of tot de vervaldatum van een groen legitimatiebewijs dat voor publicatie van deze regeling in de Staatscourant is verstrekt, kan nog een beroep worden gedaan op de volgende tekst: Groen legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden mag verrichten en (nog) niet in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 5 van de regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Bijlage 2. Model legitimatiebewijs (art. 13 RPB)
- Grijs legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, eerste lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Grijs legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Blauw legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die de op het legitimatiebewijs omschreven beveiligingswerkzaamheden mag verrichten voor een organisatie met een beperkte vergunning.
- Geel legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die particuliere recherchewerkzaamheden mag verrichten en voldoet aan de eisen van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
- Legitimatiebewijs voor buitengewoon opsporingsambtenaren, zoals vastgesteld door de minister op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, bestemd voor een buitengewoon opsporingsambtenaar die behoort tot een particuliere beveiligingsorganisatie, dan wel een onderdeel daarvan, die door de minister is aangewezen als een categorie of eenheid als bedoeld in art. 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering (art. 5, derde lid, van de wet)
- Tot 1 januari 2003 of tot de vervaldatum van een groen legitimatiebewijs dat voor publicatie van deze regeling in de Staatscourant is verstrekt, kan nog een beroep worden gedaan op de volgende tekst: Groen legitimatiebewijs, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden mag verrichten en (nog) niet in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 5 van de regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Bijlage 2A
Legitimatiebewijs met grijze bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, eerste lid van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Overwegingen
2. Doel en werkingssfeer gedragscode
3. Begripsbepalingen
4.3. Opdrachten- c.q. voorvallenregistratie en de toepasselijkheid van de WBP
4.4. Uitbreiding werkingssfeer gedragscode
Grondslag voor de gegevensverwerking (uitwerking artikel 8 WBP)
Wettelijk kader
Grondslag voor de gegevensverwerking (uitwerking artikel 8 WBP)
5.3. Grondslag voor de gegevensverwerking (uitwerking artikel 8 WBP)
5.4. Verenigbaarheid (uitwerking artikel 9 WBP)
Sectornormering
Wettelijk kader
5.8. Beveiligingsplicht (uitwerking artikel 13 WBP)
7.1. Algemene normering onderzoeksmethoden en -middelen
Methoden van gegevensvergaring
7.2. Betreden van niet openbare (besloten) plaatsen
7.3. Interviewen van personen
7.4. Observatie
Observatie
Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever om de gebruikers van het geautomatiseerde systeem in algemene zin te informeren dat handelingen op computers, op computernetwerken en/of het gebruik van computerdiensten worden vastgelegd en onder welke omstandigheden de vastgelegde gegevens in de geautomatiseerde voorzieningen kunnen worden onderzocht.
7.7.3. Onderzoek van e-mailberichtenverkeer
7.6. Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen
7.6. Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen
e-mailberichtenverkeer afgetapt en/of ingezien kan worden.
7.7.2. Aftappen en/of opnemen van telefoongesprekken
Onderzoek van e-mailberichtenverkeer
7.7.3. Onderzoek van e-mailberichtenverkeer
7.9. Vastlegging van gehanteerde onderzoeksmethoden en -middelen
Sectornormering
9.3. Recht van verzet (uitwerking van artikel 40 WBP)
9.1. Mededelingen uit de opdrachten- c.q voorvallenregistratie (uitwerking artikel 35 en 43 WBP)
Sectornormering
Het particulier onderzoeksbureau is niet verplicht de aangevochten verwerking (bijvoorbeeld een voorgenomen verstrekking of een voorgenomen onderzoekshandeling) op te schorten nadat bezwaar is gemaakt. Indien degene die bezwaar maakt een dringend belang heeft bij het onmiddellijk staken van de verwerking dan dient hij een voorlopige voorziening te vragen bij de rechter (bijvoorbeeld via een kort geding).
De sector particuliere onderzoeksbureaus wisselt regelmatig persoonsgegevens (al dan niet in de vorm van onderzoeksrapporten) uit met opdrachtgevers in het buitenland op basis van (in Nederland) uitgevoerd particulier onderzoek.
Het uitgangspunt van de AVG is dat persoonsgegevens slechts mogen worden doorgegeven aan een derde land (landen buiten de Europese Unie) of een internationale organisatie wanneer de bepalingen van hoofdstuk V van de AVG worden nageleefd. Dit betekent dat doorgifte van persoonsgegevens slechts mogelijk is, indien de Europese Commissie heeft besloten dat een derde land, een gebied of een sector in een derde land, of een internationale organisatie een passend niveau van gegevensbescherming biedt (‘adequaatheidsbesluit’ ex artikel 45 lid 3 AVG).
In afwijking van deze bepaling kunnen persoonsgegevens worden doorgegeven indien:
Toelichting:
De ontwikkeling van een vrije interne markt binnen de Europese Unie vereist dat de uitwisseling van persoonsgegevens niet belemmerd wordt door nationale grenzen. Om die reden is doorgifte van gegevens aan landen binnen de Europese Unie door de sector particuliere onderzoeksbureaus toegestaan, een en ander met inachtneming van de AVG en de bepalingen van deze gedragscode. Paragraaf 10 heeft om die reden betrekking op doorgifte van gegevensverkeer naar landen buiten de Europese Unie of internationale organisaties.
In hoofdstuk V van de AVG is aangegeven wanneer doorgifte van gegevens naar landen buiten de Europese Unie of internationale organisaties kan plaatsvinden, indien het ‘derde’-land of de internationale organisatie geen passend beschermingsniveau biedt. Een actuele lijst met landen buiten de EU waarvoor wel een passend beschermingsniveau geldt is te vinden op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens.
De grondslagen voor doorgifte van persoonsgegevens naar landen buiten de Europese Unie of internationale organisaties zijn een groot deel dezelfde als aangegeven in paragraaf 5.7. Voor voorbeelden wordt volledigheidshalve daarnaar verwezen. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat ‘doorgifte van persoonsgegevens’ niet hetzelfde is als het uitvoeren van recherchewerkzaamheden buiten Nederland waarbij persoonsgegevens worden verwerkt. Het uitvoeren van recherchewerkzaamheden buiten Nederland waarbij persoonsgegevens worden verwerkt valt buiten de reikwijdte van deze gedragscode.
De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.
Indien een onderzochte persoon van menig is dat een particulier onderzoeker respectievelijk particulier onderzoeksbureau heeft gehandeld in strijd met deze gedragscode dan wel anderszins in strijd met de AVG, dient hij zich in eerste instantie te wenden tot de directeur van het particulier onderzoeksbureau.
De directeur van het particulier onderzoeksbureau beslist binnen zes weken na de ontvangst van het klaagschrift. De beslissing op de klacht wordt schriftelijk aan de klager medegedeeld.
9.3. Recht van verzet (uitwerking van artikel 40 WBP)
De Beroepscommissie van de Nederlandse Veiligheidsbranche bestaat uit drie door het bestuur van de Nederlandse Veiligheidsbranche aangewezen onafhankelijke leden. De algemeen secretaris van de Nederlandse Veiligheidsbranche vervult het secretariaat van de Beroepscommissie. De uitspraak van de Beroepscommissie is bindend.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 3 en 5 die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Justitie, Schedeldoekshaven 100 te Den Haag.
Begripsbepalingen
Omschrijving van de sector
De sector particuliere onderzoeksbureaus
4.2. Opdrachtgevers van de sector particuliere onderzoeksbureaus
4.3. Opdrachten- c.q. voorvallenregistratie en de toepasselijkheid van de WBP
Sectornormering
5. Algemene beginselen van gegevensverwerking
5.3. Beginsel van minimale gegevensverwerking (uitwerking artikel 5 lid 1 onder c AVG)
Verenigbaarheid (uitwerking artikel 9 WBP)
Wettelijk kader
Bewaartermijn (uitwerking artikel 10 WBP)
Wettelijk kader
Sectornormering
Niet meer dan nodig (uitwerking artikel 11 WBP)
Geheimhoudingsplicht (uitwerking artikel 12 WBP)
5.7. Geheimhoudingsplicht (uitwerking artikel 12 WBP)
5.7. Geheimhoudingsplicht (uitwerking artikel 12 WBP)
Sectornormering
7. Methoden van gegevensvergaring
6. Bijzondere persoonsgegevens
6. Bijzondere persoonsgegevens
Methoden van gegevensvergaring
7.1. Algemene normering onderzoeksmethoden en -middelen
7.1. Algemene normering onderzoeksmethoden en -middelen
Algemeen
Sectornormering
Observatie
7.4. Observatie
Sectornormering
Heimelijke observatie door middel van camera’s
7.7. Vertrouwelijke communicatie
7.7.1. Meeluisteren en opnemen van gesprekken in besloten en niet besloten ruimten
7.9. Vastlegging van gehanteerde onderzoeksmethoden en -middelen
7.7.2. Aftappen en/of opnemen van telefoongesprekken
7.7.3. Onderzoek van e-mailberichtenverkeer
7.8. Proefaankoop en pseudoklant
Algemeen
7.8. Proefaankoop en pseudoklant
7.9. Vastlegging van gehanteerde onderzoeksmethoden en -middelen
8. Informatieverstrekking aan de onderzochte perso(o)n(en)
Sectornormering
9.1. Mededelingen uit de opdrachten- c.q voorvallenregistratie (uitwerking artikel 35 en 43 WBP)
9. Rechten van de onderzochte perso(o)n(en)
9. Rechten van de onderzochte perso(o)n(en)
9.3. Recht van bezwaar (uitwerking van artikel 21 AVG)
9.2. Correctie en verwijdering (uitwerking artikel 36 WBP)
9.2. Correctie en verwijdering (uitwerking artikel 36 WBP)
11. Geschillenbeslechting respectievelijk verzoeken bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de rechter
Binnen zes weken na de ontvangst van de beslissing van de directeur van het particulier onderzoeksbureau kan een beroepsschrift worden ingediend bij de Beroepscommissie van de NVB, indien het particulier onderzoeksbureau lid is van de Nederlandse Veiligheidsbranche.
Recht van verzet (uitwerking van artikel 40 WBP)
Sectornormering
Een beroepschrift bij de Beroepscommissie van de Nederlandse Veiligheidsbranche of een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens laat onverlet dat onderzochte perso(o)n(en) zich ook rechtstreeks kan/kunnen wenden tot de rechtbank in het arrondissement waarin het particulier onderzoeksbureau is gevestigd, indien hij/zij van mening is/zijn dat een particulier onderzoeker respectievelijk particulier onderzoeksbureau heeft gehandeld in strijd met deze gedragscode of anderszins in strijd met de wet of het recht.
10. Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Unie
Indien een klacht is ingediend bij de Beroepscommissie van de Nederlandse Veiligheidsbranche, kan het verzoek dat betrekking heeft op inzage, rectificatie, wissing, of beperking van gegevens als bedoeld in de paragrafen 9.1 en 9.2 bij de arrondissementsrechtbank aanhangig worden gemaakt tot uiterlijk zes weken nadat bericht van de Beroepscommissie is ontvangen dat de behandeling van de zaak beëindigd is.
Toelichting:
De particuliere onderzoeksbureaus die onder de reikwijdte van de Wpbr vallen dienen op grond van deze wet te beschikken over een klachtenregeling. Klachten over het handelen of nalaten van een particulier onderzoeksbureau dienen derhalve in eerste instantie kenbaar te worden gemaakt bij de directeur van het particulier onderzoeksbureau.
Op grond van de standaard klachtenregeling die als bijlage 4 is opgenomen bij de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus van de Minister van Veiligheid en Justitie is de termijn voor het indienen van een klaagschrift bepaald op zes weken, te rekenen vanaf de datum waarop de gedraging waarover geklaagd wordt heeft plaatsgevonden. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de klager om bij het particulier onderzoeksbureau over wiens gedraging(en) geklaagd wordt te verifiëren of dat particulier recherchebureau eveneens deze termijn heeft opgenomen in hun specifieke klachtenregeling.
Sectornormering
Algemeen
Toelichting:
Wettelijk kader
In het kader van (extern) toezicht op de naleving van de privacygedragscode dient de omvang van de werkzaamheden eenvoudig te kunnen worden vastgesteld. Om die reden dienen de onderzoeksdossiers in de opdrachten- en voorvallenregistratie doorlopend te zijn genummerd of dient een andersoortige inzichtelijke nummering van onderzoeksdossiers te worden aangehouden.
Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Unie
Toelichting:
De zelfevaluatie kan door het management van het particulier onderzoeksbureau zelf uitgevoerd worden. De uitkomsten van de zelfevaluatie geven een duidelijk beeld over de huidige situatie en de noodzakelijke verbeterpunten. De zelfevaluatie bestaat uit een set aan vaststellingen, waarvan het van belang is dat iedere vaststelling door het management van het particulier onderzoeksbureau wordt ‘afgevinkt’ als blijk van bevestiging dat daadwerkelijk is vastgesteld dat wordt voldaan aan de eisen die uit de AVG en uit de privacygedragscode voortvloeien. De opbouw van de vaststellingen is – naast het algemene deel en het beveiligingsdeel – zodanig dat de chronologische volgorde van een doorsnee onderzoek gevolgd wordt. Per vaststelling wordt aangegeven wat de vindplaats in de privacygedragscode of in andere relevante documenten is. Door de invoering van het Keurmerk Particuliere Onderzoeksbureaus wordt onafhankelijk toezicht op de administratie organisatie en interne controle verder gewaarborgd.
Indien een onderzochte persoon van menig is dat een particulier onderzoeker respectievelijk particulier onderzoeksbureau heeft gehandeld in strijd met deze gedragscode dan wel anderszins in strijd met de WBP, dient hij zich in eerste instantie te wenden tot de directeur van het particulier onderzoeksbureau.
Afdeling 4 AVG ziet op de aanwijzing, positie en taken van de functionaris voor gegevensbescherming (FG). Voor een verwerkingsverantwoordelijke uit de sector particuliere onderzoeksbureaus is het aanwijzen van een FG verplicht:
Sectornormering
De AVG verduidelijkt niet wat onder ‘op grote schaal’ of met ‘grootschalige verwerking’ verstaan wordt. Op basis van de Richtlijnen voor functionarissen voor de gegevensbescherming (FG’s) van de Europese privacytoezichthouders (Groep Gegevensbescherming artikel 29). wordt aangenomen dat geen sprake van verwerking op grote schaal bij observatieopdrachten, indien deze worden uitgevoerd door een (relatief) klein particulier onderzoeksbureau met één of enkele medewerkers. Er is evenmin sprake van grootschalige verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, indien de bevindingen van onderzoeken worden vastgelegd in de onderzoeks- en voorvallenregistratie van een (relatief) klein particulier onderzoeksbureau met één of enkele medewerkers.
In paragraaf 7.4 is de sectornormering voor observatie opgenomen. Indien deze normering in acht wordt genomen is geen sprake van ‘regelmatige en stelselmatige observatie’ van personen als bedoeld in de AVG. Voor wat betreft de AVG is het begrip ‘regelmatige en stelselmatig observatie’ uitgewerkt in de Richtlijnen voor functionarissen voor de gegevensbescherming (FG’s) van de Europese privacytoezichthouders (Groep Gegevensbescherming artikel 29). ‘Regelmatig’ ziet op aspecten als:
‘Stelselmatig’ ziet op aspecten als: • plaatsvindend volgens een systeem;
Voor de analyse is voorts van belang dat het begrip ‘stelselmatige observatie’ als bedoeld in de AVG afwijkt van het begrip ‘stelselmatige observatie’ in de artikelen 126g en 126o WvSv. In beide artikelen staat letterlijk: ‘stelselmatig een persoon volgen of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarnemen’. Stelselmatige observaties zijn volgens de memorie van toelichting bij art. 126g zodanige observaties die als resultaat kunnen hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven wordt verkregen. Als elementen die van belang zijn voor het antwoord op de vraag of een dergelijke vorm van observatie zich voordoet, worden in de memorie van toelichting de duur, de plaats en de intensiteit of frequentie van de observatie genoemd, alsmede het eventuele gebruik van een technisch hulpmiddel dat meer biedt dan alleen een versterking van de zintuigen.(Kamerstukken II 1997/1998, 25 403, nr. 3 , p. 26-28). Indien de in paragraaf 7.4 genoemde sectornormering in acht wordt genomen is doorgaans geen sprake van ‘regelmatige en stelselmatige observatie’ van personen als bedoeld in het WvSv.
Indien aan de hand van eigen analyse is vastgesteld dat een FG aangewezen moet worden is het volgende van belang: De positie en de taken van de FG staan in de artikelen 38 en 39 AVG. Het is geen vereiste dat de FG een werknemer is van de verwerkingsverantwoordelijke. Artikel 37, zesde lid, bepaalt dat het ook mogelijk is een FG in te huren via een dienstverleningsovereenkomst. Het is denkbaar dat meerdere verwerkingsverantwoordelijken gezamenlijk één FG aanwijzen. De FG kan ook in deeltijd worden aangesteld, als dat op basis van bijvoorbeeld de aard van de organisatie en de verwerkingen die worden uitgevoerd, verantwoord is. Wanneer de FG echter naast zijn werkzaamheden als FG nog andere werkzaamheden vervult, dan is het wel zaak om zijn onafhankelijkheid in de uitoefening van de FG-taken goed te borgen. Het kan een ‘good practice’ zijn om vrijwillig een FG aan te wijzen. Wanneer een verwerkingsverantwoordelijke vrijwillig een FG aanwijst, gelden voor zijn aanwijzing, positie en taken dezelfde voorwaarden van de artikelen 37 tot en met 39 die zouden gelden als de aanwijzing verplicht was geweest.
Toelichting:
De particuliere onderzoeksbureaus die onder de reikwijdte van de Wpbr vallen dienen op grond van deze wet te beschikken over een klachtenregeling. Klachten over het handelen of nalaten van een particulier onderzoeksbureau dienen derhalve in eerste instantie kenbaar te worden gemaakt bij de directeur van het particulier onderzoeksbureau.
Artikel 33 en 34 AVG bevatten bepalingen over het melden van datalekken.
Een inbreuk in verband met persoonsgegevens wordt uiterlijk 72 uur nadat de verwerkingsverantwoordelijke daarvan kennis heeft genomen gemeld aan de Autoriteit Persoonsgegevens, tenzij het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk in verband met persoonsgegevens een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
Een inbreuk in verband met persoonsgegevens wordt aan betrokkene gemeld indien de inbreuk waarschijnlijk een hoog een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van betrokkene, tenzij voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 34 lid 3 AVG.
De verwerkingsverantwoordelijke documenteert alle inbreuken in verband met persoonsgegevens, met inbegrip van de feiten omtrent de inbreuk in verband met persoonsgegevens, de gevolgen daarvan en de genomen corrigerende maatregelen.
Sectornormering
13. Openbaarheid gedragscode
Toelichting:
Wanneer een soort verwerking, in het bijzonder een verwerking waarbij nieuwe technologieën worden gebruikt, gelet op de aard, de omvang, de context en de doeleinden daarvan waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen voert de verwerkingsverantwoordelijke vóór de verwerking een beoordeling uit van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteiten op de bescherming van persoonsgegevens (artikel 35 AVG).
Het particulier onderzoeksbureau neemt naar aanleiding van de uitkomst van de DPIA passende maatregelen om de risico’s voor de rechten en vrijheden van de onderzochte persoon tot een acceptabel niveau te beperken.
14. Wijzigingen gedragscode
Toelichting:
Bijlage 1
In het document van de Groep Gegevensbescherming artikel 29 (te raadplegen via www.autoriteitpersoonsgegevens.nl ) worden criteria gegeven om te bepalen of een verwerking ‘waarschijnlijk een hoog risico inhoudt’ in de zin van de AVG. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft een lijst van soorten van verwerkingen opgesteld waarvoor het uitvoeren van een DPIA verplicht is vóórdat met verwerken wordt begonnen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 3 en 5 die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Justitie, Schedeldoekshaven 100 te Den Haag.
Artikel 23l. (toepasselijke vervoersregelingen verordening)
De vervoersregelingen die worden genoemd in de artikelen 17, 18 en 20 van de verordening zijn op Nederlands grondgebied toegestaan.
Artikel 23m. (medisch attest)
De eisen die gelden voor het medisch attest, bedoeld in artikel 6a van de wet, zijn de volgende:
-
- Leden van het bewakingspersoneel van grensoverschrijdend transport van eurocontanten beschikken over een verklaring van medische geschiktheid.
-
- De verklaring van geschiktheid wordt afgegeven door een gecertificeerde Arbodienst of een geregistreerde bedrijfsarts.
-
- De leden, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de in artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 bedoelde eisen van lichamelijke en geestelijke gesteldheid, voor zover deze betrekking hebben op de in artikel 1, aanhef en onder b, van die regeling genoemde categorieën van rijbewijzen.
-
- De vragen die tijdens de medische keuring ten aanzien van de gezondheid mogen worden gesteld, alsmede de medische onderzoeken die mogen worden verricht, zijn opgenomen in bijlage 7 bij deze regeling.
Artikel 23n. (aanwijzing autoriteit artikel 12, tweede lid, verordening)
De korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, is de autoriteit, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet.
Artikel 23o. (initiatieopleiding artikel 5, eerste lid, onder c, en bijlage VI verordening)
Als initiatieopleiding beschikken de leden van het bewakingspersoneel over het diploma Beveiliger van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.
Naast de in het eerste lid genoemde initiatieopleiding dienen de leden van het bewakingspersoneel een aanvullende opleidingsmodule volledig te volgen en te voltooien. Deze module omvat tenminste de in bijlage VI bij de verordening opgesomde opleidingsonderdelen.
12. Vergoeding van kosten
12. Vergoeding van kosten
Model en afmetingen
Bijlage 1a bevat het model van het in artikel 12, eerste lid, bedoelde embleem.
Het uniform is te allen tijden en onder alle omstandigheden duidelijk zichtbare wijze van het embleem voorzien.
Uitvoering
Het seal embleem
Bijlage 2B
Legitimatiebewijs met groene bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Bijlage 2D
Legitimatiebewijs met gele bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor een persoon die particuliere recherchewerkzaamheden mag verrichten en voldoet aan de eisen van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Bijlage 2D
Legitimatiebewijs met gele bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor een persoon die particuliere recherchewerkzaamheden mag verrichten en voldoet aan de eisen van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Bijlage 2E
Model met oranje bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor voetbalstewards in betaald en amateurvoetbal.
Bijlage 4. Aanmeldingsformulier beveiligingswerkzaamheden (art. 19 RPB).
Naam + adres beveiligingsorganisatie:
Vergunning nummer:
Vergunning geldig tot:
Contactpersoon :
Telefoonnummer :
Betreft:
- aanmelden (nieuwe) werkzaamheden
- aanmelden wijziging werkzaamheden
- afmelden werkzaamheden
Met ingang van d.d. .........verricht bovenstaande organisatie
- geen beveiligingswerkzaamheden meer
- vaste post
- mobiele surveillance
- winkelsurveillance
- overige:
bij onderstaand bedrijf/object:
naam bedrijf/ object:
adres :
plaats :
- Omcirkelen wat van toepassing is.
z.o.z.
De omvang van de werkzaamheden is:
...........................
...........................
...........................
...........................
Bijlage 5 wordt niet gepubliceerd.
1. Overwegingen
2. Doel en werkingssfeer gedragscode
Begripsbepalingen
Omschrijving van de sector
3. Begripsbepalingen
Opdrachtgevers van de sector particuliere onderzoeksbureaus
5. Algemene principes van gegevensverwerking
5.1. Beginsel van rechtmatigheid (uitwerking artikel 5 lid 1 onder a AVG)
Sectornormering
5.4. Verenigbaarheid (uitwerking artikel 9 WBP)
Sectornormering
5.5. Bewaartermijn (uitwerking artikel 10 WBP)
Wettelijk kader
Sectornormering
5.6. Niet meer dan nodig (uitwerking artikel 11 WBP)
Beveiligingsplicht (uitwerking artikel 13 WBP)
Wettelijk kader
Bijzondere persoonsgegevens
Wettelijk kader
Gevolgen voor de sector
7.3. Interviewen van personen
7.3. Interviewen van personen
Interviewen van personen
Sectornormering
Algemeen
Sectornormering
7.7.1. Meeluisteren en opnemen van gesprekken in besloten en niet besloten ruimten
8. Informatieverstrekking aan de onderzochte perso(o)n(en)
Proefaankoop en pseudoklant
Algemeen
9. Rechten van de onderzochte perso(o)n(en)
Informatieverstrekking aan de onderzochte perso(o)n(en)
Wettelijk kader
Mededelingen uit de opdrachten- c.q voorvallenregistratie (uitwerking artikel 35 en 43 WBP)
Wettelijk kader
9.3. Recht van verzet (uitwerking van artikel 40 WBP)
De procedure bij de rechtbank kan – voor wat betreft een ingediende klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens – worden ingediend na drie maanden indien de Autoriteit Persoonsgegevens de klacht niet behandelt of de betrokkene niet binnen drie maanden in kennis stelt van de voortgang of het resultaat van de ingediende klacht (artikel 78 lid 2 AVG).
10. Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Unie
10. Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Unie
Voor wat betreft de termijnen waarin de onderzochte persoon zijn grieven kenbaar moet maken moet onderscheid gemaakt worden tussen verzoeken tot rectificatie, wissing, beperking van gegevens als bedoeld in de paragrafen 9.1 en 9.2 van deze gedragscode en overige rechtsvorderingen. Voor het aanhangig maken van overige rechtsvorderingen gelden de termijnen die genoemd zijn in het Burgerlijk Wetboek.
De bepalingen van de privacygedragscode dienen door particuliere onderzoeksbureaus te worden vertaald in een systeem van administratieve organisatie en interne controle. De Nederlandse Veiligheidsbranche heeft een praktijkhandleiding (‘toolkit’) voor haar leden ontwikkeld die de leden kunnen gebruiken zodat zij in staat gesteld worden op adequate wijze invulling te geven aan de bepalingen van de privacygedragscode. De praktijkhandleiding bestaat uit:
11. Geschillenbeslechting respectievelijk verzoeken bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de rechter
13. Functionaris voor de gegevensverwerking
Geschillenbeslechting respectievelijk verzoeken bij het CBP en de rechter
Particuliere onderzoeksbureaus zijn zich bewust van deze bepalingen en leven deze na.
Als het particulier onderzoeksbureau niet genoeg maatregelen kan nemen om de risico’s tot een acceptabel niveau te beperken (bijvoorbeeld bij afwezigheid van waarborgen of beveiligingsmaatregelen) dient de Autoriteit Persoonsgegevens te worden geraadpleegd.
14. Wijzigingen gedragscode
Een data protection impact assessment (DPIA) is een proces dat bedoeld is om de verwerking van persoonsgegevens te beschrijven, de noodzaak en evenredigheid ervan te beoordelen en de daaraan verbonden risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen in te schatten en maatregelen te nemen om de risico’s te beheersen. Onder ‘de rechten en vrijheden van natuurlijke personen’ wordt onder andere verstaan het recht op gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Een sectorale DPIA kan geboden zijn als binnen de sector particulier onderzoek een nieuwe technologie in gebruik genomen wordt om gegevens te verzamelen of te analyseren. Daarbij kan gedacht worden aan nieuwe technologieën voor het observeren, monitoren of controleren van betrokkenen. Een DPIA door een individuele verwerkingsverantwoordelijke kan geboden zijn bij aanschaf of vervanging van een nieuw softwarepakket voor de onderzoeks- en voorvallenregistratie.
Openbaarheid gedragscode
Deze gedragscode is openbaar en opvraagbaar bij de VPB, Stephensonweg 14, 4207 HB te Gorinchem of Postbus 693, 4200 AR te Gorinchem. Het telefoonnummer van de VPB is 0183-646670, het faxnummer van de VPB is 0183-6196617.
Wijzigingen gedragscode
Toelichting:
Bijlage 7. bij Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
-
- Hebt u last van of last gehad van de epileptische aanvallen, flauwvallen, aanvallen van abnormale slaperigheid overdag of andere bewustzijnsstoornissen?
-
- Hebt u last van of last gehad van evenwichtsstoornissen of ernstige duizelingen?
-
- Bent u onder behandeling of onder behandeling geweest voor een psychiatrische stoornis, een hersenziekte – zoals een beroerte – of een ziekte van het zenuwstelsel?
-
- Maakt u misbruik van of hebt u misbruik gemaakt van alcohol, geneesmiddelen, drugs of andere geestverruimende of bedwelmende middelen of bent u daarvoor ooit medisch onderzocht of onder behandeling geweest?
-
- Wordt of werd u behandeld voor inwendige ziekten als suikerziekte, hart- en vaatziekten, verhoogde bloeddruk, nierziekte of longziekte? Of hebt u een hart- of vaatoperatie ondergaan?
-
- Kunt u een arm, een hand of uw vingers niet of slechts beperkt gebruiken?
-
- Kunt u een been of voet niet of slechts beperkt gebruiken?
-
- Ziet u minder goed met één of beide ogen, zelfs als u gebruik maakt van een bril of contactlenzen?
-
- Wordt of werd u behandeld door een oogarts? Of hebt u een oogoperatie of een laserbehandeling van de ogen ondergaan?
-
- Gebruikt u medicijnen die volgens de bijsluiter de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden, zoals slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen, antidepressieve middelen, antipsychotische middelen of opwekmiddelen?
-
- Hebt u nog andere aandoeningen, ziekten of functiebeperkingen die het besturen van motorrijtuigen moeilijker maken?
Het onderzoek bestaat uit een gesprek over de algemene gezondheid, oogonderzoek, bloeddruk- en polsmeting, urine- of bloedsuikertest, alsmede een oriënterend lichamelijk/psychisch onderzoek.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 3 en 5 die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Justitie, Schedeldoekshaven 100 te Den Haag.
3. Begripsbepalingen
5.4. Verenigbaarheid (uitwerking artikel 9 WBP)
5.6. Niet meer dan nodig (uitwerking artikel 11 WBP)
7.4. Observatie
8.1. Informatieverstrekking aan de onderzochte persoon (uitwerking artikel 13, 14 en art. 23 AVG jo art. 41 UAVG)
9.2. Rectificatie en wissing (uitwerking artikel 16 t/m 18 AVG)
9.2. Correctie en verwijdering (uitwerking artikel 36 WBP)
De onderzochte persoon kan ook een klacht indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens indien hij of zij van mening is dat de verwerking van diens persoonsgegevens inbreuk maakt op de AVG. Het verzoek daartoe moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de directeur van het particulier onderzoeksbureau dan wel binnen zes weken na het verstrijken van de termijn van één maand zoals genoemd in de paragrafen 9.1 en 9.2.
Indien de klager ontevreden is over de wijze waarop de klacht is afgehandeld staat beroep open op de Beroepscommissie van de Nederlandse Veiligheidsbranche. De uitspraak van de Beroepscommissie is bindend voor het particulier onderzoeksbureau. Dat laat onverlet het recht van de onderzochte persoon om zich met zijn grieven te wenden tot de Autoriteit Persoonsgegevens en/of de rechter. Indien het oordeel van de Autoriteit Persoonsgegevens of het besluit van de rechter afwijkt van de bindende uitspraak van de Beroepscommissie vervalt voor het particulier onderzoeksbureau het bindende karakter van die uitspraak. De klachtenregeling van de Nederlandse Veiligheidsbranche en het reglement voor de Beroepscommissie zijn op te vragen bij de Nederlandse Veiligheidsbranche.
11. Geschillenbeslechting respectievelijk verzoeken bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de rechter
In algemene zin wordt het toezicht in het kader van de Wpbr, en derhalve ook op particuliere onderzoeksbureaus, verricht door de politie. Het toezicht omvat preventieve taken (adviseren bij vergunningaanvragen en bij toestemmingverlening aan leidinggevenden en beoordeling van de betrouwbaarheid/bekwaamheid van medewerkers) en repressieve taken (toezien op de naleving van de regelgeving door vergunning- en toestemminghouders in de praktijk en de handhaving).
Toelichting
12. Naleving gedragscode
13. Openbaarheid gedragscode
Bijlage 7. bij Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
-
- Hebt u last van of last gehad van de epileptische aanvallen, flauwvallen, aanvallen van abnormale slaperigheid overdag of andere bewustzijnsstoornissen?
-
- Hebt u last van of last gehad van evenwichtsstoornissen of ernstige duizelingen?
-
- Bent u onder behandeling of onder behandeling geweest voor een psychiatrische stoornis, een hersenziekte – zoals een beroerte – of een ziekte van het zenuwstelsel?
-
- Maakt u misbruik van of hebt u misbruik gemaakt van alcohol, geneesmiddelen, drugs of andere geestverruimende of bedwelmende middelen of bent u daarvoor ooit medisch onderzocht of onder behandeling geweest?
-
- Wordt of werd u behandeld voor inwendige ziekten als suikerziekte, hart- en vaatziekten, verhoogde bloeddruk, nierziekte of longziekte? Of hebt u een hart- of vaatoperatie ondergaan?
-
- Kunt u een arm, een hand of uw vingers niet of slechts beperkt gebruiken?
-
- Kunt u een been of voet niet of slechts beperkt gebruiken?
-
- Ziet u minder goed met één of beide ogen, zelfs als u gebruik maakt van een bril of contactlenzen?
-
- Wordt of werd u behandeld door een oogarts? Of hebt u een oogoperatie of een laserbehandeling van de ogen ondergaan?
-
- Gebruikt u medicijnen die volgens de bijsluiter de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden, zoals slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen, antidepressieve middelen, antipsychotische middelen of opwekmiddelen?
-
- Hebt u nog andere aandoeningen, ziekten of functiebeperkingen die het besturen van motorrijtuigen moeilijker maken?
Het onderzoek bestaat uit een gesprek over de algemene gezondheid, oogonderzoek, bloeddruk- en polsmeting, urine- of bloedsuikertest, alsmede een oriënterend lichamelijk/psychisch onderzoek.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 3 en 5 die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Justitie, Schedeldoekshaven 100 te Den Haag.
Artikel 11b. (videotoezichtcentrales)
Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in artikel 3, onderdeel e, van de wet laat, indien het een organisatie betreft die in de uitoefening van beroep of bedrijf ten behoeve van derden in een centraal meldpunt, de door videoapparatuur verzonden beelden ontvangt en beoordeelt en zo nodig assistentie vraagt aan de politie, andere overheidsinstanties of particulieren, het plan voor de installatie, de installatie en het onderhoud van de videoapparatuur die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren door installateurs en personen die aan installateurs assistentie verlenen, die in het bezit zijn van een diploma dat de instemming heeft van de minister.
Instemming als bedoeld in het eerste lid hebben:
- a. het diploma Projecteringsdeskundige CCTV/VSS;
- b. het diploma Installatiedeskundige CCTV/VSS;
- c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als alarminstallateur.
Het bepaalde in de artikelen 11a, 20 en 22 is van overeenkomstige toepassing op een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid.
De minister kan besluiten de eis van het overleggen van een certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, eenmalig voor een periode van ten hoogste acht maanden buiten toepassing te laten.
Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid laat het plan voor installatie, de installatie en het onderhoud van de apparatuur die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren door installateurs en personen die aan installateurs assistentie verlenen, die beschikken over een verklaring van betrouwbaarheid. Zij verleent uitsluitend diensten aan derden die deze werkzaamheden eveneens slechts laten verrichten door installateurs die aan de genoemde voorwaarden voldoen.
Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid maakt van videoapparatuur die behoort tot een categorie waarvoor Onze Minister regels heeft gesteld, uitsluitend gebruik indien deze overeenkomstig die regels is goedgekeurd. Zij verleent alleen diensten aan derden die eveneens aan deze voorwaarde voldoen.
Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid draagt zorg dat zij over documenten beschikt betreffende de door haar en derden gebruikte apparatuur, waarmee aangetoond kan worden dat zij aan het eerste, vijfde en zesde lid voldoet.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)